gereformeerd leven in nederland

4 oktober 2022

Daniëls droom wordt werkelijkheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

De droom die in Daniël 7 beschreven wordt roept allerlei vragen op. De kern van die vragen is wel deze: wat moeten wij vandaag met die droom beginnen?

Maar wij beginnen vandaag ergens anders. In Daniël 5 namelijk.
Daar lezen we: “Toen werd Daniël bij de koning gebracht. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Bent u die Daniël, een van de ballingen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda hierheen heeft gebracht?”. Daniël is blijkbaar op een zijspoor gezet. De aardse regeerders vinden de woordvoerder van God blijkbaar niet zo belangrijk meer. Maar God acht de taak van Daniël nog niet voltooid. Gods profeet gaat grote dingen zien![1]

Nu gaan wij weer naar Daniël 7.
Daar komen vier beesten uit de zee omhoog. Die beesten stellen vier koninkrijken voor.
Met name dat vierde koninkrijk is beangstigend. De hele aarde wordt vernield. Alles gaat kapot!
Maar dwars door alles heen behoren gelovige mensen vast te houden aan hun belijdenis: onze Heiland heeft alle macht, in heel de kosmos![2] 

De zee waarover het in dit hoofdstuk gaat, is geen echte zee. Het is een beeld van de volken op aarde. Die volken zijn voortdurend in beweging. Al die volken zijn heel druk bezig, met van alles en nog wat.
Die volkerenzee komen we ook tegen in Jesaja 17: “Wee, het rumoer van vele volken, ze razen als het razen van de zee; en wee, het gedruis van natiën, zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren. Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren, Hij bestraft het…”.
De zee is dus een symbool van de drukte van alle volken op aarde[3].

Het gerechtshof houdt in Daniël 7 zitting. De rechters zitten op tronen. Wij kennen die tronen ook uit Openbaring 4: “En rondom de troon stonden vierentwintig tronen. En op de tronen zag ik de vierentwintig ouderlingen zitten, bekleed met witte kleren, en met gouden kronen op hun hoofd”.
In Openbaring 4 gaan wij even terug in de tijd. We kijken naar de senioren uit het Oude Testament. Die veteranen staan als een wolk van getuigen om nieuwtestamentische kerkleden heen. Er wordt dus naar ons gekeken![4]

De Oudtestamentische gelovigen zijn al in de hemel. Wij zijn nog op aarde. Maar in Christus is dat één geheel. Dat blijkt uit Efeziërs 1. Daar schrijft de apostel Paulus: “In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid (…) om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is”.
Zeg het maar even zo: de ‘bovenafdeling’ en de ‘benedenafdeling’ van de kerk zijn al één. In Christus komen die afdelingen steeds dichter bij elkaar. Dat komt omdat Jezus Christus alle macht van Zijn Vader ontvangen heeft. De kerk erkent Zijn gezag. Wij weten het: Christus is het Hoofd van de kerk. De kerk is de plaats waar alles spreekt van Hem. Alles en iedereen wordt vervuld van de Heiland[5].

Jezus Christus komt uit de hemel. Hij komt “met de wolken van de hemel” staat in Daniël 7.
Hij komt dus niet omhoog uit de volkerenzee. Mensen die vandaag de dag gaan roepen: ‘Hier is Christus, hier moet u wezen’ zullen we dus zeer wantrouwend moeten benaderen. De Heiland komt niet vanuit het volk, maar van boven. Voor heel wereldburgers komt Hij uit onverwachte hoek. Maar de kerk weet: als wij Hem willen zien komen, moeten we naar boven kijken!

Daniël 7 leert ons de drukte van mensen van onze tijd te relativeren. ‘We leven in een spannende tijd’, zeggen wij vaak. En dat is waar. Maar de wereldgeschiedenis als geheel is heel enerverend. En wij weten toch hoe het afloopt? Paulus formuleert dat ook in 2 Timotheüs 2: “Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen”.
De Heiland prikt door onze drukdoenerigheid heen. Hij neemt ons mee naar Zijn toekomst. Daar heeft niemand lege portemonnees. Daar zijn hoofdpijndossiers uit de tijd.
Daniëls droom wordt werkelijkheid![6][7]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Daniël 5:13.
[2] Zie voor een uitwerking van het bovenstaande https://bderoos.wordpress.com/2022/10/03/ .
[3] In deze alinea citeer ik Jesaja 17:12 en 13 a.
[4] In deze alinea citeer ik Openbaring 4:4. Verder maak ik gebruik van: Dr. H.R. van de Kamp, “Openbaring – Profetie vanaf Patmos”. – Kampen: Kok, © 2000. – p. 165.
[5] In deze alinea citeer ik Efeziërs 1:7,8,10. Verder gebruik ik Efeziërs 1:22,23.
[6] In deze alinea citeer ik 2 Timotheüs 2:12,13.
[7] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdagavond, 6 oktober 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 7. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van haar inleiding.

