gereformeerd leven in nederland

31 december 2018

Op het goede pad

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

De dingen die ons in deze wereld ten dienste staan, kunnen we tot Gods eer gebruiken.
We kunnen ze ook benutten vanwege ons eigen gerief. In het laatste geval komt onze God zomaar op de tweede plaats te staan. En misschien willen wij God soms wel het liefst even helemaal wegdenken.

Vlak voor de drempel van 2019 lijkt het, alleen daarom al, goed om wat beter te kijken naar een statement dat Paulus in 1 Timotheüs 4 noteert: “Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets is verwerpelijk, wanneer het onder dankzegging aanvaard wordt. Want het wordt ​geheiligd​ door het Woord van God en door het ​gebed”[1].

In welk verband staan die woorden?

De Heilige Geest van God maakt ons duidelijk dat er in de eindtijd heel wat mensen zijn die zich van het geloof gaan afkeren. Zij gaan op zoek naar andere vormen van zingeving.
Wanneer begint die eindtijd?
Die is al begonnen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit 1 Johannes 2: “Kinderen, het is het laatste uur; en zoals u gehoord hebt dat de ​antichrist​ eraan komt, zijn er ook nu al veel antichristen gekomen, waaruit wij weten dat het het laatste uur is”[2].
En ook uit 2 Johannes 1:7: “Want er zijn veel misleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat ​Jezus​ ​Christus​ in het vlees gekomen is. Dat is de misleider en de ​antichrist”[3].
Ja, de eindtijd is al begonnen.

In 1 Timotheüs 4 gaat het, zo laat de apostel Paulus blijken, over mensen waarvan het geweten als het ware met vuur is dichtgeschroeid.
Wij zouden zeggen: het lijkt wel of er een lasapparaat is gebruikt. Alles is dichtgelast; je kunt niet meer bij de kern.
Paulus schrijft over “leugenaars, die hun eigen geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid”[4].

In Paulus’ tijd wordt het huwelijk door sommigen afgewezen.
Bovendien zijn er mensen die zeggen: dit of dat kun je beter niet eten of drinken.
En seksualiteit? – daar kun je je maar beter niet mee bezig houden.
Paulus formuleert: “Zij verbieden te trouwen en gebieden zich te onthouden van voedsel, dat God geschapen heeft voor de gelovigen en voor hen die de waarheid hebben leren kennen, om onder dankzegging aanvaard te worden”[5].

Kortom:
* mensen zoeken naar zingeving die henzelf aanspreekt
* mensen laten hun geweten niet meer spreken
* mensen zeggen dat bepaald eten of drinken niet goed is

Wie om zich heen kijkt, herkent ook vandaag al snel iets van het bovenstaande.
Mensen speuren naar hun eigen religieuze uitingen. Dat is, zeggen zij, een spannende zoektocht.
Mensen hebben hun hart toegesloten. En met hun geweten hebben zij hetzelfde gedaan. Waarom? Ach – er is zoveel aan de hand in de wereld. Je moet, zegt men, je eigen ding doen. Je hebt genoeg aan jezelf en aan je eigen, al of niet samengestelde, gezin.
Je kunt, stellen nogal wat mensen, maar beter geen vlees meer eten. Bovendien: je krijgt kanker van dit, en suikerziekte van dat. Als het een beetje wil wordt een dergelijke bewering zo snel mogelijk door een officiële instelling tegengesproken.
Het vreemde is dat men heden ten dage, als het over seksualiteit gaat, in een oogwenk de andere kant op schiet. Van terughoudendheid en ascese is anno 2018 geen sprake meer. Alle seksuele grenzen lijken voor eens en voor altijd afgeschaft te zijn. De metoo-discussie bewijst hoe ver sommigen daarin gaan.
Het algemene beeld is dat veel mensen vandaag worden geregeerd door angst. Of door individualisme. Of door losbandigheid. Of door combinaties van die drie.

In het bovenstaande ligt de actualiteit voor Paulus’ uitspraak.
En het is duidelijk dat wij moeten waken voor vrees, egoïsme en zedeloosheid!

Wat zullen wij verder van deze dingen zeggen?

Het jaar 2018 is een jaar waarin zonde, verderf en onheil nog altijd diep in de schepping verankerd blijken.
Wie alleen al het werelddeel Azië beschouwt schudt zijn hoofd. Gaat u maar na:
* de aardbeving op Lombok, begin augustus
* de aardbeving in Palu, een stad in het centrum van het eiland Sulawesi – eind september
* eind oktober stort een vliegtuig neer, dertien minuten nadat het uit Jakarta vertrokken is
* de tsunami in de straat van Soenda, op zaterdag 22 december jongstleden[6].

Wie de krant leest en de journaals bekijkt, kan zomaar denken: deze wereld gaat kapot; helemaal kapot!

In die wereld mogen Gods kinderen het echter blijven zeggen: de dingen die we gebruiken worden geheiligd door Gods Woord en door gebed.
Altijd moeten we, met de Bijbel in de hand, blijven uitzoeken hoe we de God van hemel en aarde het beste kunnen eren met de gaven die Hij ons geeft.
We mogen bij de troon van God komen. We mogen bidden om matigheid bij het werken op aarde; een ‘alles moet op’-mentaliteit past niet bij een christelijk leven. We mogen bidden om nuchterheid bij de keuze van ons voedsel. We mogen bidden om moed voor de toekomst; angst is, zoals bekend, een slechte raadgever. We mogen bidden om een hart dat zacht blijft, en toegankelijk is voor de noden van onze medemensen. We mogen bidden om kracht teneinde de God gestelde grenzen in ons aardse leven te blijven eerbiedigen.

