gereformeerd leven in nederland

26 januari 2021

Vorming in het vogelpark

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Een vogelpark – dat kunnen wij tegenkomen in Leviticus 11. Leest u maar mee: “En van deze vogelsoorten moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, de buizerd, elke soort kiekendief, elke soort raaf, de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, de steenuil, de visarend, de ransuil, de kerkuil, de kraai, de aasgier, de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis”[1].

Het lijkt erop dat dit een tamelijk willekeurige opsomming van beesten is. Toch is er een overeenkomst: alle opgesomde vogels leven van aas of levende prooi. Dat betekent dus dat zij het bloed van andere dieren eten. En dat is iets dat de Here verboden heeft.

Wat is de achtergrond van de voedselwetten? Daarover doen heel wat theorieën de ronde.
Sommigen zeggen: dieren worden als onrein beschouwd, wanneer het eten ervan nadelig kan zijn voor de gezondheid.
Er wordt gezegd: dieren zijn onrein als zij kunnen worden geassocieerd met afgoden van buiten Israël.
Er wordt gezegd: de voedselwetten zijn bedoeld om de Israëlieten gehoorzaamheid en heiligheid te leren. Zij moeten leren om te zeggen: God wil het – punt.
Er wordt gezegd: onreine dieren ‘vertegenwoordigen’ de zonde; reine dieren zijn vaak een symbool voor een Goddelijk gebod dat onderhouden moet worden.
Er wordt gezegd: onreine dieren staan in verbinding met de dood; reine dieren zijn verbonden met het leven.
Er wordt gezegd dat de verklaring moet worden gezocht in de natuurlijke voedingsmiddelen die beschikbaar zijn. De voedselwetten worden geformuleerd vanuit de omstandigheden waarin men zich bevindt.
Er wordt gezegd: elke categorie dieren heeft een eigen wijze van voortbeweging – vogels hebben twee vleugels om te vliegen en twee poten om op te lopen; vissen hebben schubben ter bescherming en vinnen om mee te zwemmen; landdieren hebben hoeven om mee te lopen. Reine dieren beantwoorden aan deze standaarden. Dieren die buiten deze categorieën vallen zijn echter onrein: vissen zonder schubben en vinnen; vliegende insecten met meer poten enzovoort.
Er wordt gezegd: die opsommingen in Leviticus 11 zijn vooral om een ongeremde jacht te voorkomen.
Er wordt gezegd: in Leviticus 11 gaat het om heelheid, heiligheid en integriteit.
Men kan concluderen: “God laat (…) door een volk, dat de voedselwetten onderhoudt, zien wat zijn bedoeling met de wereld is: Hij is de God van het leven, de orde en de vrijheid. De onreine dieren symboliseren dat wat niet zijn wil weerspiegelt: dood, wanorde en slavernij”[2].

Onze God is de Heer van het leven. Van het geordende leven, wel te verstaan. En juist dat geordende leven geeft vrijheid. Dat is de vrijheid die de profeet Micha in hoofdstuk 6 bedoelt: “Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan en mij buigen voor de hoge God? Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers, met eenjarige kalveren? Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen, in tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel? Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”[3].
Gods volk moet leren dat afgoden niets waard zijn. In de praktijk van het kerkelijk leven heb je er niks aan. Die afgoden breken de kerk alleen maar af.

Gods volk moet zich realiseren dat het apart gezet is. Elke poging om een beetje op de onchristelijke wereld te lijken strandt. In de kerk geldt namelijk: alles of niets.
Gods volk moet beseffen dat het houden van Gods geboden pas echt tot leven leidt. Zoals bijvoorbeeld de dichter van Psalm 119 het zegt:
“Mijn ziel kleeft aan het stof;
maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
Ik heb U mijn wegen verteld en U hebt mij verhoord;
leer mij Uw verordeningen.
Geef mij inzicht in de weg van Uw bevelen,
dan zal ik Uw wonderen overdenken”[4].

Leven zoals God het bedoelt heeft: dat is geen ver-van-ons-bed-show. Dat doen we in de omstandigheden van alledag. Niet alleen maar in het Bijbellezen en in de Bijbelstudie, maar in ons dagelijks werk: op kantoren, in bedrijven, langs de weg.
Alle door God uitverkoren mensen moeten beseffen dat zij rentmeesters zijn van de schepping die de Creator van hemel en aarde gemaakt heeft. ‘Je moet wat bereiken’. zeggen de mensen. Echter – druk bezig zijnde, gaat het er soms hard aan toe! Niet voor niets noteert de Prediker: “Indien u onderdrukking van de arme en beroving van recht en gerechtigheid in het gewest ziet, wees dan over dat verschijnsel niet verbijsterd. Want een hooggeplaatste let op een andere hooggeplaatste, en nog hoger geplaatsten letten op hén”[5].
In de kerk moet het anders toe gaan. Gods kinderen zijn rentmeesters: zij beheren de schepping die de Here hen ten gebruike heeft gegeven. Als het goed is vinden zij hun levensopdracht in Romeinen 12: “Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede”[6].

