gereformeerd leven in nederland

12 januari 2017

De Laatste Reformatie?

Kent u The Last Reformation? Of, in het Nederlands, De Laatste Reformatie?
Dat is een internationale beweging die vindt dat de kerken zichzelf opnieuw moeten uitvinden.

In het Reformatorisch Dagblad las ik er onlangs het een en ander over.
Ik citeer: “De beweging De Laatste Reformatie (”The Last Reformation” als de internationale aanduiding voor deze beweging) werd enkele jaren geleden opgericht door de Deense evangelist Torben Søndergaard en heeft inmiddels in diverse landen vertegenwoordigers. De benaming is subtiel gekozen. De eerste Reformatie was die van Luther, die theologisch was. Daarna volgde een tweede bij John Wesley (1703-1791), waarbij ‘de persoonlijke intimiteit met Christus’ herontdekt werd. Wat de kerk volgens Søndergaard nu nodig heeft, is een derde reformatie, ‘een nieuwe en radicale reformatie die ook de kerkstructuur verandert’.
De kerk is volgens Søndergaard ontaard in een instelling die gebaseerd is op macht, controle, geld en uiterlijke structuren in plaats van dat zij uit levende discipelen bestaat. Het is nooit Gods bedoeling geweest dat de geopenbaarde waarheden zouden resulteren in ‘onafhankelijke kerkelijke denominaties’, zo schrijft de evangelist in zijn boek ”De Laatste Reformatie” (uitgave van delaatstereformatie.nl). In de eerste gemeente waren er geen kerkgebouwen en betaalde voorgangers. Zijn oproep: ‘Sluit het systeem en geef het geld aan iets anders!’.
De Deense evangelist gelooft dat deze tijd voor een derde reformatie staat. Dat zal ook de ‘laatste reformatie’ zijn voordat Jezus terugkomt. Een reformatie waarbij God de gemeente klaar zal maken om haar bruidegom te ontmoeten. Zijn conclusie: ‘Dus laat de reformatie maar beginnen!’”[1].

Moet de kerk zichzelf opnieuw uitvinden?
Dat lijkt me ongerijmd.
Alle eeuwen door heeft de kerk bestaan. Gods kinderen lieten zich bijeenbrengen. Preciezer gezegd: de hemelse God bracht Zijn kinderen bijeen.
Is dat vandaag anders?
Ik zou denken van niet.
Graag wijs ik op Psalm 102:
“U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
Maar U blijft Dezelfde”[2].
Hebreeën 13 zegt het zo mogelijk nog duidelijker: “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid”[3].
Het kerkvergaderend werk van de God van hemel en aarde houdt ook anno Domini 2017 niet op!

De Laatste Reformatie zegt dat de kerk gebaseerd is op “macht, controle, geld en uiterlijke structuren in plaats van dat zij uit levende discipelen”.
Als dat waar is moet men mij maar eens uitleggen waarom we in de kerk en op het kerkplein zoveel actieve en blijmoedige christenen tegenkomen. Natuurlijk: in de kerk is hier en daar teleurstelling. Onenigheid. En ruzie. Dat vindt z’n oorzaak in de zonde waarmee alle mensen behept zijn. Maar laten wij dat allemaal niet overdrijven. Het merendeel der mensen in de kerk wil gewoon Gereformeerd zijn, en verder niets.

De Laatste Reformatie meent dat de kerk leeft bij macht en uiterlijke structuren; enthousiaste christenen moet men met een lantaarntje zoeken.
Welnu – als we het verhaal over De Laatste Reformatie tot ons laten doordringen, moet het haast wel opvallen dat dat vooral over mensen gaat. Machtige mensen. Controlerende mensen. Geldzuchtige mensen. Mensen die soms gedijen in tamelijk strakke keurslijven. Maar om al die mensen draait het in de kerk niet. In de kerk staat God centraal. De God waarover wij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden: “Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig. Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed, en een zeer overvloedige bron van al het goede”[4].
Laat ik het anders zeggen. Namelijk met woorden uit Psalm 27:
“Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel”[5].
Dat is ten diepste de wens van Gods kinderen.
In de kerk is de eerste vraag: hoe moet ik vandaag, morgen en overmorgen God dienen?
En de tweede vraag is: wat kan ik er aan bijdragen dat mijn buurman in de kerk vandaag, morgen en overmorgen God op een goede wijze kan dienen?

De Laatste Reformatie zegt: “Het is nooit Gods bedoeling geweest dat de geopenbaarde waarheden zouden resulteren in ‘onafhankelijke kerkelijke denominaties’”.
Om dat statement moet ik toch heus een beetje glimlachen.
Nee, kerkelijke verdeeldheid wil de Here niet. Maar waarom gaat De Laatste Reformatie dan weer iets nieuws beginnen? Dat maakt de verdeeldheid alleen maar groter!

Nogmaals noteer ik dat De Laatste Reformatie zegt: “Het is nooit Gods bedoeling geweest dat de geopenbaarde waarheden zouden resulteren in ‘onafhankelijke kerkelijke denominaties’”.
Waar komt al die disharmonie, trammelant en tweedracht vandaan?
De Nederlandse Geloofsbelijdenis legt ons het antwoord in de mond.
Ik citeer: “Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde geschapen heeft en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis: goed, rechtvaardig en heilig, zodat hij met zijn wil in alles overeen kon stemmen met de wil van God. Maar toen de mens in die eervolle positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte plaats niet erkend. Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking (…) Doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren. Hij heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen”[6].
Waar komt al die disharmonie vandaan? Antwoord: de zonde zit er bij ons diep in!