Laten wij maar zonder omwegen constateren dat wij, ook in het bijna afgelopen jaar, alle gelegenheid hebben gehad om onze God te dienen. Dat kostte ons vaak moeite – vanwege gezondheidsproblemen of om allerlei andere redenen. Met vallen en opstaan hebben wij onze dienst verricht.
Constateert u op dit punt veel tekortkomingen? Dat hoeft niemand te verbazen. Zeker is wel dat we, Deo Volente, in het jaar 2019 een nieuwe kans krijgen.

Laten wij maar blijven Bijbellezen.
Laten wij maar blijven bidden.
Dan zijn wij al een heel eind op ’t goede pad.

Noten:
[1] 1 Timotheüs 4:4 en 5.
[2] 1 Johannes 2:18.
[3] 2 Johannes 1:7.
[4] 1 Timotheüs 4:2.
[5] 1 Timotheüs 4:3.
[6] Zie hierover ook https://nos.nl/artikel/2264910-ik-zag-golven-van-asfalt-het-hele-land-stroomde-als-een-rivier.html ; geraadpleegd op maandag 24 december 2018.

19 februari 2015

Werkers der wetteloosheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wetteloosheid: dat is een woord dat, voor ons gevoel althans, niet bij vrome mensen past[1]. Het begrip ‘wetteloosheid’ is niet verbonden met de kerk. Denken wij.
Toch wordt dat in Mattheüs 7 ook gebruikt als het over profeten, over belijders gaat. Ik citeer: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”[2].

Dat wordt dus tegen gelovigen gezegd!
Meer precies: tegen mensen die op het kerkplein heel heilig lijken, maar het niet zijn. De Here spreekt tegen nep-kerkmensen. Tegen schijnheiligen.

Daar valt een zwaar woord: schijnheiligen.
Kan de Here Jezus dat nu zomaar zeggen? In termen van 2015 vragen wij dan: kan de Here een stelling als deze vandaag nog wel overeind houden? En: die mensen gaan toch niet voor de grap naar de kerk? Sterker nog, ze werken in de kerk vol heiligen soms vol overtuiging mee aan allerlei activiteiten; in commissies, bijvoorbeeld. Dan gaat het heel ver om hen schijnheilig te noemen.
Dat kun je niet maken, zeggen wij vandaag.

Naar het mij voorkomt is het kernpunt hier het volgende. Ware gelovigen doen alleen maar wat Vader wil. Dus niet datgene wat mensen keurig vinden. Of wenselijk. Of beschaafd.
Ze doen alleen datgene wat Vader wil. En wat er dan gebeurt, dat kunnen we allemaal zien.
Gaat u maar na:
* een goede boom brengt alleen maar goede vruchten voort. Men ziet er nooit slechte vruchten aan hangen.
* een slechte boom gaat op de brandstapel. De Here zegt niet: dat gaat misschien gebeuren.
“Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen”[3].
Dus: mensen waaraan u door de week niet kunt zien dat ze Gereformeerd zijn, zijn schijnheilig.
Het is heel erg simpel. En pijnlijk duidelijk.

Daarom maken we ons zo druk over het heilig leven in de kerk.
Daarom worden u en ik soms horendol van de discussies op het kerkplein.
Want we horen erbij. Of niet. En daar zit niks tussen.

Maar menen die schijnheiligen dat nu zo verkeerd? Nou nee. Ze profeteren namelijk wel. Op het kerkplein staan ze blijkbaar niet achteraan.
Toch moeten wij goed lezen. Want die mensen zeggen volgens Jezus nog meer. Ze zeggen namelijk:
* wij hebben in Gods naam geprofeteerd.
* wij hebben boze geesten uitgedreven.
* wij hebben vele krachten gedaan.
En met dat al zetten die mensen dus zichzelf in het middelpunt.
Misschien zegt iemand: dat doen ze onbewust; dat bedoelen zulke mensen niet zo. Dat wil ik graag geloven. Maar laten we het zuiver stellen. De Zoon van God laat in Mattheüs 7 een waarschuwing horen. Die waarschuwing staat in alle Bijbels.
Heiligen hebben een Bijbeltje op zak. Maar schijnheiligen ook. Mattheüs 7 staat niet voor niets in de Schrift. Egocentrisme is een zware zonde!

In het dankgebed van het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, zoals dat opgenomen is in het Gereformeerd Kerkboek, staat de volgende zin: “Wij bidden U, trouwe God en Vader, dat door de werking van de Heilige Geest de vrucht van deze avondmaalsviering mag zijn, dat wij dagelijks toenemen in het ware geloof…”[4].
Dat is een belangwekkende constatering.
We moeten niet simpelweg toenemen in geloof. Nee, ons ware geloof moet toenemen. Het echte geloof moet groter worden.

Werkers der wetteloosheid: dat is, op de keper beschouwd, een opmerkelijke typering. Wij zouden kunnen zeggen: wie Gods wetten niet eerbiedigt, respecteert zijn eigen wetten. Maar dat staat hier niet.
Wie Gods wet negeert, leeft ten diepste zonder wet. Waarom? Omdat mensen zondig, en dientengevolge onbestendig en volkomen inconsequent zijn. En omdat mensen altijd naar zichzelf toe redeneren. Maar al te graag bevestigen zij hun eigen gelijk.

