gereformeerd leven in nederland

24 augustus 2020

Zondagsrust in Christus

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“En het gebeurde op de tweede sabbat na het Paasfeest dat Hij door de korenvelden ging; en Zijn discipelen plukten aren, wreven die met de handen stuk en aten ze op. Sommigen van de Farizeeën zeiden tegen hen: Waarom doet u wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat? Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hebt u ook dat niet gelezen wat David deed toen hij honger had, en zij die bij hem waren? Hoe hij het huis van God binnengegaan is en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan hen die bij hem waren, broden die niemand mag eten dan alleen de priesters? En Hij zei tegen hen: De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat”[1].

Deze geschiedenis uit Lucas 6 heeft iets merkwaardigs. Waarom maken de Farizeeën zich daar zo druk over?

Een exegeet maakt enkele opmerkingen die de kwestie wat verduidelijken: “Het was de Israëlieten geoorloofd om met de hand aren te plukken van het land van een ander (…). Maar het stukwrijven van de aren met de handen, zodat de graankorrels overbleven, werd door de Farizeeën als werken in de vorm van dorsen of een maaltijd bereiden beschouwd en werk was niet toegestaan op de sabbat”[2].
En:
“Jezus is de Zoon des Mensen die gezag heeft over onreine geesten (…), om zonden te vergeven (…) en ook over de sabbat. Hij is de Heer van de sabbat. Hij beslist erover”[3].
Dus – hier is een door kerkleiders verzonnen regel aan de orde. Mensen geven aan hoe de sabbat moet worden ingevuld. Jezus maakt duidelijk op welk punt het ten principale fout gaat: op de sabbat moet de Godsdienst bepalend zijn. Mensen moeten niet bepalen wat wel en niet mag. Het is de God van hemel en aarde die onze aandacht hebben moet! 

Jezus verwijst naar 1 Samuël 21, waar David en zijn volgelingen de toonbroden eten.
Ter oriëntatie een citaat uit die geschiedenis. David vraagt: “En nu, wat hebt u voorhanden? Geef mij vijf broden mee in mijn hand, of wat er maar te vinden is. De priester antwoordde David en zei: Er is geen gewoon brood voorhanden, maar er is wel heilig brood, als de jongens zich maar van de vrouwen onthouden hebben. David antwoordde de priester en zei tegen hem: Jazeker, de vrouwen zijn ons gisteren en eergisteren onthouden. Toen ik eropuit trok, waren de voorwerpen van de jongens heilig. En het is in zekere zin gewoon brood, temeer omdat er vandaag ander brood in de vaten geheiligd zal worden. Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen ander brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van de HEERE weggenomen waren, om er vers brood neer te leggen op de dag dat het oude weggenomen werd”[4].
Jezus wil maar zeggen: net als David ben Ik in zekere zin vogelvrij. David was op de vlucht geslagen omdat Saul hem uit de weg wilde ruimen. Welnu – hier wordt de Heiland afgewezen[5]. Eigenlijk willen de Farizeeën Hem graag laten verdwijnen. Kan het, zo vragen de Farizeeën, gauw afgelopen zijn met die Jezus? De kerkleiders menen dat Jezus hen dwarsboomt en hun klerikale gezag ondermijnt. Dat is principieel onacceptabel. Dat moet zo snel mogelijk afgelopen zijn.
Wie dit alles tot zich door laat dringen, beseft dat nu, eeuwen later, dezelfde vraag aan de orde is: accepteren we Jezus Christus als onze Zaligmaker, of wijzen wij Hem af?

Nu gaat het in Lucas 6 over de sabbat.
Heeft dat Schriftgedeelte ook iets te zeggen over onze zondag?
Jawel.
In Openbaring 1 kunnen wij lezen: “Ik was in de geest op de dag des Heeren”[6]. Een uitlegger tekent daarbij aan: “Deze ‘vervoering des geestes’ gebeurde op de ‘dag des Heren’ -letterlijk: ‘de bij de Heer behorende dag’-. Daaronder verstaat Johannes niet de dag van het oordeel, want die dag noemt hij de ‘grote dag’ (…). De ‘dag des Heren’ was in de vroege kerk waarschijnlijk de gebruikelijke naam voor de eerste dag van de week, de zondag (…). Die dag werd in het bijzonder toegewijd aan de Heer (…), omdat het de dag van de opstanding was”[7].
En dan begrijpen wij het wel: Lucas 6 geeft ook een aanwijzing voor onze eerste dag der week. 

Ook in 2020 moeten wij de vraag beantwoorden: concentreren wij ons op Jezus Christus? Of ook: letten we op zondag vooral op Hem en op Zijn Woord, of vullen we die dag met onze eigen interesses in?