Nog één keer gaan we terug naar die tegenstelling: rein-onrein. Als het daarom gaat, spreekt onze doop boekdelen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt daarover: Christus heeft “geboden al de zijnen te dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest -Mattheüs 28:19-, met gewoon water. Daarmee geeft Hij ons te verstaan: evenals het water waarmee de dopeling overgoten en voor aller ogen besprenkeld wordt, de onreinheid van het lichaam afwast, zo bewerkt het bloed van Christus hetzelfde van binnen, in de ziel, door de Heilige Geest; het besprenkelt de ziel en zuivert haar van zonden en doet ons van kinderen des toorns opnieuw geboren worden tot kinderen van God. Wij worden evenwel niet door het water als zodanig van onze zonden gereinigd, maar door de besprenkeling met het kostbaar bloed van de Zoon van God. Hij is onze Rode Zee, waar wij doorheen moeten gaan om te ontkomen aan de tirannie van Farao — dat is de duivel — en binnen te gaan in het geestelijke Kanaän. De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven. Hij wast onze ziel en reinigt haar grondig van alle onreinheden en ongerechtigheden. Hij vernieuwt ons hart, schenkt ons volkomen troost en geeft ons vaste zekerheid van zijn vaderlijke goedheid. Hij doet ons de nieuwe mens aan en Hij trekt ons de oude mens uit met al zijn werken”[7].
Het geheel overziende kunnen we zeggen: dat vogelpark in Leviticus 11 is reuze educatief!

Noten:
[1] Leviticus 11:13-19.
[2] Excurs ‘Rein en onrein’. Te vinden in de onlineversie van de Studiebijbel.
[3] Micha 6:6, 7 en 8.
[4] Psalm 119:25, 26 en 27.
[5] Prediker 5:7.
[6] Romeinen 12:9 b.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 34.

3 augustus 2020

De antithese aangeduid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Wie gedoopt is draagt, zo zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, het merk en veldteken van Jezus Christus, de Heiland.
Christenen zijn te herkennen. Het is duidelijk: zij horen bij Christus.
De doop is een veldteken. Dat woord ‘veldteken’ duidt op een vaandel. Wie op een slagveld staat, moet zoeken naar het vaandel. Bij dat vaandel hergroeperen de strijders zich.

Zeg het vandaag maar zo: rechtgeaarde christenen gaan naar de kerk. Daar groeperen zij zich. Daar tonen zij – voor het oog van ieder die het zien wil – dat zij een gemeenschap zijn: mensen die door God apart zijn gezet, om in Zijn dienst te staan.
Die apartzetting komen wij in met een zekere regelmaat in Gods Woord tegen.

Paulus wijst daar in het begin van Galaten 1 heel nadrukkelijk op.
Citaat: “Paulus, een apostel – geroepen, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft – en al de broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Ik verwonder mij erover dat u zich zo snel afwendt van Hem Die u in de genade van Christus geroepen heeft, naar een ander evangelie, terwijl er geen ander is; al zijn er ook sommigen die u in verwarring brengen en het Evangelie van Christus willen verdraaien. Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie zouden verkondigen, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Zoals wij al eerder gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Als iemand u een evangelie verkondigt anders dan wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt”[1].

Daar gaapt de kloof tussen kerk en wereld. Daar wordt – met andere woorden – de antithese gesteld.
Jezus Christus heeft Zijn verlossingswerk op aarde voltooid. Hij is uit de dood opgestaan.
Waarom heeft Hij die verlossing bewerkt? Om ons voor altijd met een ferme ruk uit de wereld weg te halen: ‘Kom hier! U bent van Mij!’. Dat zo zijnde is het eigenlijk ondenkbaar dat je bij God wegloopt. Maar de Galaten doen dat wel. Paulus zegt: ‘Mensen doe dat nou niet! Er zijn wel predikers die pretenderen dat zij het Evangelie brengen. Maar hun boodschap is nep. Hun verhaal klinkt wel mooi, maar het is niet levensreddend’.
Zulke mensen vervloekt Paulus. Zij staan niet in het kamp van de Heiland. Je moet ver van hen wegblijven!

In feite is die kloof tussen kerk en wereld er al vanaf het begin van de wereld.
Nu het hierom gaat, geef ik vandaag het woord aan mijn vader, H.P. de Roos te Haren. Hij is vandaag jarig; hij is 93 jaar geworden. Op dinsdag 3 december 2019 schreef hij in zijn e-dagboek naar aanleiding van Galaten 1 het volgende.
“Die antithese is gesteld in Genesis 3 vers 15 en duurt tot de slang, de duivel die de hele wereld verleidt, zal zijn verwijderd en in de vuurpoel geworpen.
Binnen Gods Verbond de oneindige liefde, en daarin het losrukken van Zijn volk uit de wereld van de slang. Zo heeft Zijn Vader, die onze God is, het gewild, schrijft Paulus. Een gereformeerd predikant zei daarop het volgende:
‘De vraag: “wie zal ons van Christus’ liefde scheiden” is dus voor u geen ‘open’ vraag. God immers heeft haar reeds voor u beantwoord, voordat u er enig besef van had. Hij toch deed dat in het Evangelie, dat u bij uw doop betekend en verzegeld werd. En waarop u – tot onderscheid van jaren gekomen zijnde – amen moest en nog steeds moet zeggen’.
En hij vervolgt:
‘Ja, want de kérk, door Christus’ liefde gegrepen, mag en moet er zeker van zijn, dat niets en niemand haar van die liefde scheiden zal. Gods beloften falen nimmer!
Doch, dat -het ganse leven omvattend- christelijk getuigenis, móet nu ook gepaard gaan met betoon van algehele geloofsovergave aan de reële Christus. In oprechte wederliefde. Aan de Christus, zoals Hij ons in de Schrift wordt getekend. Zoals Hij Zich daarin openbaart in woord en werk’.
Hoe belangrijk het is om vast te geloven dat het heil in niemand anders dan in Christus kan worden verkregen, toont Paulus aan door dit reeds in zijn groet te verwerken. Daartoe is Christus als mens in de wereld gekomen en dat beheerst ons hele leven, zelfs in elkaars groet. Alles wat de aandacht van Christus kan afleiden moet voorkomen of verwijderd worden”[2].

