gereformeerd leven in nederland

7 mei 2018

Doorgang naar de eeuwigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , , ,

Er zijn momenten waarop wij er allemaal mee te maken hebben: het sterven.
Soms gebeurt dat na een lang ziekbed. Mensen in de omgeving hebben de tijd gehad om zich op het naderende afscheid voor te bereiden.
Er zijn ook situaties waarin het sterven plotseling komt. Van het ene op het andere moment.
Maar altijd doet het pijn. Veel pijn.
De dood is een vijand. Een vijand waaraan niemand ontkomt.

Maar er is meer.
Gelukkig wel.

In de Bijbel wordt het sterven niet uit de weg gegaan.
In Romeinen 6 kunnen wij lezen: “Want het loon van de ​zonde​ is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door ​Jezus​ ​Christus, onze Heere”.
In de Bijbel in Gewone Taal vinden we datzelfde vers als: “Wie gehoorzaam is aan de ​zonde, krijgt als beloning de dood. Maar wie bij God hoort, krijgt het geschenk dat God ons wil geven: het eeuwige leven, dankzij onze ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus”[1].

Met deze tekst staan we meteen midden in de Romeinse wereld. Daar gebeurt het wel dat huisslaven zakgeld krijgen om hun persoonlijke uitgaven mee te bekostigen. Misschien denkt Paulus daar wel aan als hij het bovenstaande noteert[2].

In dit deel van de brief aan de christenen in Rome draait alles om de stelling: alleen het geloof in het werk van Jezus Christus kan ons redden.
Het reddingswerk van de Heiland heeft voor ons als resultaat: vrede met God. En dat betekent: het nieuwe leven begint nu!

Het kernpunt is: als de zonde een overheersende factor in ons bestaan blijft, zal de dood het eindpunt wezen; als God ons van de zonden reinigt, wordt de dood een doorgang[3].
Oftewel: een stap naar de tweede en hemelse fase in ons bestaan: het eeuwige leven.

In Romeinen 6 schrijft Paulus: als je bij God hoort, blijf je niet in de zonde hangen.
Jezus Christus is, na Zijn opstanding uit de dood, een nieuw leven begonnen. Die opstanding was zo krachtig, dat Hij al Zijn kinderen daarin ‘meeneemt’. Ook zij zullen opstaan uit de dood. Ook zij krijgen een nieuw leven. Dat nieuwe leven is feitelijk nu al begonnen.

Zo komt het dat wij nu geen slaven meer zijn.
Zeker – menselijk gesproken zijn we, vóór u en ik het weten, opnieuw verslaafd aan de zonde. Ver-slaafd: dan zijn wij er weer slaaf van geworden.
Maar vanwege Christus’ werk zal dat in het leven van Gods kinderen nu niet meer gebeuren.

Jezus Christus is uit de dood opgestaan.
De dood heeft het nu niet meer over Hem te zeggen.
Sterker nog: Hij is springlevend!
Paulus zegt tegen de christenen in Rome, en ook tegen gelovige Bijbellezers van vandaag: beschouw uzelf vooral als schepselen die behoren bij die categorie springlevende mensen!

Laten wij, schrijft Paulus verder, beseffen dat zonde en dood in ons leven niet meer overheersen.
We zullen er vooral voor moeten zorgen dat dat ook zo blijft. God geeft ons, wat dat betreft, een grote verantwoordelijkheid!
Onze energie moeten wij gebruiken om God te eren en te dienen. In kleine en grote dingen.

Dat vraagt om heldere keuzes.
Aan welke kant sta jij?
In welk kamp staan wij?

Wie het bovenstaande leest, zou kunnen denken: vanaf nu moet ik heel erg mijn best doen; en als er wat fout gaat… – nou, dan zwaait er wat!
Maar als de zonde het in ons leven niet meer voor het zeggen heeft, worden wij “dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid”[4]. Daar heeft de Here Zelf de hand in!
Een tussenweg is er niet.
Het is: leven voor de zonde of gewijd zijn aan God.
Het is zwart of wit.
Daar zit niets tussen.
Wij staan tot Gods beschikking. Wij zijn Zijn instrumentarium. Gereinigd instrumentarium – geschikt als Goddelijk werktuig, als hemels gereedschap.
Zo worden wij, dag na dag, door Hem klaargemaakt voor een schitterend leven in de woonplaats van de Machthebber van heel de wereld.

De dagen vliegen om.
De jaren suizen zogezegd langs ons heen.
Voor je ’t weet ben je 20, 30, 40…
De jaren gaan verder: 50, 60, 70, 80, 90…
Via de middelbare leeftijd wordt u langzaam ouder.
En opeens heet u ‘bejaard’. Of – erger nog – ‘hóógbejaard’.
Wat een troost is het dan om te weten dat u het eeuwige leven tegemoet gaat!

Het sterven komt voor ons allen onontkoombaar dichterbij.
Natuurlijk, als je jong bent duurt dat nog heel lang.
Als u van middelbare leeftijd bent, kan het ook nog wel enkele decennia duren.
En als u 90 bent? Of 96?
Ach, geen mens weet precies wanneer hij sterven zal. En dat is, goed beschouwd, maar goed ook.

Laten wij maar blij zijn met de genadegave van God.
Jezus Christus heeft, met Zijn betaling voor onze zonden, de deur van de hemel voor ons open gedaan!
Nee, niemand verheugt zich op het sterven.
Natuurlijk niet.
Maar wie gelooft dat Jezus Christus de Redder van het leven is, mag weten: het leven wordt prachtig; en het houdt nooit meer op!

