gereformeerd leven in nederland

7 december 2015

Geloof en verstand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Bijbellezen doen u en ik elke dag[1]. Het is een mooi voorbeeld van een verbondsactiviteit.

Er zijn mensen die zeggen: dat Bijbellezen is een kwestie van beleving. Lezers ervaren dat God bij hen is. Zouden die mensen gelijk hebben? Het lijkt er soms wel op. Immers: we hoeven geen cursus volgen voordat we de Bijbel begrijpen.

Op dit terrein doet zich echter een probleem voor.
Want die mensen die zeggen dat u en ik geen cursus hoeven volgen, zeggen er meestal iets bij. Zij poneren met veel aplomb dat we dus ons verstand niet hoeven te gebruiken. Dat is onnodig, beweren ze. Het is onzinnig, stellen zij vast. Geloof moet u namelijk ervaren. Dáár gaat het om.

Maar laten we wél wezen: het is helemaal geen onzin om uw verstand te gebruiken bij het lezen van Gods Woord. Natuurlijk kan verstandelijk redeneren bij het Bijbellezen gevaarlijk zijn. Maar daarom is denken over geloofszaken nog niet verkeerd.

Hoe gek dat wellicht ook klinkt: het bovenstaande is een kwestie van alle tijden[2].

Augustinus schreef ooit een boek dat “Doctrina christiana” heet.
Daarin zette hij een aantal principes op een rij met betrekking tot het lezen van de Bijbel. Die principes zouden, zo schreef Augustinus, de mensen helpen als ze ook moeilijke teksten uit wilden leggen. Het geheel zou de mensen verder helpen.
Er waren mensen die Augustinus’ werk beoordeelden. En die critici snapten in de verste verte niet waar zo’n boek nu voor nodig was. Laat de Heilige Geest Zijn werk maar doen, zeiden ze. Dan komt het met die gelovigen vanzelf goed.
Augustinus vond de argumenten van de criticasters niet erg steekhoudend.
Want, zo zei hij, iemand anders heeft u leren lezen. Waarom zou u Bijbellezen dan niet van iemand anders moeten leren? Natuurlijk zijn er bijzondere mensen die veel Geestesgaven hebben gekregen om de Bijbel te lezen. Maar dat is toch geen vaste regel? Cornelius kreeg in Handelingen 10 bezoek van een engel. Maar die engel zei dat hij Petrus in zijn huis moest uitnodigen[3]. Petrus zou hem allerlei dingen nader uitleggen. Dus, zo stelde Augustinus, werkt God als regel via mensen. Cornelius is trouwens niet het enige voorbeeld. Denkt u ook maar Filippus die de kamerling van Candace uitleg moest gaan geven[4].
Daarmee was Augustinus niet uitgepraat.
Hij zei: als u vindt dat mensen rechtstreeks naar God en de Heilige Geest moeten gaan, waarom legt u dan eigenlijk zelf de Bijbel uit? Houdt u daar dan ook maar mee op, en stuur de mensen meteen maar door naar God…
Zo diende Augustinus zijn critici van repliek.

Laat u derhalve nimmer misleiden. Wij moeten wel degelijk ons verstand gebruiken.

Wie zijn intelligentie benut kan ook te ver gaan.
Mensen die doorschieten beweren bijvoorbeeld dat de gegevens die in de Bijbel staan zich er niet voor lenen om er theologische wetenschap op te bouwen.
Die mensen zeggen:
* er komen geweldig veel gebeurtenissen in de Bijbel voor.
* er zijn heel verschillende mensen
* daar kun je meestal geen lijn in ontdekken
* en als je dat bij geval wel kunt dan is dat, zo zeggen dergelijke mensen, reuze relatief. Een universitair docent zei eens: “Ik kan nu een exegetisch model -een parcours- presenteren, maar over vijftien jaar, of misschien morgen al, verwerpt een ander het”[5].

In feite is hierboven het grote verschil aangegeven.
De één zegt: God werkt via mensen.
De ander stelt: mensen werken voor mensen.

De Here roept ons in Zijn Woord op om te geloven én ook om ons verstand te gebruiken.
Wat dit betreft wil ik graag wijzen op 1 Petrus 3: “Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze…”[6]. Dat woord ‘verantwoording’ is de vertaling van ‘apologia’. U herkent misschien ons woord apologetiek. We moeten, kortom, ons verstand gebruiken om het christelijk geloof te verdedigen.
In Job 32 zegt Elihu: “Want ik ben vol woorden, de geest in mijn binnenste dringt mij”. De Willibrordvertaling van de Katholieke Bijbelstichting heeft op deze plaats: “Ik zit boordevol argumenten, barstensvol argumenten”[7].
En overigens heeft Jezus in Mattheüs 22 gezegd dat het liefhebben ook alles te maken met ons verstand[8].
Geloven is prachtig. Maar dat betekent niet dat we ons verstand moeten uitschakelen!

