gereformeerd leven in nederland

26 juli 2022

Stop niet met bidden!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Over de verhoring van onze gebeden zijn vaak vragen. Er zijn mensen die zich maar al te vaak niet gehoord voelen. Waarom verandert er niets? Is mijn geloof soms niet goed genoeg?
Als het om gebedsverhoring gaat spreekt Lucas 11 boekdelen. Leest u maar mee.
“Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven, of ook als hij om een vis vraagt, hem in plaats van een vis een slang geven, of ook als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen geven? Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?”[1].

Onze gebeden worden soms niet verhoord. Er zijn momenten waarop wij het gevoel hebben dat de hemeldeur dicht zit. Misschien denken wij zelfs: deze keer hoort de Here ons niet…
Dat laatste is echter een misvatting. Het is een vergissing van flink formaat. Want de God van hemel en aarde luistert wel degelijk. Hij is volop actief. Hij geeft Zijn Heilige Geest. Die Heilige Geest is de grote Helper in het gebed.
Als wij in het gebed naar God toe gaan, mogen en moeten wij om ruimte bidden. Ruimte? Ja, want Gods Heilige Geest moet in ons hart iedere dag alle gelegenheid krijgen om Zijn heiligende werk te doen.

In Lucas 11 is Jezus in gesprek met Zijn discipelen: “En het gebeurde, toen Hij ergens aan het bidden was, dat een van Zijn discipelen tegen Hem zei, toen Hij ophield: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. Hij zei tegen hen: Wanneer u bidt, zeg dan…”. Jezus’ leerlingen hebben de Heilige Geest hard nodig als zij in de voetsporen van hun Leermeester willen treden!
En dat geldt niet minder voor ons[2].

Laten wij, alleen daarom al, nooit stoppen met bidden. De Christelijke Gereformeerde predikant J. Breman schreef daar eens over: als wij stoppen met bidden “heeft de tegenstander ons waar hij ons wil hebben. Ons bidden heeft zijn kracht verloren en ons christenleven en kerkelijke leven zakt ineen als een plumpudding. Het is daarom goed en nodig om voor Gods aangezicht te beseffen dat God de bruikbaarheid van ons leven niet afmeet aan al ons activisme en heel onze dadendrang. God meet onze bruikbaarheid voor Zijn Koninkrijk af aan ons gebedsleven, aan onze verborgen en vertrouwelijke omgang met Hem”[3].

Bidden is belangrijk. Daarbij gaat het niet in de eerste plaats om onze wensen. Het moet om Gods eer gaan. Laten wij het zo zeggen: Zijne Majesteit moet op de voorgrond komen te staan. Hij bestuurt alle dingen en alle mensen. Ook ons leven is in Zijn hand. Wij mogen laten horen dat wij Hem honderd procent vertrouwen. Aan Zijn Vaderhand leidt Hij ons naar een glorieuze toekomst met Hem.

Als wij rondkijken in deze wereld zien wij hoe de wereld ten onder lijkt te gaan aan misdaad en oorlog.
Laten wij in dit verband een ogenblik naar een actuele situatie kijken. ND-buitenlandcommentator Jan van Benthem schreef op woensdag 20 juli jongstleden over brand in Oekraïens graan. Als volgt: “De graanvelden branden, in het oosten en zuiden van Oekraïne. Maar in tegenstelling tot de branden in Frankrijk, Spanje en andere Europese landen, worden hier de velden opzettelijk verwoest. Na eerdere verwoestende aanvallen op landbouwbedrijven, opslagplaatsen en transportcentra, zoals vorige week in deze krant al werd beschreven, verwoest het Russische leger nu doelgericht het voedsel zelf. Want de gerijpte aren en droge graanstengels branden nu gemakkelijk en de enorme Oekraïense graanvelden kunnen daardoor snel veranderen in zwartgeblakerde vlakten”.
Even verder:
“Het brandende graan hoort (…) bij het grote conflict waarom het volgens Moskou echt gaat. De oorlog in Oekraïne is namelijk ‘het begin van de radicale afbraak van de Amerikaanse wereldorde’, zo maakte president Poetin eerder deze maand duidelijk aan het Russisch parlement. Daarbij gaat het om ‘de echte soevereiniteit van volken en beschavingen, om hun wil om te leven volgens hun historische bestemming’. Bij dat radicale doel hoort een radicale oorlog, inclusief het vernietigen van de Oekraïense oogst en in het verlengde daarvan, de voedselzekerheid van miljoenen mensen die daarvan afhankelijk zijn”.
Wie dat tot zich door laat dringen, beseft eens te meer hoe diep een mens kan vallen als Hij God negeert!
Gereformeerde mensen realiseren zich ook wat er gebeurt als invloedrijke mensen gaan letten op wat zijzelf hun ‘historische bestemming’ noemen… God geeft ons goede gaven. Hij geeft Zijn Heilige Geest. En dan beschikken wij – om met Galaten 5 te spreken – in steeds ruimere mate over liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing[4].

