gereformeerd leven in nederland

8 augustus 2018

De boodschap van de brand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

‘Wereldwijd brand en verzengende hitte’.
Aldus kopt het Nederlands Dagblad op woensdag 25 juli 2018.
En daaronder staat: “Droogte, wind en hitterecords leiden tot apocalyptische taferelen in Griekenland, Zweden, Californië, Algerije en Japan”[1].
Dat zijn alarmerende woorden in de krant!
Apocalyptische taferelen nog wel!

Het is belangrijk om bij dergelijke berichten Gods Woord te openen.
En dan moeten we concluderen: geduld is een schone zaak; dat geldt zeker als we nadenken over het Goddelijk beleid.

Als er in de kerkgeschiedenis iemand veel geduld heeft moeten oefenen, dan was het Abraham wel. Pas toen zijn Sara en hij hoogbejaard waren, kwam er een zoon. Die zoon was door God beloofd – inderdaad. Maar het echtpaar heeft lang op Isaäk moeten wachten!
Maar wat meer is: God heeft Zich aan Zijn eed gehouden!

Over die eed noteert de schrijver van de brief aan de Hebreeën in hoofdstuk 6: “Mensen ​zweren​ immers bij Iemand die hoger is dan zijzelf, en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak. Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden”[2].

De kerk heeft te maken met haar betrouwbare God!

In die tekst hierboven gaat het over twee onveranderlijke dingen. Welke twee zijn dat dan?
a.
De belofte – die geeft al garanties. Denkt u maar aan Numeri 23, waar de profeet Bileam namens de Here tegen koning Balak zegt: “God is geen man, dat Hij liegen zou, of een mensenkind, dat Hij ergens ​berouw​ over hebben zou. Zou Híj iets zeggen en het dan niet doen? Zou Híj spreken en het niet gestand doen?”[3].
b.
De eed – die geeft nog meer garanties. Denkt u hierbij maar aan de eed van Psalm 110:
“De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen ​berouw​ van hebben:
U bent ​Priester​ voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek”[4].
Over Psalm 110 schrijft een uitlegger onder meer: “In de psalm komt naar voren dat de HERE een speciale relatie heeft met de vorst in Sion. Hij schenkt aan de koning een erepositie en gebruikt hem om Gods volk te beschermen en de vijanden ten onder te brengen. De koning ontvangt ook priesterlijke voorrechten op een wijze die Melchizédek had. Israël heeft steeds het diepe besef gehad dat de HERE de God van de gehele aarde is en dat Hij het waard is overal gediend te worden. Uiteindelijk zal met alle tegenstand afgerekend worden. Hoe gewelddadig dit ook op ons overkomt, het gaat uiteindelijk om Gods recht op aarde”[5].
Met andere woorden:
Gods volk geniet speciale bescherming. Het volk, en de koning die dat volk regeert, moeten gezamenlijk beseffen dat de hemelse Koning Heerser van de hele aarde is. De aarde is Zijn schepping! Zijn eigendom!
We spreken wel eens over mensenrechten. Maar hier gaat het over het recht dat God op de aarde mag laten gelden. Hij heeft de almacht om Zijn plannen door te zetten.

Hij heeft alle mogelijkheden om Zijn kinderen naar de hemelse heerlijkheid te brengen.
De krachten van de hemel zijn geweldig!
Onvoorstelbaar!
En ja – wij mogen het gerust tegen elkaar zeggen: we zijn onderweg naar de stad. De stad waarvan God de Bouwer en de Ontwerper is. In de verte zien we de skyline van de stad al[6].
Wij mogen ons realiseren dat de Heilige Geest in ons leven de leiding heeft. Hij geeft de energie om de eindstreep te halen![7]

Als u het mij vraagt zijn die wereldwijde brand en die verzengende hitte samen een attentiesein voor kerk en wereld.
Jazeker – het is ook een signaal voor de kerk in Nederland. Wij moeten ons realiseren dat onze Heiland in aantocht is. Nee, wij kunnen niet precies zeggen op welke datum Hij arriveren zal.
Maar al Zijn kinderen, ook die in Nederland, weten: Hij komt eraan.
Zij weten: wij moeten met Zijn komst rekening houden.
Zij weten: wij moeten Hem verwachten.
Zij weten: wij moeten niet in paniek raken, maar geduldig en gelovig blijven. En dan geldt: ora et labora – bid en werk.