Bij De Laatste Reformatie is men van mening “dat deze tijd voor een derde reformatie staat. Dat zal ook de ‘laatste reformatie’ zijn voordat Jezus terugkomt. Een reformatie waarbij God de gemeente klaar zal maken om haar bruidegom te ontmoeten. Zijn conclusie: ‘Dus laat de reformatie maar beginnen!’”.
Als u het mij vraagt, komen hier diverse apen uit een paar mouwen.
Want hoe weet De Laatste Reformatie zo zeker dat hun hervorming de laatste is? Misschien komt er nog wel een vierde. En een vijfde. En een zesde. Wie zal het zeggen?
Niemand weet wanneer de Here Jezus Christus terug komt op de wolken. Om met Mattheüs 25 te spreken: “Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal”[7].
De Laatste Reformatie komt, met name op dit punt, op mij heel arrogant over. De Laatste Reformatie klinkt als: wij weten het beter. Dat is irritant. En zeer onjuist, bovendien.

Laten wij het maar eenvoudigweg houden op die bekende woorden uit Psalm 27:
“Daar in zijn huis, waar alles spreekt van Hem,
wil ik aanschouwen ’s HEREN heerlijkheid,
zijn schone dienst, verricht in heiligheid.
Ik wil aandachtig luist’ren naar zijn stem”[8].

Noten:
[1] “De Laatste Reformatie: Kerk als instituut belemmert Evangelie”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 28 december 2016, p. 2.
[2] Psalm 102:26-28 a.
[3] Hebreeën 13:8.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1.
[5] Psalm 27:4 (onberijmd).
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 14.
[7] Mattheüs 25:13.
[8] Dit zijn de laatste regels van Psalm 27:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

5 januari 2017

Genadeverbond

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Dat de zuigkracht van evangelische kerken en groeperingen groot is, hoef ik hier niet uit te leggen[1].
Hoe kan het dat die aantrekkingskracht zo groot is?
Eén der oorzaken is, als u het mij vraagt, een slecht zicht op het genadeverbond.

Daar staat dat oude woord: genadeverbond.
Dat genadeverbond hoort niet thuis tussen de bladzijden van een vergeeld vergeetboekje. Hieronder noteer ik een zevental aantekeningen omtrent dit onderwerp. Ik hoop dat dat genadeverbond u ook helder voor ogen zal komen te staan.

1.
Als wij praten over Gods verbond, waar hebben wij het dan eigenlijk over? Op de catechisatie werd de lieve jeugd eertijds onderwezen over:
* het werkverbond
Dat werd ingesteld vóór de zondeval. Als de mensen zich aan Gods geboden zouden houden, zou God hen het eeuwige leven geven. De boom van kennis van goed en kwaad was daar het teken van.
* het genadeverbond
Er kwam een zondeval. Was nu de kans op eeuwig leven verkeken? Nee, want God schenkt vanwege Zijn genade het eeuwige leven aan de mens. Maar de straf op menselijke zonden moest wel gedragen worden. Daarvoor kwam Gods Zoon, Jezus Christus, op aarde.
Er zijn ook tekens bij het genadeverbond. In het Oude Testament waren dat: besnijdenis en pascha. Nu kennen wij doop en avondmaal.

2.
De geschiedenis van het verbond dat God met Zijn kinderen sloot kan, net als de wereldhistorie, worden ingedeeld in perioden. Dat kan bijvoorbeeld als volgt:
a. het werkverbond met Adam
b. het genadeverbond met Adam
c. het verbond met Noach
d. het verbond met Abraham
e. het verbond met Mozes
f. het profetisch vermaan van Mozes aan het adres van Israël met het oog op de nieuwe situatie in Kanaän
g. het verbond met David
h. het nieuwe verbond.

3.
Dat nieuwe verbond heet in Hebreeën 8 een beter verbond. Het verbond wordt nu, zo betoogde de Hebreeënschrijver, op een ander niveau getild. Tot nog toe werd de priesterdienst op aarde verricht. Maar, zo schreef hij, vanaf nu is de priesterdienst verplaatst naar de hemel. De Here Jezus is de middelaar van een beter verbond, “een verbond dat in betere beloften is vastgelegd”[2].
Mensen uit oude tijden geloofden het met heel hun hart: God doet in het verbond het betere werk. De Messias zal komen!
Al die mensen wisten het: God moet de eerste stap zetten.
Later, veel later zou de apostel Petrus voor Bijbellezers uit de Nieuwtestamentische bedeling de lijn van toen naar nu uittekenen. In 1 Petrus 1 schreef hij: “Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van u. Door Hem gelooft u in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof en hoop op God gericht zijn”[3].