Nee, laten wij maar nooit stoppen met bidden.
Laten wij de hemelse Majesteit maar dringend vragen om een ommekeer in deze wereld. Laten wij Hem maar smeken om harde harten aan te pakken en zacht te maken. Laten wij Hem maar vragen om oorlogszucht te dempen. Laten wij Hem maar bidden om het einde van destructie en doodslag. Laten wij maar bidden: Uw wil geschiede.
Bij al die gebedsactiviteit zal Gods Heilige Geest onze Helper zijn.

Noten:
[1] Lucas 11:11-13.
[2] In deze alinea citeer ik Lucas 11:1,2 a. Verder gebruik ik de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 11:13.
[3] In deze alinea citeer ik uit: Ds. J. Breman, “Een blik achter de schermen in de hemelse gewesten”. – In: De Wekker, 1 oktober 2021, p. 3.
[4] In deze alinea citeer ik uit: Jan van Benthem, “Brandende graanvelden” – commentaar in: Nederlands Dagblad, woensdag 20 juli 2022, p. 3.

25 juli 2022

Esther toont Gods voorzienigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Men zou het Bijbelboek Esther kortheidshalve als volgt in kunnen delen:
hoofdstuk 1:1-2:23: Joden in het Perzische hof
hoofdstuk 3:1-5:14: Het Joodse volk bedreigd
hoofdstuk 6:1-10:3: De Joden overwinnen.
Het eigenlijke onderwerp van het boek is de voorzienigheid van God. Hij heeft alles in de hand[1].

Maar de naam van God komt nergens in dit Bijbelboek voor. Waarom niet?
Iemand geeft daarvoor de volgende verklaring: “Dat de Naam van God er niet in voorkomt, heeft een reden. Het boek gaat over de lotgevallen van het volk van God, dat hier het volk van ‘de Joden’ wordt genoemd. De hoofdrol is weggelegd voor twee leden ervan, namelijk Mordechai en Esther. Er is een moorddadige vijand die de Joden volledig wil uitroeien. Als de Joden horen van deze grote dreiging, lezen we niet dat er ook maar één gebed tot God wordt gedaan. Nergens blijkt dat de Joden zich er bewust van zijn Gods volk te zijn. Niets wijst erop dat ze rekening houden met bepaalde wetten of inzettingen die God aan Zijn volk heeft gegeven. Nee, dit volk staat los van God, belijdt Hem niet, denkt niet aan Hem. En omdat dit volk God niet belijdt, kan God ook niet openlijk voor dit volk partij kiezen. Hij kan Zijn Naam er niet aan verbinden. Hij houdt Zich voor Zijn volk verborgen. Daarom komt de Naam van God er niet in voor”[2].

De God van hemel en aarde heeft de zaak in de hand. Maar de mensen op aarde negeren Hem. Het komt niet in hen op om met de grootste spoed contact met Hem te zoeken. Het komt niet in hen op om tot God te gaan bidden. Het komt niet in hen op om Zijn troonzaal in te gaan om Hem om redding te smeken.
Dat is een spiegel voor alle gelovigen van vandaag. Als de kerk in nood is behoort zij zich met grote spoed tot haar God te wenden. In die omstandigheden gaat de kerk intensief bidden. Als de kerk dat niet doet verzaakt zij haar plicht.
Nu het om deze dingen gaat, moeten wij elkaar wijzen op woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid, vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen. Wij spreken hier niet over de huichelaars, die zich in de kerk tussen de oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk. Maar wij bedoelen dat men het lichaam en de gemeenschap van de ware kerk moet onderscheiden van alle sekten, die beweren dat zij de kerk zijn”. En: “Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen”.
Wie God liefheeft gaat in het gebed zo snel mogelijk naar Hem toe.
Wie God liefheeft wandelt met Hem door het leven[3].