Dat zo zijnde is het natuurlijk logisch dat kinderen van God in één land zich gaan verzamelen. Zij zullen zich moeten verenigen.
En dan vraag je je, met betrekking tot de Nederlandse situatie, af:
* waarom is de kerkelijke verdeeldheid zo groot?
* waarom komen – bijvoorbeeld – de Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) niet bij elkaar?
We kunnen zeggen: dat ligt aan de harde harten van mensen. En dat is waar.
Maar de kernvraag is: willen wij samen het geduld opbrengen om op Hem te wachten, om vervolgens samen achter Hem aan te gaan?
Natuurlijk kunnen we een lang verhaal houden over oorzaken en gevolg, over ergernissen en frustraties. Dat verhaal laat ik achterwege. Ik herhaal slechts die kernvraag: willen wij samen het geduld opbrengen om op Hem te wachten, om vervolgens samen achter Hem aan te gaan?

Nog één ding.
In het boek ‘Ankerplaatsen van het geloof’ worden negen ankerplaatsen van het geloof genoemd[8][9]. Waar vinden gelovige mensen houvast? Antwoord: dat vinden ze in de Bijbel, in de kerk,  tijdens de preek, in de traditie, de schepping, de ervaring of de menselijke rede.
In dat boek wordt een aantrekkelijk en boeiend beeld geschetst: “In het geloof voel ik me net als een vlieg aan het plafond. Op z’n kop, geen grond onder hem, maar van boven wordt hij vastgehouden”.
Dat is mooi gezegd.
Alleen maar: dat beeld klopt niet. Want geloof is namelijk geen synoniem voor passiviteit. Geloof leert ons om, werkende weg, te wachten op Gods tijd.
In al onze drukte kunnen wij dan toch zingen:
“De HERE is getrouw en sterk,
Hij zal zijn werk voor mij voleinden.
Verlaat niet wat uw hand begon,
o levensbron, wil bijstand zenden”[10].
Zo slagen we erin om geduldig te blijven.
Zo kunnen we Jezus Christus, onze Heiland, volgen; op weg naar de laatste dag van dit aardse bestaan.

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, woensdag 25 juli 2018, p. 1.
[2] Hebreeën 6:16, 17 en 18.
[3] Numeri 23:19.
[4] Psalm 110:4.
[5] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Psalm 110 (‘Boodschap’).
[6] Zie hiervoor ook mijn artikel ‘De smaak te pakken’, hier gepubliceerd op maandag 6 augustus 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/08/06/de-smaak-te-pakken/ .
[7] Zie hiervoor ook mijn artikel ‘Met ongekende pracht’, hier gepubliceerd op dinsdag 7 augustus 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/08/07/met-ongekende-kracht/ .
[8] In deze alinea gebruik ik http://www.hvanveen.nl/2015/07/hebreeen-6-19-20a-ver-anker-d-in-god/ ; geraadpleegd op woensdag 25 juli 2018.
[9] De gegevens van dat boek zijn: Willem Maarten Dekker, Bert Karel Foppen, Bert de Leede, Koos van Noppen (redactie), “Ankerplaatsen: waar geloven houvast vindt”. – VBK Media (Boekencentrum B.V.), 2015. – 144 p.
[10] Psalm 138:4; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

2 augustus 2018

In voor- en tegenspoed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen?”[1]. Dat vraagt Job aan zijn vrouw in hoofdstuk 2 van het gelijknamige Bijbelboek. Zij had tegen hem gezegd: “Houd je nog steeds vast aan je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf”[2].

De echtgenote van Job spreekt woorden waarachter een ook nu nog bekende vraag ligt: waarom laat God de ellende toe terwijl Hij ook macht heeft om ons welstand en welvaart te geven?
Welnu, Job zegt impliciet: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed.
Dat is iets om ook anno Domini 2018 vast te houden.
Daarom noteer ik het nog eens: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed.

Laten wij eerst even naar de historie van Job kijken.

De naam Job betekent: de vijandig behandelde[3].
In het Bijbelboek Job vinden we eerst het droevige verhaal van al het onheil dat Job treft.
Daarna volgen lange gesprekken met drie vrienden: Elifaz, Bildad en Zofar.
Die vrienden zeggen tegen Job: je hebt vast en zeker een grote zonde gedaan; anders overkomt dit jou niet. Die vrienden blijven dat standpunt met verve verdedigen.
Dat laat Job echter niet gebeuren! En in zijn verdediging gaat hij heel ver. Hij roept God ter verantwoording: waarom is dit eigenlijk allemaal geschied?
Er is nog een vierde vriend, Elihu. Elihu is een wijze man. Hij wijst erop dat wij allen tot op het bot zondig zijn. Eigenlijk hebben wij allemaal de grootste ellende verdiend. Ieder mens heeft de Verlosser nodig!