Noten:
[1] Romeinen 6:23. Achtereenvolgens citeer ik de Herziene Statenvertaling-2010 en de Bijbel in Gewone Taal-2014.
[2] Zie hierover de online versie van de Studiebijbel; commentaar bij Romeinen 6:23.
[3] De term ‘reiniging van de zonde’ ontleen ik de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21: “Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is naar de orde van Melchizedek, wat God met een eed heeft bevestigd. Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd”.
[4] Romeinen 6:18.

27 maart 2017

Hoge ouderdom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Begin deze maand – het was op zaterdag 4 maart jongstleden – stierf een lid van De Gereformeerde Kerk Groningen. Deze zuster was oud. Juist in de week daarvóór was zij 103 jaar geworden[1].

De hoge leeftijd die deze zuster op aarde bereikte is illustratief voor de huidige situatie: wij worden steeds ouder.
Dat wordt lang niet altijd als een zegen ervaren. Men zegt wel: oud worden is prachtig, maar oud zijn niet.
Men spreekt over voltooid leven. En over het feit dat het recht daarop wettelijk vastgelegd moet worden. Zo snel mogelijk, zegt de een. Kalm aan graag, reageert de ander, laten wij zorgvuldig zijn.
Stervenshulp is een veelbesproken onderwerp. De één zegt: regel dat gauw. De ander merkt op dat de overheid geen wetten moet maken als dat niet nodig is[2].

Wat kunnen we in de kerk over hoge ouderdom zeggen?[3]

Laten we eerst kijken naar Elifaz. Dat is een vriend van Job.
In Job 5 spreekt hij over het nut van beproevingen. God wijst, door beproevingen heen, de weg. Hij kan slaan, maar hij herstelt ook. De hemelse God kan rampen over de wereld brengen. Of honger. En oorlog. Of roddel en laster.
Het is zeker dat God ervoor zorgen zal dat de waarheid boven tafel komt. Tegen wilde dieren, verwoesting en honger wordt Job beschermd.
En dan klinkt het:
“Je zult in hoge ouderdom in het graf komen,
zoals een korenhoop op zijn tijd binnengehaald wordt”[4].
Zo gaat dat met mensen.
Zij maken heel wat mee.
Soms denken we: hoe komen wij hier uit? En: wat moeten wij hiermee? En: wat is, in de gegeven omstandigheden, wijs?
Daar hebben wij niet altijd een goed antwoord op. Maar één ding is zeker: in die werkelijkheid is God aanwezig. Hij biedt bescherming.
In onze tijd past hier ook die troostvolle belijdenis uit Romeinen 8:
“Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?”[5].

Nu luisteren we naar Job.
In Job 30 beschrijft hij op beeldende wijze zijn spotters. Job wordt uitgelachen door mensen die jonger zijn dan hijzelf. Dat is vreselijk. Maar aan de vaders van die jonge kerels heeft Job ook niets. Want ook zij zijn, als het erop aankomt, waardeloze kerels.
“Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik nog afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
Wat zou mij de kracht van hun handen ook gebaat hebben?
Die is door hoge ouderdom in hen vergaan”[6].
Een exegeet schrijft over Job 30: “De manier waarop Job zijn spotters beschrijft, ademt afschuw en neerbuigendheid: hij schildert hen als de meest verachtelijke nietsnutten, naamlozen die als paria’s buiten de maatschappij staan. De paria’s deinzen er echter niet voor terug Job uit te lachen; hun eigen wanhoop valt kennelijk in het niet vergeleken bij de nood waarin Job nu verkeert. Zo toont de uitgebreide beschrijving van de spotters hoe ellendig Job eraan toe is: torende hij vroeger in aanzien en positie hoog uit boven zijn gemeenschap (…), nu is hij nog dieper gezonken dan zelfs deze allerlaagsten op de sociaal-maatschappelijke ladder”.
Job beschrijft hoe diep zijn lijden is. Heel zijn aardse leven wordt aangepakt. En eigenlijk vindt Job dat hij dit alles helemaal niet verdiend heeft.
Job roept het uit. Hij klaagt zijn nood. En hij klaagt God aan. Dat gaat zo:
“Want ik weet dat U mij naar de dood brengt,
en naar de verzamelplaats voor alle levenden.
Maar zal Hij de hand niet uitsteken naar iemand in een puinhoop,
als die daarom in zijn verdrukking om hulp roept?
Heb ik niet geweend over degene die moeilijke dagen had?
Was mijn ziel niet bedroefd over de arme?
Maar toen ik het goede verwachtte, kwam het kwade;
toen ik hoopte op licht, kwam er duisternis”[7].
Zo voelt het leven van Job aan. Hij zit stampvol emoties. Hij is een vat vol frustraties. Hij is woedend! Eigenlijk vindt hij zijn leven één complete afknapper. Eén grote, duistere domper. Eén totale ontgoocheling.
Is het niet een merkwaardig wonder dat de Heilige Geest het nodig heeft gevonden dat dit menselijke dieptepunt in Gods Woord werd opgenomen?

