gereformeerd leven in nederland

29 november 2019

Geloof … en een snufje cultuur?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Als het gaat over geloven in Gods beloften, kunnen we een voorbeeld nemen aan Abraham.
Niet omdat Abraham zo goed z’n best doet. Maar wel omdat Abraham gedurende heel zijn aardse leven op God vertrouwt.
Wie betaald werk doet, krijgt regelmatig salaris.
Wat krijgen u en ik als wij op God vertrouwen? Antwoord: wij worden vrijgesproken van schuld.
David zingt er in Psalm 32 over:
“Welzalig hij wiens zonde is vergeven,
die van de straf genadig is ontheven,
wiens overtreding, die hem had bevlekt,
voor ’t heilig oog des HEREN is bedekt”[1].

Paulus schrijft het nadrukkelijk in Romeinen 4: “Want niet door de wet is de belofte aan ​Abraham​ of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de ​gerechtigheid​ van het geloof[2].
God vraagt van Abraham niet in de eerste plaats dat hij netjes leeft. IJverig leven volgens Gods wet brengt de bekende aartsvader niet in de hemel. Het geloof in de reddende kracht van de genadige God – dat wordt hem tot gerechtigheid gerekend. Abrahams vaste vertrouwen in God – dat is voor de God van hemel en aarde reden om Abraham van schuld vrij te spreken.
Het is goed om, als het om geloof en bekering gaat, de Dordtse Leerregels in herinnering te brengen: “God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen”[3].

Welnu, schrijft Paulus: “Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die ​Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, Die om onze overtredingen is overgeleverd, en ​opgewekt​ om onze rechtvaardiging”[4].

Vertrouw maar op God. Vertrouw u maar toe aan Jezus Christus, uw Heiland. Hij heeft voor al uw zonden betaald! Als u dat doet, dan is Abraham uw vader. Dat schrijft Paulus in Romeinen 4.
Daar hoeft helemaal niets van ons meer bij.
Wij kunnen geen zetel in de hemel verdienen. En dat is ook nergens voor nodig. Want onze plaats is reeds door de Heiland gereserveerd.

Dat Evangelie staat recht overeind.
Ook in 2019.
Dat is een open deur. Hierboven staat niets nieuws. ’t Is bekende stof. Bijbelvaste gelovigen zullen zeggen: dit weten wij reeds.

Hierboven staat niets nieuws.
Toch moeten wij ons dit terdege realiseren. Waarom? Omdat we in een wereld leven die flexibiliteit en aanpassingsvermogen vraagt. En dat raakt ook het kerkelijk leven.
Wilt u een paar voorbeelden?
1.
In april van dit jaar stond in het Reformatorisch Dagblad een artikel met de kop ‘Verhoudingen in CGK staan nu op scherp’. Daarin zei de christelijke gereformeerde predikant A. van Heteren: “Er liggen besluiten die vrouwelijke ambtsdragers en homoseksuele praxis op grond van de Bijbel afwijzen. Er moeten wel heel dringende argumenten zijn om die besluiten te herzien. De nieuwe hermeneutiek, waarbij de huidige cultuur een belangrijke rol speelt in de uitleg van de Bijbel, zet de Schrift opzij”[5].
2.
In mei 2019 zei K. Wezeman, voormalig tweede voorzitter van de Gereformeerd-vrijgemaakte synode in 2014, in het Nederlands Dagblad: “De vrouw in het ambt is de kapstok, maar het gaat eigenlijk over hoe je met de Bijbel omgaat. We hebben het idee dat de omgang met de Bijbel binnen de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) wordt bepaald door de cultuur. Terwijl de Bijbel soms haaks staat op wat we in onze cultuur passend of prettig vinden”[6].
Wij leven in een wereld die aanpassingsvermogen vraagt. Dat raakt ook het kerkelijk leven. Wellicht ongewild suggereert men: wij moeten de uitleg van de Bijbel enigszins toesnijden op de cultuur van de eenentwintigste eeuw; alleen zo kunnen wij in onze tijd de Heer van hemel en aarde optimaal dienen.
De redenering is dus: met alleen de Bijbel komt u er niet; er moet een snufje cultuur bij.
De redenering is blijkbaar: met Abraham in het voorgeslacht komt u er niet; u moet ook contact maken met de wereld van vandaag.

Daarom is het belangrijk om het nog eens te repeteren: er hoeft helemaal niets van ons meer bij.