Wat zullen wij van deze dingen zeggen?

Debiteren die eerste drie vrienden – Elifaz, Bildad en Zofar – alleen maar onzin? Welnee. Zij zeggen allerlei dingen die, op zichzelf genomen, waar zijn.
Vandaar dat Paulus in 1 Corinthiërs 3 rustig refereert aan Job 5. Paulus schrijft: “Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: Hij vangt de wijzen in hun sluwheid”[4]. Paulus woorden voeren ons, zoals gezegd, terug naar op Job 5:
“Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid,
zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt”[5].
Maar die drie vrienden knopen de waarheden op een zodanige manier aan elkaar dat er nu een nieuwe boodschap ontstaat. Die boodschap werd hierboven al verwoord: als je in grote problemen komt, is dat jouw eigen schuld; dan heb je een grote zonde begaan!
En dat, geachte lezers, is beslist niet waar.
In Johannes 9 speelt in de geschiedenis van de blindgeborene hetzelfde probleem. En daar zegt Jezus: “Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden”[6].
Wij moeten letten op Gods werk.
Daarom luisteren wij naar Gods Woord in de kerk.
Want dan staan wij sterk!
Job berispt dus zijn vrouw: “Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen?”.
In hoofdstuk 1 was Job alles kwijtgeraakt. Toen zei hij al: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!”[7].

Is die belijdenis nu eigenlijk niet onmenselijk? Bovenmenselijk, zo u wilt? Een beetje zweverig zelfs?
Want je kunt als mens toch niet aan zoveel leed voorbij kijken?
Zeg nu zelf: ook in onze tijd zijn er massa’s mensen die vanuit het verleden allerlei moeilijke dingen met zich meedragen. Al dat leed ligt in een hoekje van het hart. En je hebt er weinig last van. Maar soms komt het zomaar in je gedachten langs. Vijf seconden maar. Maar die gedachte is er onmiskenbaar. Soms komen de herinneringen – bijvoorbeeld – terug in de keuken, als je even een kopje thee voor jezelf zet.
Nee, wij hoeven niet aan allerlei misère voorbij te kijken.
Waarom is er eigenlijk zoveel ellende op de wereld?
Iemand schrijft: “Om een direct antwoord te geven op deze vraag, moeten we – vanuit het oogpunt van Gods genade gezien – eigenlijk zeggen: Omdat Hij genadig is en nog zoveel mogelijk mensen een kans wil geven de toevlucht tot Hem te nemen! Mensen die ontdekken dat ze het in eigen kracht niet kunnen en alles van Hem willen verwachten. Mensen, die eenvoudig op Hem hun vertrouwen stellen”[8].
Wij moeten ons erin trainen om, ook in periodes van tegenspoed, alles van God te verwachten. En laten we wel wezen: wie daarmee begint in goede tijden, heeft het in tijden van kommer en kwel veel minder moeilijk!

Jacobus kijkt in zijn brief ook met een schuin oog naar Job. Hij noteert: “Mijn broeders, neem tot een voorbeeld van het lijden en van het geduld de profeten, die in de Naam van de Heere gesproken hebben. Zie, wij prijzen hen gelukzalig die volharden. U hebt gehoord van de volharding van ​Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en ​barmhartig”[9].

Soms is het erg moeilijk om dat geduld op te brengen.
Denkt u alleen maar aan de natuurramp in Japan in de afgelopen maand juli. Hevige regenval, aardverschuivingen, overstromingen… – wat een verschrikking, wat een nood[10]! Ach, het is maar één van de vele, vele rampen die zich op deze wereld voltrekken. En er zijn momenten waarin de vragen zich opstapelen: waarom? waartoe? wat moeten wij doen?
Laten wij bij alle vragen teruggaan naar de Here. Want Hij beproeft Zijn volk. Hij neemt Zijn kinderen een test af: blijven Mijn kinderen ook nu op Mij vertrouwen?

Laten wij het maar blijven belijden: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed!