Wij worden in deze wereld steeds ouder.
De Nederlandse overheid is er verlegen mee. Wat moet je met al die oude mensen? Waar moet je met hen heen?
Het ongeloof zegt: u moet het recht hebben om uw leven te beëindigen.’t Is toch uw eigen leven? Nou dan!
Kinderen van God moeten, soms met het schaamrood op de kaken, zeggen dat zij er soms ook dingen uitgooien die helemaal niet christelijk klinken. Zij hebben soms ook levensgrote vraagtekens bij hun bestaan. Wat moeten ze hier nog? Waarom laat God hen nog verder leven? Wat is hun bestaanskwaliteit nog?
Dat soort vragen worden gesteld. En wij moeten beseffen: deze vragen zijn van alle tijden. Job smeet ze ook al de wereld in.
Job werd, zoals wij allen weten, later berispt door de Here. Het was niet goed wat hij dacht en zei.
Maar de Here leert ons wel: zo redeneren de mensen als zij alleen naar zichzelf kijken. Zo zit hun ziel in elkaar. Hun hart is, om zo te zeggen, een fontein van zonden en gebreken.
En gelovige mensen weten dat zij Jezus Christus nodig hebben. Hij heeft voor onze zonden betaald.
Heel oude mensen mogen het zeggen: over niet al te lange tijd zal God mij bij zich roepen; en dat is hard nodig ook!

Ook heel oude, door levenservaring wijs geworden mensen hebben Gods kracht nodig.
Dat blijkt onder meer in Hebreeën 11: “Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had”[8].

Oude mensen zitten soms in hun stoel af te wachten. Zij weten dat zij op Gods tijd deze aarde zullen verlaten. Maar wanneer zal dat zijn? Iedere nieuwe dag is in zekere zin een verrassing: ik ben er nog! Maar wat is mijn taak nog?
In Hebreeën 11 leren wij dat de God van hemel en aarde ook bij stokoude mensen wonderen kan doen.

En misschien denken onze bejaarde broeders en zusters ook vandaag wel eens: hoe ben ik daartoe in staat geweest? Of ook: het lijkt wel of ik boven mijzelf uitgetild ben!
Nee, ook in 2017 zijn de wonderen niet de wereld uit.
Echter juist hoogbejaarde broeders en zusters kunnen net zo goed denken: kan het met mij ooit nog wat worden? En: wordt dit afgetakelde lichaam volmaakt? En: mijn verstand is ook niet meer wat het geweest is.
Onze oude gemeenteleden mogen het ook dan blijven belijden: de Here is trouw!

Het is de rechtsgeleerde en essayist H. Drion (1917-2004) die in 1991 het pleit voert voor de beschikbaarheid van een middel tot zelfdoding. De pil van Drion noemt men dat.
Drion, die van 1981 tot 1984 vice-president van de Hoge Raad is, schrijft het boek “Het zelfgewilde einde van oude mensen”[9]. Daarin noteert hij: “Mijn ideaal is dat oude mensen die op zich zelf zijn aangewezen, naar een arts kunnen lopen – hetzij hun huisarts, hetzij een daartoe aangewezen arts – om de middelen te verkrijgen waarmee zij op het moment dat hun dat zelf aangewezen voorkomt, een eind aan hun leven kunnen maken op een manier die voor henzelf en voor hun omgeving aanvaardbaar is”[10][11].
Hier staan geloof en ongeloof diametraal tegenover elkaar.
Want Gods kinderen blijven belijden: “Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[12].
Dat mogen wij belijden.
Ook als we oud geworden zijn!

Noten:
[1] Het betreft zuster Maria Jager-van Houten. Zij werd te Middelstum geboren op donderdag 26 februari 1914.
[2] Zie hierover diverse berichten en een commentaar over voltooid leven en stervenshulp in: Nederlands Dagblad, donderdag 9 maart 2017, p. 1, 3, 4 en 5.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[4] Job 5:26.
[5] Romeinen 8:31 en 32.
[6] Job 30:1 en 2.
[7] Job 30:23-26.
[8] Hebreeën 11:11.
[9] De gegevens van dit boek zijn: H. Drion,”Het zelfgewilde einde van oude mensen”. – Amsterdam: Uitgeverij Balans, 1992. – 124 p.
[10] Drion, p. 14. Ook te vinden via http://www.dbnl.org/tekst/drio001zelf01_01/ .
[11] Zie voor meer informatie over Drion https://nl.wikipedia.org/wiki/Huib_Drion ; geraadpleegd op donderdag 9 maart 2017.
[12] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.

28 oktober 2016

Niets meer te beleven?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Klaar met leven.
Een deprimerende term is dat. Die betekent: u staat aan het einde. Die betekent: het is bijna met u afgelopen. Einde. Uit.
Mensen die dit bedenken zijn arm.
Zulke gedachten zijn overigens helemaal niet nieuw. Ruim vier jaar geleden gebruikte men die uitdrukking ook al[1].

Op donderdag 27 oktober 2016 stond het in de krant: “Waarom zou er eigenlijk een leeftijdsgrens voor hulp bij zelfdoding moeten gelden? Wordt de stervenshulpverlener niet opgezadeld met een onmogelijke taak? Moeten we die hulp niet uitsluitend aan artsen laten, zodat misbruik wordt uitgesloten?
De Tweede Kamer heeft het kabinet woensdag groen licht gegeven voor de plannen voor stervenshulp aan mensen die vinden dat ze ‘klaar’ met leven zijn. Maar veel vragen, ook van partijen die stervenshulp bij ‘voltooid leven’ in principe mogelijk willen maken, blijven nog onbeantwoord”[2].

Ach, ik weet wel dat de betreffende wet er nog lang niet is. Er moeten nog adviezen worden ingewonnen. De Eerste Kamer moet er nog over vergaderen. En zo is er nog wel meer.
Maar er gaat een wissel om. Dat is zeker.

