gereformeerd leven in nederland

6 januari 2017

Technopolis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

In dit artikel ga ik graag even met u terug in de tijd.

Wij schrijven woensdag 5 januari 1972.
Op pagina 2 van het Nederlands Dagblad staat een verslag van een G.M.V.-jeugdcongres. G.M.V.: het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond bedoel ik[1].

Op dat jeugdcongres komt dominee W. Bruinius aan het woord[2]. Een verslaggever van het Nederlands Dagblad vat het betoog van de dominee als volgt samen.

“Op weg naar het jaar 2000 zal de wereldbevolking geweldig toenemen. Dientengevolge zullen er nieuwe technieken m.b.t. de wereldvoedselvoorziening moeten worden uitgedacht. Deze ontwikkeling van de techniek zal z’n invloed ook laten gelden op geestelijk terrein. De mens reist naar de techno-polis. Dat is de stad van de mens. Hierin is de mens anoniem en dus vrij. De taak van de kerk is de mens te begeleiden naar die techno-polis. Tegenover die anonieme mens stellen wij de gemeenschap der heiligen en tegenover die techno-polis het Koninkrijk Gods. Hierdoor is de positie van het GMV bepaald. Bij de oprichting van het GMV stonden drie dingen vast: het fundament, het samengaan van werkgevers en werknemers, het persoonlijk lidmaatschap. Hoewel klein functioneert het GMV toch beter dan de grote vakcentrales. Immers ieder lid is broeder en geen nummer! Laat ieder lid worden van het GMV om het Getuigenis op de straten van de techno-polis mogelijk te maken”[3].

In het bovenstaande valt het woord ‘technopolis’. Polis – dat betekent ‘stad’[4].
Dominee Bruinius zegt: de mensen gaan naar de technopolis, de stad waar bijna alles door de techniek geregeerd wordt, de mens anoniem is en vrijheid het hoogste goed is.

Het is dominee G. Zomer sr. die in een preek over Psalm 137 een typering van zo’n technopolis heeft gegeven[5]. Hij zegt: “Wat gaat er in de stad van de mens met de kinderen gebeuren? Ook in Nederland wordt volop aan die stad van de mens gebouwd en dat is het grote Babylon. En in Babel, daar kijken ze niet op een mensenleven. Daar gaat men over lijken. Het Babel van Openbaring 18 handelt immers ook in ‘zielen van mensen’”.
Even verderop in zijn preek tekent de predikant de tegenstelling met de stad van God: “Trouwens, de toekomst is niet voor Babel. De toekomst is voor Jeruzalem. Niet voor de stad van de mens, maar voor de stad van God. En wanneer Gods gericht over Babel komt, dan zal in deze stad geen lamplicht meer schijnen en geen stem van bruidegom en bruid meer worden gehoord. Er worden geen bruiloften meer gevierd en er wordt geen wieg meer gevuld. Want God werpt straks Babel weg, met geweld, als een molensteen”[6].
Als ik mij niet vergis is het die tegenstelling, die antithese, die dominee Bruinius aan wil wijzen.

Ook in onze tijd kunnen wij die antithese zien. Soms komt die scherpe tegenstelling dichtbij. Soms zijn er zelfs in de kerk situaties waarin iets van die diepe kloof te zien is.
Jazeker, dat is een verdrietige werkelijkheid.
Maar als het goed is genereert die harde realiteit steeds meer dankbaarheid bij Gods kinderen. Dankbaarheid dat zij in de stad van God mogen wonen. Dankbaarheid dat zij ingeschreven mogen wezen in de burgerlijke stand van Gods koninkrijk. Dankbaarheid dat hun eindbestemming in het hemelse Jeruzalem ligt.

Schrijvend over de technopolis wil ik de naam van dr.ir. H. van Riessen (1911-2000) niet ongenoemd laten[7]. Deze filosoof publiceert in 1952 het boek ‘Maatschappij der toekomst’. Dat boek is voor een deel een popularisering van inzichten die hij in zijn dissertatie “Filosofie en techniek” (1949) uiteen heeft gezet[8].
Iemand typeert de inhoud van ‘Maatschappij der toekomst’ als volgt: “Van Riessen schrijft in 1952 over de computer als een automaat, een rekenautomaat, een meetautomaat, een controle-automaat, en een commando-automaat. (….). Centraal staat daarbij dat het een instrument moet zijn om de menselijke vrijheid tot ontplooiing te laten komen en niet om die te beknotten. Scherp zag hij een verkeerd verstaan van de moderne techniek er toe leidde dat de mens ondergeschikt gemaakt werd en een radertje in de machine werd. Juist door aan te tonen, waar fundamentele wetenschap verschilt van technische wetenschap en die op haar beurt weer van techniek bleef Van Riessen’s analyse open en nooit deprimerend of nodeloos onheilspellend”[9].
Van Riessen zegt dat de maatschappij niet maakbaar is. Maar men blijft dat ijverig proberen. Het gebruikte middel is: planning. En hoe meer er gepland wordt, hoe vaker het particulier initiatief wordt gesmoord.

De technopolis zorgt ervoor dat we het geweldig druk hebben met onze agenda. Wij moeten alles doen. Wij moeten overal tegelijk zijn. We verbeelden ons ook dat dat kan. De computer neemt toch steeds meer van het menselijk werk over? Nou dan.
Ziet u hoe actueel dat verhaal van dominee Bruinius nog altijd is?

