gereformeerd leven in nederland

14 maart 2022

Gods grote daden

‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’. Dat vroeg een ouderling tijdens een huisbezoek, begin maart 2022.
Die ouderling had 1 Thessalonicenzen 5 gelezen: “Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven. Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet”. De ouderling stelde die vraag van hierboven dus opdat het gemeentelid en de ouderlingen elkaar op zouden bouwen.
Geachte lezer, stel u gerust: de ouderlingen waren van harte welkom.
De pastorant – dat is degene die huisbezoek ontvangt – begon echter een beetje te sputteren. Hij had meteen diverse vragen.
De grote daden van de Here – zijn dat niet wat al te grote woorden voor een tamelijk gewoon mensenleven? Volken zijn, zegt Jesaja 40, als druppels aan een emmer. Volken zijn, zegt Jesaja 40 ook, als een stofje op de weegschaal. Wat stelt één mensenleven dan nog voor?
De grote daden van de Here – zijn des Heren daden die wij heel groot vinden, in Gods ogen misschien heel klein?
De grote daden van de Here – is dat niet een cliché?
De grote daden van de Here – zijn dat niet zes woorden die, op de keper beschouwd, langzaam aan betekenis inboeten?
De grote daden van de Here – wat bedoelen wij daar eigenlijk mee?[1]

Wij worden geattendeerd op de kerkgeschiedenis
Als wij over Gods daden spreken, resoneert de kerkgeschiedenis mee. Dat is een lange geschiedenis. Laten wij elkaar wijzen op Deuteronomium 4: “Of heeft God ooit getracht om voor Zich een volk uit het midden van een ander volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de Heere, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft? Aan ú is dat getoond, opdat u zou weten dat de Heere God is, niemand anders dan Hij alleen!”. De eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Deuteronomium belichten de activiteit van de Here voor en met Israël sinds de uittocht uit Egypte, in een periode van zo’n vier decennia. In dat licht wordt dan ook de bevrijding van Gods volk zichtbaar.
Als tijdens een huisbezoek gevraagd wordt ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’ betekent dat ten diepste: beseft u dat u deel uitmaakt van Gods volk?[2]

Wij worden erbij bepaald dat wij aan Goddelijke veroordeling ontkomen zijn
Als wij over Gods daden spreken, memoreren we impliciet ook dat we aan Gods veroordeling ontkomen. Dat zien we in Jesaja 63. In dat hoofdstuk spreekt God Zelf. Hij heeft zojuist een vonnis uitgevoerd. Hij heeft Zijn vijanden om het leven gebracht. Hij heeft wraak genomen!
Maar daarna klinkt het in Jesaja 63: “Ik zal de goedertierenheid van de Heere in herinnering roepen, de loffelijke daden van de Heere, naar alles wat de Heere voor ons heeft gedaan, de grote goedheid voor het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft naar Zijn barmhartigheid en naar de veelheid van Zijn goedertierenheid. Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet zullen liegen! Zo werd Hij hun tot een Heiland”.
Als wij met elkaar spreken over de grote daden van de Here in ons leven betekent dat ook dat wij ons bewust zijn van onze uitverkiezing. Wij ontkomen aan Zijn veroordeling. Wij zijn bevrijd![3]

Wij beseffen dat God ons vernieuwt
Gods grote daden en de gevolgen daarvan worden ook beschreven in de Dordtse Leerregels. Dat kunnen we zien in hoofdstuk III/IV.
Er vindt in ons leven, om zo te zeggen, een onzichtbare operatie plaats.
De Heiland grijpt Hoogstpersoonlijk in.
En als Hij Zijn ontembare energie inzet, dan gebeurt er wat!
Hij legt ons leven op koers. Hij houdt ons op het rechte pad, richting de eeuwigheid.
Hij zorgt er uiteindelijk voor dat de duivel machteloos moet toekijken hoe Jezus Christus de Zijnen redt.
De reden van die redding is dat wij vervolgens alle gelegenheid hebben om aan de mensen in onze omgeving te vertellen dat het, op z’n zachtst gezegd, hoogst merkwaardig is dat wij een fantastisch eeuwig leven hebben. Ons leven wordt volmaakt. En nergens, helemaal nergens, staat een bordje met de tekst: ‘Einde. Afgelopen’. Dat is buitengewoon en zeer bijzonder!
Christus kiest de Zijnen uit. In 1618/1619 formuleerden geleerde theologen het in Dordrecht als volgt: “Hij roept Hij hen in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van zijn Zoon. God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen. Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest hun wil leren. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt; Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen”[4].

Wij zijn toe aan de laatste alinea van dit artikel.
Wat kunnen we antwoorden als tijdens een huisbezoek gevraagd wordt ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’.
Het lijkt een mooie binnenkomer. Alleen maar: van die grote daden zien wij nu heel veel niet. Nog niet. Want de Heilige Geest doet Zijn werk in alle stilte. Dat is trouwens geen nieuws. In Johannes 3 staat het al: “De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is”.
Daarom is die vraag ‘Hoe ziet u de grote daden van de Here in uw leven?’ wat schrijver dezes betreft niet het meest geschikte startpunt van een geloofsgesprek.
Beter zou wellicht zijn: ‘Hoe leeft u doordeweeks met God?’. Dat voorkomt in ieder geval dat pastoranten zich van harte uitgenodigd voelen een clichéantwoord te geven[5].

