gereformeerd leven in nederland

25 februari 2019

Licht schijnt in een schijnwereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Misdaadorganisaties dreigen onze samenleving te ondermijnen met hun nietsontziende criminele activiteiten. Deze zware vorm van georganiseerde criminaliteit is weliswaar niet altijd direct even zichtbaar, maar is bezig zich sluipenderwijs in te vreten in de fundamenten van onze samenleving”.
Zo staat dat in de krant[1].
Dat is de situatie van 2019.

De gewone burger voelt zich wellicht machteloos. Wat moet je tegen zo’n onzichtbare macht doen?
De Gereformeerde kerkmens heeft misschien het gevoel dat hij in een andere wereld leeft. En dat is ook zo. Hij is immers toegetreden tot het koninkrijk van God?
En ja, misschien heeft die kerkmens ook wel het idee: laat maar, je kunt er toch niets meer tegen uitrichten.

Verandert er fundamenteel eigenlijk wel iets in de wereld?
Je zou denken van niet.

Sterker – in Jeremia 7 is het nog een graadje erger.
Want daar blijkt het gros van het kerkvolk bedorven te wezen: “Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! een, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, ​wees​ en ​weduwe​ niet verdrukt, geen onschuldig ​bloed​ vergiet op deze plaats en ​andere ​goden​ niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de ​Baäl​ ​offers​ ontsteken en ​andere ​goden​ achternalopen, die gij niet gekend hebt – en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit ​huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? Is dit ​huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik – zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren”[2].

Die proclamatie richt Jeremia aan het adres van mensen die naar de tempel gaan.
De vraag hangt in de lucht: kunt u zo wel naar de kerk gaan?
De kwestie die de profeet aan de orde stelt is deze: je komt er niet met keurige ritueeltjes, met nette kerkgang, met kerkelijke gewoontes die er mooi uit zien.
God prikt moeiteloos door een schijnwereld heen.

Het gaat niet om een schijnwereld, maar om een wereld waarin een licht schijnt.
Het licht van Mattheüs 5 bedoel ik: “U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. En ook steekt men geen ​lamp​ aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken”[3].
De mensen moeten het licht zien. In huis. En als het een beetje wil, schijnt het licht ook nog een beetje naar buiten.

Misschien… heel misschien schijnt het licht dan ook in de schijnwereld.