Trouwens, wel beschouwd is de stad van de mens zo oud als de zondeval.
Ik wijs u op Genesis 11: “En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid! Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren, en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn. Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen. Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad. Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde”[10].
Mensen probeerden al heel vroeg hun eigen stad te bouwen. Maar dat mislukte jammerlijk. De God van hemel en aarde doorkruiste die plannen vanwege de bouw van Zijn stad.

De stad van God versus de stad van de mens – die tegenstelling is gedurende de hele wereldhistorie te zien.
Denkt u maar aan het hierboven reeds genoemde Openbaring 18: “En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, en zei: Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden”[11].
Maar denkt u dan ook meteen aan die stad van een paar hoofdstukken verder – die metropool van Openbaring 21: “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan. Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis”[12].
Met die jaspis kan overigens niet de jaspis uit onze tijd bedoeld zijn; want onze jaspis is een ondoorzichtige variant van kwarts. Veel onderzoekers denken aan een kristalheldere diamant. Die diamant vindt u terug in de NBG-vertaling uit 1951. Hoe dat ook zij: de stad van God is volkomen transparant.

Wij zeggen tegenwoordig wel eens dat wij de wereld onoverzichtelijk vinden. En ondoorzichtig. Hoe vaak wordt, ter bestrijding van bureaucratie, niet geroepen om transparantie?
Welnu, de Verbondsgod garandeert ons een plek in de stad van God waar alles heerlijk zal wezen.
En daarom: laten we ons niet vastketenen aan vernuftige wetenschap en voortschrijdende techniek. Laten we ons, ook in januari 2017, blijven richten op de stad van God!

Noten:
[1] Het G.M.V. is inmiddels omgevormd tot CGMV Vakorganisatie voor christenen. In de afkorting CGMV staat de C voor Christennetwerk.
[2] Dominee Bruinius was van 1971 tot 1984 predikant te Leens. Hij leefde van 1921 tot 1985.
[3] “G.M.V.-jeugdcongres”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 5 januari 1972, p. 2. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[4] Zie voor meer informatie over dat van oorsprong Griekse woord https://nl.wikipedia.org/wiki/Polis_(stad) ; geraadpleegd op zaterdag 24 december 2016.
[5] De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant G. Zomer leefde van 1925 tot 1982.
[6] Deze preek is opgenomen in “Uit liefde tot Sion”, een bundel met 15 preken van ds. Zomer. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak B.V., © 1983. – De preek staat op p. 9-17.
[7] Mijn vader, H.P. de Roos te Haren, noemde de naam van Van Riessen in een e-mail die hij op vrijdag 9 december 2016 aan mij zond.
Over de levensloop van Van Riessen vermeld ik het volgende. In 1951 werd Van Riessen benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft. In 1960 bekleedde hij hetzelfde ambt in Eindhoven. Enige jaren gaf hij college aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. De Vrije Universiteit te Amsterdam benoemde Van Riessen in 1962 tot hoogleraar systematische wijsbegeerte en cultuurfilosofie. In 1981 werd hij geëmeriteerd.
[8] Van dit boek zijn, voor zover ik weet, nog exemplaren te krijgen van de in 1953 bij Uitgeverij Wever verschenen tweede druk. Die tweede druk telt 346 pagina’s.
[9] Prof.dr.ir. T.M. Klapwijk, “Over H. van Riessen, “Maatschappij der toekomst (1952)”. In: Radix – multidisciplinair kwartaaltijdschrift over christelijk geloof en wetenschap – , woensdag 1 december 1999, p. 56-59. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[10] Genesis 11:4-9.
[11] Openbaring 18:21.
[12] Openbaring 21:10 en 11.

18 september 2015

Er moet gewerkt worden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“In het oude spoor verder”. Dat is een kop in het Nederlands Dagblad van zaterdag 19 september 1970. Daaronder staat een interview met dominee G. Zomer, de nieuwe voorzitter van de Nederlandse Bond van Gereformeerde Jongelingsverenigingen.

Vandaag sla ik een oude krant open[1].

Dominee Zomer is net verhuisd. Aan de Kamerlingh Onnesstraat in Groningen zijn twee benedenhuizen samengetrokken. Benedenhuizen, inderdaad: dan is iedereen er zeker van dat hij met zijn beide benen op de grond blijft staan. En dat is hard nodig, als je leiding aan de jeugd wilt geven.
Wat is het voornemen van de predikant? “Gewoon in de oude lijn doorwerken. De lijn van Van Oord-Vink-Storm”.
Hij wil wel met zijn tijd meegaan, “maar” – zo staat in het ND – “niet met de geest van de tijd. Hij is van plan een klaar geluid te laten horen”.

Wij keren even terug naar het heden.
In 2015 vinden we leidinggeven op alle fronten ingewikkeld. Opvoeden is ingewikkeld geworden, zeggen we. Voor u ’t weet bevindt de lieve jeugd zich op paden waar u die niet hebben wilt. Laten we intussen niet denken dat het in 1970 allemaal veel makkelijker is geweest!
Dominee Zomer wil eigentijds zijn. Maar hij gaat niet mee met de geest van de tijd. Dat wil zeggen: hij profiteert van de vooruitgang op vele terreinen, maar verzet zich tegen de revolutie, tegen individualisme.
Het is nu 2015. Maar na vijfenveertig jaar blijkt het principe van dominee Zomer nog altijd toegepast te moeten worden. Gereformeerden van nu mogen gerust modern doen. Als zij maar in lijn blijven met wat de Here in Zijn Woord zegt. Als zij zich maar aan Zijn geboden houden. Als zij maar met Hem wandelen.

