gereformeerd leven in nederland

8 juni 2018

Vreemdelingen tellen mee

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Mensen van buitenlandse afkomst: daar zijn er in ons land heel veel van[1]. Wat zijn er in heden en verleden veel discussies geweest over asielzoekers!
Met name de Partij van de Vrijheid praat, als het maar even kan, over de islamisering van Nederland die gestopt moet worden.

Laten wij intussen niet net doen alsof vreemdelingen en vluchtelingen alleen maar in de eenentwintigste eeuw voorkomen.
Dat is namelijk niet waar.

Dat blijkt in Gods Woord. Bijvoorbeeld in Jozua 8.
Ik citeer: “Heel Israël met zijn ​oudsten, beambten en rechters stond aan deze en aan de andere zijde van de ​ark, vóór de Levitische ​priesters, die de ​ark​ van het ​verbond​ van de HEERE droegen, zowel vreemdelingen als ingezetenen. Eén helft daarvan stond tegenover de berg Gerizim en één helft daarvan stond tegenover de berg Ebal, zoals ​Mozes, de dienaar van de HEERE, vroeger geboden had om het volk Israël te ​zegenen.
Daarna las hij al de woorden van de wet voor, de ​zegen​ en de ​vloek, in overeenstemming met alles wat in het wetboek geschreven staat.
Er was niet één woord van alles wat ​Mozes​ geboden had, dat ​Jozua​ niet voorlas voor heel de ​gemeente​ van Israël, de vrouwen, de kleine ​kinderen​ en de vreemdelingen die in hun midden meetrokken[2].

Vreemdelingen horen dus ook over Gods liefde.
Zij horen welke regels er in Israël gelden. En zij kunnen in de praktijk ontdekken hoe heilzaam Gods wetten zijn.
In Israël telt iedereen mee.
In de kerk van het Oude Testament hebben vreemdelingen een volwaardige plaats.

In de kerk van het Nieuwe Testament is dat niet anders.
En ja, in de kerk van 2018 is die situatie heus niet plotsklaps gewijzigd.

Heel veel mensen in de wereld kijken wat argwanend naar vluchtelingen.
Wat moet je met die mensen?
Komen er niet teveel?
Wat moeten we aanvangen met de taalbarrières en met al die vreemde gewoontes?
En trouwens, behouden wij onze eigen identiteit wel?
Wat mij geldt in de kerk de regel van Efeziërs 4: “Maar u hebt ​Christus​ zo niet leren kennen, als u Hem tenminste gehoord hebt en door Hem bent onderwezen, zoals de waarheid in ​Jezus​ is”[3].
Jezus Christus brengt Zijn Evangelie aan alles en iedereen die het maar horen wil!

Nu ziet het bovenstaande er prachtig uit.

Maar het zou niet juist zijn om het tekstverband van Jozua 8 te negeren.

Want waar gaat het in Jozua 8 om?
Israël moet het beloofde land gaan veroveren. De kwestie is niet dat de volken die nu in het aan Israël beloofde land wonen moeten worden verjaagd.
Nee, er is iets anders aan de orde.
Dat is dit.
God heeft het volk uitgekozen om volk van de Here te zijn. De God van hemel en aarde zorgt er zelf voor dat Hij door Zijn volk geëerd wordt. Hijzelf geeft Zijn volk een plaats om Hem te eren.
Daarom schuift Hij heidense volken aan de kant. Dat doet de Here Zelf. Er is namelijk maar één God in de wereld. En dat is Hij. Al die goden van de heidenen? Die zijn stuk voor stuk nep. Door mensen bedacht.
De hemelse God is de Enige die de macht heeft in de wereld!
Die verovering in Jozua 8 is in feite een strijd die de Here voert. Het betreft een gevecht dat de Here levert.

Jazeker, Hij rekent af met heidenvolken.
En waarom?
Omdat Hij het volk dat Hijzelf uitgekozen heeft genadig is!

Waarom is Hij zo genadig voor Israël?
Omdat dat zo’n braaf en keurig volk is? Nou nee. Wie de Bijbel nauwkeurig leest ziet wel: Israëlieten zijn geen haar beter dan andere wereldburgers. De Here was heel rechtvaardig geweest als Hij hen in hun zonden had laten zitten.
Maar dat deed Hij niet.
In de Dordtse Leerregels staat het zo: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is”[4].
We kunnen dus niet analyseren waarom God zo genadig is voor Israël.
We kunnen niet precies uitzoeken waarom onze God zoveel liefde heeft voor de kerk van toen en nu.
Maar feit is dat het zo is.
Laten we van die oneindige liefde genieten!