De Joden in het Bijbelboek Esther gaan dus niet naar God toe. Zij gaan, denken zij, zelf op zoek naar oplossingen.
Maar ten diepste is hier wat anders aan de hand.
De Here God laat Zijn trouw zien. Eens verkoos hij Israël tot Zijn volk. En bij de Here geldt: eens gekozen blijft gekozen!
En let wel – in dit Bijbelboek is een vrouw een belangrijk instrument bij de redding van Gods volk.
Er is wel gezegd dat de man in de Bijbel belangrijker is dan de vrouw. Maar dat is niet waar. De Koning van de kosmos geeft mannen en vrouwen ieder eigen taken. En Esther krijgt een zeer belangrijke taak! Leest u maar mee.
“Toen de koning met Haman gekomen was om met koningin Esther te drinken, zei de koning ook op de tweede dag bij het drinken van de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk. Toen antwoordde koningin Esther en zei: Als ik genade in uw ogen heb gevonden, koning, en als het de koning goeddunkt, dat men mij dan op mijn vraag mijn leven zal geven, en op mijn verzoek het leven van mijn volk. Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te worden weggevaagd, gedood en omgebracht. Zouden wij als slaven en als slavinnen verkocht zijn, dan zou ik hebben gezwegen, hoewel ook dan de tegenstander de schade voor de koning zeker niet zou kunnen vergoeden. Toen sprak koning Ahasveros en zei tegen koningin Esther: Wie is hij en waar is hij die zijn hart vervuld heeft om zo te handelen? Esther zei: De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman. Toen werd Haman door angst overvallen in de tegenwoordigheid van de koning en de koningin. Woedend stond de koning op van het drinken van de wijn en ging naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om bij koningin Esther voor zijn leven te smeken, want hij zag dat bij de koning het onheil over hem ten volle besloten was”[4].

Esther komt er voor uit dat zij bij het vervolgde volk hoort. Zij laat heel duidelijk dat zij een Jodin is.
In onze tijd zitten christenen ook in de hoek waar de klappen vallen. Dat zo zijnde is de verleiding groot om weg te duiken en ons zo klein mogelijk te maken. Welnu, dat is in het geheel niet nodig. Want christenen hebben alle recht van spreken. Toegegeven – dat recht wordt hen her en der in de wereld ontnomen; maar dat is zeer onterecht.
Laten wij, als het maar enigszins kan, laten blijken dat God onze levens leidt en dat wij daar geweldig dankbaar voor zijn.

In Esther 7 zien wij dat God strijdt voor Zijn volk. Daarbij zet Hij mensen als Zijn instrumenten in.
Ook de kerk van 2022 moet blijven beseffen: wij krijgen speciale bescherming.
Daarom kan Psalm 7 vandaag ook onze psalm zijn:
“Zij die bevrucht zijn door het kwade
gaan zwanger aan verkeerde daden,
bedrog en onrecht baart hun mond.
Zij tasten in onwaarheid rond.
Zij zullen in de kuil geraken
die zij voor and’re mensen maken.
Al hun verderf keert tot hen weer,
komt op hun eigen hoofd eens neer.

God zal ik loven, de Gerechte,
Hij zal voor mij het pleit beslechten.
Nu looft mijn lied in eeuwigheid
des HEREN naam en majesteit”[5].

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik: https://www.bijbelwoord.nl/wat-is-het-verhaal-van-esther/ ; geraadpleegd op dinsdag 19 juli 2022.
[2] In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1913.pdf , p. 10; geraadpleegd op dinsdag 19 juli 2022.
[3] De citaten in deze alinea komen uit artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
[4] In deze alinea citeer ik Esther 7:1-7.
[5] Psalm 7:6,7 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

21 juli 2022

Hanna’s verdrietige gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Nee, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; ik heb geen wijn of sterkedrank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgestort voor het aangezicht van de Heere. Houd uw dienares toch niet voor een verdorven vrouw, want vanwege de veelheid van mijn gedachten en mijn verdriet heb ik tot nu toe gesproken”.
Dat zegt Hanna in 1 Samuel 1 tegen Eli. De priester verdenkt de biddende vrouw van dronkenschap. Maar die verdenking blijkt onterecht. Hanna is diep-verdrietig omdat zij geen zoon heeft. Haar man, Elkana, heeft twee vrouwen: Hanna en Peninna. De laatstgenoemde treitert Hanna voortdurend.
In een paar woorden wordt Hanna’s situatie getekend.
“Wanneer de dag kwam dat Elkana een offer bracht, gaf hij delen van het vlees aan Peninna, zijn vrouw, en aan al haar zonen en haar dochters. Maar aan Hanna gaf hij een speciaal deel, want hij had Hanna lief; maar de Heere had haar baarmoeder toegesloten. Haar tegenpartij treiterde haar telkens weer om haar kwaad te maken, omdat de Heere haar baarmoeder toegesloten had. En zo ging het jaar op jaar. Zo dikwijls als zij naar het huis van de Heere ging, treiterde zij haar zo; dan huilde zij en at niet. Elkana, haar man, zei dan tegen haar: Hanna, waarom huil je, waarom eet je niet, en waarom is je hart verdrietig? Ben ik je niet meer waard dan tien zonen?”.
Wat een wilde wereld van plat pestgedrag zit achter deze geschiedenis![1]

Wat Peninna doet is ronduit antichristelijk. Want hier is geen sprake van naastenliefde, maar van naastenhaat. Peninna rekent totaal niet met God, en ook niet met Goddelijke wetten.
De God van het verbond wijst ons er met nadruk op dat wij dat wel moeten doen. Hij leidt ons door het aardse leven heen. Hij geeft betekenis aan ons leven. De toekomst van ons leven is in Zijn handen.