Noten:
[1] Job 2:10.
[2] Job 2:9.
[3] In het onderstaande gebruik ik http://christipedia.nl/Artikelen/J/Job_(bijbelboek) en https://holyhome.nl/dhs-018.html ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.
[4] 1 Corinthiërs 3:19.
[5] Job 5:13.
[6] Johannes 9:3.
[7] Job 1:21.
[8] Geciteerd van https://www.amen.nl/artikel/730/waarom-laat-god-zoveel-ellende-toe ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.
[9] Jacobus 5:10 en 11.
[10] Zie hierover bijvoorbeeld https://nos.nl/artikel/2240938-dodental-natuurramp-japan-loopt-op-naar-176-tientallen-nog-vermist.html ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.

24 oktober 2017

Het geduld van Zondag 10

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De kennis van Gods voorzienigheid is ons gegeven om in tegenspoed geduldig te zijn. Zo staat dat in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus.
U kent vast de formulering wel: “Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt?
Antwoord: Om in alle tegenspoed geduldig (…) te zijn”[1].
Om met Romeinen 5 te spreken: “…wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt”[2].
Verdrukking en tegenwerking? Daar krijg je doorzettingsvermogen van!

Die conclusie kunnen we best eens tot ons door laten dringen.
We klagen nogal eens over het gedrag van onze broeders en zusters.
En over kerkenraadsbesluiten. Die zijn, zegt men, vaak kortzichtig. De besluiten zijn niet zelden verkeerd. U kent die verhalen wel.
En over de verdeeldheid in kerkelijk Nederland.
En over het feit dat christenen in de besluitvorming van onze regeerders vaak aan de kant worden gezet, of domweg worden genegeerd.

In het bovenstaande zit voor veel mensen een reden om de kerk te verlaten.
Men beweert dingen als de volgende.
‘Ik heb geen aansluiting meer bij de mensen in de kerk’.
‘De kerkenraad beoordeelt mijn situatie helemaal verkeerd’.
‘In de kerk begrijpt niemand mij’.
‘De kerkelijke verdeeldheid is te wijten aan onwil en stommiteiten van kleinzielige mensen’.
‘Als wij in de wereld niet worden begrepen, moeten wij meer concessies doen; wij mogen de aansluiting niet missen’.
Onbegrip en aansluitingsproblemen: die vormen voor veel mensen redenen om te vertrekken uit de kerk.

Eigenlijk zijn wij, kerkmensen van 2017, reuze verwende types. Als het ons niet zint, zijn we weg. Als er in de kerk dingen gebeuren die ons onwelgevallig zijn, zitten we onmiddellijk in de gordijnen.
Wij zeggen: ‘hier voel ik mij niet thuis’. Of: ‘waarom doet God hier niets aan?’
Terwijl de vraag moet zijn: wat vraagt God van mij, in de omstandigheden van vandaag?
Of ook: wat zegt het Woord van God over onze taak, vandaag?

Als het om die taak gaat, keer ik graag nog even terug naar Romeinen 5.
De hemelse God schenkt ons vrede.
Gods genade vormt het fundament van ons leven.
Wij zijn, als het goed is, vol van Gods heerlijkheid. De hoop op die nu nog onvoorstelbare glorie geeft ons de kracht om gelovig met God te wandelen.
Komt die kracht uit onszelf? Welnee. De Heilige Geest gaat altijd met ons mee, omdat Hij in ons hart woont.
Steeds weer mogen wij het belijden: wij kunnen verder in het leven, omdat onze zonden zijn vergeven; Christus, onze Heiland, heeft voor ons geleden!

In Romeinen 5 staat het zo: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben ​vrede​ bij God door onze Heere ​Jezus​ ​Christus. Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze ​genade​ waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. En dat niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de ​liefde​ van God in onze ​harten​ uitgestort is door de ​Heilige​ Geest, Die ons gegeven is. Want toen wij nog krachteloos waren, is ​Christus​ op de bestemde tijd voor goddelozen gestorven”[3].

Het geduld van Zondag 10 staat bol van perspectief. En van toekomstgerichtheid.
Het geduld van de kerk is daarom iets heel anders dan het geduld van de wereld.
In de wereld heeft geduld iets van doffe berusting. Iets van pessimistische gelatenheid. Iets van passief schokschouderen.
Maar in de kerk weten we: het leven wordt machtig, en de hemel is zonder twijfel prachtig!
Daar weten we: met ons gaat het altijd de goeie kant op!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, vraag en antwoord 28.
[2] Romeinen 5:3.
[3] Romeinen 5:1-6.