Terecht schreef een scribent in het Nederlands Dagblad onlangs: “…pas las ik een interview met een christelijke spreker waarin hij christenen vroeg: ‘Geloof je dat God aan jouw kant staat?’ Op het eerste gezicht is het idee dat God aan jouw kant staat best troostvol en bemoedigend, maar bij nader inzien is zo’n uitspraak even inhoudsvol als een chocolade paashaas. In de eerste plaats liggen christenen over van alles met elkaar overhoop. Aan wiens kant staat God? Dat wordt een lastige. Bovendien schep je met zo’n uitspraak de illusie dat het in het leven gaat om jouw sores en verlangens en dat God er dan is om jou te verdedigen en je zelfvertrouwen te geven. En hoewel God zeker onze helper in nood is, draait het in de Bijbel niet voornamelijk om onze dagelijkse behoefte aan bevestiging”[5].
God voor ons eigen karretje spannen: dat is, als u het mij vraagt, een tamelijk schandalige vorm van wetteloosheid!

Zijn Gereformeerden volmaakte mensen?
Welnee.
Allesbehalve dat!

Maar Gereformeerden doen elke dag iets opvallends. Ze openen de Heilige Schrift. En ze lezen gewoon wat er staat. Niet meer en niet minder.
En wat er staat is soms zo radicaal dat het bijna ongelooflijk is. Neem nu 1 Johannes 3: “Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend”[6].
Nou nou, kan dat niet wat minder? Moet dat wel zo? Klaarblijkelijk wel!
Daarom blijft het staan: wie vóór de zonde kiest, kiest tegen God.
En dat betekent dat er voor ons niets anders op zit, dan ons te bekeren. En de hemelse God heeft Zijn Geest gegeven om ons in die ommekeer te leiden. En waaraan merken we dan dat die Geest aanwezig is? Dat blijkt als we ons niet meer door de zonde laten beheersen. We doen nog wel zonden. Maar we leven er niet meer in.

Nee, Gereformeerden zullen nooit perfectionisten worden. Dat niet. Maar Johannes schreef nog meer.
“Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige”[7].
Met andere woorden: door het werk van Jezus Christus worden wij vrijgesproken!

Wederom ga ik naar Mattheüs 7.
Daar lezen wij namelijk nog meer.
Jezus Christus stelt onomwonden dat daadkrachtige Gereformeerden, op de keper beschouwd, heel verstandige mensen zijn.
Leest u maar mee.
“Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest”[8].
Jezus Christus is die rots.
Dat blijkt ook in 1 Corinthiërs 10: “zij (dat zijn de Israëlieten) dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus”[9].
En in 1 Petrus 2: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[10].
Wie volhardend op de rots blijft bouwen wordt voor wetteloosheid behoed!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 17 februari 2006.
[2] Mattheüs 7:21-23.
[3] Mattheüs 7:16-20.
[4] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, Gereformeerd Kerkboek, p. 528.
[5] Francisca van Dalen, “Onze ingewikkelde identiteit”. In: Nederlands Dagblad (woensdag 4 februari 2015), p. 8.
[6] 1 Johannes 3:6.
[7] 1 Johannes 2:1.
[8] Mattheüs 7:24 en 25.
[9] 1 Corinthiërs 10:4.
[10] 1 Petrus 2:6-10.

3 november 2014

Houdbaarheidsdatum onnodig

Dit stukje is voor een groot deel gevuld met lof op God. Het is tevens een artikel dat veel hoop bevat.
Maar dit stukje is tevens antithetisch. Ja, dat ook.

Bij dit alles ga ik uit van het derde vers van 1 Petrus 1: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop”.

God en Vader staat er.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we: “De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen”. Zeker: de Vader is samen met de Zoon en de Heilige Geest onze God. Die drie Personen kunnen we nooit scheiden[1].
Maar Petrus bindt ons hier op het hart: Vader moet worden geëerd. Hij is onze Schepper. Hij heeft ons onze taak gegeven.
Hij zorgt voor ons.
Hij regeert ons.
In de belijdenis staat: “Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen”[2].
Alles begint bij Vader!

In 1 Petrus 1 gaat het ook over barmhartigheid.
Dat is een verbondswoord. Zijn barmhartigheid is er voor allen die Hem als Verlosser eerbiedigen. Die verlossing is door Jezus Christus bewerkt. Zijn reddingswerk is volbracht. Ons leven houdt daarom nooit meer op. Met God gaan wij de eeuwigheid in. Er komt een toekomst vol heil en vrede aan!

Dat is een levende hoop.
Het woord ‘levend’ betekent: we gaan samen met de levende God op weg. En het betekent ook: we blijven leven, tot in de eeuwigheid!

Vader zorgt voor een nieuw begin.
En voor een toekomst die nimmer eindigen zal.

Dat magnifieke Evangelie moet worden verkondigd.
Dat troostvolle geloof mag worden uitgedragen.

Dat alles staat tegenover de toestand van de huidige maatschappij.
Dat zal hieronder blijken.

Onlangs verscheen een boek over de cabaretier Freek de Jonge.
In dat boek wordt, vanuit het levensverhaal van voornoemde kleinkunstenaar, de samenleving gekarakteriseerd[3].
Het idee van Freek was: alle beperkingen de wereld uit. Maar “alle subtiliteit, alle suggestie, alle liefde, alle haat, alle humor bestaat bij de gratie van het taboe. Het taboe is de grondslag van de beschaving”.
De grenzeloze vrijheid van Freek heeft geen vrede gebracht. Een gezamenlijk verhaal hebben wij niet meer. Vaststaande normen en waarden zijn er nauwelijks meer.