Wie 1 Samuel 1 leest kan denken: wat kan ons gebed een enorme kracht hebben!
Dat is een gedachte die mooi lijkt, doch onjuist is. Want wat zegt Eli tegen Hanna? “Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt”. De Here geeft kracht aan het gebed. En op Zijn tijd verhoort Hij onze gebeden. Hij geeft ons de permanente energie om Hem dingen te blijven vragen. Wij mogen Hem smeken om onze wensen te vervullen.

Onze aardse gebeden worden echter heel vaak niet verhoord.
Dat ziet er heel hardvochtig uit.
Gebeden worden niet verhoord, terwijl we nog wel zo ons best doen!
Laat God ons heden ten dage in de steek?
Zeker niet!
Want in Christus worden al Gods beloften vervuld. Het heil dat Christus geeft, impliceert ons eeuwig geluk. Het heil dat Christus geeft betekent voor ons ultieme vrede. Dat geluk en die vrede komen eraan, dat is honderd procent zeker!
In 1 Samuel 1 zien wij hoezeer de komst van Jezus Christus nodig was. In dat hoofdstuk is naastenhaat aan de orde. Peninna wordt zo ongeveer weggepest. Ja, dat gebeurt in de Oudtestamentische kerk. Wat bouwen mensen in alle tijden en op alle plaatsen een enorme berg zondeschuld op!  
In 1 Samuel 1 is, behalve die naastenhaat, ook beproeving aan de orde. De Here test Hanna. En het moet ook voor ons duidelijk zijn: zo werkt de Here bij tijd en wijle.

Wij leven in de tijd na Jezus’ eerste komst op aarde. Het evangelie van Diens lijden, sterven, opstanding en hemelvaart is ons genoegzaam bekend. Laten wij beseffen dat de Here ons voorbereidt op een hemelse toekomst met Hem. Als wij tot God bidden, is Christus onze Voorspreker. Hij zegt: ‘Vader, Ik heb voor die mens mijn bloed gestort, op grond van die bloedstorting vraag Ik voor hem vergeving’. De Heiland is bij al onze gebeden betrokken. Al onze gebeden moeten, ook in 2022, doortrokken zijn van het diepe verlangen dat de God van hemel en aarde, om zo te zeggen, naar onze gebeden luistert met een schuin oog op Jezus Christus en Diens werk. Onze Heiland is, zo leren wij in Hebreeën 4, reuze empathisch: “Wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar Een Die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar zonder zonde. Laten wij dan met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden op het juiste tijdstip”. Wij zien het: aan hemels invoelingsvermogen geen gebrek!
In al onze gebedsactiviteit is er één zekerheid: de Heiland is erbij[2].

Het gebed van Hanna geeft de kerk het goede voorbeeld. Let wel: hier wijst een vrouw ons de weg. Laat dus niemand zeggen dat vrouwen in de kerk slechts tweederangs burgers zijn!

Eén ding nog.
Hanna bidt tot God. Let wel: zij wendt zich niet tot Maria. Hanna zoekt geen vriendin om haar hart uit te storten. Het is van belang om dat vandaag zonder omwegen te noteren.
Waarom?
Op zaterdag 9 juli stond in een bijlage van het Nederlands Dagblad een interview met Margreet Sanders, gevangenispastor. Zij zei: “Ik bid tot Maria; zij is voor mij heel belangrijk. Ik ben vaak in Lourdes geweest. Voor gedetineerden is een persoonlijke relatie met God, Jezus of Maria essentieel en ik ben dat voor mezelf ook aan het herontdekken”. Die woorden suggereren onder meer dat Maria een bovennatuurlijk wezen was. Laten wij die gedachte maar snel laten varen! Maria was een gewone vrouw. Om met Lucas 1 te spreken: zij was een dienares in nederige staat.
In 1 Samuel 1 legt Hanna haar rugzak vol verdriet neer bij de God van het verbond. Jazeker, de hemelse Heer reageert: “en de Heere dacht aan haar”.
Geloofd zij God, de hoorder van ’t gebed![3]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik achtereenvolgens 1 Samuel 1:15,16 en 1 Samuel 1:4-8.
[2] In deze alinea gebruik ik: Ds. F.F. Venema, “Wat is een Christen nodig te geloven?”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, z.j., p. 120. Uit Gods Woord citeer ik Hebreeën 4:15,16.
[3] In deze alinea citeer ik uit: “Ik kán niet anders dan achter een dader de mens zien”. – In: Zondag, bijlage bij het Nederlands Dagblad, zaterdag 9 juli 2022, p. 5,6. Ik citeer 1 Samuël 1:19b. Ook gebruik ik Lucas 1:48. De laatste zin van het artikel is afkomstig uit Psalm 124:2 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