3 oktober 2022

De versnelde film

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

In Daniël 7 heeft Daniël een droom. In die droom zijn we op zee. Daar stormt het, en niet zo’n klein beetje ook. Uit die zee komen vier indrukwekkende beesten omhoog.
Het eerste beest lijkt op een leeuw, maar hij heeft vleugels. Die vleugels doen denken aan een adelaar. Aan een roofvogel dus. Maar die vleugels worden er afgetrokken. Opeens wordt dat beest opgetild. En dan kan het staan, net als een mens. Het beest krijgt ook een menselijke geest.
Het tweede beest lijkt op een beer. Het staat op zijn achterpoten. En het heeft iets in z’n bek: drie ribben. Een stem zegt: eet veel vlees.
Het derde beest lijkt op een panter. Maar het heeft vier vleugels op zijn rug. Het heeft bovendien vier koppen. Een machtig beest!
En dat is er dat vierde beest. Dat is een klasse apart. Wie er naar kijkt wordt er bang van. Wat een kracht! Wat een tanden – die zijn nota bene van ijzer! Alles wat op zijn weg komt wordt verslonden en weggevaagd! Wie goed telt, ziet in totaal tien horens op dat beest. Terwijl Daniël naar dat verschrikkelijke beest kijkt, komt er nog een kleine hoorn tevoorschijn. Die kleine hoorn eist, terwijl die groeit, steeds meer ruimte op. Uiteindelijk worden drie horens van dat beest afgetrokken. Zo komt er plaats voor die groeiende hoorn. Op die nieuwe hoorn zitten mensenogen. Er zit ook een mond op. Er klinkt een stem – uit die mond komen ronduit goddeloze woorden. Er worden Godslasterlijke dingen gezegd. Die nieuwe hoorn blijkt een verschrikkelijke opschepper. Hij weet zogezegd alles beter![1]

De droom van Daniël gaat verder. Er worden tronen neergezet. Op één van die tronen gaat de Oude van dagen zitten. Dat is God. Hij is er altijd geweest en Hij zal er altijd zijn! De Man heeft hagelwitte kleren aan. Hij heeft ook heel wit haar.
De troon waar Hij op zit is heel bijzonder. Die troon is namelijk gebouwd van vuur. Zelfs de wielen zijn van vuur.
En dat is nog niet alles. Er stroomt een rivier bij God vandaan. Dat is niet een rivier vol water – nee, het is een en al vuur.
Denk niet dat de hoge God, in het wit en te midden van dat laaiende vuur, helemaal alleen is. Niets is minder waar. Hij heeft heel veel dienaren om Zich heen. Duizenden dienaren staan voor Hem gereed. Nee, nog meer: miljoenen zijn het er. Wat brengt God een massa dienaren op de been!  
En dan zien we de rechtbank. Er komt een rechtszaak aan. Die rechters gaan op de tronen zitten. Er gaan boeken open. En als Gods rechters dat doen, dan weet iedereen: alle onrecht gaat de wereld uit. Hoeveel list, bedrog en onbillijkheid er ook is: het verdwijnt helemaal![2]

De gevolgen blijven niet uit. Die nieuwe hoorn van hierboven wordt gedood. Die opschepper houdt op met praten. Het goddeloze gezwets stopt.
Er zijn natuurlijk nog drie beesten. Die worden ook gedood. Dat gebeurt echter niet meteen. Ze mogen nog even blijven leven. Maar het is duidelijk: die beesten hebben nu geen enkele macht meer[3].

En dan gebeurt er nog iets opmerkelijks. Er komt iemand aan die voor de troon van de Oude van dagen gaat staan. Het is Iemand: Jezus Christus!
Hij krijgt alle macht. Zijn positie wordt ongeëvenaard. Glorieus! Prachtig!
Hij wordt Koning. Voor eeuwig!
Dat Koninkrijk blijft voor altijd bestaan. Dat Koninkrijk is sterk en stabiel: niemand kan het vernietigen![4]

Wat betekent dit nu allemaal?
Daniël wordt er heel bang van. Maar er is iemand die Daniël geruststelt. Het volk van God zal Gods Koninkrijk ontvangen. Gods rijk is voor altijd hun thuis!
Daar begint het mee.
De uitlegger gaat verder.
Die vier beesten staan voor vier koninkrijken.
Dat vierde koninkrijk is uniek. Het is totaal anders dan die eerste drie. Dat vierde koninkrijk zal uiterst dominant zijn. Overal en nergens laat het zijn invloed gelden. De hele aarde wordt als het ware opgegeten. Verslonden. Opgeslokt. Alles wat opgebouwd is wordt een puinhoop.
Uit dat vierde koninkrijk komen tien koningen. En na die tien koningen komt er nog een elfde machthebber. Als hij aan bewind komt wordt alles anders. Die elfde koning maakt een enorme hoop kabaal. Hij is een geweldige blaaskaak. Hij overwint zijn voorgangers. Gods volk komt in groot gevaar. Die blaaskaak-koning zal proberen Gods plan te veranderen. Hij zal Gods volk doden.
Zou het die elfde koning ten langen leste lukken om de macht over te nemen?
Zou het die elfde koning lukken om de regeringsverantwoordelijkheid van God over te nemen?
Daar lijkt het wel op. Die elfde koning lijkt gedurende een behoorlijk lange tijd aan de winnende hand.
Maar dan komen die rechters in beeld.
Die elfde koning wordt kapotgemaakt. Verdelgd. Verpletterd. Er blijft niets meer van hem over.
Het volk van de allerhoogste God – dat krijgt de macht. De God van hemel en aarde wordt voor eeuwig en altijd Koning van de kosmos. Alle heersers zullen Hem gehoorzamen.
Dat is de realiteit waaraan in Daniël 7 gewerkt wordt![5]

Daniël is verbijsterd.
Het is allemaal teveel voor hem.
Heel de wereldgeschiedenis gaat in een versnelde film aan hem voorbij.
Het is eigenlijk geen doen om dit allemaal te bevatten.
Daniël is er ziek van.
Hij heeft teveel beleefd.
Het is allemaal te dol!

Wie Daniël 7 leest zal wellicht ook verzuchten: het is allemaal wel erg veel…
Maar in deze versnelde film wordt één ding duidelijk: de Here Jezus heeft alle macht. Ons geloof in Zijn verlossingswerk is niet vruchteloos!
Niet voor niets zegt Hij in Mattheüs 28: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen”[6][7][8].

