gereformeerd leven in nederland

4 juli 2019

God in Europa

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

De verdeling van topfuncties binnen de Europese Unie gaf in de afgelopen dagen heel wat hoofdbrekens.
Gesteggel alom!
Achterkamertjes, bilateraaltjes, breakfastbreaks – het was er allemaal.

Het ging om een vijftal functies:
* de voorzitter van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie.
* de voorzitter van de Europese Raad, waarin de regeringsleiders van alle EU-leiders vertegenwoordigd zijn.
* de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, zeg maar: de buitenlandcoördinator
* de voorzitter van de Europese Centrale Bank
* de voorzitter van het Europees Parlement[1].
Jan en alleman had allerlei belangen. Hij wilde zus, zij wilde zo. ‘Als jij mij dit geeft, schenk ik jou dat’. Het was, kortom, een ruilhandel op hoog niveau.
En dan is er nog niets geschreven over stuurlui die aan wal stonden, en aldaar verkondigden dat een eurofiel de EU-dictatuur gaat leiden[2].

Journalisten zaten er boven op. Zodra er nieuws zou zijn wilden zij het als eerste brengen; dat spreekt vanzelf.

De kernvraag is: wat moeten Godvrezende mensen van al dat gedoe zeggen?
Moeten wij het nieuws maar hoofdschuddend volgen, en daarna zacht mopperend een kop koffie gaan drinken?
Er is wel wat meer te zeggen.

Laten we de denklijn van Daniël 2 maar volgen: “De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want van Hem is de wijsheid en de kracht. Hij verandert de tijden en tijdstippen, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij geeft de wijsheid aan wijzen, de kennis aan wie verstand hebben. Hij openbaart diepe en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. U, God van mijn vaderen, dank en prijs ik, omdat U mij wijsheid en kracht hebt gegeven”[3].
Dat spreekt Daniël uit als hij in een nachtvisioen van de Here te zien krijgt wat Nebukadnezar heeft gedroomd, en welke uitleg daarbij hoort.
Een exegeet noteert erbij: “In het licht van het voorgaande, zouden we verwachten dat de openbaring die Daniël krijgt een hoogtepunt in dit hoofdstuk is, maar de vermelding gebeurt terloops. Dit verhoogt de ironie: wat voor de wijzen van Babel en hun goden volstrekt onmogelijk is, is voor de God van de hemel zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks aandacht nodig heeft”[4].

U weet het wellicht wel: de magiërs, de bezweerders en de tovenaars van de koning kunnen die droom niet navertellen, en ook niet uitleggen. Al die hoogfilosofische denkers staan, nu het erop aan komt, met de mond vol tanden: “Er is geen mens op de aardbodem die de zaak van de ​koning​ te kennen zou kunnen geven. Daarom is er ook geen ​koning, hoe groot of machtig ook, die een zaak als deze gevraagd heeft van welke magiër, bezweerder of Chaldeeër dan ook. Want de zaak waar de ​koning​ om vraagt, is te moeilijk. Er is niemand anders die het in de tegenwoordigheid van de ​koning​ te kennen kan geven dan de ​goden, die hun verblijf niet bij de schepselen hebben”[5].

Natuurlijk is het niet zo dat ons denken wordt omgevormd tot ‘Groot Inzicht’ als wij Daniëls stijl overnemen. Het is geen toverspreuk waar we in een oogwenk drie keer slimmer van worden.
Maar het is wel zo dat wij, in navolging van Daniël, kunnen en moeten belijden dat God de toekomst beheerst. Hij regelt de zaken. Hij geeft de geschiedenis vorm, onze achterkamertjes, bilateraaltjes en breakfastbreaks ten spijt.

Het is de Gereformeerd-synodale predikant H. Veldkamp (1895-1956) geweest die over het Bijbelboek Daniël eens schreef: “… heel het boek Daniel, zoowel in z’n historisch als profetisch gedeelte is Messiaansch, Christocentrisch, in zooverre de voortreffelijkheid van het koningschap van Christus boven de koninkrijken dezer wereld heel den gedachtengang beheerscht. Het eerste is eeuwig en blijvend, de laatste zijn wisselend en voorbijgaand. Het is evenwel niet alleen de voortreffelijkheid van het een boven het ander, maar ook en met name de antithese tusschen Godsrijk en wereldrijk, vrouwenzaad en slangenzaad, die eigenlijk reeds in het eerste vers van het eerste hoofdstuk aan den dag treedt, waar Babel en Jeruzalem tegenover elkaar staan. Van de botsingen tusschen het Rijk dat niet en dat wel van deze wereld is, gewaagt feitelijk elke bladzijde”[6].

