gereformeerd leven in nederland

12 april 2022

Paasprofeet Daniël

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Het verhaal over Daniël die in de leeuwenkuil geworpen wordt kennen velen.
Koning Darius wordt, onder sterke druk van zijn medebestuurders, ertoe gedrongen een gebod uit te vaardigen dat alleen hij een maand lang aanbeden mag worden. Wie dat niet doet, zal in de leeuwenkuil geworpen worden. De bestuurders gaan ervan uit dat Daniël dat gebod zal overtreden. En dat gebeurt ook. Daniël blijft trouw aan God. Hij blijft bidden. En hij maakt er geen geheim van dat hij dat doet. Zo komt Daniël in de leeuwenkuil terecht.

Ten diepste zien wij in dit hoofdstuk een strijd tussen de satan en onze God. En het wordt duidelijk: de God van hemel en aarde staat op winst. Daniël meldt het vanuit de kuil: “O koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft Zijn engel gezonden en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden. Ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan”.
De koning is enorm blij dat Daniël nog leeft.
Het slot van het hoofdstuk spreekt van Goddelijke triomf: “Vervolgens beval de koning en men haalde die mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen. Toen schreef koning Darius aan alle volken, natiën en talen die op heel de aarde woonden: Moge uw vrede toenemen! Er wordt door mij bevel gegeven dat men in heel het machtsgebied van mijn koninkrijk zal beven en sidderen voor het aangezicht van de God van Daniël, want Hij is de levende God, en houdt voor eeuwig stand. Zijn Koninkrijk gaat niet te gronde, en Zijn heerschappij duurt tot het einde. Hij verlost en redt, Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde, Hij, Die Daniël heeft verlost uit de klauwen van de leeuwen”.
Dus: de beschuldigers worden gestraft. En Darius looft de reddende kracht van God[1].

Belangrijke leiders in de wereld namen aan Daniël een voorbeeld.
Mathatma Ghandi (1869-1948), nationaal en spiritueel leider van India, was een verklaard voorstander van geweldloos verzet. Daniëls manier van doen sprak Ghandi aan: “Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan”. Zo moet men onrecht aan de kaak stellen, zei Ghandi.
Dominee Martin Luther King (1929-1968), prominent lid van de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging, vond in Daniël “een voorbeeld van persoonlijk geloof en verzet tegen onrechtvaardige wetten, politieke onderdrukking en sociale uitbuiting. Daniël weigert zich te conformeren aan de wetten van de koning of het politieke systeem. Ook is hij bereid de consequenties daarvan, het lijden, te aanvaarden”. Zo wordt, zei de activistische predikant, de onrechtvaardigheid ontmaskerd.
Nodigt Daniël 6 ons uit tot pacifisme? Nee, dat niet. Het gaat in dit hoofdstuk niet over wapens die al dan niet worden neergelegd. Wel leren we dat wij niet klaar zijn als er vrede met de wereld is. Hier draait het om vrede met God. Hier draait het om ons vertrouwen dat de Koning van de kosmos de wantoestanden op aarde rechtzet. Moeten wij dan maar in een hoekje zitten om te kijken hoe het afloopt als de Heer van hemel en aarde ingrijpt? Nee. Maar we moeten ons wel realiseren dat wij instrumentarium in Zijn hand zijn[2].

De geschiedenis van Daniël laat ons zien welke Goddelijke krachten er loskomen als er vrede met God is.
Vrede met God – hoe krijgen we die? Antwoord: door ons eensgezind rond Jezus Christus te groeperen en met Hem te leven. Samen mogen en moeten wij Hem loven en prijzen. Iedereen die aan dat loven en prijzen mee wil doen, is in de kerk welkom. Sterker: ieder die dat wil behoort zo snel mogelijk naar de kerk toe te komen. Zo zit in Daniël 6 ook een oproep tot eenheid van allen die bij Hem horen!
Waarom loven we onze Redder? Daarop kunnen we antwoorden: Hij maakt de beloften waar die in oude tijden aan Zijn volk gedaan zijn.
Gods volk woont in heel de wereld. Het is niet maar een kwestie van de Israëlieten van vroeger of bijvoorbeeld de Israëliers van de eenentwintigste eeuw. Dat is al heel vroeg in de geschiedenis volkomen helder. Mozes zingt in Deuteronomium 32:
“Juich, heidenen, met Zijn volk!
Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.
Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,
en Zijn land en Zijn volk verzoenen!”.
David zingt er ook in Psalm 18 over:
“Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid”.
Ook Psalm 117 wil ons duidelijk maken dat Gods heilige greep wereldomvattend is:
“Loof de HEERE, alle heidenvolken;
prijs Hem, alle natiën.
Want Zijn goedertierenheid is machtig over ons;
de trouw van de HEERE is voor eeuwig.
Halleluja!”.
De profeet Jesaja zegt in hoofdstuk 11: “Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn, Die zal staan als banier voor de volken. Naar Hém zullen de heidenvolken vragen. Zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.
Kleine Gereformeerde kerken in Nederland maken deel uit van Gods wereldwijde werk![3]

Er is vrede met God.
Niet vanwege het werk van Daniël.
Maar in zijn werk zien we wel de schaduw van Christus’ werk.
Daniël heeft te maken met een wet van Darius. Die Darius is teleurgesteld en ietwat verdrietig omdat hij, om zo te zeggen, in zijn eigen net gevangen is.
Jezus Christus staat tegenover Pilatus. Laatstgenoemde wringt zich in allerlei bochten om Jezus van rechtsvervolging te ontslaan. Maar dat lukt hem niet. Uiteindelijk veroordeelt de stadhouder tot de kruisdood.
Daniël brengt de nacht door in een leeuwenkuil.
Het graf van Jezus Christus wordt verzegeld.
Maar er is tenminste één groot verschil.
Daniël komt ongeschonden uit de leeuwenkuil. Maar onze Heiland komt er niet zonder kleerscheuren van af. De leeuwen hebben Jezus niet verslonden. Er is wat ànders gebeurd! Om met 1 Corinthiërs 15 te spreken: “En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus”.
Wie de geschiedenis van Daniël leest, schakelt zonder moeite door naar Pasen![4][5]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Daniël 6:22 b,23 en Daniël 6:25-28.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Daniël 6:11. Verder citeer ik van https://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/192821-het-verhaal-van-daniel-in-de-leeuwenkuil-en-zijn-betekenis.html Verder gebruik ik https://nl.wikipedia.org/wiki/Mahatma_Gandhi en https://nl.wikipedia.org/wiki/Martin_Luther_King . Deze websites zijn geraadpleegd op maandag 11 april 2022.
[3] In deze alinea citeer ik Deuteronomium 32:43, Psalm 18:49-51, Psalm 117, Jesaja 11:10.
[4] In deze alinea citeer ik 1 Corinthiërs 15:54-57. Verder gebruik ik https://www.hervormdbrandwijk.nl/meditaties/uit-de-leeuwenkuil-ontkomen-daniel-617-25/ ; geraadpleegd op maandag 11 april 2022.
[5] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdag, 14 april 2022, een bespreking wijdt aan Daniël 6. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.