Noten:
[1] Zie voor het bovenstaande Daniël 7:1-8.
[2] Zie voor het bovenstaande Daniël 7:9,10.
[3] Zie voor het bovenstaande Daniël 7:11,12.
[4] Zie voor het bovenstaande Daniël 7:13,14.
[5] Zie voor het bovenstaande Daniël 7:15-27.
[6] In deze alinea citeer ik Mattheüs 28:18,19,20.
[7] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdagavond, 6 oktober 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 7. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van haar inleiding.
[8] In de periode september 2021 tot april 2022 zijn de eerste zes hoofdstukken van het Bijbelboek Daniël op deze internetpagina aan de orde gekomen. De betreffende artikelen zijn te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2021/09/29/ (Daniël 1), https://bderoos.wordpress.com/2021/11/11/ (Daniël 2), https://bderoos.wordpress.com/2021/12/06/ (Daniël 3), https://bderoos.wordpress.com/2022/02/03/ (Daniël 4), https://bderoos.wordpress.com/2022/03/03/ (Daniël 5) en https://bderoos.wordpress.com/2022/04/12/ (Daniël 6).

12 april 2022

Paasprofeet Daniël

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Het verhaal over Daniël die in de leeuwenkuil geworpen wordt kennen velen.
Koning Darius wordt, onder sterke druk van zijn medebestuurders, ertoe gedrongen een gebod uit te vaardigen dat alleen hij een maand lang aanbeden mag worden. Wie dat niet doet, zal in de leeuwenkuil geworpen worden. De bestuurders gaan ervan uit dat Daniël dat gebod zal overtreden. En dat gebeurt ook. Daniël blijft trouw aan God. Hij blijft bidden. En hij maakt er geen geheim van dat hij dat doet. Zo komt Daniël in de leeuwenkuil terecht.

Ten diepste zien wij in dit hoofdstuk een strijd tussen de satan en onze God. En het wordt duidelijk: de God van hemel en aarde staat op winst. Daniël meldt het vanuit de kuil: “O koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft Zijn engel gezonden en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden. Ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan”.
De koning is enorm blij dat Daniël nog leeft.
Het slot van het hoofdstuk spreekt van Goddelijke triomf: “Vervolgens beval de koning en men haalde die mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen. Toen schreef koning Darius aan alle volken, natiën en talen die op heel de aarde woonden: Moge uw vrede toenemen! Er wordt door mij bevel gegeven dat men in heel het machtsgebied van mijn koninkrijk zal beven en sidderen voor het aangezicht van de God van Daniël, want Hij is de levende God, en houdt voor eeuwig stand. Zijn Koninkrijk gaat niet te gronde, en Zijn heerschappij duurt tot het einde. Hij verlost en redt, Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde, Hij, Die Daniël heeft verlost uit de klauwen van de leeuwen”.
Dus: de beschuldigers worden gestraft. En Darius looft de reddende kracht van God[1].

Belangrijke leiders in de wereld namen aan Daniël een voorbeeld.
Mathatma Ghandi (1869-1948), nationaal en spiritueel leider van India, was een verklaard voorstander van geweldloos verzet. Daniëls manier van doen sprak Ghandi aan: “Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan”. Zo moet men onrecht aan de kaak stellen, zei Ghandi.
Dominee Martin Luther King (1929-1968), prominent lid van de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging, vond in Daniël “een voorbeeld van persoonlijk geloof en verzet tegen onrechtvaardige wetten, politieke onderdrukking en sociale uitbuiting. Daniël weigert zich te conformeren aan de wetten van de koning of het politieke systeem. Ook is hij bereid de consequenties daarvan, het lijden, te aanvaarden”. Zo wordt, zei de activistische predikant, de onrechtvaardigheid ontmaskerd.
Nodigt Daniël 6 ons uit tot pacifisme? Nee, dat niet. Het gaat in dit hoofdstuk niet over wapens die al dan niet worden neergelegd. Wel leren we dat wij niet klaar zijn als er vrede met de wereld is. Hier draait het om vrede met God. Hier draait het om ons vertrouwen dat de Koning van de kosmos de wantoestanden op aarde rechtzet. Moeten wij dan maar in een hoekje zitten om te kijken hoe het afloopt als de Heer van hemel en aarde ingrijpt? Nee. Maar we moeten ons wel realiseren dat wij instrumentarium in Zijn hand zijn[2].

De geschiedenis van Daniël laat ons zien welke Goddelijke krachten er loskomen als er vrede met God is.
Vrede met God – hoe krijgen we die? Antwoord: door ons eensgezind rond Jezus Christus te groeperen en met Hem te leven. Samen mogen en moeten wij Hem loven en prijzen. Iedereen die aan dat loven en prijzen mee wil doen, is in de kerk welkom. Sterker: ieder die dat wil behoort zo snel mogelijk naar de kerk toe te komen. Zo zit in Daniël 6 ook een oproep tot eenheid van allen die bij Hem horen!
Waarom loven we onze Redder? Daarop kunnen we antwoorden: Hij maakt de beloften waar die in oude tijden aan Zijn volk gedaan zijn.
Gods volk woont in heel de wereld. Het is niet maar een kwestie van de Israëlieten van vroeger of bijvoorbeeld de Israëliers van de eenentwintigste eeuw. Dat is al heel vroeg in de geschiedenis volkomen helder. Mozes zingt in Deuteronomium 32:
“Juich, heidenen, met Zijn volk!
Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.
Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,
en Zijn land en Zijn volk verzoenen!”.
David zingt er ook in Psalm 18 over:
“Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid”.
Ook Psalm 117 wil ons duidelijk maken dat Gods heilige greep wereldomvattend is:
“Loof de HEERE, alle heidenvolken;
prijs Hem, alle natiën.
Want Zijn goedertierenheid is machtig over ons;
de trouw van de HEERE is voor eeuwig.
Halleluja!”.
De profeet Jesaja zegt in hoofdstuk 11: “Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn, Die zal staan als banier voor de volken. Naar Hém zullen de heidenvolken vragen. Zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.
Kleine Gereformeerde kerken in Nederland maken deel uit van Gods wereldwijde werk![3]