Opnieuw geef ik het woord aan de Gereformeerde dominee uit Groningen. U zult zien dat zijn inzet positief is. Maar hij heeft ook een vraag.
“In zichzelf is die jeugd niet beter dan andere jongeren, maar wanneer je duidelijk bent dan nemen de jongens dat. Ze willen een helder geluid horen. We moeten ze laten zien wat de inzet van de studie op de verenigingen is, want het is vandaag levensgevaarlijk voor de jeugd. Er is een niet te onderschatten beïnvloeding door lectuur, radio en televisie. Daarom temeer moet de kerk op de jeugd letten, want anders is ze de naam kerk niet waard.
De vraag mag gesteld worden: zal er in het jaar 2000 nog een gereformeerde kerk zijn en zal het nog mogelijk zijn om de jeugd te bezielen?”.

In 2015 wil de jeugd nog altijd duidelijkheid.
De jeugd heeft geen behoefte aan lange verhalen. De jeugd wil geen keurige dogma’s die haaks op het dagelijkse leven staan.
Dat is in 1970 zo. En dat is ook in 2015 het geval.
Dominee Zomer kent het internet nog niet. Hij kan niet weten hoe fragmentarisch de informatie uit de wereld in de eenentwintigste eeuw tot ons komt. Hij weet niet dat de aanhoudende stroom van informatie – via tablets en smartphones – de wereld zo onoverzichtelijk gaat maken. Maar hij ziet al wel hoe de kerkjeugd door de media beïnvloed wordt. En hij weet het: die beïnvloeding wordt alleen maar intensiever.
De Groningse predikant vraagt zich af: zal er in het jaar 2000 nog een gereformeerde kerk zijn en zal het nog mogelijk zijn om de jeugd te bezielen?…
U weet het: in 2003 vindt een reformatie plaats. De kerk wordt klein en nietig.
Maar ook vandaag, op vrijdag 18 september 2015, zijn er bezielde jongeren. Jongeren die be-Geesterd zijn. Laten wij het maar gewoon zo zeggen: de kerk bestaat nog, omdat zij door haar Hoofd – Jezus Christus – beschermd wordt.
Dominee Zomer vermaant de kerkmensen in 1970: broeders en zusters, let op de jeugd! Die waarschuwing moeten ouderen zich ook vandaag maar aantrekken. Wij moeten weten wat onze jongeren bezighoudt. Wij mogen ze vertellen wat er in de Bijbel staat, en welke consequenties dat heden ten dage hebben moet. Wij mogen in ons dagelijkse leven tonen wat Gods Woord voor ons betekent. U begrijpt: er is nog veel te doen.

Het bovenstaande is, naar schrijver dezes meent, geheel in lijn met des predikants bedoeling.
Want de Groningse voorganger formuleert: “Een christen heeft altijd een goede toekomstverwachting. We lijken vaak pessimistisch, maar we dienen het dilemma pessimistisch-optimistisch af te wijzen, want we moeten ons werk doen volgens de roeping van Godswege en dan kunnen we ook Gods zegen voor de toekomst verwachten”.
Een roeping veronderstelt, zoals u ongetwijfeld weet, vertrouwen in de Roeper. In Degene die de geroepene zijn plaats en ambt geeft.
Daarom zijn de door God uitverkoren mensen – de gelovigen in de kerk – niet optimistischer dan de wereldlingen. Uitverkorenen zijn echter ook niet pessimistischer dan seculiere mensen.
Nee, gelovigen volgen Jezus Christus. In de dagelijkse gang van zaken. Ware gelovigen gaan vol vertrouwen de toekomst in!

Dominee Zomer blijkt van mening dat er gewerkt moet worden.
“Op jeugdcongressen valt veel te leren, als ’t maar werkcongressen zijn. En dan mag daaromheen heus wel ontspanningen op het programma staan. Als het goed is, dan dienen de jongeren bereid te zijn om een week vakantie aan te geven teneinde de nodige kennis op te doen op meetings en congressen”.

Nee, in 2015 is dat niet wezenlijk anders.
Gereformeerd zijn: dat kost tijd. Je bent tijd kwijt aan studie, en aan het ontwikkelen van vaardigheden.
Het is soms verre van gemakkelijk om elkaar mee te nemen, in denkbeelden en gedachtegangen. De één is daar sneller in dan de ander. Verschillende mensen hebben onderscheiden capaciteiten.
Maar samen komen we er wel. Laten we maar blijmoedig onze gang gaan. Want de Here leidt ons. Uiteindelijk zorgt Hij ervoor dat kennis bij ons blijft hangen, en dat we ons in de kerk kunnen inzetten.

Over de band tussen verenigingswerk en kerk is dominee Zomer vrij duidelijk.
“Als het echter gaat om een nauwere band tussen J.V. en kerk, dat dolgraag. Het werk van de jeugdverenigingen moet een vast punt zijn op de agenda van de kerkeraad. Wil men de verenigingsavonden bezoeken dan is dat een goed ding, doch dan uit belangstelling en niet als toezichthouder”.

Dat is, denk ik, een waar woord. Daarmee kunnen we ook in 2015 onze winst doen.
Kerkenraadsleden zijn geen politieagenten. Broeders en zusters in de kerk zijn niet elkaars bewakers.
Zij helpen elkaar vooruit, in de maatschappelijke vraagstukken en de dingen van alledag.

Nog één keer dominee Zomer.
“We moeten doen wat onze roeping is en dat is gaan in de weg der gehoorzaamheid. Dan is er toekomst voor de kerk en ook voor de jeugd der kerk”.