In Europa staat Goddelijke almacht tegenover menselijke kleinheid.
Het spreekt boekdelen dat voor de verdeling van de topfuncties meerdere lange vergaderingen nodig waren. Na een marathon van twintig uur was men simpelweg geen steek verder gekomen.
Dat is een duidelijke demonstratie van de onmacht der ‘machtigen’.
En het zou heel goed kunnen zijn dat onze God, de Schepper en Onderhouder van hemel en aarde, daarmee een boodschap afgeeft: mensen, erken Mijn almacht – dan pas komt er een echte oplossing, want dan komt er verlossing. Verlossing van zonde en pijn. En er komt zicht op een heerlijke toekomst die nimmer ophoudt!

Noten:
[1] Zie hiervoor https://nos.nl/artikel/2291442-invulling-topfuncties-eu-nabij-timmermans-mogelijk-ec-voorzitter.html ; geraadpleegd op maandag 1 juli 2019.
[2] Zie hiervoor https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/02/trump-bewonderen-en-timmermans-niet-a3965769 ; geraadpleegd op dinsdag 2 juli 2019. Met de eurofiel wordt Frans Timmermans aangeduid.
[3] Daniël 2:20-23 a.
[4] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Daniël 2:17-23.
[5] Daniël 2:10 en 11.
[6] H. Veldkamp, “Paraphrase van het boek Daniël”. – Franeker: T. Wever, z.j. – p. 10.

14 maart 2018

Biddag 2018: bemoedigd bidden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten, en de ​wijn​ die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf”
– Daniël 1:16.

Vandaag is het Biddag voor gewas en arbeid. We bidden om groei van het gewas en om voldoende voedsel.
We weten het: wat dat betreft zijn wij van de Here afhankelijk.
De God van het verbond legt voedende kracht in het eten dat Zijn kinderen nuttigen.

Als dat ergens blijkt, dan is het wel in Daniël 1.

Die geschiedenis kent u vast wel.
Daniël en zijn vrienden houden in een heidense omgeving de aan Israël gegeven spijswetten in acht. God zegent die handelwijze. Na verloop van tien dagen zien zij er welvarender uit dan de andere jonge mensen die voor een functie in de hofhouding van Nebukadnezar in opleiding zijn.

Een wonder is het!
En één ding is zeker: de God van het verbond laat hier Zijn macht zien.
Die macht zien wij alleen al in het feit dat de kamerheer toestemming geeft om Daniël en zijn vrienden slechts plantaardig te geven. Een vooraanstaand lid van het paleispersoneel stemt er dus in toe dat een aantal jongens die de opleiding aan het paleis doen hun eigen dieet vaststellen… Dat is toch merkwaardig? Dat is toch ongehoord? Dat moet wel van de Here komen!

Daniël en zijn vrienden maken duidelijk van Wie zij hun kracht krijgen. Een uitlegger noteert hier bij: “Het zal de wereld duidelijk worden waarmee wij ons voeden. Dat kan niet verborgen blijven. Dat geldt nu al. Het geldt ook als de tijd komt dat de mens van de wereld zal moeten erkennen dat wat de gelovigen heeft beziggehouden, werkelijke waarde heeft gehad, terwijl wat hen heeft beziggehouden, waardeloos zal blijken te zijn.
(…). God ontfermt Zich over de mannen omdat zij Hem trouw zijn gebleven. Hij zegent het onderwijs dat zij aan de ‘universiteit’ in Babel volgen. Zij krijgen in werkelijkheid geen les van de geleerden van Babel, maar van God, want Hij geeft hun inzicht.
Als iemand een studie volgt en zich daarin aan de Heer overgeeft, mag hij erop vertrouwen dat de Heer hem zal duidelijk maken wat hij moet weten. Als het hart op de Heer is gericht, blijft hij bewaard bij Hem. Veel van wat hij moet leren, klopt niet omdat het tegen de Schrift ingaat, maar de Heer zal ervoor zorgen dat hij daarin niet verstrikt raakt”[1].

Daniël en de zijnen moeten in eerste instantie meedoen met maaltijden die aan afgoden gewijd zijn.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte dominee legde eens uit: “Volgens de heidense denkwijze aten de goden mee. En die maaltijden werden ook geopend met een plengoffer aan de goden. De tafel waaraan die jongens moesten eten werd gemaakt tot een verlengstuk van die afgodische maaltijden. Dit betekende: ingekapseld worden in het afgodische leven van Babel”[2].
Welnu, door Gods koningsmacht gebeurt dat niet.
Die jongens leven op groente en water; 1095 dagen lang.
Dat is heel bijzonder.
De spijzen van Nebukadnezar, die vast heerlijk zullen zijn geweest, gaan aan hen voorbij. Drie jaar lang groente en water! Stelt u zich dat even voor?
Maar Gods zorg gaat ver. Daniël en zijn vrienden zijn na drie jaar in goeden doen. Zij zijn volkomen gezond.
De kracht van God is niet te stuiten. Hij beslist waar en wanneer Hij Zijn kinderen inzet, en welke leeftocht Hij hen geven zal!