Er wordt, mede in verband met het virus COVID-19, vandaag de dag veel nagedacht over de vorming van huisgemeentes.
In een editie van het Nederlands Dagblad kwamen daarover onlangs enkele theologen aan het woord: “‘Ik vrees dat de traditionele kerkgang anders zal zijn’, zegt De Reuver. De onlinediensten zullen voorlopig blijven. Om toch meer gemeenschap te kunnen ervaren, wil hij de potentie van huiskringen gaan benadrukken: kleine groepen mensen die bij elkaar thuis samenkomen om de online dienst te beleven. Uiteraard op gepaste afstand”.
En:
“…dus wordt het tijd om serieus na te gaan denken over hoe de kerk in kleine groepen kan gaan functioneren. Emeritus hoogleraar theologie Bram van de Beek maakte zich in zijn bijdrage zorgen dat er nooit voldoende ambtsdragers te vinden zouden zijn om volwaardige huisgemeenten op te starten. De Reuver ziet het samen beleven van de online-viering als oplossing daarvoor. ‘Zoek elkaar op in de huiskamers, drink koffie met elkaar. Dan heb je toch die fysieke ervaring van gemeenschap’”.
En:
“‘De kerk kan soms een kneuterig imago hebben en dat is dodelijk. Als het om de kerk gaat, is kwaliteit fundamenteel. We doen het voor God dus we gaan voor de hoogste kwaliteit,
zonder in perfectionisme te vervallen”[8].
Nee, aan de waarde van fysieke ervaring van gemeenschap doet schrijver dezes niets af.
Maar het is van groot belang om de inzet van Lucas 6 in beeld te houden.

Het moet op zondag om Jezus Christus blijven gaan. De zondag is speciaal gereserveerd voor de dienst aan Hem.
Daarom moeten wij – als wij op zondag noodgedwongen meer thuis zijn – ervoor waken dat Zijn dag geen werkdag wordt. Wij behoren ervoor te zorgen dat er rust is. Rust in Christus. Daarom mag de zondag gekenmerkt worden door een zekere onbezorgdheid. Natuurlijk, de problemen zijn de wereld niet uit. Maar de oplossing en de afhandeling van die netelige kwesties is iets voor doordeweekse dagen.
Laten we op zondag maar blijven genieten van alles wat God geeft. Laat maar aan elkaar blijken dat er perspectief is. Niet omdat wijzelf zo optimistisch van aard zijn, maar omdat de Heiland, onze Here Jezus Christus, voor al onze zonden betaald heeft. Daarom is er perspectief. Tot over de dood heen. 
“De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat” – jazeker.
In die wetenschap gaan gelovige kerkmensen de eeuwige sabbat tegemoet!

Noten:
[1] Lucas 6:1-5.
[2] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 6:1.
[3] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 6:5.
[4] 1 Samuël 21:3-6.
[5] Zie hierover ook https://www.oudesporen.nl/Download/OS1535.pdf , p. 118. Geraadpleegd op donderdag 20 augustus 2020.
[6] Openbaring 1:10 a.
[7] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Openbaring 1:10.
[8] “Kerk na corona in andere vorm”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 19 augustus 2020, p. 7.

12 november 2019

Het oog des Heren ziet hen die Hem eren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

‘Waarom overkomt mij dit? De Here weet toch wel dat ik dit eigenlijk niet aankan?’[1]. Dan zijn vragen die bij ons op kunnen komen als wij met ziekte of handicaps geconfronteerd worden.
Iedereen vraagt zich wel eens af: waarom heeft de Here dit toch zo gedaan?

Dat vraagt koning David zich in 2 Samuël 16 trouwens niet af. Kijkt u maar: “Wat heb ik met u te maken, zonen van Zeruja? Ja, laat hem ​vervloeken, want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek ​David, en wie zou dan zeggen: Waarom hebt u dat gedaan?”[2].

Om een goed zicht te krijgen op het bovenstaande, is het nuttig eerst even in vogelvlucht naar het Bijbelboek 2 Samuël te kijken[3].
Het Bijbelboek 2 Samuël is grofweg als volgt in te delen:
* David wordt tot koning gezalfd over Israël en wordt een machtig en Godvrezend koning, die zijn volk voor gaat in het dienen van God.
* Davids zonde met Bathseba, zijn berouw, Gods vergevende genade en alle negatieve gevolgen in het koningshuis van David.
* Enige aanvullende informatie over Davids regering. Liederen van David, de volkstelling en de straf vanwege die volkstelling.
Dit Bijbelboek heeft tenminste drie kernboodschappen in zich:
* Wacht geduldig op God tot Hij zijn beloften in vervulling doet gaan
* Belijdt de zonden die gedaan zijn en keer terug naar God als u bij Hem weggedwaald
* Kijk verder dan David; richt de blik op Jezus Christus, uw Heiland: Hij is de Vervuller van Gods beloften. Op Hem heeft David uiteindelijk het oog in 2 Samuël 23:
“De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
Er komt een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser in de vreze Gods”[4].

Terug nu naar 2 Samuël 16.