De mensen zijn individualistisch geworden.
Maar de zonde is daarvan niet de oorzaak. Zegt Freek. “De gelovige moest niet langer gehoorzaam het door de kerkelijke autoriteiten gewezen pad volgen, maar een persoonlijke band met God ontwikkelen en handelen naar zijn eigen overtuiging en geweten”. Die persoonlijke band werkt, meent De Jonge, individualisme in de hand.

Bij die laatste waarneming maak ik meteen een korte notitie.
Het is deze: als het bovenstaande waar is heeft de kerk nog wel heel veel invloed in de wereld. De hele wereld is immers egocentrisch geworden?… Zouden Freek, en de schrijver van dat boek, dit echt geloven? Ik had hen toch een stukje wijzer ingeschat!

De basis van de vroegere geloofsgemeenschap is weggevallen.
Wat is het nieuwe fundament van de maatschappij?
Daar heeft Freek wel een antwoord op. Er is een aanvaardbaar alternatief: de kunst. Nu de religie afsterft, moet de cultuur het overnemen.
Een recensente schreef terecht: “De seculiere samenleving leeft als het ware op het geleende kapitaal van het christendom. Misschien één generatie, misschien iets langer, misschien zelfs wel een eeuw. Maar hoe kan een cultuur definitief overleven als het hart eruit is? Als alleen de vorm waardevol wordt geacht, zonder dat die gedragen wordt door een waarachtige overtuiging, een heldere definitie van goed en kwaad, van waarheid en leugen?”[4].

Wat is de grondslag van werkelijke beschaving? Wat is het fundament van beschaving die het predicaat ‘duurzaam’ verdient?
Dat is, als u het mij vraagt, het werk van onze Heiland. Van de Here Jezus Christus dus.
De hemelse God gaf eeuwen geleden Zijn wetten en voorschriften aan het volk Israël. Gods Zoon vervulde die wetten. Nu fungeren de Tien Geboden als regel, als richtlijn voor onze dankbaarheid. De Tien Geboden houden ons voortdurend een spiegel voor. Leven wij nog naar de regels van Gods verbond?
Als wij eerlijk naar onszelf kijken, ontdekken wij hoezeer we tekort schieten. Onze lof aan God is nooit perfect. Ons leven als christen vertoont steeds weer nieuwe deukjes en krassen. Maar hier geldt de zekerheid van de tweeëndertigste Psalm:
“Mijn zonde maakte ik U bekend,
en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet;
ik zeide: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonden”[5].
Die vergeving kan plaatsvinden door het werk van Jezus Christus. In zijn lijden en sterven heeft Hij laten zien hoe barmhartig Hij is. Hij heeft de schuld voor onze betaald. Door Zijn opstanding werd het volstrekt duidelijk gedemonstreerd: de dood is overwonnen. Mét die demonstratie liet de Here ook zien: alle gevolgen van de zonde gaan de wereld uit! Daarom is de toekomst gegarandeerd. De toekomst ligt voor ons open.
Nieuwe mensen zijn, om zo te zeggen, evenzoveel monumenten van hoop.
Het is klinkklare onzin dat het taboe de grondslag van de beschaving is. De wereld wordt er heus niet mooier op als je nergens over praat. Mensen met een keurige buitenkant lijken wel netjes, maar ze zijn het niet. Dat komt omdat de zonde in onze harten zit.
Wie zich bekeert tot Jezus Christus, en vergeving voor zijn zonden vraagt, die weet: nu komt de beschaving echt mijn leven binnen!

Ware gelovigen hebben een persoonlijke band met God.
Dat is zeker waar.
Worden die ware gelovigen daar individualistisch van?
Ik zou toch denken van niet. Het eerste gebod luidt: u moet God liefhebben. Maar het tweede gebod is: uw naasten liefhebben. En dat tweede gebod is net zo belangrijk als het eerste.
Natuurlijk wordt dat tweede gebod massaal overtreden. De zonde heeft in heel veel mensenlevens nog heel veel te zeggen. Daar zit het probleem.
Hoe dan ook: het is een fabeltje dat gelovigen individualistisch zijn. Alle mensen zijn van nature egocentrisch. Echter: de wet van God brengt een structurele correctie aan in het leven van Zijn kinderen.
Wil Freek de Jonge beweren dat mensen buiten de kerk socialer zijn dan kerkgangers? Die stelling lijkt mij onhoudbaar. Totaal onhoudbaar.

Gaat de kunst redding brengen?
Zeker niet.
Want kunst is mensenwerk.
En met mensenwerk wordt de wereld niet gered. Nooit.

De domineeszoon Freek de Jonge kijkt kritisch naar de wereld.
Dat is een goede zaak.
Maar zolang hij alleen maar fronsend naar de wereld kijkt, zit het perspectief dicht.

Wie op Jezus Christus ziet heeft een eeuwig leven dat vol hemels geluk en heerlijke vrede is. Dat gaat veel verder dan een beetje cabaret.
De lof op God is eeuwig houdbaar. In die lof is de vermelding van een houdbaarheidsdatum niet nodig.

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 12.
[3] De gegevens van dit boek zijn: Rob Hartmans, “Freek. De cultuurkritiek van een komiek”. – Amsterdam: Uitgeverij Ambo/Anthos, 2014. – 216 p.
[4] Enny de Bruijn, “Prediker zonder kerk”. In: katern PuntKomma (bijlage bij het Reformatorisch Dagblad), zaterdag 11 oktober 2014, p. 9. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[5] Psalm 32:5 (onberijmd).