10 mei 2022

Bidden is een verbondsactiviteit

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De titel van dit artikel toont reeds welke kant het hier op gaat.
Wij gaan naar de God van hemel en aarde. Waarom? Hij heeft ons Zijn liefde verklaard. De profeet Jeremia spreekt erover in hoofdstuk 31: “Van verre tijden af is de Heere aan mij verschenen: Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid”. En de profeet Maleachi begint er zijn profetie mee: “Ik heb u liefgehad, zegt de Heere, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de Heere. Toch heb Ik Jakob liefgehad”.
Bidden is een verbondsactiviteit. We spreken tot onze Geliefde![1]

Onze God heeft ons lief. Voor altijd. Dat verandert nooit meer. In aardse huwelijken zit wel eens een dip. Elk huwelijk schudt wel eens op zijn grondvesten. En God zou, om zo te zeggen, alle reden hebben om ons af te danken. Maar Gods liefde voor ons zit diep. En die liefde is er al van het begin.
Na de zondeval zoekt God de mensen op. Zie Genesis 3: “En zij – Adam en Eva – hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de Heere God te midden van de bomen in de hof. En de Heere God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?”. In Genesis 17 sluit God een verbond met Abraham: “Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken. U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen. Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u. Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn”. Gods liefde blijft eeuwig bestaan[2].

Hoe beantwoorden wij Gods oneindige liefde? Antwoord: door geloof. In het geloof zijn wij aan Abraham verwant. Dat blijkt in Romeinen 4. Paulus schrijft daar: “De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding. Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren. En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn”.
Bidden doen we dus vanuit ons geloof.
Dat geloof is ons gegeven.
Wij behoren de Here te vragen om ons dicht bij Hem te houden: ‘blijf met uw Geest in onze harten werken’.
Daarom is de regel: bidt alleen samen met mensen die geloven in het verlossingswerk van Jezus Christus en in de beloften die Hij geeft.
Bidden met Jehova’s getuigen? Of met Mormonen? Niet doen[3].

Gods oneindige liefde stempelt ons leven. Wanneer heeft Hij dat stempel laten zien? Antwoord: op het moment van de doop.
W. van Vlastuin (thans hersteld hervormd) schreef daar in 1993 over: “We kunnen de doop nooit overwaarderen, wel op een verkeerde manier waarderen! (…) Wat denken de Joden? Als wij besneden zijn, dan is het wel in orde. Dan is boetvaardigheid overbodig, dan is een nieuw leven niet noodzakelijk, dan kunnen we blijven die we zijn. Dit komen we ook in de gereformeerde gezindte tegen. Aan de ene kant zijn er velen voor wie de doop eigenlijk geen betekenis heeft. Voor veel anderen betekent de doop dat ze zich niet zo druk behoeven te maken en als ze maar netjes leven dat ze dan wel mogen geloven dat ze een kind van God zijn”.
En:
“De doop verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Als we met een gedoopt voorhoofd op plaatsen komen waar we niet horen en boeken lezen die niet verantwoord zijn, dan breken we Gods verbond en halen Zijn verbondswraak over ons leven. Als we gedoopt zijn en leven zonder liefde tot Gods wet, dan hebben we van onze doop nooit iets begrepen”.
Gods eigendomsstempel heeft, als het goed is, ook invloed op onze levenshouding. Laten we het zo zeggen: wie niet wandelt met God, kan niet oprecht bidden[4].

Bidden is een verbondsactiviteit.
Maar we bidden ook in verbondenheid. De mensen in de kerk zijn vrijwel allen bidders. Om met 1 Corinthiërs 12 te spreken: “En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden”. Op heel veel andere plaatsen in de wereld zijn ook bidders. En wij moeten ons ook met hen verbonden weten. Dat zien wij bijvoorbeeld in Colossenzen 4: “Houd sterk aan in het gebed, en wees daarin waakzaam met dankzegging. Bid meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, om van het geheimenis van Christus te spreken, om welke oorzaak ik ook gebonden ben, opdat ik dit geheimenis mag openbaren zoals ik erover moet spreken”. Wij zien het bijvoorbeeld ook in 2 Thessalonicenzen 3: “Verder, broeders, bid voor ons dat het Woord van de Heere zijn loop mag hebben en verheerlijkt mag worden, zoals ook bij u”. Bidden gebeurt, om zo te zeggen, altijd en overal. Niet alleen voor gemeenteleden, maar voor al Gods kinderen, waar ook ter wereld[5].