In dat Schriftgedeelte wordt David uitgescholden. Sterker nog: hij wordt vervloekt. Door Simeï nog wel. Dat is familie van Saul. En diens woorden zijn wel heel duidelijk. Dit is een protestactie die je niet in de kouwe kleren gaat zitten!
Simeï fulmineert en raast. Wat héét – hij gaat behoorlijk tekeer. Waarom? Hij ziet David als de oorzaak van alle ellende die zich in zijn familie voltrokken heeft. Simeï gooit het eruit: ‘Opkrassen! Afnokken hier! Jij bent een ordinaire crimineel! Je hebt Saul en zijn familie immers vermoord? Jouw zoon Absalom zal koning worden. En jouw leven wordt een en al kommer en kwel. Dat krijg je ervan, sadist die je bent!’. Al roepend en tierend gooit Simeï ook nog met stenen. Wat je noemt een moordaanslag – fysiek, en in ieder geval ook mentaal[5].
Nou nou… dit kan toch niet? Dit kan een mens – laat staan de machthebber des lands! – toch niet over z’n kant laten gaan?
Abisaï, één van de mensen uit Davids elitetroepen, wil er wat aan doen. Die Simeï moet een gevoelig lesje leren! Aanpakken die man!
Maar wat vindt David ervan? Zijn gedachtegang komt neer op: ‘Laat dit maar gebeuren. Want deze Simeï wordt wellicht door de Here gestuurd. En ik wil onder geen beding tegen het Goddelijk beleid in gaan. Over de maatregelen van God kunnen en moeten we niet gaan discussiëren. Mijn eigen zoon Absalom wil mij om het leven brengen. Dan wil Simeï dat nog méér; voor hem is dat nog veel dringender. Laat ’t maar gebeuren. Misschien komt er een moment dat de Here mij toch weer genadig wil zijn. We zullen ’t wel zien’[6].

Wat leren we vandaag uit 2 Samuël 16?

Opvallend is de zachtmoedigheid waarmee David Simeï benadert. En dat bij een moordaanslag!
Dergelijke aanslagen kennen wij in onze wereld ook. Zij komen, ook in het Nederland van 2019, in veelvoud voor. En als zoiets gebeurt ontstaat er binnen de kortste keren een kakafonie van meningen; er is zoveel lawaai dat de gemiddelde goedwillende burger de weg kwijtraakt.
Laten wij beseffen dat de Here boven dit alles. Ons leven is in Zijn hand; ook in benauwende tijden. Laten wij ons in alle zachtmoedigheid tot Hem wenden.

De voorzienigheid van God houdt de verantwoordelijkheid van mensen recht overeind. In verband met 2 Samuël 16 schrijft C.S.L. Janse: “David besefte dat dit kwaad hem om zijn zonden overkwam. Maar dat Bijbelgedeelte laat ons ook zien dat David tegenmaatregelen neemt en een strategie ontwerpt. Husai krijgt opdracht om Absalom averechtse adviezen te verschaffen -2 Samuel 15:34- en de strijdkrachten worden gereorganiseerd -2 Samuel 18:1-. Davids persoonlijke inleving van de schuld neemt zijn politieke verantwoordelijkheid niet weg. Want het kwaad van Absaloms rebellie moet bestreden worden. Ook Simeï mag uiteindelijk zijn straf niet ontgaan -1 Koningen 2:8-9”[7].
Het moge duidelijk wezen: de Goddelijke voorzienigheid betekent niet dat Gods kinderen, met de ogen op de hemel gericht, rustig kunnen afwachten op ingrijpen van bovenaf.

Waarom overkomt mij dit? Dat is een vraag die, bij ziekte en handicaps, nogal eens gesteld wordt. U kunt ‘m in allerlei variaties horen.
Maar ook als wij gezond zijn kunnen we twijfels hebben over de Goddelijke voorzienigheid. En wij vragen: waar gaat ’t naar toe?
Gewoon werken lijkt niet zo belangrijk meer. Hard werken – dat maakt pas indruk. Op de werkvloeren lijkt het credo soms even simpel als schokkend: jagen en jakkeren.
In de zakenwereld is het soms: bijten of gegeten worden.

Welnu – in heel ons leven kan 2 Samuël 16 ons goede lessen leren.
En mochten die lessen een beetje op de achtergrond raken, laten we dan maar proberen om Psalm 33 in ons geheugen te houden:
“Zijn sterke arm beschermt de vromen,
God redt hun zielen van de dood.
Hij zal hen nimmer om doen komen,
zelfs niet in tijd van hongersnood.
In de grootste smarten
blijven onze harten
in de HEER gerust.
’k zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn helper heten,
al mijn hoop en lust”[8].

Noten:
[1] De titel van dit artikel is ontleend aan Psalm 33:6 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[2] 2 Samuël 16:10.
[3] Zie voor het onderstaande onder meer http://christipedia.nl/index.php?title=Artikelen/S/Samuël_(2e_boek) ; geraadpleegd op vrijdag 8 november 2019.
[4] 2 Samuël 23:3.
[5] Zie 2 Samuël 16:6, 7 en 8.
[6] Zie 2 Samuël 16:10, 11 en 12.
[7] C.S.L. Janse, “Cultuurschok van mei 1940 moet niet onderschat worden”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 9 november 1990, p. 14. Janse was van 1973 tot 2003 hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Overigens was Janse reeds vanaf 1971 bij het RD betrokken.
[8] Psalm 33:7 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

28 februari 2018

Naar het licht geleid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Vanouds is Psalm 56 onder het kerkvolk een zeer geliefde psalm. Velen kennen de berijming uit 1773 nog:
“Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;
Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.
‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;
Wat sterv’ling zou mij schenden?”[1].