In onze tijd is het, dunkt mij, van enig belang om het vorenstaande te benadrukken.

U hebt het misschien wel opgepikt: van 5 tot en met 11 maart jongstleden werd de Week zonder Vlees gehouden.
Wat was de achterliggende gedachte van die week?
De organisatoren schreven: “Wij vinden dat elke dag vlees eten niet meer van deze tijd is en willen een flexitarisch eetpatroon, waarin vlees en vis afgewisseld worden met vegetarische of plantaardige gerechten, promoten. Vaker een dagje geen vlees of vis eten is een kleine moeite met een onvoorstelbaar positieve impact op mens dier en milieu”.
En bijvoorbeeld ook:
“Wanneer je één dag geen vlees eet bespaar je de 1740 gram CO2 uitstoot die gemiddeld nodig was geweest voor de productie van jouw dagelijkse portie vlees. Een boom kan in een maand circa 1700 gram CO2-uitstoot uit de lucht opnemen in zijn biomassa en omzetten in zuurstof. Door één week geen vlees te eten, bespaar je dus de uitstoot waar een boom zeven maanden voor nodig heeft”[3].
Het gaat mij er niet om dat wij per se elke dag vlees moeten eten. Of juist niet. Die keuze laat ik gaarne aan de lezers over.
Het gaat mij om iets anders. Als u het mij vraagt zien we hier een zekere angst.

Angst van het type: Help! Als wij niets doen gaat deze aarde ten onder!
Gereformeerd Nederland moet zich die angst beslist niet laten aanpraten. Wij zijn immers in Gods hand?
Gereformeerden mogen, ook anno Domini 2018, het adagium van Psalm 104 hanteren:
“Al wat er in uw grote schepping leeft
wacht, HEER, op U, tot Gij hun voedsel geeft.
Ontsluit G’ uw hand, zij zamelen de gaven
waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven”[4].

Ook in 2018 mogen we weten dat Gods koningsmacht groot is.
Hij was het Zelf die die Joodse jongens in Babel trouw maakte.
Hij zal er ook Hoogstpersoonlijk voor zorgen dat wij trouw kunnen blijven in onze dienst.
Hij zal er voor zorgen dat wij gevoed worden, zodat wij energie hebben voor het werk dat wij moeten doen.

Zo kunnen wij vandaag bemoedigd gaan bidden!

Noten:
[1] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 29 en 30; geraadpleegd op dinsdag 6 maart 2018.
[2] De dominee in kwestie is K. Drost. De preek over Daniël 1 is gedateerd op zaterdag 15 november 1958.
[3] Geciteerd van https://weekzondervlees.nl/waarom-doen-we-dit/ ; geraadpleegd op dinsdag 6 maart 2018.
[4] Psalm 104:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.

28 oktober 2016

Niets meer te beleven?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Klaar met leven.
Een deprimerende term is dat. Die betekent: u staat aan het einde. Die betekent: het is bijna met u afgelopen. Einde. Uit.
Mensen die dit bedenken zijn arm.
Zulke gedachten zijn overigens helemaal niet nieuw. Ruim vier jaar geleden gebruikte men die uitdrukking ook al[1].

Op donderdag 27 oktober 2016 stond het in de krant: “Waarom zou er eigenlijk een leeftijdsgrens voor hulp bij zelfdoding moeten gelden? Wordt de stervenshulpverlener niet opgezadeld met een onmogelijke taak? Moeten we die hulp niet uitsluitend aan artsen laten, zodat misbruik wordt uitgesloten?
De Tweede Kamer heeft het kabinet woensdag groen licht gegeven voor de plannen voor stervenshulp aan mensen die vinden dat ze ‘klaar’ met leven zijn. Maar veel vragen, ook van partijen die stervenshulp bij ‘voltooid leven’ in principe mogelijk willen maken, blijven nog onbeantwoord”[2].

Ach, ik weet wel dat de betreffende wet er nog lang niet is. Er moeten nog adviezen worden ingewonnen. De Eerste Kamer moet er nog over vergaderen. En zo is er nog wel meer.
Maar er gaat een wissel om. Dat is zeker.

Hierboven schreef ik: mensen die dit bedenken zijn arm.