Er is vrede met God.
Niet vanwege het werk van Daniël.
Maar in zijn werk zien we wel de schaduw van Christus’ werk.
Daniël heeft te maken met een wet van Darius. Die Darius is teleurgesteld en ietwat verdrietig omdat hij, om zo te zeggen, in zijn eigen net gevangen is.
Jezus Christus staat tegenover Pilatus. Laatstgenoemde wringt zich in allerlei bochten om Jezus van rechtsvervolging te ontslaan. Maar dat lukt hem niet. Uiteindelijk veroordeelt de stadhouder tot de kruisdood.
Daniël brengt de nacht door in een leeuwenkuil.
Het graf van Jezus Christus wordt verzegeld.
Maar er is tenminste één groot verschil.
Daniël komt ongeschonden uit de leeuwenkuil. Maar onze Heiland komt er niet zonder kleerscheuren van af. De leeuwen hebben Jezus niet verslonden. Er is wat ànders gebeurd! Om met 1 Corinthiërs 15 te spreken: “En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus”.
Wie de geschiedenis van Daniël leest, schakelt zonder moeite door naar Pasen![4][5]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Daniël 6:22 b,23 en Daniël 6:25-28.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Daniël 6:11. Verder citeer ik van https://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/192821-het-verhaal-van-daniel-in-de-leeuwenkuil-en-zijn-betekenis.html Verder gebruik ik https://nl.wikipedia.org/wiki/Mahatma_Gandhi en https://nl.wikipedia.org/wiki/Martin_Luther_King . Deze websites zijn geraadpleegd op maandag 11 april 2022.
[3] In deze alinea citeer ik Deuteronomium 32:43, Psalm 18:49-51, Psalm 117, Jesaja 11:10.
[4] In deze alinea citeer ik 1 Corinthiërs 15:54-57. Verder gebruik ik https://www.hervormdbrandwijk.nl/meditaties/uit-de-leeuwenkuil-ontkomen-daniel-617-25/ ; geraadpleegd op maandag 11 april 2022.
[5] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen aanstaande donderdag, 14 april 2022, een bespreking wijdt aan Daniël 6. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.

7 april 2022

Climax in Verbondsverkeer

Het eindgericht is een gebeurtenis die ons troosten kan. Niet zelden zijn we er, diep in ons hart, een beetje bang voor. Zouden we er wel dóórkomen?
Maar er is hoop.
Dat wordt – bijvoorbeeld – duidelijk in Jesaja 66.
Het gaat daar over het laatste oordeel. Maar ook over de tijd daarvóór.
Het gaat onder meer over Israëlieten die terug zullen keren uit de ballingschap.
De beelden lopen wat door elkaar.
De tijd waarin deze profetie gesproken werd moet voor Jesaja en zijn luisteraars nogal verwarrend zijn geweest. Gereformeerden van 2022 roepen weleens dat ze in moeilijke tijden leven. Dat moge zo zijn, maar in Jesaja’s tijd was het allemaal óók niet gemakkelijk.
Hoe dat zij – laten we het goed voor ogen hebben: Jesaja geeft troostrijke woorden van de Here door.
En het wordt volstrekt helder: de Verbondsgod kijkt dwars door de tijd heen. Ja, Zijn blik gaat over tijdperken heen.

Welnu – als de Here dwars door de tijd heen kijkt, dan ziet Hij ons nu ook. En ook vandaag wil Hij dichtbij ons zijn.
Hij wil in ons hart wonen.
En wij mogen in het gebed tot Hem naderen.
Tot Hem naderen: dat is een wat ouderwetse, een wat statige uitdrukking. Maar het gaat dan ook om de heilige God.

Tot Hem naderen: dat doen wij in ons gebed. We zonderen ons van de wereld af en concentreren ons op Hem.
In onze eeuw is men in staat om zelfs over dat gebéd nog ruzie te maken.
Ooit – het was ergens in 2006 – kwam in het nieuws: “In de gemeenteraad van Dirksland is een rel ontstaan over het ambtsgebed. Het nieuwe PvdA-raadslid Henk Huber weigert deel te nemen aan het gebed, dat de burgemeester voor en na elke raadsvergadering uitspreekt. Als het aan Huber ligt, belandt die traditie nog vandaag in de prullenbak. Partijen als SGP en ChristenUnie in de Flakkeese gemeente zijn boos en verwijten de PvdA’er ‘onbeschoft en disrespectvol’ gedrag”.
In een dergelijke situatie is het maar beter niet in het openbaar te bidden.
Want wie in het gebed tot Hem naderen wil, moet dat vooral eerbiedig doen. Iedereen mag bij de Here komen. Maar als dat gaat geschieden in een sfeer van ‘ze bidden hier, en ik ben er toevallig ook bij’ – dan is er weinig begrip van de ‘entourage’ van een gebed.
Wat is die ‘entourage’? Bidden staat gelijk aan het betreden van de troonzaal. We komen binnen in de ruimte waar de Koning zetelt. Daar horen geen lange gezichten bij. Daar is tegenzin misplaatst, en narrig gedrag uit den boze. Dat komt – letterlijk! – bij de duivel vandaan.