Hierboven citeerde ik een universitair docent die wees op de relativiteit van exegetische modellen. Over vijftien jaar is het model van 2006 weer ouderwets, voorspelde hij.
De geachte docent bleef niet onweersproken.
Een hoogleraar wierp tegen: “Veel mensen denken dat iets pas Woord van God kan zijn als het perfect klopt. Maar veelstemmigheid hoeft niet bedreigend te zijn. De vele stemmen zijn juist een spiegel van de concrete omgang van God met zijn volk”[9].

Dat had de professor mooi gezegd. Maar het bevredigde mij niet geheel. Hij had, wat mij betreft, de zaak nog wel wat scherper mogen stellen.

Want God is almachtig. En Zijn Woord is absoluut onovertroffen. Dat mensen Zijn Woord onvoldoende doorgronden, dat is heel wat anders.
Wie gaat delibereren over Bijbelse veelstemmigheid, redeneert vanuit de mens.
Maar het gaat niet om al die mensen die in de Bijbel vanuit alle hoeken van de wereld voorbij komen. We moeten beginnen bij God. We hebben het dan over God die ons heeft gemaakt. God die ons redt. God die ons onderhoudt.
In de Bijbel presenteert Hij Zich als de liefdevolle God die ons liefde leert. En Hij manifesteert Zich als de machtige God die ons onze zonden vergeven wil. Daar moet de nadruk liggen!

Zijn Woord is een spiegel, jazeker. Maar als wij in die spiegel kijken, ontwaren wij geen keurig plaatje. U weet wel, zo’n beeld waarop u urenlang kunt staren om het geheel te analyseren. Nee, als we in die spiegel kijken zien we alleen maar… raadsels. Die hele spiegel zit stampvol met raadsels. En zelfs de knapste geleerde kan de sleutel tot die cryptische informatie niet vinden.
Natuurlijk zouden we, afgaande op ons gevoel, die raadsels onmiddellijk op willen lossen. Maar we moeten ons verstand gebruiken. En als we dat doen, dan weten we: wij moeten geduld hebben.
Wij weten het: er zal een moment komen waarop we God zullen zien. We kunnen Hem dan recht in het gezicht kijken. Dat hebben we in het verbond van onze God geleerd. En dan, ja dan zal blijken dat God ons al door en door kende. Hij kende ons al voordat de jaartelling begon.

Het staat allemaal in 1 Corinthiërs 13.
“Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”[10].

Wie dat niet belijden wil, blijft op aarde rondjes draaien. Hij wordt het middelpunt van een cirkelgang. En dat zal ten langen leste de tredmolen van de dood blijken te wezen.

Laten wij het maar geloven met geheel ons hart, met geheel onze ziel met geheel ons verstand: “Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben”[11].

Vandaag eindig ik met prachtige woorden van K. Schilder. Hij was in zijn tijd een groot geleerde. En uitgerekend hij hamerde op de grote waarde van het geloof.
In een preek over Amos 9 sprak hij woorden die op deze dag in december van het jaar onzes Heren 2015 nog reuze actueel blijken te zijn. Met deze woorden is de uiteindelijke bedoeling van dit artikel op adequate wijze samengevat.
“Dat God in de geschiedenis optreedt en er niet alleen is, maar ook laat weten, dat Hij er is, dat is voor ons een onomstootelijke waarheid. Alleen maar: het is een waarheid van het geloof en niet van eenige wetenschap. Wij wandelen nu eenmaal ‘door geloof en niet door aanschouwing’, en die wandeling wordt bij de groote mijlpalen in de geschiedenis, en bij Gods vervaarlijke daden van verlossing en van oordeel niet afgebroken, maar eenvoudig voortgezet. Zeker, het geloof heeft dan ook weer zijn eigen kijk op de geschiedenis; en als ik eenmaal geloof, dat God ook in de historie werkt en regeert, dan krijg ik ook wel mijn eigen, geloovige, beschrijving der geschiedenis. Maar ik moet mij er toch altijd goed van doordringen, dat ik dit alles heb gekregen en heb leeren zien door het geloof, en dat ik ooit nooit een anderen grond er voor heb, dan mijn geloof[12].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 1 december 2006.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/Christ_theologie/apologetiek/JvdM_niet_ervaring_alleen.htm . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[3] Handelingen 10:4, 5 en 6: “En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt”.
[4] Handelingen 8:26-29: “En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Candace, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen”.
[5] Zie: “Actualiseren is taak van de exegese”. In: Reformatorisch Dagblad, 30 november 2006, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl . De docent is dr. J. Tromp, indertijd docent vroeg Jodendom en godsdienst van Israël aan de Universiteit Leiden.
[6] 1 Petrus 3:15.
[7] Job 32:18.
[8] Mattheüs 22:37: “Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand”.
[9] De spreker is prof.dr. E. Talstra, indertijd hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
[10] 1 Corinthiërs 13:12.
[11] 1 Corinthiërs 13:9 en 10.
[12] Zie http://www.dbnl.org/tekst/schi008prek01_01/schi008prek01_01_0032.php Dit betreft een preek van K. Schilder over Amos 9:7 en 8. De preek heeft als titel “De valsche roem beschaamd”. De preek is te vinden in: K. Schilder, Preken. Deel 1 (Verzamelde werken afdeling I) (ed. W.G. de Vries). – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1954. Daarnaast ook in: ‘Menigerlei Genade’, wekelijksche leerredenen onder redactie van Dr. J.C. de Moor en Dr. B. Wielenga, jg. 16, no 22. – Kampen: Uitgeverij J.H. Kok, 1926. – p. 337-352. De preek is gedateerd op zondag 26 september 1926.