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik achtereenvolgens 1 Thessalonicenzen 5:9,10 en 11 en Jesaja 40:15.
[2] In deze alinea citeer ik Deuteronomium 4:34,35.
[3] In deze alinea citeer ik Jesaja 63:7,8.
[4] In deze alinea citeer ik uit hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels: een deel van artikel 10 en artikel 11.
[5] In deze alinea citeer ik Johannes 3:8.

2 november 2021

Schriftuurlijke gevoeligheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wij hoeven er niet omheen te draaien: als de God van hemel en aarde zich definitief van ons had afgekeerd zouden wij ten dode opgeschreven zijn. Sterker nog: het werd niks meer met de wereld.
Jesaja ziet een dergelijke situatie in hoofdstuk 64: “Er is niemand die Uw Naam aanroept, die zich beijvert om U vast te grijpen, want U verbergt Uw aangezicht voor ons en U doet ons wegkwijnen in de greep van onze ongerechtigheden”.

Jesaja is in gebed. In Jesaja 63 – het voorgaande hoofdstuk – is hij al met bidden begonnen. De profeet smeekt de Here om Zijn oneindige macht te tonen. Het wordt tijd dat de hele wereld weet wie God is en dat Hij werkelijk almachtig is! Het mag alom bekend worden: de Verbondsgod komt de mensen tegemoet die op Hem wachten. Als we onszelf goed bekijken zijn wij smerig. Oftewel: ernstig besmeurd door de zonde. Maar ondanks dat is één ding zeker: God is onze genadige Vader. Daarom zegt Jesaja: nu moet de Here niet wegkijken! Nee, laat hij de omstandigheden bij Zijn volk maar eens aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Jeruzalem is verwoest. De tempel is een ruïne. Zou de Here zich daarover stilhouden? Jesaja vraagt het heel nadrukkelijk: “Heere, zou U Zich om al deze dingen inhouden? Zou U zwijgen en ons al te zeer neerdrukken?”. Het antwoord ligt voor de hand: nee, de hemelse God laat Zijn volk uiteraard niet zitten. De situatie is volstrekt deplorabel, maar God gaat er wat aan doen!1

Er is, merkt Jesaja op, helemaal niemand meer die bidt. Er is niemand meer die U vastpakt om hulp te zoeken. God draait Zijn hoofd weg. Nu zijn wij in de greep van de zonde. Wij sterven weg.
De tekst uit Jesaja 64 waarmee dit artikel begint, wordt ook gebruikt als bewijstekst in de Dordtse Leerregels.
Als bewijs waarvan dan?
Laten wij een ogenblik in die Leerregels gaan lezen: “Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven. Deze zijn immers van tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke goedheid. Daardoor zouden zij in nog grotere geestelijke benauwdheid terechtkomen. Want wanneer zij die God vrezen, zijn vriendelijk aangezicht zien, is dat hun zoeter dan het leven, maar wanneer God zijn aangezicht verbergt, is dat hun bitterder dan de dood”. Bij die woorden wordt in de Dordtse Leerregels verwezen naar Jesaja 642.

Kinderen van God volgen nauwgezet de route die de Here heeft uitgezet. Het is in deze tijd belangrijk om dat laatste met enige nadruk te noteren. Immers – op het kerkplein lopen de opvattingen over kerk-zijn, de vrouw in het ambt, de omgang met homofiele broeders en zusters en de toegang tot het Heilig Avondmaal sterk uiteen. Dat alles zorgt voor heftige discussies. Broeders en zusters staan óf aan de ene óf aan de andere kant van de kloof. Synodeleden en vele anderen breken zich het hoofd over de vraag of zij in de gegeven omstandigheden een verantwoord en op Gods Woord gebaseerd compromis kunnen sluiten. En zo ja, welk compromis dat dan zou moeten zijn.
Laten we het nog maar eens cursiveren: Gods kinderen beijveren zich om nauwgezet op Gods wegen te blijven.
Nauwgezet – dat wil zeggen: consciëntieus, gewetensvol, grondig, punctueel, zorgvuldig.
Men kan vervolgens vragen hoe het dan in de wijde wereld mogelijk is dat mensen op grond van Gods Woord in de dagelijkse praktijk tot totaal verschillende uitwerkingen komen. In feite geeft Jesaja in zijn gebed het antwoord al: “Heere, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen? Waarom verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen? Keer terug omwille van Uw dienaren, de stammen van Uw eigendom. Slechts korte tijd heeft Uw heilig volk het in bezit gehad. Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt. Wij zijn geworden als mensen over wie U van oude tijden af niet hebt geheerst, die niet naar Uw Naam zijn genoemd”3.

Als mensen afdwalen is de God van hemel en aarde erbij. Hij is heus niet even afwezig. Het is niet zo dat Hij Zijn gedachten er even niet bij heeft gehad.
Heeft God dan de schuld van onze voortdurende eigengereidheid en ons zelfzuchtig gedwaal?
Welnee.
Want de Dordtse Leerregels leren ons ook: “Van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld ervan, evenals van alle andere zonden. Daarentegen is het geloof in Jezus Christus en ook het behoud door Hem een genadegave van God”.
En zo komen wij bij het kernpunt: wie Gods wegen wil volgen moet teruggaan naar Jezus Christus en naar Zijn Woord4.