Dat samengestroomde volk uit Jeremia 7 ziet Jeremia wel aankomen.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H. Bouma (1917-2000) omschreef de situatie in een preek eens zo.
Juda weet zich “zich veilig binnen de tempel, die als het ware een asiel vormt in de internationale ellende en spanningen. En men heeft daarvan zelfs z’n feestlied gemaakt. Een kort maar krachtig lied dat zo luid: Des HEREN  tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!
In de oorspronkelijke taal staat: des HEREN  tempel zijn deze. Daarbij denkt men aan al die gebouwen, er staat namelijk een heel tempelcomplex.
In dat simpele lied, waarin tot drie keer toe wordt genoemd des HEREN tempel, wil men blijkbaar, krachtens die herhaling, de grootst mogelijke nadruk er op leggen, dat deze gebouwen van niemand minder dan van God ZELF zijn. Het is, alsof ze het Hem, die hier tussen de cherubs woont, krachtig en overluid willen toeroepen: HERE, dit alles is toch van U? Daarom moet U maar over uw eigen huis en over uw volk, dat tot eer van U z’n psalmen zingt, de wacht houden. Dit is toch UW huis. U zult het sparen, o God.
Het is alsof men de HERE wil bezweren. Alsof men het Hem wil duidelijk maken: HERE, zie toch eens hoe druk wij bezig zijn met Uw dienst. Laat dit eens te meer reden voor U zijn, ons te sparen. Want als de Egyptische farao komt, of als Nebukadnezar de stad veroverd en het volk zal wegvoeren in ballingschap, wie zal er dan nog zijn om uw eredienst te vervullen? Wij zijn er toch? Houdt dat dan in stand. En als òf de één òf de ander, farao Necho òf Nebukadnezar, uw tempel zal verwoesten, HERE, waar zult U dan nog een plaats op aarde overhouden om er te wonen? Daarom zingen de Judeeërs uit volle borst hun psalm: des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!
En dan in één keer, terwijl het feest zijn hoogtepunt bereikt, verschijnt daar in de tempelpoort,  die toegang geeft tot het voorplein, de gestalte van de profeet Jeremia.
En hoor, hij heeft een boodschap van de HERE, voor hen allemaal.
O ja, ze verwachtten inderdaad een godswoord van de profeet.  Een antwoord op hun eredienst, op hun psalm. Ze rekenen erop dat de HERE  nu toch zou zeggen: stil maar mensen, Ik heb het wel gehoord hoor, Ik heb het wel gezien, Ik zal uw lot wenden en Ik zal u doen gaan op wegen van zegen.
Ik zal aan priesters bevelen, dat ze u die heerlijke zegen meegeven naar uw huizen toe. Dat u vrede krijgt.
Ja, ze rekenden stellig op zo’n goddelijke boodschap. En daar menen ze temeer reden voor te hebben als ze bedenken, dat lang niet alle Judeeërs aan dit feest zijn gaan meedoen.
Ondanks de hervorming die koning Josia heeft doorgevoerd zijn veel Israëlieten opnieuw vervallen in de diensten van andere goden, in de goden van deze eeuw.
Als de HERE dat ziet, dat zij het zijn dan zal Hij toch wel erg blij zijn, dat er toch nog mensen zijn overgebleven die Hem dienen. Dat er nog een ware kerk is, die in zijn heilige tempel samenkomt. Ja, de HERE zal stellig heel blij zijn met dit feest, in zijn tempel. Daarom verwacht men nu een blijde boodschap van de profeet. Men rekent op niet minder dan de vervulling van Gods zegen over het leven. Men rekent op niet minder dan: nu zal het vrede worden.
Maar dan opent de profeet zijn mond: Hoort het Woord des HEREN, o, gans Juda. Gij die door deze poorten binnenkomt om u neder  te buigen voor de HERE; zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden. Bedrieglijke woorden.
Zo noemt de profeet in Gods naam het mooie psalmliedje, dat men zong over de tempel van de HERE.
Bedrieglijke woorden”[4].

Wat een tegenvaller zal dat in Jeremia 7 geweest zijn!

Maar hoe zou het gaan als iets dergelijks in 2019 gebeurde?
Wat zouden wij zeggen als een woordvoerder namens God zei: u doet als paar Gereformeerden wel uw best, maar het is voornamelijk buitenkant…?

Wat het antwoord ook zijn moge – in Jeremia 7 klinken waarschuwingen:
* laat u niet meeslepen in een wereld vol misdaad en criminaliteit
* blijf niet hangen in de gedachte dat deze wereld niet meer te redden is
* blijf zo dicht mogelijk in de buurt van uw Redder!

Dit artikel begint met de strijd tegen synthetische drugs: middelen als efedrine, amfetamine, XTC.
Verdovende middelen dus. Middelen die je in een roes brengen. Bewustzijnsverruimende middelen.

Dergelijke middelen hebben we in de kerk niet nodig.

Door Gods Woord hebben we al zicht op een andere wereld.
Een wereld waar alle schijn heeft afgedaan. Een wereld die voor eeuwig blijft bestaan.
Het is die wereld waarover Jezus het in Mattheüs 5 heeft: “Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn”[5].

Noten:
[1] “Extra agenten voor strijd tegen synthetische drugs”. In: Nederlands Dagblad, maandag 18 februari 2019, p. 1.
[2] Jeremia 7:4-11.
[3] Mattheüs 5:14, 15 en 16.
[4] De preek van ds. H. Bouma gaat over Jeremia 7:1-15 en is gedateerd op zondag 14 augustus 1983. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
Jeremia’s profetie tegen Juda’s vals vertrouwen op zijn tempel.
Jeremia predikt hierin:
1. de voorwaarde die de HERE verbindt aan zijn tempelzegen (de verzen 1 tot en met 7).
2. de schending van Gods tempelwet door Juda (vers 8 tot en met 11 a).
3. de onafwendbare komst van het tempelgericht (vers 11 b tot en met 15).
[5] Mattheüs 5:11 en 12.