21 oktober 2014

Zondag 20 en onze kortzichtigheid

De ik-cultuur speelt ons parten[1]. Dat is een bekend feit.
Christenen strijden daar tegen. Zelfrealisatie is, als het goed is, bij hen nimmer aan de orde.
Dominee M. Golverdingen – predikant binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten – gaf eens de volgende omschrijving van een opvoedingsdoel: “De vorming van de mens, in afhankelijkheid van de zegen des Heeren, tot zelfstandige, God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid, geschikt en bereid om al de gaven die hij van Hem ontving, te besteden tot Zijn eer en tot heil van het schepsel, in alle levensverbanden waarin God hem plaatst. Alleen bij een leven in de vreze des Heeren is er ten volle sprake van een Bijbelse volwassenheid, die in zelfstandig handelen gestalte krijgt”[2].
Daar hebt u het beste resultaat van die strijd: een ware christen gebruikt de hem geschonken gaven tot eer van God. Dat principe moeten wij steeds in de praktijk blijven toepassen.

In deze wereld is dat niet altijd vanzelfsprekend.
Ook niet voor kinderen van God.
Laten wij onszelf goed bewaken!

Wie ben ikzelf?
Dat is dus een centrale vraag vandaag. In een dergelijke sfeer spelen zich vaak ook de gedachtewisselingen rond de Heilige Geest af.
Wie is Hij?
Dat staat keurig in de Heidelbergse Catechismus vermeld. In Zondag 20 staat “dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is”[3]. We weten dus best Wie Hij is. Het probleem zit ‘m erin dat hij God is. Hij is niet zichtbaar. Zijn stem is niet auditief waarneembaar. Hij is niet grijpbaar.
Iemand zei eens: “We weten niet half hoe de Heilige Geest met en in ons bezig is, en we zullen het niet leren ook, als we Hem niet leren zien als de Geest die samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is. Als we Hem wel zo leren zien zullen we het nooit overzien, maar je leven met God wordt er wel veel boeiender van”[4].

Vandaag beweren we graag dat iedereen uniek is. Je hebt iets eigens, roept men vandaag. ‘Eigenheid’ is zelfs een Nederlands woord geworden[5]. Maar zo’n aardse eigenheid heeft de Heilige Geest niet. De Heilige Geest is niet los te koppelen van de Vader en de Zoon.
En wat weten we nog meer over de Heilige Geest? Niet zoveel.
Niet zelden heb ik het gevoel dat een heleboel mensen dat eigenlijk niet kunnen uitstaan. En daarom zetten velen één Persoon van de Drieënige God in de schijnwerpers: de Heilige Geest, of de Zoon. Ik kan mij vergissen. Maar ik denk dat heel wat van die schijnwerper-acties te maken hebben met een gebrek aan geloof. En als men dan toch met die schijnwerper aan de haal gaat, hoopt men zelf ook nog een beetje verlicht te worden.

Als ik het goed begrijp, speelt in al dat discussiëren over de Heilige Geest nog een probleem mee.
We willen de Heilige Geest vandaag een hand geven. Hoe het later allemaal gaan zal, interesseert ons feitelijk maar matig. We willen vandaag aanvoelen wat Gods Geest voor ons betekenen kan.
Echter: Gods Geest bereidt ons voor op het eeuwige leven. Hij heiligt ons in het kader van een oneindig bestaan. In een preek omschreef dominee J.W. Tunderman (1904-1942) het zo: “De Geest leidt ons tot onze uiteindelijke bestemming. En onze uiteindelijke bestemming is dat wij onze oorspronkelijke roeping vervullen, nu dieper geworteld in de eeuwige gemeenschap van Gods liefde dan in het eerste paradijs het geval was”[6].
De Heilige Geest maakt ons dus klaar voor het eeuwige leven. Maar de stappen die daarin gemaakt worden zijn lang niet altijd waarneembaar. De uitwerking van die Geestelijke arbeid is niet tastbaar. Zeker: in de belijdenis spreken wij er over. Maar wij kunnen het heerlijke effect van dat Geestelijke werk nu nog niet precies zien.
Zou het kunnen zijn dat we met heel veel gedebatteer onze onzekerheid daarover wegpraten?

Wij wensen, om zo te zeggen, religieuze topmomenten beleven. Wij willen, al was het maar voor even, geloofstriomfen vieren. Wij kicken op ogenblikken van geloofsblijdschap.
Maar het werk van de Heilige Geest geschiedt niet puntsgewijs. Gods Geest trekt een lijn. Hij maakt, om zo te zeggen, de belijning van de weg naar onze hemelse toekomst.

Onze hemelse toekomst – inderdaad. Zo staat het in 1 Corinthiërs 12. Er zijn, zo staat daar, allerlei gaven in de gemeente. Wijsheid, kennis, een groot geloof… en nog veel meer. Die gaven hebben we in de kerk gezamenlijk. En Paulus zet erbij: “…want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt”[7].
Zodra de Heilige Geest een andere werkplaats kiest, kunt u het gemeentelijk leven wel op uw buik schrijven.
Dat wordt niks meer.
Dat leven bloedt dood.
Als de Heilige Geest wel aanwezig is komt er een heleboel energie los. En dat betreft dan veelal geen krachten waarmee op aarde macht getoond kan worden. Het is vanuit de hemel gegeven werkvermogen, dat ook op de woonplaats van God gericht is. Daarmee doorbreken we dus de grenzen van deze wereld.

