gereformeerd leven in nederland

23 juni 2017

Bedenkelijke besluittekst

De vrouw in het ambt: daar is in de afgelopen weken veel aandacht voor geweest.
De Generale Synode van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) deed daarover onder meer de uitspraak “dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling”.

Als grond onder dat besluit werd onder meer genoemd:
“De figuren van Mirjam (Micha 6:4) en Debora (Richteren 4-5) laten vrouwen in het oude verbond zien die in samenwerking met mannen optreden in bestuur en rechtspraak”[1].

Het noemen van Debora’s naam is, als u het mij vraagt, enigermate curieus[2].

In de eerste plaats kan opgemerkt worden dat Debora de enige vrouwelijke richter was te midden van dertien mannelijke richters[3].
Laten wij de richters voor het gemak maar even op een rijtje zetten: Othniël, Ehud, Samgar, Debora en Barak, Gideon, Abimelech, Thola, Jaïr, Jefta, Ebzan, Elon, Abdon en Simson.
Er is dus slechts één vrouwelijke richter. Alleen al dat gegeven geeft, wat mij betreft, te denken.

Debora ging in Richteren 4 en 5 voorop.
Waarom eigenlijk?

Een uitlegger schrijft: “Waarom gebruikte God Debora als rechter in Israël (…)? Het antwoord is niet moeilijk te geven. Gods volmaakte wil is dat mannen leiden. Dat is te duidelijk om mis te verstaan, maar als mannen hun verantwoordelijkheid niet opnemen, dan gebruikt God vrouwen. De mannen in de dagen van Debora waren erg zwak en lafhartig. Dit is te zien in het geval van Barak, de kapitein in Israëls leger, die weigerde naar de strijd te gaan tenzij Debora met hem meeging. Wat een dappere man! Wat een held! De vrouw moest hem eraan herinneren dat God had gezegd dat het tijd was om te vechten; de vrouw moest hem ertoe aanmoedigen en aanzetten om te gaan; de vrouw moest met hem meegaan!”.
En:
“Klaarblijkelijk was dit een periode in Israëls geschiedenis waarin God geen man kon vinden om Zijn wil te doen, en zo gebruikte Hij een dappere, bereidwillige vrouw. Wij kunnen God prijzen voor vrouwen zoals Debora die bereidwillig en sterk zijn wanneer de mannen zwak zijn. Dit is dikwijls gebeurd, zowel in de seculiere geschiedenis als die van de kerk.
Het grote probleem in de dagen van Debora was geestelijke afvalligheid. Als Gods volk zich van Hem afkeert, dan maakt hij de mannen machteloos tegen hun vijanden en verwijdert Hij de wijsheid uit hun harten. Dit is een oordeel over afvallige mensen”[4].

Als mannen zwak worden, komen vrouwen overeind.
‘Dat is een oordeel over afvallige mensen’, noteert die schrijver.
Zo bezien toont het besluit van de generale synode van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) aan dat men een Goddelijk oordeel over zichzelf afroept.
Met het noteren van dergelijke krachtige uitspraken moet men voorzichtig wezen; dat besef ik terdege. Over Gods gericht kunnen en mogen mensen geen oordeel vellen. Maar feit is dat er in de tijd van Debora en Barak veel trouweloosheid was.
Zou dat kerkelijke beslissers, en ook ons allen, niet aan het denken moeten zetten?

En andere verklaarder noteert: Debora besefte “dat niet een vrouw, maar een man het leger aan zal moeten voeren!
Barak ontving de opdracht: breng een leger van tienduizend man op de been! Ook hier wist Debora op bescheiden wijze leiding te geven. Geïnspireerd vanuit God zocht zij niet haar eigen eer, maar het heil van Gods volk. Zij plaatste zich derhalve niet boven, maar naast Barak. Want zij achtte de ander uitnemender dan zichzelf. Zij gaf wel leiding door te inspireren: ‘Vrees niet voor de overmacht!’.
Terwijl de strijd nog gevoerd moest worden, wist Debora al dat de strijd reeds gestreden is en de overwinning zeker is”[5].