Bidden is een verbondsactiviteit die we midden in deze wereld uitvoeren.
Het Gereformeerde doopsformulier vat onze taak zo samen: wij moeten “deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand en al onze krachten. Het betekent ook dat wij met de wereld breken, onze oude natuur doden en godvrezend leven”.
Wie in nauw contact met God blijft staan, wordt blijmoediger en zekerder van Zijn zaak. Want hij leeft in een voortreffelijk Verbondskader![6]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Jeremia 31:3 en Maleachi 1:2.
[2] In deze alinea citeer ik Genesis 3:8,9 en Genesis 17:4-8.
[3] In deze alinea citeer ik Romeinen 4:15-18.
[4] In deze alinea citeer ik uit: W. van Vlastuin, “Heeft de doop geen waarde meer als je de wet niet houdt?”. In: Terdege, woensdag 22 september 1993 [rubriek: Jouw vragen], p. 19.
[5] In deze alinea citeer ik 1 Corinthiërs 12:26,27, Colossenzen 4:2-4 en 2 Thessalonicenzen 3:1. Verder gebruik ik: Drs. A.J. van der Toorn, “Bidden voor de ander – over voorbede”. In: De Wekker, vrijdag 27 februari 2009, p. 250.
[6] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdagavond, 12 mei 2022, onder meer spreekt over het thema ‘Bidden in het verbond’. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.
Bij de bespreking gebruikt men: H. Westerink, “Bidden in het verbond”. – Hoofdstuk 15 (pagina 83-89) in: ds. H.J. Boiten (redactie), “Het Onze Vader – het voornaamste van de dankbaarheid; Bijbelstudie in schetsen I”. – Groningen: Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag in samenwerking met Scholma Druk te Bedum [1990].

7 april 2022

Climax in Verbondsverkeer

Het eindgericht is een gebeurtenis die ons troosten kan. Niet zelden zijn we er, diep in ons hart, een beetje bang voor. Zouden we er wel dóórkomen?
Maar er is hoop.
Dat wordt – bijvoorbeeld – duidelijk in Jesaja 66.
Het gaat daar over het laatste oordeel. Maar ook over de tijd daarvóór.
Het gaat onder meer over Israëlieten die terug zullen keren uit de ballingschap.
De beelden lopen wat door elkaar.
De tijd waarin deze profetie gesproken werd moet voor Jesaja en zijn luisteraars nogal verwarrend zijn geweest. Gereformeerden van 2022 roepen weleens dat ze in moeilijke tijden leven. Dat moge zo zijn, maar in Jesaja’s tijd was het allemaal óók niet gemakkelijk.
Hoe dat zij – laten we het goed voor ogen hebben: Jesaja geeft troostrijke woorden van de Here door.
En het wordt volstrekt helder: de Verbondsgod kijkt dwars door de tijd heen. Ja, Zijn blik gaat over tijdperken heen.

Welnu – als de Here dwars door de tijd heen kijkt, dan ziet Hij ons nu ook. En ook vandaag wil Hij dichtbij ons zijn.
Hij wil in ons hart wonen.
En wij mogen in het gebed tot Hem naderen.
Tot Hem naderen: dat is een wat ouderwetse, een wat statige uitdrukking. Maar het gaat dan ook om de heilige God.

Tot Hem naderen: dat doen wij in ons gebed. We zonderen ons van de wereld af en concentreren ons op Hem.
In onze eeuw is men in staat om zelfs over dat gebéd nog ruzie te maken.
Ooit – het was ergens in 2006 – kwam in het nieuws: “In de gemeenteraad van Dirksland is een rel ontstaan over het ambtsgebed. Het nieuwe PvdA-raadslid Henk Huber weigert deel te nemen aan het gebed, dat de burgemeester voor en na elke raadsvergadering uitspreekt. Als het aan Huber ligt, belandt die traditie nog vandaag in de prullenbak. Partijen als SGP en ChristenUnie in de Flakkeese gemeente zijn boos en verwijten de PvdA’er ‘onbeschoft en disrespectvol’ gedrag”.
In een dergelijke situatie is het maar beter niet in het openbaar te bidden.
Want wie in het gebed tot Hem naderen wil, moet dat vooral eerbiedig doen. Iedereen mag bij de Here komen. Maar als dat gaat geschieden in een sfeer van ‘ze bidden hier, en ik ben er toevallig ook bij’ – dan is er weinig begrip van de ‘entourage’ van een gebed.
Wat is die ‘entourage’? Bidden staat gelijk aan het betreden van de troonzaal. We komen binnen in de ruimte waar de Koning zetelt. Daar horen geen lange gezichten bij. Daar is tegenzin misplaatst, en narrig gedrag uit den boze. Dat komt – letterlijk! – bij de duivel vandaan.