Persoonlijk hoor ik bij de rijke mensen.
Schrijver dezes is namelijk nooit klaar met leven.
Want het eeuwige leven nadert.

Het komt mij voor dat het juist is een waarschuwend woord te noteren.
Er komt namelijk een moment dat er een duidelijke scheiding tussen de mensen zichtbaar zal worden. Dan zien we
* de mensen met eerbied voor God
* de mensen die God hebben genegeerd.
Daniël zag die scheiding indertijd al in een profetie: “Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos”[3].
De bedenkers van de plannen voor stervenshulp aan mensen geloven dit natuurlijk niet. Gelukkig krijgt de kerk nog alle ruimte om deze waarschuwing te geven.
Laten wij van die gelegenheid gebruik maken!

Als het over leven gaat, moeten we het inderdaad ook over lijden hebben.
Over Christus’ lijden, bedoel ik.
In Zijn verhoging aan het kruis ligt namelijk onze redding. Denkt u maar aan Johannes 3: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde”[4].

Even verderop in Johannes 3 staat: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem”[5].
Hoort u opnieuw die waarschuwing?
Ziet u dat alarmrode licht?

Na deze harde aanzegging ga ik graag even naar een oude man.
Na het overlijden van zijn vrouw is hij alleen. De kinderen zijn al lang de deur uit, getrouwd, kinderen – huisje, boompje, beestje. En hij? Hij zou zo graag zijn vrouw nog eens zien. Hij zit thuis in zijn stoel. Alleen. Helemaal alleen. De klok tikt de minuten weg. Zo gaat dat – dagen, nachten, weken, jaren lang.

Laat ik ook nog even bij die oude vrouw langs gaan. In een rolstoel zit ze. Lopen lukt niet meer. Ze wordt verzorgd op een locatie waar alle zorgfaciliteiten onder één dak zitten. Maar wat is het leven lastig als je lichamelijk zo beperkt bent! En dat terwijl zij vroeger zo’n onafhankelijk type was.

Worden die man en die vrouw een beetje weggekeken? Nee, zeggen ze in Den Haag.
Maar als die man in zijn stoel en die vrouw in haar rolstoel er nu zelf klaar mee zijn…, moet je ze dat dan niet gunnen?

Laten we ’t elkaar voorhouden: alle mensen hebben een taak op deze aarde. Een door de Here vastgestelde taak.
De God van hemel en aarde geeft ons allemaal veel te doen op aarde.
En Hij geeft er woorden van vermaan en troost bij. Woorden zoals ze in 1 Johannes 5 staan: “Wie in de Zoon van God gelooft, heeft het getuigenis in zich; wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon. En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet”[6].

Geachte lezer, vanuit het standpunt van de seculiere burger is die term ‘klaar met leven’ wel te begrijpen. Want wat moet je doen op aarde, als er niks meer te beleven is?
Maar voelt u tegelijkertijd hoe belangrijk het is dat we als gelovigen duidelijk en onomwonden Gods Woord naspreken?

Het onderwerp van dit artikel staat dicht bij schrijver dezes.
Want ja, schrijver dezes heeft lichamelijke beperkingen die het leven soms reuze ingewikkeld maken.
En nu ik dit artikel schrijf, denk ik aan die ouderlingenconferentie. Het was op zaterdag 16 april 2016. Er werd gesproken over het huisbezoek, en hoe dat ingericht dient te worden. Men sprak onder meer over pastorale begeleiding van ouderen en mensen met toenemende beperkingen.
Er werd benadrukt dat wij Gods beloften moeten benoemen. Ambtsdragers mogen uitleggen, troosten, vermanen, memoreren. En ik weet nog wat ik toen zei.
Ik zei: “Broeders, misschien komt er ooit een moment dat ik vanwege mijn lichamelijke beperkingen niet meer goed kan uitleggen wat er in Gods Woord staat. Maar als dat moment komt, dan weet u wat ik altijd heb beleden”.
Dat zei ik.
Die woorden noteer ik vandaag hier. En ik vul ze aan met Psalm 102:
“Gij, dezelfde, gistren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen”[7].

Gods kinderen gaan nog wat beleven!

Noten:
[1] Zie mijn artikel ‘Nooit klaar met leven’; hier gepubliceerd op vrijdag 9 maart 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/03/09/nooit-klaar-met-leven/ .
[2] “’Hulpverlener moet haast God zijn’”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 oktober 2016, p. 2.
[3] Daniël 12:1, 2 en 3.
[4] Johannes 3:14-17.
[5] Johannes 3:36.
[6] 1 Johannes 5:11, 12 en 13.
[7] Psalm 102:13 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 augustus 2016

Ondoorgrondelijk oogmerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem”[1].
Dat is een volzin uit Daniël 2.