Twee uitleggers tekenen bij Jesaja 64 onder meer aan: “Dit alles verschaft een waarschuwing met betrekking tot de gevolgen van een hardnekkig afwijken van de wegen van God. Bewuste afval leidt tot een vergeten van God. Zo is het in Israël. Er is niemand die Zijn Naam aanroept, die zich ertoe zet om God aan te hangen. Ongevoeligheid voor de zonde bewerkt ongevoeligheid voor Gods rechten en voor Zijn barmhartigheden”.
Wij kunnen allen belijden dat God heel de wereld, dus ook ons, in Zijn hand heeft. Maar het kan heel goed zo zijn dat God ons beproeft. De vraag is: willen we Jezus Christus, de Heiland, ook de eerste plaats in ons leven geven als de maatschappelijke druk op kerkmensen om allerlei redenen en op verscheidene punten gaandeweg groter wordt? Bij de beantwoording van die vraag moeten we vooral niet aankomen met allerlei smoesjes. Over de nood der tijden bijvoorbeeld. Of over de noodzakelijke aansluiting bij de wereld bijvoorbeeld. Er is Schriftuurlijke gevoeligheid nodig om te doorzien wat de wil van God is!5

Laten wij daarom, net als Jesaja indertijd, maar bidden: “Maar nu, Heere, U bent onze Vader! Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen. Heere, wees niet al te vertoornd en denk niet voor eeuwig aan de ongerechtigheid. Zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk!”6.

Noten:
1 In deze alinea citeer ik Jesaja 64:7 en 12. Verder gebruik ik https://www.christipedia.nl/wiki/Jesaja_(boek)/Hoofdstuk_64 ; geraadpleegd op maandag 25 oktober 2021.
2 In deze alinea citeer ik uit de Dordtse Leerregels: hoofdstuk V, artikel 13.
3 In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Jesaja 63:17-19.
4 In deze alinea citeer ik hoofdstuk I, artikel 5 uit de Dordtse Leerregels.
5 In deze alinea citeer ik van https://www.oudesporen.nl/Download/OS2033.pdf , p. 674.
6 Jesaja 64:8 en 9.

22 juni 2021

Ouderwets en oubollig?

De Bijbel is een dik boek. Er staat veel in. Alle aspecten van het leven komen langs. En het belangrijkste is: in de Bijbel – het Woord van God – staat alles wat wij nodig hebben om behouden te worden.
In onze belijdenissen hebben we samenvattingen van de Bijbel. Dat is goed. Op rustige toon, kalm beredeneerd, staat genoteerd wat wij geloven. En er staat soms ook bij wat wij niet moeten geloven. Belijdenissen geven ons, kortom, goede handvatten in het leven met God.

Er is ook een ondertekeningsformulier voor ambtsdragers.
Het eerste deel van dat formulier luidt als volgt: “Wij ondergetekenden, ouderlingen en diakenen van …, verklaren hierbij voor het aangezicht van de Here, oprecht en met een goed geweten dat wij er hartelijk van overtuigd zijn dat de leer van de drie formulieren van eenheid – de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels – in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt.
Wij beloven daarom dat wij ieder naar eigen ambt deze leer met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen, en elke dwaling, die daarmee in strijd is zullen afwijzen.
Voor het geval wij ooit een bedenking tegen deze leer of een afwijkende mening zouden krijgen, beloven wij dat wij die niet openlijk noch anderszins zullen uiteenzetten of verdedigen, maar dat wij ons gevoelen aan de kerkenraad voor onderzoek zullen voorleggen.
Wij beloven dat wij daarbij bereid zullen zijn ons altijd gewillig aan het oordeel van de kerkenraad te onderwerpen. Indien wij in strijd hiermee handelen, zullen wij als gevolg daarvan terstond geschorst worden”.
Dat klinkt streng.
Is dat nog wel van deze tijd?

De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J.M. van Leeuwen zegt onder meer: “Toen ik in de jaren negentig in Kampen studeerde, was er een gespreksavond met professoren en studenten. Het ondertekeningsformulier kwam aan de orde. Bijna alle professoren vonden dat de juridische kant van dat formulier te strikt was, ook de hoogleraren die dat in de jaren zeventig te vuur en te zwaard verdedigd hadden. ‘Je moet er een beetje mee sjacheren’ begreep ik uit wat ze zeiden’. Dat je de belijdenis moet ondertekenen, heeft een juridische kant en dat heeft iets onbevredigends, vindt hij. ‘Maar het is de spanning tussen de heiligheid en de katholiciteit van de kerk”.

Zijn Gereformeerd-vrijgemaakte collega P.R. Barkema stelt: “Het moment van ondertekening vind ik niet fijn. Ik zie vaak dat nieuwe ouderlingen en diakenen aarzelen of terugschrikken als ze zien wat er in het formulier staat dat ze moeten ondertekenen. Bij de ondertekening worden ook foto’s gemaakt, wat verder in kerkelijke vergaderingen nooit gebeurt. Een belijdenis is er niet om te ondertekenen. Ik houd het liever bij wat Jezus zegt: ‘Laat uw ja ja zijn en uw nee nee. En wat je daaraan toevoegt, komt voort uit het kwaad’. Het is geformaliseerd wantrouwen als je een ouderling of predikant de belijdenis laat ondertekenen. Het werkt niet, er is juist een basishouding van vertrouwen nodig. Die basishouding zie ik in de praktijk ook vaak. Laat de confessie zijn wat ze is: documenten met grote historische waarde. Door de kracht van Gods Geest is vrijheid en eenheid iets wat je gezamenlijk in praktijk brengt’”1.