Waarvan akte!

Eén ding nog.
Als het over de doop gaat, kan men teksten tegenkomen die, zacht gezegd, enigszins merkwaardig aandoen. Bijvoorbeeld: “Wat is de doop? Het valt niet mee een antwoord op deze vraag te vinden waar alle ‘partijen’ het mee eens zullen zijn! De christelijke (water)doop is een rituele reiniging waardoor een mens op het christelijk ‘erf’ wordt gebracht. Sommigen zien in dat ‘erf’ de kerk (…), anderen het verbond (…), weer anderen het koninkrijk Gods”[3].
Bij die term ‘rituele reiniging’ kriebelt het.
En wat moeten we aanvangen met die uitdrukking ‘een mens die op het christelijk erf wordt gebracht’?
Wij kunnen het beter zo zeggen: de doop is het teken dat iemand uit genade tot Gods kind is aangenomen; dat teken behoort dat gedoopte kind uiteindelijk te brengen tot levenslang vertrouwen in Gods beloften!

Noten:
[1] Galaten 1:1-9.
[2] De bedoelde predikant is dominee D. Los (1917-2012). Het citaat komt uit een preek over Galaten 1:1-9.
[3] Geciteerd van https://visie.eo.nl/artikel/2004/12/alles-wat-u-altijd-al-wilde-weten-over-de-doop .

31 juli 2020

De doop en onze kijk op de wereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Hoe kijken we naar het verleden? Heel vaak moet het verleden worden gecorrigeerd, zegt men tegenwoordig. Jan Pieterszoon Coen deugde niet, stelt men vast[1].
De Belgische cultuurhistoricus Raoul Bauer blijft nuchter. Hij constateert: “Je kunt je afvragen of het wel zinvol is om allerlei standbeelden of negatieve elementen uit het verleden te zuiveren. Want je past dan op een bijna absolute manier je eigen waardeschaal toe op een verleden periode. Je kunt je beeld van het verleden niet los zien van het heden, maar je moet de eigenheid van het verleden wel degelijk respecteren. Ik heb het idee dat men zich momenteel met de waarden van nu een eigen verleden aan het creëren is, men is het verleden aan het kneden volgens de normen van nu. Op een gegeven moment is er dan geen einde aan wat je dan moet weghalen”[2].
Tot zover het verleden.

Maar daar is ook de vraag: hoe kijken we naar de toekomst?
Daaronder liggen vragen als:
* Hoe gaan we eten?
* Hoe gaan we wonen?
* Hoe duurzaam leven we nu echt?
* Worden onze smartphones nog slimmer dan ze nu al zijn[3]?

Als het gaat om onze wereldbeschouwing is ons zicht op de doop van het hoogste belang. Want die doop maakt duidelijk dat we onszelf niet kunnen redden. We moeten ons behoud bij Jezus Christus zoeken. Onze zonden worden door de Heiland afgewassen. Wij worden opgeroepen om Hem gehoorzaam te dienen. Dan is er toekomst. Dan eindigt ons leven nimmer meer.
Zo leren we dat in de Gereformeerde kerk.

Het is duidelijk dat de doop bij velen aan waardevermindering onderhevig is. Ik was er zelf niet met mijn volle verstand bij, zeggen vele gedoopte volwassenen. Het was, zo merken ze op, een keuze van mijn ouders. De doop zegt mij niets, stelt men zonder omwegen. En er wordt gevraagd: ik mag toch zelf wel kiezen? Als het nog een beetje tegenzit, mompelt men tenslotte enigszins misprijzend dat het 2020 is; kiezen voor een ander, dat is onderhand wel uit de tijd.

Toch is het, juist in deze tijd, nuttig om aandacht te vragen voor de doop.
Laten wij ons uitgangspunt nemen in Colossenzen 2: “In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis die niet met handen plaatsvindt, door het uittrekken van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus”[4].