Het tekstverband in Jozua 8 vertelt ons dat de Here Zich niet tegen laat houden door allerlei heidens gedoe. Hij zet Zijn plannen door. De satan slaagt er niet in om de uitvoering van die plannen te vertragen. Als het gaat over Gods gang met de wereld moeten wij met twee woorden spreken:
* liefde: Vader zond Zijn Zoon om de wereld te redden
* ernst: het Evangelie heeft ook een oordeel in zich.
Vreemdelingen zijn bij Gereformeerde mensen zeer welkom. Maar dan horen ze, als het goed is, wél dat Gods blijde Boodschap twee kanten heeft.

Tegenwoordig wordt er naar je geluisterd als je een evenwichtig verhaal hebt.
Welnu, de kerk brengt een heel evenwichtig Evangelie. Een boodschap van liefde en van ernst.

En nu begrijpen we wel wat ons te doen staat. Laten we naar God toe gaan, en bij Hem blijven!
Om met Psalm 32 te spreken:
“Laat toch geen dwang voor u ooit nodig wezen,
wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt,
omringt Hij met zijn goedertierenheid”[5].

Noten:
[1] Dit artikel is gebaseerd op een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 8 juni 2009.
[2] Jozua 8:33, 34 en 35.
[3] Efeziërs 4:20 en 21.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[5] Psalm 32:5; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

10 augustus 2016

Knappe knipkunst?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er is in deze wereld weinig dat wij werkelijk allesomvattend kunnen noemen[1]. Een echt integrale aanpak komen wij niet vaak tegen.
Wij kunnen ons leven niet overzien, laat staan de wereld waarin wij leven.
Onze God heeft echter wel een allesomvattende aanpak.

Hij staat immers boven deze wereld. Hij houdt het overzicht. En in Zijn Woord openbaart Hij alles wat voor ons behoud nodig is.

Het is troostvol om die God te kennen.
Het geeft rust om de boodschap van de Prediker in hoofdstuk 3 tot ons door te laten dringen: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”[2].

Prediker 3 is dat hoofdstuk waarin de tijd als een film voorbij snelt.
U weet wel: “er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken, een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen” – enzovoort[3].

Over dit hoofdstuk merkte ik op deze plaats al eens op:
“In Prediker 3 wordt ook gezegd dat God eeuwig is.
Dat is in tegenstelling met het doen en laten van mensen. Wat de één opbouwt, breekt de ander weer af.
Soms lijkt het ook in de kerk zo te gaan. Wat kerklid A opbouwt, breekt kerklid B soms ongewild weer af. Men ziet dat ook in het groot: er komt een reformatie in de kerk; maar enkele tientallen jaren later is deformatie en secularisatie aan de orde van de dag. Eén ding is echter zeker: het werk van de Here is eeuwig. Zodoende is kerkbouw geen nutteloze arbeid. Dominees, ouderlingen en gemeenteleden die somtijds twijfels voelen, mogen het weten: kerkenwerk is geen cirkelgang, maar een lineaire actie van de hemelse God. Terecht merkt een exegeet op: ‘Wat de mens verricht, wordt telkens weer ongedaan gemaakt door tegengestelde handelingen (…), maar wat God doet, is blijvend’”[4].

Het werk van God? “Daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen”, lezen we.
Dat geeft troost. Wij hoeven niet stil te blijven staan bij de ietwat treurige constatering dat alles relatief is.
Maar juist omdat Goddelijke arbeid blijvend is, is het belangrijk om Gods Woord helemaal te honoreren.
Het klinkt als een refrein in de Bijbel:
* Deuteronomium 4: “Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van de Here, uw God, onderhoudt, die ik u opleg”.
* Deuteronomium 12: “Al wat ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen”.
* Spreuken 30: “Doe niets aan zijn woorden toe,
opdat Hij u niet terechtwijze
en gij een leugenaar bevonden wordt”.
* Openbaring 22: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn”[5].

Er was eens een evangelische dominee die zei: ‘We laten ons wel door de Bijbel áánspreken, maar veel te weinig tégenspreken’.
Die dominee signaleerde in zijn kring een grotere populariteit van Mattheüs 28 – het zendingsbevel – dan van Mattheüs 25 – het diaconaat –[6]. In die kring komt het niet zelden voor dat de bijbel pas halverwege de preek open gaat, klaarblijkelijk om als ‘kapstok’ te fungeren[7].

Dat vermaan – niets aan Gods Woord toevoegen en er niets van af doen – is in onze wereld klaarblijkelijk beslist geen luxe. Immers: wij weten alles beter. En wij hebben in de regel veel fantasie.

Wij kunnen Gods Woord alleen maar volledig honoreren als wij eerbied hebben voor onze genadige God.
Het staat er in Prediker 3 niet voor niets bij: “…opdat men voor zijn aangezicht vreze”.
Nee, wij kunnen God niet begrijpen. Agur heeft dat in Spreuken 30 terecht geconstateerd[8].
Maar Hij treedt wel beschermend en reddend op. Dat is zeker!
Nu het hier om gaat, citeer ik graag nog eens Openbaring 22: “Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!”[9]. Ziet u dat de belofte van Christus’ terugkomst en de bede om Diens wederkomst pal achter elkaar staan? Gods belofte en onze bede zitten, als het goed is, onverbrekelijk aan elkaar vast!