7 april 2022

Climax in Verbondsverkeer

Het eindgericht is een gebeurtenis die ons troosten kan. Niet zelden zijn we er, diep in ons hart, een beetje bang voor. Zouden we er wel dóórkomen?
Maar er is hoop.
Dat wordt – bijvoorbeeld – duidelijk in Jesaja 66.
Het gaat daar over het laatste oordeel. Maar ook over de tijd daarvóór.
Het gaat onder meer over Israëlieten die terug zullen keren uit de ballingschap.
De beelden lopen wat door elkaar.
De tijd waarin deze profetie gesproken werd moet voor Jesaja en zijn luisteraars nogal verwarrend zijn geweest. Gereformeerden van 2022 roepen weleens dat ze in moeilijke tijden leven. Dat moge zo zijn, maar in Jesaja’s tijd was het allemaal óók niet gemakkelijk.
Hoe dat zij – laten we het goed voor ogen hebben: Jesaja geeft troostrijke woorden van de Here door.
En het wordt volstrekt helder: de Verbondsgod kijkt dwars door de tijd heen. Ja, Zijn blik gaat over tijdperken heen.

Welnu – als de Here dwars door de tijd heen kijkt, dan ziet Hij ons nu ook. En ook vandaag wil Hij dichtbij ons zijn.
Hij wil in ons hart wonen.
En wij mogen in het gebed tot Hem naderen.
Tot Hem naderen: dat is een wat ouderwetse, een wat statige uitdrukking. Maar het gaat dan ook om de heilige God.

Tot Hem naderen: dat doen wij in ons gebed. We zonderen ons van de wereld af en concentreren ons op Hem.
In onze eeuw is men in staat om zelfs over dat gebéd nog ruzie te maken.
Ooit – het was ergens in 2006 – kwam in het nieuws: “In de gemeenteraad van Dirksland is een rel ontstaan over het ambtsgebed. Het nieuwe PvdA-raadslid Henk Huber weigert deel te nemen aan het gebed, dat de burgemeester voor en na elke raadsvergadering uitspreekt. Als het aan Huber ligt, belandt die traditie nog vandaag in de prullenbak. Partijen als SGP en ChristenUnie in de Flakkeese gemeente zijn boos en verwijten de PvdA’er ‘onbeschoft en disrespectvol’ gedrag”.
In een dergelijke situatie is het maar beter niet in het openbaar te bidden.
Want wie in het gebed tot Hem naderen wil, moet dat vooral eerbiedig doen. Iedereen mag bij de Here komen. Maar als dat gaat geschieden in een sfeer van ‘ze bidden hier, en ik ben er toevallig ook bij’ – dan is er weinig begrip van de ‘entourage’ van een gebed.
Wat is die ‘entourage’? Bidden staat gelijk aan het betreden van de troonzaal. We komen binnen in de ruimte waar de Koning zetelt. Daar horen geen lange gezichten bij. Daar is tegenzin misplaatst, en narrig gedrag uit den boze. Dat komt – letterlijk! – bij de duivel vandaan.

Wij moeten Hem, zoals dat in de Heidelbergse Catechismus heet, “van harte aanroepen”.
En als we gaan bidden, kan dat niet anders dan in het besef dat wij kleine en onmachtige mensen zijn die alles van God moeten krijgen. Van onszelf maken wij er helemaal niets van.
Als we met zo’n houding bidden, dan wordt ons gebed verhoord[1].

Waarom weten we dat zo zeker?
Omdat we dat in de Bijbel lezen.
Denkt u maar eens aan Daniël.
Hij kwam niet bij God omdat hij zo’n nette en integere functionaris was. Hij kwam bij Hem omdat Hij een instrument was in Gods hand.
Daniël naderde tot God met een beroep op Zijn barmhartigheid. Leest u maar mee: “Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw dienaar en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is. Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen”.

Als wij bidden doen wij een beroep op Gods genade.
Dat hebben we niet zelf georganiseerd.
Nee, het is het gevolg van Gods keuze.
Het is een gevolg van de uitverkiezing: het feit dat we uitgekozen zijn om een Goddelijke opdracht uit te voeren, een dienstorder van hemels niveau.
En voor al die geloofsactiviteit krijgen wij alles wat we nodig hebben[2].

Laten wij elkaar in dit verband wijzen op Johannes 15: “Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”. De dingen die we krijgen staan op naam van de Christus. Want Hij heeft ze voor ons betaald. Hij heeft ze, om zo te zeggen, voor ons klaar laten leggen[3].

Maar hebben wij dan zelf niets in te brengen? Hélemaal niets??
Jawel. Toch wel.
De geloofsactiviteiten die we ontplooien zijn geen uitvloeisels van een zakelijke overeenkomst. We werken in liefde.
We hebben, als het goed is, de Here lief. Ons hele leven lang. En Jezus is duidelijk: “Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden”.
En: “Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb”.
Dat is ook Johannes 15!
Bidden: dat doen we ten principale omdat we uitgekozen zijn. En gaandeweg gaat ons bidden met meer Geestdrift gepaard – met een hoofdletter G. Want Gods Geest werkt in ons hart. Bidden – dat zit zogezegd in Gods keuzeprincipe. Het zit ‘m in de uitverkiezing![4].