Abraham heeft volledig op God vertrouwd. Menselijk gesproken had hij wel reden om een snufje cultuur bij zijn geloof te doen.
De Christelijke Gereformeerde predikant E. Everts schrijft terecht: “Abraham kreeg veel van God. Hij was rijk in economisch opzicht. En God stelde hem nog meer rijkdom in het vooruitzicht. Denk aan belofte van een talrijk nageslacht en bezit van veel land -onder anderen Genesis 13:14-17-. En toch had het iets van een paradox. Toen er hongersnood uitbrak, zag hij zich genoodzaakt zijn toevlucht te nemen in Egypte. Abraham kreeg geen stukje land voor zichzelf, behalve een stukje grond met een spelonk om zijn vrouw te begraven. Hij had er nog een hoge prijs voor betaald ook.
In Egypte kreeg Abraham geschenken van de farao. Deze hebben een nare bijsmaak, omdat ze verband houden met een leugen van Abram en Sara”[7].
Vertrouwen op God – dat was voor Abraham heus geen makkie.

Geloven is ook in 2019 niet zo simpel.
Daarom heeft het wel degelijk zin om Romeinen 4 goed tot ons te laten doordringen.
En laten wij die bekende definitie van de Hebreeënschrijver vooral niet vergeten: “Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet”[8].

Noten:
[1] Dit zijn de eerste regels van Psalm 32:1 – Gereformeerd Kerkboek-1986.
[2] Romeinen 4:13.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 10.
[4] Romeinen 4:23, 24 en 25.
[5] “Verhoudingen in CGK staan nu op scherp”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 2 april 2019, p. 10 en 11.
[6] Geciteerd uit: “Bezwaarden voelen zich alleen”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 17 mei 2019, p. 7.
[7] E. Everts, “Het goede leven (2) – Abraham”. In: De Wekker, vrijdag 11 oktober 2013, p. 13.
[8] Hebreeën 11:1.

28 november 2017

Vrije wandelaars

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen”.
Die zin kennen de meeste lezers wel, naar ik aanneem. De woorden staan in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Dat geloven wij.
Dat verkondigen wij.
Daar staan wij voor.
Voor veel lezers spreekt dat vertrouwen bijna vanzelf.

En natuurlijk, Gereformeerden worden wel eens met de nek aangekeken. Maar het is niet zo dat zij hun geloof niet meer mogen belijden. Kerkdiensten mogen worden belegd, in alle vrijheid.
Dat is prachtig.

In een land als China gaat het er heel anders aan toe.
Neem nu voorzitter Qi Yan van de Communistische Partij in de plaats Huangjinbu. Christenen in de regio Yugan moeten leren om hun vertrouwen te stellen op de partij, en niet op religie, zegt hij.
In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs te lezen: “‘Veel mensen op het platteland zijn onwetend’, zei Yan dinsdag tegen de krant South China Morning Post. ‘Ze denken dat God hun helper is. Na het werk van onze partijkaders zullen ze hun misvattingen echter inzien en denken: we moeten niet langer op Jezus vertrouwen, maar op de partij voor hulp’”.
Het RD meldde ook:
“In Yugan moet de officieel atheïstische partij vechten voor haar invloed, tegenover het christendom dat steeds meer aanhang krijgt. Yugan staat zowel bekend om zijn hoge armoedecijfers als om zijn grote christelijke gemeenschap. Meer dan 11 procent van de 1 miljoen inwoners leven onder de armoedegrens, terwijl zo’n 10 procent zich tot het christendom rekent.
In heel China wint het christendom intussen aan populariteit. Volgens sommige schattingen zijn er meer christenen in het land dan de 90 miljoen leden van de Communistische Partij”[2].
En:
“Volgens de lokale partijleider Qi is de situatie niet zo dramatisch. Christenen is volgens hem niet gevraagd om de posters en symbolen helemaal weg te doen, maar die geen centrale plaats meer in de huizen te geven. „Ze kunnen die nog in andere kamers hangen (…). Wat we hen vragen, is om in het midden van hun woonkamers iets op te hangen wat de vriendelijkheid van de partij niet doet vergeten”.

Wie dat leest, beseft dat het er in Nederland nog heel beschaafd aan toe gaat.
Maar die lezer trekt waarschijnlijk ook zijn wenkbrauwen op.
Vanuit Nederlandse overheden wordt relatief weinig druk uitgeoefend  op het Neêrlandse kerkelijke leven. Goed, die druk is er soms wel. Maar die druk is toch vrij subtiel.
Er is dus sprake van lichte druk.
Maar nu al doen veel kerkmensen pogingen om het Evangelie een beetje aan te passen.

Bijvoorbeeld aldus:
* Wij hebben geen bloeddorstige God, zeggen sommigen
* De vrouw mag in het ambt staan, besluit een GKv-synode.
* Diverse niet-Schriftuurlijke samenlevingsvormen – samenwonen, homohuwelijk –  moeten we, naar men zegt, accepteren; schoorvoetend, maar toch.
En waarom trekt men dergelijke conclusies? Antwoord: men wil aansluiting vinden bij de hedendaagse cultuur. Met een bloeddorstige c.q. mensonvriendelijke Boodschap kun je, meent men, vandaag niet meer aankomen.
De grote vraag is natuurlijk: wat gebeurt er als de druk groter wordt? Wat gebeurt er als Gereformeerden in Nederland zulk een Evangelie niet meer mogen verkondigen? Gaan zij dan met de wereld mee? Of gaan zij dan terug naar het Evangelie?
In het laatste geval is er een gerede kans dat seculiere burgers dan vreemd opkijken: ‘jullie waren altijd zo meegaand, en nu…’.