Hierboven schreef ik: mensen die dit bedenken zijn arm.

Persoonlijk hoor ik bij de rijke mensen.
Schrijver dezes is namelijk nooit klaar met leven.
Want het eeuwige leven nadert.

Het komt mij voor dat het juist is een waarschuwend woord te noteren.
Er komt namelijk een moment dat er een duidelijke scheiding tussen de mensen zichtbaar zal worden. Dan zien we
* de mensen met eerbied voor God
* de mensen die God hebben genegeerd.
Daniël zag die scheiding indertijd al in een profetie: “Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos”[3].
De bedenkers van de plannen voor stervenshulp aan mensen geloven dit natuurlijk niet. Gelukkig krijgt de kerk nog alle ruimte om deze waarschuwing te geven.
Laten wij van die gelegenheid gebruik maken!

Als het over leven gaat, moeten we het inderdaad ook over lijden hebben.
Over Christus’ lijden, bedoel ik.
In Zijn verhoging aan het kruis ligt namelijk onze redding. Denkt u maar aan Johannes 3: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde”[4].

Even verderop in Johannes 3 staat: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem”[5].
Hoort u opnieuw die waarschuwing?
Ziet u dat alarmrode licht?

Na deze harde aanzegging ga ik graag even naar een oude man.
Na het overlijden van zijn vrouw is hij alleen. De kinderen zijn al lang de deur uit, getrouwd, kinderen – huisje, boompje, beestje. En hij? Hij zou zo graag zijn vrouw nog eens zien. Hij zit thuis in zijn stoel. Alleen. Helemaal alleen. De klok tikt de minuten weg. Zo gaat dat – dagen, nachten, weken, jaren lang.

Laat ik ook nog even bij die oude vrouw langs gaan. In een rolstoel zit ze. Lopen lukt niet meer. Ze wordt verzorgd op een locatie waar alle zorgfaciliteiten onder één dak zitten. Maar wat is het leven lastig als je lichamelijk zo beperkt bent! En dat terwijl zij vroeger zo’n onafhankelijk type was.

Worden die man en die vrouw een beetje weggekeken? Nee, zeggen ze in Den Haag.
Maar als die man in zijn stoel en die vrouw in haar rolstoel er nu zelf klaar mee zijn…, moet je ze dat dan niet gunnen?

Laten we ’t elkaar voorhouden: alle mensen hebben een taak op deze aarde. Een door de Here vastgestelde taak.
De God van hemel en aarde geeft ons allemaal veel te doen op aarde.
En Hij geeft er woorden van vermaan en troost bij. Woorden zoals ze in 1 Johannes 5 staan: “Wie in de Zoon van God gelooft, heeft het getuigenis in zich; wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon. En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet”[6].

Geachte lezer, vanuit het standpunt van de seculiere burger is die term ‘klaar met leven’ wel te begrijpen. Want wat moet je doen op aarde, als er niks meer te beleven is?
Maar voelt u tegelijkertijd hoe belangrijk het is dat we als gelovigen duidelijk en onomwonden Gods Woord naspreken?

Het onderwerp van dit artikel staat dicht bij schrijver dezes.
Want ja, schrijver dezes heeft lichamelijke beperkingen die het leven soms reuze ingewikkeld maken.
En nu ik dit artikel schrijf, denk ik aan die ouderlingenconferentie. Het was op zaterdag 16 april 2016. Er werd gesproken over het huisbezoek, en hoe dat ingericht dient te worden. Men sprak onder meer over pastorale begeleiding van ouderen en mensen met toenemende beperkingen.
Er werd benadrukt dat wij Gods beloften moeten benoemen. Ambtsdragers mogen uitleggen, troosten, vermanen, memoreren. En ik weet nog wat ik toen zei.
Ik zei: “Broeders, misschien komt er ooit een moment dat ik vanwege mijn lichamelijke beperkingen niet meer goed kan uitleggen wat er in Gods Woord staat. Maar als dat moment komt, dan weet u wat ik altijd heb beleden”.
Dat zei ik.
Die woorden noteer ik vandaag hier. En ik vul ze aan met Psalm 102:
“Gij, dezelfde, gistren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen”[7].

Gods kinderen gaan nog wat beleven!

Noten:
[1] Zie mijn artikel ‘Nooit klaar met leven’; hier gepubliceerd op vrijdag 9 maart 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/03/09/nooit-klaar-met-leven/ .
[2] “’Hulpverlener moet haast God zijn’”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 oktober 2016, p. 2.
[3] Daniël 12:1, 2 en 3.
[4] Johannes 3:14-17.
[5] Johannes 3:36.
[6] 1 Johannes 5:11, 12 en 13.
[7] Psalm 102:13 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

19 november 2015

Kerkelijke kinderzegen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Hoe betrekken we de jeugd bij de kerk[1]? Er zijn wel mensen die zich dat afvragen.
Nu ja, laten wij nuchter zijn. Jongeren zijn al bij de kerk betrokken. Of zij dat nu leuk vinden of niet.
In een visiedocument las ik eens: “Kinderen zijn niet de toekomst van de kerk, ze zijn kerk”.
Dat is, naar het mij voorkomt, onzorgvuldig uitgedrukt.
De kinderen zitten in de kerk.
Maar zij zitten er niet alleen in. Er zijn immers nog veel meer mensen aanwezig?
Hoe dat zij: de kerk is geen toekomstmuziek voor kinderen. Bij de Here horen peuters en pubers er vanaf het prille begin bij. Iedereen telt bij de Here mee!