In deze tijd worden vragen gesteld bij het verleden; de toekomst is, mede in verband met COVID-19, één grote optocht van vraagtekens.
De doop biedt in alle commotie wel degelijk vastigheid. Dat zullen wij hieronder in drie punten zien.
1.
U bent in Hem besneden, schrijft Paulus aan de christenen in Colosse. Dat wil zeggen: God heeft een verbond met u gesloten. Dat verbond is er niet alleen voor de Joden, maar ook voor christenen in Colosse. En tevens voor gelovige Bijbellezers van 2020, waar die zich ook ter wereld bevinden. Door het bloed van Christus worden de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd[5].
2.
Wat moet concreet het effect van de doop wezen? Het antwoord van Colossenzen 2 is: Gods kinderen trekken het lichaam van de zonde uit. Dat klinkt theoretisch. Abstract. Wij kunnen het niet vastpakken. Wij kunnen niet zeggen: in de prullenmand met dat lichaam van de zonde!
Wat betekent dat: het uittrekken van het lichaam van de zonde? Welnu – dat betekent dat wij gelovig leven. Kort gezegd: het leven begint opnieuw.
Christus stond op uit de dood. Zijn leven begon opnieuw. Hij nam Zijn plaats in de hemel weer in. Zo zullen ook wij opstaan uit de dood. Ook wij zullen te Zijner tijd onze plaats in de hemel innemen. Paulus zegt het in Romeinen 6 zo: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding”[6].
Hier klinkt, zo zegt iemand wellicht, voornamelijk toekomstmuziek. En dat is waar. Maar die toekomstmuziek klinkt steeds mooier. Naarmate de nieuwe toekomst dichterbij komt, klinkt de muziek zuiverder. En een gelovig mens zegt: dit klinkt mij als muziek in de oren!
3.
Als het gaat om onze wereldbeschouwing is de betekenis van de doop van het hoogste belang.
In het verleden hebben allerlei mensen dingen verkeerd gedaan. Of zij nu vooraan stonden of niet. Sommigen gaven leiding. Verder waren er heel veel gewone mensen die deden wat hen opgedragen was.
En ja – in de toekomst gaan er vast en zeker ook allerlei dingen fout. Er worden heel wat verkeerde beslissingen genomen. En dat alles zal vervolgens ongetwijfeld betreurd worden.
In al die situaties is het hoogst belangrijk dat gedoopten in alle tijden en uit alle plaatsen blijven beseffen wat de doop inhoudt:
* een nieuw begin
* vergeving van zonden
* beloften over opstanding uit de dood en een eeuwig leven.
Wat er ook misgaat in de wereld, hoe groot de invloed van de zonde ook is, Gods eeuwige verbond blijft voluit geldig!

Als wij ons dit alles realiseren wordt de blik op het verleden anders.
Als wij ons dit alles realiseren wordt de toekomst mooier.

Noten:
[1] Zie https://nos.nl/artikel/2338336-hoorn-wil-met-inwoners-in-gesprek-over-racisme-en-jp-coen.html ; geraadpleegd op vrijdag 24 juli 2020.
[2] Geciteerd van https://www.nd.nl/cultuur/boeken/983858/-mensen-zijn-momenteel-met-de-waarden-van-nu-een-eigen-verleden-a ; geraadpleegd op vrijdag 24 juli 2020.
[3] Zie hierover bijvoorbeeld https://www.rtlnieuws.nl/lifestyle/liefde-leven/artikel/4968366/toekomst-eten-gezin-liefde-wonen-ai-decennium-trends ; geraadpleegd op vrijdag 24 juli 2020.
[4] Colossenzen 2:11.
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 27, antwoord 74: “…de kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd”.
[6] Romeinen 6:4 en 5.

7 april 2020

Wonderlijk pad

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur”.
Dat is een vers uit Exodus 14[1]. De Israëlieten lopen op een door de Here gecreëerd pad door de Schelfzee. Maar als de Egyptische farao er met zijn trawanten achteraan wil, is er opeens geen pad meer. De weg is weg.

Wonderlijk is dat. Hoe is dat gebeurd? Wetenschappers zeggen eenvoudigweg dat het niet gebeurd is. “Wetenschappers hebben één van de beroemdste wonderen uit het Oude Testament gereconstrueerd. Ze concluderen dat het wetenschappelijk gezien zeker mogelijk is, maar niet in de Rode Zee, zoals de Bijbelvertaling suggereert. Met een beetje hulp van de computer en de Bijbel achterhaalden ze de echte locatie en hoe Mozes het ‘deed’ (…) Een wetenschapper “nam die oostenwind als uitgangspunt en reconstrueerde de gebeurtenis op de computer. Hij ontdekte dat het zeker gebeurd kan zijn, maar dan niet op de plaats die door mensen al jarenlang als locatie van het wonder wordt aangewezen. Een oostenwind moet het water opzij kunnen duwen. Dat betekent dat deze wind het water over de volle lengte moet ‘besturen’. Dat kan niet in de Rode Zee, want deze loopt van noord naar zuid (…) Diezelfde wetenschapper “ontdekte echter een meertje aan het eind van de Nijl, dichtbij het huidige Port Said. Dit meer ligt helemaal goed en lijkt op basis van oude kaarten overeen te komen met het verhaal van Exodus. Sterker nog: de computermodellen geven aan dat het ‘wonder’ hier wetenschappelijk gezien heel goed mogelijk was. Een wind met een snelheid van zo’n 100 kilometer per uur was voldoende om het water naar het westen weg te duwen. Hierdoor ontstond in het midden een landbrug die zeker enige uren droog kon staan”.
Laten wij ons troosten. Want: “Andere onderzoekers zijn voorzichtiger (…). Zij menen dat andere locaties ook in aanmerking komen voor zo’n wonder. Ze moedigen de poging om het wonder te verklaren echter van harte aan”[2].

Wij moeten ons realiseren dat de almacht van God zo groot is dat zelfs zeer erudiete geleerden van onze tijd de wonderen van vroeger en nu niet verklaren kunnen. Maar in het licht van die schitterende almacht komt Gods genade des te beter uit!

