gereformeerd leven in nederland

23 mei 2017

Gebed voor de natie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In de kerk spreken we over het Heilig Avondmaal. En ook over de Heilige Doop.
Minder bekend is wellicht dat we ook spreken van het heilig huwelijk.
Zo gebeurt dat in Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus: het zevende gebod leert ons “dat alle onkuisheid door God vervloekt is. Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].

Heilig, dat betekent: afgezonderd voor God. Het huwelijk is de samenlevingsvorm waarin God wordt gediend. Zo wil Hij dat, en zo moet dat.

Nu weten wij wel dat het door God gewilde huwelijk in de wereld om ons heen steeds minder gewoon wordt.
Mensen gaan scheiden.
Homoseksuelen trouwen met elkaar, of gaan een ander soort relatie aan.
Er zijn LAT-relaties.
Mensen gaan samenwonen.
We zien het allemaal om ons heen gebeuren.
Ontrouw golft door de maatschappij. Die overspoelt ons bijkans.
Wat kan de kerk doen?
Is er voor gelovigen meer te doen, dan machteloos toekijken en het hoofd schudden?

Nu het hierom gaat wijs ik graag op Ezra 9.

In dat Schriftgedeelte is Ezra net in Jeruzalem aangekomen. Daar hoort hij over gemengde huwelijken. Burgers van het door God uitverkoren land, hebben huwelijken gesloten met mensen uit omringende volken. Laten we letten op de formulering in dit hoofdstuk: “het heilige zaad [heeft zich] vermengd met de volken van de landen rondom, en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk”[2]. Dat is het springende punt: Gods volk is niet heilig gebleven. De natie vond het aan God gewijd zijn onvoldoende. De kinderen van God moesten zo nodig hun eigen leven invullen om het nog wat beter naar de zin te hebben!
Zich dit alles gerealiseerd hebbende gaat Ezra een dag lang in de rouw. Zware rouw is het. Die dag is het voor iedereen zichtbaar: Ezra heeft diep verdriet. Hij is hard geraakt. Al datgene wat hij gehoord heeft, treft hem diep. Hij is er kapot van.
Tot aan het avondoffer. Dat is het moment “van het offer der gemeente, wanneer het tempelplein zich met mensen vult”[3]. Dat is ook het ogenblik waarop Ezra in gebed gaat. Voor het oog van vele gelovigen laat Ezra zien wat er nu nodig is: verootmoediging voor God.
Ezra schaamt zich. Hij durft amper bij de Here aan te kloppen. Want de schuld is werkelijk torenhoog.
Ezra beseft dat al de rampen van de afgelopen tijd – het feit dat het land van God leeggeroofd werd, de oorlogen, de gevangenschap, de ballingschap – te wijten zijn aan het gedrag van Gods kinderen. Generaties lang hebben ze zich weinig aan God gelegen laten liggen.
Wat kun je dan nog zeggen?
Je kunt Gods geboden nog eens voor jezelf op een rij zetten.
Je kunt verbaasd constateren dat de God van het verbond Zijn volk niet heeft overgegeven aan de vijand. Je kunt vaststellen dat Hij zelfs nog gelegenheid geeft om naar de Here terug te keren. En dat doet Ezra dan ook.
Huilend bidt Ezra tenslotte: “HEERE, God van Israël, U bent ​rechtvaardig, want er is ons gelegenheid tot ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven”[4].

Ezra gaat in gebed.
Hij treurt om de schuld. Hij doet belijdenis van ’s lands zonden.
Maar heeft hijzelf dan ook schuld? Hij brengt het volk terug naar Gods wet? Hij strijdt, om het modern te zeggen, toch tegen assimilatie en syncretisme[5]?
Met deze vragen raken wij, wat mij betreft, een opmerkelijk punt in dit Schriftgedeelte.
Het is, dunkt mij, voor de kinderen van God in het Nederland van 2017 een leermoment. Wij kunnen zeggen: wij hebben part noch deel aan ’s lands zonden. Maar dat is niet waar. In de kerk zitten ook gescheiden mensen. En mensen met verkeerde begeerten. Sterker nog: op de keper beschouwd zijn wij net zo zondig als onze volksgenoten. Het is Gods genade dat wij niet zover van Hem verwijderd raakten als sommige anderen.
Bidden voor land en volk: dat is heel goed. Soms lijkt dat misschien wat overdreven, omdat het merendeel van de mensen om ons heen in zekere zin ver van ons af staat.
Maar Ezra toont het ons: het gebed voor de natie is zeer op z’n plaats, ook als in ons vaderland Gods wetten – ook omtrent het huwelijk – maar al te vaak met voeten getreden worden.

Het valt overigens ook op Ezra hier in gebed gaat, terwijl het hele volk dat ziet.
Hij spreekt, om zo te zeggen, een gebed uit in de kerk, en te midden van de kerkmensen. Iedereen mag het zien. Iedere tempelbezoeker mag het horen. Schuldbelijdenis is in Ezra 9 niet iets voor de binnenkamer.
Het gebed voor de natie hoort dus in de eredienst thuis. Natuurlijk, is het een goede zaak als thuis voor de overheden gebeden wordt. Maar laten we de regeerders in de kerk ook niet vergeten!