4.
Genadeverbond: dat oude woord betekent dat er, dankzij het verlossingswerk van Jezus Christus, vergeving is voor zondige mensen.
Genadeverbond: dat oude woord betekent dat de Here Hoogstpersoonlijk Zijn wetten in onze harten schrijft. Hij zorgt er Zelf voor dat wij heilige mensen worden.
En alsof dat nog niet genoeg is, komen er – geheel gratis – nog allerlei dingen bij. Bijvoorbeeld:
* vrede met God.
Zie Romeinen 5: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus”[4]
* inwoning van Gods Geest.
Zie 1 Corinthiërs 3: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig, en deze tempel bent u”[5]
* wij worden echte kinderen van God.
Zie Galaten 4: “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen. Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus”[6]
* vrije toegang tot de troonzaal van God.
Zie Efeziërs 3: “Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en allen te verlichten, opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan het geheimenis inhoudt, dat door de eeuwen heen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, opdat nu door de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden, volgens het eeuwige voornemen dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere. In Hem hebben wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem”[7]

5.
In heel de verbondsgeschiedenis ligt het initiatief bij God. Het gaat niet om de prestaties van mensen. In de kerk staat het doen en laten van de hemelse Heer centraal.
Daarom moet er voor worden gewaakt om mensen in de preek centraal te stellen.
Er zijn, als ik mij niet vergis, heel wat predikanten die dat wel doen.
Een paar voorbeelden:
* In een preek suggereert men dat wij net zo’n groot geloof moeten krijgen als Abraham had.
* Men zegt dat worstelen met God eigenlijk heel goed is; Jakob deed het per slot van rekening ook.
* Men bewondert de standvastigheid van Jozef. Hij weigerde stelselmatig om een relatie aan te gaan met de vrouw van Potifar.
* Overspel is natuurlijk niet goed te praten. Maar het is wel menselijk. Zelfs David deed dat. En uitgerekend over hem zei Samuël tegen Saul: “De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk”. En in Psalm 89 spreekt de Here over “David, mijn dienaar”[8]. Aan overspel hoeven we, zo is de suggestie, niet altijd even zwaar te tillen.
Welnu, op dezelfde manier kan men heel veel preken vermenselijken.
* Als het over de verloochening van Petrus gaat, bijvoorbeeld.
* Ook in een preek over de twijfels van Thomas kunnen veel menselijke elementen binnengebracht worden.
Laat het volkomen duidelijk zijn: wij hoeven niet om mensen heen te kijken.
Maar bij onze Schriftlezing moeten de voornaamste vragen blijven:
* Wat is God in deze wereld aan het doen?
* Wat is Gods plan met deze wereld?
* Hoe tonen wij onze dankbaarheid nu wij door onze Heiland van duivelse macht bevrijd zijn?
* Waar verlangt de God van het verbond onze inzet in de wereld?

6.
Het woord ‘genadeverbond’ past al bij Gods kinderen als zij nog maar heel klein zijn.
Denkt u maar aan het aloude Doopsformulier: “Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Vader, verklaart en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade sluit. Hij neemt ons tot zijn kinderen en erfgenamen aan en zal ons daarom van al het goede voorzien en al het kwade van ons weren of voor ons doen meewerken ten goede”[9].
God sluit een genadeverbond met Zijn kinderen.
Wij hoeven dus niet eerst bewust te gaan geloven. Onze persoonlijke levensgeschiedenis begint niet met een weloverwogen bekering. Onze redding hangt niet af van onze verklaring met betrekking tot discipelschap.

7.
Gods genadeverbond is onvoorwaardelijk.
En het is bedoeld voor een heel volk.
Wie zich achtereenvolgens bewust is van
* de onbeduidendheid van zijn eigen krachten
* de uitnemende werkkracht van God
komt niet makkelijk onder invloed van de zuigkracht der evangelischen.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 4 januari 2008.
[2] Hebreeën 8:6.
[3] 1 Petrus 1:20 en 21.
[4] Romeinen 5:1.
[5] 1 Corinthiërs 3:16 en 17.
[6] Galaten 4:4-7.
[7] Efeziërs 3:8-12.
[8] Psalm 89:21.
[9] Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen; Gereformeerd Kerkboek (uitgave 1986), p. 513.

19 september 2016

God zorgt voor iedereen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Onze almachtige Vader zorgt voor de hele wereld[1].
Of de mensen nu in Hem geloven of niet, de Here regisseert het gekrioel van alle naties. Van minuut tot minuut. Op ieder moment van de dag. Dat is een belangrijke boodschap van de kerk.

Nee, het is niet zo dat de Here alleen maar voor de kerk zorgt.
Wij moeten Gods werk niet tot de kerk beperken.
Een gedachtepatroon als het bovenstaande komen wij ook wel in Gods Woord tegen.
Denkt u maar aan de profeet Jona.

Jona moet naar Nineve gaan. Dat is een grote stad in Assyrië. Uitgerekend daar, in dat machtige land, dat Israël zo vaak overheerst en wreed onderdrukt, moet Jona gaan preken. En het is bekend: de Ninevieten bekeren zich; de stad blijft overeind[2].
Jona wordt behoorlijk boos.
Erger nog: woedend wordt hij.
Is dit nou rechtvaardig?
Wordt al dat gepreek van hem op deze manier ten diepste niet volstrekt nutteloos gemaakt?
Hij roept het uit: ‘Zie je nou wel? Ik had al wel gedacht dat mijn prediking bij die wrede onderdrukkers geen verwoestingen tot gevolg zou hebben. En dat terwijl die tirannen uit Nineve het dik verdiend hebben om eens flink aangepakt te worden! Maar ja, eigenlijk weet ik wel dat God een barmhartig en vergevend God is…’[3].