En vooruit – tot slot één zin van K. Schilder. Die zin staat ook in dat krantenartikel uit 1970.
In het jaaroverzicht in het Handboek der kerken dat in 1947 verschijnt, constateert Schilder dat na de oorlog en na de Vrijmaking de jeugdverenigingen meestentijds — met name in de kleinere kerken — actiever zijn dan te voren. Hij schrijft er bij: ‘Het moge zoo blijven; maar zonder gestage inspanning blijft het aldus niet’.
Er moet gewerkt worden, zegt ook dominee Zomer. Dat heeft hij vast van K. Schilder geleerd!

Noot:
[1] In dit artikel gebruik ik: “In het oude spoor verder” – interview met dominee G. Zomer. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 19 september 1970, p. 5. Ook te vinden op www.delpher.nl . Geraadpleegd op woensdag 26 augustus 2015.

4 augustus 2015

Troost voor Sion

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Hoe zou de sfeer in het paradijs geweest wezen[1]? Dat kunnen wij ons maar moeilijk voorstellen.

Maar wij kunnen er wel woorden aan geven.
Denkt u maar aan Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus: “God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen”[2].

Is het de bedoeling van de Catechismusschrijvers om ons depressief te maken? Moeten wij wanhopig worden, en huilend door een zijdeur verdwijnen?
Zeker niet.

De Here wil ons niet alleen laten zien hoe de wereld er eertijds uit zag, maar Hij wil ook laten weten dat Hij opnieuw naar die situatie terug wil.
Daarom wordt in Zondag 3 ook gevraagd en geantwoord:
“Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?
Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden”[3].
De Heidelbergse Catechismus is geen treurboek, maar een troostboek!

Wij zeggen wel eens: wij zijn maar gewone mensen.
Maar dat is helemaal niet waar.
Eigenlijk zijn wij heel abnormaal. En ook heel ongewoon. De Heilige Schrift leert ons wat gewoon is. De maatstaf wordt door de Verbondsgod aangelegd.
In de kerk dienen we de Here. Wij luisteren naar Hem. Geconcentreerd lezen wij Zijn Woord. Dat is normaal. Zo hoort dat. Want Gods kinderen zijn zaakwaarnemers van de Heer die in de hemel troont.
Nee, wij lijken niet op God. Wij hebben Zijn eigenschappen niet. Wij hebben niet dezelfde deugden. Maar als wij in deze wereld aan het werk zijn, verrichten we onze taak in dienst van onze God.
Zo komt er – als het goed is – al iets terug van dat feestelijke paradijsleven van vroeger.

Dit alles laat onverlet dat het lijden ons in dit aardse leven niet bespaard blijft. Sterker nog, soms komt dat lijden ons wel heel dicht op de huid.
Onlangs las ik in het Nederlands Dagblad een interview met de bekende zanger en presentator Ernst Daniël Smid. Over het overlijden van zijn vrouw Rosemarie Giesen van der Sluis zegt Smid in dat vraaggesprek onder meer: “Het geloof heeft Onze Lieve Heer van me afgepakt. Ik ben heel boos op Hem geweest om hoe Roos heeft moeten lijden. Als daaruit zijn liefde voor haar blijkt, ben ik wel klaar met zijn liefde. Ja, ik begrijp dat het vreemd is boos te zijn op iemand in wie je niet gelooft”[4].
Vanuit de mens bezien is zo’n reactie best begrijpelijk.
Het is echter van belang om als Gereformeerden anders te reageren. Menselijk lijden toont ons hoe ver wij zijn weggedreven van dat vroegere paradijsleven. Huwelijksleven dat op ontluisterende wijze wordt beëindigd, demonstreert hoezeer de relatie met de hemelse God volledig verscheurd is. Dat alles toont bovendien hoe structureel en diepgaand het Goddelijk ingrijpen moet zijn.
Wij moeten echt helemaal opnieuw leren om in gemeenschap te leven; met God en met elkaar!

Over gemeenschap gesproken: mensen zijn niet geschapen als losse individuen. Tegenwoordig wekken we met z’n allen wel vaak die indruk. Wij trekken ons vaak niet al te veel van elkaar aan. Wij distantiëren ons liefst van elkaar. ‘Daar wil ik niet bij horen’, zeggen we dan.
Maar zo is het vanaf den beginne niet geweest. Het was Gods bedoeling dat wij in een humane gemeenschap zouden leven. In een bondgenootschap, zogezegd. Toen Eva en Adam zonden deden waren het dus onze bondgenoten. Wij zijn, om het zo uit te drukken, lid van dezelfde revolutionaire beweging.
De Schepper van hemel en aarde heeft mensen als eenheid geschapen. Maar de mensen maken er een puinhoop van. Om met Romeinen 5 te spreken: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[5].

De Geest van God moet er aan te pas komen om onze redding te bewerken. Hij is de Geest van de God van alle vertroosting.
Die term – God aller vertroosting – kent u vast wel. U vindt ‘m in 2 Corinthiërs 1: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting”[6].
Wellicht lijkt dat wat overdreven. Is God nu echt de God van alle vertroosting? Wij mensen kunnen elkaar toch ook wel troosten? Ja, dat kunnen wij wel. Maar in ons geval betreft het altijd troost die in aardse dimensies blijft steken.
De Here tilt Zijn kinderen echter boven aards geknoei en gepruts uit. Hij brengt hen in de sfeer van Jesaja 51: “Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang”[7]!

De Here troost Sion.
Ten diepste is dat de boodschap van Zondag 3!