Wat valt er voor de kerk te doen in een sterk seculariserende maatschappij?
Is er voor gelovigen een andere taak als wanhopig toezien en op de tanden bijten?
Laten we maar naar de troon van de Verbondsgod gaan.
Laten wij maar ronduit zeggen dat wij zien dat de huwelijksmoraal bij grote delen van het volk verdwenen is.
Het is al meer dan dertig jaar geleden dat iemand schreef: “‘Vreemd gaan’ is niet langer afkeurenswaardig, maar ervaringsverrijkend. Het ‘beloof je haar nimmermeer te verlaten’ lijkt vervangen door zoiets als ‘beloof je me vrij te laten’”[6]. Na die tijd is de huwelijksmoraal er echt niet beter op geworden.
Ontdekken en uitproberen, dat is tegenwoordig niet zelden het parool.
En wie heeft er, bijvoorbeeld, nooit gehoord van psychische schade bij kinderen van gescheiden ouders?
Laten wij, kortom, maar om genade smeken. Voor kerk, land en volk!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Ezra 9:2.
[3] “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v. – deel 3, p. 326: kanttekening 10 bij Ezra 9:5.
[4] Ezra 9:15.
[5] Assimilatie is een zodanige aanpassing van individuen of groepen aan een dominante cultuur dat de oorspronkelijke culturele identiteit op de achtergrond raakt; zie http://www.cultureelwoordenboek.nl/index.php?lem=461 , geraadpleegd op woensdag 3 mei 2017. Syncretisme is de versmelting van wijsgerige en religieuze opvattingen en meningen van verschillende herkomst, zonder dat de tegenstrijdigheden worden opgeheven en een synthese wordt bereikt, zie http://www.encyclo.nl/lokaal/10442  , geraadpleegd op woensdag 3 mei 2017.
[6] W.M. van der Wilt, “Huwelijk en huwelijksmoraal”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 31 oktober 1986, p. 15 (RD-Plus).  Ook te vinden via www.digibron.nl .

20 januari 2016

Uitdaging nodig?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Wordt leven naar Gods wetten makkelijker als wij worden uitgedaagd? Dat zouden we zomaar kunnen denken.

Arie Boomsma, een bekende televisiepresentator, zegt in het Nederlands Dagblad van woensdag 6 januari althans: “Het is moeilijk gericht te blijven op het enige voorbeeld dat we hebben, Jezus Christus, als de discussies om je heen elke dag weer gaan over de verwachtingen van derden, de regels en Bijbelse interpretaties van een zeer diverse achterban. Ik ben ervan overtuigd dat geloof moet leven, geprikkeld moet worden en uitgedaagd.
Dat gebeurt minder wanneer je door geloofsgenoten omgeven bent. Je moet de wereld in, getuigen van de liefde die de kern vormt van ons geloof. Als mediabedrijf heb je daarmee een geweldige opdracht te pakken. Maar je wordt als gezicht van zo’n mediabedrijf ook vanzelfsprekend benaderd over je geloof. Nu is dat niet meer het geval. Ik ben daardoor weer veel harder op zoek naar de kern; bidden om wijsheid en rust, om de juiste invulling van mijn werk voelt nu weer veel urgenter dan toen”[1].
Vroeger werkte Boomsma voor de Evangelische Omroep, daarna bij de KRO-NCRV en nu bij Net5.
Boomsma zegt dus: als je in een onchristelijke omgeving werkt, word je meer uitgedaagd om te zoeken naar de kern van jouw geloof.

Ach, ik begrijp Boomsma wel een beetje.
Zijn redenering lijkt als volgt opgebouwd te zijn:
* in de wereld om ons heen zien wij immers vooral hoe het niet moet.
* als een gelovig mens daar naar kijkt, begrijpt hij al snel hoe waardevol Gods wetten en regels zijn.
* en dan gaat hij daar als vanzelf naar leven.

Toch bevredigen de uitlatingen van Boomsma mij niet.

Zoals Boomsma de zaak voorstelt, is het zo dat geloven makkelijker is als je druk bezig bent in een seculiere samenleving.
Wie in de kerk werkt, heeft het moeilijker. De versnippering in het Nederlandse kerkelijke leven maakt het ingewikkeld. De verhitte discussies werken afstotend. Kort door de bocht gezegd: je wordt er een beetje ziek van, lijkt Boomsma te menen.
Nee, ga dan maar in de wereld staan. Dat is veel eenvoudiger. Suggereert Boomsma.

Dat laatste geloof ik niet.
In de wereld zijn massa’s verschillen. En die verschillen worden soms op harde wijze uitgevochten. In harde discussies op radio en televisie. Tijdens protestbijeenkomsten. Tijdens schietpartijen. Enzovoort.
Wordt geloven makkelijker als wij in de wereld staan? Nee, dat geloof ik niet.
In de wereld kunnen we voor onze ogen zien hoe het afloopt als we ons nauwelijks iets van Gods leefregels aantrekken. In de wereld merken we hoe snel het niveau daalt als mensen hun eigen normen gaan toepassen. In de wereld zien we waar wij terecht komen als wij Gods verbond totaal negeren.