Mét dat al laat de Here duidelijk zien dat zijn genade niet alleen de Israëlieten geldt. De Majesteit van hemel en aarde gaat veel verder dan een volkje.
Jesaja profeteert dan ook: “Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde”[4].
De Here heeft het oog op de hele wereld.
Hij werkt op iedere vierkante centimeter van hemel en aarde. Wij zien Zijn arbeid overal terug.

Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat Jezus later – in Mattheüs 5 – zegt: “Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen”[5].
De Here zorgt voortdurend voor de door Hem geschapen wereld. En Hij slaat bij die zorg geen mens en geen millimeter over.
Trouwens: de bozen staan in Mattheüs 5 voorop; dan pas komen de goeden. Is dat niet opmerkelijk?

Laten wij nooit denken dat wij de Verbondsgod naar onze hand kunnen zetten!

Nu het om deze dingen gaat, kijk ik een moment terug in de tijd.

In september 2007 wordt in het Olympisch Stadion in Amsterdam het honderdjarig jubileum van de Pinksterbeweging in Nederland gevierd.
Het Nederlands Dagblad publiceert een stuk waarin onder meer te lezen staat: “Voorzitter Peter Sleebos van het comité dat het eeuwfeest heeft georganiseerd, weet het zeker: het prachtige weer is aan God te danken. Regen was desastreus geweest voor samenzijn van de ongeveer 4500 pinkstergelovigen ’s morgens, maar ook voor het optreden ’s avonds van de Australische band Hillsong United waarbij het stadion met 25.000 bezoekers gevuld zal zijn”.
Het lijkt wel of men zeggen wil: kijk, nu weet u waarom het op die dag zulk mooi weer is. Dat heeft God speciaal zo geregeld voor de Pinksterbeweging.
De leider van die Australische band, Hillsong United, oreert: “Wij geloven dat er vandaag iets speciaals gaat gebeuren voor Amsterdam, voor Nederland”[6].
Het is, wat mij betreft reuze knap dat die bandleider dat zo zeker weet. Hij komt notabene van de andere kant van de wereld. En uitgerekend die Australische meneer weet dat er in Amsterdam, dat stipje op de wereldkaart, op een zonnige zaterdag in september iets bijzonders gaat plaatsgrijpen. Het is iets zijn dat landelijke uitstraling heeft. Als je zo kunt profeteren ben je een echte bolleboos.

De lezer vergeve mij mijn scherpe toon.
Ik wil slechts laten zien dat de Pinksterbeweging in feite allerlei zaken naar zich toe trekt. Het weer bijvoorbeeld. En religieuze opwekkingen, bijvoorbeeld.
Dat gebeurt, om zo te zeggen, op commando.
Even heel strak door de bocht: dat gebeurt omdat de Pinksterbeweging er vast in gelooft.

Ik blijf nog even in 2007.
Het is zaterdag 15 september.
Schrijver dezes bevindt zich op het water van het Overijsselse natuurgebied de Weerribben. Er wordt koffie gedronken in Kalenberg. En thee in Blokzijl.
In dat gebied vindt de familiedag plaats van de familie van mijn vrouw. Het is heel gezellig. En heel zonnig bovendien.
Van een religieuze opleving hoor ik echter niets.
Het water kabbelt rond de fluisterboot. Maar de theeschenkerij blijkt niet of nauwelijks toegankelijk voor mensen met een handicap. Ondergetekende wordt met rolstoel en al naar binnen getild. Daar vernemen ze in Amsterdam niets van, vrees ik.
Van spectaculaire genezingen is derhalve geen sprake.
Geen wonder.
De zorg van God strekt zich niet uit tot een handjevol mensen die het hemelse doen en laten naar zich toe willen trekken. Hij houdt heel de wereld in Zijn hand. Gods kinderen kunnen vooruit. Of zij nu ziek zijn of gezond. Want de hemelse Heer zet Zijn plan met de wereld door.
Daar past gezondheid in.
Maar daar passen ook handicaps in.
Er passen zonnige dagen in.
En daar past ook regen in.

In die dynamische wereld bekleedt de kerk wel een bijzondere positie.
Want de Here Jezus zei in het laatste vers van Mattheüs 5: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is”[7].
Dat betekent in ieder geval dit:
* zoals God volmaakt is, zullen Zijn kinderen volmaakt worden
en:
omdat God volmaakt is, mogen Zijn kinderen zich, ook vandaag op Zijn werk beroepen.
Dat betekent niet dat wij in de kerk zo nodig allerlei spectaculaire dingen moeten doen. In het eerste vers van Mattheüs 6 gaat Jezus niet voor niets als volgt verder:”Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is”[8].
Wij hoeven niet te laten zien dat we nette mensen zijn. Dat zijn we namelijk niet.
De kerk mag tonen hoe almachtig God de Vader is.

Op dat eeuwfeest van de Pinksterbeweging, in september 2007 gaat het er nogal luidruchtig aan toe.
En men lijkt nogal zeker van zichzelf.