Als wij op onze eigen intelligentie vertrouwen, wordt de Bijbel zomaar een knap staaltje knipkunst. Maar van knappe knipkunst moeten wij het, ook anno Domini 2016, niet hebben.
Wie daarvoor de schaar pakt, maakt in feite zelf uit wat goed voor hem is.
Eerbied voor onze genadige en allesomvattende God: dat wordt van ons gevraagd, ook vandaag!

Noten:
[1] In dit artikel maak ik gebruik van een ‘weeknotitie’ die ik op zondag 25 januari 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 556 en is getiteld ‘Eerbied voor een genadige God’.
[2] Prediker 3:14.
[3] Prediker 3:2 en 3.
[4] Dit citaat komt uit mijn artikel “Kerkbouw: een gave van God”, hier gepubliceerd op donderdag 7 juni 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/06/07/kerkbouw-een-gave-van-god/ .
[5] Achtereenvolgens citeer ik Deuteronomium 4:2, Deuteronomium 12:32, Spreuken 30:6, Openbaring 22:18 en 19.
[6] Zie Mattheüs 28:19: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”; Mattheüs 25:31-40: “Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan”.
[7] De predikant in kwestie is dominee T. van der Leer, eertijds voorzitter van de Evangelische Alliantie. Informatie over deze predikant staat op https://nl.wikipedia.org/wiki/Teun_van_der_Leer en op http://www.baptisten.nl/seminarium/docenten/2-teunvanderleer ; geraadpleegd op dinsdag 26 juli 2016.
[8] Over Spreuken 30 schreef ik in mijn artikel ‘Vertrouwend vragen’; hier gepubliceerd op maandag 25 juli 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/07/25/vertrouwend-vragen/ .
[9] Openbaring 22:20.

30 december 2015

De Geneesheer glorieert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Het Bijbelhoofdstuk over de genezing van de blindgeborene – Johannes 9 – confronteert ons met een vraag die altijd actueel is[1]. Namelijk deze: hebben wij zwaar gezondigd als we in ons leven veel tegenspoed hebben[2]?
Nee, zegt Jezus. Er is geen direct verband tussen een zware zonde en handicaps.
Zeker, de mensen zijn zondaars.
Zie Romeinen 5: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[3].
Lees Efeziërs 2 ook maar: “…trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns”[4].
Maar er is geen rechtstreeks verband tussen een zonde en een ziekte.

Maar wat is dan wel de oorzaak van ziekte en zwakte?
Op die vraag komt in dit Bijbelhoofdstuk geen antwoord.

In Johannes 9 leren we wel iets over Gods handelwijze: “de werken Gods moesten in hem openbaar worden”[5].
Iets dergelijks schrijft Johannes niet voor het eerst. Kijkt u maar in Johannes 2: “Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem”[6]. Dat gebeurt in Kana, en overal waar Jezus Christus komt. Wij zien het motief van die heerlijkheid ook terug in Bethanië, waar Jezus’ vriend Lazarus overlijdt. Zie Johannes 11: “Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde”[7].
Dat is de taak van kinderen van Gods kinderen: het laten gloriëren van God en Zijn Naam.

In dit verband geldt de stelregel: we moeten werken zolang het dag is. Het wordt namelijk nacht. Niet alleen voor Jezus zelf, maar ook voor Zijn discipelen. En dus ook voor de kerk. Dat moet ons niet verrassen. Jeremia spreekt er in hoofdstuk 13 al over: “Hoort en leent het oor, verheft u niet, want de Here spreekt. Bewijst de Here uw God, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert”[8].

Johannes noteert: “Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen”.
Opnieuw zien we dat Jezus Zijn eigen handelwijze volgt. Een exegeet legt uit: “Nu was het volgens de rabbijnse overlevering op de sabbat alleen maar toegestaan om vloeibare zalf te gebruiken om iemand te genezen. Alles wat daarboven uitging – het zalven met niet-vloeibare zalf en dus ook het mengsel van speeksel en klei – gold als ‘werk’ en was op de sabbat dus verboden (…). De rabbijnen beschouwden dergelijke uiterst gedetailleerde wetten als een ‘omheining van de Thora’, om zeker te stellen dat de hoofdzaken van de Wet in ieder geval niet overtreden zouden worden”[9].
Die eigen werkwijze hoeft Jezus helemaal niet toe te passen. Immers – pas als de blinde man zich in het badwater van Siloam heeft gewassen, kan hij weer zien. De ‘inleidende’ sessie met speeksel en modder is blijkbaar nodig om te tonen dat de Heiland de regie volledig in handen heeft.