Wij moeten Hem, zoals dat in de Heidelbergse Catechismus heet, “van harte aanroepen”.
En als we gaan bidden, kan dat niet anders dan in het besef dat wij kleine en onmachtige mensen zijn die alles van God moeten krijgen. Van onszelf maken wij er helemaal niets van.
Als we met zo’n houding bidden, dan wordt ons gebed verhoord[1].

Waarom weten we dat zo zeker?
Omdat we dat in de Bijbel lezen.
Denkt u maar eens aan Daniël.
Hij kwam niet bij God omdat hij zo’n nette en integere functionaris was. Hij kwam bij Hem omdat Hij een instrument was in Gods hand.
Daniël naderde tot God met een beroep op Zijn barmhartigheid. Leest u maar mee: “Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw dienaar en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is. Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen”.

Als wij bidden doen wij een beroep op Gods genade.
Dat hebben we niet zelf georganiseerd.
Nee, het is het gevolg van Gods keuze.
Het is een gevolg van de uitverkiezing: het feit dat we uitgekozen zijn om een Goddelijke opdracht uit te voeren, een dienstorder van hemels niveau.
En voor al die geloofsactiviteit krijgen wij alles wat we nodig hebben[2].

Laten wij elkaar in dit verband wijzen op Johannes 15: “Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”. De dingen die we krijgen staan op naam van de Christus. Want Hij heeft ze voor ons betaald. Hij heeft ze, om zo te zeggen, voor ons klaar laten leggen[3].

Maar hebben wij dan zelf niets in te brengen? Hélemaal niets??
Jawel. Toch wel.
De geloofsactiviteiten die we ontplooien zijn geen uitvloeisels van een zakelijke overeenkomst. We werken in liefde.
We hebben, als het goed is, de Here lief. Ons hele leven lang. En Jezus is duidelijk: “Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden”.
En: “Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb”.
Dat is ook Johannes 15!
Bidden: dat doen we ten principale omdat we uitgekozen zijn. En gaandeweg gaat ons bidden met meer Geestdrift gepaard – met een hoofdletter G. Want Gods Geest werkt in ons hart. Bidden – dat zit zogezegd in Gods keuzeprincipe. Het zit ‘m in de uitverkiezing![4].

Nu we dat weer even hebben ‘opgefrist’, weten we ook weer dat Gods kinderen niet bang hoeven te zijn voor het eindgericht. Zij zijn immers door God uitgekozen?
Wij beseffen ook dat wij, als we gaan bidden, dat niet overal en nergens moeten gaan doen. Bidden: dat doen we niet waar Jan Rap en zijn maat bij zit.
Bidden: dat zijn de hoogtepunten in het contact tussen de tronende God en Zijn uitverkoren volk.
Bidden: dat is het culminatiepunt van het Verbondsverkeer![5]

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 45, antwoord 117.
[2] In deze alinea gebruik ik Daniël 9:17-19.
[3] In deze alinea citeer ik Johannes 15:16,17.
[4] In deze alinea gebruik ik Johannes 15:9-12.
[5] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat ik zo’n 16 jaar geleden schreef. Het artikel is gedateerd op donderdag 18 mei 2006.

15 maart 2022

Interne glans

In Exodus 34 gebeuren wonderen. Telkens als Mozes van man tot Man met de Here spreekt gaat zijn gezicht glanzen.
In dat hoofdstuk staat het zo: “En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde – de twee tafelen van de getuigenis waren in Mozes’ hand, toen hij van de berg afdaalde – dat Mozes niet wist dat de huid van zijn gezicht glansde, omdat de HEERE met hem gesproken had. Aäron en al de Israëlieten keken Mozes aan, en zie, de huid van zijn gezicht glansde. Daarom waren zij bevreesd om dichter bij hem te komen”.
En even verder:
“Nadat Mozes geëindigd had met hen te spreken, legde hij een doek over zijn gezicht. Maar telkens wanneer Mozes voor het aangezicht van de Heere kwam om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten ging. En wanneer hij naar buiten gegaan was, sprak hij tot de Israëlieten wat hem geboden was”.
Mozes’ glanzende gezicht geeft het duidelijk aan: er is contact met God. Hij is erbij! Hij heeft een verbond met Zijn volk. En dat verbond wordt niet verbroken.
Wat een troost is dat voor Israël!
Hun Bevrijder laat hen niet in de steek![1]