Geloven is moeilijk omdat de zonde ons parten speelt.
Steeds weer wijken wij van Gods wegen af. Wij lopen liever onze eigen route. Onze eigenzinnigheid viert dagelijks hoogtij.
Daarom vinden we geloven vaak zo ingewikkeld.

Het kriebelt bij mij ook omdat geloven een uitdaging genoemd wordt.
Mensen worden uitgenodigd om te geloven. Er zijn reclamecampagnes die mensen er toe moeten verleiden om naar de kerk te gaan.
Is dat naar Gods bedoeling?

In dit verband wil ik vandaag memoreren wat er in Ezra 10 staat.
“Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen. Als iemand niet binnen drie dagen kwam, zou volgens besluit van de oversten en de oudsten al zijn have met de ban worden geslagen, en zou hij uit de gemeente der ballingen worden afgesneden. En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien. Toen stond de priester Ezra op en zeide tot hen: Gij hebt trouwbreuk gepleegd, omdat gij vreemde vrouwen hebt gehuwd; daardoor hebt gij Israëls schuld nog vermeerderd. Maar geeft nu eer aan de Here, de God uwer vaderen, doet wat Hem welgevallig is en scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen. Daarop gaf de gehele gemeente met luider stem ten antwoord: Aldus, naar uw woord, is het aan ons om te doen. Maar het volk is talrijk en het is regentijd, zodat het niet mogelijk is buiten te blijven staan; ook is dit geen werk voor één of twee dagen, want wij hebben in dit opzicht veel overtreden. Laten toch onze oversten optreden voor de gehele gemeente; dan kunnen allen in onze steden, die vreemde vrouwen hebben gehuwd, op vastgestelde tijden verschijnen, en met hen de oudsten en de rechters van elke stad, totdat wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons hebben afgewend”[2].

Worden de Israëlieten hier uitgedaagd?
Het valt te vrezen dat dat niet het geval is. De toon van Ezra is, integendeel, dreigend: ‘En nu… komen jullie… en een beetje snel graag! Regenbuien of niet, vooruit!’.
Ezra roept zijn volksgenoten bijeen. Hij zegt niet: ‘Ach, in die wereld zit u wel goed. Doe uw best daar maar’. Nee, Ezra roept hen bijeen. Uit de wereld naar de kerk, zogezegd.

Ezra zegt: u bent ontrouw!
En de manier waarop u nu aan uw relaties bouwt, maakt het alleen nog maar erger.
Het wordt tijd voor een afscheiding. Het volk moet zich weer apart laten zetten. Mannen, vrouwen en kinderen moeten zich heiligen.

Het volk is het vrijwel unaniem met Ezra eens.
Men neemt allerlei maatregelen om Gods toorn – Zijn brandende toorn! – af te wenden.

Dat is Ezra 10.
Het is een Schriftgedeelte waarin ons de ernst van het leven met God op het hart wordt gebonden.
Als ik dan de woorden van Arie Boomsma lees, dan denk ik: is geloven in de seculiere samenleving een grotere uitdaging dan geloven in de christelijke wereld? Ik geloof het nog steeds niet.

Jazeker, het Evangelie moet op allerlei manieren aan de man en vrouw worden gebracht. Op zondag. En vervolgens ook doordeweeks.
Dat is zo hard nodig, omdat wij uit onszelf zeggen dat de prikkels van de wereld prettiger aanvoelen dan de zondagse prediking.
Dat is noodzakelijk omdat wij, als we onze persoonlijke voorkeuren volgen, meer kapot maken dan ons lief is. De vele gescheurde huwelijken en samengestelde gezinnen leggen er getuigenis van af.

De mensen uit Ezra 10 gingen uiteindelijk weer terug naar huis en haard.
Dat deden zij, zo mogen we wel aannemen, niet in de overtuiging dat geloven in de wereld een stukje makkelijker is dan in de kerk. Die mensen in de tijd van Ezra waren ervan overtuigd dat ze zich moesten reformeren.

Wat mij betreft is de boodschap van Arie Boomsma minder stevig dan die lijkt.

Noten:
[1] Eline de Boo, “De urgentie van Arie Boomsma” – vraaggesprek met Arie Boomsma. In: Nederlands Dagblad, woensdag 6 januari 2016, p. 13.
[2] Ezra 10:7-14.

11 februari 2015

Wandel met God!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Zacharia 7 handelt over ware godsdienst[1]. De Here vraagt:
* mensen, waar doet u het allemaal voor?
* vasten – is dat een activiteit om uw eigen godsdienstige niveau omhoog te halen, of doet u het voor mij?
* eten en drinken – doet u dat vanwege uw eigen genot, of doet u het voor mij?