De ouders beweren dat zij niet weten Wie hun zoon het zicht gegeven heeft. Er was namelijk al bepaald dat, wanneer iemand hardop zou zeggen dat Jezus de Christus, hij uit de synagoge zou worden gebannen[10].
Die vrees zien we in dit Bijbelboek voortdurend terugkomen.
Bijvoorbeeld in Johannes 7: “En er was veel gemompel over Hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het volk. Toch sprak niemand vrijuit over Hem, uit vrees voor de Joden”[11].
En in Johannes 12: “En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God”[12].
En in Johannes 19: “En daarna vroeg Jozef van Arimathea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe”[13].
En in Johannes 20: “Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u”[14].
Als we die Schriftgedeelten overzien, begrijpen we wel: hier wordt de antithese getekend. Hier wordt strijd geleverd tussen God en satan. Dat gevecht wordt in de wereldgeschiedenis steeds weer gevoerd.
Uiteindelijk worden gelovige mensen al of niet zachtkens uit de kerk verwijderd. Net als in Johannes 16: “Men zal u uit de synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen Gode een heilige dienst te bewijzen”[15].

Maar al te vaak gaat dat gepaard met kerkpolitiek en bedrog.
In Johannes 9 is dat niet anders. De blindgeborene wordt notabene uitgenodigd om zich bij de Farizeeën aan te sluiten, en – in navolging van de kerkleiders – te verklaren dat Jezus een zondaar is[16].
De blindgeborene concludeert uiteindelijk: Jezus heeft een uitzonderlijk wonder gedaan, en dus doet Jezus blijkbaar Gods wil.
De Schriftgeleerden zijn consequent. Ze sluiten de blind geboren man buiten de synagogale gemeenschap.

En dan?
Dan komt Jezus naar die man toe. Geheel in de stijl van Johannes 6: “Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”[17].

Uiteindelijk klinkt de geloofsbelijdenis van de blindgeborene: “Ik geloof, Here”[18].
In Johannes 9 kunnen we tamelijk precies zien hoe Christus het geloof bij de blindgeborene bewerkt:
* vers 11: “de mens, die Jezus genoemd wordt”
* 17: “Hij is een profeet”
* 25: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet”
* 33: “Hij moet wel van God gekomen zijn”
* 36: “wie is Hij (de Zoon des mensen)?”
* 38: “Ik geloof, Here”.
Nee, wij kunnen in onze levens niet altijd zo’n duidelijke opbouw zien. Maar het mag duidelijk zijn: Christus is druk aan het werk!

Johannes 9 stemt, als u het mij vraagt, tot nadenken. Bijvoorbeeld als het gaat om:
a. de manieren waarop wij Gods eer bevorderen
b. ons besef dat het nog dag is
c. ons geduld, want wij moeten accepteren dat God Zijn plan uitvoert en dat wij op Hem moeten wachten
d. de vrees voor de kerkleiders; laten wij niet achter dominees aanlopen!
e. de kloof tussen kerk en wereld, de antithese dus
f. kerkpolitiek; de kerk heeft aan Schrift en belijdenis genoeg; meer is daar niet nodig
g. de wijze waarop de Here in mensenharten werkt.

Laten wij de grote Geneesheer van deze wereld maar bewonderend aanbidden!

Noten:
[1] Vandaag over drie weken, op woensdag 20 januari, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 9:1-10:21 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
Een bewerking van dit artikel is ook een deel van een inleiding over het genoemde Schriftgedeelte; die hoop ik tijdens bovengenoemde bijeenkomst voor te lezen.
[2] In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van het commentaar bij Johannes 9 in de internetversie van de Studiebijbel.
[3] Romeinen 5:12.
[4] Efeziërs 2:3.
[5] Johannes 9:3.
[6] Johannes 2:11.
[7] Johannes 11:4.
[8] Jeremia 13:15 en 16.
[9] Zie de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Johannes 9:14.
[10] Johannes 9:22.
[11] Johannes 7:12 en 13.
[12] Johannes 12:42 en 43.
[13] Johannes 19:38.
[14] Johannes 20:19.
[15] Johannes 16:2.
[16] Johannes 9:24: “Geef Gode de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is”.
[17] Johannes 6:37.
[18] Johannes 9:38.

21 december 2015

Oriëntatie op de hemel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Deze week wordt het Kerstfeest[1].
Voor velen heeft dat feest iets romantisch. De Kerstdagen worden niet zelden gevuld met familiebezoek en copieuze maaltijden.
Maar de Kerstsfeer wordt in onze tijd ruw verstoord door dreiging en chaos in de wereld.
Alleen al het noteren van de naam Islamitische Staat maakt ons treurig. En boos, waarschijnlijk. En bang, misschien.
Voeg daar de plaatsnaam Parijs bij, en dan lijkt de sfeer definitief bedorven.
Weet u ’t nog, de aanslag op personeelsleden van het satirisch weekblad Charlie Hebdo, in januari van dit jaar? Hebt u ze nog voor de geest, de beelden van die aanslagen in november jongstleden; met meer dan honderd doden, en meer dan driehonderd gewonden[2]?