11 juli 2018

De onderwereld zal niet winnen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In de vroege ochtend van dinsdag 26 juni 2018 wordt een aanslag gepleegd op het gebouw van het dagblad De Telegraaf. Meer precies: het is een ramkraak met brandstichting.
Daags erna zet een commentator van het Nederlands Dagblad deze onverkwikkelijke zaak in een groter kader.

Ik citeer: zo’n aanslag is “toch alsof je een paardenkop in je bed vindt. Een lugubere, intimiderende waarschuwing dat je je maar beter met andere zaken kunt gaan bezighouden. En dit is niet de enige manier waarop de onderwereld de rechtsstaat uitdaagt en provoceert. Ook burgemeesters krijgen soms heel nare signalen te verwerken. Een voormalige officier van justitie die wethouder werd in Breda, kon haar beveiligde woning niet verlaten omdat ze nog steeds bedreigd werd. Misdaadverslaggevers van De Telegraaf en Het Parool leven als onderduikers omdat er een prijs op hun hoofd staat. Hier is inderdaad niets minder dan de democratische rechtsstaat in geding, en de vrijheid om kwaad aan het licht te brengen”[1].

Wat moeten we met de onderwereld aanvangen?
Kunnen we er iets tegen doen?
En kunnen we er iets meer over zeggen, als wij de Bijbel open doen?

In het Woord van God gaat het ook wel eens over de onderwereld. Maar daarmee bedoelt men dan het rijk van de doden. Zeg maar: de wereld onder de grafstenen.

Dat is bijvoorbeeld zo in Ezechiël 31.
De naam Ezechiël betekent: God maakt sterk, of: God is machtig. Hij profeteert vanaf 593 voor Christus, en is zeker tweeëntwintig jaar profeet geweest.
Hij voorspelt de ondergang van Jeruzalem. Hij proclameert hij Gods oordeel over de volken die in de buurt van Israël wonen. Maar Ezechiël “belooft ook het herstel en de wedergeboorte van Israël, de vereniging van de twee en tien stammen, en de nieuwe tempel te Jeruzalem”[2].

Ik citeer uit de Herziene Statenvertaling-2010: “Door het geluid van zijn val deed Ik de heidenvolken beven, toen Ik hem in het ​graf​ deed afdalen met hen die in de kuil neerdalen. Maar in de onderste plaatsen van de aarde voelden alle bomen van ​Eden​ zich getroost: de keur en het beste van de Libanon, alle waterdrinkers. Ook zij waren met hem in het ​graf​ afgedaald, naar hen toe die gevallen waren door het ​zwaard, die zijn sterke arm geweest waren en te midden van de heidenvolken in zijn schaduw gezeten hadden.
Met wie bent u dus in luister en grootheid
te vergelijken onder de bomen van ​Eden?
U zult met de bomen van ​Eden​ in de onderste plaatsen van de aarde neergestort worden. Te midden van onbesnedenen zult u liggen, met hen die vielen door het ​zwaard.
Dat is de ​farao​ en zijn hele menigte, spreekt de Heere”[3].

Het laatste stukje van bovenstaand citaat luidt in de Groot Nieuws Bijbel-1996 zo: “Geen boom in de tuin van ​Eden​ was zo groot en indrukwekkend. Jij, ​farao, bent die boom. Jij komt net als de bomen uit de tuin van ​Eden​ in de onderwereld terecht. Je ligt er naast hen die roemloos gesneuveld zijn in de strijd. Dat, ​farao, zal het lot zijn van jou en van het volk waarover je regeert. Dat kondig ik, God, de Heer, je aan”.

In de Bijbel is de onderwereld dus het dodenrijk.
In Ezechiël 31 wordt een oordeel geveld over Egypte. Het uitspreken van dat oordeel begint in Ezechiël 29 en eindigt in hoofdstuk 32.

Die Egyptenaren zijn nogal tevreden over zichzelf. Trots. Hoogmoedig.
De macht van Egypte is eertijds een gevaar voor Israël geweest. Denkt u maar aan de tien plagen in Egypte[4].
Maar wat blijft er op de lange duur van Egypte over? Het wordt, profeteert Ezechiël, een dooie boel. Al die machthebbers komen in het rijk van de doden terecht. Net als bijvoorbeeld de heersers over Assyrië; het land dat de Israëlieten kennen van de ballingschap vanaf 722 voor Christus.
Alle tegenstanders van God komen in de onderwereld terecht. Bij de dood. Bij de graven. Bij de totale machteloosheid. In de diepste duisternis.
Het blijkt dat de God van hemel en aarde alle macht heeft. Hij laat wereldrijken opkomen en uiteindelijk weer omvallen.