De vragen van de Here komen niet uit de lucht vallen.
Want ook het volk zit vol met vragen.

Over dit hoofdstuk schreef ik al eens:
Er moet “serieus gepraat worden met de priesters en de aldaar aanwezige profeten. Een centrale vraag in de gesprekken is: moeten wij doorgaan met vasten? Dat vasten hebben ze nu al zo’n zeventig jaar gedaan. En ach, wat haalt het allemaal uit?
Er waren vier vastendagen ingesteld. Onder meer vanwege
* het feit dat Nebukadnezar kwam om Jeruzalem te belegeren
* de val van Jeruzalem
* het feit dat de tempel door brand werd verwoest”.
Verder schreef ik:
“Dat vasten doet men voor zichzélf. Men zwelgt in eigen treurnis. Het is, zo zegt men, allemaal zo vreselijk. De ellende is bijna niet meer te dragen. Men is diep bedroefd over het ernstige verval van godsdienst en cultuur.
Welnu, zegt de Here, u moet terug naar het punt waarop het fout ging. Indertijd heb Ik gezegd:
* zorg voor goede rechtspraak
* wees barmhartig voor elkaar
* zorg in de omgang met elkaar voor christelijke liefde.
Maar alle mensen deden alsof ze niets hoorden.
Toen zei de Here: als u niet naar Mij luistert, luister Ik ook niet meer naar u.
Hij zei ook: Ik zal u wegdrijven van uw grondgebied. Het land wordt verwoest. Fatsoenlijk wonen, dat is er niet meer bij. Het land wordt één grote rimboe”[2].
Conclusie: ten diepste hebben zonde en ongehoorzaamheid van Gods volk er toe geleid dat het in Jeruzalem, en in het omringende gebied, een deprimerende puinhoop is!

Het lijkt mij van enig belang om dat tot ons door te laten dringen.
Het aantal gelovigen neemt in Nederland af. Gods wet wordt niet meer geëerbiedigd. De kerk heeft weinig invloed meer.
De mensen vragen: hoe komt het toch dat Nederlanders, ondanks hun gezondheid en welvaart, toch vaak gestrest en ongelukkig zijn? Hoe is het mogelijk dat mensen oneerlijk en corrupt zijn? Waar ligt de oorzaak van allerlei soorten criminaliteit? Waarom lijken moord en doodslag steeds vaker in het nieuws te komen?
Wel, de diepste oorzaak ligt in de Woordverlating. Als mensen volgens Gods wetten en regels gaan leven, gaat de levensstandaard van de maatschappij omhoog.
Laten we er maar niet omheen draaien:
* de kerk moet tonen dat het leven mooier wordt als Gods wetten geëerbiedigd worden
* de kerk moet laten zien dat de samenleving harmonieuzer wordt als de Tien Geboden regels van dankbaarheid zijn
* de kerk mag demonstreren dat het leven blijer wordt als de wet van God de maatschappij overkoepelt.
Nu kan men tegenwerpen dat van die vrede en die harmonie in de kerk nog zo weinig te zien is. En ja, ontegenzeglijk is dat waar. De zonde speelt ook gelovige mensen op vele manieren parten. Maar als kerkmensen weten wat de God van hemel en aarde van hen vraagt, is er al veel gewonnen. Dan worden zondige kinderen van God in het gareel gehouden!

Kerkmensen zijn zondig.
Zij doen dingen fout. Zij schieten te kort.
Zij maken onderling ruzie. Soms is er zelfs onmin over tamelijk onnozele dingen.
Is dat verhaal hierboven dan nog wel geldig?
Is dat verhaal van hierboven eigenlijk niet veel meer dan een vrome wens?
Wat valt er, in die soms bijna hopeloze situatie, nog te doen?

Graag keer ik nu weer terug naar Zacharia 7.
Daar gaat het over het vasten.
In Gods Woord wordt het vasten vaak genoemd in combinatie met het gebed[3].
De kerk moet blijkbaar werk maken van het gebed. Het is belangrijk dat het bidden in het kerkelijk leven een grote plaats inneemt.