Dat klinkt voor sommigen aantrekkelijk. ‘Maak het niet te strak; als het nodig is, regel je maar wat’. En: ‘In de kerk moeten we beginnen met vertrouwen, anders komen we nergens’.
Toch zijn zulke statements in zekere zin verbazingwekkend.
Laten wij een ogenblik naar de voetbalwereld kijken. Daar is een scheidsrechter. Dat is “in de sport de hoogst aangewezene die tijdens een wedstrijd toeziet op het toepassen van de spelregels”. Er zijn grensrechters. “Een assistent-scheidsrechter (ook wel lijnrechter of grensrechter genoemd) is een persoon die bij sportwedstrijden de hoofdscheidsrechter bijstaat in zijn beslissingen. De assistenten helpen de hoofdscheidsrechter in zijn beslissingen door middel van signalisatie. Deze signalisatie gebeurt met een vlag”. En dan is er de videoscheidsrechter: “De videoscheidsrechter, ook videoassistent of VAR (video assistant referee), is een official die de scheidsrechter tijdens een voetbalwedstrijd assisteert en op diens verzoek beslissingen opnieuw beoordeelt met behulp van camerabeelden. De videoscheidsrechter is een volledig gekwalificeerde scheidsrechter. Hij bevindt zich op een locatie buiten het speelveld en staat via een radioverbinding in contact met de scheidsrechter”2.
Als in de wereld – exacter: de voetbalwereld – de regels al zo strak worden gehandhaafd, mag dat dan in de kerk niet? De vraag stellen is haar beantwoorden.

In de kerk moeten wij eerst en vooral bedenken dat wij zondig zijn. Wij dienen God niet met zoveel ijver als wij verplicht zijn. Gereformeerde dominees behoren dat te weten. Zij behoren te beseffen dat dat veel implicaties heeft voor onze levenswandel. En ja, dat geldt ook voor ouderlingen en diakenen.

Laten wij elkaar, nu het hierom gaat, wijzen op Leviticus 5: “Het zal gebeuren, als iemand aan een van deze dingen schuldig is, dat hij dan moet belijden waarin hij gezondigd heeft”3.
Wat zijn ‘deze dingen’?
Iemand is schuldig als hij weigert om bij een rechtszaak te komen getuigen.
Iemand is schuldig als hij per ongeluk een onrein mens of een onrein dier aanraakt.
Iemand is schuldig als hij zonder nadenken een eed zweert om iets te doen, of het nu iets goeds is of iets slechts, en vervolgens later ontdekt dat hij die eed niet had moeten zweren.
Die schuld moet worden beleden.
En er moeten dieren worden geofferd. Een schaap. Of een geit. Of twee duiven.
Eventueel ruim twee liter meel4.

Wat heeft Leviticus 5 te maken met belijdenissen en ondertekeningsformulieren?
Er mag en moet beleden worden: ‘Ik hoor bij God en dat moet ook zo blijven; ik vraag Hem vergeving voor al mijn zonden’.
Uit Leviticus 5 blijkt dat ieder mens, bewust of onbewust, schulden maakt tegenover God. Ook gelovige mensen doen dat. Die schulden moeten beleden worden.
Men kan daarom niet zomaar zeggen: een geloofsbelijdenis is ouderwets. Men kan ook niet zomaar zeggen: schuld belijden is uit de tijd. Men kan niet zomaar zeggen: dat doen we vandaag niet meer; het is te juridisch. Men kan al helemáál niet zeggen: we vertrouwen elkaar, dus het komt wel goed.
In Leviticus 5 komt intussen een mooi aspect van Gods liefde en genade aan het licht: vergeving is er voor ieder mens!
Maar het is ook wel duidelijk: de zonde zit ingebakken in alle mensen. Zeker ook in de mensen die, door Gods genade, Zijn kinderen mogen zijn. De dienst aan God steekt nauw. Alleen dáárom al passen we, als het goed is, op voor een ‘laat maar zitten’-sfeertje. Daarom gaan we in de kerk zorgvuldig met belijdenissen om. Daarom willen wij, ook vandaag, precies weten wat de Here van ons vraagt. Daaraan willen wij ons doen en laten regelmatig toetsen.

Nu kan men tegenwerpen dat wij nu in de Nieuwtestamentische bedeling leven. Dat hele verhaal van Leviticus 5 heeft dan zo ongeveer afgedaan. Het is allemaal niet zo belangrijk meer. Als de intenties maar goed zijn. Toegegeven: het Oude Testament geeft ons een goede oriëntatie op onze levensrichting. Daarmee houdt het wel zo’n beetje op.
Maar dat gaat te snel.
Niet voor niets spreken we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben”5.