We kennen allen de hof van Eden.
Prachtig moet het in het paradijs geweest zijn!
Wat een vrede!
Wat een rust!
Maar wat is er van Eden overgebleven? Niets. Helemaal niets.
Welnu – met Egypte zal het precies net zo gaan. In een oud boekje staat de volgende treffende typering: “Met alle boomen van Eden, met allen die als vorsten en koningen geprijkt hebben op aarde, zult gij, van alle macht en luister beroofd, neergesmakt worden in de onderwereld. Temidden van onbesnedenen, wien zelfs geen eervolle begrafenis vergund is, zult gij (…) in oneer neerliggen…”[5].
Ziet u dat? De onderwereld, het dodenrijk, is eigenlijk niet veel meer dan een vuilnisbelt.

Maar het volk van God geniet speciale bescherming.
Leest u bijvoorbeeld maar even mee in Ezechiël 34: “Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. Zoals een ​herder​ op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid. Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de waterstromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen in de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël. Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere”[6].
De onderwereld in de Bijbel is het dodenrijk.
De onderwereld van 2018 is het criminele circuit.
En het is eigenlijk wel spannend: gaat de Nederlandse overheid het winnen van de onderwereld, of niet?

In de kerk kijken we daar toch anders tegenaan.
Want daar kennen we Bijbelgedeelten als Ezechiël 31. En daarom weten we: onze God heeft de macht.
Hij heeft de macht in de onderwereld van de Bijbel.
En het zal blijken dat Hij het ook te zeggen heeft in de onderwereld van de eenentwintigste eeuw. In die onderwereld zie je nu al iets van dood en verderf. In de kranten en op de televisie zien we er de beelden van. En ja, het zal nog veel erger worden!

Kinderen van God leven in de bovenwereld.
En zij weten het stellig: wij zijn, om zo te zeggen, onderweg naar de bovenste wereld. Naar de hemel.

In Openbaring 22 zien we daar een beeld van: “En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het water des levens, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam. In het midden van haar straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier bevond zich de Boom des levens, die twaalf vruchten voortbrengt – van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenvolken”[7].
We kunnen wel zeggen: de hof van Eden komt terug.
Daar is het mooi. Eindeloos mooi!
Daar is eeuwig geluk met God!

De onderwereld zal een roemloos einde meemaken. Daarna wordt er nimmer meer iets van vernomen.

En in de hemel zijn dan al Gods kinderen bijeengebracht.
Alles is daar in volmaakte harmonie.
Wat een vrede!
Wat een rust!

Noten:
[1] “Aanslag op rechtsstaat”. Commentaar in: Nederlands Dagblad, woensdag 27 juni 2018, p. 3.
[2] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/E/Ezechi%C3%ABl_(bijbelboek) ; geraadpleegd op woensdag 27 juni 2018.
[3] Ezechiël 31:16, 17, 18.
[4] Exodus 7:14-12:30.
[5] Ds. W. Tom, “Paraphrase van het boek van den profeet Ezechiël”, tweede deel. – Franeker: T. Wever N.V., zonder jaartal, p. 41. Dominee Tom (1901-1976) was Gereformeerd-synodaal predikant.
[6] Ezechiël 34:11-15.
[7] Openbaring 22:1 en 2.

5 september 2013

Rechtschapen in een onrechtvaardige wereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Een paar dagen geleden hoorde ik het verhaal van een studente geneeskunde. Zij is toe aan haar coschappen: dat zijn de perioden waarin je ervaring opdoet in een ziekenhuis. In het universitaire ziekenhuis dat verbonden is aan de onderwijsinstelling waar zij studeert, was dit jaar geen plaats voor haar; zij is pas ingedeeld in 2014. Zodoende is zij gedwongen een jaar met de studie te stoppen. Maar de studiefinanciering stopt wel op haar 27e. En als je chirurg wilt worden, moet je tóch al lang doorstuderen… Wat te doen? Je kunt wetenschappelijk onderzoek gaan doen. Je kunt een jaar lang ergens gaan werken. Eventueel kun je een poos naar het buitenland gaan. Ach, in de eenentwintigste eeuw zijn er mogelijkheden genoeg.
Maar u begrijpt: de smaak is nogal zuur. En het voelt bovendien onrechtvaardig. Doe je dáárvoor je best in je studie? Is dát de beloning van al je inspanningen om je tentamens te halen?