24 december 2014

Kerst 2014: de werkelijkheid is veranderd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Wat zal er in de komende dagen weer vaak gepreekt worden over Lucas 2! En ja, in alle opzichten is het een opvallend Schriftgedeelte[1].
Als er bij ons een kind geboren wordt, dan zeggen we: hij lijkt op vader. Of: zij lijkt op haar moeder. Of: wat heeft ze al veel haar.
En wat lezen we in Lucas 2? Daar gaat het over:
* de armoedige ‘kleding’, want meer dan doeken waren het niet
* de kribbe, die een alternatief was voor de wieg.
* een onderkomen waar de nederigheid van afstraalde.

De tekst is bekend: “…en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg”[2].

We lezen in eerste instantie niets over het uiterlijk. Na de geboorte van Jezus gaat het meteen weer over de omgeving. En dat is opvallend. Wij zeggen bij de geboorte van Jan of Janny ook niet meteen: wat wonen die mensen toch prachtig. Of misschien: het is maar een armoedig buurtje hier. Maar in Lucas 2 gebeurt dat wel.

Zo laat Lucas zien dat de Zoon van God van de hemelse naar de aardse werkelijkheid ging. En dat was een harde realiteit. De Zoon van God kwam naar de aarde, midden in een van zonden doortrokken wereld.

Juist die doeken en die kribbe zijn voor de herders in Lucas 2 ook herkenningstekens: “En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe”[3].
Tot overmaat van ramp was er niet eens een gereserveerde plek voor de boreling. Er was geen plaats in de herberg, staat in Lucas 2. Maar een echte herberg was het eigenlijk niet. Kataluma staat er in het Grieks. En dat is een woord met een heel algemene betekenis. Het duidt op ‘onderkomen’, of: ‘verblijfplaats’, ‘accommodatie’, ‘kamer voor de gasten’. Het komt ook voor in Lucas 22: “De Meester zegt u: Waar is het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten?”[4].
Pandocheion: dat was het gebruikelijke woord voor ‘herberg’. Zo staat dat bijvoorbeeld in Lucas 10; in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan – : “en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem”[5].
Maar in Lucas 2 is dus simpelweg sprake van een ruimte waar men, als ik het even oneerbiedig zeggen mag, tijdelijk wat mensen kwijt kon. Er zullen misschien ook wel wat afgedankte spullen gestaan hebben. Want logeerkamers en zo, dat zijn niet zelden ook opslagruimtes of rommelhokken.

Zo komen de gegevens op een rijtje te staan:
* doeken
* kribbe
* logeerkamertje. Dus: geen herberg; geen hotelkamer.
En zeg nu zelf: gewoner kan het toch haast niet?
Maar in die kribbe ligt een baby die tegelijk God en mens is: wat heeft Hij zich vernederd!
De Zoon van God kwam op deze wereld om onze werkelijkheid te veranderen: een wonder van hemels formaat!

Laten wij bij dit alles nooit vergeten dat in gewone mensentaal een heel ongewone boodschap klinkt. Een ronduit wonderlijke boodschap zelfs: “Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David”[6].
En:
“Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens”[7].

Ooit zei de kerkvader Augustinus er in een kerstpreek de navolgende hooggestemde woorden over: “Hij ligt in een voederbak, maar Hij omvat de wereld. Hij drinkt aan de borst, maar Hij voedt de engelen. Hij wordt in een doek gewikkeld, maar Hij kleedt ons in onsterfelijkheid. Hij wordt gezoogd, maar Hij wordt ook aanbeden. In het nachtverblijf van de stad kan Hij niet terecht, maar in het hart van de gelovigen bouwt Hij zich een tempel. Opdat de zwakheid krachtig werd, is de kracht zwak geworden”[8].