Wij moeten Hem, zoals dat in de Heidelbergse Catechismus heet, “van harte aanroepen”.
En als we gaan bidden, kan dat niet anders dan in het besef dat wij kleine en onmachtige mensen zijn die alles van God moeten krijgen. Van onszelf maken wij er helemaal niets van.
Als we met zo’n houding bidden, dan wordt ons gebed verhoord[1].

Waarom weten we dat zo zeker?
Omdat we dat in de Bijbel lezen.
Denkt u maar eens aan Daniël.
Hij kwam niet bij God omdat hij zo’n nette en integere functionaris was. Hij kwam bij Hem omdat Hij een instrument was in Gods hand.
Daniël naderde tot God met een beroep op Zijn barmhartigheid. Leest u maar mee: “Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw dienaar en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is. Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen”.

Als wij bidden doen wij een beroep op Gods genade.
Dat hebben we niet zelf georganiseerd.
Nee, het is het gevolg van Gods keuze.
Het is een gevolg van de uitverkiezing: het feit dat we uitgekozen zijn om een Goddelijke opdracht uit te voeren, een dienstorder van hemels niveau.
En voor al die geloofsactiviteit krijgen wij alles wat we nodig hebben[2].

Laten wij elkaar in dit verband wijzen op Johannes 15: “Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”. De dingen die we krijgen staan op naam van de Christus. Want Hij heeft ze voor ons betaald. Hij heeft ze, om zo te zeggen, voor ons klaar laten leggen[3].

Maar hebben wij dan zelf niets in te brengen? Hélemaal niets??
Jawel. Toch wel.
De geloofsactiviteiten die we ontplooien zijn geen uitvloeisels van een zakelijke overeenkomst. We werken in liefde.
We hebben, als het goed is, de Here lief. Ons hele leven lang. En Jezus is duidelijk: “Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden”.
En: “Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb”.
Dat is ook Johannes 15!
Bidden: dat doen we ten principale omdat we uitgekozen zijn. En gaandeweg gaat ons bidden met meer Geestdrift gepaard – met een hoofdletter G. Want Gods Geest werkt in ons hart. Bidden – dat zit zogezegd in Gods keuzeprincipe. Het zit ‘m in de uitverkiezing![4].

Nu we dat weer even hebben ‘opgefrist’, weten we ook weer dat Gods kinderen niet bang hoeven te zijn voor het eindgericht. Zij zijn immers door God uitgekozen?
Wij beseffen ook dat wij, als we gaan bidden, dat niet overal en nergens moeten gaan doen. Bidden: dat doen we niet waar Jan Rap en zijn maat bij zit.
Bidden: dat zijn de hoogtepunten in het contact tussen de tronende God en Zijn uitverkoren volk.
Bidden: dat is het culminatiepunt van het Verbondsverkeer![5]

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 45, antwoord 117.
[2] In deze alinea gebruik ik Daniël 9:17-19.
[3] In deze alinea citeer ik Johannes 15:16,17.
[4] In deze alinea gebruik ik Johannes 15:9-12.
[5] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat ik zo’n 16 jaar geleden schreef. Het artikel is gedateerd op donderdag 18 mei 2006.

3 maart 2022

Gewogen en te licht bevonden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De term die boven dit artikel staat kennen wij allemaal. De uitdrukking betekent dat wij niet door de keuring komen. Of ook: wij zijn niet goed genoeg en het gaat niet goed met ons aflopen. De bekende uitdrukking is in oorsprong afkomstig uit Daniël 5. Daar duidt die zegswijze op de straf voor de ontkenning van Gods almacht. In dat hoofdstuk volgt die straf op zelfgenoegzaam zwelgen in menselijke macht.
Als wij Daniël 5 gaan lezen draait het ten diepste om de vraag: wat is onze diepste motivatie in het leven? De vragen zijn: waarom doen wij de dingen die wij doen? en: waarom doen wij de dingen zoals wij ze doen?

Laten wij eerst even kijken naar het grotere geheel van het Bijbelboek Daniël.
”De gebeurtenissen in de voorgaande hoofdstukken van het dit Bijbelboek vonden plaats onder het koningschap van Nebukadnezar. Onder hem groeide het Babylonische rijk en werd het een grote eenheid. Nebukadnezar stierf in het jaar 562 voor Christus na een regering van drieënveertig jaar. De daarop volgende jaren, tot aan de verovering van Babel door Kores in het jaar 539 voor Christus, werd dit rijk gekenmerkt door een steeds groter verval en moord. Nebukadnezar werd opgevolgd door zijn zoon Evil-Merodach (…), die slechts twee jaar regeerde, van 562-560 voor Christus. Aan zijn regering kwam een einde omdat hij werd vermoord door de schoonzoon van Nebukadnezar, Nergal-Sarezer (…). Deze man regeerde vier jaar. Volgens de ongewijde geschiedenis werd hij opgevolgd door zijn zoon die na enkele maanden regering werd vermoord. Nabonidus wordt dan koning over Babel. Hij regeerde zeventien jaar, van 556-539 voor Christus. Belsazar was zijn oudste zoon. Hij was de mederegent van zijn vader. Dat verklaart waarom hij in het eerste vers van Daniël 5 ‘koning’ wordt genoemd en koninklijke autoriteit uitoefent, terwijl Nabonidus de eigenlijke koning is”[1].