Laat het maar helder wezen: zo doen we dat in de kerk niet. Nee, ook niet anno Domini 2016.
Daar weten we dat we permanente zorg van Vader krijgen. En daar hebben we genoeg aan.
Want de kerk heeft Zijn belofte in huis: “Maar laat, als gij aalmoezen geeft, uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden”[9].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 18 september 2007.
[2] Jona 3:7-10: “En men riep uit en zeide in Nineve op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan. Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet”.
[3] Jona 4:1, 2 en 3: “Maar dit mishaagde Jona ten zeerste en hij werd toornig. En hij bad tot de Here en zeide: Ach, Here, heb ik dat niet gezegd, toen ik nog in mijn land was? Daarom heb ik het willen voorkomen door naar Tarsis te vluchten, want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad. Nu dan, Here, neem toch mijn leven van mij, want het is mij beter te sterven dan te leven”.
[4] Jesaja 49:6.
[5] Mattheüs 5:43, 44 en 45.
[6] Zie voor meer informatie over Hillsong United https://nl.wikipedia.org/wiki/Hillsong_United ; geraadpleegd op woensdag 31 augustus 2016.
[7] Mattheüs 5:48.
[8] Mattheüs 6:1.
[9] Mattheüs 6:3 en 4.

18 mei 2016

Overdreven opgewonden?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Het is Pinksteren geweest. Wij lazen over de uitstorting van de Heilige Geest. Er werd over gepreekt en we dachten er over na.
Sinds die eerste Pinksterdag gaat het Evangelie de wereld door. Gods Geest werkt in de harten van gelovige mensen.
Wij belijden dat de Heilige Geest “in ons hart waar geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëigent en niets meer buiten Hem zoekt”. Zo staat dat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].

Het ware geloof wordt ontstoken.
Het vuur gaat aan, om het zo maar eens te zeggen. “Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?”, zeggen de Emmaüsgangers tegen elkaar[2].
Waar geloof wordt een grote brand. Een uitslaande brand.

Een uitslaande brand steek je, in het algemeen genomen, geen twee keer aan. Dat is nergens voor nodig. Dat slaat nergens op. Dat is klinkklare onzin en volstrekt overbodig.

Hierover schrijvende, wijs ik u graag op een artikel van professor K. Runia (1926-2006). Indertijd doceerde hij praktische theologie aan de synodaal-gereformeerde Theologische Universiteit (Oudestraat dus). Hij heeft vaak en fel gestreden tegen allerlei vrijzinnige tendensen in ‘zijn’ kerken[3].

In 1985 schrijft hij dat artikel in Centraal Weekblad.
Voornoemd blad “is opgericht in 1952 (…). Aanvankelijk nog vooral gericht op de lezers in de Gereformeerde Kerk [synodaal, BdR], vandaag de dag voelen gelovigen uit diverse hoeken zich aangetrokken tot ons blad. Een bekende naam is die van professor Klaas Runia, die bijna 25 jaar hoofdredacteur van de krant is geweest. Bij de vorming van de PKN ging het blad zich breder oriënteren en kreeg het zijn opiniefunctie. In 2009 kreeg het blad een nieuwe naam, Christelijk Weekblad. Dit veranderde in 2015 in CW, een tweewekelijks opinieblad dat wordt gelezen door meelevende gelovigen met diverse achtergrond”[4].

Het betreffende artikel wordt overgenomen in een ‘Persschouw’ van het Nederlands Dagblad.

Runia bestrijdt de opinie van mensen die van mening zijn dat gebeurtenissen die in de Handelingen der apostelen beschreven zijn, zich steeds herhaalt. U moet, zo betoogt Runia, vooral ook niet denken dat het zo noodzakelijk geachte reveil van het geestelijk leven een soort ‘nieuwe’ uitstorting van de Heilige Geest is, een soort herhaling van Pinksteren.
Runia pakt er meditaties bij van dr. Abraham Kuyper. Daarin schrijft Kuyper over opwekking.

Ik citeer:
“Kuyper benadert het heel anders: Ons geestelijk leven kent, net als het weer en als de natuur, zijn ‘seizoenen’. Bij de een is dat misschien sterker dan bij de ander, maar we kennen allemaal de perioden dat ons geestelijk leven eigenlijk maar armetierig en onderkoeld is. Het is dan goed om naar een opwekking te verlangen en daar om te bidden. Tegelijk voegt hij er enkele waarschuwende woorden aan toe.
1.
Een opwekking is altijd iets buitengewoons en duurt ook maar een betrekkelijk korte tijd.
2.
We moeten opwekking niet verwarren met opwinding. Wij zouden vandaag misschien zeggen: je moet het niet verwarren met emotionaliteit.
3.
Het is in ieder geval geen nieuwe uitstorting van de Geest, als op de Pinksterdag. ‘Dat kan niet, omdat de Heilige Geest nooit weg was en dus niet ten tweede male kan komen. Maar dan is het een weer naar buiten komen van de Heilige Geest, die schuilen ging. Dan is het als het weer bijkomen van iemand die van zichzelf viel… De geestelijke opwekking is dat die Geest die hem geen ogenblik verliet, maar die hij verliet en die daarom niet aan hem te merken viel, nu weer werken gaat en weer de levenskleur doet terugkeren op het gelaat van zijn ziel’.
Kuyper ziet de opwekking hier dus helemaal in een persoonlijk, individueel kader. Maar precies hetzelfde geldt van de opwekking van de gemeente. De Geest is niet weg uit de gemeente (tenzij alle leden ongelovig geworden zijn), maar Hij kan zich verbergen of wij kunnen ons voor Hem verbergen. Dan is een opwekking meer dan broodnodig. Maar het blijft niet meer dan een op-wekking’, een ‘re-veil’. Pinksteren zelf was en is een uniek gebeuren[5].