In 2 Samuël 12 zien we hoe David het vasten combineert met bidden. In dat hoofdstuk wordt David via de profeet Nathan door de Here wordt bestraft omdat hij overspel heeft gepleegd met Bathséba, de vrouw van Uria. Het kind dat David bij Bathséba krijgt sterft. In die dramatische geschiedenis lezen we: “Daarop ging Nathan naar zijn huis. En de Here sloeg het kind, dat de vrouw van Uria aan David gebaard had, met een ziekte. Toen zocht David God ter wille van de jongen, hij vastte en telkens, als hij naar binnen gegaan was, bracht hij de nacht door, liggend op de grond. En de oudsten van zijn huis kwamen bij hem om hem van de grond te doen opstaan, maar hij wilde niet; ook at hij niet met hen”[4].
In Ezra 8 lezen we hoe Ezra, en met hem een hele groep remigranten uit Babel, met vasten en bidden Gods zegen vraagt over de te maken reis. Ik citeer: “Toen riep ik daar, bij de rivier Ahava, een vasten uit om ons te verootmoedigen voor onze God, en van Hem een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en al onze have. Want ik had mij geschaamd van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te beschermen tegen vijanden onderweg; wij hadden namelijk tot de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar zijn macht en zijn toorn zijn tegen allen die Hem verlaten. Dus vastten wij en smeekten onze God hierover, en Hij liet Zich door ons verbidden”[5].
In Psalm 35 dicht David:
“Maar mij aangaande – toen zij (dat zijn de mensen die nu tegenover de psalmist staan) ziek waren,
was een rouwgewaad mijn kleed,
ik verootmoedigde mij met vasten,
en mijn gebed keerde in mijn boezem weder”[6].
Vasten en bidden – die maken een mens klaarblijkelijk ootmoedig en eerlijk!
Over Anna, de profetes in Lucas 2, lezen we: “Ook was daar Anna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag”[7].
In Handelingen 14 worden, met vasten en bidden, ambtsdragers aan de Here opgedragen: “En toen zij aan die stad het evangelie verkondigd en er verscheidene discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië, om de zielen der discipelen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan. En nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op, in wie zij geloofd hadden”[8].

Vrede en harmonie in de kerk: wie wil dat eigenlijk niet?
In Zacharia 7 leren wij hoe we dat kunnen bevorderen.
Wij behoren in contact met God te staan. Wie met Hem door de wereld wandelt, mag van Zijn zegen zeker zijn.

Leven met God: dat kan overal.
Leven volgens Zijn wetten en regels: dat moet altijd.
Wandelen met God: dat is leven waarbij het, ondanks tegenspoed of verdriet, goed gaat; want dan zal de kracht van God in ons aller leven blijken!

Noten:
[1] Volgende week woensdag, 18 februari 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal Zacharia 7:1-8:23 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Zie mijn artikel ‘Het optimisme van de kerk’, hier gepubliceerd op vrijdag 15 februari 2013. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2013/02/15/het-optimisme-van-de-kerk/ .
[3] In het nu volgende deel van dit artikel gebruik ik onder meer http://home.kpn.nl/~turen029/Zacharia,%20Jahweh%20gedenkt.pdf , met name p. 44.
[4] 2 Samuël 12:15, 16 en 17.
[5] Ezra 8:21, 22 en 23.
[6] Psalm 35:13.
[7] Lucas 2:36 en 37.
[8] Handelingen 14:21, 22 en 23.

18 september 2014

Een leerzaam gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Niet lang geleden zette ik Ezra 9 op mijn computerscherm.
Boven dat hoofdstuk staat in onze Bijbels: “Ezra’s maatregelen tegen gemengde huwelijken”.
Die maatregelen komen er uiteindelijk ook. Alle vreemde vrouwen worden met hun kinderen weggestuurd[1].
Maar hoofdstuk 9 wordt vrijwel helemaal gevuld met schuldbelijdenis. Vijftien verzen lang wordt tegenover de Here uiteengezet hoe deplorabel de toestand is. Ootmoed, deemoed, schaamte, schuld: daar worden heel veel woorden aan gewijd.
Ezra put zich uit om woorden te geven aan het verval in Israël. Het wordt duidelijk hoe diep Gods natie gevallen is.

Ik geef een paar citaten:
“Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft: van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan”[2].
“Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging, en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de HERE, mijn God, en zeide: Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel”[3].
“Zouden wij dan – na alles wat ons overkomen is vanwege onze boze daden en onze grote schuld, terwijl Gij, onze God, ons minder hebt toegerekend dan onze ongerechtigheden verdienden, en ons nog zovelen geschonken hebt die ontkomen zijn – wederom uw geboden schenden en ons verzwageren met deze gruwelijke volken? Zoudt Gij dan niet tegen ons toornen tot verdelgens toe, zodat er geen overblijfsel of ontkomene meer zou zijn? O HERE, God van Israël, Gij zijt rechtvaardig, daarin, dat wij als een schare ontkomenen zijn overgebleven, gelijk heden het geval is. Zie, wij staan voor uw aangezicht in onze schuld. Waarlijk, niemand kan deswege voor uw aangezicht standhouden”[4].

Wie Ezra 9 leest, heeft wellicht de neiging om te zeggen dat dat gebed ook wel wat korter kan.
Maar het zou, denk ik, onjuist zijn om zo te spreken.

Wij mogen niet uit het oog verliezen dat in het begin van het Bijbelboek Ezra de eerste terugkeer van de ballingen wordt beschreven. Er wordt een nieuwe start gemaakt. De tempel wordt gebouwd.
En daarna komt Ezra met nog méér ballingen terug.
Gods volk heeft dus juist de straf van de ballingschap ondergaan.
En juist dan komt de zonde van de gemengde huwelijken naar buiten.