In dat hoofdstuk lezen we over de droom van Nebukadnezar. Alle geleerden, bezweerders en deskundigen op het gebied van occultisme worden ontboden.
De koning test al die experts. Hij wil wel eens zien wat hun mogelijkheden zijn. Hij wenst dat zij zowel de inhoud van de droom als de uitleg daarvan uiteenzetten.
De specialisten protesteren. Dat kan toch niet? Maar de koning houdt voet bij stuk.
Uiteindelijk komen al deze heidenen toch terecht bij de God van hemel en aarde.
En dan staat er: “Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels; Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben. Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem”[2].

De laatste zin van het bovenstaande citaat mag wel even onze aandacht hebben.
En speciaal wel dat ene woord: ondoorgrondelijk.

Daniël doet, als u het mij vraagt, in Daniël 2 iets bijzonders.
Hij barst uit in een lofprijzing, maar zegt tegelijkertijd dat de Here ondoorgrondelijke en verborgen dingen openbaart.
Natuurlijk – als wij in de eenentwintigste eeuw een prijs uitreiken, dan heeft iemand iets groots volbracht. Maar in dat geval weten wij op z’n minst ongeveer wat die meneer of mevrouw heeft gedaan. Wij weten zo’n beetje welk resultaat er is behaald. Dat kunnen wij uitleggen.
Daniël gebruikt hier het woord ondoorgrondelijk. En het begrip verborgen. De Herziene Statenvertaling vertaalt het Griekse woord voor ‘ondoorgrondelijk’ – ammiqata – met: diep. De hemelse God heeft, om zo te zeggen, een plan met diepgang. Onze Verbondsgod pakt de zaak in de kern aan.
Voor de meeste mensen in Daniëls tijd is dit alles mysterieus en onbegrijpelijk. Daniël zelf doorziet dat hier een wonder gebeurt. Alleen de woordvoerder van God krijgt onderwijs over het plan van God over de structurele veranderingen in de wereld. En alleen hij mag dat onderwijs doorgeven.

De God van het verbond heeft een ondoorgrondelijk oogmerk.
Het is belangrijk om dat in onze tijd vast te houden.

Niet zo lang geleden verscheen een Nederlandse vertaling van een boek uit 2013 over het ontstaan van het christendom[3]. Hoe kan het toch, vraagt dr. Jonathan Hill zich in dat boek af, dat het christendom – dat met een paar discipelen begon – uitgroeide tot de heersende godsdienst van het Romeinse Rijk? Oftewel: hoe is de uitbreiding van de kerk te verklaren?
Het probleem van de wetenschappers blijkt te zijn dat men dat niet alleen maar vanuit de geschiedenis kan uitleggen.
Gelovige mensen zeggen: welnu, Gods Woord is betrouwbaar. En daar staat het in. Lees dat maar. Dan komt u een heel eind verder.
Maar u begrijpt het al: zo simpel ligt dat voor die wetenschappers niet. Meneer Hill vraagt zich bijvoorbeeld af of alle gebeurtenissen die in Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes en Handelingen beschreven zijn, werkelijk zo zijn gebeurd.
Meneer Hill stelt vast dat de discipelen inderdaad in de opstanding geloofden. Maar, hoe kan het dat die discipelen die overtuiging gedurende heel hun leven vasthielden?
Een recensent schreef: “Hill beschrijft op een grondige en prettige leesbare manier het dagelijks leven van christenen, hun opvattingen en gebruiken (maar ook hun meningsverschillen). Het christendom kreeg in die eerste vier eeuwen een vaste vorm. Het overleefde vervolgingen; bisschoppen en concilies deden uitspraken over leer en leven, over orthodoxie en ketterij, over het bestuur van kerken en kloosters”[4].
Meneer Hill weet heel veel over die eerste tijd van de kerk. Maar hij lijkt niet te geloven dat Gods doen en laten ondoorgrondelijk is.
Als wij dat los laten, is het einde zoek. Want dan gaan wij aan zo ongeveer alles twijfelen. Wij moeten het, ook anno Domini 2016, vasthouden: de Here is ondoorgrondelijk. Niettemin verdient Hij alle lof.