18 maart 2016

Gewone vergadering

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Vandaag publiceer ik een artikel naar aanleiding van een gewone Gereformeerde vergadering: een bijeenkomst van gewone Gereformeerde mensen.
De reden voor het publiceren van dat stuk is eenvoudig: ik ben blij dat gewone vergaderingen van Gereformeerden nog bestaan.

Zaterdag 12 maart 2016: de Algemene Vergadering van de Bijbelstudiebond van De Gereformeerde Kerken in Nederland vindt plaats in het Overijsselse Hasselt.
In een zaal van cultureel centrum Het Teeuwland zitten enkele tientallen mensen bijeen. Het zijn afgevaardigden van Bijbelstudieverenigingen. Mijn vrouw is afgevaardigd namens een vrouwenvereniging. En u raadt het al: ik zit er namens een mannenvereniging.

Het is een vergadering waar niet heel veel gebeurt. Zo’n vergadering die pro forma is; een bijeenkomst naar de regels van de Bond.

De vergadering begint even na elven.
Er wordt gesproken over de band met de jeugd van 16+. Er zijn ook jeugdverenigingen van de Bond lid geworden.
Over de voorraad schetsen.
Over een nieuwe schets die in de maak is, over het Bijbelboek Esther.
Er wordt een nieuw bestuurslid gekozen; het is iemand die feeling heeft met jeugd.
Er wordt gepraat over de Bondsdag op 21 mei aanstaande. Daar zal een predikant spreken over een thema dat verband houdt met de bekende Bijbelwoorden: “Weest heilig, want ik ben heilig”. De dominee kan dus spreken over Leviticus 11[1]. Of over 1 Petrus 1[2]. Er zijn eigenlijk Bijbelteksten genoeg die de voorganger er bij kan halen.
Er wordt gesproken over de kosten van de Bondsdag. En over een paar andere dingen.
Na een dik uur is de vergadering afgelopen.
Er wordt nog gezamenlijk geluncht. Er is mosterdsoep, en groente-tomatensoep.
Even voor half twee gaan we weer naar huis.
De gewone Gereformeerde vergadering is voorbij.

Nee, het is allemaal niet erg opwindend. Het is allesbehalve schokkend. Rustgevend bijna.
Misschien zou men een aantal dingen wel per e-mail af kunnen doen. Of per brief.
En misschien zegt iemand wel: is het nu echt nodig om het zo te doen?

Wellicht zouden sommige dingen ietwat efficiënter kunnen worden afgedaan.
Dat kan best zo wezen.
Maar er is meer. Denk ik.

Want waar waar het in de Bijbelstudiebond eigenlijk om?
De kwestie is dat ouderen aan elkaar leren om de Bijbel te bestuderen. Zij stimuleren elkaar. Ze sporen de jeugd aan: doe met ons mee!
Mannen, vrouwen en jongeren geven kennis en wijsheid aan elkaar door.
Gewoon tijdens een verenigingsavond.

Er zijn van die avonden waar je, naar je eigen idee, niet zoveel van meeneemt.
Van die avonden waar u, voor uw gevoel, misschien meer uitdeelt dan u binnenkrijgt.
Van die avonden waar je je een beetje ergert aan het gewauwel over zaken die niet veel met de Bijbel te maken hebben.
Maar er zijn ook van die avonden waar statements gemaakt worden.
Ik herinner me nog dat woord ‘curieuselijk’. Dat kwam langs in een bespreking over Johannes 8. Er werd gewezen op de Nederlandse Geloofsbelijdenis: wij moeten niet “curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods”[3].

De verenigingsavonden zijn, als u het mij vraagt, vaak toch waardevol.
Misschien niet omdat ik er zelf altijd zoveel uit leer.
Maar wellicht wel omdat andere verenigingsleden iets aan mijn inbreng hebben. Dat hoor je natuurlijk niet altijd. Maar dat kan toch best zo zijn. Niet dat ik dat altijd moet weten. Ik ga er eenvoudigweg van uit dat de Heilige Geest mijn spreken gebruikt; Hij is er machtig genoeg voor.

Al die gewone verenigingsavonden worden op zaterdag 12 maart jongstleden ter vergadering ingekaderd.