Wij moeten ons echter vooral niet van de wijs laten brengen.
Daarom waag ik het vandaag toch een ogenblik uw aandacht te vragen voor bekende woorden uit Lucas 2: “Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens”[3].

Die woorden worden in Lucas 2 gezongen door een groot koor van hemelse militairen. Die zangers ondersteunen het evangelie van de nieuwe werkelijkheid, dat door de engel wordt gebracht[4].

Die nieuwe werkelijkheid is in het Oude Testament al te zien.
Job heeft in hoofdstuk 16 al iets van die nieuwe werkelijkheid ontdekt toen hij zei:
“Maar ook nu, zie mijn Getuige is in de hemel,
mijn Pleitbezorger in den hoge”[5].
De schrijver van Psalm 148 zegt ook niet voor niets:
“Halleluja. Looft de Here in de hemel,
looft Hem in den hoge”[6].
Bij de intocht in Jeruzalem, in Lucas 19, zullen de discipelen vol overgave zingen:
“Gezegend Hij, die komt,
de Koning, in de naam des Heren;
in de hemel vrede en ere in de hoogste hemelen”[7].

‘Ere zij God’, dat betekent: Hij heeft Zijn naam eer aan gedaan; Hij heeft Hoogstpersoonlijk Zijn naam hoog gehouden.
God is goed. God is trouw. God houdt Zich aan het verbond dat Hij met mensen sloot. Het doorslaggevende bewijs daarvan is dat God Zijn Zoon naar de aarde stuurt.

Er komt vrede op aarde.
Nee, daar zien we nu nog niet veel van. Integendeel – wij zien oorlog en terreur, vervolging en onderdrukking.
Intussen moeten wij er om denken dat die vrede uiteindelijk niet door mensen wordt bewerkt.
Leest u maar mee in Jesaja 9: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen”[8].
Micha ziet die vrede in hoofdstuk 5 trouwens ook al: “Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des Heren, in de majesteit van de naam des Heren, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn”[9].
Ziet u dat?
De Here werkt niet alleen aan vrede.
Hij is die vrede feitelijk Zelf!
Zo komt het dat Paulus in Romeinen 5 op kan schrijven: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen in het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods”[10].

Mensen van het welbehagen worden gered.
Dat betekent: mensen in wie God een welbehagen heeft.
In de kerk is Gods genade zichtbaar.
Zijn oneindige energie.
Zijn geweldige werfkracht en werkkracht.

Als wij goed kijken, zien we daar nu al veel van.
En straks, als de Jongste Dag gekomen is, zullen we die Goddelijke kracht nog uitgebreider kunnen bewonderen!

Als u het mij vraagt moet dat het perspectief zijn dat zich voor ons geestesoog ontrolt als wij binnenkort Gezang 11 weer gaan zingen: Ere zij God.
En ja, dan krijgt ook Gezang 12 meer betekenis:
“Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan thans ieder christen denkt;
hem viere, wat in ’t groot heelal
door Jezus is en wezen zal”[11].
We moeten de dag van Jezus’ komst op aarde altijd feestelijk herdenken.
Overal ter wereld moeten wij bewonderen wat Hij doet.
En: wij mogen veel verwachten van de toekomst die Hij voor ons gereed maakt.

“Dit is de dag, die God ons schenkt” – dat is een oud lied dat door Maarten Luther werd geschreven. Het staat al in de bundel ‘Geistliche Lieder’, die in 1539 te Leipzig verscheen[12]. Dat lied is dus al minstens 475 jaar oud!
Hoe kwam het dat Luther zo ijverig dichtte?
Een protestantse predikant vertelt: “Toen Luther predikant in Wittenberg was, zag hij de grote behoefte van het kerkvolk. Als God met ons spreekt in de kerkdienst, dan moeten de mensen antwoorden in gebed en lofgezang. Maar er waren nauwelijks zingbare liederen voorhanden in de toenmalige kerk. Want in de godsdienst van de Middeleeuwse Kerk zong de priester, de monniken, het koor. Maar niet de gemeente! Daarom vroeg hij zijn vrienden nieuwe liederen te dichten, die het Evangelie zouden verkondigen. Toen dat naar zijn zin niet goed lukte, is hij zelf aan de slag gegaan”[13].

Het kerkvolk moet, zei Luther, weer leren zingen.
Dat zingen mogen wij in 2015 niet verleren.
Zulk zingen leert ons, als het goed, aan onze eigen omstandigheden voorbij te zien. Wij ontvangen een nieuwe oriëntatie – op de hemel, namelijk!