Hoe komt het eigenlijk dat Gereformeerden wel geloven dat God ondoorgrondelijk is?
De Dordtse Leerregels geven ons een antwoord.
Ik citeer: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en godvrezenden daardoor een onuitsprekelijke troost”[5].
En:
“Aan hen die over deze genade van de onverdiende uitverkiezing en over de strengheid van de rechtvaardige verwerping opstandig spreken, houden wij deze uitspraak van de apostel voor: Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? (…). En deze van onze Verlosser: Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? (…). Maar wij aanbidden deze heilsgeheimen eerbiedig en roepen met de apostel uit: O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”[6].
Het is kortom, een kwestie van verkiezing of verwerping.
Nog altijd is het zo dat Gods heilsgeheimen alleen maar worden getoond aan door uitgekozen mensen: de uitverkorenen. En we mogen het weer zeggen: wat is Gods genade groot!

Maar er is ook een keerzijde.
Want de kerk heeft nu een grote verantwoordelijkheid. Het Woord van God moet nauwkeurig worden doorgegeven. Het Woord moet in de wereld worden geproclameerd.
En daarbij geldt: de Ondoorgrondelijke doorgrondt ons. En Hij vraagt rekenschap van onze daden. Wat is uiteindelijk het doel dat wij willen dienen? Dat gaat heel diep, zegt Hebreeën 4.
Leest u maar mee.
“Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”[7].

Wij staan, om het zo uit te drukken, met gebogen hals voor God.
We staan klaar om de genadeklap te krijgen. En die komt… niet.
De genade: die komt wel. Die kwam mee in het lijden, het sterven en de opstanding van onze Here Jezus Christus.
Hij heeft voor onze zonden betaald.
Dat is ondoorgrondelijk. Maar wel waar[8].

Noten:
[1] Daniël 2:22.
[2] Daniël 2:19-22.
[3] De gegevens van het bedoelde boek zijn: Jonathan Hill, “Christendom de eerste 400 jaar – hoe een Joodse sekte uitgroeide tot staatsgodsdienst”. – Heerenveen: Royal Jongbloed, 2016. – 420 p.
[4] Maarten Stolk, “Waarom de kerk het zo goed doet”. In: PuntKomma, katern van het Reformatorisch Dagblad, dinsdag 26 juli 2016, p. 11.
[5] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[6] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 18. De opstellers van de Nederlandse Geloofsbelijdenis citeren in de laatste zinnen van dit artikel Romeinen 11:33-36.
[7] Hebreeën 4:12 en 13.
[8] Bij het schrijven van dit artikel gebruikte ik een notitie die ik op zaterdag 13 juni 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 569 en is getiteld ‘Ondoorgrondelijk’.

7 juni 2016

Goddelijke deernis en daadkracht

Wij hebben – zo zegt Zondag 45 der Heidelbergse Catechismus – deze vaste grond, “dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft”[1].

Het is duidelijk: wij zijn Gods luisterend oor en Zijn zorgzaamheid niet waard.
En toch wil Hij ons verhoren.
Is dat niet prachtig?

Maar hoe kan dat eigenlijk?
Is het niet heel inconsequent dat de heilige God Zich bemoeit met een volk dat vuil en zondig is?
Gods zorg voor ons kunnen we alleen maar verklaren uit:
1. Gods wil
2. Gods barmhartigheid
3. Gods daadkracht
Die drie glorieuze eigenschappen van God vormen, als het goed is, de basis voor al onze gebeden.

Als het om ons gebed gaat, wijs ik u graag op Daniël 9.
Naar dat Schriftgedeelte verwijst Zondag 45 ons ook.
Ik citeer: “Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om des Heren wil. Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”[2].

Een uitlegger noteert bij Daniël 9 onder meer: “In dit vers gaat het bij ‘het verwoeste heiligdom’ om het verwoest zijn van de tempel als gevolg van Nebukadnessars inname van de stad – een vervulling van de verbondsvloek van Leviticus 26:31 en volgende –, maar elders in het boek duidt ‘verwoesting’ de ontheiliging van de tempel door de goddeloze koningen van de nog komende goddeloze rijken aan (…). Kennelijk staat het een in het verlengde van het ander”[3].
Het gaat dus om:
* straf voor Gods volk, wegens ongehoorzaamheid
* ontheiliging van Gods huis door het heidendom.
Daniël realiseert zich hoe zondig de wereld is. Hij doet een beroep op de wil van de Here, “om des Heren wil”.

De wil van de Here – wat kunnen wij daarover zeggen?
Laten wij Ezechiël 33 er even bij nemen: “Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?”[4].
Wij kunnen het, denk ik, zo samenvatten: waar de Here is, is leven.