Als God Zijn volk losgelaten zou hebben, waren daar goede redenen voor geweest. Immers: de Israëlieten hadden zich, om zo te zeggen, tot op het hoogste niveau bekwaamd in mopperen.
Leest u bijvoorbeeld maar mee in Exodus 16: “En morgenochtend zult u de heerlijkheid van de HEERE zien, want Hij heeft uw gemor tegen de HEERE gehoord. Want wie zijn wij, dat u tegen óns mort? Verder zei Mozes: Als de Heere u in de avond vlees te eten geeft en in de ochtend brood tot verzadiging toe, dan is dat omdat de Heere het gemor heeft gehoord waarmee u tegen Hem mort. Want wie zijn wij? Uw gemor is niet tegen ons gericht, maar tegen de Heere. Daarna zei Mozes tegen Aäron: Zeg tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Kom naar voren, voor het aangezicht van de HEERE, want Hij heeft uw gemor gehoord”.
En in Numeri 14: “Toen begon heel de gemeenschap luid te weeklagen en bleef het volk in die nacht luid jammeren. Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven! Waren wij maar gestorven! Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden van de vijand? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren? En zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren!”.
Ja, de Israëlieten zijn experts in mopperen.
Wij moeten echter eerlijk zijn: Nederlanders kunnen er in 2022 ook wat van. In onze ogen deugt er in deze wereld eigenlijk maar bitter weinig. Er is bijna niets volmaakt. Er is altijd wel wát. Het is feitelijk een wonder dat de Verbondsgod ons ook vandaag aan Zijn hand naar een heerlijke toekomst leidt![2]

De Israëlieten konden zien wanneer Mozes contact met God had gehad. De glans was groots. De glans was indringend. Ja, de glans was zelfs onverdraaglijk. De mensen konden er niet naar kijken.
De gedachte kan opkomen dat die Israëlieten het op dat punt wel makkelijk hadden. Men kon indertijd precies zien wanneer er echt contact was met de Heer van hemel en aarde. Ging dat in 2022 ook maar zo!
Vandaag de dag vragen mensen zich soms af of God hen wel hoort. In heel veel kerken wordt intensief gebeden vanwege de toestand in Oekraïne. En wellicht memoreren we in onze gebeden bijvoorbeeld ook situaties in Syrië, Afghanistan, Mali, Niger, Nigeria, Myanmar en Jemen. Maar helpt dat? Verandert er ook iets door onze gebeden?
Jazeker wel. Dat zien wij heel vaak niet. Wij doen er echter goed aan om, als het om de beantwoording van deze vraag gaat, 2 Corinthiërs 3 op te slaan. In dat hoofdstuk staat namelijk: “Als nu de bediening van de dood, met letters in stenen gegrift, in heerlijkheid was, zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden, hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid. Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid”.
Gods kinderen hebben, om zo te zeggen, de glans van de Heilige Geest van Christus in hun hart. Hij woont daar. Hij werkt daar. In ons hart is het, schrijft Paulus in Romeinen 8, een drukte van belang: De Geest komt “onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit”.
Kinderen van God hebben zogezegd een glans in hun hart. Een interne glans die wij niet kunnen zien, maar die er wel degelijk is[3].

Waarom doet Mozes in Exodus 34 een doek voor zijn gezicht?
In 2 Corinthiërs 3 blijkt dat een principiële reden te hebben: “Want als wat tenietgedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is wat blijft in heerlijkheid. Omdat wij dan een dergelijke hoop bezitten, gaan wij met veel vrijmoedigheid te werk, en doen wij niet zoals Mozes, die een bedekking op zijn gezicht legde, opdat de Israëlieten hun ogen niet gericht zouden houden op het einddoel van wat tenietgedaan wordt”.
De Israëlieten, en ook de kerk van alle tijden, moet niet blijven staren naar de glans op Mozes’ gezicht. Welnee. De kerk moet leren om verder te kijken.
Let op waar Paulus in 2 Corinthiërs 3 de klemtoon legt: veel meer is wat blijft in heerlijkheid.
Die
hoop hebben wij.
Die glans in Exodus 34 was nog maar het begin. Er komt nog veel meer. Er komt een heerlijkheid die met aardse superlatieven niet te beschrijven is!

Jazeker, er is een hoop aan de hand in de wereld.
Op deze aarde is er veel, heel veel om voor te bidden.
Die gebeden zijn niet tevergeefs. Gods Heilige Geest voorziet elk gebed zogezegd van een glanzende rand. Wij dragen een interne glans met ons mee.
In onze wereld zijn veel dingen waar we bang van kunnen worden. U kent het rijtje wel: de criminaliteit, de gestadig groeiende zorgvraag, de klimaatverandering, president Poetin, president Xi Jinping, en zo is er nog veel meer.
Maar wij hebben een glans in ons hart. Die glans bepaalt de gang van heel ons leven. Want wij leven naar de volmaaktheid toe. Het grootste wonder in ons leven moet nog komen!

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Exodus 34:29,30,33 en 34.
[2] In deze alinea citeer ik Exodus 16:7,8,9 en Numeri 14:1-4.
[3] In deze alinea citeer ik achtereenvolgens 2 Corinthiërs 3:7,8,9 en Romeinen 8:26,27.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.