Noten:
[1] In het onderstaande gebruik ik onder meer een preek van ds. G. Zomer (1925-1982) over Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus. De preek is gedateerd op zondag 7 februari 1971. Thema en verdeling van de betreffende preek zijn:
De God aller vertroosting wijst de oorsprong van de ellende aan
Hij leert ons: onze verdorvenheid is
1. abnormaal
2. radi­caal
3. totaal.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 3, antwoord 6.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 3, vraag en antwoord 8.
[4] “Kunst is pleister op de wonde van alledag”. Interview met Ernst Daniël Smid. In: Nederlands Dagblad, donderdag 16 juli 2015, p. 18 (rubriek ‘Houvast’). Meer informatie over Ernst Daniël Smid staat op https://nl.wikipedia.org/wiki/Ernst_Daniël_Smid en op http://www.ernstdanielsmid.nl/ Geraadpleegd op donderdag 16 juli 2015.
[5] Romeinen 5:12.
[6] 2 Corinthiërs 1:3.
[7] Jesaja 51:3.

8 mei 2015

Eenmansbedrijf

Op het kerkplein zijn we zo langzamerhand heel wat gewend. Samenwerkingen, grensoverschrijdingen, fusies…: het komt allemaal langs.
Schrijver dezes is de verbazing wel zo ongeveer voorbij. Mensen doen soms vreemde dingen, ook op het kerkplein.

Maar het kan nog gekker.

Het Nederlands Dagblad maakt ons op zaterdag 2 mei deelgenoot van het feit dat ds. W.J.M. Vreugdenhil – Tim voor intimi – zeer waarschijnlijk een pioniersplek krijgt in de Protestantse Kerk.
En waarom?
“‘Ik ben tot de overtuiging gekomen dat mijn project de beste kans van slagen heeft als ik mij laat steunen door de Protestantse Kerk van Amsterdam (PKA). Die kerk is in de stad op veel meer lagen aanwezig en heeft een veel groter netwerk dan mijn eigen kerkverband’”.

Het is prijzenswaardig dat Vreugdenhil het evangelie wil brengen aan “een grote groep Amsterdammers die nooit het evangelie horen en sociologisch gekenmerkt worden als de ‘opwaarts mobielen’: individualistisch ingestelde, vaak jonge mensen die gericht zijn op presteren en alles wat nieuw en hip is”[1].
Laten we maar zonder omwegen vaststellen dat dat bijna onbegonnen werk lijkt. Zijn de carrièretijgers uit de Randstad nog wel onbereikbaar? Menselijkerwijs niet, zou ik denken. Des te opmerkelijker dat Vreugdenhil dat wel gaat proberen.

En toch wekt de kerkelijke verhuizing van Vreugdenhil bij mij een lichte vorm van verbijstering.
Vreugdenhil geeft mij de indruk dat zijn ego nogal aan de grote kant is:
* Ik ben tot de overtuiging gekomen
* mijn project
* ik laat mij steunen
* mijn eigen kerkverband.
Dat gelezen hebbende vraag ik: voor wie doet de dominee dat eigenlijk? Voor de predikant Vreugdenhil zelf misschien? Voor de aspirant-gelovigen die, als zij aan kerkgang toe zijn, sneller contact kunnen maken met andere christenen?
Ach, ik wil graag aannemen dat Vreugdenhil zichzelf niet in het middelpunt wil stellen. Maar zijn formuleringen suggereren, als u het mij vraagt, nogal nadrukkelijk het tegendeel.

Kerk: dat is klaarblijkelijk een tamelijk relatief begrip. Vreugdenhil lijkt er van uit te gaan dat het begrip ‘kerk’ een verzameling mensen aanduidt die, op hun eigen manier en met zekere regelmaat, met God contact willen maken.
Maar zo’n gedachte doet mijns inziens ernstig tekort aan het werk van de Here.

In dit verband herinner ik graag aan woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[2].
Christus is de Koning van de kerk. Als predikant is dominee Vreugdenhil een onderherder. Maar daar hoor ik de bevlogen theoloog niet over. Dat bevreemdt mij.

In Openbaring 21 lezen wij: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig”[3].
De Here maakt alle dingen nieuw. In het Nederlands Dagblad wordt meegedeeld: “De vrijgemaakt-gereformeerde predikant Tim Vreugdenhil begint na de zomer in de binnenstad van Amsterdam een nieuwe gemeente”. Een nieuwe gemeente? Hoe verhoudt die zich tot Openbaring 21, eigenlijk?

Nu het hierom gaat wijs ik op de jaren ’60 van de vorige eeuw.
In de jaren 1965-1968 lanceerde de Wereldraad van Kerken de theologie van de revolutie. Men was namelijk tot het inzicht gekomen dat revolutie onvermijdelijk is als daad om naastenliefde te verwezenlijken. Allerlei mensen achtten zich, soms min of meer op individuele basis, geroepen het Koninkrijk van God, gedurende hun eigen levenstijd op aarde, te stichten en uit te breiden[4].
Het initiatief van dominee Vreugdenhil doet mij daar een beetje aan denken. En wel omdat hij de indruk geeft dat hij, in de periode dat hij op aarde is, het Koninkrijk van God wil bewerkstelligen; en als hij daarvoor door kerkelijke structuren heen moet breken, dan wil hij dat blijkbaar met nauw verholen vreugde doen.
Ach, natuurlijk begrijp ik wel dat Vreugdenhil niet de intentie heeft om de wereld om te turnen. Natuurlijk begrijp ik best dat hij geen anarchist is.
Maar ik blijf het hinderlijke gevoel houden dat de kerk bij Vreugdenhil een eenmansbedrijf is. En dat is pertinent onjuist. De kerk is werk van God!