Dat klinkt blij. Triomfantelijk bijna.
Even zo goed is de aanleiding voor de psalm aanzienlijk minder glorieus.

David componeert de psalm namelijk naar aanleiding van zijn belevenissen in het land der Filistijnen.
David is, op de vlucht voor koning Saul, in Gath is aangekomen. Gath, dat ligt in Filistea. Daar zal Saul hem vast niet zoeken.
Maar al spoedig herkent het paleispersoneel hem. Blijkbaar zien ze in hem een machtige tegenstander. En die hebben zij nu in handen gekregen! Opgetogen brengen ze David naar hun werkgever, koning Achis.
Dat maakt David bang. Wat gaan ze hier met hem doen?
Hij stelt zich aan als een krankzinnige.
Laten we wel wezen: dat getuigt niet van veel vertrouwen op de Here. Het lijkt wel alsof David eensklaps de wanhoop nabij is en met eigen gewiekstheid de zaak wil oplossen[2].

De koning van Gath weet niet wat hij met David aan moet vangen. Wat moet je met zo’n gestoorde figuur beginnen? Weg met die man!, beveelt hij.
En zo wordt David opnieuw verdreven. En opnieuw schrijft hij een psalm; wij kennen die als Psalm 34.

Hoe dat zij: in Gath staat David angsten uit.

De vijanden komen op hem aan. Ze zitten hem op allerlei manieren dwars.  Ze leggen hem woorden in de mond die hij nooit heeft gezegd.
Als die vijanden een methode vinden om hem weg te drukken uit de maatschappij, dan gebruiken ze die onmiddellijk. Voortdurend zitten ze achter David aan.
Diep-verdrietig wordt David ervan!
Hoe moet het toch verder?

Met zijn nood gaat hij naar het juiste Adres.
En hij schrijft het lied dat wij kennen als de zesenvijftigste Psalm.
Daar zakt de wanhoop weg.
David weet: de Machthebber van de wereld is mijn God. En David weet ook: als de God van hemel en aarde aan mijn kant staat, gaat het goed; dan kan mijn leven nooit structureel worden vernield.

In de Nederlandse samenleving hebben veruit de meeste mensen niet met achtervolging of vervolging te maken.
Maar natuurlijk hebben we wel te maken met verdriet. En met tegenstand, soms. Met teleurstellingen, ook.

Toch gaat het daar in Psalm 56 niet om.

Kijkt u maar even met mee.
“Wees mij ​genadig, o God”[3].
En:
“Op de dag dat ik vrees,
vertrouw ík op U.
In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet”[4].
En:
“Stort de volken neer in toorn, o God!
Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?”[5].
En:
“Dit weet ik: dat God met mij is.
In God prijs ik het woord,
in de HEERE prijs ik het woord.
Ik vertrouw op God, ik vrees niet”[6].
En:
“U hebt mijn ziel gered van de dood,
– hebt U niet mijn voeten voor struikelen behoed? –
zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen
in het licht van de levenden”[7].

Nee, het gaat in Psalm 56 niet om David. Alles draait niet om de deplorabele toestand van de vluchteling. De God van het verbond staat hier centraal!

David leert alle zangers van deze psalm dat God genadig is.
Op Hem kunt u vertrouwen, zegt David. Met de Verbondsgod komen u en ik altijd goed uit. Dan zakt de wanhoop weg. Dan staat de angst niet meer vooraan.
David zegt: God ziet ons overal. En: de God van hemel en aarde weet van onze frustraties, van onze teleurstellingen, van ons verdriet en van onze tranen. Onze verdrietelijkheden staan in Zijn boek; Hij weet er alles van.
Dat is, juicht David ten langen leste, een geweldige troost. God is erbij. Hij is present. En Hij is volop actief.
Uiteindelijk is het onze God die ervoor zorgt dat er perspectief is in het leven. Hij draagt er persoonlijk zorg voor dat wij verder kunnen op aarde!

Dat is de les die David ons hier leert.

En dan begrijpen wij het wel: ook wij kunnen Psalm 56 zingen.
Nee, onze omstandigheden zijn vaak niet om over naar huis te schrijven. Wij voelen ons eenzaam. Ziek. Verdrietig of moe. Enzovoort.

Maar Psalm 56 leert ons: hou maar gauw op over uw eigen omstandigheden.
Daar kunt u ongetwijfeld van alles over zeggen. U kunt vertellen dat het lang niet altijd makkelijk was.

Ja, daar kan schrijver dezes – die vandaag de leeftijd van 56 jaar bereikte – ook een heel verhaal over houden. Als het moet kan hij er bovendien een hele verhandeling  over schrijven.
Maar nogmaals: Psalm 56 leert het ons af.

David leert ons in Psalm 56 om eenvoudig in God te blijven geloven.
Geloof maar dat Gods genade er altijd is.
Laat de wanhoop niet in uw brein zegevieren.
Laten wij ons maar realiseren dat God alles ziet.
Laten wij maar beseffen dat de goede God altijd weer openingen biedt om verder te gaan met ons leven op aarde.