Dat is taal die we in 2014 niet meer gewend zijn.
Augustinus trekt met fabelachtige snelheid grote lijnen.
De heilsfeiten stapelen zich op.
Laten we het maar ‘integraal Kerstfeest’ noemen: we overzien immers in een oogwenk een heel stuk van de heilshistorie.

Vandaag de dag heeft het Kerstfeest een horizontaal karakter. De spanningsboog is in ons tijdsgewricht ook aanzienlijk korter. Men zegt: “De moderne boodschap van het Kerstfeest is verbroedering. Maak ruzies goed met je familie en vrienden, het leven is te kort om te blijven bekvechten”[9].
En: “Kerst in Nederland met de mooiste kerstkado’s en straks weer leuke digitale kerstkaarten versturen”[10].
Natuurlijk, het is mooi als u het met de mensen in uw omgeving goed kunt vinden. Het is prachtig als de sfeer in de kerk goed is. Daar moeten we ook op aansturen. Maar daarin zit niet de kernboodschap van het Kerstfeest.
Die boodschap zit ook niet in de Kerstpakketten. Daarvan zijn er, naar verluidt, dit jaar minder verkocht. Oorzaak: bedrijven gingen failliet, of reorganiseerden fors[11].
Die boodschap zit ook niet in sfeer of kleurgebruik. IJverige voorlichters melden ons: “Met stip op nummer 1 als trendkleur voor dit jaar staat wat mij betreft het frisse turquoise. Deze kleur zit ergens tussen groen en blauw, is zowel chique te combineren met donkere tinten als heerlijk verfrissend in combinatie met natuurtinten en wit, voor een modern sneeuwlandschap in huis. Ook emerald is hot, die kleur gaat weer net iets meer naar het groen. Eigenlijk is alles tussen groen en blauw goed deze winter”[12].
Dat kleurverhaal ziet er heel romantisch uit. Maar het háált het niet bij de verzoening die Christus heeft bewerkt. Het háált het niet bij het allesomvattende en volledig vernieuwende werk van onze God.
Kerstfeest: dat is een feest vanuit het geloof. Het is een feest van de kerk.

Onze Here kwam naar de aarde om heel gewone mensen, zoals u en ik, te redden.
Laat ik dat heilsfeit vandaag ook eens inkaderen met woorden uit Hebreeën 2.
“Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen”[13].
Daarom is het leven van ware gelovigen altijd leefbaar. Hoe donker of eenzaam de dagen ook zijn. Want er is hoop. Er is uitzicht. Op het Kerstfeest gaat de deur naar de toekomst open.

Ik wens u allen gezegende Kerstdagen toe!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 23 december 2005.
[2] Lucas 2:7.
[3] Lucas 2:12.
[4] Lucas 22:11. Paralleltekst in Marcus 14:14.
[5] Lucas 10:34.
[6] Lucas 2:10 en 11.
[7] Lucas 2:14.
[8] Zie http://www.augustijnsinstituut.nl/C180-Ker01.html .
[9] Zie http://www.kerst.org/kerst-verbroedert-ook-bij-onno-en-albert/ .
[10] Zie http://www.kerst.net/index.htm .
[11] Zie http://nos.nl/artikel/2007866-miljoen-minder-kerstpakketten-door-crisis.html .
[12] Zie http://www.christmaholic.nl/2014/08/28/de-trendkleuren-voor-kerst-2014/ .
[13] Hebreeën 2:16, 17 en 18.

14 juni 2013

Houdt moed!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wij moeten, zo las ik afgelopen woensdag in de krant, terug naar het geloof van de kerkvaders.
De rector van de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven spreekt over herbronning. Studenten gaan dus op zoek naar een andere bron. “We gaan terug naar oude teksten van voor de verlichting”.
Ook buiten de wereld van de theologen is er belangstelling voor mensen als Augustinus. Mensen uit het bedrijfsleven nemen met belangstelling kennis van teksten die in voorbije tijden geschreven werden.
En waarom zijn die kerkvaders tegenwoordig zo populair?
Bart van Egmond weet het antwoord. Bart werkt bij de vrijgemaakte Theologische Universiteit in Kampen en de Katholieke Universiteit in Leuven aan een proefschrift over Augustinus’ genadeleer. “Achter de populariteit van de kerkvaders zit een verlangen naar de oorspronkelijke eenheid van christenen (…). ‘Christenen in West-Europa kennen een kerk die verdeeld en versplinterd is geraakt. Bovendien zijn ze een minderheid geworden. Er is een zoektocht naar eenheid en naar de kern van het christendom’”.
Bart zegt ook: “Augustinus is een existentieel denker. Zijn theologie is nauw verweven met zijn biografie. Daardoor kan ik me in hem herkennen. Veel van wat ik van hem las, wist ik en geloofde ik al, maar hij presenteerde het op een nieuwe manier”.
De kerkvaders combineerden verstand en gevoel. Via intellectualiteit en persoonlijke emotie kwamen zij tot een doorleefd geloof[1].