Ik blijf nog even hangen in de jaren ’60 van de vorige eeuw.
In mei 1969 sprak dominee G. Zomer sr. op de Bondsdag van de Nederlandse Bond van Gereformeerde Jongelingsverenigingen; die werd in dat jaar te Enschede gehouden[5].
Dominee Zomer had het ook over de theologie van de revolutie. En over de Wereldraad van Kerken die die woorden uit Openbaring 21 – “Ik maak alle dingen nieuw”- tot een slagzin had gemaakt. Daarmee wilde de Wereldraad de jeugd bereiken. ‘Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’, meende men.
Een redacteur vatte de woorden van dominee Zomer zo samen: “Men kwam niet uit in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem, maar in de stad van de mens, Babylon. Immers, wie maakt alle dingen nieuw? Hij die op de troon gezeten is! Niet de theologen van de revolutie, niet de oproerige studenten, niet de activisten van de oecumenische beweging, maar Hij die de alfa en de omega is, wiens woord getrouw en waarachtig is”.
Dominee Zomer wilde maar zeggen: met activisme kom je er niet.

Dominee Zomer wees op de oecumenische beweging.
Het doel van die beweging is om kerken van alle denominaties, organisaties en sekten samen te brengen in één grote kerk. Zeg maar: de wereldkerk.
Een redacteur bracht het in dat verband door dominee Zomer gesprokene als volgt aan de lezer over: “Discussies over de basis zijn niet meer van belang. ‘Oecumene’ wordt thans opgevat als de gehele bewoonde wereld zelf. Daarmee moet de kerk zich solidair verklaren, zich identificeren. Het gaat niet om de kerk, maar om de wereld, om deze onbeheerde wereld”.
En:
“Uit de afval der kerk zijn alle gruwelen geboren. Zo noodzakelijk is de reformatie der kerk. Hoe bestaat het, dat toch vrijwel niemand meer de art. 27-29 N.G.B., over de kerk serieus neemt?”[6].
Ach ja, ik geef het onmiddellijk toe: tussen 1969 en 2015 liggen 46 kalenderjaren. De tijden zijn in sommige opzichten veranderd.
Maar dominee Vreugdenhil wil zich, naar mijn idee, solidair verklaren met de wereld. Hij wil zich identificeren met zijn omgeving. Blijkbaar onder het motto: ik moet, hoe dan ook, de verdorven wereld bereiken.
Intussen vraag ik: neemt hij de artikelen 27, 28 en 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog wel serieus?

Laat niemand zonder meer zeggen dat ik een zwartkijker ben.
Want dat zou onzin zijn.
Het zou prachtig wezen als heel veel Amsterdammers met het Evangelie kunnen worden bereikt.
Maar ik zie een aantal parallellen tussen 1969 en 2015. Namelijk deze:
* discussies over de kerk zijn niet meer van belang
* het gaat om solidariteit en identificatie met de wereld
* de Bijbel wordt een boodschap van mensen
* naastenliefde wordt belangrijker dan de precieze betekenis van het Woord van God.
En daarom ben ik, om het maar zacht uit te drukken, niet gelukkig met dat ambitieuze en waarschijnlijk goed bedoelde initiatief van dominee Vreugdenhil.

Als u het mij vraagt is er in zesenveertig jaar niet eens zoveel veranderd.

Noten:
[1] “Vrijgemaakte dominee wordt pionier in de PKN”. In: Nederlands Dagblad (zaterdag 2 mei 2015), p. 3.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[3] Openbaring 21:5.
[4] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.domineehansvisser.nl/?p=272 . Geraadpleegd op maandag 4 mei 2015.
[5] Dominee G. Zomer sr. leefde van 1925 tot 1982.
[6] Zie: “Sprekers op Jongelingsbondsdag: Vandaag meer dan ooit nodig de geesten te beproeven”. In: Nederlands Dagblad (zaterdag 17 mei 1969), p. 2. Ook te vinden op www.delpher.nl (zoektermen: “G. Zomer” en “referaat”).

27 augustus 2014

De vraag om Gods oordeel

Psalm 137 is een treurige psalm[1]. Wij lezen over mensen uit Israël die huilend aan Babylonische rivieren zitten. Wij horen over een diep verlangen naar de tempel van Jeruzalem.
Wat moeten wij vandaag aan met dat kerklied[2]?

Om te beginnen kunnen we zeggen dat de ballingen van Israël – zeg maar even: de kerkmensen van die tijd – het oordeel van de Here eerbiedigen. Ze zeggen niet: ach, het valt allemaal wel een beetje mee. Of: laten we de straf van God maar gewoon negeren, en zoveel mogelijk doorgaan.
Nee, zij begrijpen best dat de Here hen straft.
Zij hebben ook wel door waarom Hij dat doet.

En de mensen in Babel? Die zeggen: we willen best eens een lied van Israël horen; zing maar eens wat prettig klinkende deuntjes. In Babel zijn ze wel vertrouwd met allerlei vreemde godsdiensten. Babel is immers een wereldmacht? Van al die andere culturen en al die nieuwe religies krijg je als vanzelf een oecumenische instelling. En daarom zeggen de Babyloniërs: die liederen van jullie willen we ook best horen.
Daar ligt de kern van de zaak. In Babel wil men graag dat Israël een beetje mee gaat doen. En waarom? Antwoord: dan worden die Israëlieten een beetje minder afwijkend, minder gelovig, minder antithetisch.
Deze manier van doen van Israël vinden de Babyloniërs onjuist. Zij ervaren die instelling als uiterst onaangenaam.
Maar de Israëlieten willen de herinnering aan Jeruzalem levend houden. Ze verlangen naar een vernieuwde, hechte band met hun God. De Israëlieten willen zich niet aanpassen. Ze wensen antithetisch te blijven: tegengesteld aan dat goddeloze Babel. Onaangepast. Echt godsdienstig! Zeker, dat is wel eens anders geweest. Maar het volk van God heeft zijn les geleerd. En de Israëlieten beseffen het terdege: als we bij onze God weglopen straft Hij ons weer.
Deze psalm leert ons bescheidenheid – we kennen onze positie tegenover de Heer van hemel en aarde.
Deze psalm leert ons ook liefde voor de Here en voor de kerk – die moeten wij levend houden!