Wie het bovenstaande citaat leest, realiseert zich wellicht dat het enigszins merkwaardig is dat Debora wordt genoemd in een synodale besluittekst waarin het ambt van ouderling voor vrouwen wordt opengesteld.
Want wat is de taak van ouderlingen? “Aan hen is met de dienaren des Woords toevertrouwd de gemeente te regeren…”[6].
Dat staat tegenover:
* het feit dat dat niet een vrouw, maar een man het leger aan zal moeten voeren
* het feit dat Debora zichzelf niet boven, maar naast Barak plaatst
* het feit dat Debora de ander uitnemender acht dan zichzelf.
Waarom komt uitgerekend de bescheiden Debora terecht in een besluit van een kerkelijke vergadering over een regeerambt?

Het noemen van Debora’s naam in de synodale besluittekst met betrekking tot de vrouwelijke ouderling vind ik een zwaktebod.
Het besluit verraadt dat men ter vergadering eigenlijk niets beters te bieden had[7].
Dat is, in de grond van de zaak, tamelijk droevig.

Noten:
[1] Geciteerd via Nieuwsbrief van Eeninwaarheid.info, extra editie 17-24. Deze werd aan abonnees toegezonden in de zeer vroege ochtend van vrijdag 16 juni 2017.
[2] Over het noemen van de naam van Mirjam in de besluittekst schreef ik recent in het artikel ‘Slappe grond’, hier gepubliceerd op donderdag 22 juni 2017. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/06/22/slappe-grond .
[3] Zie hierover ook https://www.gotquestions.org/Nederlands/vrouwelijke-pastors.html ; geraadpleegd op woensdag 21 juni 2017.
[4] Geciteerd van https://frissewateren.nl/vrouw-in-het-ambt/ ; geraadpleegd op woensdag 21 juni 2017.
[5] Geciteerd van http://www.hervormd-ermelo.nl/userfiles/file/Kerkelijk%20Centrum/Vrouweninhetambt%20Noorderkerk%20Kampen.pdf ; geraadpleegd op woensdag 21 juni 2017.
[6] “Formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen”. In: Gereformeerd Kerkboek – uitgave 1986 –, p. 551.
[7] Zie de betekenis van het woord ‘zwaktebod’, zoals die gedefinieerd is op https://www.betekenis.be/woord/zwaktebod ; geraadpleegd op woensdag 21 juni 2017.

24 juli 2014

Een wolkeloze morgen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , , , ,

‘Moet je kijken… geen wolkje aan de lucht’.
Dat hoorde ik gisteren, zo tegen een uur of 10, een meisje roepen. Het gebeurde op een veld van een camping te Rheeze. De zon scheen uitbundig. De campinggasten wandelden en fietsten ontspannen de dag in[1].
De waarneming van het meisje klopte.
Het mooie weer leek fel te contrasteren met de dag van nationale rouw die Nederland gisteren beleefde. De dag van nationale rouw – vanwege de ramp met de MH17[2].

Geen wolkje aan de lucht – die situatie wordt ook in Gods Woord beschreven.

David heeft het erover, aan het einde van zijn leven.
In 2 Samuël 23 zegt hij:
“De Geest des HEREN spreekt door mij,
zijn woord is op mijn tong;
Israëls God spreekt,
Israëls Rots zegt tot mij:
Een rechtvaardige heerser over de mensen,
een heerser in de vreze Gods,
hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon,
een morgen zonder wolken:
door de glans na de regen
spruit jong groen uit de aarde”[3].

De Heilige Geest heeft in Davids hart een woning gemaakt[4]. Dat deed Hij toen David in 1 Samuël 16 tot koning werd gezalfd: “Van die dag af greep de Geest des HEREN David aan”[5].
Maar nu gebeurt er iets heel bijzonders.
David kondigt het af: wat hij nu uitspreekt, dat heeft hij niet zelf bedacht. Op dit moment is hij de mond van de Here. Hij is een profeet. Hij spreekt woorden van de Here uit.

De Here zegt: een machthebber die de Here vreest is te vergelijken met de helderheid die te zien is met het morgenlicht bij het opgaan van de zon. Zo’n regeerder doet onder meer denken aan een wolkeloze ochtend. De zon heeft dan alle kans om te schijnen.
Debora en Barak zingen in Richteren 5: “…die Hem liefhebben zijn als de opgaande zon in haar kracht”[6].
Niet alleen machthebbers laten het leven oplichten. Ieder mens die de Here vreest werpt nieuw licht op het aardse leven.