Des Heren wil – zo heet ook een zoon van David.
U kent de geschiedenis, die in onze Bijbel in 2 Samuël 12 te vinden is, vast wel.
David heeft er, door een paar listige maatregelen, voor gezorgd dat Uria – de man van Bathseba – in de strijd om het leven komt. David had al overspel met Bathseba gepleegd; nu kan hij er ‘legaal’ met haar van door gaan!
De escapade van David en Bathseba heeft gevolgen: er wordt een zoon geboren. Maar de Here straft David en Bathseba: de boreling sterft. God straft de zonde.
Als er opnieuw een kind geboren wordt geeft de Here hem een speciale naam: Jedidja – dat betekent: om des Heren wil[5]. Salomo is een levend bewijs van Goddelijke vergevingsgezindheid!

Des Heren wil: onze God is een goede God, maar geen goeiige God.
Des Heren wil: dat betekent dat we moeten leven naar de wet van God.
Dan is er echt toekomst.
Toekomst die de Here Zelf creëert!

In 1 Petrus 2 gaat het ook over de wil van de Here.
“Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer”.
In de praktijk van het leven moet Gods volk laten zien waar het staat in de wereld. Kinderen van God vallen in een heidense wereld op door hun levensstijl. Gods kinderen leven voor hun Heer!
Des Heren wil – dat houdt in ieder geval in: heb het goede voor met alle mensen, toon liefde voor de kerk, wees Godvrezend en respecteer de overheid.

Thans keer ik spoorslags terug naar Daniël 9.

Daniël doet een beroep op Gods grote barmhartigheden.
Als het van mensen afhangt, zien we zonden. Wij zien afwijking van Gods geboden. We signaleren eigenzinnigheid. De chaos lijkt voortdurend groter te worden.
Maar wij mogen, net als Daniël, een beroep doen op Gods ontferming. Op zijn mededogen.

Daniël doet een beroep op Gods daadkracht.
Hij wil dat er wat gebeurt!
Hij wil dat de Here er wat aan doet!
En waarom? “Uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”. Gods naam is aan Zijn volk verbonden. Zijn eer moet hoog blijven!
Mij dunkt dat wij dat gebed anno Domini 2016 in de kerk niet mogen verleren.

Daarbij moeten wij het volgende goed vasthouden.
Een gebed dat door God verhoord wordt bevat:
* welgemeende woorden, vragen en wensen; wij behoren van harte te bidden
* blijken van kennis omtrent onze status; we moeten weten hoe groot de malaise en misère in ons leven zijn
* het besef dat de God verbond Zijn leven gunt; als wij wandelen met Hem gaan wij een heerlijke toekomst tegemoet!

Tenslotte nog dit.
Daniël 9 is een hoofdstuk vol getallen en tijdsaanduidingen:
* zeventig weken
* zeven weken
* tweeënzestig weken
* een week
* de helft van de week[6].
De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant D. de Jong schreef in verband met Daniël 9 eens: “Daniël kreeg (…) veel informatie uit de profetieën van Jeremia. Het ging maar niet om de precieze duur van de ballingschap, maar om het belijden van en vechten tegen de zonde. De rust die dan volgt, die sabbatsrust, wordt door het getal zeventig gesymboliseerd. Daar gaat het om.
Daniël deed daarom niet wat veel christenen in onze tijd graag doen. Hij zette niet allerlei berekeningen op om uit te vinden op welke datum bepaalde profetieën precies vervuld worden. Daniël verootmoedigde zich voor de HEER en beleed zijn eigen zonden en die van zijn volk”[7].
Het bovenstaande lijkt mij belangrijk voor ons. Want:
* wij moeten niet gaan berekenen wanneer God dit of dat gaat doen
* wij behoren tegen onze zonde te strijden
* wij mogen kinderlijk vertrouwen op Zijn barmhartigheid en heerlijke daadkracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] Daniël 9:17, 18 en 19.
[3] Zie: webversie van de Studiebijbel, uitleg bij Daniël 9:15-19.
[4] Ezechiël 33:11.
[5] 2 Samuël 12:24 en 25: “Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had hem lief: Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des Heren wil”.
[6] Daniël 9:24-27.
[7] Zie http://www.bijbelknopendoos.nl/kn18.htm ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2016. Dominee de Jong is emeritus-predikant van de Ebenezer Canadian Reformed Church te Burlington, Ontario, Canada.

25 februari 2016

Vluchtelingenproblematiek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het nieuws over de vluchtelingenproblematiek dreigt ons soms te overspoelen. De kranten staan er vol mee. In televisie- en radioprogramma’s wordt er schier eindeloos over gesproken.

Een rechtgeaard Gereformeerd mens vraagt zich wellicht af wat hij met al dat nieuws moet. Passende oplossingen lijken niet of nauwelijks voorhanden. De samenwerking in het Europese werelddeel is, als het om de opvang van vluchtelingen gaat, op z’n zachtst gezegd tamelijk moeizaam.