De voorzitter van de Bijbelstudiebond leest 1 Johannes 2: “Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is”[4].
Het is een tijd waarin grote beslissingen vallen. We leven in een beslissende fase van de wereldhistorie[5].
Dat merk je niet in zo’n vergadering van gewone Gereformeerden. Maar dat is wel zo. Gereformeerden realiseren zich dat vaak pas als zij dat in Gods Woord lezen.

Hierboven staat het reeds vermeld: op die twaalfde maart gaan wij rond 13.30 uur weer op huis aan. Buiten schijnt de zon, die – om het met Mattheüs 5 te zeggen – opgaat over bozen en goeden[6].
Het is wat koud, maar het is duidelijk: de lente genaakt; er komt een nieuwe tijd aan.

Tijdens zo’n gewone vergadering van Gereformeerden gebeurt er niet zoveel.
Maar het werk gaat door. Dat merk je aan alles.
Ach, men zou zo graag meer willen doen. Meer schetsen schrijven. Men zou meer mensen willen bereiken.
Maar de kracht is klein. Het aantal schrijvers is gering. En dus gaan veel dingen langzaam. Langzaam doch gestadig.
En ik? Ik ben blij dat zulke vergaderingen nog kunnen worden gehouden.

Dat, geachte lezer, wil ik vandaag graag even noteren. Bij deze.
In de kantlijn zet ik bij die notitie woorden uit Jacobus 5: “Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij. Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur. Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken”[7].
Geduld is een schone zaak.
En christelijk geduld kent de rust van de naderende triomf.

Laat ik die houding tenslotte met woorden uit 1 Johannes 5 toelichten: “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”[8].

Noten:
[1] Leviticus 11:43, 44 en 45: “Maakt uzelf niet verfoeilijk door enig wemelend gedierte en verontreinigt u daardoor niet, zodat gij daardoor onrein wordt. Want Ik ben de Here, uw God; heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig; verontreinigt uzelf niet door allerlei wemelend gedierte dat op de grond krioelt. Want Ik ben de Here, die u uit het land Egypte heb doen trekken, om u tot een God te zijn; weest heilig, want Ik ben heilig”.
[2] 1 Petrus 1:14,15 en 16: “Voegt u, als gehoorzame kinderen, niet naar de begeerten uit de tijd uwer onwetendheid, maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig”.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13.
[4] 1 Johannes 2:18.
[5] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 1 Johannes 2:18.
[6] Mattheüs 5:43, 44 en 45: “Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen”.
[7] Jacobus 5:7-10.
[8] 1 Johannes 5:3 en 4.

30 december 2015

De Geneesheer glorieert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Het Bijbelhoofdstuk over de genezing van de blindgeborene – Johannes 9 – confronteert ons met een vraag die altijd actueel is[1]. Namelijk deze: hebben wij zwaar gezondigd als we in ons leven veel tegenspoed hebben[2]?
Nee, zegt Jezus. Er is geen direct verband tussen een zware zonde en handicaps.
Zeker, de mensen zijn zondaars.
Zie Romeinen 5: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[3].
Lees Efeziërs 2 ook maar: “…trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns”[4].
Maar er is geen rechtstreeks verband tussen een zonde en een ziekte.

Maar wat is dan wel de oorzaak van ziekte en zwakte?
Op die vraag komt in dit Bijbelhoofdstuk geen antwoord.

In Johannes 9 leren we wel iets over Gods handelwijze: “de werken Gods moesten in hem openbaar worden”[5].
Iets dergelijks schrijft Johannes niet voor het eerst. Kijkt u maar in Johannes 2: “Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem”[6]. Dat gebeurt in Kana, en overal waar Jezus Christus komt. Wij zien het motief van die heerlijkheid ook terug in Bethanië, waar Jezus’ vriend Lazarus overlijdt. Zie Johannes 11: “Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde”[7].
Dat is de taak van kinderen van Gods kinderen: het laten gloriëren van God en Zijn Naam.

In dit verband geldt de stelregel: we moeten werken zolang het dag is. Het wordt namelijk nacht. Niet alleen voor Jezus zelf, maar ook voor Zijn discipelen. En dus ook voor de kerk. Dat moet ons niet verrassen. Jeremia spreekt er in hoofdstuk 13 al over: “Hoort en leent het oor, verheft u niet, want de Here spreekt. Bewijst de Here uw God, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert”[8].