In dit verband wijs ik u op Hebreeën 13: “Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de ​zonde​ door de ​hogepriester​ het ​heiligdom​ werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook ​Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te ​heiligen, buiten de ​poort​ geleden. Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige”[3].
De Hebreeënschrijver zegt eigenlijk:
* Scheidt u alvast maar af
* Dan gaan wij samen de goede kant op
* Want wij zoeken de toekomstige stad.

Gereformeerden streven er naar om daar te komen. Daarom is de huidige wereld, in zekere zin, niet zo belangrijk.
Wij zijn hoe langer hoe meer vreemdelingen in deze wereld.
Over dat vreemdelingschap schrijft Petrus in zijn eerste brief: “En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw ​vreemdelingschap, in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van ​Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam”[4].

Als u zich, om zo te zeggen, al wandelend gaandeweg van de wereld afscheidt, moet u zich één ding blijven realiseren.
Dat is dit: zinloos wandelen is er niet meer bij.
Al wandelend zullen we er achter komen dat velen ons steeds vaker beschouwen als mensen uit een andere wereld. En strikt genomen is dat ook zo.
Wij wandelen als vrije mensen door de wereld, op weg naar een heerlijke samenleving.

En ook voor ons geldt dat moedgevende woord uit Jesaja 40: “…maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen, zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden, zij zullen snel lopen en niet afgemat worden, zij zullen lopen en niet moe worden”[5].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] “Kruis weg, Xi Jinping in de plaats”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 15 november 2017, p. 1.
[3] Hebreeën 13:11-14.
[4] 1 Petrus 1:17, 18 en 19.
[5] Jesaja 40:31.

17 november 2016

Diverse werelden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Kerkmensen zijn burgers van twee of meer werelden[1].
Dat levert geregeld botsingen op.
Het leven moet een eenheid zijn, proclameren wij in de kerk. Maar dat is heus zo simpel niet.

Op het kerkplein liggen de meningen soms ver uit elkaar.
Denkt u alleen maar aan de sterk verschillende meningen omtrent de ‘vrouw in het ambt’. Men zegt dat Gods Woord de waarheid is. Maar die wordt wel heel verschillend uitgewerkt. De één zegt dat de vrouw in het ambt een aanpassing aan de Westerse cultuur betreft. De ander poneert met een even grote stelligheid dat dat beslist niet het geval is[2].
Het leven op het kerkplein bestaat soms al uit twee werelden. En wanneer gelovigen het kerkplein verlaten, komen er zomaar nog een paar bij.

De kern van de kwestie is actueel voor ons allemaal.
Die bestaat al sinds Genesis 3. U weet wel: “Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad”[3].
We weten allemaal hoe dat verder gaat. De vrouw eet. En de man eet ook. Vanaf dat moment zijn “zowel het denken als het geweten besmet”. Herkent u de uitdrukking uit Titus 1[4]?
We weten ook van de Goddelijke genade.
“En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij?”[5].

Daar hebben we de stand van zaken in deze wereld in volle omvang vóór ons: een mens wenst zichzelf een eigen identiteit aan te meten.
Maar de Here God komt naar Zijn kinderen toe om hen opnieuw naar Zich toe te trekken. Die reddingsactie is even teder als machtig.

De reactie van de mens is tekenend: “Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij”[6]. De mens spreekt in het enkelvoud. De mens is niet meer één met zijn vrouw. Hij heeft zich van God verwijderd. En dan komt zijn eigen ego in het middelpunt te staan.

Maar zie! Dat is het einde niet.
Want er staat meer in Genesis 3. Ik citeer opnieuw: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen”[7].
Er komen, om zo te zeggen, inderdaad meerdere werelden. Heel de schepping raakt verdeeld en verscheurd. Er ontstaan twee kampen.
En daar komt wel een einde aan.
Want de Here gaat de werkelijkheid vernieuwen.
Hij garandeert dat er uiteindelijk maar één wereld overblijft. Dat is het Koninkrijk waarin Hij alles zal zijn in allen. Hijzelf zal zorgen dat er toekomst is.

Alle kinderen van God zien in hun eigen leven, en voorts in de wereld om hen heen, de strijd tussen God en Satan.
Jongeren moeten maar niet denken dat hun problemen zo uniek en bijzonder zijn. Uiteindelijk moeten alle mensen die God heeft uitverkoren zich buigen over vraagstukken van dezelfde soort.

Grootvaders en grootmoeders, vaders en moeders, kinderen en kleinkinderen: met elkaar moeten zij de Heilige Schrift lezen. En zij moeten eenvoudigweg doen wat de Here gebiedt.
Samen moeten zij, om het eens zo te zeggen, steeds beter leren om in één wereld te leven.