Dan kunnen wij ’t vol overtuiging blijven zingen:
“Ik heb, o God, geloften u gewijd.
Ik breng het offer van mijn dankbaarheid
en prijs U om uw goedertierenheid,
uw hand kwam mij bevrijden.
Ik zal in ’t licht uws aanschijns mij verblijden,
zodat ik U mijn leven kan gaan wijden,
daar U mijn voet bewaarde tegen glijden,
naar ’t licht mij hebt geleid”[8].

Noten:
[1] Psalm 56:4, berijming-1773.
[2] Zie hierover ook http://www.oudesporen.nl/Download/OS1201.pdf .
[3] Psalm 56:2.
[4] Psalm 56:4 en 5.
[5] Psalm 56:8 en 9.
[6] Psalm 56:11 en 12.
[7] Psalm 56:14.
[8] Psalm 56:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

17 november 2017

Buigende barbaren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere,
zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen
en Uw Naam eren.
Want U bent groot en doet wonderen,
U bent God, U alleen”.

Dat zijn woorden uit Psalm 86[1].
Mijn vrouw en ik lazen die Psalm niet zo lang geleden aan tafel.

Natuurlijk weet ik niet hoe het u vergaat als u die woorden leest. Maar de vraag ligt voor de hand: wat zie ik daar nu, op dit moment, van?
De reactie is even kort als duidelijk. Inderdaad, niet zo veel.

Psalm 86 zingen we echter in geloof.
En goed beschouwd bidden wij in geloof. Samen met David.
Want er staat boven: “Een ​gebed​ van ​David”[2].
Samen met David kijken wij zingend naar de toekomst.

Vanouds is er altijd een enorme kloof geweest tussen Gods natie en de heidenvolken.
Een voorbeeld.
Als in Leviticus 18 de huwelijkswetten en seksuele ontucht aan de orde komen, wordt ook gezegd: “U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen ​verontreinigd”[3].
Nog een voorbeeld.
Gods kinderen moesten verre blijven van “de gruweldaden van de heidenvolken”. Maar uit de boeken van de Koningen blijkt wel dat daar heel vaak uitermate weinig van terecht kwam[4].
De duidelijke scheiding tussen Gods kinderen en de heidenen werd maar al te vaak weggepoetst.

Maar één ding is van stonde aan duidelijk: God is Heerser over heel de wereld, inclusief de heidenvolken.
Als het volk van God in moeilijkheden komt, is het parool: ga naar God!
Als het volk van God bedreigt wordt, is het motto: bidt tot God!
Als het volk van God schier ten onder gaat, is het adagium: richt een smeekbede aan God!
Het is precies dat wat koning Josafat doet in 2 Kronieken 20. Nu het volk van de Here onder grote druk staat gaat hij – ten overstaan van zijn onderdanen – voor in gebed: “HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken. In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden”[5].

Er zijn trouwens momenten dat die heidenen zelf ook beseffen dat zij niet tegen de God van hemel en aarde op kunnen.
Dat zien wij bijvoorbeeld gebeuren in het Bijbelboek Nehemia: “De ​muur​ werd op de vijfentwintigste van de maand ​Elul​ voltooid, na tweeënvijftig dagen. En het gebeurde, toen al onze vijanden het hoorden, dat alle heidenvolken rondom bevreesd voor ons werden en in hun eigen ogen zeer in achting daalden, want zij wisten dat dit werk van onze God uit gedaan was”[6].
De heidenen hebben het door: de God van de Israëlieten is machtig; de moeten we niet tegen ons hebben! En: dat volk krijgt speciale bescherming, wij moeten voorzichtig met Israël omspringen!
Als het in Gods raadsplan past, krijgen de seculiere volken door Zijn toedoen inzicht in de werkelijke gang van zaken.
Als het in Gods raadsplan past, gaan de heidenvolken ontdekken wie de touwtjes echt in handen heeft.
Als de heidenvolken dat soms al begrijpen, dan moet Gods volk het echt geloven. Gods kinderen behoren te volharden in hun geloof. Zij moeten zich daar nu niet en nooit niet van af laten brengen!

Het bovenstaande ziet er prachtig.
Vroom en oprecht.
Maar wat zien we vandaag van de heidenvolken? Jan en alleman doet van alles wat tegen Gods geboden in gaat. Kerkmensen kunnen daar bij tijd en wijle treurig van worden. Wanhopig zelfs, misschien.
Jazeker.

Maar laten wij nimmer vergeten wat Paulus in Romeinen 15 schrijft: “En ik zeg dat ​Jezus​ ​Christus​ een Dienaar van de ​besnijdenis​ is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen, en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de ​barmhartigheid, zoals geschreven staat: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. En verder zegt Hij: Wees vrolijk, heidenen, met Zijn volk! En verder: Loof de Heere, alle heidenvolken, en prijs Hem, alle volken!”[7].
Alle volken in de wereld krijgen anno Domini 2017 nog altijd de gelegenheid om zich welbewust en vrijwillig naar God te keren, en Hem te gaan eren!