Babel keert in Openbaring 17 en 18 terug.
Ik citeer een stukje uit Openbaring 17: “Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve; en zij, die op de aarde wonen, wier naam niet geschreven is in het boek des levens van de grondlegging der wereld af, zullen zich verbazen, als zij zien, dat het beest was en niet is en er toch zal zijn. Hier is het verstand, dat wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is. Ook zijn het zeven koningen: vijf ervan zijn gevallen, een is er nog en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij korte tijd blijven. En het beest, dat was en niet is, is zelf ook de achtste, maar het is uit de zeven en het vaart ten verderve. En de tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar één uur ontvangen zij macht als koningen, met het beest. Dezen zijn één van zin en geven hun kracht en macht aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen – want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen – en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen”[3].
Waar het om gaat is dit: in Psalm 137 zien we enkele voortekenen van de strijd uit Openbaring 17. Het is van belang dat de kerk ziet waar zij staat. Dat geldt ook in 2014. Ook vandaag behoren ware gelovigen zich antithetisch op te stellen.

Kerkmensen die zich zo opstellen, kunnen ook vrijmoedig om Gods oordeel vragen.

Laten we daarbij niet vergeten dat het volk van God, dat daar in Babel is, de profetieën van Jesaja kent.
Die uit hoofdstuk 13 bijvoorbeeld: “En Babel, het sieraad der koninkrijken, de trotse luister der Chaldeeën, zal worden als Sodom en Gomorra, toen God ze onderstboven keerde; het zal in eeuwigheid niet meer bewoond worden, noch bevolkt zijn van geslacht tot geslacht”[4].
En die uit hoofdstuk 21 bijvoorbeeld: “Gevallen, gevallen is Babel, en alle gesneden beelden van zijn goden heeft Hij ter aarde verbrijzeld”[5].
En daarom begrijpen de kerkmensen dat zij om Gods oordeel over Zijn tegenstanders mogen vragen. Jesaja heeft er immers al over gesproken? Nou dan!

Als wij bidden, zeggen we graag: Here, u hebt dit of dat beloofd.
Maar ware gelovigen mogen ook zeggen: u hebt gedreigd met het oordeel over Uw vijanden; laat het dan maar komen. Daar hebben wij alle recht toe!

In Jesaja 13 staat het: “En hun kinderen zullen voor hun ogen verpletterd worden”[6].
De kerk mag het beseffen: als de Here een oordeel velt doet Hij dat altijd rechtvaardig.

In de Openbaring van Johannes wordt er in hoofdstuk 22 niet omheen gedraaid: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”[7]. Maar daar staat dan bij: “Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!”[8].
Dat alles betekent in ieder geval dat de kerk van 2014 in feite nog altijd gelovig om het oordeel vraagt. En de kerk weet ook dat dat oordeel echt komt.

In dat licht bezien is onze belijdenis – Hij zal komen “om te oordelen, de levenden en de doden” – enorm actueel[9]!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik Psalm 137:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin toelicht. Die korte uitleg verschijnt vandaag, woensdag 27 augustus, in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van een preek van ds. G. Zomer sr. (1925-1982) over Psalm 137. Deze preek is ook opgenomen in “Uit liefde tot Sion”, een bundel met 15 preken van ds. Zomer. – (Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak B.V., © 1983). – De preek staat op p. 9-17.
[3] Openbaring 17:8-14.
[4] Jesaja 13:19 en 20.
[5] Jesaja 21:9 b.
[6] Jesaja 13:16.
[7] Openbaring 22:17.
[8] Openbaring 22:20.
[9] Dit citaat komt uit de Apostolische Geloofsbelijdenis.

28 januari 2013

De kern van het kerkrecht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Kerkrecht: dat is, zoals wij allen weten, vandaag de dag niet zo’n populair woord. Kerkrecht herinnert mensen aan afspraken. Kerkrecht belemmert de vrijheid.
Toch is dat zeker niet de bedoeling[1].

Het Gereformeerde kerkrecht is terug te voeren op de allesoverheersende liefde van de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Daarover maak ik vandaag graag enkele opmerkingen.

1.
Het gaat er niet om dat gelovigen zich aan regeltjes houden. Als alles goed is, bevordert het kerkrecht de éénheid in de kerk. Datzelfde kerkrecht zorgt er hopelijk voor dat mensen zich bekeren. Ze keren zich af van zondige dingen. Zij keren zich naar de Here toe.
In dat laatste – die bekering – verschilt het kerkrecht wezenlijk van wereldlijke rechtspraak. In de wereld gaat men veelal niet verder dan het bestraffen van verkeerde dingen en het naleven van fatsoensregels. Het veranderen van de levenskoers is geen doel van rechtsgeleerden.