Daarom kan Paulus ook schrijven: “Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert”[8].
Er zou, denk ik, al heel wat gewonnen zijn als we eens wat minder kortzichtig waren.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef; dat stuk is gedateerd op vrijdag 3 maart 2006.
[2] Geciteerd via: Dr. W. Fieret, “Leven in de ik-cultuur”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (1 juni 2013), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 20, antwoord 53.
[4] Zie http://wvdschee.home.xs4all.nl/prkhc/zondag2004.html .
[5] Zie bijvoorbeeld http://www.encyclo.nl/zoek.php?woord=eigenheid .
[6] Zie http://www.jw.tunderman.net/zondag20.html .
[7] 1 Corinthiërs 12:13.
[8] 1 Corinthiërs 12:31.

24 september 2014

Bewaar het evenwicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Een artikel schrijven over Psalm 145: dat is mooi werk. Het lezen van een stuk over diezelfde Psalm is dat hopelijk ook[1].

Het woord ‘prijzen’ komt in dit blijde lied vijf keer voor.
En de dichter – dat is David – houdt niet op om Zijn Heer te eren. Roemen, verkondigen, gewagen, spreken, vertellen: die woorden komen we allemaal tegen als wij deze psalm gaan lezen. De psalmist heeft dus voortdurend de mond open.
David leert zijn hoorders en lezers een uitbundig lied. Een feestlied.

Als dat tot ons doordringt, stijgt het schaamrood ons misschien naar de kaken. En daar is warempel wel reden voor.
Immers, kerklid zijn is voor ons lang niet altijd een feest. Wat zijn er veel verhalen over broeders en zusters die zich onheus bejegend voelen! Ondergronds zijn er soms ‘veenbrandjes’. Sommige kerkleden komen met keiharde uitspraken; niet zelden zit daar overigens diep doorvoelde emotie onder. Ruzie en onmin in de kerk: wie weet er niet van?
Welnu, Psalm 145 brengt ons in de sfeer die de kerk moet kenmerken. In deze Psalm prijzen we de Here om Zijn daden. Wat Hij doet is groots! Impliciet zegt de psalmschrijver: broeders en zusters, kijk niet in de eerste plaats naar mensen; want niet daarom heeft de Here u naar de kerk gebracht.

David maakt werk van zijn feestlied. Het is een acrostichon: elke zin of alinea begint met de opeenvolgende letters van het alfabet.
De dichter laat het zien: wanneer het gaat om een lofprijzing van de God van hemel en aarde, doen ook de vormgeving en de inhoud er toe.
Dat lijkt me iets om te benadrukken.
Er worden vandaag heel wat godsdienstige liederen geschreven. De vraag is: schrijft men die om eigen gevoelens vooraan te zetten, of om de Here te eren? Massa’s evangelische liederen zijn er waarin het bijna voortdurend klinkt: ik…ik…ik. Ik zet mijn hart open. Ik houd meer van Jezus dan voorheen. Enzovoort. Ziet u hoe snel je daarmee een verkeerde kant op kunt gaan?

Welnu, welke redenen hebben wij om God te loven?

De eerste reden is dat God voor ons ondoorgrondelijk is[2]. Dat klinkt gek. Als je iets of iemand niet snapt, dan is er toch weinig reden om een lofzang aan te heffen?
De zaak is deze.
Wij voelen wel aan dat als wij Gods doen en laten geheel zouden doorzien, wij bijkans sprakeloos van bewondering zouden wezen. Wij zouden met open mond staan kijken. Onze woordenstroom zou eensklaps opdrogen. Wij zouden slechts verbijsterd zwijgen.
U weet het: de stand van zaken in 2014 is anders. Ware gelovigen doorzien in dit tijdsgewricht nog maar maar een klein stukje van Gods plan. Zeker – nu al concluderen zij zonder terughoudendheid: wat de Here God doet is bijzonder indrukwekkend. Wat zij vandaag van Gods daden zien is soms al magnifiek. Wat zij erop dit moment van begrijpen is al heerlijk… Maar ach, de praktijk van de eenentwintigste eeuw blijkt buitengewoon weerbarstig. Tegenstrijdige gevoelens strijden dagelijks om de voorrang. Klachten wisselen we vaak af met woorden van dank. Vreugde en verdriet liggen dicht bij elkaar. Het ene moment hebben wij een feestelijk gevoel; het volgende ogenblik zijn we in een rouwstemming.
Wat kunnen wij in zo’n instabiele wereld doen? Antwoord: wij kunnen zingen. En dat moeten wij ook doen.
De woorden worden ons door Hemzelf in de mond gelegd:
“Mijn God en Koning, aller vorsten Heer,
ik zing verheugd uw heilge naam ter eer.
Uw naam zo groot en vol van majesteit
zal ik verheffen tot in eeuwigheid”[3].
Psalm 145 is een oefening. Een oefening om in een voortsnellende maatschappij, waarbij allerlei mensen om permanente topprestaties vragen, het evenwicht te bewaren. Wij moeten rechtop blijven staan. Recht voor God.

De tweede reden is dat wij Gods geduld bewonderen. Wij ontdekken dat God een en al goedheid, zorgzaamheid en genade is. Niet alleen voor Zijn kinderen, maar voor alle wereldburgers[4].
Nee, lang niet iedereen erkent Gods macht.
En wie het nieuws volgt weet wel dat mensen beslist niet goed zijn. Heel vaak zijn mensen niet zorgzaam. Integendeel. En nu ja – genadig zijn mensen maar heel zelden.
Wat een wonder dat onze God in de hemel zoveel ontferming ten toon spreidt!