Onrechtvaardigheid: de wereld is er vol van. We hebben er allemaal mee te maken. Door de criminaliteit, op straat en elders in de samenleving. Op school. Op ons werk. Op het voetbalveld, en op de sportvereniging. In contacten met de overheid en de ambtenarij. In de familie- of vriendenkring.
We hebben, als het om onrechtvaardigheid gaat, allemaal wel een verhaal. Of twee verhalen. Of drie. Ja, soms lijkt het wel alsof barmhartigheid een ouderwets woord geworden is. Niets is meer vanzelfsprekend. In de maatschappij zitten overal drempels en hobbels.
Wat moeten kerkmensen met al die rommel in de wereld? Is de prediking van de hoop op een heerlijke toekomst een vorm van misplaatste schreeuwerigheid, om de persoonlijke wanhoop en het collectieve verdriet een beetje te verzachten?

Toch niet.

Kent u het verhaal van de onrechtvaardige rentmeester in Lucas 16?
De gelijkenis die Jezus vertelt gaat over een grootgrondbezitter. Het beheer over al zijn landerijen, gebouwen en andere eigendommen heeft hij in handen gegeven van een rentmeester.
Op zekere dag wordt die rentmeester bij de grootgrondbezitter aangeklaagd wegens wanbeleid. Hij heeft zijn werkgever in diskrediet gebracht.
De aanklacht wordt serieus genomen. De rentmeester wordt op staande voet ontslagen. Over een rechtszaak of gevangenisstraf lezen we overigens niets. Dat valt mee… heeft de landeigenaar misschien toch enig mededogen getoond?
De rentmeester gaat bij zichzelf te rade. Hij probeert de schade beperkt te houden. Hij scheldt de schuldeisers een behoorlijk deel van hun schuld kwijt. Zo maakt hij vrienden. De rentmeester weet dat hij in de toekomst wel bij een paar mensen terecht zal kunnen.
De boodschap van de Here Jezus aan Zijn leerlingen, en aan heel Zijn volk, is: mensen, bereidt u voor op de toekomst!
Jezus zegt: “En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, dat hij met overleg gehandeld had, want de kinderen dezer wereld gaan ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk dan de kinderen des lichts. En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten”[1].

Die rentmeester ging met de bezittingen van zijn werkgever buitengewoon slecht om.
Maar de vraag is hoe wij omgaan met de gaven die de Here ons geeft. De Here geeft ons de opdracht om rechtvaardig te handelen. De aardse middelen die we krijgen moeten wij inzetten om in deze wereld goede dingen te doen. Het geld dat wij hebben moeten wij besteden om de wereld, en de mensen die daarop wonen, vooruit te helpen. De bezittingen die wij vergaren moeten wij benutten om, waar mogelijk, eerlijkheid en billijkheid te bevorderen.
Kerkmensen zijn in training.
Zij bereiden zich voor op een plaats in hun tweede vaderland.
Jezus zegt daarom in Lucas 16: “Wie in zeer weinig getrouw is, is ook in veel getrouw. En wie in zeer weinig onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig. Indien gij dus niet getrouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrouwen?”[2].
In het beheer van ons huis kunnen we soms al aangeven hoe wij ons op de toekomst prepareren.
In ons uitgavenpatroon kunnen we tonen: ons eindstation ligt niet hier beneden.
In de omgang met onze medemensen mogen we al laten zien dat wij – ter voorbereiding op ons hemels bestaan – betrouwbaar, oprecht en rechtvaardig willen leven.

Wij ontvingen van de Here een plaats in een wereld vol oneerlijkheid, fraude, oplichting, vuiligheid en zwendel.
En dat geeft soms een machteloos gevoel. Wij zouden het zo graag anders willen. Wij zouden zo graag willen ingrijpen. Wij zouden zo graag heel veel zaken een andere kant op willen draaien.
En dat willen wij niet slechts uit humanitair oogpunt. Wat ons betreft is er immers meer dan medemenselijkheid.
Maar we zullen geduld moeten hebben. Niet voor niets lezen wij in 2 Petrus 3: “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden”[3].
Jazeker – ook ons werk zal dan te vinden zijn. Daarom is dat waarschuwende woord uit Lucas 16 ook vandaag aan de orde: “Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon”[4].