Leviticus 5, en heel het Oude Testament, is ons niet gegeven om ons bij de voortduur te deprimeren. Integendeel.
We leren uit te zien naar de Here Jezus Christus, onze Heiland. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste algemene brief over Hem, in hoofdstuk 2: “Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige”. En: “En nu, lieve kinderen, blijf in Hem, opdat wij vrijmoedigheid hebben, wanneer Hij geopenbaard zal worden, en niet door Hem beschaamd gemaakt worden bij Zijn komst”. En in hoofdstuk 4: “En wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem”. En in hoofdstuk 5: “Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood”6.
Er is vrijspraak. Want wij hebben een Voorspraak!

Gods Woord is al oud.
Onze belijdenissen komen uit voorbije eeuwen.
Het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers ziet er wellicht enigszins formeel uit.
Maar het is, in de Schriftuurlijke zin van het Woord, zonde om al die documenten ouderwets en niet altijd toepasbaar te vinden.

Noten:
1 Bovenstaande citaten komen van https://www.onderwegonline.nl/18645-de-ambtelijke-handtekening-onder-de-belijdenis ; geraadpleegd op maandag 14 juni 2021. Het artikel is gedateerd op zaterdag 5 juni 2021.
2 Zie achtereenvolgens https://nl.wikipedia.org/wiki/Scheidsrechter , https://nl.wikipedia.org/wiki/Assistent-scheidsrechter en https://nl.wikipedia.org/wiki/Videoscheidsrechter ; geraadpleegd op maandag 14 juni 2021.
3 Leviticus 5:5.
4 Zie Leviticus 5:1-4 en Leviticus 5:6-13.
5 Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 25.
6 Achtereenvolgens citeer ik 1 Johannes 2:1, 1 Johannes 2:28, 1 Johannes 4:16 en 1 Johannes 5:16 a.

21 juni 2021

Nieuw normaal

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Ooit ’n normaal mens ontmoet? en…, beviel ‘t?”. Dat was ooit de slogan van de stichting Pandora. Die stichting kwam op voor mensen met psychiatrische problemen12. De Britse schrijver en filosoof Alain de Botton merkte eens op: ‘De enige mensen die ons normaal lijken, zijn die mensen die we nog niet zo goed kennen’3.
Men zegt dat normale mensen saai zijn. Het is veel interessanter als mensen iets speciaals hebben.
Hoe dat zij – er is één ding dat bij alle wereldburgers heel normaal is: we bedenken heel graag een methode om onszelf te redden en zo lang mogelijk te leven.
Alleen daarom al is het maar goed dat Jezus Christus, onze trouwe Heiland, ons stevig vasthoudt.
Hij heeft verlossingswerk gedaan om door Hem uitgekozen mensen eeuwig geluk en voortdurende vrede te geven. De Dordtse Leerregels onderwijzen ons daarover als volgt: “Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen. Anders gezegd: God heeft gewild dat Christus door zijn bloedstorting aan het kruis -waarmee Hij aan het nieuwe verbond rechtskracht verleend heeft- uit alle volken, stammen, geslachten en talen met kracht al diegenen – en hen alleen – zou verlossen, die de Vader van eeuwigheid tot het heil uitverkoren en aan zijn Zoon gegeven heeft”4.
Jezus leidt de uitverkorenen met vaste hand naar het volle heil.

De Dordtse Leerregels houden ons ook voor: “De gelovigen kunnen voor zichzelf zeker zijn van deze bewaring der uitverkorenen tot behoud en van de volharding der ware gelovigen in het geloof. En zij hebben die zekerheid ook, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben.
Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn, en tenslotte hieruit, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken”5.
In de kerk gaat het – kort samengevat – om geloof, in woord en daad. De Geest van Jezus Christus houdt ons voortdurend bij de les.

De Heilige Geest steunt ons waar Hij kan. En wij blijven, als het goed is, ook voortdurend ons best doen om gehoorzaam te zijn aan Gods wetten en regels. Want wij weten het: samen met Hem is het leven pas echt de moeite waard.
In de eerste algemene brief van de apostel Johannes staat het zo: “Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”6.

Wij leven in een tijd waarin velen onzekerheid kennen. Dat geldt in het groot. Bijvoorbeeld in de internationale verhoudingen. Dat geldt ook in het persoonlijke leven: wel of niet vaccineren? wel of niet verder studeren? wel of niet solliciteren? De media deponeren bovendien bergen informatie op onze burelen; wie moet je wanneer geloven?
In het leven schreeuwen vele vragen om ons antwoord.
Nu is de Bijbel natuurlijk geen handboek ‘Concept-antwoorden op hedendaagse vragen’. De Bijbel leert ons wel dat we bij het zoeken van antwoorden nooit bij onszelf moeten beginnen, maar altijd bij God en Zijn wet. Bij de beoordeling van de dingen die op ons pad komen, mogen we vragen: wat zegt God in de tien geboden? Vervolgens komen er geen 1-op-1-antwoorden. Maar het uitgangspunt is dan wel duidelijk.
Komen overal sluitende en afdoende reacties op? Het antwoord is kort en simpel: nee. In deze wereld zijn – bijvoorbeeld – oneerlijkheid en onrecht niet altijd oplosbaar. Maar gelovigen mogen zeker weten dat het met hen altijd goed afloopt. Want zij zeggen met de apostel Johannes: het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonde.