Noten:
[1] Onlangs heb ik Gezang 11 en Gezang 12:1 in twee korte stukjes kort toegelicht voor kinderen. Dat deed ik in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin; jaargang 9, nummer 25 (woensdag 16 december 2015). Op deze plaats geef ik vandaag een uitwerking van de betreffende artikeltjes.
Het was overigens voor de laatste keer dat ik een bijdrage leverde aan de Bazuinrubriek Psalm van de Week. Mijn functie als deputaat-curator van De Bazuin en het medewerkerschap aan dat kerkblad zijn onverenigbaar.
[2] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Aanslag_op_Charlie_Hebdo en  https://nl.wikipedia.org/wiki/Aanslagen_in_Parijs_van_november_2015 . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[3] Lucas 2:14.
[4] Hier, en ook elders in dit artikel, gebruik ik de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 2:14.
[5] Job 16:19.
[6] Psalm 148:1.
[7] Lucas 19:38.
[8] Jesaja 9:5 en 6.
[9] Micha 5:3 en 4 a.
[10] Romeinen 5:1 en 2.
[11] Gezang 12:1.
[12] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Lutherliederen . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[13] Zie http://www.pastoralekroes.nl/lutherLutherXVIII-Prediker-dich/ . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015. De predikant in kwestie is de inmiddels overleden Ph. Kroes.

22 juni 2015

Oriëntatie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In onze tijd is het oppassen geblazen[1]. Voordat u het weet bent u niet meer zo Gereformeerd als het lijkt. Soms blijkt uit een kleinigheid de noodzaak tot reformatie.
Neem nu bijvoorbeeld de stelling: wij oriënteren ons op Christus.

Een jaar of drie geleden stond in een krant de navolgende volzin: “Christenpolitici willen als Christusbelijders hun menselijkheid niet door grootse idealen overstijgen, maar zich juist ter wille van die menselijkheid oriënteren op Christus[2].
In 2006 was op een conferentie van Duitse theologen te horen: “De kerken moeten zich weer duidelijk gaan oriënteren op Christus[3].
Een Christelijke Gereformeerde hoogleraar schreef aan het begin van deze eeuw: “Het geloof is zelf een gave van God, gewerkt door de Geest die ook het leven vernieuwt. Daarom verwijst de boodschap van de rechtvaardiging ons naar het centrum van de Nieuwtestamentische heilsverkondiging. Zij is niet te beschouwen als een deelwaarheid, zij staat integendeel in verband met alle geloofswaarheden. Zij vormt een onopgeefbaar criterium, dat leer en praktijk van de kerk zonder ophouden wil oriënteren op Christus zelf”[4].
Om kort te gaan, zo nu en dan komt de oproep langs: laten wij ons op Christus oriënteren.

Dat klinkt goed.
Sympathiek ook, als u het mij vraagt.
Toch zit er iets gevaarlijks in dergelijk spreken en schrijven.
Immers, oriënteren betekent onder meer: inzicht krijgen in de vraagstukken die spelen. We worden voorgelicht. We krijgen een indruk van het levensterrein. Uiteraard met dank aan alle deskundigen die ons bij onze zwerftocht terzijde staan.
En wij mogen zelf kiezen wat wij met die oriëntatie gaan doen. Proeft u de vrijblijvendheid?

Heden ten dage oriënteren heel wat mensen zich gaarne op geloofsgebied. Kerken en culturele instellingen passen zich daar haastig bij aan. Men moet met z’n tijd meegaan, nietwaar?

Moderne wereldburgers oriënteren zich ergens op. En orthodoxe christenen zijn moderne mensen. Zij kunnen hun eigen keuzes maken.
De suggestie is duidelijk: er is een brede oriëntatie mogelijk.
En het is net als bij de plaatselijke supermarkt: er is keuze genoeg.

Wat zal een mens die rechtgeaard Gereformeerd wil zijn, van al deze dingen zeggen? Laat ik vandaag een enkel woord schrijven over onze positiekeuze in dezen.

Kiezen voor God: dat moeten Gereformeerde mensen beslist doen. Maar het feit dat God hen uitkoos ging daar aan vooraf. Zijn uitverkiezing is voor ons bepalend. Het bepaalt onze levenskoers. Een echte christen hoort bij God. Voor een rechtgeaard Gereformeerd mens is er eenvoudigweg geen andere keuze mogelijk.

Is het dan niet goed om ons eens te oriënteren op het Rooms-katholicisme, de islam, het hindoeïsme of welke andere godsdienst dan ook? Zeker wel. Het kan heel leerzaam zijn om een ogenblik naar buiten te kijken. Op deze internetpagina gebeurt dat ook met zekere regelmaat. Wie van een afstandje kijkt, kan soms beter grote lijnen zien. En het kan zijn dat het opeens helderder wordt waar we mee bezig zijn, en waar het met ons naar toe gaat.