Nu we dat weer even hebben ‘opgefrist’, weten we ook weer dat Gods kinderen niet bang hoeven te zijn voor het eindgericht. Zij zijn immers door God uitgekozen?
Wij beseffen ook dat wij, als we gaan bidden, dat niet overal en nergens moeten gaan doen. Bidden: dat doen we niet waar Jan Rap en zijn maat bij zit.
Bidden: dat zijn de hoogtepunten in het contact tussen de tronende God en Zijn uitverkoren volk.
Bidden: dat is het culminatiepunt van het Verbondsverkeer![5]

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 45, antwoord 117.
[2] In deze alinea gebruik ik Daniël 9:17-19.
[3] In deze alinea citeer ik Johannes 15:16,17.
[4] In deze alinea gebruik ik Johannes 15:9-12.
[5] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat ik zo’n 16 jaar geleden schreef. Het artikel is gedateerd op donderdag 18 mei 2006.

3 maart 2022

Gewogen en te licht bevonden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De term die boven dit artikel staat kennen wij allemaal. De uitdrukking betekent dat wij niet door de keuring komen. Of ook: wij zijn niet goed genoeg en het gaat niet goed met ons aflopen. De bekende uitdrukking is in oorsprong afkomstig uit Daniël 5. Daar duidt die zegswijze op de straf voor de ontkenning van Gods almacht. In dat hoofdstuk volgt die straf op zelfgenoegzaam zwelgen in menselijke macht.
Als wij Daniël 5 gaan lezen draait het ten diepste om de vraag: wat is onze diepste motivatie in het leven? De vragen zijn: waarom doen wij de dingen die wij doen? en: waarom doen wij de dingen zoals wij ze doen?

Laten wij eerst even kijken naar het grotere geheel van het Bijbelboek Daniël.
”De gebeurtenissen in de voorgaande hoofdstukken van het dit Bijbelboek vonden plaats onder het koningschap van Nebukadnezar. Onder hem groeide het Babylonische rijk en werd het een grote eenheid. Nebukadnezar stierf in het jaar 562 voor Christus na een regering van drieënveertig jaar. De daarop volgende jaren, tot aan de verovering van Babel door Kores in het jaar 539 voor Christus, werd dit rijk gekenmerkt door een steeds groter verval en moord. Nebukadnezar werd opgevolgd door zijn zoon Evil-Merodach (…), die slechts twee jaar regeerde, van 562-560 voor Christus. Aan zijn regering kwam een einde omdat hij werd vermoord door de schoonzoon van Nebukadnezar, Nergal-Sarezer (…). Deze man regeerde vier jaar. Volgens de ongewijde geschiedenis werd hij opgevolgd door zijn zoon die na enkele maanden regering werd vermoord. Nabonidus wordt dan koning over Babel. Hij regeerde zeventien jaar, van 556-539 voor Christus. Belsazar was zijn oudste zoon. Hij was de mederegent van zijn vader. Dat verklaart waarom hij in het eerste vers van Daniël 5 ‘koning’ wordt genoemd en koninklijke autoriteit uitoefent, terwijl Nabonidus de eigenlijke koning is”[1].

Wat gebeurt er in Daniël 5?
Koning Belsazar geniet van zijn grote macht. Er komt een groot feestmaal, voor al zijn machthebbers. De macht stijgt hem naar het hoofd!
Een uitlegger schrijft: “Babel is omsingeld door de legers van de Meden en Perzen die op het punt staan de stad in te nemen. In het zicht van die doodsdreiging organiseert Belsazar een enorm feest. Hij spot met God en met de dood”[2].
Het lijkt wel alsof Belsazar zeggen wil: kom maar óp met die dood; de dood doet mij niks…

In dit hoofdstuk zijn Belsazar en de zijnen druk doende om God uit de wereld te verbannen. De almachtige Heer van hemel en aarde wordt, om zo te zeggen, op een prettige wijze weggeregeld. Daarmee gaat men natuurlijk rechtstreeks tegen Gods gebod in. Denkt u slechts aan Deuteronomium 5: “U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is”.
Die woorden uit Deuteronomium 5 zijn al heel oud. Maar ten principale  wijzen ze op een sfeer die wij in onze maatschappij maar al te goed herkennen.
Een uitlegger beschrijft die als volgt: “Beleef je ideaal! Maak waar wat je wilt en voelt! Je leeft nu. Leef daarom het leven dat je wilt leven. Gebruik daarvoor gerust anderen, al gaan ze er ook aan kapot. Misbruik wat voor anderen dierbaar is, ook al kwets je ze daarmee diep. Het gaat toch om jouw ‘geluk’, jouw ‘recht’ op geluk?”.
De Nederlands Gereformeerde dominee W. Dijksterhuis vatte in een preek over Daniël 5 de sfeer treffend samen: “Koning Belsazar zou goed in onze tijd passen. Hij moet alleen afleren koning te willen zijn, want iedereen is zelf koning in onze tijd, hij moet niets meer van ‘Bel’ [een Babylonische afgod – BdR] verwachten. Want velen zijn hun eigen god in deze tijd. Maar verder past het wel”[3].

In Daniël 5 gebeurt, op de keper beschouwd, iets angstwekkends. Een mysterieuze hand schrijft op één van de wanden. De Chaldeeën en de toekomstvoorspellers worden er bij geroepen. De koning probeert het met de wijzen in zijn land. Misschien kunnen ze nu…  Maar nee, ze kunnen er niks mee.
In wiens opdracht wordt er op de muur geschreven? Antwoord: de Here heeft de dienstorder daarvoor gegeven. Daniël zegt het onomwonden: “U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw paden toebehoren, niet verheerlijkt. Daarom is door Hem het gedeelte van de hand gezonden en dit schrift geschreven”.
Dat is dezelfde God die in Exodus 31 de wet op twee tafelen heeft genoteerd. De Here maakt hier heel direct duidelijk: wie Mijn wet negeert, krijgt met Mij te maken![4]

De koning schrikt. Ook zijn mede-regeerders worden ongerust.
De koning heeft een gedegen kennis van de familiegeschiedenis. Hij weet heel best hoe die historie eruit ziet. En ook hoe diep Nebukadnezar indertijd weggezakt was. Nebukadnezar daalde af tot het niveau van een grazende koe.
Maar nee, de koning roept Daniël er niet uit eigen beweging bij. De koningin wijst hem erop dat hij Daniël er bij kan halen. Dat gebeurt ten langen leste ook. Belsazar wil het duidelijk zonder Daniël doen. En vooral ook: zonder God. Maar dat lukt dus niet.
Laten wij het maar bedenken: zonder God lukt ons ook nooit wat!