Maar bij dat alles geldt voor de kerk ook die troostvolle boodschap uit 1 Johannes 2: “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid”[5].

Noten:
[1]
Lucas 16:8 en 9.
[2] Lucas 16:10 en 11.
[3] 2 Petrus 3:8, 9 en 10.
[4] Lucas 16:13.
[5] 1 Johannes 2:17.

15 april 2013

Geen consternatie bij cyberaanval

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Bij het woord ‘cyberaanval’ kunnen wij, denk ik, bijna allemaal wel wat bedenken. Zo’n aanval is, zo definieert het Algemeen Nederlands Woordenboek, een “aanval op computers, servers, websites en dergelijke door criminelen of terroristen, meestal met als doel persoonlijke informatie te verkrijgen of computersystemen onklaar te maken en op die manier communicatie te belemmeren”[1]. Met regelmaat hoort men ook de term ‘ddos-aanvallen’, waarbij ddos staat voor ‘distributed denial-of-service’; er wordt voor gezorgd dat reguliere gebruikers van een internetpagina geen toegang tot de betreffende website hebben[2].  

Vorige week hadden onder meer enkele banken met zo’n aanval te maken.
Het Openbaar Ministerie, de instantie die moet zorgen voor handhaving van de Nederlandse rechtsorde, kondigde een strafrechtelijk onderzoek aan.

Bij dergelijk nieuws stapelen de vragen zich op.
Waar komt de aanval vandaan? Wie hebben er belang bij een dergelijke aanval uit te voeren, en aldus het dataverkeer op computers te ontregelen? Hoe ernstig is het als een groot deel van de computers in Nederland wordt platgelegd? Welke continentale of wereldwijde gevolgen kunnen dergelijke aanvallen eigenlijk hebben?
De antwoorden op vragen van die soort kunnen slechts algemeen zijn. Er is niemand die exacte antwoorden formuleren kan.
Soms wordt van te voren door deskundigen gewaarschuwd voor cyberaanvallen. Softwarebeveiligers doen hun best om computerboeven voor te zijn[3]. Maar dat is natuurlijk lastig.
Omdat men er zo weinig over weet reageren overheden in het algemeen ook tamelijk laks op computercriminaliteit[4].

Wie deze dingen overpeinst, voelt wellicht iets van bezorgdheid of bibberatie borrelen.
Wat voor chaos komt er aan?
Waar gaat het naar toe met de wereld?

Het komt mij voor dat wij er in de kerk goed aan doen om te beseffen dat wij, ook in dit soort situaties, bij de Here mogen schuilen.
Graag wijs ik u vandaag op woorden uit Jesaja 45. Ik citeer: “Want zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de HERE en er is geen ander. Ik heb niet in het verborgene gesproken noch ergens in het land der duisternis; Ik heb tot het nakroost van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. Ik, de HERE, spreek wat recht is, verkondig wat rechtmatig is”[5].

Waar gaat het in Jesaja 45 over?
Israël wordt gewaarschuwd. De heidense Cyrus zal echt een middel in Gods hand zijn, om Gods volk weer een nieuwe toekomst te geven. Gods volk zal Cyrus dus werkelijk moeten accepteren. De Schepper van hemel en aarde neemt in Zijn wijsheid een heiden bij de hand om ervoor te zorgen dat Zijn uitverkoren volk weer uit de ballingschap terugkeert. Sterker nog: het is de bedoeling dat heel de wereld de Here God als Verlosser erkent.
De wegen van de Here zijn soms ondoorgrondelijk. Kinderen van God moeten dus niet gaan roepen: Here, dit doet U helemaal fout! Kinderen van God moeten niet cynisch opmerken dat het met de bevrijding door een heiden nimmer wat wórden kan. Kinderen van God moeten niet vragen: kunt U dit nou niet een beetje handiger organiseren?
Israëlieten zijn maar schepselen. Zij behoren zich te realiseren dat hun Formeerder de zaken strak in de hand houdt. Een pot komt toch ook niet in opstand tegen de pottenbakker? Een kind zegt toch ook niet tegen z’n moeder: wat voor resultaat hebben je barensweeën eigenlijk gehad?
Daarbij komt: de Here is geen God van chaos. De Here is de Schepper van hemel en aarde. Hij geeft alle mensen een plaats in de wereld. De Here is God; een andere god is er niet.
De Here is geen God die zich bezighoudt met orakeltaal, en met allerlei zweverige dingen die reuze mysterieus zijn.
Mensen die met hun vragen naar de Here toe gaan, mogen weten dat Hij luistert. Mensen die naar God toe gaan, mogen beseffen: dit is geen verloren moeite. Zulke mensen mogen weten: in een verwarrende wereld is er voor ons altijd een schuilplaats!