Maar voor Gereformeerden is zo’n oriëntatie niet bedoeld om tot andere keuzes te komen. Nee, die oriëntatie is bedoeld om de Gereformeerde positie duidelijker te markeren. Niet omdat we eigenwijs zijn. Of arrogant. Maar omdat we God lief hebben. Wij willen bij Hem blijven. In Christus wordt het steeds duidelijker wat Zijn verlossing voor ons betekent. Denkt u in dit verband maar even aan Romeinen 3: wij “worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus[5].

Men suggereert vaak dat de dialoog tussen religies bevorderd moet worden. In de eenentwintigste eeuw betekent dat meestal: er moet bereidheid ontstaan om God in verschillende culturen in te passen. Meer precies: we koesteren de wens om God naar onze eigen smaak te modelleren. Ten behoeve van moslims. Of ten behoeve van hindoes. Of… – vult u maar in.

Maar Gereformeerden weten het: ze zijn geroepen door Hem. Ze zijn kinderen van God die boven hen staat. Deze wereld is geschapen door de almachtige Schepper. De God van hemel en aarde past niet in onze plaatjes. Juist daarom is het zo’n groot wonder dat Hij en boven ons staat en in ons wonen wil. In aardse dimensies bestaat zulke ruimte niet. Wij kunnen niet alles tegelijk. Maar de God van het verbond kan dat wel. De Here heeft namelijk niets van doen met aardse kaders. Wij roepen Hem er niet bij. Dat zou de omgekeerde wereld zijn. Hij roept ons.

In de Bijbel zien we wel dat mensen zich oriënteren. Maar dat staat dan altijd in verband met Gods eer. Denkt u maar aan de wijzen uit het oosten. Zij oriënteerden zich op een ster. En waar liep dat op uit? “En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neder en bewezen hem hulde”[6].
De kamerling uit Morenland oriënteerde zich in de toenmalige Bijbel. Hij kwam bij Jesaja terecht. Hij kreeg nadere uitleg van Filippus. En waar liep dat op uit? “En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is”[7].

Gereformeerden brengen God hulde.
Gereformeerden geloven in God.
Gereformeerden zijn afhankelijk van God.
Wij moeten ons niet laten misleiden!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 23 juni 2006.
[2] “Conservatisme ontkent negatieve kanten van secularisatie cultuur”. In: PuntKomma, katern van het Reformatorisch Dagblad (donderdag 7 april 2011), p. 6 en 7. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] “Laat kerk zich weer richten op Christus”. In: Reformatorisch Dagblad (maandag 8 mei 2006), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] De betreffende hoogleraar is professor dr. W. van ’t Spijker. Hij schreef dat in: “Gemeenschappelijke verklaring over de leer van de rechtvaardiging (2)”. In: De Wekker (vrijdag 25 augustus 2000), p. 6 en 7. Ook te vinden op www.digibron.nl  .
[5] Romeinen 3:24.
[6] Mattheüs 2:11.
[7] Handelingen 8:37.

2 juni 2015

Geëerd en geprezen

Het is een kenmerkende zin uit de Heidelbergse Catechismus: “Geef ons ook dat wij ons hele leven – onze gedachten, woorden en werken – daarop richten, dat uw naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt”[1].
Eren en prijzen, dat kost ons op feestdagen niet zo veel moeite[2]. Maar dat eren en prijzen past eigenlijk niet zo bij de sleur van het alledaagse leven. Als alles gewoon door gaat, wat moeten we dan met die hooggestemde formulering? Kunnen we eigenlijk wel eren en prijzen als we, door welke omstandigheid dan ook, niet zo vrolijk zijn?

Wij moeten, naar mijn vaste overtuiging, goed tot ons laten doordringen wat er in de Heidelbergse Catechismus te lezen staat.
Er staat: wij moeten ons hele leven op de naam van God richten. Dat wil zeggen: het leven moet op koers liggen. Het leven moet, om zo te zeggen, in de juiste richting staan. Ons leven moet afgestemd wezen op de frequentie van de hemel.
Als dat zo is, kunnen de mensen om ons heen zeggen: dat is nu een echte christen! Als ons leven op Gods wil is afgestemd, kunnen de mensen zeggen: het helpt echt dat die man, die vrouw gelovig is; dat geloof voorkomt dat hij of zij verbitterd en wanhopig wordt.

Wanneer ligt ons bestaan op koers?
Wanneer staat ons leven op één lijn met het latere hemelleven?
Antwoord: dat is zo als wij ons voluit realiseren dat de Here God ons tot in de eeuwigheid beschermt.
Denkt u in dit verband maar aan Psalm 7:
“HERE mijn God, Gij hoedt mijn leven,
ik heb het in uw hand gegeven,
breid over mij uw vleugels uit”[3].
In de berijming van 1773 stond:
“O HEER, mijn God, volzalig Wezen,
‘k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?”
U hebt het wel gezien: dat woord ‘volzalig’ heb ik gecursiveerd.
Dat deed ik opzettelijk.
In de jaren ’60 van de vorige eeuw was er namelijk eens iemand die Zondag 47 in verband bracht met deze kernvraag: erkent gij de naam Gods tot zaligheid[4]? Oftewel: erkent u dat het belijden van Gods naam tot volle zaligheid zal leiden? Eren en prijzen van Gods naam, dat heeft blijkbaar alles te maken met onze toekomst!
Wij mogen geloven dat onze trouwe Vader in de hemel een totaalplaatje van geluk en vrede maakt. En dat totaalplaatje kan niemand verminken of vernielen!