Want wat is de boodschap van die geschiedenis?
Antwoord: de Here kiest de mensen uit voor wie Hij genadig is.
Zo staat het ook in het Gereformeerde formuliergebed bij de kinderdoop: “U bent het die de hardnekkige Farao met al zijn volk in de Rode Zee deed verdrinken. Maar uw volk Israël hebt U daar droogvoets door geleid, waardoor U toen reeds de doop hebt aangeduid”[3].

Waar bidden we om bij de doop?
Wij bidden dat God het pas geboren kind in genade wil aannemen.
Wij bidden dat dit kind onlosmakelijk aan Christus, de Heiland, verbonden blijft.
Wij bidden dat dit kind eeuwig leven mag. Namelijk door het geloof in des Heilands opstanding.
Wij bidden dat dit kind een sterk geloof zal hebben en blijmoedig met God leven zal.
Wij bidden dat dit kind te Zijner tijd vrijmoedig voor God verschijnen zal; vrijmoedig, omdat het zeker is van de vrijspraak, door de voorspraak van de Advocaat.

Een gelovig mens stelt zich, ook als hij volwassen geworden is, afhankelijk op. Elke dag is zijn vraag: welke taak geeft de Here mij vandaag? Die gelovige weet wel dat zijn manier van doen nimmer geheel perfect is. Maar hij realiseert zich terdege dat dat hij vrij en blij leven mag. Hij is zeker van Zijn vrijspraak. Hij heeft een verbond met God. Hij is met Hem verbonden. Na dit aardse bestaan is er nog een nieuwe toekomst
Dat gebed in de kerk bij zijn doop galmt, om zo te zeggen, gedurende heel zijn aardse leven nog na.

Het was keizer Marcus Aurelius -121-180 na Christus- die Meditationes schreef. Hij maakte korte filosofische notities[4]. Bijvoorbeeld deze: “De wereld bestaat alleen maar uit verandering. Ons leven is slechts perceptie”.
Wat bedoelde de keizer?
Hij bedoelde dit. Ons leven verandert voortdurend. Soms maar een klein beetje. In andere periodes wijzigt de situatie zich in heel korte tijd. Daar kunnen u en ik weinig aan doen. Het gaat er om dat we onze emoties onder controle houden. We moeten rationeel blijven redeneren. Wij moeten ons gezonde verstand blijven gebruiken. U moet zich richten op datgene wat u kunt beïnvloeden.

Marcus Aurelius noteerde ook: “Objectieve oordelen, nu in dit moment. Onzelfzuchtige acties, nu in dit moment. Acceptatie van externe gebeurtenissen, nu in dit moment. Dat is alles wat je nodig hebt”.
Blijf maar rustig, suggereert de keizer. Dan bent u goed in staat om uw naasten van dienst te zijn. Zeg het in 2020 maar zo: loop niet gefrustreerd te doen, maar help de buurman![5]

De samenleving in Nederland houdt zich, wellicht zonder dat men zich daarvan bewust is, aardig aan de raadgeving van de Romeinse keizer. Men helpt elkaar ijverig. Er wordt hard gewerkt om mensen niet te laten verkommeren. Men roept elkaar toe: ‘Het komt allemaal goed’. Of, op z’n Gronings: ‘Kop d’r veur; komt aal goud’. Er zijn massa’s goede initiatieven. Men schiet elkaar te hulp.
Dat is prachtig. We kijken met genoegen naar elkaar. Het is mooi om deel uit te maken van een warme samenleving. Laten we hopen dat die warmte blijft, ook als de coronadreiging minder groot geworden is.

Hoe goed die hulpvaardigheid er ook uitziet, er is wel sprake van een zekere kortzichtigheid. Want wat gebeurt er na de dood? Dat is een vraag die, juist in de coronacrisis, volop actueel is. Op die vraag geven velen geen antwoord.
Terwijl de Bijbel al eeuwen bestaat!
Een hersteld hervormde predikant schreef daarover eens: de laatste woorden die we in Maleachi 4 lezen “spreken over de profeet Elia die komen zou voordat de Zaligmaker komt. Dan zien we daar die ene pagina staan met daarop Nieuwe Testament en als we Markus 1 lezen dan lijkt het wel alsof alles gewoon doorgaat waar Maleachi is gebleven. Maar daar ligt dus wel 450 jaar tussen.
Met alle verschillen en verscheidenheid vormt Gods Woord een eenheid. Een eenheid die door mensen niet gemaakt kan worden. Een eenheid, waar de Heilige Geest alleen zorg voor kan dragen. Een eenheid, waarin de Heere Zijn heerlijkheid en glorie laat zien. Een eenheid ook, die spreekt van Zijn majesteit en heerlijkheid. Maar in die eenheid toont het Woord ons ook telkens weer dezelfde boodschap. Of we nu in het boek Genesis lezen of in het boek Openbaring, telkens weer wordt ons voorgesteld dat wij zondaren zijn en Gods genade nodig hebben”[6].
En dan zien wij weer waar het om het draait in het leven: om de genade van God.
Laten wij om die genade bidden!

Gelovige mensen mogen blijven belijden: onze God kan alles!
Om tenslotte met Psalm 127 te spreken:
“Wanneer de HEER het huis niet bouwt,
is, alle metselwerk ten spijt,
de opbouw niets dan ijdelheid.
Wanneer de HEER de wacht niet houdt,
geen wachter, die de vijand keert,
geen stadsmuur die zijn aanval weert”[7].