De derde reden is dat Gods koningsmacht nooit taant. Hij is, alle eeuwen door, even krachtig en even invloedrijk[5].
Voor sterfelijke aardbewoners is dat onvoorstelbaar. De feiten van Psalm 145 zijn voor ons vele maten te groot.
Maar daarmee komen we wel bij het ultieme doel van dit door God geschonken lied: ons geloof moet worden verdiept!
De term ‘al uw werken’ komt twee keer in deze psalm voor. De hele wereld wordt door God beheerst; of zij dat nu wil of niet. Nee, dat kunnen wij ons niet voorstellen. Maar dat hoeft ook niet. Geloven in God en zijn macht eerbiedigen: dat is genoeg.

Het komt mij voor dat we Psalm 145 in Nieuwtestamentisch licht dienen te bezien. Hieronder leg ik uit waarom.
Wij moeten, leert David ons, God aanbidden met een oprecht hart. Ons bidden moet eerlijk zijn. Het moet niet zo wezen dat we, bijvoorbeeld uit schaamte, sommige dingen maar niet hardop in het gebed zeggen. In Psalm 145 klinkt dat zo:
“De HERE is nabij allen die Hem aanroepen,
allen die Hem aanroepen in waarheid”[6].
Jezus Christus gebruikt die woorden ook in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw, in Johannes 4: “God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid”[7]. Jezus wil maar zeggen: God is Geest, Hij onderscheidt zich wezenlijk van het menselijke. En wie God aanbidden gaat, moet een geestelijk mens zijn. Die bidder moet – om zo te zeggen – opnieuw door de Here geschapen worden. Hij moet een nieuwe schepping worden. Ziet u hoe Christus die psalm uit het Oude Testament een nieuwe dimensie geeft?
De woorden van de Heiland brengen ons bij 2 Corinthiërs 5: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”[8]. Nu herhaal ik het nog maar eens: kijk niet in de eerste plaats naar mensen; want niet daarom heeft de Here u naar de kerk gebracht.
Nee, dat is niet makkelijk. Want de zonde speelt ons altijd parten. Miscommunicatie, ergernis, ruzie: dat alles is in de kerk soms aan de orde van de dag. Maar we moeten ons erin oefenen om regelmatig te denken dat de kerkleden om ons heen even zovele werkplaatsen van God zijn. Vanuit de hemel wordt druk gewerkt aan een complete herschepping, een re-creatie, van heel veel mensen!

David schenkt ons een feestlied.
En de Here God vindt dat lied zeer de moeite waard. Hij geeft het, via Zijn Woord, door aan Zijn kinderen van alle tijden en plaatsen.
Daarom mogen we dat lied vandaag ook zingen. Laten we er samen wat moois van maken!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik binnenkort Psalm 145:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt op 22 oktober in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Psalm 145:3: “De HERE is groot en zeer te prijzen, / zijn grootheid is ondoorgrondelijk”.
[3] Dit zijn de eerste regels van Psalm 145:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[4] Psalm 145:8 en 9: “Genadig en barmhartig is de HERE, / lankmoedig en groot van goedertierenheid. / De HERE is voor allen goed, / en zijn barmhartigheid is over al zijn werken”.
[5] Psalm 145:13: “Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij is over alle geslachten”.
[6] Psalm 145:18.
[7] Johannes 4:24.
[8] 2 Corinthiërs 5:16 en 17.

20 augustus 2014

Egocentrisme afgeremd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Veel mensen hebben een welhaast onbedwingbare neiging om over zichzelf te praten[1].
Dat geldt in niet mindere mate voor gelovigen. Zij willen, zo zeggen zij zelf voortdurend, God dienen. En ja, daar kunnen zij niet zelden ook een verhaal over vertellen. In die geschiedenis blijken die vertellers vervolgens zelf veelal de hoofdpersonen.
Ik-gerichtheid is een kenmerk van onze tijd. Kinderen van God moeten niet denken dat zij helemaal buiten die sfeer van egocentrisme kunnen blijven. Egoïsme zit overal in. Zelfzucht komt overal bij.
Hoe dan ook: ware gelovigen moeten oppassen dat zij niet te vaak persoonlijke verhalen vertellen.

Laat ik, hierover schrijvende, op de gelijkenis van de verontschuldigingen mogen wijzen.
Het verhaal uit Lucas 14 kent u wel.
“En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen”[2].
Spreker Eén had het, zogezegd, druk met aardse dingen. God kwam op zijn prioriteitenlijstje in de verdrukking.
Spreker Twee deed als ambitieuze wereldburger simpelweg wat hij zelf wilde. Aan een hemelse maaltijd dacht hij niet. Een typisch geval van ongeloof, dus.
Spreker Drie kwam met een plausibel klinkend verhaal. Echter: ook hier gingen aardse boven hemelse dingen.

Het ging hier om genodigden.
De zaak draaide hier om mensen die een uitnodiging hadden ontvangen. De genodigden kenden de gastheer. Zij wisten wie hij was. Ze wisten misschien wat hij serveren zou.
Juist die mensen maakten duidelijk dat ze de uitnodiging afsloegen.
De kerkmensen zeiden: nee, dank u.

In Lucas 14 vinden we de definitieve uitnodiging van Jezus aan het adres van Israël.
Aldaar was het gewoonte om gasten twee keer te nodigen. Geruime tijd van tevoren kwam de eerste invitatie. Kort voor het feest begon kwam dan de tweede uitnodiging. De knecht die erop uit gestuurd was hoefde dan alleen maar te zeggen dat alles gereed stond.
Juist die tweede uitnodiging werd geweigerd[3].
Voelt u hoe pijnlijk dat was? Het was schrijnend. Jazeker.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?
De Here Jezus Christus wilde duidelijk maken dat Hij Hoogstpersoonlijk bezig is met de voorbereidingen voor een gelukkige toekomst van al Zijn kinderen. Een toekomst met Hem. Een toekomst waarin Hij alles zal zijn in allen.
Die toekomstverwachting is, als ik het goed zie, ook voor vandaag sfeerbepalend.