Het is, denk ik, heel goed om kennis te nemen van geschriften die christenen uit voorbije eeuwen hebben nagelaten.
Wij mogen hun geloof navolgen.
Augustinus schreef: “Toen Christus zich met zijn Kerk verloofde, zond Hij haar de heilige Geest. Die Geest werd haar bij wijze van ring gegeven. Hij die haar die ring gaf, wil haar ook de rust van de onsterfelijkheid geven. Laten we van Hem houden, op Hem hopen en in Hem geloven”.
Ignatius noteerde: “Er is één arts, vleselijk en geestelijk, geboren en ongeboren, God in het vlees gekomen, in de dood waarachtig levend, zowel van Maria als uit God afkomstig, eerst onderworpen aan het lijden, toen niet meer in staat te lijden: Jezus Christus onze Heer”[2].
Dat zijn mooie teksten, waarin we worden aangespoord om ons geloof vast te houden.

Christenen uit vroegere tijden eerden hun Heer. Daar moeten wij een voorbeeld aan nemen.
Ook in deze tijd mogen Gods kinderen aan de wereld laten zien dat de Here nog altijd trouw is aan Zijn Woord.

Als ik goed luister, proef ik in het bovenstaande echter een negatief sentiment. Ik citeer nog even: “Christenen in West-Europa kennen een kerk die verdeeld en versplinterd is geraakt. Bovendien zijn ze een minderheid geworden. Er is een zoektocht naar eenheid en naar de kern van het christendom”.
Kort door de bocht: er heerst een gevoel dat het niks meer wordt. Eigenlijk zijn christenen van 2013 best wel een beetje zielig. En Gereformeerden? Die zijn zó wereldvreemd… dat wordt nooit meer wat.

Enthousiaste christenen van vandaag lijken zich vertwijfeld af te vragen hoe het toch komt dat de kerk niet groeit. Mensen zouden zich – zeker in tijden van crisis – massaal naar de kerk moeten begeven. Er is toch niks logischer dan dat?
Als het hier om gaat, moeten wij bedenken dat het niet zo is dat de vroege kerk snel de wereld veroverde.
Ergens las ik: “Terwijl het aantal inwoners van het Romeinse Rijk rond de 60 miljoen lag, wordt het aantal christenen rond het jaar 100 geschat op 10.000. Rond het jaar 200 zijn dat er 200.000 en pas rond 300 na Christus zijn er ongeveer evenveel christenen als joden: tussen de 6 en de 9 miljoen. Het aantal christenen neemt in de vierde eeuw toe tot 50 procent van de bevolking, maar het is de vraag hoe diepgaand al die bekeringen zijn geweest”.
Kleine groepjes christenen leefden verspreid over het Romeinse Rijk. En eigenlijk wisten zij nauwelijks van elkaars bestaan af. Zij beschikten ook niet allen over de geschriften die wij nu het Nieuwe Testament noemen. Zo kwam het dat de onderscheiden gemeenten tot leringen kwamen die onderling nogal van elkaar verschilden.
Conclusie: het is wat al te optimistisch om zonder meer te stellen dat de christelijke kerk in de eerste eeuwen na Christus een echte groeispurt doormaakte[3].

Het is, dunkt mij, van groot belang om te bedenken dat er eertijds bij tijd en wijle wel degelijk van vervolging sprake was.
In het Romeinse Rijk van de derde eeuw correspondeerden de bisschoppen druk over allerlei theologische en politieke problemen. In zulke brieven gaven de uit hun woonplaats verdreven kerkleiders soms ook adviezen aan achtergebleven christenen. Op die manier bleven Gods kinderen in die tijd staande. Die brieven gaven de mensen ook materiaal in handen om het Evangelie te verbreiden. En dat gebéurde ook[4].