Noten:
[1] Exodus 14:22.
[2] Geciteerd van https://www.scientias.nl/hoe-spleet-mozes-de-rode-zee/ ; geraadpleegd op dinsdag 31 maart 2020.
[3] “Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen” – Gereformeerd Kerkboek-1986. Citaat van p. 514.
[4] Zie hierover https://nl.wikipedia.org/wiki/Ta_eis_heauton ; geraadpleegd op dinsdag 31 maart 2020.
[5] Zie ook https://www.nrc.nl/nieuws/2020/03/30/eeuwenoude-filosofen-hebben-goede-tips-tegen-corona-angst-a3995302 ; geraadpleegd op dinsdag 31 maart 2020.
[6] Ds. B.D. Bouman, “Artikel 4: De omvang van de Bijbel” [serie Met hart en mond: een uitleg van de Nederlandse Geloofsbelijdenis]. In: Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk, donderdag 28 september 2017, p. 10 en 11.
[7] Psalm 127:1 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

29 januari 2020

Doop en kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Waar word je gedoopt? Antwoord: in de kerk. Natuurlijk. Waar anders? Doop en kerk – die zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

In het Gereformeerde formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen wordt gezegd: “Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Zoon, verzekert de Zoon ons ervan, dat Hij ons in zijn bloed wast en reinigt van al onze zonden. Hij maakt ons één met Zichzelf in zijn dood en opstanding, zodat wij van onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden”[1].
Vanaf het begin wordt ons voorgehouden: jij wordt gereinigd.
Vanaf het begin wordt ons voorgehouden: jij wordt vrijgesproken van schuld.

Het formulier voor de doop verwijst daarbij naar 1 Johannes 1. En wel naar deze woorden: “…Als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van ​Jezus​ ​Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle ​zonde. Als wij zeggen dat wij geen ​zonde​ hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze ​zonden​ belijden: Hij is getrouw en ​rechtvaardig​ om ons de ​zonden​ te ​vergeven​ en ons te ​reinigen​ van alle ongerechtigheid”[2].

Een exegeet noteert daarbij: “Men kan zich afkeren, maar ook besluiten in het licht te blijven (…). Blijft de gelovige bij het laatste, dan ontdekt hij dat zijn zonde verdwijnt. Het bloed van Jezus reinigt en zuivert hem daarvan (…). Dat reinigen is een voortdurend proces gezien de praesensvorm van het werkwoord katharizo. Christenen mogen leven binnen de werkingssfeer van het reinigende bloed van Jezus, de Zoon van God. Bloed is een symbolische aanduiding van Jezus’ heilbrengende offerdood aan het kruis”[3].

In 1 Johannes 1 worden Gods kinderen er dus toe opgeroepen om een keus te maken.
Nee, dat is geen keus die wij slechts één keer in ons leven maken. Integendeel. Het betreft een keus die steeds ionieuw gemaakt moet worden. Het is een proces dat voortdurend voortgaat. Steeds weer moeten wij ons naar God toe keren. Wij moeten ons bekeren
Gereformeerd-zijn is dus niet iets statisch. Het is voortdurend in beweging. Gereformeerden zijn geen fauteuilkerkmensen.

Nee, u bent niet de enige die zulk een keuze maakt. En schrijver dezes is niet de enige die door Gods genade steeds weer bij de Here komt. Heel veel mensen komen in alle oprechtheid bij God om Hem te dienen. En ja, al die mensen horen in de kerk thuis!

Het is belangrijk om dat ook vandaag vast te stellen.
Want kerklid-zijn lijkt steeds vaker uit de mode te raken.
Een jonge vrouw zegt in het Nederlands Dagblad: “In mijn opvoeding kreeg ik mee dat je een kerk nodig hebt om je geloof op de voorgrond te houden. Daar zal zeker een kern van waarheid in zitten, maar ook zonder kerk ben ik met het geloof bezig en ik zoek daar mijn eigen weg in”[4].
Laten wij aannemen dat dat waar is. Niettemin is het merkwaardig. Want de verbinding met elkaar en met Jezus Christus is blijkens 1 Johannes 1 onverbrekelijk.
Dat is een stimulans om naar de kerk te gaan.
Sterker nog: het is een aansporing voor alle Gereformeerden om elkaar op te zoeken, en samen naar de kerk te gaan!

En wat is het Evangelie dat wij in de kerk horen?
Johannes draait er niet omheen. Als iemand zijn zonden voor God belijdt, zal Hij die zonden altijd vergeven. Hoe groot die zonden ook zijn.

David wijst daar trouwens ook op in Psalm 32:
“Welzalig is hij van wie de ​overtreding​ ​vergeven,
van wie de ​zonde​ bedekt is.
Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is”[5].
En:
“U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid,
U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding”[6].
En waarom weten we dat zo zeker? Omdat Jezus Christus, onze Heiland, voor ons geleden heeft.
Dat Evangelie is volstrekt betrouwbaar!
De heilige God verklaart dat Zijn kinderen volkomen schuldeloos zijn. De rekening is vereffend![7]

Het Evangelie dat in de kerk te horen is, kunnen we daar ook zien. In de doop dus.
Het Evangelie is bestemd voor Bijbellezers. Maar zeker ook voor beelddenkers.
Het Evangelie is er voor ieder die het horen wil. En voor ieder die het zien wil.