De Here wil dat we onze levens in Zijn dienst besteden.
En we moeten het goed beseffen: ons leven is in Gods hand.

Daarom was Hij ook zo verschrikkelijk boos over mensenoffers die in Jeremia’s tijd gebracht werden. “Waarom begaat gij een groot kwaad tegen uw leven, dat gij onder u man en vrouw, kind en zuigeling uit Juda uitroeit, zodat gij u geen overblijfsel laat, en dat gij Mij krenkt met de werken uwer handen, en in het land Egypte, waar gij zijt heengegaan om daar te verblijven, voor andere goden offers ontsteekt, opdat gij wordt een voorwerp van vervloeking en van smaad onder al de volkeren der aarde?”[2].
Mensenoffers: dat is wel het allerergste dat mensen met godsdienstige bedoelingen kunnen doen!

Zulke offers brengen wij niet. Natuurlijk niet.
De Here heeft, als het om mensenoffers gaat, geen reden om toornig op ons te zijn.
Nee, dat niet.
Maar men hoort christelijke jongeren wel eens zeggen dat zij het krijgen van kinderen graag nog wat uitstellen.
Wie zei hier eigenlijk dat ons leven in Gods hand is? Blijkbaar bepalen heel wat jongeren dat liever zelf!

Zou het teveel gezegd zijn als ik hier eens neerzet dat sommige jongeren eigenlijk een offer brengen ten gunste van zichzelf?
‘Ik wil nog geen kinderen, want ik wil dit of dat nog doen’.
‘Ik ben er gewoon nog niet aan toe’.
‘Wat moet ik nou met een kind?’.
Zulke dingen brengen jongeren te berde. Ook als zij verloofd of getrouwd zijn. En zij menen het serieus. Er zijn heus ook kerkmensen die zulke dingen zeggen.
Dat is geen offer voor God.
Het lijkt soms verdacht veel op een offer van en voor jongeren zelf. Daarmee bedoel ik: er is geen sprake van een geschenk aan God; jonge mensen geven zichzelf de ruimte. Het krijgen van kinderen wordt opgeofferd en men krijgt er mogelijkheden voor terug. Laten we het gemakshalve een ‘offer aan het eigen leven’ noemen.

Nu moeten wij op dit punt beslist niet gaan generaliseren.
Er kunnen hele goede medische redenen zijn om het krijgen van kinderen uit te stellen.
En laten we maar eerlijk zijn: er zijn situaties waarin er van moet worden afgezien. Dat is echt heel verdrietig. Sommige kinderen van God voelen, als het hier om gaat, levenslang teleurstelling. Dat is goed te begrijpen. En het is de taak van de kerk om zulke mensen op te vangen en mee te leven.

Ik keer terug naar de kinderzegen. En ik stel de vraag: wat is feitelijk de positie van jongeren in de kerk?
Ik geef het antwoord aan de hand van twee trefwoorden:
a. wapens
b. beloften

a.
Jongeren zijn wapens die de Verbondsgod aan de kerk gegeven heeft.
In Psalm 8 lees ik namelijk:
“Uit de mond van kinderen en zuigelingen
hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt,
om vijand en wraakgierige te doen verstommen”[3].
Kinderen maken ongelovige mensen sprakeloos. U en ik horen het soms zeggen: ‘Dat zo’n klein baby’tje alles al hééft. Alles zit er op en er aan!’. Schrijver dezes heeft die woorden ook al wel eens gehoord. De woorden werden uitgesproken door een jonge vader. De betreffende ouders zijn niet erg godsdienstig. Maar toch begrepen zij dat daar in de wandelwagen een wonder lag. En dan hebben we ’t alleen nog maar over het prille begin van een mensenkind!

b.
Als wij kinderen in de kerk zien weten wij: de Here heeft ons heel wat wapens gegeven.
Maar wij bedenken ook: Gods beloften komen uit. Petrus zei het, vlak na z’n Pinksterpreek: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, er toe roepen zal”[4].
Over die beloften mogen ouders vertellen.
En ze mogen zich laten bijstaan door allerlei kerkmensen.

Eén ding is zeker: dat vertellen, dat doorgeven zit soms in hele kleine dingen.
In een kerkbladrubriek waarin de Psalm van de Week kort wordt toegelicht, bijvoorbeeld[5].

Bij die doorgeefactie komen ook de kinderlozen aan bod.
Want ook aan hen vraagt de Here: heeft u aan de kinderen van de kerk uitgelegd wat mijn beloften inhouden? Heeft u van de gelegenheden gebruik gemaakt? Heeft u ’t gezegd? Heeft u het in uw leven laten zien?

Graag vraag ik in dit kader ook aandacht voor de bejaarden.
Zij kunnen in woord en daad een voorbeeld zijn voor hun kinderen en kleinkinderen.
Ook aan hen vraagt de Here: heeft u zo duidelijk mogelijk getoond hoe Ik werk? Heeft u getoond dat het in feite een weelde is om Gereformeerd te zijn? Heeft u gewaarschuwd voor de valkuilen die we in het Gereformeerde leven hebben?
En u begrijpt wel: op die manier komt binnen de kortste keren de hele gemeente in beeld.