In Jesaja 45 wordt Israël aangesproken.
Dat is het volk dat de Here úitgekozen heeft. In onze tijd zouden we zeggen: deze boodschap is aan de kerk geadresseerd. Wij lezen: “Ter wille van mijn knecht Jakob en van Israël, mijn uitverkorene, riep Ik u bij uw naam, gaf u een erenaam, hoewel gij Mij niet kendet”[6].
Die bekendmaking komt niet uit de lucht vallen. Het is een onderdeel van een vooropgezet plan. Dat blijkt als wij de inzet van het Bijbelboek Ezra er even bij nemen. Ik citeer: “In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan: Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda”[7].
Het plan van God is echt een Másterplan: allerlei gebeurtenissen in de wereld worden door de hemelse God aangestuurd; allerlei uitwerkingsplannen worden, tot in detail, heerlijke werkelijkheid[8].

Het moet ons opvallen dat Jesaja in hoofdstuk 45 een weidse blik heeft.
Hij zegt: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer”[9].
De hele wereld moet de blik op de Here richten. Iedereen die op Hem vertrouwt, mag verlossing verwachten; in welke uithoek van de wereld hij of zij ook woont. De Here staat gereed, met de armen wijd uitgestrekt. En Hij kondigt af: mensen, schuil maar bij Mij; want hier is het veilig.
Het lijkt erop dat computercriminelen de wereldbeheersers dezer eeuw worden. Maar niets is minder waar!

De beelden uit Jesaja 45 – de pot en de pottenbakker, en het kind en z’n moeder – komen terug in Romeinen 9. Daar gebruikt Paulus ze ook.
Een denkbeeldige gesprekspartner van Paulus twijfelt aan de haalbaarheid van Gods plan met Israël. En dus aarzelt hij ook als het over Gods tróuw gaat. Zal God Zijn beloften aan Abraham werkelijk wáár maken? Welnu, zegt Paulus, twijfel is hier niet op z’n plaats. Want onze God is almachtig. Hij kan alles, en dus kan Hij kiezen wat Hij wil en hoe Zijn aanpak wezen zal. De Here zal Zijn volk echt verlossen, ook al gebeurt dat op een manier die mensen niet bedenken kunnen.

De Here is een schuilplaats.
Dat mogen we ook in 2013 belijden.
Dat mogen we óók tegen elkaar zeggen als wij nadenken over cyberaanvallen. En over ddos-aanvallen.
Als Nederland – computermatig bezien – compleet plat gaat, zijn de problemen ontegenzeglijk groot. Als de wereld zwaar beschadigd raakt als gevolg van zware computercriminaliteit, staat onze almachtige Heer recht overeind. En Zijn kérk staat recht overeind.
Wij hóeven niet aan God te vragen: hoe gaat U dat nou doen als de hele wereld onderuit gaat? Een glas vraagt toch ook niet aan de glasblazer: wórdt het nog wat vandaag, of hoe zit dat?

Jesaja 45 eindigt met een prachtige troost. Troost voor ál Gods kinderen, waar zij zich ter wereld ook bevinden. De laatste woorden van dit hoofdstuk zijn: “…in de HERE wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen”.
Heel de kerk gaat haar Heer hulde brengen.
Alle kerkmensen gaan hun Heer danken; uit de grónd van hun hart.
De glorie van God en Zijn volk kan nooit en te nimmer door cyberaanvallen worden tegen gehouden!

Blog op WordPress.com.