De apostel Johannes schrijft erbij: “Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons”. Zulke mensen bestaan dus7.
In alle eeuwen zijn er mensen die zeggen dat zij reuze netjes leven, en derhalve wel in de hemel zullen komen.
Er zijn massa’s mensen die het Evangelie ten diepste niet willen begrijpen. Waarom niet? Omdat zij in de greep zijn van Gods tegenstander, de satan. Daar zijn zij zich lang niet altijd bewust van. Maar dat is wel zo.
Er zijn ook mensen die, onder druk van allerlei gebeurtenissen en omstandigheden, het geloof een beetje aan de kant drukken. Dan zeggen zij bijvoorbeeld: ‘Het is niet relevant of je in God gelooft; het gaat erom hoe je je gedraagt’. Of: ‘Intelligente, hoog opgeleide mensen kúnnen eenvoudig niet meer in God geloven’. Echter: al die menselijke wijsheid heeft nog steeds niet voor het heil op aarde gezorgd; en dat gaat, zo te zien, ook nooit gebeuren…

De Geest van Jezus Christus houdt ons bij de les. Les 1 is: de Heiland gaat altijd met ons mee. Les 2 is: we moeten Hem vragen om vergeving van onze zonden. En les 3, de laatste les, is: de Heiland is trouw en houdt ons altijd vast; vanwege Zijn verlossingswerk vergeeft Hij onze zonden en neemt Hij ons mee naar een toekomst waarin Hij alles zal zijn in allen. Alles wordt nieuw. Dat is pas echt, en met recht: het nieuwe normaal!
Loop dus maar met Hem mee. En laten we anderen uitnodigen om dat ook te doen. Het wordt een mooie reis.

Noten:
1 Materiaal uit dit artikel wordt, zo de Here wil, ook gebruikt in het Voorwoord (‘Allereerst’) van het Gereformeerd familieblad De Bazuin, editie 15-07 (juli 2021).
2 Zie https://www.canonsociaalwerk.eu/nl/details.php?cps=37&canon_id=57 ; geraadpleegd op zaterdag 12 juni 2021.
3 Zie https://citaten.net/zoeken/citaten_van-alain_de_botton.html ; geraadpleegd op zaterdag 12 juni 2021.
4 Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 8.
5 Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 9 en 10.
6 1 Johannes 1:7, 8 en 9.
7 Zie over het bovenstaande onder meer Jezus’ uitleg van de gelijkenis van de zaaier in Mattheüs 13:19-22.

1 juni 2021

Betere mensen?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wie door de Here uitgekozen is om bij Hem te horen, die weet: er komt een nieuwe toekomst aan. Het leven hier op aarde is nog maar het begin. In de hemel wordt ons leven volmaakt. Wat mooi zal het daar wezen!

Christenen zijn niet beter dan anderen.
In het Nederlands Dagblad schreef de heer Klaas Esselink uit ‘s-Gravenhage onlangs in een ingezonden brief: “Vroeger dacht ik ook dat gelovigen beter waren dan ongelovigen. (…) Maar een half leven later denk ik dat niet meer. Ik ben nog geen onderzoek tegengekomen dat dat heeft aangetoond. Als ik om mij heen kijk, zie ik bar weinig bewijs. Eerder het tegendeel, eigenlijk. Er is wel onderzoek dat suggereert dat gelovigen beter van zichzelf denken. En hoe groter het geloof, hoe groter de zelfdunk. Maar conclusies uit zelf-kwalificaties zou ik niet zonder meer overnemen. Het is tijd voor een nieuw zelfbeeld”1.

De Dordtse Leerregels leren ons hoe het er bij staat met de mensen.
“Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen”2.
“Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”3.
Daar begint het al mee.

Zijn christenen niet beter dan anderen?
We lezen wederom in de Dordtse Leerregels.
En inderdaad, het staat er: “Deze uitverkorenen zijn niet beter dan anderen en zij hebben evenmin enig recht op Gods liefde, omdat zij met alle mensen aan de ellende prijsgegeven zijn. Alleen uit genade zijn zij in Christus uitverkoren overeenkomstig het vrije welbehagen van Gods wil”4.
Alle mensen “zijn niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen, maar zij zijn uit op het kwaad, dood in zonden en slaven van de zonde. Zij willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden”5.
“Nu onder het nieuwe verbond het onderscheid tussen de volken is opgeheven, heeft God het heilgeheim van zijn wil aan meer mensen geopenbaard dan onder het oude verbond. De grond voor dit verschil moet men niet hierin zoeken, dat het ene volk voortreffelijker is dan het andere of het licht der natuur beter gebruikt, maar in het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde van God”6.
Het geloof is een gave van God. Daaruit blijkt Zijn genade. “Deze genade is God aan niemand verschuldigd. Want wat zou Hij verschuldigd zijn aan iemand die Hem niet eerst iets kan geven dat beloond zou moeten worden? Nog sterker, wat zou God verschuldigd zijn aan hem die zelf niets anders te bieden heeft dan zonde en leugen? Wie deze genade ontvangt, is dus alleen aan God eeuwige dankbaarheid verschuldigd en hij brengt Hem die dank dan ook. Wie deze genade niet ontvangt, bekommert zich in het geheel niet om deze geestelijke dingen en gaat op in zijn eigen leven, of hij beroemt zich in zijn zorgeloosheid ten onrechte op wat hij toch niet heeft. Verder moet men naar het voorbeeld van de apostelen over hen die openlijk hun geloof belijden en hun leven beteren, gunstig oordelen en spreken, want het diepst van het hart is ons onbekend. Wat anderen betreft, die nog niet geroepen zijn, voor hen moet men tot God bidden, die het niet zijnde tot aanzijn roept. In geen geval moeten wij ons hoogmoedig jegens hen gedragen, alsof wij onszelf onderscheiden hadden”7.