De inhoud van het gebed van Ezra staat in extenso in Gods Woord. Er staat niet iets als: ‘Ezra bad tot de Here om Hem tot vergeving te vragen’. Nee, Ezra’s gebed staat woordelijk in de Bijbel.
Het is dus nodig dat wij dat gebed kennen.
Het is nodig dat wij, om zo te zeggen, Ezra’s gebedsmethodiek kennen.
Het is van belang dat wij beseffen dat het gebed niet het karakter heeft van een zakelijke verontschuldiging. Zo van: excuus!; ik zal mijn werk over doen. Zo zit een Verbondsrelatie niet in elkaar.

Gereformeerde mensen uit 2014 leren van Ezra hoe dichtbij de zonde is. Zelfs vlak na een reformatie – zoals die van 2003 – ligt de zonde als een belager aan de deur[5]. Juist daarom is het belangrijk om aan de schuldbelijdenis telkens goede aandacht te besteden.
Natuurlijk mogen we vandaag die aandacht voor onze schuld met nauw verholen vreugde verbinden aan het verlossingswerk dat Jezus Christus voor ons heeft gedaan. Maar het moet wel tot ons doordringen dat de kracht van de zonde gaat ook in onze wereld nog buitengewoon groot is.

“Onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel”, zegt Ezra.
Met andere woorden: de zonden stapelen zich op, en we kunnen er niet meer overheen kijken.
Toch zit in deze woorden ook troost. Want die schuld bereikt de hemel wel. En het gebed bereikt de hemel eveneens. Net als in 2 Kronieken 30: “Toen stonden de levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel[6].
Als wij schuldbewust een gebed tot God richten is de hemel niet van koper. Wij bidden niet in het luchtledige. Wij voeren geen goedbedoeld ritueeltje op. De Here luistert. Hij zet zowel de hemel als Zijn hart open voor Zijn kinderen.
Is dat geen geruststellende gedachte voor de kerk?

Ezra formuleert ook: “Wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten”[7].
Midden in die schuldbelijdenis schittert opeens Gods genade. Want het is duidelijk geworden dat de Here erbij was, en erbij blijft. Hij heeft de koningen van Perzië aangestuurd.
Ook in 2014 mogen we altijd op de genade van God vertrouwen. Te midden van de kerkelijke puinhopen en de ongelovige rommel mogen we weten dat de Here present is.
Nee, dat wil niet zeggen dat de scherven van ons ongeluk keurig aan de kant geveegd zijn. Die liggen nog midden op straat. Het lijkt er, om zo te zeggen, voortdurend op dat wij op korte termijn onze banden lek rijden.
Maar ondanks alles is de garantie: de Here staat niet op een afstandje te kijken. Hij is actief aanwezig. Hij grijpt in op Zijn tijd.

“Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in Jeruzalem”[8].
In die woorden bemerken we Gods almacht. Hij is niet alleen het Hoofd van het Verbondsvolk. Zijn macht strekt zich over heel de wereld uit.
Is dat geen prachtige troost voor de kleine Gereformeerde kerkjes in Nederland?
Wij voelen ons vaak hulpeloos. Zeker als er (nog) geen predikant in ‘onze’ gemeente is.
En misschien denken onze predikanten ook wel eens: is mijn inspanning de moeite eigenlijk nog wel waard? In die omstandigheden mogen we ons realiseren dat wij, te midden van verwaarloosde kerkelijke ruïnes en ernstige klerikale ongelukken, mogen rekenen op de Here God. Hij geeft ons de gelegenheid om voor Hem te leven en Hem te dienen. Die gelegenheid creëert Hij door ongelovige mensen bepaalde beslissingen te laten nemen, en situaties voortdurend te beïnvloeden.

Ezra roept het vertwijfeld uit: “Maar nu, wat zullen wij hierna zeggen, onze God? Wij hebben immers uw geboden verlaten, die Gij ons door de dienst uwer knechten, de profeten, gegeven hadt met deze woorden: het land, waar gij komt om het in bezit te nemen, is een bezoedeld land wegens de bezoedeling door de volken der landen, vanwege de gruwelen, waarmede zij het in hun onreinheid hebben gevuld van het ene einde tot het andere”[9].
We kunnen er niet omheen: de hemelse Heer had Zijn volk nog wel zo gewaarschuwd.
Die waarschuwing heeft de Here laten optekenen. Ja, ook voor ons. Voor de Gereformeerden van de eenentwintigste eeuw geldt daarom: een gewaarschuwde kerk geldt voor twee.
De Here heeft ons, hier op aarde, nooit een kalme reis beloofd. Het zal, om het zo maar uit te drukken, regelmatig stormen en hagelen.
Maar juist omdat wij dat zo goed weten moeten wij niet blijven steken in onrust of wanhoop.
Want de Verbondsgod is present.
En daarom is het honderd procent waar: alles komt goed.