Het is duidelijk: wij moeten ons vaderland elders zoeken. In de hemel namelijk. Ik weet het wel: dat valt nog niet mee. Maar ik weet ook dat ons loon groot zal zijn.
Laten we maar aan elkaar laten zien wat het betekent om te wandelen met God. Laten we aan den volke tonen hoe wij, Anno Domini 2016, simpelweg gehoorzaam doen wat Hij zegt. En ja – de cultuur in de wereld is dan niet meer zo belangrijk voor ons.

Als wij op die manier leven mogen we elkaar Paulus’ woorden uit Romeinen 16 in herinnering brengen: “De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u!”[8].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 16 november 2007.
[2] In dit verband wijs ik hier slechts op een bericht en een achtergrond-interview  in het Nederlands Dagblad van 1 november 2016:  “Rapport: ambt moet open voor vrouwen in GKv” (pagina 2); “God roept mannen en vrouwen” (pagina 7).
[3] Genesis 3:2-5.
[4] Titus 1:15.
[5] Genesis 3:9.
[6] Genesis 3:10.
[7] Genesis 3:15.
[8] Romeinen 16:20.

14 juni 2016

Op de tast

Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus is de tweede Zondag over het gebed.
Eén van de dingen die wij in die Zondag leren, is dat wij over Gods hemelse majesteit niet aards moeten denken.
U kent de formulering van de Catechismus ongetwijfeld: Christus leert ons “over de hemelse majesteit van God niet aards te denken, en van zijn almacht alles te verwachten wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben”[1].

Eén van de verwijsteksten onder antwoord 121 staat in Handelingen 17.
Het zijn deze woorden: “De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons”[2].

De Here woont in een woning die niet met mensenhanden gemaakt is.
Hij is almachtig; derhalve hoeft Hij geen mensen in dienst te hebben.
Hij was er vanaf de schepping van hemel en aarde bij. Als geen ander weet Hij dat alle mensen uiteindelijk zijn voortgekomen uit één mens: Adam. Eentje maar. Het bestaan van heel die wereldbevolking is bij Adam begonnen.
De oppermachtige God bepaalt wie waar woont, en waarom.
En waarom doet Hij dat zo? Opdat zij op zoek gaan naar God. Al tastende. Want door de zonde zijn ze er eigenlijk blind voor.
Ziet u hoe slechtziend wij eigenlijk zijn? God is notabene vlakbij!

Een treffende typering van de mens-zonder-God vinden wij in Romeinen 1: “…hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.
Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen”[3].
Dat is de situatie als God er niets aan doet!

Al tastende…
Zo beweegt u zich voort als uw gezichtsvermogen minder wordt.
Blindheid zorgt voor een zeker isolement. Gaandeweg wordt ‘zoeken’ een centraal begrip in uw leven.
Maar het staat er toch zo: “opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons”.
Mensen zijn nietig. Zij zijn klein.
Wij zijn schepselen met relatief veel mogelijkheden. Maar wij zijn op geen enkele manier met God te vergelijken.
Desalniettemin buigt die buitengewoon machtige God zich naar mensen – stipjes op de wereld, stofjes op de aarde – over. Wat een genade!

Paulus spreekt op de Areopagus.
Dat “is een 115 meter hoge heuvel ten noordwesten van de Akropolis. De gelijknamige hoogste rechtbank van het oude Athene was er gevestigd. Deze rechterlijke instelling deed dienst als een ‘raad van toezicht’ en moest waken over het correct verlopen van wetten en handelingen”[4].
Daar, op die plek waar – om zo te zeggen – de welvoeglijkheid en rechtschapenheid streng worden bewaakt, verkondigt de apostel de onbekende god: “…toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u”[5].

Laten wij er op letten dat Paulus in Handelingen 17 aansluit bij de cultuur van die tijd.
Want de Stoïcijnen leerden “dat er een oneindig onderscheid was tussen het hoogste Wezen en de mens en dat de godheid derhalve niet in door mensen gemaakte tempels woonde”[6]. Over de stoïsche filosofie las ik in een internetencyclopedie: “De stoïsche filosofie presenteert zichzelf als de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken. Alles wat gebeurt in de wereld is volgens de Stoa van tevoren onverbiddelijk bepaald, maar de vrijheid en autonomie van de mens zit hem erin dat hij vrij is in zijn reactie hierop. Deze reactie is bepalend voor het menselijk geluk. Inzicht in de noodzakelijkheid van alles, inzicht dat dit zo goed is, enerzijds; anderzijds het inzicht dat hetgeen men gewoonlijk als persoonlijke rampen ziet, ons niet echt raakt, als we maar goed onderscheiden wat er echt aan de hand is.
Er zit evenwel ook een moreel aspect aan vast. Een stoïcijn wordt geacht ook zijn sociale plichten te vervullen. Dit wordt gezien als een natuurlijk bestanddeel van het leven in de menselijke gemeenschap. Want ook het leven in overeenstemming met de natuur wordt als doel geformuleerd door de Stoa”[7].
Paulus zegt in Handelingen 17: ‘U hebt uw leven op orde. U kunt heel veel aan. U kunt alles beredeneren. Maar let er op: God is eindeloos veel groter dan uw stoïcijns gefilosofeer’.