Het belijden van Gods naam
* dat doen wij als we zonder omwegen verklaren: heel de Bijbel is waar.
* dat doen wij als we rechttoe-rechtaan zeggen: al Gods beloften worden één glorieuze werkelijkheid.
Dan laten wij aan alle mensen in onze omgeving zien: bij de Here, daar moet u wezen!
Dat is heiliging van Gods naam.

Nu het om deze dingen gaat, wijs ik u graag op Daniël 2.
Dat hoofdstuk leert ons hoe wij ten God aan moeten kijken. Dat hoofdstuk leert ons dat we God moeten eren en prijzen in heel Zijn werk. Dat hoofdstuk leert ons dat we verder moeten kijken dan ons eigen leven, en onze eigen vierkante meters.

In Daniël 2 maakt koning Nebukadnezar bekend dat hij een droom heeft gehad. De koning maakt van de gelegenheid gebruik om al zijn tovenaars en bezweerders te testen. Het onverwachte examen is zwaar. De wonderdoeners moeten vertellen welke droom hun opdrachtgever heeft gehad, en op welke manier die droom dient te worden uitgelegd.
Stotterend en sputterend gaan de geleerden in protest. Dit kan toch geen mens volbrengen?
Koning Nebukadnezar ontsteekt in woede. Hij is voornemens om al die magiërs, sterrenkundigen en wie daar verder volgt om het leven te laten brengen.
Omdat Daniël en zijn vrienden ook gevaar lopen, zoeken ze contact met de commandant van de koninklijke lijfwacht. Daniël vraagt om uitstel.
De vrienden smeken de Here om in deze moeilijke omstandigheden barmhartigheid te tonen.
Als Daniël vervolgens in een nachtgezicht de droom te zien krijgt, prijst hij de Here. “Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht!”[5].
Daniël zegt het vervolgens ronduit in zijn dankgebed: de Here is de Bestuurder van de wereldgeschiedenis. En omdat dat het geval is, leidt Hij ook de kerkhistorie.
De God van hemel en aarde stelt koningen aan. Hij zet die machthebbers, als Hij dat nodig vindt, ook weer af.
Mensen hebben hun intelligentie en wijsheid nooit van zichzelf; het is niet zo dat mensen een ingebouwde bron hebben die goede woorden en nuttige gedachten spuit. Nee, de wijsheid is van God afkomstig; de hemelse Heer moet de wijsheid in onze harten leggen.
De Here kan in het donker kijken. De Here laat aan mensen dingen zien die zij moeten weten om de geschiedenis van wereld en kerk vooruit te brengen. Daniël spreekt uit: “U, o God mijner vaderen, loof en roem ik, omdat Gij mij wijsheid en kracht verleend hebt, en mij thans hebt bekendgemaakt wat wij van U gesmeekt hebben, daar Gij ons immers de zaak des konings hebt bekendgemaakt”[6].

Gods naam dient, zo onderwijst ons de Heidelbergse Catechismus, geëerd en geprezen te worden.
Maar hoe doen we dat als ons eigen leven er niet zo prettig en vrolijk uitziet?
Daniël leert het ons. In een dergelijk geval, zo laat Daniël 2 impliciet blijken, doen wij er goed om ons realiseren dat God de Heerser der wereldhistorie is. Als in ons eigen bestaan ‘treurnis’ het steekwoord is, is altijd nog de mogelijkheid open om te wijzen op Gods grote daden in de geschiedenis van kerk en wereld. Vanuit Gods Woord, en vanuit de geschiedenis van de wereld, kunnen we laten zien hoe groot God is. En die God mogen wij onze Vader noemen!

God loven, eren en prijzen – ja, dat is in alle omstandigheden mogelijk.
Zelfs in een wereld die vol is van gemis, teleurstelling, verdriet en pijn!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 47, antwoord 122.
[2] Vandaag is het voor mijn vrouw en mij een feestdag. Wij zijn 27 jaar getrouwd.
[3] Psalm 7:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[4] Zie: “Hoe heilig is zijn naam”, rubriek ‘Voor de zieken’. In: Gereformeerd Gezinsblad (zaterdag 6 oktober 1962). Ook te vinden op www.delpher.nl .
[5] Daniël 2:20.
[6] Daniël 2:23.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.