Afgelopen woensdag publiceerde het Christelijk Informatie Platform een vraaggesprek met dominee W. Visscher, predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten.
Visscher merkte op: “De Heere kan verdrukking gebruiken om de kerk in Nederland te zuiveren. Hij zorgt voor wie daarin volhardt en bij Hem houvast vindt”.
En verder:
“”Christenen en niet-christenen doen voor vijfennegentig procent dezelfde dingen. We gaan allemaal naar de winkel en kopen een huis. We eten, drinken, werken en voeden kinderen op. Maar oprechte christenen mogen, als het goed is tenminste, aan hun medemensen laten zien dat het goed is om naar de boodschap van de Bijbel te leven. Als je iedere zondag naar de kerk gaat en volgens de Bijbelse principes leeft, zullen mensen ernaar vragen. In onze gemeente zitten leden die buurtbewoners meenemen naar de kerk als hun kind wordt gedoopt. Laat het christelijk geloof ‘gewoon’ zien. Leef het voor. Leef eruit en ernaar. Als je volgens christelijke principes leeft, gaan mensen in je omgeving vragen stellen”.
En ook:
“We moeten niet de kant op dat we onze seculiere medemensen mentaal of fysiek een klap geven. Dat is juist een kenmerkend verschil tussen de islam en het christendom. We verbreiden het Evangelie niet met geweld. Door Gods Geest zal dat geschieden. We lijden liever ongelijk, dan dat we ook maar terug zouden willen slaan met wereldse middelen. In plaats daarvan moeten we in gebed gaan. En volhardend naar Bijbelse beginselen leven. Dat is de taak van christenen”[5].
Ook in deze tijd komt het er op aan om de blijven geloven in de beloften van God, en te leven naar Zijn wet.
Zeker in deze tijd is het van het hoogste belang om gewoon Gereformeerd te leven. Dat lijkt boter aan de galg gesmeerd; maar dat is het beslist niet.
De Heilige Geest, die in de vroege kerk Zijn werk deed, is in de eenentwintigste eeuw niet minder actief. Als u het mij vraagt, betekent dat in ieder geval dat er geen enkele reden is om als Gereformeerden desolaat en droevig door de wereld te wandelen.
De Prediker heeft ons in hoofdstuk 7 geleerd: “Zeg niet: Hoe komt het, dat de vroegere tijden beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zoudt gij aldus vragen”[6].
Natuurlijk hebben wij allen de neiging om terug te verlangen naar gelukkiger tijden, naar de periodes waarin nog zoveel goede dingen aan ons oog voorbij trokken. Dat ligt voor de hand. Maar het is niet goed. Want ook in tijden waarin tegenspoed zich aandient, behoren wij de Here toegewijd te dienen.
Wederom citeer ik de Prediker: “Wees goedsmoeds in tijd van voorspoed, maar denk op de kwade dag: ook deze heeft God gemaakt evenzeer als die; immers kan de mens van de toekomst niets ontdekken”[7].

Het is die trouwe God die ons, ook in deze eeuw, steunen en leiden wil.
Vol levenslust mogen we daarom de woorden van Psalm 27 tot de onze maken:
“Maar door Gods trouw keert mijn vertrouwen weer;
in zwakheid wordt des HEREN kracht volbracht.
Betoon u sterk, houd moed, geloof en wacht.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de HEER!”[8].

Noten:
[1]
Zie: “Terug naar het geloof van kerkvaders”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 12 juni 2013, p. 2.
[2] Deze citaten zijn afkomstig van http://vroegekerk.nl/ . Ook in het onderstaande gebruik ik onder meer gegevens die men op die internetpagina vinden kan.
[3] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/vroege_kerk_groeide_slechts_geleidelijk_1_343302 .
[4] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/vroege_christenen_waren_netwerkers_1_655222 .
[5] Zie http://www.cip.nl/artikel/36039/God-kan-verdrukking-gebruiken-om-Zijn-kerk-te-zuiveren .
[6] Prediker 7:10.
[7] Prediker 7:14.
[8] Psalm 27:7 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

19 november 2012

Augustinus: gepassioneerd pastor en prediker

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De naam van Augustinus kent bijna iedereen.
Er zijn Bijbelstudieverenigingen naar hem genoemd.
En ook scholen.

Aurelius Augustinus werd geboren in 354 na Christus[1]. Die tijd ligt natuurlijk al ver achter ons. Maar wie naar de geschiedenis van Augustinus’ leven kijkt, ontdekt snel dat er voor ons nog wel herkenbare dingen zijn. Bijvoorbeeld:
* zijn ouders geven hem nogal veel ruimte; hij mag zijn eigen keuzes maken.
* Augustinus woont al op jonge leeftijd samen.
* Augustinus is heel lang op zoek. Voortdurend vraagt hij zich af waar men nu werkelijk rust vinden kan. Hij is op zoek naar de oorsprong van goed en kwaad.
* Augustinus’ moeder, Monica, probeert contact met haar zoon te houden. Maar hij keert zich van haar af, en reist naar Rome en Milaan.
Dat zijn ontwikkelingen en gebeurtenissen die we vandaag wel kunnen volgen. Wij willen graag ruimte voor onszelf. Samenwonen is bij veel jongeren in. Heel wat mensen zijn op zoek naar zichzelf. Heel wat jeugdige burgers laten de adviezen van vader en moeder voor wat zij zijn. Zij willen éigen keuzes maken. Zij willen zelf argumenten zoeken voor hun persoonlijke manier van doen.
Tegenwoordig zeggen velen dat dat reuze modern is. Maar dat valt dus tegen. Augustinus deed het ook al.