Dat klinkt allemaal prachtig.
Maar hoe kan dat allemaal?
Zondige mensen en een wolkeloze ochtend: zijn die wel verenigbaar?
Toch wel.
Want in 2 Samuël 23 staat ook:
“Toch heeft Hij mij een eeuwig verbond gegeven,
geordend in alles en verzekerd.
Want al mijn heil en alle welbehagen,
zou Hij die niet laten uitspruiten?”[7].
Nee, David vindt van zich zelf niet dat hij in zijn leven zo’n wolkeloze ochtend is: “Maar niet alzo mijn huis bij God!”[8]. Echter: de Here maakt het leven wolkeloos. In 2 Samuël 7 had Hij al tegen David gezegd: Salomo “zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen”. Voor immer. De Statenvertaling heeft daar: “Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid”[9]. Op die manier worden wij doorverwezen naar Jezus Christus.

De Farizeeën weten het in Mattheüs 22 wel: Christus is Davids Zoon. Die aanduiding heeft voor de Joodse kerkleiders een nationale en politieke betekenis.
Maar Jezus zegt dan Zelf: “De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb”[10]. Met andere woorden: Jezus Christus heeft een hemelse, Goddelijke oorsprong; Hij heeft ook nog een roeping in de hemel.
Hij is de Koning die regeert!
Tot in eeuwigheid!

Een wolkeloze ochtend heeft ons, als u het mij vraagt, iets te zeggen.
Een heldere dag vertelt ons dat we verder moeten kijken dan onze eigen sores.
Een wolkeloze hemel deelt ons mede dat er meer is dan de dag van nationale rouw die wij gisteren beleefden.
Een mooie zomerdag leert ons om op de toekomst gericht te zijn. Nee, niet alleen op het werk dat wacht. Nee, niet alleen op het kerkelijk seizoen dat, zo de Here wil, in september aanstaande weer beginnen gaat.
Maar op de toekomst waarin niets die wolkeloze hemel bederven kan.

David had het er al over.
Dus waarom zouden wij er niet over spreken en schrijven?

Noten:
[1]
Mijn vrouw en ik zijn in het rijke bezit van een caravan op camping ‘De Oldemeyer’ te Rheeze, een dorp bij het Overijsselse Hardenberg. Daar genieten wij van het mooie zomerweer dat de Here ons momenteel geeft.
[2] Naar aanleiding van die gebeurtenis schreef ik mijn artikel ‘Ramp’, hier gepubliceerd op maandag 21 juli 2014. Het artikel is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/07/21/ramp/ .
[3] 2 Samuël 23:2, 3 en 4.
[4] In dit artikel gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[5] 1 Samuël 16:13.
[6] Richteren 5:31.
[7] 2 Samuël 23:5 b.
[8] 2 Samuël 23:5 a.
[9] 2 Samuël 7:13.
[10] Mattheüs 22:44.

26 september 2013

Debora, Barak en Gods voorzienigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Mannen vormen samen het sterke geslacht, zeiden de mensen vroeger[1]. Tegenwoordig is men daar wel zo ongeveer van terug gekomen. Maar de uitdrukking ‘het sterke geslacht’ bestaat nog steeds. Het is ook heel Schriftuurlijk om te zeggen: de man moet voorop gaan.

Het vreemde is dat we daar in Richteren 4 – de geschiedenis van Debora en Barak – maar weinig van zien. Barak wordt door Debora in dienst geroepen. En dan nog is Barak niet echt gewillig. Akkoord, hij wil zijn missie wel volbrengen. Maar dan moet Debora wel meegaan.
Ze gaat ook mee. En ze wordt de stimulator van een expeditie om Israël te bevrijden van de Kanaänitische koning Jabin en diens opperbevelhebber Sisera.

De Kanaänieten hadden, zo omschreef iemand, een “technologisch voordeel”[2]. Negenhonderd ijzeren strijdwagens hadden ze in die tijd. Dat was natuurlijk niet niks!
Commentatoren zeggen ook dat Jabin en Sisera veel meer volk op de been konden brengen als Israël. Daarbij valt het ook op dat Debora en Barak slechts uit twee stammen krijgsvolk rekruteren: uit Naftali en uit Zebulon. Van de rest van Israël horen we niets. Wilden de andere tien stammen niet worden lastig gevallen?
Wellicht vond de Here het wel genoeg om uit te rukken met twee stammen. Het ging tenslotte om Zijn mobilisatie-order.