Zodoende wordt Daniël ontboden. Koning Belsazar stelt een forse beloning in het vooruitzicht.
“Ik echter heb over u gehoord dat u uitleggingen kunt geven en knopen kunt ontwarren. Nu, als u het schrift kunt lezen en mij de uitleg ervan laat weten, zult u gekleed worden in purper, een gouden keten om uw hals krijgen, en zult u als derde heersen in het koninkrijk”.
Met het einde van Nebukadnezars regeerperiode was Daniël zijn hoge positie ook kwijt geraakt. Wat een beproeving moet dat voor Daniël zijn geweest: Nebukadnezar weg, en hijzelf ook aan de kant gezet… Maar hij kan zijn hoge positie terugkrijgen! Belsazar kan dat wel regelen…
Goddeloosheid, machtswellust, materialisme – die wisselen elkaar in Daniël 5 in rap tempo af.

De  geschiedenis is wel bekend.
Daniël legt uit wat het schrift op de muur beduidt. Belsazar geeft orders om Daniël zijn hoge positie terug te geven.
De verhoging van Daniël is des konings laatste regeringsdaad. De koning is gewogen en te licht bevonden. Hij heeft gefaald!
Meteen daarna overlijdt Belsazar. Wij zien hier een concrete invulling van Spreuken 29:
“Wie na bestraffingen halsstarrig is,
zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn”.
God triomfeert![5]

Wat is een les die wij uit Daniël 5 kunnen trekken?
In april 1995 preekte de Nederlands Gereformeerde predikant W.G. Rietkerk over enkele verzen uit Daniël 5. Hij sprak woorden die het nog altijd waard zijn om er de aandacht op te vestigen.
“God is een God die telt, God is een God die weegt, en God is een God die breekt. Dat is het eerste wat toch uit dit hoofdstuk naar voren springt. Hem ontgaat niets van ons leven, geen dag, geen blik, geen woord, geen daad. Hij toetst onze daden en Hij weegt ze, iedere dag. En Hij toetst ons en Hij zegt: En wat stond er deze week in het centrum van zijn of haar leven, van mijn leven? Waar draaide het om, wat waren uw diepste motieven? Hij kijkt dwars door ons heen. En als Hij ziet hoe verworden dat is, dan komt Hij met Zijn gericht. Hij telt, Hij weegt en Hij breekt. Wij kunnen voor Zijn heilig aangezicht niet bestaan. Als God onze daden weegt, dan wordt alles doorgelicht, en dan worden we te licht bevonden”.
En:
Het is een groot wonder “dat God tot vijf voor twaalf nog blijft aankloppen bij zo’n decadente cultuur, bij Belsazar. Dat is een groot wonder en een diepe heenwijzing: de heilige God is een God Die geen welgevallen heeft aan de dood van een zondaar! Alleen daarin dat hij leeft, dat hij zich bekeert. En ook het gezicht van die God wordt zichtbaar in de balzaal van Belsazar. Maar Daniël kan alleen oproepen tot bekering, Jezus deed meer. Het is eigenlijk ongelooflijk wat daar gebeurd is in de laatste lijdensweek. Daar is geteld, daar is gewogen, smartelijk geteld en smartelijk gewogen, en toen was daar de hof van Gethsemane. En in de hof van Gethsemane daar heeft Jezus geworsteld dat Hij het gericht van God over die gevallen mensen op Zich zou nemen. En heeft Hij Zich geschikt ten offer. Hij heeft tegen de Vader gezegd, tenslotte: ‘Ik ben gereed, neem Mij’. Zodat er van nu af aan voor iedereen vrijspraak is. Vrijspraak voor wie gelooft”.
Wie op deze lijn zit kan, ondanks alles, toch blij worden van Daniël 5![6][7]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 86; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Deuteronomium 5:7,8. Verder citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 87; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[3] In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 89; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022. En van https://wiebdijksterhuis.files.wordpress.com/2015/07/daniecc88l-5-e28093-preek-e28093-ngkee28093-17-6-2016-web.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 19 februari 2022.
[4] In deze alinea citeer ik Daniël 5:23b,24. Verder gebruik ik Exodus 31:18.
[5] In deze alinea citeer ik Spreuken 29:1.
[6] In deze alinea citeer ik uit een preek over Daniël 5:26-28 van de Nederlands Gereformeerde predikant W.G. Rietkerk. De preek is gedateerd op zondag 9 april 1995. Te vinden op http://kolesqueeste.nl/rietkerk/html/preken/DANIEL.htm#5 ; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[7] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, donderdag 3 maart 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 5. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Zij zal tijdens de vergadering een korte inleiding houden. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.

3 februari 2022

De nederigen geeft Hij genade

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

In ons leven moeten wij in nauw contact met God staan. In ons gebed, bijvoorbeeld. Met woorden uit de Heidelbergse Catechismus mogen en moeten wij bidden: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden, en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten. Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”.
Er is veel energie-van-bovenaf nodig om ons overeind te houden in deze woelige wereld![1]

Waarom is dat gebed zo nodig? Antwoord: omdat mensen van zichzelf hoogmoedig zijn. Dat zien wij in Daniël 4.
De geschiedenis die we in dat hoofdstuk lezen is wel bekend. Koning Nebukadnezar droomt over een grote boom in het midden van de aarde. Die boom is overal ter wereld zichtbaar. De boom verschaft voedsel en onderdak alle schepselen die er in deze wereld zijn. Dan komt er een heilige wachter uit de hemel. Die wachter hakt de boom om.
Die boom is Nebukadnezar zelf. Gods oordeel over de koning liegt er niet om: “Laat zijn hart worden veranderd, zodat het niet meer dat van een mens is, laat hem het hart van een dier worden gegeven. Laten er zeven tijden over hem voorbijgaan”. Kortom, de koning wordt krankzinnig.
Voor de goede orde: tussen de droom van Nebukadnezar en diens geestesziekte zit een jaar.
Des konings waanzin duurt zeven lange jaren. Daarna krijgt de koning zijn verstand terug. Zijn koninkrijk en zijn macht worden hersteld. Nebukadnezar komt met een lofprijzing: “Ik, Nebukadnezar, prijs, roem en verheerlijk nu de Hemelkoning, omdat al Zijn daden waarheid zijn en Zijn paden gerechtigheid: Hij is in staat te vernederen wie in hoogmoed hun weg gaan”[2].