Wat gebeurt er als die heidenen dat tot het einde der tijden weigeren?
Wat gaat er geschieden als de heidenen gewoon hun eigen zin blijven doen?
In Openbaring 19 wordt het ons beschreven: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert ​oorlog​ in ​gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen. Hij had een Naam, die opgeschreven was, en die niemand kent dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt ​bovenkleed, en Zijn Naam luidt: Het Woord van God. En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in fijn ​linnen, wit en smetteloos. En uit Zijn mond kwam een scherp ​zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. En Hij treedt de wijnpersbak van de ​wijn​ van de grimmige toorn van de almachtige God. Er stond op Zijn ​bovenkleed​ en op Zijn dij deze Naam geschreven: ​Koning​ der koningen en Heere der heren”[8].
De heidenen krijgen te maken met het vernietigend eindoordeel van de Schepper aller dingen. De tronende Majesteit maakt, om zo te zeggen, schoon schip.
De wereld wordt smetteloos.
Gods kinderen zullen, terwijl zij hun Heer bewonderen, triomfen vieren!

Al zingend zijn wij op weg naar die toekomst. Een toekomst met de almachtige God.
De God die Zijn volk steeds weer wil heiligen.
De God die maar al te graag maar Zijn biddende natie luistert.
De God die buitenstaanders laat beseffen hoe nietig zijn zijn bij Zijn overmacht.
De God die in het verleden al zo vaak bewezen heeft almachtig te wezen.
De God die iedereen, inclusief buigende barbaren, naar Zijn hand zet.

Vandaag gaan wereldse mensen vaak nogal neerbuigend om met gelovigen.
Maar Gods kinderschare realiseert zich dat de omstandigheden 180 graden om zullen keren. Ja, uiteindelijk staat dat voor Gods kinderen vast!
Daarom zingen zij ten langen leste Psalm 86 toch vol overtuiging mee:
“Allen die als goden blonken
zijn bij U in ’t niet gezonken.
Niets kan bij uw werk bestaan.
Heel de wereld roept U aan.
Alle volken komen samen,
die Gij schept en roept bij name,
buigen voor uw zetel neer,
brengen uwe naam de eer”[9].

Noten:
[1] Psalm 86:9 en 10.
[2] Psalm 86:1.
[3] Leviticus 18:24.
[4] De term ‘gruweldaden van de heidenvolken’ komt uit 1 Koningen 14:24.
[5] 2 Kronieken 20:6.
[6] Nehemia 6:15 en 16.
[7] Romeinen 15:8-11.
[8] Openbaring 19:11-16.
[9] Psalm 86:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).

18 november 2016

De vreugdedans van David

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Vandaag heeft mijn weblog een persoonlijk tintje.
Mijn onvolprezen echtgenote is namelijk jarig.
Er is reden tot blijdschap. Dat spreekt vanzelf. Dankbaar mogen we constateren dat onze Verbondsgod haar weer een jaar heeft gespaard.
We mogen wel zeggen dat er best reden is voor een dansje.

Welnu, David is in 2 Samuël 6 ook blij. En hij danst zo hard als hij kan.
Op die vreugdedans van David, en alles wat daar omheen gebeurt, wil ik vandaag de aandacht vestigen.

Laat ik maar een stukje uit 2 Samuël 6 citeren.
“En de ark des Heren bleef drie maanden in het huis van de Gattiet Obed-Edom, en de Here zegende Obed-Edom en zijn gehele huis. Aan koning David werd meegedeeld: De Here heeft het huis van Obed-Edom en al wat hij bezit, gezegend, ter wille van de ark Gods. Toen ging David heen en haalde de ark Gods onder gejuich uit het huis van Obed-Edom naar de stad Davids. Nadat de dragers van de ark des Heren zes schreden voortgegaan waren, offerde hij een rund en een gemest kalf. En David danste uit alle macht voor het aangezicht des Heren; David nu was omgord met een linnen lijfrok”[1].

Wat is de situatie in 2 Samuël 6?

David is koning geworden.
De dreiging van de Filistijnen is weg, want zij zijn verslagen.
Nu is het tijd om de ark van de verbond naar de hoofdstad te brengen.
In eerste instantie gaat dat echter helemaal niet goed. Bij de dorsvloer van Nachon glijden de ossen, die de kar met de ark erop trekken, uit. De ark glijdt bijna van de wagen af. Uzza probeert de ark tegen te houden en pakt hem beet.
De Here straft dat af. Uzza moet zijn onbedachtzaamheid met de dood bekopen.
Dat lijkt onrechtvaardig. Uzza probeert toch iets goeds te doen?
Wij moeten bedenken dat Uzza geen Leviet was. Hij mocht daarom in geen geval de ark aanraken. Vandaar de zware straf.
David is ontsteld. Verbijsterd. Hij laat de ark bij Obed-Edom brengen.
Drie maanden lang staat de ark daar. Geparkeerd, naar het lijkt. Maar Obed-Edom merkt hoe zijn huishouden en heel zijn hebben en houden door de Here gezegend wordt.
Dat geeft David nieuwe moed. Hij laat de ark naar Jeruzalem brengen.
Er is vreugde.
Grote vreugde.
Want de ark komt op de plaats waar de landsregering zetelt!