Hoe dan ook: uit Richteren 5 weten we dat het tijdens de achtervolging van Jabin en Sisera heel slecht weer moet zijn geweest.
“Van de hemel streden de sterren,
vanuit haar banen streden zij tegen Sisera.
De beek Kison sleurde ze mee
de aloude beek, de beek Kison
– ga voort, mijn ziel, met kracht! –
toen dreunden de hoeven der paarden
van het wilde jagen dier dapp’ren”[3].

Dat betekent: het water kwam met bakken uit de hemel. Zóveel tegelijk, dat het wel leek alsof de sterren voor de gelegenheid meevochten in de strijd. Er kwam zoveel water dat de Kison buiten haar oevers trad. Dat was echt geen vredig beekje meer!
Het moet geweldig tekeer zijn gegaan. Vernietigend voor mens en dier. Richteren meldt het ons zonder omhaal van woorden: “… en het gehele leger van Sisera viel door de scherpte des zwaards; niet één bleef er over”[4]. De scherpte des zwaards! Je zou haast zeggen: als je alles gehad hebt, krijg je dat ook nog!

Als dit tot ons is doorgedrongen, kan ook duidelijk zijn dat Debora en Barak in Richteren 4 niet in het middelpunt staan. En Jabin of Sisera ook niet.

Het gaat in de eerste plaats om Gods voorzienigheid. Het gaat om de “almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”.
U herkent vast de woorden van de Heidelbergse Catechismus wel[5].

Maar de Kanaänieten dan? Daar bleef helemaal niemand van over. Die werden helemaal niet in stand gehouden.
Wat is de kern van deze historie?
Het gaat om:
1. Gods voorzienigheid
2. het plan dat God met Zijn verbondsvolk heeft. Hij wil Zijn kinderen naar het land van de beloften brengen.

Iemand schreef naar aanleiding van Richteren 4: “Hij geeft de overwinning. Laten wij in gehoorzaamheid Hem achterna gaan. Laten we de vijand bestrijden met de waarheid. De leugen is in de stad, occultisme en afgodendienst. Het was een hele cultus. Daar kun je je niet mee vermengen. Dat had God ook keer op keer gezegd. Maar daar zal dan ook in de toekomst harder aan gewerkt moeten worden! We moeten dus geen compromis sluiten met de vijand, ook vandaag niet. Belagers liggen op de loer. Laten we zonder zonde blijven en wijzen op die ene weg tot verzoening door het offer van de Here Jezus. Daar moeten we niet zachtjes over praten, maar het van de daken schreeuwen”[6].
Die schrijver heeft wel gelijk.
Toch heb ik de neiging om het accent wat te verleggen.
Wij moeten niet vergeten dat het in Richteren 4 in de eerste plaats en vooral om een straf van de Here gaat. Kijkt u maar: “Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hazor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Haróseth-Haggojim woonde”[7].
Maar: als de Israëlieten zich dan weer tot de Here wenden, start de Here een ‘schoonmaakactie’.
Debora zegt tegen Barak: Heeft de “HERE, de God van Israël, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Naftalieten en Zebulonieten, en Ik zal aan de beek Kison Sisera, de krijgsoverste van Jabin, naar u toe voeren met zijn strijdwagens en zijn troepen, en Ik zal hem in uw macht geven?”[8].
Wat is nu de moraal van dit verhaal?
We moeten ons verbazen over Gods genadig ingrijpen. En dat na zóveel ongehoorzaamheid!
Wij kunnen wel roepen: wij moeten dit, en wij moeten dat.
Maar het is in Richteren 4 wel de Verbondsgod die de zaken aanpakt!
De Israëlieten zijn tot het besef gekomen dat het anders moet: daarom zijn ze weer met het gezicht naar de Here gaan staan. Dat is waar. Maar aan de verdrukking van Jabin kunnen de Israëlieten niet op eigen kracht een einde maken.
Dit Schriftgedeelte cirkelt niet om mensen die wakker moeten worden.
Het gaat om de uitvoering van het plan dat God met Zijn volk heeft.