2.
In mei 1970 sprak dominee G. Zomer (1925-1982) op een zogeheten jongelingsbondsdag. Zijn referaat aldaar ging over het kerkrecht en had als titel ‘Maar de Koning is gezalfd’. In de kerk gaat het, zo maakte de dominee de jongeren toen duidelijk, om de eer van Christus. In de kerk dóen we niet aan hiërarchie; we wérken niet met rangen en standen. Sterker nog: alle machtsconcentratie zal sterven onder de toorn van God. In Psalm 2 staat dat zó:
“Die in de hemel zetelt, lacht;
de Here spot met hen.
Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn,
en verschrikt hen in zijn gramschap:
Ik heb immers mijn koning gesteld
over Sion, mijn heilige berg”[2].
Het kerkrecht, betoogde dominee H. Bouma (1917-2000) op diezelfde dag, behoort te functioneren als de geestelijke politie van de kerk. “Alleen waar die wordt erkend en gehandhaafd mogen we gelovig verder belijden dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten de hemelse gaven uitgiet en dat Zijn macht ons schut en bewaart”[3].

3.
Dat genoteerd hebbende wijs ik ook op de laatste regel van die tweede Psalm: “Welzalig allen die bij Hem schuilen!”.
In de kerk combineren we liefde met waakzaamheid. In de kerk koppelen we toewijding aan dienstbaarheid.
Dominee Bouma sprak hierboven over ‘geestelijke politie’. Het mag bekend zijn dat de slogan van de Néderlandse politie momenteel ‘waakzaam en dienstbaar’ is. In de kerk beginnen we echter ergens anders. Daar zijn Gods liefde en de genegenheid voor elkáár de uitgangspunten.
Daarom is, denk ik, de toon van de muziek enorm belangrijk. Men mag spreken over God die toornt. Maar men moet eerst en voorál spreken over de Here God die – in het kader van Zijn verkiezende liefde – Zijn kinderen naar Zich toe en hen, om zo te zeggen, aan Zijn hart drukt.
Door alles heen moet de toewijding aan de Here merkbaar blijven!

4.
In het kerkrecht gaan we uit van Gods liefde.
Maar dat betekent niet dat we dan te maken hebben met lievigheid. Of met romantiek. Of met idyllische tafereeltjes.
Professor J. Kamphuis (1921-2011) schreef in een bespreking van een boek over kerkrecht eens: “Terecht wordt herhaaldelijk opgemerkt dat de vraag welk kerkrecht men heeft, afhangt van die andere: welke leer, vooral welke leer heeft men over de kerk. Hier staat echter confessionele overtuiging tegenover confessionele overtuiging (òf: het gebrek daaraan). Daarom geeft Nederland ook een staalkaart aan kerkrecht te zien”[4].
Kerkrecht heeft alles te maken met de leer van de kerk!

5.
In dezen gelden ook bekende woorden uit 1 Johannes 2.
“Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt”.
Maar ook:
“Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en in hem is niets aanstotelijks; maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en hij weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind”[5].

6.
In de kerk houden we ons aan bepaalde afspraken.
Maar het is beslist niet zo dat de kerk ból staat van regeltjes.
Nu het hierom gaat, ga ik even terug naar zaterdag 17 maart 1990. Te Kampen werd toen door het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap een studiedag georganiseerd over plaats en betekenis van het kerkrecht. En daar werd gezegd: “We moeten in ons kerkrecht wel de volle ruimte laten voor de eigen geestelijke verantwoordelijkheid van gemeenteleden en ambtsdragers, om vanuit beknopte grondregels en hoofdlijnen zelf in iedere situatie biddend en denkend te leren verstaan, wat goed is ten overstaan van de Here en van de mensen”.
Het is belangrijk dat we dat principe vasthouden. Het schijnt dat sommige mensen de indruk hebben dat kerkelijke regels star zijn. Men proeft bij tijd en wijle een zekere hoogmoedigheid; ‘wij weten het toch nét iets beter…’. Rechtsvinding moet in het kerkrecht een centraal begrip zijn. Wikkend en wegend moet men, soms van geval tot geval, het recht zoeken.

7.
Professor P. Deddens (1891-1958) typeerde kerkrecht ooit als ‘het recht van Christus in de kerk van Christus’.
Dat is het uitgangspunt bij het werk in de kerk. Het is, als alles goed gaat, ook het startpunt van alle ámbtswerk.
In dit verband geef ik tenslotte nog één keer het woord aan professor J. Kamphuis.
Alles draait om het “het rècht van Christus op onze dienst aan Hem, in zijn kerk èn de rijkdom en heiligheid van het ambt. Zó spreekt de apostel Paulus tegen de ouderlingen in Efeze, Handelingen 20:28: ‘Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon’. In het ouderlingen-ambt hebben we met het werk van de Heilige Geest te doen èn met de koop door het bloed van Gods eigen Zoon. Dàt is het niveau waarop de kerkenraad moet handelen!”[6].

Noten:
[1]
In het onderstaande gebruik ik onder meer: “Doel kerkrecht veel breder dan naleving van de regels”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 20 maart 1990, p. 2. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010559312%3Ampeg21%3Ap002%3Aa0026 .
[2] Psalm 2:4, 5 en 6.
[3] In deze alinea gebruik ik onder meer: “Jongelingsbondsdag in Spakenburg”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 9 mei 1970, p. 6. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/paper/id/ddd%3A010554604%3Ampeg21%3Ap006%3Aa0090 .
[4] J. Kamphuis, “Eén boek over velerlei kerkrecht”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 4 maart 1989, p. 7. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010558994%3Ampeg21%3Ap007%3Aa0161 .
[5] Achtereenvolgens citeer ik 1 Johannes 2:4, 5, 9, 10 en 11.
[6] Ik citeer uit een interview met J. Kamphuis, dat door dominee A.H. Driest gedateerd werd op woensdag 1 juni 2011. Onder meer te vinden op http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=506 .

Blog op WordPress.com.