Paulus leert ons dat wij in ons gebed en in het christelijk handelen gerust mogen aansluiten bij cultuur. Maar wij mogen niet assimileren met de cultuur van onze tijd. Als de aanpassing aan de cultuur zo ver gaat dat aan Gods Woord tekort wordt gedaan, is dat uit den boze!

De Verbondsgod leert ons om van Zijn almacht alles te verwachten wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben.
We leven in de eenentwintigste eeuw.
Mensen zijn intelligent. Zelfredzaamheid is in onze eeuw een groot goed.
Toch gaat er vaak van alles mis. Allerlei zaken – op kleine en op grote schaal – zijn niet goed georganiseerd. Er is misdaad. En ja, soms is er ook sprake regelrechte corruptie.
Ach, u kent dit soort krantenkoppen wel:
“Hulpaanbod tieners niet op orde”[8].
“Mate van geweld in azc blijft onbekend”[9].
“Zorgen over Soedanese ‘uitzetting’ Nederlandse VN-hulpverlener”[10].
“Spoedeisende hulp overvol met kwetsbare ouderen”[11].
Zeker, er is soms ook goed nieuws. Maar het is leven is verre van volmaakt. Ons gebed is hard nodig, ook vandaag!

Tenslotte – laten wij, in verband met Zondag 46, tenminste vier dingen vasthouden:
1.
De grote God geeft ons de gave van het gebed.
2.
Die gave komt voort uit zijn genade
3.
Die gave gebruiken we, als het goed is, in de gewone gang van alledag.
4.
Mensen die op de tast zoeken, zijn van harte welkom bij God!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 46, antwoord 121.
[2] Handelingen 17:24-27.
[3] Romeinen 1:21-25.
[4] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Areopaag ; geraadpleegd op zaterdag 4 juni 2016.
[5] Handelingen 17:23.
[6] Zie de webversie van de Studiebijbel, commentaar bij Handelingen 17:24.
[7] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Stoa ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2016.
[8] Nederlands Dagblad, maandag 30 mei 2016, p. 1.
[9] Reformatorisch Dagblad, zaterdag 28 mei 2016, p. 4.
[10] Mail-nieuwsbrief van de Volkskrant, zaterdag 28 mei 2016.
[11] Trouw.nl, maandag 23 mei 2016.

23 juni 2015

Cultuuropdracht

Zondag 50: in de Heidelbergse Catechismus is dat de zondagsafdeling die handelt over ons dagelijks brood. “Dat wil zeggen: Wil ons zó verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben, dat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong van al het goede bent en dat onze zorg en inspanning en ook uw gaven ons niet baten zonder uw zegen. Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen”[1].

Waar gaat het uiteindelijk om?
Antwoord: alles draait om onze cultuuropdracht.
Die opdracht vervullen kinderen van God in heel hun leven.
Die opdracht wordt uitgevoerd door de beroepsbevolking. Maar ook door mensen die, om wat voor reden dan ook, buiten het arbeidsproces staan.

Eertijds schreef een Gereformeerde journalist over de situatie van zulke mensen het volgende.
“We zijn dan onze regelmatige arbeid kwijt, onze arbeid als broodwinning. Dat is een zware zaak. Maar het gebod om te arbeiden bleef en we werden geroepen te doen wat onze hand vond om te doen. Geen loonarbeid, helaas, helaas! Maar we hebben ook daarin God te erkennen. Maar het gebod bleef en wie dat vasthoudt ziet ook altijd arbeid. En die kan er zelfs nog voor danken. Voor zijn of haar werkwereld.
Dat geldt eveneens voor de zieken en de bejaarden. Geen loonarbeid meer, maar arbeid was er wel, arbeid aangepast aan de eigen omstandigheden. Ook daarin hebben we God, de Vader, te erkennen. En dan valt er ook nog veel te danken voor de vruchten van de arbeid. Vruchten van de eigen, in het verleden gedane arbeid, of vruchten van de arbeid van anderen. Want de HEERE heeft ons niet alleen gesteld, doch in allerlei verbanden. Het arbeidsgebod heeft betrekking op heel de mensheid. En daarom mogen we tevens profiteren van de resultaten van die gezamenlijk verrichte arbeid. En we kunnen temeer danken wanneer we ook nog mogen genieten van de arbeid verricht in de gemeenschap der heiligen.
Wat valt er veel te danken! Veel meer dan in een lied kan worden uitgezegd. Veel meer dan we zelf wel opmerken of kunnen bevroeden.
Als we de HEERE maar zien en als we Jezus Christus, die het alles verworven heeft, maar zien. Dan zeggen we:
“…de HEER gaf rijke juichensstof,
om Zijne wonderen en Zijn lof,
met hart en mond te melden”.
In de vruchten op de arbeid èn in de arbeid zelf gaat het uiteindelijk om de heiliging van Gods Naam. Ons brood èn ons werk zijn geheiligd door Jezus Christus. Daar gaan we voor danken, voor die weldaden van het verbond. En daarom doen we het ook samen in de kerk.
Ik zal Uw Naam, met dankerkentenis,
verheffen, U al mijn geloften brengen;
‘k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,
in ’t heiligdom, waar ’t volk vergaderd is”[2].