Noten:
[1] Ezra 10:3 en 4: “Laat ons dan nu een verbond sluiten met onze God, dat wij alle vrouwen met de uit haar geboren kinderen zullen wegzenden, volgens de raad van mijn heer en van hen die beven voor het gebod van onze God; en laat er gehandeld worden volgens de wet. Sta op, want op u rust de taak; wij zullen met u zijn; wees sterk en handel!”.
[2] Ezra 9:1 en 2.
[3] Ezra 9:5 en 6.
[4] Ezra 9:13, 14 en 15.
[5] Die term kennen we uit Genesis 4:7: “Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”.
[6] 2 Kronieken 30:27.
[7] Ezra 9:9 a.
[8] Ezra 9:9 b.
[9] Ezra 9:10 en 11.

10 mei 2012

De Here staat nooit aan de zijlijn

De Here heeft de macht in heel de wereld. Ook búiten de kerk laat Hij Zijn invloed gelden.

Die conclusie mogen wij, denk ik, trekken als we Ezra 1 lezen. Ik citeer: “Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort – zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont”[1].

U heeft het gezien: hierboven gaat het over bouwen. Meer precies: de inzet van Ezra 1 is de bouw van de kerk.
Het is goed om over het bouwen van de kerk na te denken[2].
Het komt mij voor dat Ezra 1 ook ons wel wat te zeggen heeft.

Wie is die Ezra eigenlijk?
Ezra komt uit een geslacht van hogepriesters. Hij is een Schriftgeleerde in de goede zin van het woord. Hij weet alles van de Mozaïsche wetten. En wat meer is: hij geniet speciale bescherming van de Here. Dat blijkt onder meer in de manier waarop de koning met hem omgaat. Zo staat dat in Ezra 7[3].
In 458 voor Christus brengt hij Judese ballingen vanuit Babylon terug naar Jeruzalem[4].

De geschiedenis zet dus in met Kores[5]. Deze man staat in de wereldgeschiedenis bekend als Cyrus II de Grote. Hij komt uit een geslacht dat vermoedelijk al heel wat jaren over de Perzen geregeerd heeft. Hij is een vazal van de koning der Meden. Na een geslaagde opstand wordt Kores in 550 voor Christus koning van de Meden en Perzen.
Kores is klaarblijkelijk een goede militair: hij heeft heel wat overwinningen op zijn naam staan. Zijn rijk breidt zich gaandeweg uit. Toch is Kores geen harde kerel. In de internet-encyclopedie Wikipedia staat vermeld: “Cyrus heeft aan verschillende vijanden genade geschonken. Een van de koningen die hij versloeg, zou zelfs nog vijftien jaar zijn staatssecretaris zijn geweest”. Er staat bij: “De figuur van Cyrus ‘de Grote’ sprak levendig tot de verbeelding van latere geslachten. Zijn uitzonderlijke bekwaamheid als legeraanvoerder én zijn veronderstelde religieuze tolerantie gaven aanleiding tot het ontstaan van een rijke legendencyclus rond zijn persoon”. Iemand omschrijft hem zelfs als de ”meest liberale vorst uit de Oudheid”[6].
Kores heeft specifieke opvattingen over een ideaal bestuur. Hij is een prima organisator. En dus ook een succesvol veroveraar.

De bovenstaande historische feiten geven te denken.
Immers: ook vandaag hebben we maar al te vaak met religieuze tolerantie te maken. Allerlei godsdiensten, stromingen en sekten kunnen en mogen naast elkaar bestaan.
In die situatie voelen Gereformeerde mensen voortdurend de neiging om te protesteren.
Men kan de Here God niet zondermeer naast de afgoden zetten. Dat heeft Hij Zelf ook verboden. Zo zeggen we dat. En terecht. In Gods Woord worden er geen doekjes om gewonden: Hij staat boven alle goden; Hij is de almachtige Koning, die niemand naast Zich duldt.
Maar mét dat al geeft een tolerante omgeving ons wel veel kansen om met en naar het Evangelie te leven.
En laten we ons niet vergissen: de Here kan harten zacht maken. Als Hij Zijn macht laat gelden gebeuren er heel verrassende dingen in de wereld. Vaak zien mensen dat niet goed als zij in een achtbaan van gebeurtenissen en emoties zitten. Maar wie van een afstandje naar historische voorvallen kijkt, ziet soms opeens de hand van de Here.
Dat kan ook in 2012 gebeuren.
Laatst nog was er iemand die in het Nederlands Dagblad het ‘wandelgangenakkoord’- sinds kort ook wel Lenteakkoord geheten – een Godswonder noemde[7]. U weet wel: het bezuinigingsakkoord dat op donderdag 26 april jongstleden gesloten werd nadat het overleg in het Catshuis was mislukt en het kabinet-Rutte was gevallen; die overeenkomst werd gesloten tussen VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie. Het lijkt mij dat men met de aanduiding ‘Godswonder’ in dit verband een beetje voorzichtig moet zijn. Maar één ding is zeker: bij dit soort plotselinge wendingen van de geschiedenis staat de Here zeker niet aan de zijlijn!