In Milaan bekeert Augustinus zich, mede onder invloed van de verbaal begaafde bisschop Ambrosius, tot het christendom. De zoekende jongeman leert beseffen dat er in het leven méér is dan feestjes en leuke dingen. Heel beslissend voor zijn bekering is een tekst uit Romeinen 13: “Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd!”[2].
Gedurende korte tijd woont de jonge bekeerling in een klooster. Maar daarna wordt hij priester. Van 395 tot 430 na Christus is hij bisschop – zeg maar: dominee of pastor – van de christelijke gemeente in Hippo. Tegenwoordig is dat de stad Annaba in het noordoosten van Algerije[3].

Augustinus is onder meer bekend vanwege zijn boekenserie ‘De staat van God’; die serie heeft niet minder dan tweeëntwintig delen. Augustinus werkt er zo’n veertien jaar aan.
De achtergrond van dat boek wordt onder meer gevormd door het feit dat Rome in het jaar 410 na Christus door de Gothen wordt ingenomen en geplunderd[4]. De Gothen zijn vanuit het Romeinse rijk gekerstend; ze zijn dus christenen geworden. En juist die christenen nemen Rome in!
U kunt wel raden wat er gebeurt: de ondergang van Rome wordt door velen op rekening van de christenen geschreven. Juist die christelijke godsdienst is, zo zegt men, de oorzaak van chaos en verwarring, van ondergang en ellende.
Welnee, zegt Augustinus, de oorzaak ligt ergens anders.

Want de Romeinen wilden eigenlijk maar drie dingen: eer, roem en vrijheid. Maar toen zij die vrijheid eenmaal hadden, gingen ze anderen onderdrukken.
Vanuit alle hoeken van het Romeinse rijk werden diverse vormen van godsdienst geïntroduceerd. De eer werd aan die afgoden gegeven. Maar eigenlijk, zo betoogt Augustinus, waren al die godsdienstige activiteiten niet meer dan zoethoudertjes voor het volk. De mensen werden aangenaam bezig gehouden. En ondertussen hadden de bestuurders, de leiders van het land, een mooi en rustig leven.
Het Romeinse rijk steunde, zo legde Augustinus uit, eigenlijk op twee pijlers:
*eigenbelang
* heidens ‘geloof’.
Wij moeten, zo leert Augustinus aan zijn lezers, de zaken heel ánders bekijken. De kern van de zaak is: God is aan het werk. Zelfs het Romeinse rijk is er gekomen omdat God dat wilde. En Hij gaat verder. Dat kan Hij ook. De Schepper van deze wereld heeft ook een plán met Zijn prachtige creatie!
In een wereld vol heerszuchtige mensen maakt de Here God ruimte voor Zijn staat. Voor Zijn Koninkrijk.
Hoe de Here werkt zien we in de werkwijze van de apostelen. Toen de Godsgezanten eer kregen, gaven zij de lof aan God.
De hemelse God werkt, zo schrijft Augustinus, aan de geschiedenis van twee werelden:
* het aardse land, met ongelovigen
* Gods staat, met de gelovigen.
Conclusie: de ondergang van het Romeinse rijk lag niet aan de christenen. En we mogen, zo zegt Augustinus, rekenen op de volledige uitvoering van het plan van God!

Augustinus maakt zich druk om allerlei afwijkingen in de leer.
Om de leer van Pelagius bijvoorbeeld. Pelagius is waarschijnlijk een Britse monnik. Hij leert dat mensen, zónder tussenkomst van God, kunnen kiezen tussen goed en kwaad[5].
En ook om Donatus Magnus. Donatus, de bisschop van de Noord-Afrikaanse handelsstad Carthago, beweert dat alleen volmaakte mensen ambtsdrager in de kerk kunnen zijn[6].

Augustinus is, als ik het goed zie, met name belangrijk geweest voor onze kijk op het Koninkrijk van God.
Hij heeft er voortdurend op gewezen dat er een enorme tegenstelling is tussen kerk en wereld. Die tegenstelling maakt Jezus Christus in Mattheüs 13 ook. Leest u maar mee: “Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen”[7].
Van dat Koninkrijk kunnen wij vandaag ook al iets zien. Mensen kunnen vrucht dragen, “deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig”[8]. Wat is die vrucht? Dat maakt Gods Woord duidelijk:
* bijvoorbeeld in Mattheüs 13: het Woord horen, zien, begrijpen
* bijvoorbeeld in Marcus 4: het Woord horen en in ons opnemen
* bijvoorbeeld in Lucas 8: het woord horen en vasthouden[9].
Als het gaat om de komst van het Koninkrijk van God, mogen we er ook geduldig op vertrouwen dat Gods werk door gaat. Dat lijkt soms niet zo. Maar pas aan het einde van de tijd zal het koren en het onkruid van elkaar worden gescheiden[10].