In Efeziërs 6 windt Paulus er geen doekjes om. Hij schrijft: “Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. Eer uw vader en uw moeder – dit is immers het eerste gebod, met een belofte – opdat het u welga en gij lang leeft op aarde”[6].
Misschien zegt iemand: christenen en ongelovigen leven gemiddeld even lang. Maar dat is hier niet de bedoeling.
Paulus grijpt hier terug op Gods wet zoals we die vinden in Deuteronomium 5. “Eer uw vader en uw moeder, zoals de Here, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en het u wèl ga in het land, dat de Here, uw God, u geeft”[7]. Dat sloeg in het Oude Testament op het leven in het toekomstige land Kanaän. In Nieuwtestamentisch licht betekenen die woorden: Gods evangelie gaat naar alle uithoeken van de aarde, en iedereen die Hem gehoorzaamt mag rekenen op Zijn zegen.

Paulus schrijft in Efeziërs 6 ook nog: “En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren”[8].

En nu kijk ik nog even naar de ‘uitstellers’ van hierboven.
Ik moet eerst nog wat anders doen, zeggen die uitstellers soms. Anderen zeggen ronduit dat ze er nog niet aan toe zijn. Als ik het goed begrijp betekent dat ook wel eens: ik denk dat ik geen kinderen kán opvoeden. Menselijkerwijs is dat goed voorstelbaar. Maar Gods kinderen mogen rekenen op Zijn zegen.
En trouwens: hadden wij in het voorgaande niet de hele gemeente in beeld?

Hierboven stond die vraag: hoe betrekken we jongeren bij de kerk?
Dat is een merkwaardige vraag. Hoogst merkwaardig.
Waarom zou de militia Christi allerlei door Hem uitgereikte wapens ongebruikt laten liggen?
En bovendien: het is niet meer dan logisch dat we Gods beloften doorgeven.
Daarom is mijn wens dat er in de kerk nog veel kinderen zullen worden geboren!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 16 november 2006.
[2] Jeremia 44:7 en 8.
[3] Psalm 8:3 (onberijmd).
[4] Handelingen 2:39.
[5] Dat gebeurt in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin.
[6] Efeziërs 6:1, 2 en 3.
[7] Deuteronomium 5:16.
[8] Efeziërs 6:4.

12 augustus 2015

Ouderen zijn de moeite waard

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De categorie ouderen van de Nederlandse bevolking vormen een groep waar momenteel relatief veel aandacht voor is[1].
Veel ouderen leven in een sociaal isolement. Men kan mooie verhalen houden over zelfredzaamheid en participatie. Maar, zo stelt een docente van de Universiteit voor Humanistiek, “het lukt deze mensen zelf niet meer om nieuwe betekenisvolle contacten te leggen of mee te doen aan allerlei sociale activiteiten. Daar is hun isolement te hardnekkig voor. Ze zijn hier in de loop van de tijd aan gewend geraakt en hebben hun eigen routines ontwikkeld om met de situatie om te gaan”[2].
Het Nederlandse pensioenstelsel moet, zo zeggen deskundigen, ingrijpend worden verbouwd. Het huidige bestel is te afhankelijk van financiële markten[3].
Hoe kunnen wij dementie voorkomen?, zo vragen wetenschappers. Heeft dementie misschien iets te maken met de hoogte van de bloeddruk[4]?

Op zulke berichten zit eigenlijk niemand te wachten. Behalve geriaters misschien; specialisten voor ouderen, dus.
We moeten op de schouders van ons voorgeslacht staan, zeggen we in de kerk. Maar in de praktijk is vergrijzing een tamelijk groot probleem.

Het bovenbeschreven vraagstuk is al bijna net zo oud als de wereld.
De dichter van Psalm 71 weet er al van. Hij noteert:
“O God, Gij hebt mij onderwezen van mijn jeugd aan,
tot nu toe verkondig ik uw wonderen;
wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid,
o God, niet verlaten,
totdat ik aan dit geslacht uw arm verkondig,
aan ieder die komt, uw sterkte”[5].
De dichter wil graag nog wat tijd hebben. Hij wil de gelegenheid hebben om voor zijn kinderen en kleinkinderen allerlei geloofskwesties te verhelderen. De psalmist heeft een goede reden voor die vraag. Hij is oud geworden. En de mensen om hem heen zien dat ook best.
“Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms,
begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat.
Want mijn vijanden spreken over mij,
wie mijn leven belagen, beraadslagen tezamen
en zeggen: God heeft hem verlaten,
vervolgt en grijpt hem, want er is niemand die redt”[6].
Dat gevoel kan ouderen dus bekruipen. Zij kunnen opmerken: ‘Mijn leven lang heb ik de Here gediend en waar is Hij nu dan? Ik ben oud geworden en hoe staat het met de kerk? Hoe gaat het met de wereld? Ik ben teleurgesteld. En eigenlijk ook een beetje verdrietig’. Dat gevoel kan er zijn. Maar laten we niet vergeten: het gebed om verlenging van aardse levensdagen heeft blijkbaar bestaansrecht!

In het bovenstaande komt de kerk voorbij.
En misschien zijn er wel lezers die denken: kom kom, ouderdom heeft toch niet zoveel met de kerk te maken?
Toch wel.
Want het is juist Psalm 92 – het lied voor de sabbatdag, de kerkdag dus – waarin staat:
“De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
opschieten als een ceder van de Libanon;
geplant in het huis des Heren
groeien zij in de voorhoven van onze God;
zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen,
fris en groen zullen zij zijn;
om te verkondigen, dat de Here waarachtig is,
mijn rots, in wie geen onrecht is”[7].
Dat zijn woorden die staan als een huis.
Meer precies: als ouderen trouw blijven, als zij in de kerk hun plaats rustig en weloverwogen hun plaats innemen, dan zullen zij fris en groen blijven. Dan zullen ze blijven zeggen: wat de Here in Zijn Woord zegt, dat is werkelijk helemaal waar; dat leren we in de kerk en daar moeten wij blijven.