Rijke juichensstof!
Het citaat waar dat woord in staat komt uit Psalm 68 in de berijming uit 1773; u kunt de woorden in vers 5 vinden.
Dankerkentenis!
Dat oude woord staat in Psalm 116 in de berijming uit 1773; het staat in vers 10.
Toegegeven – anno Domini 2015 zeggen we dat niet meer zo.
Maar die Gereformeerde journalist brengt ons wel op een hoog niveau[3]. Het gewenste, het vereiste niveau. Hij bepaalt ons bij de cultuuropdracht. Bij ons cultuurmandaat.

Even voor de goede orde: het gaat hier niet om een opdracht voor het vak cultuur op de middelbare school.
Nee, de Schriftuurlijke cultuuropdracht voert ons terug naar Genesis 1: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt”[4].
Iemand omschreef de cultuuropdracht eens zo: “God geeft de burgers – zowel ieder persoonlijk als allen samen – de taak het land in alle samenlevingsverbanden als goede rentmeesters verantwoord te beheren en zinvol te ontwikkelen. Zo levert zij tevens een bijdrage aan de harmonische ontplooiing van de gehele aarde”.

Hoe kunnen we de cultuuropdracht aanschouwelijk maken?
Denkt u maar even een meubelmaker die een kast wil bouwen. De meubelmaker weet wat hij maken wil. Welke hindernissen de meubelmaker ook tegenkomt, die kast moet en zal er komen!
In de Bijbel staat, om zo te zeggen, de opdracht en de werktekening. Gods kinderen gaan gewillig en blijmoedig bouwen.
Natuurlijk zou die meubelmaker totaal verrast wezen als die kast op een mooie dag voor hem gereed zou staan. Stel u voor: als die meubelmaker heel kritisch kijkt, ziet hij dat de kast precies zo is geworden als hij in zijn hoofd had. Tot in detail! Werkelijk prachtig!
Welnu, zoiets gaan Gods kinderen echt beleven.
Want er komt een dag dat datgene waar we zo ijverig aan bouwen, van bovenaf gegeven wordt. De Here schenkt ons de vervolmaking van onze cultuuropdracht. En wat wij dan zien, is in alles herkenbaar. We herkennen het werkplan dat in de Heilige Schrift staat, tot in detail[5]!

Als we dit alles tot ons door laten dringen, beseffen we al snel hoe ver de mensheid is weggezakt als het over de cultuuropdracht gaat.

Nee, het is niet zo moeilijk om een ver-van-ons-bed-verhaal te houden over slechte werkomstandigheden. Denkt u maar aan de bouw van voetbalstadions in Qatar. Denkt u ook maar aan de kledingindustrie en in het bijzonder aan de kledingfabrieken in Bangladesh.

Maar er is meer.
Denkt u maar aan het thema ‘pesten op de werkvloer’.
Wat?
In onze Westerse beschaving?
In Nederland?
Jazeker.
Zo’n drie weken geleden stond op de voorpagina van het Nederlands Dagblad het volgende bericht.
“Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) lanceert vandaag een campagne tegen pesten op het werk.
Honderdduizenden werknemers worden dagelijks gepest op hun werk, en kleine pesterijen kunnen voor een werknemer grote gevolgen hebben, aldus het ministerie van Sociale Zaken. Zeven miljoen collega’s hebben elke dag de kans om pesten op de werkvloer te stoppen, is de gedachte achter de campagne.
Onderdeel van de campagne is de website herkenpesten.nl. Daar kunnen werknemers en werkgevers informatie vinden over het herkennen en stoppen van pesten. Verder worden zij via radiospotjes opgeroepen pesten op het werk tegen te gaan”[6].
Laten we niet te makkelijk denken dat Nederland een beschaafde natie is, waar deze dingen wel in orde zullen wezen. De zonde is in mensenlevens diep geworteld!

Gereformeerde mensen moeten daar rekening mee houden.
Altijd weer moeten zij zichzelf laten corrigeren door het Woord van God.
Elke dag moeten zij bij de Here schuld belijden. Zij moeten zich naar God toe keren, en Hem vergeving vragen van hun zonden.
Door Zijn werk is onze arbeid nooit tevergeefs!