Hoogmoed is dus uit den boze. Maar wat moeten wij dan wel doen?
Antwoord: wij mogen en moeten rekenen op Gods genade.

Dat leren wij bijvoorbeeld in Spreuken 3:
“De vloek van de Heere rust op het huis van de goddeloze,
maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen.
De spotters zal Híj wel bespotten,
maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.
Wijzen zullen eer ontvangen,
maar dwazen laden schande op zich”.
U ziet hierboven dat accentje op ‘Hij’: “De spotters zal Hij wel bespotten”. De boodschap van die woorden is in ieder geval: wij hoeven niet alles uit de kast te halen om mensen die God hoogmoedig tegemoet treden tot de grond toe af te branden. Natuurlijk – we mogen er bij tijd en wijle best wat van zeggen. Maar het is geen schande om bij de stillen in den lande te horen. Ten langen leste zal de hemelse God ingrijpen!

De apostel Jacobus schrijft in hoofdstuk 4 van zijn algemene brief: “Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift: God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten”.
Eén van onze hoofdtaken op deze aarde is dus: voortdurend vragen om Gods genade. Als wij bij Hem aankloppen, deinst de duivel terug. Want hij wil vooral niet bij God wezen. De duivel weet: in een strijd tegen God delf ik gegarandeerd het onderspit. De duivel weet: mensen die bij God horen behoor ik met rust te laten; want zij genieten Gods persoonlijke bescherming[3].

Als het goed is, hebben Gereformeerden altijd een zekere bescheidenheid over zich.
De apostel Petrus schrijft daarover in zijn eerste brief: “Evenzo, jongeren, wees aan de ouderen onderdanig; en wees allen elkaar onderdanig. Wees met nederigheid bekleed, want God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade”.
Het valt op dat Petrus met de jongeren begint. Jongeren zijn energiek. Niet zelden willen zij de wereld structureel veranderen. Trouwens, wij allen zien het onrecht in de wereld. De oneerlijkheid en onachtzaamheid van overheden, de criminaliteit – met name in grote steden –, machthebbers die het contact met het gewone volk verloren lijken te hebben enzovoort. Wie op de televisie of in de krant de beelden van demonstraties of stille tochten ziet, heeft soms wellicht de neiging om mee te lopen. Toch doen we dat in de regel niet.
Waarom niet?
Wij weten dat onze God alles in Zijn hand heeft. Hij moet uiteindelijk voor de oplossing zorgen. Bovendien weten wij dat tijdens demonstraties allerlei vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid worden gepraktiseerd. Daar willen Gods kinderen ver vandaan blijven!
Petrus leert ons: wij hoeven niet zo nodig de eerste viool te spelen.

Nebukadnezar spreekt over “de tekenen en wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft”. Hij kent God heel goed. Zijn eerdere ervaringen met de hoge God staan de koning nog helder voor de geest.
En toch acht Nebukadnezar zijn leven en positie zonder God groots en meeslepend. Het lijkt wel of hij de waarde van zijn eerdere ervaringen niet peilt. En in ieder geval ook: niet peilen wil. Hoe komt dat toch? Antwoord: de hemelse Heer maakt het hart van Nebukadnezar hard. Het hart van de koning wordt volstrekt ontoegankelijk voor Gods Woord. Net als bij de Egyptische farao in Exodus 7, waar de Here tegen Mozes zegt: “Ú moet alles wat Ik u gebieden zal tegen Aäron zeggen, en Aäron, uw broer, moet tot de farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan. Maar Ík zal het hart van de farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken”. Ziet u de tegenstelling tussen Gods kinderen en de ongelovigen? Laten wij maar zonder omwegen constateren dat God die tegenstelling creëert.
De profeet Jeremia zegt in één van zijn gebeden: “U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder de andere mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is. U leidde Uw volk Israël uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden”.
Gereformeerden denken niet vaak in termen van tekenen en wonderen. Wij vinden dat al gauw wat te evangelisch. Maar de vraag is vervolgens wel of tot ons doordringt welke dingen de Koning van de kosmos doet: in ons persoonlijke leven, in de kerk, in de omgeving waar wij wonen, in het land waarvan wij burgers zijn.
Wat voor bijzonders heeft de Verbondsgod in ons leven gedaan?
Hoe is Gods werk te zien in het kerkelijk leven?
Hoe komt dat Nederland zo’n geseculariseerd land geworden is?
Dat zijn vragen die wij best eens zo concreet mogelijk mogen beantwoorden[4].

Koning Nebukadnezar heeft het heel goed met zichzelf getroffen. Hij beseft eens te meer: ik ben de hoogste machthebber in het grote Babel.
Maar dan klinkt daar opeens een stem van bovenaf: “U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!”.
Dat klinkt als het tegengestelde van de woorden die wij in Mattheüs 3 uit de hemel horen. U weet wel: “En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!”. Nebukadnezar wordt verlaagd tot dierlijk gedrag. Onze Here Jezus Christus wordt aan een kruis gehangen. Als iemand van laag allooi. Als een crimineel eerste klas. Maar Hij draagt onze zonden. Nu zijn wij verlost. God heeft ons wel gedaan![5]

Zo kunnen wij de toekomst in.
Misschien stemt Daniël 4 ons wel somber. Wat een hoogmoed! Wat is die koning van Babel een praalziek type! En als we de wereldgeschiedenis bekijken wordt het allemaal weinig beter. Onrecht en onderdrukking zijn overal. Voor je ’t weet worden wij allen bijkans plat gedrukt onder het werelds geweld van eigengereidheid, goddeloosheid en vermeende zelfredzaamheid.
Echter – onze God is machtiger dan wie ook. Daniël 4 bewijst dat eens te meer. Daarom is Psalm 103 ook vandaag volop actueel:
“Laat heel het machtig koninkrijk des Heren
zijn grote naam, zijn grote daden eren.
Komt allen tot de lof des Heren saam.
Lof zij de Heer in hemel en op aarde,
die aan zijn volk zijn liefde openbaarde,
en zegen gij, mijn ziel, zijn grote naam”[6][7][8][9]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 52, antwoord 127.
[2] In deze alinea citeer ik Daniël 4:16 en Daniël 4:37.
[3] In deze alinea citeer ik Jacobus 4:6 en 7.
[4] In deze alinea citeer ik Exodus 7:3 en Jeremia 32:20,21.
[5] In deze alinea citeer ik Daniël 4:31 en Mattheüs 3:16,17.
[6] In dit artikel gebruikte ik onder meer https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 66 en volgende. Geraadpleegd op dinsdag 1 februari 2022.
[7] Psalm 103:9 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[8] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, donderdag 3 februari 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 4. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.
[9] In de afgelopen maanden zijn ook Daniël 1,2 en 3 op deze internetpagina aan de orde gekomen. De betreffende artikelen zijn te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2021/09/29/ (Daniël 1), https://bderoos.wordpress.com/2021/11/11/ (Daniël 2) en https://bderoos.wordpress.com/2021/12/06/ (Daniël 3).