Vandaag is de ‘vrouw in het ambt’ prominent in beeld.
Onlangs heb ik daar op deze plek al wat over geschreven[9].
Het is duidelijk: Debora laat heel Israël mee profiteren van haar geloofswijsheid. Maar is Debora nu typisch een voorbeeld van de vrouw in het ambt?
Wie in Richteren 4 een aanknopingspunt zoekt om daarover te spreken en te schrijven is, dunkt mij, verkeerd bezig. Met dit Bijbelgedeelte in de hand kan niemand doorslaggevende argumenten leveren om de vrouw een ambt te geven. Want: ook buiten ambtelijke dienst hebben vrouwen een hele uitgebreide taak. En trouwens: het is vast niet voor niets dat de vrouw Debora de man Barak inschakelt!
Nogmaals: waar het hier om gaat, is dat de Here voor Zijn volk zórgt. Hij zet Zijn plannen door. En in Richteren 4 blijkt wel heel duidelijk dat Hij daarbij Zijn kinderen op soms onverwachte en ongedachte wijze inschakelt.

Tegenwoordig zijn er veel mensen die vragen hebben over Gods voorzienigheid.
Ze zeggen: en onze tegenspoed dan?
En onze ellende?

Laten wij het maar voor ogen houden: Gods voorzienigheid is geen abstracte belijdenis.
U kunt niet zeggen: het is allemaal wel waar, maar met mij heeft het niet zoveel te maken. In mijn wereld past die voorzienigheid niet.
Want ook in de ellende die we om ons heen zien moeten we van Gods almacht getuigen. Ook tijdens periodes van ziekte moeten we erop vertrouwen dat niets ons van Gods liefde scheiden kan.
En natuurlijk zijn dan niet alle vragen beantwoord. We kunnen ons soms afvragen waarom God het niet wat makkelijker voor ons heeft gemaakt. Laten we in die omstandigheden beseffen dat we, om het met Jesaja 40 te zeggen, een druppel aan een emmer zijn. En een stofje aan een weegschaal[10]. Wat práten we nu toch?
Laten we ons erin trainen om over onze situatie héén te kijken. Laten we vaak bedenken dat onze Verbondsgod de geschiedenis – en de historie van óns heil! – werkelijk overziet.
Dacht u dat Debora en Barak – en hun manschappen – het niet moeilijk hebben gehad, daar in die stortbui?
Ze zullen vast een mening hebben gehad over die klimatologische extremiteiten!
Maar voor de heilshistorie was de vermelding van die vragen, van de emoties bij al dat natuurgeweld klaarblijkelijk niet zo belangrijk.

De belijdenis van Gods voorzienigheid moeten we met beide handen vasthouden. Wij dienen ons terdege te realiseren dat de God van hemel en aarde Zijn magistrale plan uitvoert. Hij leidt de kerk op de weg die naar de hemel leidt. Ja, dat gebeurt ook in 2013!
Laten we maar gewoon weer leren om “… in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar te zijn en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen”[11].

Noten:
[1]
Dit stuk is een bewerking van een artikel dat ik in januari 2006 schreef. Gedeelten ervan werden eerder gebruikt in een schets over Richteren 13,14 en 15 en Richteren 4. Die schets werd geschreven voor de Gereformeerd-vrijgemaakte mannenvereniging ‘Rehoboth’ te Groningen-Helpman. Mede-auteur van die schets was K. Holwerda te Groningen (1932-2007).
[2] Zie http://nl.cgg.org/index.cfm/fuseaction/Library.sr/CT/TRANSCRIPT/k/1426 .
[3] Richteren 5:20, 21 en 22.
[4] Richteren 4:16 b.
[5] Ze staan in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus, antwoord 27.
[6] Zie http://www.schreeuwomleven.nl/bijbelleesplan/richteren.html .
[7] Richteren 4:2.
[8] Richteren 4:6 en 7.
[9] Zie https://bderoos.wordpress.com/2013/09/11/belang-van-scheppingsvolgorde/ en https://bderoos.wordpress.com/2013/09/12/kanttekeningen-bij-een-advies/ .
[10] Zie Jesaja 40:15-18: “Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt; de Libanon is niet toereikend als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer. Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?”.
[11] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 28.

Blog op WordPress.com.