Geef ons heden ons dagelijks brood – dat is geen bede vanuit het moeras van de wanhoop.
Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 15: “Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here”[7].
En in Openbaring 14 leren wij: “Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”[8].

Geef ons heden ons dagelijks brood – dat is de bede van de dag. En in die bede trilt de hoop op een heerlijke toekomst mee.
Wij moeten ons maar niet op de kast laten jagen.
We mogen weten dat het werkplan van de cultuuropdracht, zoals onze Here dat in de Heilige Schrift liet optekenen, tot in detail wordt uitgevoerd!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 50, antwoord 125.
[2] “Danken voor gaven èn arbeid”. In: Nederlands Dagblad: gereformeerd gezinsblad, woensdag 1 november 1972, p. 1. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[3] Het artikel is ondertekend met een initiaal: B. Waarschijnlijk betreft het de eertijds in Gereformeerd Nederland bekende journalist A.A. Basoski. Hij was vanaf 15 december 1950 redacteur bij het ND. Zijn taak bij de krant lag met name bij het kerknieuws. Na zijn pensionering verzorgde hij nog tot eind 1990 de ziekenrubriek bij het dagblad. Arend Abraham Basoski leefde van 1914 tot 1995.
[4] Genesis 1:28.
[5] Het beeld van de verraste meubelmaker ontleen ik aan: H.F. Massink, “Het GPV en het cultuurmandaat”. In: Zicht – kwartaalblad van het wetenschappelijk instituut van de SGP -, 1 april 1995, p. 28-36. De omschrijving van de cultuuropdracht is uit hetzelfde artikel afkomstig. Het artikel is ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] “Campagne van Asscher tegen pesten”. In: Nederlands Dagblad, maandag 1 juni 2015, p. 1.
[7] 1 Corinthiërs 15:57 en 58.
[8] Openbaring 14:13.

3 november 2014

Houdbaarheidsdatum onnodig

Dit stukje is voor een groot deel gevuld met lof op God. Het is tevens een artikel dat veel hoop bevat.
Maar dit stukje is tevens antithetisch. Ja, dat ook.

Bij dit alles ga ik uit van het derde vers van 1 Petrus 1: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop”.

God en Vader staat er.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we: “De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen”. Zeker: de Vader is samen met de Zoon en de Heilige Geest onze God. Die drie Personen kunnen we nooit scheiden[1].
Maar Petrus bindt ons hier op het hart: Vader moet worden geëerd. Hij is onze Schepper. Hij heeft ons onze taak gegeven.
Hij zorgt voor ons.
Hij regeert ons.
In de belijdenis staat: “Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen”[2].
Alles begint bij Vader!

In 1 Petrus 1 gaat het ook over barmhartigheid.
Dat is een verbondswoord. Zijn barmhartigheid is er voor allen die Hem als Verlosser eerbiedigen. Die verlossing is door Jezus Christus bewerkt. Zijn reddingswerk is volbracht. Ons leven houdt daarom nooit meer op. Met God gaan wij de eeuwigheid in. Er komt een toekomst vol heil en vrede aan!

Dat is een levende hoop.
Het woord ‘levend’ betekent: we gaan samen met de levende God op weg. En het betekent ook: we blijven leven, tot in de eeuwigheid!

Vader zorgt voor een nieuw begin.
En voor een toekomst die nimmer eindigen zal.

Dat magnifieke Evangelie moet worden verkondigd.
Dat troostvolle geloof mag worden uitgedragen.

Dat alles staat tegenover de toestand van de huidige maatschappij.
Dat zal hieronder blijken.

Onlangs verscheen een boek over de cabaretier Freek de Jonge.
In dat boek wordt, vanuit het levensverhaal van voornoemde kleinkunstenaar, de samenleving gekarakteriseerd[3].
Het idee van Freek was: alle beperkingen de wereld uit. Maar “alle subtiliteit, alle suggestie, alle liefde, alle haat, alle humor bestaat bij de gratie van het taboe. Het taboe is de grondslag van de beschaving”.
De grenzeloze vrijheid van Freek heeft geen vrede gebracht. Een gezamenlijk verhaal hebben wij niet meer. Vaststaande normen en waarden zijn er nauwelijks meer.

De mensen zijn individualistisch geworden.
Maar de zonde is daarvan niet de oorzaak. Zegt Freek. “De gelovige moest niet langer gehoorzaam het door de kerkelijke autoriteiten gewezen pad volgen, maar een persoonlijke band met God ontwikkelen en handelen naar zijn eigen overtuiging en geweten”. Die persoonlijke band werkt, meent De Jonge, individualisme in de hand.

Bij die laatste waarneming maak ik meteen een korte notitie.
Het is deze: als het bovenstaande waar is heeft de kerk nog wel heel veel invloed in de wereld. De hele wereld is immers egocentrisch geworden?… Zouden Freek, en de schrijver van dat boek, dit echt geloven? Ik had hen toch een stukje wijzer ingeschat!