Wat gebeurt er in Daniël 5?
Koning Belsazar geniet van zijn grote macht. Er komt een groot feestmaal, voor al zijn machthebbers. De macht stijgt hem naar het hoofd!
Een uitlegger schrijft: “Babel is omsingeld door de legers van de Meden en Perzen die op het punt staan de stad in te nemen. In het zicht van die doodsdreiging organiseert Belsazar een enorm feest. Hij spot met God en met de dood”[2].
Het lijkt wel alsof Belsazar zeggen wil: kom maar óp met die dood; de dood doet mij niks…

In dit hoofdstuk zijn Belsazar en de zijnen druk doende om God uit de wereld te verbannen. De almachtige Heer van hemel en aarde wordt, om zo te zeggen, op een prettige wijze weggeregeld. Daarmee gaat men natuurlijk rechtstreeks tegen Gods gebod in. Denkt u slechts aan Deuteronomium 5: “U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is”.
Die woorden uit Deuteronomium 5 zijn al heel oud. Maar ten principale  wijzen ze op een sfeer die wij in onze maatschappij maar al te goed herkennen.
Een uitlegger beschrijft die als volgt: “Beleef je ideaal! Maak waar wat je wilt en voelt! Je leeft nu. Leef daarom het leven dat je wilt leven. Gebruik daarvoor gerust anderen, al gaan ze er ook aan kapot. Misbruik wat voor anderen dierbaar is, ook al kwets je ze daarmee diep. Het gaat toch om jouw ‘geluk’, jouw ‘recht’ op geluk?”.
De Nederlands Gereformeerde dominee W. Dijksterhuis vatte in een preek over Daniël 5 de sfeer treffend samen: “Koning Belsazar zou goed in onze tijd passen. Hij moet alleen afleren koning te willen zijn, want iedereen is zelf koning in onze tijd, hij moet niets meer van ‘Bel’ [een Babylonische afgod – BdR] verwachten. Want velen zijn hun eigen god in deze tijd. Maar verder past het wel”[3].

In Daniël 5 gebeurt, op de keper beschouwd, iets angstwekkends. Een mysterieuze hand schrijft op één van de wanden. De Chaldeeën en de toekomstvoorspellers worden er bij geroepen. De koning probeert het met de wijzen in zijn land. Misschien kunnen ze nu…  Maar nee, ze kunnen er niks mee.
In wiens opdracht wordt er op de muur geschreven? Antwoord: de Here heeft de dienstorder daarvoor gegeven. Daniël zegt het onomwonden: “U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw paden toebehoren, niet verheerlijkt. Daarom is door Hem het gedeelte van de hand gezonden en dit schrift geschreven”.
Dat is dezelfde God die in Exodus 31 de wet op twee tafelen heeft genoteerd. De Here maakt hier heel direct duidelijk: wie Mijn wet negeert, krijgt met Mij te maken![4]

De koning schrikt. Ook zijn mede-regeerders worden ongerust.
De koning heeft een gedegen kennis van de familiegeschiedenis. Hij weet heel best hoe die historie eruit ziet. En ook hoe diep Nebukadnezar indertijd weggezakt was. Nebukadnezar daalde af tot het niveau van een grazende koe.
Maar nee, de koning roept Daniël er niet uit eigen beweging bij. De koningin wijst hem erop dat hij Daniël er bij kan halen. Dat gebeurt ten langen leste ook. Belsazar wil het duidelijk zonder Daniël doen. En vooral ook: zonder God. Maar dat lukt dus niet.
Laten wij het maar bedenken: zonder God lukt ons ook nooit wat!

Zodoende wordt Daniël ontboden. Koning Belsazar stelt een forse beloning in het vooruitzicht.
“Ik echter heb over u gehoord dat u uitleggingen kunt geven en knopen kunt ontwarren. Nu, als u het schrift kunt lezen en mij de uitleg ervan laat weten, zult u gekleed worden in purper, een gouden keten om uw hals krijgen, en zult u als derde heersen in het koninkrijk”.
Met het einde van Nebukadnezars regeerperiode was Daniël zijn hoge positie ook kwijt geraakt. Wat een beproeving moet dat voor Daniël zijn geweest: Nebukadnezar weg, en hijzelf ook aan de kant gezet… Maar hij kan zijn hoge positie terugkrijgen! Belsazar kan dat wel regelen…
Goddeloosheid, machtswellust, materialisme – die wisselen elkaar in Daniël 5 in rap tempo af.

De  geschiedenis is wel bekend.
Daniël legt uit wat het schrift op de muur beduidt. Belsazar geeft orders om Daniël zijn hoge positie terug te geven.
De verhoging van Daniël is des konings laatste regeringsdaad. De koning is gewogen en te licht bevonden. Hij heeft gefaald!
Meteen daarna overlijdt Belsazar. Wij zien hier een concrete invulling van Spreuken 29:
“Wie na bestraffingen halsstarrig is,
zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn”.
God triomfeert![5]