Het is vandaag precies vijfentwintig jaar geleden dat dat artikel van professor Runia in de krant verscheen.
Maar ook vandaag geldt dat de Heilige Geest niet onverhoeds uit de kerk vertrekken zal. Tenzij het ongeloof de overhand krijgt; Runia merkt dat terecht op.

De Pinksterdagen zijn voorbij.
Maar dat wil niet zeggen dat kerkmensen in de komende tijd in een permanente extase verkeren.
En dat is maar goed ook.
Evangelischen die wél overdreven opgewonden doen, kunnen – wat mij betreft – maar beter inpakken en wegwezen.

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 22.
[2] Lucas 24:32.
[3] Meer informatie over Klaas Runia is te vinden op https://nl.wikipedia.org/wiki/Klaas_Runia . Geraadpleegd op maandag 9 mei 2016.
[4] Citaat van http://www.christelijkweekblad.nl/OverCW.aspx . Geraadpleegd op maandag 9 mei 2016.
[5] “Opwekking”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 18 mei 1991, p. 2 (rubriek ‘Persschouw’). Ook te vinden via www.delpher.nl. Geraadpleegd op maandag 9 mei 2016. De cursivering is uit het Nederlands Dagblad overgenomen.

8 februari 2016

Merkwaardig liefdeslied

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er zijn van die liederen waar ik mij, als ze op radio of televisie voorbij komen, over verbaas. Er zijn zelfs momenten dat ik ze ronduit irritant vind.
Vandaag haal ik zo’n lied naar voren. Gewoon, omdat het kan. En ook omdat ik me afvraag of de lichte vorm van ergernis, die mijn deel is, ook elders wordt gevoeld.

Dat doe ik wel met enige schroom.
Want ik weet dat het een bij velen geliefd lied betreft.
Nee, het gaat er niet om het geloof van die enthousiastelingen in te deuken of af te kraken.
Maar we moeten wel weten wat we zingen, en waarom.
Daarom waag ik het er toch op.
Duidt het mij niet euvel.

Het gaat om het volgende evangelische Paaslied.

“Mijn Jezus, ik hou van U, want U hield van mij.
Toen U aan het kruis hing, een wond in uw zij.
Voor mij de genade, een doornenkroon voor U.
‘k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu.

Ik zal van U houden in leven en dood.
En ik wil U prijzen, zelfs dan in mijn nood.
Als ik kom te sterven, dan roep ik tot U:
‘k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu.

Als ik in uw glorie, uw eeuwigheid kom,
dan buig ik mij vóór U, in uw heiligdom.
Gekroond met uw heerlijkheid, zal ‘k zingen voor U:
‘k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu,
maar nooit zoveel als nu”[1].

Bij het horen van het refrein in de laatste twee regels van elk couplet, marcheert voor mijn geestesoog telkenmale een bataljon vraagtekens voorbij.
“’k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu”. Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat weet ik niet. Zo simpel ligt dat niet. Het is mij te makkelijk. Ik kan er weinig mee.

En waarom niet?
Omdat mijn Geestdrift voor Jezus niet precies meetbaar is.

Natuurlijk, van d’allervroegste jaren is duidelijk dat Christus mij tot Zijn kind heeft aangenomen. Destijds heb ik vol overtuiging belijdenis gedaan van mijn geloof. En jazeker, mijn geloof is nog immer levend.
Maar ik geloof niet dat dat aan mij ligt. Het geloof is een geschenk van de God van het verbond. Hij is Degene die Zijn leden tot Zich trekt. En dat is maar goed ook.
Want uit mijzelf zou ik geloofszaken vast niet altijd serieus aanpakken.
Uit mijzelf zouden Bijbellezingen en gebeden zomaar in het gedrang komen.

Vol vreugde belijd ik mee wat er in de Dordtse Leerregels staat: “En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”[2].
Laat daar geen misverstand over bestaan!
Maar ik kan daar geen meetlat bij houden.
Een thermometer helpt ook niet.

In de kerk heb ik altijd en overal veel werk mogen doen.
Dat ik nu als ouderling in een Gereformeerde kerk mag dienen, maakt mij zeer dankbaar. Ik vind dat buitengewoon genadig van God. Maar het werk in de kerk markeer ik niet met hoogte- en dieptepunten. De arbeid die verricht moet worden volbreng ik zo goed mogelijk.
Als je in dienst bent van de grote God, dan werkt dat zo. Dat spreekt voor zichzelf. Maar het is niet zo dat ik dat werk morgen met meer liefde doe dan gisteren. Echt niet.

Dat evangelische Paaslied komt op radio en televisie regelmatig voorbij.
Het wordt, met name tijdens uitzendingen van de Evangelische Omroep, nogal eens ten gehore gebracht.
We horen ‘m vandaag. En morgen misschien ook. En wellicht ook op woensdag.
Maar menen die zangers op die bewuste woensdag werkelijk dat ze op maandag en dinsdag minder van de Here houden dan verderop in de week? Sterker nog: weten ze nu al dat hun liefde voor Jezus op zaterdag een absoluut hoogtepunt bereikt? En wat komt er daarna eigenlijk? Even heel kort door de bocht: je kunt toch niet aan de gang blijven?