6 december 2021

Daniël 3: God of een afgod

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wat vraagt de Here vandaag van ons? Dat is een vraag die wij ons, op de keper beschouwd, iedere dag kunnen stellen. Dat doen wij meestal niet. En dat is ook wel logisch. Ons leven kent een zekere regelmaat. Er is een ritme dat telkens terugkeert. Er zijn gewoontes. Wij komen niet iedere dag nieuwe dingen tegen.
Niettemin is het goed om onszelf die vraag te stellen: wat vraagt de Here van ons?

Dat vraagt koning Nebukadnezar zich in Daniël 3 niet af.
Daar is de vraag namelijk: wat vraagt Nebukadnezar van zijn volk?
De koning laat een beeld maken. En de dienstorder is duidelijk: “Men zegt u aan, volken, natiën en talen: Op het moment dat u het geluid hoort van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten, moet u neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht. Wie niet neervalt en aanbidt, zal op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen”.
Vrijwel iedereen valt in aanbidding voor het beeld neer. Daniël en zijn vrienden blijven echter overeind. Zij weigeren om dat beeld te aanbidden. Zo komen zij in de brandende oven terecht.
Maar o wonder: het vuur heeft geen vat op de mensen in de oven!
Dat is voor koning Nebukadnezar reden om groot respect voor God te hebben. Maar uiteindelijk gaat toch zijn eigen ego vóór: “Nebukadnezar nam het woord en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, Die Zijn engel heeft gezonden en Zijn dienaren heeft verlost, die op Hem hebben vertrouwd, het bevel van de koning hebben weerstaan en hun lichaam hebben overgegeven, omdat zij geen enkele god wilden vereren of aanbidden dan hún God. Daarom wordt door mij een bevel uitgevaardigd dat elk volk, elke natie of taal die lasterlijke dingen zegt over de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, in stukken zal worden gehouwen en dat zijn huis tot een mesthoop zal worden gemaakt, want er is geen andere god die zo redden kan. Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-Nego voorspoedig in het gewest Babel”. Let op: toen gaf de koning Daniël en zijn vrienden veel voorspoed! De Babylonische machthebber wil toch iets in de melk te brokken hebben…[1].

Bij het overdenken van deze geschiedenis komt de vraag op ons af of de kerk buigt voor de wereld. Regelmatig moeten we onze handelwijze toetsen: werken we, om met Efeziërs 6 te spreken, naar de “onderwijzing en terechtwijzing van de Heere”?
Kerkmensen vormen een geheiligd volk. Maar het feit dat wij door onze God apart gezet zijn wil niet zeggen dat wij geheel wereldvreemd zijn. Wij staan met de beide benen op de werkvloer. Daar worden wij, of we dat nu willen of niet, beïnvloed door allerlei mensen en gebeurtenissen. En dat is, tot op zekere hoogte althans, niet zo erg. Maar wij mogen nooit buigen voor de wereld![2]

Nebukadnezar is, zo mogen we vaststellen, een zeer zelfingenomen man.
De eerbied die hij in Daniël 2 voor God getoond heeft is inmiddels verdwenen. Zijn uitspraak: “Waarlijk, uw God is de God der goden en de Heere der koningen” blijkt geen motto voor des konings leven.
Het is niet overdreven hem een machtswellusteling te noemen. Wij mogen onze ogen niet sluiten voor het feit dat dergelijke mensen in heel de geschiedenis voorkomen. Te denken valt aan de beroemde Romeinse keizer Nero (37-68 na Christus), Adolf Hitler (1889-1945), de Iraakse president Saddam Hoessein (1937-2006), de Noord-Koreaanse president Kim Jong-un en wellicht ook aan de Russische president Poetin. Al die dictators brengen ons bij Openbaring 13: “En het opende zijn mond om God te lasteren, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tent en hen die in de hemel wonen. En het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam, taal en volk. En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, althans van wie de namen niet zijn geschreven in het boek des levens van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld af”.
Wij verbazen soms over de macht die mensen kunnen hebben. Wij ergeren ons er niet zelden flink aan. Wij vragen ons af: is er helemaal niemand die iets aan al dat machtsmisbruik kan doen?
Jawel. En dat moeten wij vooral blijven geloven. Want Openbaring 13 zegt ook: “Als iemand in gevangenschap voert, die gaat zelf in gevangenschap. Als iemand met het zwaard doodt, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen”![3]

Daniël en zijn vrienden hebben te maken met ernstige wantoestanden.
Dat is iets van alle tijden.
Ook in onze tijd horen wij van allerlei misstanden. Men spreekt wel over een migrantencrisis. Wij horen over mensenhandel. En over misbruikschandalen in de sportwereld. En over seksueel misbruik door kerkelijke gezagsdragers. De ellende in onze wereld is bij tijden ronduit aangrijpend!
Ja, wij kunnen ons door al die rampspoed zomaar overweldigd voelen. Wat kunnen wij op ons eigen plekje doen?
Als wij daarover nadenken moeten wij beseffen dat de hoge God ons heus wel bezig ziet, óók als we overpeinzen dat onze goede werken slechts een druppel op een gloeiende plaat zijn. Laten wij elkaar herinneren aan Mattheüs 25: “Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid”. En even verder: “Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld. Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald. Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en zijn bij U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan”.
Laten wij de moed niet verliezen, maar onze rug rechthouden![4]