Het is, zo noteert die Ingezonden-schrijver van hierboven, tijd voor een ander zelfbeeld.
Niet lang geleden werd op deze internetpagina reeds geschreven dat we een beetje voorzichtig moeten wezen in het spreken over ons zelfbeeld. “Het gaat over de vraag in hoeverre we beeld van God zijn”8.
Het is logisch dat wij ons bij tijd en wijle afvragen hoe anderen tegen ons aankijken. Maar het beeld dat anderen van ons hebben is heus niet het belangrijkste dat er bestaat. Het mag tot ons doordringen dat God Zich in genade naar ons toewendt. Als Hij ons in zicht heeft, ziet Hij ook Zijn Zoon. Jezus Christus heeft Zijn verlossingswerk voor ons voltooid!

Juist daarom is het zo jammer, en ook onjuist, dat de laatste zin van het Ingezonden luidt: “Het is tijd voor een nieuw zelfbeeld”. Misschien heeft Klaas Esselink wel meer geschreven en is dat gewoon niet geplaatst. Hoe dat zij: laten wij in ieder geval bedenken dat wij door Gods genade een beter mens worden.

Eén ding nog.
Woorden uit Jeremia 7 spreken, als het hierom gaat, boekdelen: “Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit! Als u echter uw wegen en uw daden werkelijk betert, als u werkelijk recht doet tussen iemand en zijn naaste, als u de vreemdeling, de wees en de weduwe niet onderdrukt, geen onschuldig bloed in deze plaats vergiet, en geen andere goden achternagaat, uzelf ten kwade, dan zal Ik u in deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, laten wonen, eeuw uit en eeuw in”9.

Noten:
1 “De gelovige als een beter mens”. Ingezonden van Klaas Esselink (Den Haag). In: Nederlands Dagblad, dinsdag 25 mei 2021, p. 13.
2 Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 1.
3 Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 2.
4 Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 7.
5 Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 3.
6 Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 7.
7 Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 15.
8 Geciteerd uit mijn artikel ‘De boodschap van de tulpen’; hier gepubliceerd op maandag 3 mei 2021. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2021/05/03/ .
9 Jeremia 7:4-7.

14 december 2020

God blijft voor de kerk zorgen

Gisteren was het zondag. Derhalve was het ook kerkdag. Gods kinderen werden bemoedigd: God zorgt voor u! Maar ook op deze maandag – en op alle dagen van de week – leven gelovigen niet ongetroost. Als het goed is, tenminste. Want God, onze God, geeft Zijn kerk de kracht om vol te houden. De Dordtse Leerregels zeggen het zo: “Deze leer dat de ware gelovigen en heiligen zullen volharden en daar zeker van mogen zijn, heeft God tot eer van zijn naam en tot troost van allen die Hem vrezen, zeer overvloedig in zijn Woord geopenbaard en Hij prent die in de harten van de gelovigen in. Weliswaar wordt deze leer door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot, door onkundige mensen en huichelaars misbruikt en door dwaalgeesten bestreden, maar de bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van oneindige waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd. God zal ervoor zorgen, dat zij dit ook zal blijven doen”[1][2].

Die leer – de leer over Jezus Christus, de Verlosser – wordt ‘door het vlees niet begrepen’. Dat betekent in ieder geval: gewone mensen kunnen er met hun verstand niet bij. Maar toch is het zo: het is echt een geloofszaak. De kerk blijft het zeggen: “òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is”[3].

Het is een bekend lied:
“Zoek Jezus veel,
zoek Jezus vroeg.
Wie Jezus heeft,
die heeft genoeg”[4].
Dit eenvoudige lied, dat voor het eerst in 1937 gepubliceerd werd, is op zichzelf waar. Maar daarbij mogen we nooit de inzet van de Heidelbergse Catechismus vergeten: “Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus”[5].
De Heiland heeft ons gekocht. We zitten aan Hem vast. Sterker nog: “Wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente”. Zo staat dat in Efeziërs 5[6].
Daarom kan de kerk geen los zand zijn. Gods kinderen horen bij elkaar!

De profeet Jesaja sprak er in hoofdstuk 54 al over: “Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer”[7].
En in Openbaring 13 blijkt dat de kerk, populair gezegd, inderdaad niet weg te krijgen is. Lees maar mee: “En het beest werd macht gegeven om oorlog te voeren tegen de heiligen en om hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam, taal en volk. En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, althans van wie de namen niet zijn geschreven in het boek des levens van het Lam. Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld af. Indien iemand oren heeft, laat hij horen. Als iemand in gevangenschap voert, die gaat zelf in gevangenschap. Als iemand met het zwaard doodt, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen”[8].
In het bovenstaande citaat staan een paar woorden cursief gedrukt. Kerkmensen staan geregistreerd in de burgerlijke stand van de hemel. En er is niemand die hen daar uit halen kan!