“Mijn Jezus, ik hou van u”.
Dat is de inzet van dat lied.
Die woorden brengen mij bij Galaten 2. Ik bedoel deze woorden: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven”[3].
Dat is Paulus’ persoonlijke belijdenis. En daar sluit ik mij van harte bij aan. Die eerste regel – ‘Mijn Jezus, ik hou van u’ – is, op zichzelf genomen, niet verkeerd.
Maar vervolgens moeten we niet vergeten dat de apostel even verderop veel meer christenen in Galatië aanspreekt: “O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is? Dit alleen zou ik van u willen weten: Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? Zijt gij zó onverstandig? Gij zijt begonnen met de Geest, eindigt gij nu met het vlees? Was het dan tevergeefs, dat gij zoveel hebt ondervonden? Ware het slechts tevergeefs! Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, doet Hij dit ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?”[4].
Daarom is het niet alleen maar mijn Jezus, maar vooral ook onze Jezus: Hij werkt niet alleen in mijn hart maar ook in de kerk. Van dat heerlijke meervoud merk ik in dit lied niets. Maar dat meervoud mogen we niet over het hoofd zien!

En dan zijn er nog die regels
“Als ik kom te sterven, dan roep ik tot U:
‘k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu”.
Maar hoe staat de zaak er eigenlijk voor als ons sterfbed niet zo juichend is? Hoe gaat het verder als u oud geworden bent, en het leven helemaal niet vrolijk meer is?
Dan komen we, als u het mij vraagt, in de sfeer van Psalm 71:
“Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms,
begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat.
Want mijn vijanden spreken over mij,
wie mijn leven belagen, beraadslagen tezamen
en zeggen: God heeft hem verlaten,
vervolgt en grijpt hem, want er is niemand die redt”[5].
Misschien is het niet meer dan een zucht: ‘verwerp mij niet’. Maar dat is dan een voluit christelijke verzuchting!

Nogmaals – het is geenszins de bedoeling om enthousiaste evangelischen te kwetsen.
Maar het is, dunkt mij, in verband met bovenstaand lied geen luxe om de vraag te stellen: waar zijn we nou helemaal mee bezig?

Noten:
[1] Voor zover ik weet is dit lied in de Evangelische Liedbundel opgenomen met het nummer 371. In de bundel Opwekking vinden we ’t terug als nummer 392.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.
[3] Galaten 2:20.
[4] Galaten 3:1-5.
[5] Psalm 71:9-11 (onberijmd).

23 november 2015

Woordverkondiging

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Het begrip dat u in de titel van dit artikel aantreft kan Anno Domini 2015 van alles betekenen[1].
Vroeger was de preek het centrale punt in een kerkdienst. Gods blijde Boodschap: daar ging het om. En dat was ook voldoende. Veel meer hadden de kerkgangers niet nodig. Daar moest alles voor wijken.
Vroeger was Woordverkondiging een eerbiedige term voor de preek.
Maar zo simpel ligt dat lang niet overal meer.
Vandaag de dag eisen heel wat mensen inbreng in de kerk. En terwijl allerlei kerkelijke dames en heren daarover druk aan het praten zijn, wordt Gods Woord soms aan de kant geschoven.
En dat gebeurt heus niet alleen in kerkdiensten die uitgaan van zich Gereformeerd noemende kerken.

Het is al jaren geleden dat in een krant stond dat bij evangelischen de Woordverkondiging op z’n retour is. Een voorganger der baptisten waarschuwde daar toen ernstig voor. En hij zei erbij: “Het zou goed zijn om meer tijd vrij te maken voor het dienen van God en minder voor het bezig zijn met leiderschap en gemeenteopbouw”. En: “Veel mensen kunnen zich niet twintig minuten concentreren en willen leuke anekdotes en mooie verhalen”[2].

Wat is Woordverkondiging eigenlijk?
Dat is het uitdragen van Gods Woord.
Daarover wil ik vandaag eens uitweiden.

De verkondiging van Gods Woord is – vanuit ons perspectief gezien – meer dan prediken of proclameren. Echte Gereformeerden bedoelen dan ook het vergelijken van allerlei Schriftpassages.
Want wij zijn beducht voor een te beperkt beeld van wat God zegt. Wij zijn bevreesd voor een verkokerd Bijbelbeeld. Zulk een Bijbelbeeld willen wij niet hebben of krijgen. Wij willen zo goed mogelijk zien wat de Verbondsgod in 2015 van Zijn kinderen vraagt. Wij doen er dus alles aan om niets van Zijn Woord te missen. Steeds vragen wij ons af: zit er nog meer in? Of: zie ik iets over het hoofd?

Als ik het goed weet is dat vergelijken altijd een kenmerk van Gereformeerde Woordverkondiging geweest. Schrift met Schrift vergelijken, heette dat vroeger. En dat betekende volgens mij: we kijken niet alleen naar die ene tekst; we betrekken er zo mogelijk andere teksten bij.
En daarbij is zeker ook het verband waarin de Bijbeltekst staat van belang.