Gods Woord is, ook in onze tijd, geen handboek met oplossingen en protocollen. Wij mogen de Bijbel echter niet dicht laten. Ook in een tijd van oorlog, terreur en vluchtelingenstromen heeft onze God het te zeggen.

In Mattheüs 24 gaat het onder meer over vluchtelingen. Leest u maar even mee.
“Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.
Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen[1].

Over bovenstaand Schriftgedeelte wil ik vandaag gaarne enkele gedachten doorgeven.

Gods kinderen moeten volharden in hun geloof. Het is belangrijk om dat vast te stellen.
Er staat in Mattheüs 24 niet dat ware gelovigen steeds behoren te proberen om overzicht te houden over de gebeurtenissen in de wereld.
Dat kan namelijk niet. Ook de wereldleiders hebben geen exact overzicht van alle gebeurtenissen op aarde. Zij zetten enkele lijnen uit. En het kost die regeerders geweldig veel moeite om die lijnen evenwijdig te laten lopen.
Van Gods kinderen wordt volharding gevraagd. Er zal namelijk een moment komen dat de Heiland verschijnt: “Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”[2].
Al die berichten over die vluchtelingen moeten ware gelovigen richten op de wederkomst van Jezus Christus.
Moeten we dan maar over al de vluchtelingen van 2016 heen kijken? Nee. Natuurlijk niet. Maar onze blik moet ook in die wandelende mensenmassa’s blijven steken.

Het Evangelie van Gods Zoon zal in heel de bewoonde wereld geproclameerd worden. Dat Evangelie is een getuigenis, een marturion. Dat Griekse woord ‘marturion’ komt uit de rechtspraak. Het getuigenis is een bewijs vóór of tegen iemand.
Naarmate dat Evangelie in de wereld luider en indringender klinkt, wordt het bewijs dat Gods beloften werkelijkheid worden steeds harder.
Zolang de Heiland nog niet terug is op aarde, is er voor alle wereldburgers om zich te laten overtuigen.
In die situatie spreekt het bijna vanzelf dat mensen die reeds het eigendom van Jezus Christus zijn, metterdaad contact houden met hun Heiland. Zij weten immers dat Hij terugkomt om een nieuwe toekomst te openen?

De verschrikkingen die in Mattheüs 24 beschreven staan komen, om zo te zeggen, niet uit de lucht vallen.
De profeet Daniël spreekt er in het Oude Testament al over. In hoofdstuk 11 bijvoorbeeld: “Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt. En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen”[3].
Over die woorden van de profeet Daniël zou veel te schrijven zijn. Vandaag volsta ik met het volgende.
Het dagelijks offer in de tempel kan niet meer worden gebracht. Sterker nog: de tempel wordt op een schandelijke manier verontreinigd. De Here God wordt aan de kant geschoven; men zet er zijn eigen afgoden voor in de plaats.
Wordt de kerk dan volkomen weggevaagd? Zeker niet. Want ware gelovigen zullen krachtig wezen. In de kerk worden de activiteiten niet gestaakt. Integendeel. In de kerk is het een drukte van belang!

Gelovigen moeten vluchten, zegt Jezus in Mattheüs 24.
In sommige delen van de wereld is dat nu al het geval. En wellicht komt het in Nederland ook wel eens zover.
Misschien zullen ook wij ons eens uit de voeten moeten maken. Misschien moeten onze nakomelingen een schuilplaats zoeken in bergen, ravijnen en moeilijk toegankelijke rotspartijen.
Maar dat alles, geachte lezers, is geen reden om de zaak maar blauwblauw te laten.

De beelden van wanhopige vluchtelingen buitelen in de media over elkaar heen.
Misschien hebben wij, kerkmensen van 2016, de neiging om ons maar stil te houden. Wellicht menen wij dat het Woord van God in onze tijd niet meer verkondigd kan worden. Heeft evangelisatie in onze tijd nog wel zin?
Geachte lezers, ook in deze tijd is de boodschap voor de kerk: volhardt in het geloof; houdt Gods beloften vast!
Gereformeerde mensen – ja, ook zij – mogen vluchtelingen helpen waar zij kunnen.
Gereformeerden mogen laten blijken dat zij, dankzij dat Woord van God, in staat zijn om over de vluchtelingenproblematiek heen te kijken.
Er is perspectief.
Er is toekomst.

Daarom noteer ik nog één keer die prachtige woorden uit Mattheüs 24: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”.
Laat die woorden maar echoën in ons brein!
Laten die woorden het motto van de dag maar wezen!

Noten:
[1] Mattheüs 24:13-16.
[2] Mattheüs 24:29, 30 en 31.
[3] Daniël 11:31 en 32.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.