Waar horen gedoopte kinderen van God thuis?
Antwoord: in de kerk. Natuurlijk! Waar anders?

Noten:
[1] Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 513.
[2] 1 Johannes 1:7, 8 en 9.
[3] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Johannes 1:7.
[4] Dat is Tabita Roodselaar. Zij wordt op zaterdag 18 januari 2020 in het Nederlands Dagblad geïnterviewd; Nd7, pagina 24 (rubriek ‘Dertigers’).
[5] Psalm 32:1 en 2.
[6] Psalm 32:7.
[7] In het bovenstaande gebruik ik onder meer https://www.oudesporen.nl/Download/OS1735.pdf ; geraadpleegd op donderdag 23 januari 2020.

28 januari 2020

De actualiteit van de doop

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Als wij een kind ten doop houden, staan op de achtergrond onder meer woorden uit Ezechiël 36. Dat zijn deze: “Ik zal ​rein​ water op u sprenkelen en u zult ​rein​ worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u ​reinigen. Dan zal Ik u een nieuw ​hart​ geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het ​hart​ van steen uit uw lichaam wegnemen en u een ​hart​ van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt”[1].
Met andere woorden: het kleine kindje dat in onze armen ligt, kan zichzelf niet reinigen van zonde; dat moet Iemand anders doen.
En ook: het kleine kindje dat in onze armen ligt, zal uit zichzelf de levenskoers niet verleggen; dat moet Iemand anders doen.
En ook: het kleine kindje dat in onze armen ligt, zal niet uit zichzelf met God gaan leven; daar moet Iemand anders voor zorgen.

Veel mensen zijn vervolgens geneigd om te zeggen: ach, zo erg is het ook weer niet; er zit nog wel wat goeds in de mensen. Maar Ezechiël 36 leert ons wat anders.

Het bovenstaande is volop actueel.
Waarom?
Dat wordt duidelijk als wij het navolgende citaat lezen: “Voor zeventig jaar bevrijding heb ik veel mogen doen. En daar werd ik ook… nou, ik voel het alweer… ik ga bijna huilen. Het is echt zo erg dat dit soort dingen… natuurlijk gebeurd is, maar ook nog steeds elke dag gebeurt. Ik vind het echt verschrik-ke-lijk wat mensen elkaar aan doen”.
Dat zegt een zangeres en theatermaakster tijdens een uitzending van RTV Noord[2]. In het televisieprogramma spreekt men over het monument Levenslicht van de kunstenaar Daan Roosegaarde. Wat is dat voor monument? Een citaat van de website van de Volkskrant: “Levenslicht is een tijdelijk monument van 104 duizend ‘lichtgevende’ stenen om de slachtoffers van de Holocaust te herdenken. Alle gemeenten vanwaar Joden zijn gedeporteerd, kunnen er volgend jaar deel van uitmaken (…) De bedoeling is dat Levenslicht begin volgend jaar te zien zal zijn in alle Nederlandse gemeenten vanwaar tijdens de Tweede Wereldoorlog Joden, Sinti en Roma zijn gedeporteerd naar Duitse concentratie- en vernietigingskampen”[3].
Die theatermaakster zegt: “Ik vind het echt ver-schrik-ke-lijk wat mensen elkaar aan doen”. Met nadruk: ver-schrik-ke-lijk. En dat is het natuurlijk ook. Het is ronduit afschuwelijk.
Welnu, Ezechiël 36 leert ons dat het doden van die duizenden vanuit de zonde verklaarbaar is. Wie daar structureel iets aan wil doen, moet zonder omwegen toegeven dat mensen daar zelf niet toe in staat zijn. We kunnen er alleen maar Iemand iets aan laten doen!