Tegenwoordig duidt die term Woordverkondiging niet alleen meer op de preek.
Er wordt wel gesproken over zingende Woordverkondiging. En inderdaad, men kan zingend het Evangelie verkondigen. Maar van Schrift met vergelijken is dan meestal geen sprake meer.
Ooit kwam ik de term ‘creatieve Woordverkondiging’ tegen. En inderdaad, men kan in schilderijen en andere creaties het Woord verbreiden. Maar alweer komt er van dat vergelijkingswerk weinig terecht.
Een protestantse predikant besteedde eens een studieverlof aan het fenomeen ‘rituelen’. Daarover schreef hij een verslag. En daarin stond onder meer dit: “Uit het bestudeerde materiaal heb ik geconcludeerd dat rituelen niet zonder woordverkondiging kunnen, en tegelijk dat rituelen zelf ook iets verkondigen en zo de woordverkondiging versterken en zelfs aanvullen”. In het voorgaande staat in ieder geval dit: de Woordverkondiging zelf is niet meer genoeg. Er moeten rituelen bij komen. Anders raken de kerkgangers geestelijk ondervoed.

Laten wij nu onze eigen positie nog wat preciezer markeren.
Daarbij moeten we goed kijken wat er gebeurt.
Het is de Here Zelf die in de omgang met zijn volk het gesproken Woord voorop zet. Daarover hieronder iets meer.

Natuurlijk lezen we van alles over offers. Met een beetje goede wil kunnen we soms zelfs over rituelen spreken.
Als Mozes in Deuteronomium 4 het volk Israël stimuleert om Gods wet te onderhouden herinnert hij ook aan de Goddelijke manier van presenteren van die wet. En daar staat dan bij: “Toen sprak de Here tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem”[3].
Er was in Deuteronomium 4 dus vuur en Woord. Maar er was zeker geen afbeelding van God.

Wij moeten niet bij die tekst blijven staan. Er zijn heel wat Schriftplaatsen waar duidelijk wordt dat de levende Here echt spreekt. Laat ik wat teksten op een rij zetten.
* Genesis 1 – bij de schepping – : “En God zeide …”. Dat is daar welhaast een refrein[4].
* Genesis 12: “De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap…”[5].
* Johannes 1: Jezus Christus wordt daar heel nadrukkelijk het Woord genoemd[6].
* In Openbaring 2 worden mensen aangesproken die “de leer der Nicolaïeten” aanhangen. “Bekeer u dan, maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond”[7].
* Openbaring 19 meldt ons: “En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan”. Dat vers staat in een perikoop waar in de N.B.G.-vertaling uit 1951 boven staat: ‘Het Woord Gods’[8].

Uit het bovenstaande blijkt wel: onze God is de levende God. Hij is het levende Woord. Hij was en is actief. Hij geeft nog altijd orders. Want Zijn werkplan wordt uitgevoerd. Laat ik het eens zo mogen zeggen: onder ons, rondom ons, in ons en boven ons wordt druk gewerkt!

Laat ik het even voor u samenvatten.
Woordverkondiging proclameert:
* dat God spreekt
* op welke plek Hij spreekt
* welke woorden Hij spreekt
* met welk doel Hij spreekt.

Woordverkondiging betekent vandaag de dag van alles en nog wat. Met die vaststelling begon ik dit artikel.
Echter: lang niet alles wat Woordverkondiging wordt genoemd is het ook werkelijk.
Echte Woordverkondiging heeft altijd de levende en actieve God in het vizier. En Hij is ook de Enige waar in die verkondiging op gelet moet worden.
Echte Woordverkondiging laat lijnen zien die in Gods Woord werden getekend. Prekend en proclamerend wordt aangetoond dat een Bijbeltekst geen punt in de tijd is. Het is heilshistorie. En die heilsgeschiedenis is heel doelmatig. Al dat preken, al dat verkondigen dient, op de keper beschouwd, slechts één hemels doel: God alles in allen!

Met een zekere regelmaat bekruipt mij de vrees dat we te nonchalant en te onheilig met die wetenschap omgaan.
Ja, ook op sommige plekken in de Gereformeerde gezindte.

Woordverkondiging was er in de tijd van Israël ook al. Als u het mij vraagt is het niet toevallig dat de beeldendienst toen al zeer streng verboden was!
In dit verband citeer ik graag een reeds overleden hoogleraar homiletiek. Hij schreef ooit: “Wij komen de aard van de prediking niet op het spoor wanneer wij blijven binnen de grenzen van de geschiedenis van de informatie-overdracht”[9].
Nee, als we slechts praten over communicatietechnologie, dan lopen we vast.
We hebben te maken met de levende God.
En het is die Verbondsgod die ons onderwijst.
Met het oog op de toekomst!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 21 november 2006.
[2] “Woordverkondiging op haar retour”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 20 november 2006, p. 2.Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Deuteronomium 4:12.
[4] Genesis 1:3, 6 enzovoort.
[5] Genesis 12:1.
[6] Johannes 1:1, 2 en 3: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen”.
[7] Openbaring 2:16.
[8] Openbaring 19:15.
[9] Zie: Dr. C. Trimp, “Klank en weerklank; door prediking tot geloofservaring”. – Barneveld: De Vuurbaak, 1989. – p. 35.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.