Nu wil ik een ogenblik naar onze tijd kijken.

Is het wel juist om ijverige gelovigen in 2014 te vergelijken met die genodigden uit Lucas 14?
Daar moet je voorzichtig mee wezen. Geen mens kan in andermans hart kijken.
Niettemin zijn er momenten waarop ik aan Lucas 14 denken moet.

Jaren geleden voerde ik eens een gesprek met iemand die mij uitlegde dat hij niet zo lang geleden in Armoedeland was geweest om daar, met Gods hulp, veel goeds te doen. Heel veel goeds.
Tot verbazing van de spreker luisterden velen naar hem. Sterker nog: plots gingen vele deuren open. Dorpshoofden tot wie hij zich richtte, waren een en al oor.
Tot vreugde van de spreker kwam zijn boodschap over. Op de plaatsen waar hij kwam gingen velen de ogen open. Het feit dat de spreker bereid was om geld in allerlei projecten te steken, hielp waarschijnlijk ook een beetje. Maar toch.
Geachte lezer, graag geef ik toe dat ik slechts over een middelgroot denkraam beschik.
Het moet derhalve niet worden uitgesloten dat ik sommige dingen geheel verkeerd begrepen heb.
En het zal, neem ik aan, niet de bedoeling van de spreker geweest zijn om zichzelf op de voorgrond te stellen. Intussen kreeg ik echter wel het gevoel dat het verhaal van de spreker onder meer verteld werd ter meerdere eer en glorie van de woordvoerder zelf.
Voor mijn idee waren de persoonlijke belevenissen van de spreker nogal sfeerbepalend. Zijn eigen wederwaardigheden waren erg belangrijk.

Nogmaals: ik kan het allemaal verkeerd begrepen hebben. En wellicht heb ik – geheel ten onrechte – aan goede intenties voorbijgezien.
Vooralsnog deed het verhaal mij echter aan Lucas 14 denken.
Als ik mij niet vergis gaat het in Lucas 14 over door God bij elkaar geroepen mensen. Ze hebben best wel aandacht voor het Koninkrijk Gods.
Ja heus – daar gaan zij serieus mee om.
Die kerkmensen zeggen niet: ‘scheer je weg’. Zij houden de deur niet gesloten.
Integendeel: ze excuseren zich uitgebreid. Met een verhaal over bouwland dat geïnspecteerd moet worden. Met een verhaal over vee dat gekeurd moet worden. En met een verhaal over wittebroodsweken in een huwelijk.
Inmiddels gaat het bij de voortduur over henzelf. Het gaat over eigen belevenissen die reuze interessant zijn.
Voelt u hoe die lange persoonlijke verhalen een beetje wringen met het werk dat in Gods Koninkrijk gebeurt? Voelt u hoe die lange persoonlijke verhalen wringen met Gods eer?

Hoe moet dat nu met die spreker van hierboven?
Hij deed in Armoedeland natuurlijk geen slechte dingen. Hij wilde, als ik het goed begrepen heb, mensen werkelijk vooruit helpen. Door natuurherstel, bijvoorbeeld.
Die spreker van hierboven deed, naar ik veronderstel, goede dingen.
Maar deed hij dat echt alleen ter ere van God?

Naar het mij voorkomt leert Lucas 14 ons dat verhalen over onszelf al heel gauw afbreuk doen aan het Evangelie.
Dat is heus niet de bedoeling van volijverige kinderen van God.
Het probleem is echter dat het zomaar gebeurt. Soms zonder dat wij het in de gaten hebben. Opgepast dus.

Het is opvallend dat voor de maaltijd van Lucas 14 uiteindelijk misdeelden in aanmerking komen: “Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier”[4].
De Here zoekt de mensen op die niet tot de geestelijke elite behoren.
Mijn conclusie: u hoeft geen geweldig persoonlijk verhaal te kunnen debiteren om de Heiland te mogen volgen.

Wat zal ik nog meer van deze dingen zeggen?

In dit verhaal kwam een man voor die maar wat graag in Armoedeland de helpende hand wilde bieden. Het verhaal dat hij deed ging, naar mijn smaak althans, vooral over hemzelf.
In alle bescheidenheid vraag ik mij, in het licht van Lucas 14, af of dat wel juist is.
Of draaf ik nu door?

Laten we eerlijk zijn: wij allemaal hebben soms de neiging om veel over onszelf te praten.
Over onze kerkelijke belevenissen.
Over onze kerkelijke ergernissen.
Over ons gevoel.
Over de manier waarop de preek in onze ziel landde.
Met een schuin oog op Lucas 14 roep ik op tot terughoudendheid met betrekking tot de verbreiding van persoonlijke verhalen.

Laten wij maar gewoon aan het werk gaan.
Dan hebben wij het druk genoeg.
Laten wij ons realiseren dat de Here Jezus Christus ons uitnodigingen blijft sturen voor het feestmaal dat Hij aanricht. Hij vraagt niet of onze levenservaringen wel indrukwekkend genoeg zijn. Hij onderzoekt niet of onze vertelkunst wel voldoende ontwikkeld is.
Wij mogen bij Hem komen eten. Er zijn plaatsen aan de dis gereserveerd.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in februari 2010 schreef.
[2] Lucas 14:17-20.
[3] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel.
[4] Lucas 14:21.

Blog op WordPress.com.