Mensen moeten naar de kérk komen, schrijft Augustinus in het jaar 417 in een brief.
Die brief – door wetenschappers genummerd als 185 – staat bekend om de Latijnse woorden cogite intrare: dwing ze om binnen te komen.
Augustinus bedoelt niet dat wij mensen onder dwang naar de kerk moeten brengen. Welnee. Naar de kerk gaan, dat is volgens hem een laatste redmiddel. Vergelijk het maar met een huis dat op instorten staat: daaruit red je wie je redden kunt, of de mensen nu mee willen of niet. Eigenlijk moet je mensen een laatste zetje geven om de kerk echt binnen te gaan, vindt Augustinus[11].

Augustinus schrijft in zijn leven heel veel.
Dat schrijven doet hij vooral ’s nachts. Overdag heeft hij er weinig tijd voor. Er zijn veel boeken en artikelen van zijn hand. En blijkbaar schrijven heel veel mensen zijn preken óp; we kennen er nog veel. En dat terwijl de bisschop altijd uit z’n hoofd preekt…

De bisschop van Hippo is geen geleerde die zich voor zijn omgeving afsluit. Hij weet best wat er in de wereld te koop is.
En in die wereld wil Augustinus echt christelijk leven. Zodoende keert hij zich tegen de gewoonte van de kwaadsprekerij. In zijn eettafel is een vers aangebracht dat als volgt luidt:
“Wie graag met woorden bezig is
te knagen aan het leven van wie afwezig is,
wete dat zijn eigen leven niet van die aard is
dat hij deze tafel waard is”.
Zijn tafelgenoten weten dus heel goed waar zij zich aan hebben te houden[12]
In zijn preken is Augustinus soms ook verrassend actueel. Eens preekt hij over het wereldse vermaak in de amfitheaters. Die amfitheaters zijn de stadions van de oudheid: de plek van de gladiatorengevechten en gevechten met wilde dieren[13]. Augustinus zegt: “Hoeveel mensen keren niet verslagen terug van het amfitheater, wanneer hun favorieten verslagen zijn? Toch zouden zij nog erger verliezen als hun favorieten de overwinning hadden behaald. Dan zouden zij immers het slachtoffer worden van vreugde om niets, van opwinding om een verkeerd soort verlangen”.
Het lijkt wel of het over hedendaagse voetbalkampioenschappen gaat[14]!

Augustinus overlijdt op 28 augustus 430. Dat is meer dan 1582 jaar geleden.
Maar het is, denk ik, belangrijk dat wij in 2012 nog weten wie Augustinus was.
Wij kunnen zeggen dat deze Noord-Afrikaanse dominee een instrument was in de hand van de Here. Het onderwijs dat deze man gaf mogen wij, ook vandaag, niet vergeten.

Noten:
[1] In het onderstaande maak ik onder meer van gebruik van: Drs. A. Modderman en P. Poortinga, “Antwoord uit het verleden. Praktische kerkgeschiedenis”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1996. – p. 23-33.
En ook van http://www.boskapel.nl/spiritualiteit/augustinus/ .
[2] Romeinen 13:13.
[3] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Hippo_Regius .
[4] Zie over de Gothen http://nl.wikipedia.org/wiki/Gothen .
[5] Zie over het pelagianisme http://nl.wikipedia.org/wiki/Pelagianisme .
[6] Zie over het donatisme http://www.heiligen.net/wb/donatisme.php .
[7] Mattheüs 13:13, 14 en 15.
[8] Mattheüs 13:23.
[9] Zie Mattheüs 13:23: “De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert”. En Marcus 4:20: “En dit zijn degenen, die in goede aarde gezaaid zijn: zij, die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen, dertig- en zestig- en honderdvoud”. En Lucas 8:15: “Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding”.
[10] Zie Mattheüs 13:30. Jezus zegt: “Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur”.
[11] Zie http://www.ru.nl/@871253/met-zachte-hand/ .
[12] Zie: Ds. P. den Ouden, “De tafelmanieren van Augustinus”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 20 september 2002, p. 25. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail.jsp?sourceid=1011&uid=00000000012dcce5f0d2a731f10390d4&docid=3 .
[13] Zie hierover http://nl.wikipedia.org/wiki/Amfitheater .
[14] Zie “Kerkvader te midden van amfitheaters”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 29 december 2004, p. 17. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail.jsp?sourceid=1011&uid=00000000012dc7864838e8e2d39f4162&docid=7 .

Aantekening:
Dit artikel is op zondag 2 december 2012 gebruikt in een vergadering van “Sola Fide”. Dat is de Jeugdvereniging 16+ van De Gereformeerde Kerk Groningen.

Blog op WordPress.com.