In Hebreeën 11 wordt op Daniël 3 gezinspeeld. “Zij hebben de kracht van het vuur geblust”, lezen we daar. Wat hebben die drie vrienden daar in de oven gedaan? Hebben zij met vreze en beven afgewacht wat het laaiende vuur met hen zou doen? Dat weten we niet. Zeker is wel dat zij in nauw contact met de hemelse God hebben gestaan.  
Sterker nog – God was daar duidelijk zichtbaar aanwezig. Leest u maar mee: “Maar toen deze drie mannen – Sadrach, Mesach en Abed-Nego – gebonden midden in de brandende vuuroven gevallen waren, sloeg koning Nebukadnezar de schrik om het hart. Haastig stond hij op, nam het woord en zei tegen zijn raadslieden: Hebben wij niet drie mannen gebonden midden in het vuur geworpen? Zij antwoordden en zeiden tegen de koning: Jazeker, o koning! Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op die van een zoon van de goden”. Wij zien de Goddelijke stijl van Jesaja 63: “De Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost. Door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Híj hen bevrijd; Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van weleer”.
In ons leven moeten wij ook in nauw contact met God staan. In ons gebed, namelijk Laten wij, met woorden uit de Heidelbergse Catechismus, maar bidden: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden , en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten. Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”.
Laten wij maar eerlijk zijn: soms is er veel energie-van-bovenaf nodig om ons overeind te houden in deze woelige wereld![5]

In de Adventstijd mogen wij bedenken dat Jezus Christus naar de aarde is gekomen om te sterven voor alle zonden en misstanden die op deze aarde bestaan. Hij nam onze plaats in. Hij vereffende de schuld die wij bij God hebben. Wij mogen zonder terughoudendheid pleiten op Christus: ‘Onze Vader, kijk naar uw Zoon; Hij betaalde voor onze zonden!’.
Daniël 3 laat ten principale de scherpe tegenstelling tussen geloof en ongeloof zien. Daniël 3 stelt ons voor een radicale keus: God of een afgod.
Als het over die fundamentele keuze gaat is er sinds Daniël 3 niet eens zoveel veranderd[6].

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Daniël 3:4-6, 28-30.
[2] In deze alinea citeer ik woorden uit Efeziërs 6:4.
[3] In deze alinea, en ook verderop in dit artikel, gebruik ik http://peterhartkamp.weebly.com/uploads/6/0/2/8/60280995/preek_daniel_3.pdf ; geraadpleegd op maandag 29 november 2021. Uit Gods Woord citeer ik Daniël 2:47, Openbaring 13:6-8 en Openbaring 13:10.
[4] In deze alinea citeer ik uit Mattheüs 25 vers 31 en de verzen 34-40.
[5] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Hebreeën 11:34 a, Daniël 3:23-25 en Jesaja 63:9. En uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 52, antwoord 127. Verder gebruik ik https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf ; geraadpleegd op maandag 29 november 2021.
[6] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen op donderdag 9 december 2021, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 3. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.

11 november 2021

Nebukadnezar heeft een droom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

In Daniël 2 heeft koning Nebukadnezar een droom. Later, in Daniël 4, zal dat nóg eens gebeuren. In dit artikel gaat het over de eerste droom van Nebukadnezar.
Daniël geeft weer wat voor droom dat is.
“U, o koning, keek toe, en zie: een groot beeld. Dit beeld was hoog, de glans ervan uitzonderlijk. Het stond voor u. De aanblik ervan was schrikwekkend. Het hoofd van dit beeld was van goed goud, zijn borst en zijn armen waren van zilver, zijn buik en zijn dijen van brons, zijn benen van ijzer, zijn voeten gedeeltelijk van ijzer, gedeeltelijk van leem. Hier keek u naar, totdat er, niet door mensenhanden, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die. Toen werden het ijzer, het leem, het brons, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van teruggevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde”[1].

Waarom krijgt Nebukadnezar die droom?
De bedoeling van de door God gegeven droom is om een beeld te geven van de geschiedenis van de wereldrijken. Een uitlegger noteert: “Het statenbeeld in de droom van Nebukadnezar beantwoordt aan zijn voorstelling van macht en heerschappij, hoe de mens die rijken ziet. De dieren in de droom van Daniël tonen aan hoe God over deze rijken denkt, hoe Hij ze ziet”[2].
In het bovenstaande zit een leermoment.
Wij leren om ons af te vragen: hoe kijkt God naar deze wereld? En ook: wat vraagt de Here vandaag van ons?

Nebukadnezar ontbiedt alle probleemoplossers in Zijn koninkrijk: de magiërs, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën. De koning test hen uit. Hoeveel weten die erudiete, hooggeleerde en oplossingsgerichte mensen nu eigenlijk? Eén ding is zeker: zij allen weten niet wat de koning gedroomd heeft.
Opnieuw wordt ons iets geleerd. Er zijn raadsels en problemen in het leven die voor mensen onoplosbaar zijn. Als wij zulke dingen tegenkomen, moeten wij ons niet het hoofd breken over het antwoord op de vraag hoe het nu verder moet. Wij behoren onze God te eerbiedigen. Wij mogen en moeten ons leven in Zijn hand leggen.

Dat doet Nebukadnezar niet. Wij lezen: “Hierdoor werd de koning woedend en zeer verbolgen, en hij beval dat men al de wijzen in Babel om moest brengen. De wet ging dan uit dat de wijzen ter dood gebracht moesten worden. En men zocht ook Daniël en zijn vrienden om ter dood gebracht te worden”.
Wie God verlaat, kan zomaar op eigen agressie gaan koersen. Terwijl de Here zegt: “U zult niet doodslaan”.  Zo ga je van overtreding tot overtreding steeds voort![3]

Daniël is dus ten dode opgeschreven. De Here blijkt echter machtiger. De God van hemel en aarde Hoogstpersoonlijk van de dodenlijst af. De Here kan in vele harten werken. Onverwacht en krachtig!
Maar God heeft een verbond met mensen. In dat verbondsverkeer verwacht de zorgzame God ook een reactie van de mensen die Hij naar Zijn toekomst leidt. Die reactie komt er ook.
Daniël en zijn vrienden gaan in gebed naar God toe. Daniël krijgt in een visioen de verklaring van Nebukadnezars droom te zien. Voor Daniël is dat reden om een lofprijzing aan het adres van de hoge God uit te spreken.
Een dergelijke lofprijzing spreken wij niet zomaar uit. Wij leven in de Westerse wereld die aan elkaar hangt van zakelijkheid en al of niet kouwe drukte. Zouden wij ons daarin wat meer moeten oefenen? Het is maar een vraag[4].