Een Gereformeerd-vrijgemaakte dominee formuleerde de kern van 2 Samuël 6 eens zo:
* zonder God geen leven
* maar wel in heiligheid
David moest iets leren over God. “Namelijk dat je God niet gemakshalve op je eigen wagen kunt zetten, maar dat Hij door mensen op handen gedragen wil worden. Dat jij God niet in jouw centrum brengt, maar dat de Heer zelf die plaats gaat innemen. Dat je het leven met God niet naar jezelf kunt toetrekken, maar dat je dat alleen als een wonder kunt ontvangen”[2].

De hemelse God toont dat Hij voor Zijn volk zorgen wil.
De overheid laat zien dat het regeerwerk, om zo te zeggen, voor het aangezicht van God gebeurt.
En dan is er vreugde.
Ook al steekt het verdriet soms in de ziel. Daarbij zullen wij ons moeten realiseren dat dat verdriet in ons leven komt door onze eigen kortzichtigheid. Ook al bedoelen wij het nog zo goed, altijd zit er zonde door onze daden heen.
Maar iedere dag geeft de Here ons opnieuw gelegenheid om heilig te leven. Wij krijgen alle ruimte om ons bestaan iedere dag met en voor God in te richten. Dat vraagt de Here van Zijn volk.
Niet meer.
En niet minder.
Wat dat betreft spreekt Mattheüs 7 boekdelen: “Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is”[3].
Iedere dag behoren wij het te laten zien: wij dienen de Here. Oftewel: er zit perspectief in ons aardse bestaan.

Het Woord dat in 2 Samuël 6 voor onze ogen open gaat, confronteert ons overigens ook met onze doop.
Koning David viert feest.
Maar in dat hoofdstuk worden wij er ook van doordrongen dat er een andere Koning moet komen. De geschiedenis met betrekking tot koning David roept, om zo te zeggen, om de grote Koning. Ja, Davids levensgeschiedenis schreeuwt om de Heiland.
Onze Here Jezus Christus komt als een heel gewoon mens naar deze wereld. Hij ligt in een kribbe. Hij betaalt voor onze zonden. Smartelijk, aan een kruis dat op de heuvel Golgotha staat.
Die verlossingskracht heeft David niet. Maar onze Heiland heeft die verlossingsmacht. Met Zijn koop-kracht kocht Hij ons. Hij maakte ons tot Zijn eigendom[4]!

Ik ga weer terug naar 2 Samuël 6. En ook even naar mijn vrouw.
David danst met alle energie die hij heeft. En hij is blij. Heel blij.
Mijn vrouw danst niet zo hard meer. Haar lichamelijke toestand is er in het afgelopen jaar niet op vooruit gegaan. En ja, dat stemt soms droevig. Haar leven wordt er, fysiek gezien, niet makkelijker op. Nee, dat vreugdedansje kan zij wel vergeten.
Maar we vieren haar verjaardag wel. Want er zit, om zo te zeggen, muziek in haar bestaan. Alleen daarom zal er wel sprake zijn van feestgedruis. En van lekker eten en zo.
Er staat namelijk een eigendomsstempel op haar leven. En trouwens ook op het mijne. En, wel beschouwd, op het leven van al Gods kinderen.
‘Gekocht door de Heiland. Gegarandeerd eeuwig leven’ – dat staat erop.

Mijn echtgenote is jarig vandaag.
Maar nee, dat vreugdedansje zit er niet meer in.
Dat geldt voor veel, heel veel meer mensen die een beperking hebben.
De hemelse God toont echter ook vandaag dat Hij voor Zijn volk zorgt. Wat er ook gebeurt. Dus wordt het feest. Dwars door de pijn heen, misschien.
En wij weten: er komt een moment dat niets het hemelfeest verstoren kan!

Noten:
[1] 2 Samuël 6:11-15.
[2] Het betreft dominee C. van Dusseldorp. De preek is te vinden via http://keesvandusseldorp.files.wordpress.com/2012/11/2sam6-04-12.doc ; geraadpleegd op donderdag 3 november 2016.
[3] Mattheüs 7:19, 20 en 21.
[4] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1: “Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”.

7 juni 2016

Goddelijke deernis en daadkracht

Wij hebben – zo zegt Zondag 45 der Heidelbergse Catechismus – deze vaste grond, “dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft”[1].

Het is duidelijk: wij zijn Gods luisterend oor en Zijn zorgzaamheid niet waard.
En toch wil Hij ons verhoren.
Is dat niet prachtig?

Maar hoe kan dat eigenlijk?
Is het niet heel inconsequent dat de heilige God Zich bemoeit met een volk dat vuil en zondig is?
Gods zorg voor ons kunnen we alleen maar verklaren uit:
1. Gods wil
2. Gods barmhartigheid
3. Gods daadkracht
Die drie glorieuze eigenschappen van God vormen, als het goed is, de basis voor al onze gebeden.

Als het om ons gebed gaat, wijs ik u graag op Daniël 9.
Naar dat Schriftgedeelte verwijst Zondag 45 ons ook.
Ik citeer: “Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om des Heren wil. Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”[2].