Ongetwijfeld zullen er ouderen en jongere lezers zijn die thans enkele gedachten wijden aan hun demente familielid.
Of aan hun man of vrouw die in de ouderdom een handicap gekregen heeft.
Of aan hun oude vriend die na een herseninfarct zo moeilijk praten en schrijven kan.
Is dat verhaal van Psalm 92 niet een beetje al te mooi?

Toch niet.
De inzet van de Dordtse Leerregels is als volgt: “Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen”.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte theoloog citeerde dit belijdeniswoord en schreef daar ruim dertig jaar geleden ondermeer deze bemoedigende woorden bij: “Naarmate wij de schuld in dit leven beter gaan zien en belijden, gaan wij ons ook meer verbazen over het feit dat God nòg leven geeft, hoe geschonden soms ook. En de bijbel vertelt ons dan het verrassende nieuws dat er nog hoop is voor alle levenden, die stervenden zijn geworden. God geeft gratie aan allen die in zijn Zoon geloven. Jezus Christus heeft Zichzelf geofferd en het ‘communicatieve leven’ afgelegd opdat wij het eens ongehavend terugontvangen”[8].
We mogen zonder omwegen concluderen: zelfs als communiceren uiterst moeizaam geworden is, is het leven zeer de moeite waard!

Intussen is het mooi dat de hierboven geciteerde schrijver verwijst naar Jezus’ lijden en sterven op aarde. Want als de kerk ergens in de Bijbel geduld leert, dan is het wel in het deel van Gods Woord dat handelt over het werk van Gods Zoon op aarde.
De heraut van Jezus Christus, Johannes, werd ondermeer als volgt aangekondigd: “En zie, Elisabeth, uw verwante, is eveneens zwanger van een zoon in haar ouderdom en dit is reeds de zesde maand voor haar, die onvruchtbaar heette”[9].
Toen de pas geboren Jezus voor het eerst naar de tempel werd gebracht, waren er meteen oude mensen bij. “En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had”[10]. “Ook was daar Anna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten”[11].
Elisabeth was zwanger in haar ouderdom.
Simeon bleef leven totdat hij de Christus had gezien.
Anna was een bejaarde weduwe.
Het wordt ouderen en jongeren op het hart gedrukt: mensen, wees geduldig; de Here maakt alles in orde!

Oudere mensen raken heel vaak in een sociaal isolement. Dat heeft verschillende oorzaken, maar het is de realiteit.
Hoe dat zij: het laatste contact dat overblijft is het contact met de hemelse Heer.
En als we door ziekte dat contact verbreken moeten, mogen wij weten: de God van het verbond houdt ons vast!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 28 augustus 2006.
[2] Zie “Isolement van ouderen lastig te doorbreken”. In: PuntKomma – katern van het Reformatorisch Dagblad – donderdag 2 juli 2015, p. 5. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Marcel van de Grift, “Pensioen ingrijpend op de schop”. In: PuntKomma – katern van het Reformatorisch Dagblad –, maandag 13 juli 2015, p. 8. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] “Dementie vaak te voorkomen met leefstijl”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 21 juli 2015, p. 1. Ook te vinden op www.digibron.nl
[5] Psalm 71:17 en 18.
[6] Psalm 71:9, 10 en 11 (onberijmd).
[7] Psalm 92:13-16.
[8] J. van Bruggen, “Het leven is de moeite waard – Pastorale handreiking voor verplegenden”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak bv, 1972 (tweede, herziene druk). – p. 24.
[9] Lucas 1:36.
[10] Lucas 2:25 en 26.
[11] Lucas 2:36, 37 en 38.

28 juni 2013

Doorzicht via 1 Koningen 3

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Onze tijd vraagt inzicht. En doorzicht.
Wij worden geacht om door dingen heen te kunnen kijken.
Wat mensen zeggen, dat is natuurlijk reuze belangrijk. Maar boven hen zijn mensen die ook invloed hebben. De toezeggingen van maandag zijn op woensdag soms zomaar achterhaalde beloftes geworden.
Gebeurtenissen op dinsdag worden op donderdag weer overschaduwd door andere voorvallen. En die donderdagse voorvallen zijn plotsklaps veel belangwekkender dan de daverende dinsdagse dingen.

In zo’n tijd is het zaak om je niet te gauw op te winden.
Het is van belang om geconcentreerd te blijven kijken naar ons eigen leven, en naar de wereld om ons heen.
Krijgen wij waar we recht op hebben? Of schuilt er ergens nog een addertje onder ’t gras?
Worden onze noden niet vergeten? Zo ja, dan moeten wij ten spoedigste aan de bel trekken. Beschaafd doch beslist.

Onze tijd vraagt om weerbare mensen.
En dus is het een moeilijke tijd voor kinderen.
En voor bejaarden.
Voor zieken en voor mensen met grote lichamelijke of geestelijke beperkingen – gehandicapten, zeg maar.
Want die hebben meestal niet zo’n grote mond. Nog niet. Of: niet meer.
Heeft het leven voor hen nog wel zin? Hoe ziet de toekomst er voor hen uit?