Koning Nebukadnezar is zeer geïnteresseerd in de betekenis van de droom die hij gehad heeft. Hij is duidelijk niet van het type: dat-zien-we-morgen-dan-wel-weer. Zijn eigen toekomst interesseert hem bovenmate.
Ook wij mogen gerust aan toekomstplanning doen. Niet dat we ons zorgen moeten gaan maken. In Mattheüs 6 staat niet voor niets: “Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon. Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, namelijk waarmee u zich kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?”
Laten wij bij al onze toekomstplannen de hemelse God betrekken! Jacobus schrijft trouwens ook: “En nu dan u die zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken, u, die niet weet wat er morgen gebeuren zal, want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt. In plaats daarvan zou u moeten zeggen: Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen”. Plannen maken, dat mag best. Maar doe het niet zonder God![5]

In Daniel 2 gaat het over vier koninkrijken.
Welke rijken zijn dat? Sommigen nemen het volgende als uitgangspunt:
1. Het eerste koninkrijk is het Babylonische rijk
2. Het tweede koninkrijk is het Medo-Perzische rijk
3. Het derde koninkrijk is het Grieks-Macedonische rijk
4. En het vierde koninkrijk dan? Iemand noteert: “Volgens de historici namen na Alexander’s dood niet zoals gebruikelijk zijn vier zoons, maar vier generaals de macht van hem over na een lange strijd. Doch die generaals hadden niet Alexander’s kracht om de eenheid in het rijk te bewaren. Uiteindelijk was in het jaar 280 voor Christus het rijk opgesplitst in vier gebieden. Namelijk, aan generaal Seleucus of Selukos -Antigonos- werd Babylon, Perzië en (Noord-)Syrië toebedeeld. Aan generaal Ptolomeus I werd Egypte, Libië, Arabië en Israël toebedeeld. Aan generaal Cassander werd Macedonië en Griekenland toebedeeld. Aan generaal Lysimachos werd Klein-Azië, Thracië en Bithynië -Pergamum, het hedendaagse Turkije- toebedeeld”.
Elders wordt geschreven: “Het eerste koninkrijk van goud is Babylon; het tweede koninkrijk van zilver is verdeeld tussen Perzië en de Medes; het derde koninkrijk van brons is Yavan – historisch gezien Griekenland onder Alexander de Grote – daarna verdeeld tussen vier opmerkelijke hoorns/koningen. Is het vierde koninkrijk -de ijzeren benen, de ijzeren voeten en de gemengde ijzeren tenen- is Rome, of de Islam?”.
Het bovenstaande suggereert dat er op dit punt nogal wat zekerheden zijn.
Niets is echter minder waar.
Ergens anders staat geschreven: “Er is in de uitleggeschiedenis van dit hoofdstuk vooral aandacht voor de vraag welke de andere drie koninkrijken zijn waarnaar verwezen wordt. Voor de betekenis van de droom en de uitleg ervan in de context van dit hoofdstuk is die vraag echter van ondergeschikt belang. Hier gaat de aandacht immers vooral uit naar het eerste koninkrijk – dat van Nebukadnezar – en naar het ingrijpen van God, dat een einde maakt aan de aardse koninkrijken en een eeuwigdurend koningschap van God inluidt. De tussenliggende rijken worden in het voorbijgaan genoemd, maar niet verder uitgewerkt. Al die aardse koninkrijken zijn eindig, in tegenstelling tot het komende eeuwigdurende rijk van God. Hoe machtig de aardse machthebbers en wereldrijken zich ook voordoen, uiteindelijk hebben zij niet het laatste woord (…) De rijken komen hier op een indrukwekkende wijze naar voren: de mensen zien imposante koninkrijken en heersers en het lijkt dat de geschiedenis door hen wordt bepaald. In Daniël 7 ziet Daniël echter een ander aspect: de wereldrijken zijn als redeloze dieren, die niet in de gaten hebben door Wie de geschiedenis geleid wordt”.
Dat laatste moeten wij vasthouden![6]

Onze God, de Koning van de kosmos, is uiteindelijk de Overwinnaar!
Dat zien wij bijvoorbeeld in Openbaring 19. In dat hoofdstuk wordt er niet omheen gedraaid: “Halleluja, de zaligheid, de heerlijkheid, de eer en de kracht zij aan de Heere, onze God”. Even verderop lezen we: “En ik hoorde zoiets als een geluid van een grote menigte en als een gedruis van vele wateren en een geluid als van zware donderslagen: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, is Koning geworden. Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt. En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. En hij zei tegen mij: Schrijf: Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tegen mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God”[7].

Wie het bovenstaande overziet, beseft eens te meer dat wij, mensen van 2021, deel uitmaken van een geschiedenis waarin duizelingwekkend grote dingen gebeuren. Het is waar: volken zijn voor God als een druppel aan een emmer of een stofje aan een weegschaal!
Psalm 8 wijst ons daar ook op:
“Wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt,
het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?”.
Maar er is in Psalm 8 meer:
Gij hebt hem bijna goddelijk verheven,
een kroon van eer en heerlijkheid gegeven”.
De hoge God geeft ons een grote toekomst! Ongelooflijk maar waar![8][9][10]

Noten:
[1]
Daniël 2:31-35.
[2] Het citaat komt van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 33; geraadpleegd op donderdag 4 november 2021.
[3] In deze alinea citeer ik achtereenvolgens Daniël 2:12,13 en  Exodus 20:13.
[4] In deze alinea komt impliciet Daniël 2:13-23 aan de orde.
[5] Zie voor deze alinea Daniël 2:29 en 30. Uit Gods Woord wordt geciteerd: Mattheüs 6:24-26 en Jacobus 4:13-15.
[6] In deze alinea gebruik ik http://www.reddingdoorjezus.nl/pdf/dromendaniel_2.pdf en https://www.wimjongman.nl/nieuws/2020/daniel-hfst2-vervolg4.html ; geraadpleegd op donderdag 4 november 2021. Verder citeer ik uit de onlineversie van de Studiebijbel: commentaar bij Daniël 2 – ‘Boodschap’.
[7] In deze alinea citeer ik Openbaring 19:1 en 6-9.
[8] In deze alinea maak ik gebruik van Jesaja 40:15. Ook citeer ik regels uit Psalm 8:3 en 4 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9]  Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vandaag, donderdag 11 november 2021, een bespreking wijdt aan Daniël 2. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.
[10] Op woensdag 29 september 2021 verscheen op deze plaats een artikel over Daniël 1.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.