De basis van de vroegere geloofsgemeenschap is weggevallen.
Wat is het nieuwe fundament van de maatschappij?
Daar heeft Freek wel een antwoord op. Er is een aanvaardbaar alternatief: de kunst. Nu de religie afsterft, moet de cultuur het overnemen.
Een recensente schreef terecht: “De seculiere samenleving leeft als het ware op het geleende kapitaal van het christendom. Misschien één generatie, misschien iets langer, misschien zelfs wel een eeuw. Maar hoe kan een cultuur definitief overleven als het hart eruit is? Als alleen de vorm waardevol wordt geacht, zonder dat die gedragen wordt door een waarachtige overtuiging, een heldere definitie van goed en kwaad, van waarheid en leugen?”[4].

Wat is de grondslag van werkelijke beschaving? Wat is het fundament van beschaving die het predicaat ‘duurzaam’ verdient?
Dat is, als u het mij vraagt, het werk van onze Heiland. Van de Here Jezus Christus dus.
De hemelse God gaf eeuwen geleden Zijn wetten en voorschriften aan het volk Israël. Gods Zoon vervulde die wetten. Nu fungeren de Tien Geboden als regel, als richtlijn voor onze dankbaarheid. De Tien Geboden houden ons voortdurend een spiegel voor. Leven wij nog naar de regels van Gods verbond?
Als wij eerlijk naar onszelf kijken, ontdekken wij hoezeer we tekort schieten. Onze lof aan God is nooit perfect. Ons leven als christen vertoont steeds weer nieuwe deukjes en krassen. Maar hier geldt de zekerheid van de tweeëndertigste Psalm:
“Mijn zonde maakte ik U bekend,
en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet;
ik zeide: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonden”[5].
Die vergeving kan plaatsvinden door het werk van Jezus Christus. In zijn lijden en sterven heeft Hij laten zien hoe barmhartig Hij is. Hij heeft de schuld voor onze betaald. Door Zijn opstanding werd het volstrekt duidelijk gedemonstreerd: de dood is overwonnen. Mét die demonstratie liet de Here ook zien: alle gevolgen van de zonde gaan de wereld uit! Daarom is de toekomst gegarandeerd. De toekomst ligt voor ons open.
Nieuwe mensen zijn, om zo te zeggen, evenzoveel monumenten van hoop.
Het is klinkklare onzin dat het taboe de grondslag van de beschaving is. De wereld wordt er heus niet mooier op als je nergens over praat. Mensen met een keurige buitenkant lijken wel netjes, maar ze zijn het niet. Dat komt omdat de zonde in onze harten zit.
Wie zich bekeert tot Jezus Christus, en vergeving voor zijn zonden vraagt, die weet: nu komt de beschaving echt mijn leven binnen!

Ware gelovigen hebben een persoonlijke band met God.
Dat is zeker waar.
Worden die ware gelovigen daar individualistisch van?
Ik zou toch denken van niet. Het eerste gebod luidt: u moet God liefhebben. Maar het tweede gebod is: uw naasten liefhebben. En dat tweede gebod is net zo belangrijk als het eerste.
Natuurlijk wordt dat tweede gebod massaal overtreden. De zonde heeft in heel veel mensenlevens nog heel veel te zeggen. Daar zit het probleem.
Hoe dan ook: het is een fabeltje dat gelovigen individualistisch zijn. Alle mensen zijn van nature egocentrisch. Echter: de wet van God brengt een structurele correctie aan in het leven van Zijn kinderen.
Wil Freek de Jonge beweren dat mensen buiten de kerk socialer zijn dan kerkgangers? Die stelling lijkt mij onhoudbaar. Totaal onhoudbaar.

Gaat de kunst redding brengen?
Zeker niet.
Want kunst is mensenwerk.
En met mensenwerk wordt de wereld niet gered. Nooit.

De domineeszoon Freek de Jonge kijkt kritisch naar de wereld.
Dat is een goede zaak.
Maar zolang hij alleen maar fronsend naar de wereld kijkt, zit het perspectief dicht.

Wie op Jezus Christus ziet heeft een eeuwig leven dat vol hemels geluk en heerlijke vrede is. Dat gaat veel verder dan een beetje cabaret.
De lof op God is eeuwig houdbaar. In die lof is de vermelding van een houdbaarheidsdatum niet nodig.

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 12.
[3] De gegevens van dit boek zijn: Rob Hartmans, “Freek. De cultuurkritiek van een komiek”. – Amsterdam: Uitgeverij Ambo/Anthos, 2014. – 216 p.
[4] Enny de Bruijn, “Prediker zonder kerk”. In: katern PuntKomma (bijlage bij het Reformatorisch Dagblad), zaterdag 11 oktober 2014, p. 9. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[5] Psalm 32:5 (onberijmd).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.