Wat is een les die wij uit Daniël 5 kunnen trekken?
In april 1995 preekte de Nederlands Gereformeerde predikant W.G. Rietkerk over enkele verzen uit Daniël 5. Hij sprak woorden die het nog altijd waard zijn om er de aandacht op te vestigen.
“God is een God die telt, God is een God die weegt, en God is een God die breekt. Dat is het eerste wat toch uit dit hoofdstuk naar voren springt. Hem ontgaat niets van ons leven, geen dag, geen blik, geen woord, geen daad. Hij toetst onze daden en Hij weegt ze, iedere dag. En Hij toetst ons en Hij zegt: En wat stond er deze week in het centrum van zijn of haar leven, van mijn leven? Waar draaide het om, wat waren uw diepste motieven? Hij kijkt dwars door ons heen. En als Hij ziet hoe verworden dat is, dan komt Hij met Zijn gericht. Hij telt, Hij weegt en Hij breekt. Wij kunnen voor Zijn heilig aangezicht niet bestaan. Als God onze daden weegt, dan wordt alles doorgelicht, en dan worden we te licht bevonden”.
En:
Het is een groot wonder “dat God tot vijf voor twaalf nog blijft aankloppen bij zo’n decadente cultuur, bij Belsazar. Dat is een groot wonder en een diepe heenwijzing: de heilige God is een God Die geen welgevallen heeft aan de dood van een zondaar! Alleen daarin dat hij leeft, dat hij zich bekeert. En ook het gezicht van die God wordt zichtbaar in de balzaal van Belsazar. Maar Daniël kan alleen oproepen tot bekering, Jezus deed meer. Het is eigenlijk ongelooflijk wat daar gebeurd is in de laatste lijdensweek. Daar is geteld, daar is gewogen, smartelijk geteld en smartelijk gewogen, en toen was daar de hof van Gethsemane. En in de hof van Gethsemane daar heeft Jezus geworsteld dat Hij het gericht van God over die gevallen mensen op Zich zou nemen. En heeft Hij Zich geschikt ten offer. Hij heeft tegen de Vader gezegd, tenslotte: ‘Ik ben gereed, neem Mij’. Zodat er van nu af aan voor iedereen vrijspraak is. Vrijspraak voor wie gelooft”.
Wie op deze lijn zit kan, ondanks alles, toch blij worden van Daniël 5![6][7]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 86; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Deuteronomium 5:7,8. Verder citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 87; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[3] In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 89; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022. En van https://wiebdijksterhuis.files.wordpress.com/2015/07/daniecc88l-5-e28093-preek-e28093-ngkee28093-17-6-2016-web.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 19 februari 2022.
[4] In deze alinea citeer ik Daniël 5:23b,24. Verder gebruik ik Exodus 31:18.
[5] In deze alinea citeer ik Spreuken 29:1.
[6] In deze alinea citeer ik uit een preek over Daniël 5:26-28 van de Nederlands Gereformeerde predikant W.G. Rietkerk. De preek is gedateerd op zondag 9 april 1995. Te vinden op http://kolesqueeste.nl/rietkerk/html/preken/DANIEL.htm#5 ; geraadpleegd op vrijdag 18 februari 2022.
[7] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, donderdag 3 maart 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 5. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Zij zal tijdens de vergadering een korte inleiding houden. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.

3 februari 2022

De nederigen geeft Hij genade

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

In ons leven moeten wij in nauw contact met God staan. In ons gebed, bijvoorbeeld. Met woorden uit de Heidelbergse Catechismus mogen en moeten wij bidden: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden, en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten. Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”.
Er is veel energie-van-bovenaf nodig om ons overeind te houden in deze woelige wereld![1]

Waarom is dat gebed zo nodig? Antwoord: omdat mensen van zichzelf hoogmoedig zijn. Dat zien wij in Daniël 4.
De geschiedenis die we in dat hoofdstuk lezen is wel bekend. Koning Nebukadnezar droomt over een grote boom in het midden van de aarde. Die boom is overal ter wereld zichtbaar. De boom verschaft voedsel en onderdak alle schepselen die er in deze wereld zijn. Dan komt er een heilige wachter uit de hemel. Die wachter hakt de boom om.
Die boom is Nebukadnezar zelf. Gods oordeel over de koning liegt er niet om: “Laat zijn hart worden veranderd, zodat het niet meer dat van een mens is, laat hem het hart van een dier worden gegeven. Laten er zeven tijden over hem voorbijgaan”. Kortom, de koning wordt krankzinnig.
Voor de goede orde: tussen de droom van Nebukadnezar en diens geestesziekte zit een jaar.
Des konings waanzin duurt zeven lange jaren. Daarna krijgt de koning zijn verstand terug. Zijn koninkrijk en zijn macht worden hersteld. Nebukadnezar komt met een lofprijzing: “Ik, Nebukadnezar, prijs, roem en verheerlijk nu de Hemelkoning, omdat al Zijn daden waarheid zijn en Zijn paden gerechtigheid: Hij is in staat te vernederen wie in hoogmoed hun weg gaan”[2].

Hoogmoed is dus uit den boze. Maar wat moeten wij dan wel doen?
Antwoord: wij mogen en moeten rekenen op Gods genade.

Dat leren wij bijvoorbeeld in Spreuken 3:
“De vloek van de Heere rust op het huis van de goddeloze,
maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen.
De spotters zal Híj wel bespotten,
maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.
Wijzen zullen eer ontvangen,
maar dwazen laden schande op zich”.
U ziet hierboven dat accentje op ‘Hij’: “De spotters zal Hij wel bespotten”. De boodschap van die woorden is in ieder geval: wij hoeven niet alles uit de kast te halen om mensen die God hoogmoedig tegemoet treden tot de grond toe af te branden. Natuurlijk – we mogen er bij tijd en wijle best wat van zeggen. Maar het is geen schande om bij de stillen in den lande te horen. Ten langen leste zal de hemelse God ingrijpen!

De apostel Jacobus schrijft in hoofdstuk 4 van zijn algemene brief: “Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift: God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten”.
Eén van onze hoofdtaken op deze aarde is dus: voortdurend vragen om Gods genade. Als wij bij Hem aankloppen, deinst de duivel terug. Want hij wil vooral niet bij God wezen. De duivel weet: in een strijd tegen God delf ik gegarandeerd het onderspit. De duivel weet: mensen die bij God horen behoor ik met rust te laten; want zij genieten Gods persoonlijke bescherming[3].