Nu het om Gods ingrijpen en Kores’ macht gaat, attendeer ik u graag op Daniël 1[8].
De Here geeft Zijn volk in de macht van Babel. Koning Nebukadnezar neemt allerlei voorwerpen uit de tempel mee om daarmee de goden van Babel te eren. De koning is slim: hij kiest intelligente jongelui uit; die jonge mensen moeten in Babel worden opgeleid. Aldus raakt Israëls God uit het zicht. Denkt Nebukadnezar. Niet dus. Want de Here God geeft Zijn dienaar Daniël allerlei bekwaamheden om een profeet van de hemelse Heer te zijn. Daniël mag, zo schrijft iemand, “drager van Gods Woord zijn in dat heidense wereldrijk”. Jeruzalem ligt plat. De tempeldienst ligt stil. Maar het profetenwerk gaat door. Want:
* Jeremia profeteert onder de achterblijvers
* Ezechiël profeteert onder de ballingen
* Daniël profeteert aan het Babylonische hof.
Maar waarom breng ik nu Daniël ter sprake? Omdat het laatste vers van Daniël 1 als volgt luidt: “Daniël bleef daar tot het eerste jaar van koning Kores”[9]. Kijk, daar is Kores weer!
Nebukadnezar denkt dat hij de tempelschatten zonder problemen kan afvoeren. En die God van Israël? – die zullen de mensen wel vergeten. Ziehier, dáár is de grootste misrekening aller tijden! Midden in de woelige wereldpolitiek van die tijd blijkt het onderkomen van een Babylonische afgod een veilige bewaarplaats voor de schatten uit Israëls Godshuis. Te Zijner tijd, op het moment dat de Here God dat nodig vindt, komt het tempelgerei onbeschadigd te voorschijn…

Nu keer ik weer terug naar Ezra 1.

Het komt mij voor dat dat Schriftgedeelte ons wel wat te zeggen heeft.
Wij leven in een tijd waarin de kerk klein geworden is. We hebben maar weinig invloed meer, mompelen wij teleurgesteld. En we trekken ons schielijk terug. Wij kruipen in onze schulp.
Wat valt er verder nog te doen?
In de kerk zorgen we voor interne consolidatie. We houden de kerk in stand. We passen netjes op de winkel. Als niemand àl te moeilijk doet, dan houden we ‘t wel vol. Denken wij.
Maar wij vallen in zonde zodra wij vergeten dat de Here nog druk aan het werk is. Dat zien we misschien niet. Het valt ons wellicht niet op. We merken er niks van. Intussen is de Here echter volop actief!
We hebben in de kerk soms de neiging om te klagen dat wij zo weinig van ’s Heren werk zien. En als wij dan een hemelse ingreep ontdekken, halen we opgelucht adem: de Here is eindelijk tussenbeide gekomen, zeggen wij dan. Alsof de Here een oplossing uit de hoge hoed heeft getoverd…
Laat het duidelijk zijn: de Here is alle dagen aan het werk.
Wij mogen dus niet slachtofferig doen, alsof de Here ons simpelweg aan ons lot overlaat. Niets is minder waar!

Jesaja profeteert in hoofdstuk 45 óók over Kores. Door de mond van Jesaja zegt de Here daar: “Ik ben de HERE en er is geen ander; buiten Mij is er geen God. Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet, opdat men het wete waar de zon opgaat en waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niemand is; Ik ben de HERE, en er is geen ander…”[10].

In de ogen van koning Kores is Israël waarschijnlijk maar een pion op het schaakbord van de wereldpolitiek geweest.
De werkelijkheid bleek echter anders. Héél anders.
Israël was het middelpunt van Gods liefde. Het was het centrum van Gods zorg[11].
Vandaag zorgt de Here voor heel Zijn kerk, waar die ter wereld ook vergadert. Wij merken dat lang niet altijd. Toch is het zo.
De Here werkt door. Hij voert Zijn plannen uit.

En dus kunnen we met een gerust hart verder bouwen aan de kerk.
De Here is present. Tot in eeuwigheid!

Noten:
[1] Ezra 1:2 en 3.
[2] In de afgelopen tijd is daar op deze internetpagina regelmatig aandacht aan besteed. Zie bijvoorbeeld https://bderoos.wordpress.com/2012/05/03/rust-tijdens-bouwactiviteit/ .
[3] Ezra 7:6: “Hij was een schriftgeleerde, bekwaam in de wet van Mozes, welke de HERE, de God van Israël, gegeven had; en daar de hand van de HERE, zijn God, over hem was, had de koning hem alles gegeven wat hij verlangd had”.
[4] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Ezra_(priester) .
[5] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://nl.wikipedia.org/wiki/Kores .
[6] Zie http://home.kpn.nl/ligteneigen1/klassiek/geschiedenis/babylon/babylon1.html .
[7] Zie http://www.nd.nl/artikelen/2012/mei/07/wandelgangenakkoord-als-godswonder .
[8] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://members.chello.nl/gslings/bs06.htm .
[9] Daniël 1:21.
[10] Jesaja 45:5 en 6.
[11] Zie hierover ook http://www.wiskerkevandooren.nl/artikelen/volk-van-gods-keuze-over-uitverkiezing-isral-en-de-kerk-/hoofdstuk-1—kiezen/ .

Blog op WordPress.com.