Een uitlegger noteert bij Daniël 9 onder meer: “In dit vers gaat het bij ‘het verwoeste heiligdom’ om het verwoest zijn van de tempel als gevolg van Nebukadnessars inname van de stad – een vervulling van de verbondsvloek van Leviticus 26:31 en volgende –, maar elders in het boek duidt ‘verwoesting’ de ontheiliging van de tempel door de goddeloze koningen van de nog komende goddeloze rijken aan (…). Kennelijk staat het een in het verlengde van het ander”[3].
Het gaat dus om:
* straf voor Gods volk, wegens ongehoorzaamheid
* ontheiliging van Gods huis door het heidendom.
Daniël realiseert zich hoe zondig de wereld is. Hij doet een beroep op de wil van de Here, “om des Heren wil”.

De wil van de Here – wat kunnen wij daarover zeggen?
Laten wij Ezechiël 33 er even bij nemen: “Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?”[4].
Wij kunnen het, denk ik, zo samenvatten: waar de Here is, is leven.

Des Heren wil – zo heet ook een zoon van David.
U kent de geschiedenis, die in onze Bijbel in 2 Samuël 12 te vinden is, vast wel.
David heeft er, door een paar listige maatregelen, voor gezorgd dat Uria – de man van Bathseba – in de strijd om het leven komt. David had al overspel met Bathseba gepleegd; nu kan hij er ‘legaal’ met haar van door gaan!
De escapade van David en Bathseba heeft gevolgen: er wordt een zoon geboren. Maar de Here straft David en Bathseba: de boreling sterft. God straft de zonde.
Als er opnieuw een kind geboren wordt geeft de Here hem een speciale naam: Jedidja – dat betekent: om des Heren wil[5]. Salomo is een levend bewijs van Goddelijke vergevingsgezindheid!

Des Heren wil: onze God is een goede God, maar geen goeiige God.
Des Heren wil: dat betekent dat we moeten leven naar de wet van God.
Dan is er echt toekomst.
Toekomst die de Here Zelf creëert!

In 1 Petrus 2 gaat het ook over de wil van de Here.
“Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer”.
In de praktijk van het leven moet Gods volk laten zien waar het staat in de wereld. Kinderen van God vallen in een heidense wereld op door hun levensstijl. Gods kinderen leven voor hun Heer!
Des Heren wil – dat houdt in ieder geval in: heb het goede voor met alle mensen, toon liefde voor de kerk, wees Godvrezend en respecteer de overheid.

Thans keer ik spoorslags terug naar Daniël 9.

Daniël doet een beroep op Gods grote barmhartigheden.
Als het van mensen afhangt, zien we zonden. Wij zien afwijking van Gods geboden. We signaleren eigenzinnigheid. De chaos lijkt voortdurend groter te worden.
Maar wij mogen, net als Daniël, een beroep doen op Gods ontferming. Op zijn mededogen.

Daniël doet een beroep op Gods daadkracht.
Hij wil dat er wat gebeurt!
Hij wil dat de Here er wat aan doet!
En waarom? “Uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”. Gods naam is aan Zijn volk verbonden. Zijn eer moet hoog blijven!
Mij dunkt dat wij dat gebed anno Domini 2016 in de kerk niet mogen verleren.

Daarbij moeten wij het volgende goed vasthouden.
Een gebed dat door God verhoord wordt bevat:
* welgemeende woorden, vragen en wensen; wij behoren van harte te bidden
* blijken van kennis omtrent onze status; we moeten weten hoe groot de malaise en misère in ons leven zijn
* het besef dat de God verbond Zijn leven gunt; als wij wandelen met Hem gaan wij een heerlijke toekomst tegemoet!

Tenslotte nog dit.
Daniël 9 is een hoofdstuk vol getallen en tijdsaanduidingen:
* zeventig weken
* zeven weken
* tweeënzestig weken
* een week
* de helft van de week[6].
De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant D. de Jong schreef in verband met Daniël 9 eens: “Daniël kreeg (…) veel informatie uit de profetieën van Jeremia. Het ging maar niet om de precieze duur van de ballingschap, maar om het belijden van en vechten tegen de zonde. De rust die dan volgt, die sabbatsrust, wordt door het getal zeventig gesymboliseerd. Daar gaat het om.
Daniël deed daarom niet wat veel christenen in onze tijd graag doen. Hij zette niet allerlei berekeningen op om uit te vinden op welke datum bepaalde profetieën precies vervuld worden. Daniël verootmoedigde zich voor de HEER en beleed zijn eigen zonden en die van zijn volk”[7].
Het bovenstaande lijkt mij belangrijk voor ons. Want:
* wij moeten niet gaan berekenen wanneer God dit of dat gaat doen
* wij behoren tegen onze zonde te strijden
* wij mogen kinderlijk vertrouwen op Zijn barmhartigheid en heerlijke daadkracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] Daniël 9:17, 18 en 19.
[3] Zie: webversie van de Studiebijbel, uitleg bij Daniël 9:15-19.
[4] Ezechiël 33:11.
[5] 2 Samuël 12:24 en 25: “Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had hem lief: Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des Heren wil”.
[6] Daniël 9:24-27.
[7] Zie http://www.bijbelknopendoos.nl/kn18.htm ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2016. Dominee de Jong is emeritus-predikant van de Ebenezer Canadian Reformed Church te Burlington, Ontario, Canada.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.