Wat nut het ons om dit alles te memoreren? Hieronder worden vier kwesties zaken uit de actualiteit van de laatste maanden op een rij gezet, waarbij geloofsvolharding zeker nodig is.
1.
In oktober jongstleden werd een Franse leraar geschiedenis en maatschappijleer, Samuel Paty, op straat onthoofd. De aanleiding is een spotprent van Mohammed die de leraar tijdens een les over vrijheid van meningsuiting heeft laten zien. Natuurlijk, Frankrijk is geen Nederland. Maar ook in ons land staat de hiervoor genoemde vrijheid onder druk. Denkt u maar aan alle ophef die er is geweest in verband met het (vermeende niet-)accepteren van een homoseksuele geaardheid in de Gereformeerde wereld. Waar gaat het naar toe? Wat zal de toekomst brengen? Laat het duidelijk zijn: de kerk wordt opgeroepen om Gods Woord in alles te eerbiedigen, en de Schriftuurlijke leer als een schat van oneindige waarde innig lief te hebben en standvastig te verdedigen.
2.
Overheid en overheidsinstanties zijn lang niet altijd betrouwbaar. Vooringenomenheid en bureaucratie zijn maar al te vaak aan de orde van de dag. Denkt u maar aan de affaire rond de kinderopvangtoeslag. Ongeveer 22.000 ouders werden onterecht slachtoffer van fraudeverdenkingen met de kinderopvangtoeslag en/of slachtoffer werden van een harde fraudeaanpak bij de Belastingdienst[9]. Gevolg: boze, verdrietige en zeer teleurgestelde burgers. Misschien zijn er wel wanhopige kinderen van God die in verband hiermee met grote aandrang smeken: ‘Here, help ons toch!’.
Laten wij elkaar wijzen op Psalm 33:
“De HEERE vernietigt de raad van de heidenvolken,
Hij verbreekt de gedachten van de volken.
Maar de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig,
de gedachten van Zijn hart bestaan van generatie op generatie”[10].
Naar dit Schriftgedeelte wordt verwezen als de Dordtse Leerregels ons voorhouden: “…tegen Hem kan geen plan iets uitrichten en is geen enkele macht opgewassen”. Met andere woorden: de kerk kan in het geloof volharden omdat zij zeker weet dat niemand Gods plan met de wereld doorkruisen kan!
3.
Het aantal coronabesmettingen in Nederland is momenteel nog erg hoog. Het Nederlands Dagblad opende op woensdag 9 december jongstleden met het bericht: “Nederlanders zullen Kerst dit jaar in kleine kring moeten vieren. Het aantal coronabesmettingen laat een versoepeling niet toe. Sterker nog: als de cijfers niet verbeteren, wil het kabinet nog vóór de Kerst strengere maatregelen aankondigen”[11]. Het lijkt erop dat dit inderdaad gebeuren gaat.
Dit alles impliceert dat het voor velen eenzame donkere dagen blijven. De maatschappij wordt wat meer los zand. Maar Gods kinderen zijn één met hun Heiland. Die eenheid wordt nooit los zand. Daarom moet ook de kerk ervoor waken los zand te worden. Dat is immers de vergadering van Gods volk?
4.
De eenheid van allen die Gereformeerd willen blijven staat zwaar onder druk. Het Reformatorisch Dagblad meldde begin november: “De relatie tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) enerzijds en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) en Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) anderzijds staat flink onder druk”[12]. Er werd gezegd: “Eenheid lijkt verder weg dan ooit”. En: “Op landelijk niveau lopen de contacten steeds moeizamer en eenheid van kerkverbanden lijkt verder weg dan ooit”. Natuurlijk – op het kerkelijke terrein zijn er ook andere, meer hoopgevende ontwikkelingen. Maar het is best voorstelbaar dat sommigen denken: wat zal er uiteindelijk van de kerk overblijven?
Laat de onrust maar niet te groot worden! Immers, mét de Dordtse Leerregels mogen wij, ook vandaag, belijden: “Weliswaar wordt deze leer [over de volharding en de zekerheid die de heiligen hebben, BdR] door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot, door onkundige mensen en huichelaars misbruikt en door dwaalgeesten bestreden, maar de bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van oneindige waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd. God zal ervoor zorgen, dat zij dit ook zal blijven doen; tegen Hem kan geen plan iets uitrichten en is geen enkele macht opgewassen”.

Noten:
[1] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 15.
[2] Op woensdagavond 9 december 2020 vergaderde de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. In de bespreking stond hoofdstuk V van de Dordtse Leerregels centraal. In dit artikel is enige voorstudie voor die avond samengevat.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, antwoord 30.
[4] Geciteerd van https://www.elkzingzijnlof.nl/lied.php?ID=156 ; geraadpleegd op woensdag 9 december 2020.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[6] Efeziërs 5:30.
[7] Jesaja 54:10.
[8] Openbaring 13:7-10.
[9] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Toeslagenaffaire ; geraadpleegd op woensdag 9 december 2020.
[10] Psalm 33:10 en 11.
[11] Geciteerd uit: “Kerst dit jaar in kleine kring”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 9 december 2020, p. 1.
[12] “Relatie GKV/NGK en CGK op dieptepunt”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 2 november 2020, p. 15.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.