Zo kom ik vandaag bij 1 Koningen 3.
Dat is het hoofdstuk waarin de Here bij Salomo komt. De Here zegt: “Vraag; wat zal Ik u geven?”[1].
Salomo vraagt om wijsheid: “Geef dan uw knecht een opmerkzaam hart, opdat hij uw volk richte, door te onderscheiden tussen goed en kwaad, want wie zou in staat zijn dit uw talrijk volk te richten?”[2].
“En God zeide tot hem: Omdat gij dit gevraagd hebt, en voor u geen lang leven hebt gevraagd, en geen rijkdom, en ook niet gevraagd hebt het leven uwer vijanden, maar voor u inzicht hebt gevraagd om een rechtszaak te kunnen horen, zie, Ik doe naar uw woord; zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke vóór u niet geweest is, noch na u zal opstaan. En ook wat gij niet gevraagd hebt, geef Ik u, zowel rijkdom als eer, zodat onder de koningen uws gelijke niet zal zijn geweest al uw dagen. En indien gij op mijn wegen wandelt en mijn inzettingen en geboden bewaart, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw leven verlengen”[3].
Salomo wordt befaamd om zijn wijze rechtspraak.
Hij wordt een groot en invloedrijk heerser[4].

Misschien zegt een kind wel: wat moet ik nou met Salomo? – ik moet gewoon naar school.
Misschien zegt die weduwnaar wel: dat is een mooi verhaal, maar ik zit hier maar alleen te zitten.
Maar wij moeten goed zien wat daar in 1 Koningen 3 gebeurt.
Daar staat geen particulier, die toevallig een ingeving heeft die hem in zijn verdere leven op een hoger niveau brengt. Welnee. Niets daarvan!
Hier is een door de Here gegeven regent, die door de Here getooid wordt met prachtige gaven. En wat wordt de taak van die regent? Hij moet Gods volk gaan regeren. Hij moet het volk gaan leiden, waaruit de Kerkvorst voort zal komen – Jezus Christus, onze Heiland.

Wat gaat Salomo in 1 Koningen 5 doen?
Antwoord: hij gaat voorbereidingen treffen voor de bouw van de tempel.
In 1 Koningen 6 wordt druk, bijna koortsachtig, gebouwd.
In 1 Koningen 7 staat nog een perikoop over het éigen paleis van Salomo. Maar vanaf hoofdstuk 7:13 gaat het meteen weer over de tempel.
Het is alsof de Here het er bij ons in wil timmeren: mensen, let op – het gaat om de voortgang van Mijn kerkvergaderend werk!
Er wordt getimmerd aan de tempel. Maar er is méér. Veel meer. Want de Here ‘timmert’ aan de kerk.

De kinderen gaan naar school. Ze leren daar hoe je moet rekenen. En hoe je de taal moet gebruiken. En hoe zij zich moeten gedragen in de maatschappij.
Die oude weduwnaar zit in zijn stoel. Tegen het middaguur maakt hij zijn lunch klaar. Waar doet hij het allemaal nog voor?
Die oude dame ligt wellicht in het ziekenhuis. Net geopereerd. Ze moet misschien naar een verzorgingshuis om te revalideren. Zou ze haar eigen meubels nog weer terugzien? Wat is haar toekomst eigenlijk nog?

De Here werkt aan de kerk.
U zou het misschien niet zeggen. Maar het is werkelijk waar.
Misschien, heel misschien, vraagt een klein stemmetje in uw hart: bouwt de Here echt nog wel aan de kerk? Ook vandaag nog?
Ik wijs u op enkele verzen uit 1 Koningen 8: “Toen Salomo dit gehele gebed en deze smeking tot de HERE beëindigd had, stond hij op van vóór het altaar des HEREN uit zijn knielende houding, waarbij zijn handen naar de hemel uitgebreid waren en staande zegende hij de gehele gemeente van Israël met luider stem: Geprezen zij de HERE, die zijn volk Israël rust gegeven heeft volgens alles wat Hij gesproken heeft; er is niet één woord onvervuld gebleven van al zijn goede woorden, die Hij door de dienst van zijn knecht Mozes gesproken heeft[5][6].
Ziet u dat? Alles wat Mozes indertijd namens de Here heeft gezegd, dat is uitgekomen. Zo zegt Salomo het.
En wij mogen het, mutatis mutandis, nazeggen: alles wat de Here in Zijn Woord gezegd heeft, zal realiteit worden. Helemaal. Voor altijd.

Onze tijd vraagt inzicht. En doorzicht.
Wij worden geacht om door dingen heen te kunnen kijken.
En laten we ’t maar toegeven: dat lukt lang niet altijd. Sterker nog, op deze aarde mislukt dat geregeld.
Nou – dat is dan maar zo.
Want wij weten: er komt een toekomst aan die groter is dan de soms zo gammele aardse werkelijkheid. Oneindig veel groter.

En wij mogen elkaar aanvuren met de woorden van Jacobus 1: “Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende…”[7].
Er is meer dan de school. Of uw stoel. Of uw ziekenhuisbed!

Noten:
[1]
1 Koningen 3:5.
[2] 1 Koningen 3:9.
[3] 1 Koningen 3:11-14.
[4] Zie 1 Koningen 3:16-4:34.
[5] 1 Koningen 8:54-56.
[6] Over 1 Koningen 8 schreef ik ook in mijn artikel ‘De tempelwijding en onze toekomst’, hier gepubliceerd op vrijdag 2 november 2012. Terug te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/11/02/tempelwijding-toekomst/ .
[7] Jacobus 1:5 en 6 a.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.