Johannes noteert: “Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen”.
Opnieuw zien we dat Jezus Zijn eigen handelwijze volgt. Een exegeet legt uit: “Nu was het volgens de rabbijnse overlevering op de sabbat alleen maar toegestaan om vloeibare zalf te gebruiken om iemand te genezen. Alles wat daarboven uitging – het zalven met niet-vloeibare zalf en dus ook het mengsel van speeksel en klei – gold als ‘werk’ en was op de sabbat dus verboden (…). De rabbijnen beschouwden dergelijke uiterst gedetailleerde wetten als een ‘omheining van de Thora’, om zeker te stellen dat de hoofdzaken van de Wet in ieder geval niet overtreden zouden worden”[9].
Die eigen werkwijze hoeft Jezus helemaal niet toe te passen. Immers – pas als de blinde man zich in het badwater van Siloam heeft gewassen, kan hij weer zien. De ‘inleidende’ sessie met speeksel en modder is blijkbaar nodig om te tonen dat de Heiland de regie volledig in handen heeft.

De ouders beweren dat zij niet weten Wie hun zoon het zicht gegeven heeft. Er was namelijk al bepaald dat, wanneer iemand hardop zou zeggen dat Jezus de Christus, hij uit de synagoge zou worden gebannen[10].
Die vrees zien we in dit Bijbelboek voortdurend terugkomen.
Bijvoorbeeld in Johannes 7: “En er was veel gemompel over Hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het volk. Toch sprak niemand vrijuit over Hem, uit vrees voor de Joden”[11].
En in Johannes 12: “En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God”[12].
En in Johannes 19: “En daarna vroeg Jozef van Arimathea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe”[13].
En in Johannes 20: “Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u”[14].
Als we die Schriftgedeelten overzien, begrijpen we wel: hier wordt de antithese getekend. Hier wordt strijd geleverd tussen God en satan. Dat gevecht wordt in de wereldgeschiedenis steeds weer gevoerd.
Uiteindelijk worden gelovige mensen al of niet zachtkens uit de kerk verwijderd. Net als in Johannes 16: “Men zal u uit de synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen Gode een heilige dienst te bewijzen”[15].

Maar al te vaak gaat dat gepaard met kerkpolitiek en bedrog.
In Johannes 9 is dat niet anders. De blindgeborene wordt notabene uitgenodigd om zich bij de Farizeeën aan te sluiten, en – in navolging van de kerkleiders – te verklaren dat Jezus een zondaar is[16].
De blindgeborene concludeert uiteindelijk: Jezus heeft een uitzonderlijk wonder gedaan, en dus doet Jezus blijkbaar Gods wil.
De Schriftgeleerden zijn consequent. Ze sluiten de blind geboren man buiten de synagogale gemeenschap.

En dan?
Dan komt Jezus naar die man toe. Geheel in de stijl van Johannes 6: “Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”[17].

Uiteindelijk klinkt de geloofsbelijdenis van de blindgeborene: “Ik geloof, Here”[18].
In Johannes 9 kunnen we tamelijk precies zien hoe Christus het geloof bij de blindgeborene bewerkt:
* vers 11: “de mens, die Jezus genoemd wordt”
* 17: “Hij is een profeet”
* 25: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet”
* 33: “Hij moet wel van God gekomen zijn”
* 36: “wie is Hij (de Zoon des mensen)?”
* 38: “Ik geloof, Here”.
Nee, wij kunnen in onze levens niet altijd zo’n duidelijke opbouw zien. Maar het mag duidelijk zijn: Christus is druk aan het werk!

Johannes 9 stemt, als u het mij vraagt, tot nadenken. Bijvoorbeeld als het gaat om:
a. de manieren waarop wij Gods eer bevorderen
b. ons besef dat het nog dag is
c. ons geduld, want wij moeten accepteren dat God Zijn plan uitvoert en dat wij op Hem moeten wachten
d. de vrees voor de kerkleiders; laten wij niet achter dominees aanlopen!
e. de kloof tussen kerk en wereld, de antithese dus
f. kerkpolitiek; de kerk heeft aan Schrift en belijdenis genoeg; meer is daar niet nodig
g. de wijze waarop de Here in mensenharten werkt.

Laten wij de grote Geneesheer van deze wereld maar bewonderend aanbidden!