Als het goed is, hebben Gereformeerden altijd een zekere bescheidenheid over zich.
De apostel Petrus schrijft daarover in zijn eerste brief: “Evenzo, jongeren, wees aan de ouderen onderdanig; en wees allen elkaar onderdanig. Wees met nederigheid bekleed, want God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade”.
Het valt op dat Petrus met de jongeren begint. Jongeren zijn energiek. Niet zelden willen zij de wereld structureel veranderen. Trouwens, wij allen zien het onrecht in de wereld. De oneerlijkheid en onachtzaamheid van overheden, de criminaliteit – met name in grote steden –, machthebbers die het contact met het gewone volk verloren lijken te hebben enzovoort. Wie op de televisie of in de krant de beelden van demonstraties of stille tochten ziet, heeft soms wellicht de neiging om mee te lopen. Toch doen we dat in de regel niet.
Waarom niet?
Wij weten dat onze God alles in Zijn hand heeft. Hij moet uiteindelijk voor de oplossing zorgen. Bovendien weten wij dat tijdens demonstraties allerlei vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid worden gepraktiseerd. Daar willen Gods kinderen ver vandaan blijven!
Petrus leert ons: wij hoeven niet zo nodig de eerste viool te spelen.

Nebukadnezar spreekt over “de tekenen en wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft”. Hij kent God heel goed. Zijn eerdere ervaringen met de hoge God staan de koning nog helder voor de geest.
En toch acht Nebukadnezar zijn leven en positie zonder God groots en meeslepend. Het lijkt wel of hij de waarde van zijn eerdere ervaringen niet peilt. En in ieder geval ook: niet peilen wil. Hoe komt dat toch? Antwoord: de hemelse Heer maakt het hart van Nebukadnezar hard. Het hart van de koning wordt volstrekt ontoegankelijk voor Gods Woord. Net als bij de Egyptische farao in Exodus 7, waar de Here tegen Mozes zegt: “Ú moet alles wat Ik u gebieden zal tegen Aäron zeggen, en Aäron, uw broer, moet tot de farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan. Maar Ík zal het hart van de farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken”. Ziet u de tegenstelling tussen Gods kinderen en de ongelovigen? Laten wij maar zonder omwegen constateren dat God die tegenstelling creëert.
De profeet Jeremia zegt in één van zijn gebeden: “U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder de andere mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is. U leidde Uw volk Israël uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden”.
Gereformeerden denken niet vaak in termen van tekenen en wonderen. Wij vinden dat al gauw wat te evangelisch. Maar de vraag is vervolgens wel of tot ons doordringt welke dingen de Koning van de kosmos doet: in ons persoonlijke leven, in de kerk, in de omgeving waar wij wonen, in het land waarvan wij burgers zijn.
Wat voor bijzonders heeft de Verbondsgod in ons leven gedaan?
Hoe is Gods werk te zien in het kerkelijk leven?
Hoe komt dat Nederland zo’n geseculariseerd land geworden is?
Dat zijn vragen die wij best eens zo concreet mogelijk mogen beantwoorden[4].

Koning Nebukadnezar heeft het heel goed met zichzelf getroffen. Hij beseft eens te meer: ik ben de hoogste machthebber in het grote Babel.
Maar dan klinkt daar opeens een stem van bovenaf: “U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!”.
Dat klinkt als het tegengestelde van de woorden die wij in Mattheüs 3 uit de hemel horen. U weet wel: “En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!”. Nebukadnezar wordt verlaagd tot dierlijk gedrag. Onze Here Jezus Christus wordt aan een kruis gehangen. Als iemand van laag allooi. Als een crimineel eerste klas. Maar Hij draagt onze zonden. Nu zijn wij verlost. God heeft ons wel gedaan![5]

Zo kunnen wij de toekomst in.
Misschien stemt Daniël 4 ons wel somber. Wat een hoogmoed! Wat is die koning van Babel een praalziek type! En als we de wereldgeschiedenis bekijken wordt het allemaal weinig beter. Onrecht en onderdrukking zijn overal. Voor je ’t weet worden wij allen bijkans plat gedrukt onder het werelds geweld van eigengereidheid, goddeloosheid en vermeende zelfredzaamheid.
Echter – onze God is machtiger dan wie ook. Daniël 4 bewijst dat eens te meer. Daarom is Psalm 103 ook vandaag volop actueel:
“Laat heel het machtig koninkrijk des Heren
zijn grote naam, zijn grote daden eren.
Komt allen tot de lof des Heren saam.
Lof zij de Heer in hemel en op aarde,
die aan zijn volk zijn liefde openbaarde,
en zegen gij, mijn ziel, zijn grote naam”[6][7][8][9]

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 52, antwoord 127.
[2] In deze alinea citeer ik Daniël 4:16 en Daniël 4:37.
[3] In deze alinea citeer ik Jacobus 4:6 en 7.
[4] In deze alinea citeer ik Exodus 7:3 en Jeremia 32:20,21.
[5] In deze alinea citeer ik Daniël 4:31 en Mattheüs 3:16,17.
[6] In dit artikel gebruikte ik onder meer https://www.oudesporen.nl/Download/OS1686.pdf , p. 66 en volgende. Geraadpleegd op dinsdag 1 februari 2022.
[7] Psalm 103:9 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[8] Het onderwerp van dit artikel is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, donderdag 3 februari 2022, zo de Here wil een bespreking wijdt aan Daniël 4. Van voornoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij het maken van enige voorstudie.
[9] In de afgelopen maanden zijn ook Daniël 1,2 en 3 op deze internetpagina aan de orde gekomen. De betreffende artikelen zijn te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2021/09/29/ (Daniël 1), https://bderoos.wordpress.com/2021/11/11/ (Daniël 2) en https://bderoos.wordpress.com/2021/12/06/ (Daniël 3).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.