Op deze internetpagina komt Ezechiël 36 wel eens vaker aan de orde.
Uit een artikel dat hier eerder verscheen komt het volgende citaat.
“Wat is de situatie in Ezechiël 36?
Daar moet de profeet Ezechiël aan het werk.
Hij moet profeteren tegen de bergen. Waarom? Vijanden van Israël hebben bezit genomen van die bergen. En dat voorspelt onheil. Want bergen kun je moeilijk innemen en bezetten. Je kunt beter een stad op de vlakte in bezit nemen. Dat is overzichtelijk. Maar een berg? Die is hoog. Een berg is lastig. Het beklimmen van een berg kan gevaarlijk zijn. Als zelfs de bergen al in bezit van de vijand zijn… – dan is alle hoop verloren.
De vijanden zeggen dat ook. We hébben ze!, zeggen ze. En ze verkneukelen zich. Israël is, figuurlijk gezien, een prooi voor de wolven.
Welnu – in die situatie komt er een proclamatie van God.
En iedereen moet luisteren. De natuur, de steden en iedereen die erin woont… – luisteren zullen zij!
Wat zegt God?
Hij heeft gesproken tegen de heidenvolken en tegen Edom. Dat zijn de vijanden van Israël.
Zeg dus niet: die heidenvolken hebben op eigen houtje gehandeld. Nee, de Verbondsgod van Israël heeft Zich laten horen. En toen gebeurde er wat!
Maar nu gaat de Verbondsgod tegen Israël spreken.
Die heidenvolken? Die hebben Gods volk aangepakt. En dat is, ten diepste, schandalig!
De zaken gaan veranderen.
Het land zal weer een goede oogst geven. Er komt bevolkingsgroei. De steden worden herbouwd. De puinhopen gaat men opruimen.
Ja, er komen weer mensen. Het onherbergzaam geworden land wordt opnieuw gecultiveerd.
God zegt: ‘Ik zal mensen over u doen lopen, namelijk Mijn volk Israël’.
De vijanden zeggen: wij hebben de macht. Zij zeggen: wij slokken de landen op, compleet met de bewoners ervan.
Maar de God van hemel en aarde spreekt dat krachtig tegen. De vijandelijke macht is eindig. Het is afgelopen! Er komt een totale ommekeer! Die heidenen zullen nog eens wat zien!
De God van het verbond zegt tegen Zijn woordvoerder Ezechiël: eertijds maakte Israël er, door de zondige levensstijl, een enorm vieze boel van. Afgoderij was aan de orde van de dag. Daarom kreeg het volk met Mijn toorn te maken. Woedend was Ik! Daarom gooide Ik het hele volk door elkaar. Sterker nog: Ik sloeg ze uit elkaar.
Dat was hun straf. En dat was hun eigen stomme schuld!
De Israëlieten kwamen bij de heidenen terecht.
Maar toen werd het nog erger.
Want die heidenen zeiden: ‘Die migranten uit Israël genoten toch speciale bescherming van hun God? Wat doen al die mensen dan hier?’.
Maar dat neemt God niet.
Zijn heilige naam dreigt te grabbel te worden gegooid. Zijn reputatie dreigt flink ingedeukt te worden.
Maar dat gaat niet gebeuren!
Dat is de reden dat de God van het verbond nu ingrijpt.
Er gaat een wonder gebeuren.
Het uit elkaar geslagen volk wordt weer bijeen gebracht.
Het volk wordt gereinigd. Alle viezigheid gaat eraf.
Van buiten en van binnen.
En daarom klinken die woorden: ‘Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt’.
Zo wordt Gods reputatie weer volledig hersteld.
De God van het verbond houdt Zelf Zijn heilige naam hoog!”[4].

Tijdens die uitzending van RTV Noord lijkt de achterliggende boodschap te zijn: het lijkt wel of de mensen een hart van steen hebben! Welnu, in Schriftuurlijke zin is dat dus waar.
En wij, drukdoenerige en soms zeer emotionele mensen van 2020, vragen ons af: hoe kan dat? Of ook: dit is, menselijk gesproken, toch onmogelijk? Antwoord: ja, dat klopt.
Maar de Here God prent het ons in: Ik zal u een nieuw hart geven. Het staat ook al in Ezechiël 11: “Ik zal hun één ​hart​ geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het ​hart​ van steen uit hun vlees wegdoen en hun een ​hart​ van vlees geven, zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn”[5].
Zijn we dan zelf helemaal uitgeschakeld? Nee, zeker niet. Leest u maar mee in Ezechiël 18: “Werp al uw ​overtredingen, waarmee u overtreden hebt, van u af en maak u een nieuw ​hart​ en een nieuwe geest. Waarom zou u sterven, ​huis​ van Israël? Ik schep immers geen behagen in de dood van een stervende, spreekt de Heere HEERE, dus bekeer u en leef!”.
Maar het begint bij God.
Hij moet de verandering in gang zetten.

Dat is precies wat de doop laat zien: God aan het begin van het leven van Verbondskinderen. Hij bewerkstelligt een schitterende verandering.
Van den beginne grijpt God in.
Dat is de meest structurele verandering die er in heel de kosmos plaatsvindt!

Gedoopte kinderen van God mogen de waarde van hun doop laten zien.
Zij mogen zeggen: ‘Jazeker, er gebeuren verschrikkelijke dingen in de wereld. Maar de hemelse God was vanaf het begin bij ons. Hij beschermt ons, ons hele aardse leven lang. En wij mogen Zijn ambassadeurs op aarde wezen. Sluit u daarom maar bij ons aan. Inderdaad – er gebeuren vreselijke dingen op aarde. Maar wij de wanhoop niet nabij. Want onze God verandert ons leven’.
Daarom is de uitnodiging van Psalm 122 voluit geldig:
“Ik was verheugd, toen men mij zei:
Laat ons naar ’t huis de HEREN gaan,
om voor Gods aangezicht te staan.
Kom ga, met ons en doe als wij.
Jeruzalem, dat ik bemin,
nu treden wij uw poorten in.
Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Jeruzalem is hecht gebouwd,
wel saamgevoegd, wie haar aanschouwt
zal haar als stad van vrede groeten”[6].

Noten:
[1] Ezechiël 36:25, 26 en 27.
[2] Miranda Bolhuis in het programma Noord Vandaag; woensdag 22 januari 2020.
[3] Geciteerd van https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/daan-roosegaarde-maakt-tijdelijk-holocaust-monument-met-104-duizend-fluorescerende-stenen~b841f7d0/ ; geraadpleegd op donderdag 23 januari 2020.
[4] Geciteerd uit mijn artikel ‘Verwarrende tijd’, hier gepubliceerd op 23 augustus 2019. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2019/08/23/verwarrende-tijd/ .
[5] Ezechiël 11:19 en 20.
[6] Psalm 122:1 – berijmd; Gereformeerd-Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.