Noten:
[1] Vandaag over drie weken, op woensdag 20 januari, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 9:1-10:21 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
Een bewerking van dit artikel is ook een deel van een inleiding over het genoemde Schriftgedeelte; die hoop ik tijdens bovengenoemde bijeenkomst voor te lezen.
[2] In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van het commentaar bij Johannes 9 in de internetversie van de Studiebijbel.
[3] Romeinen 5:12.
[4] Efeziërs 2:3.
[5] Johannes 9:3.
[6] Johannes 2:11.
[7] Johannes 11:4.
[8] Jeremia 13:15 en 16.
[9] Zie de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Johannes 9:14.
[10] Johannes 9:22.
[11] Johannes 7:12 en 13.
[12] Johannes 12:42 en 43.
[13] Johannes 19:38.
[14] Johannes 20:19.
[15] Johannes 16:2.
[16] Johannes 9:24: “Geef Gode de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is”.
[17] Johannes 6:37.
[18] Johannes 9:38.

4 mei 2015

Eben-Haëzer

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Anno 2015 is het woord in de titel van dit artikel nog altijd een bekend woord; in christelijk Nederland, althans[1]. In Rotterdam is een evangelische gemeente die die naam draagt. In Den Helder staat een school met dezelfde naam[2].
Maar wat betekent die naam ook alweer?
Wat zegt ons die betekenis, vandaag de dag?
En heeft Eben-Haëzer nog iets te maken met de dodenherdenking, eigenlijk?

Laten wij maar in 1 Samuël 7 beginnen.
“En Samuël nam een steen en stelde die op tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de HERE geholpen”[3].

Het volk Israël heeft een droevige tijd achter de rug.
De ark van de Here is door de Filistijnen buitgemaakt.
De Filistijnen denken: komaan – als wij die ark ook eens een poosje hebben, dan gaat het vast heel goed met ons. Maar niets blijkt minder waar. In 1 Samuël 5 stapelt de ene Filistijnse rampspoed zich op de andere. Uit arren moede sturen de Filistijnen de ark maar weer terug naar Israël.

Maar de Israëlieten zijn, om met Hebreeën 5 te spreken, traag in het horen geworden[4]. Het duurt, zo leert 1 Samuël 7 ons, welgeteld twintig jaar tot er een echte reformatie komt. Dan vraagt men Samuël namens het volk als woordvoerder op te treden bij de Here[5].

En wat blijkt?
Laten wij maar in de Bijbel lezen.
“Terwijl Samuël bezig was het brandoffer te brengen, rukten de Filistijnen op ten strijde tegen Israël, maar de HERE deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen Israël de nederlaag leden. De mannen van Israël trokken toen uit Mizpa, vervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot beneden Beth-Kar”[6].

Nee, in 1 Samuël 7 is het geen strijd van Samuël, of van welk mens dan ook. Het is een gevecht van de Here. En Hij wint!

Dan richt Samuël een steen op. Dat doet hij natuurlijk niet vanwege de decoratieve waarde daarvan. Die steen betekent ook niet: de Here heeft ons weer overeind geholpen, en nu kunnen wij weer verder. Nee, die steen duidt aan: de Here heeft ons geholpen, en Hij helpt ons ook verder.
Er staat in 1 Samuël 7 dan ook bij: “Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van Israël niet meer binnen. De hand des HEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël”[7].
Als de Here helpt, dan doet Hij het goed. Als de Here helpt, dan helpt Hij structureel.

Wat moeten wij vandaag van dit alles denken?
Wat kunnen we daar heden ten dage nog mee?
Soms denken wij wellicht: de Here helpt eigenlijk helemaal niet. Wat zien we nu van Gods hulp, in de kerkelijke janboel van vandaag? Als er al reformatie komt, zijn de problemen bij tijd en wijle levensgroot. Op bepaalde punten komen, soms op onverwachte momenten, diepe verschillen aan het licht. Omdat Gereformeerde kerken, zoals die in het kerkverband van DGK, zo klein blijven komen mensen elkaar vaak tegen; zo kan het gebeuren dat kleine irritaties en meningsverschillen teveel uitvergroot worden.
Nogmaals vraag ik: wat moeten wij vandaag van dit alles denken?

Ik stel voor dat we er aan denken dat het in dat Bijbelboek 1 Samuël decennia lang heeft geduurd voordat de reformatie echt een volksbeweging werd.
Laten we niet vergeten dat de Verbondsgod ons ook geduld leert. Nee, ik heb het nu niet over lijdzaamheid. Ik schrijf over geduld. Want de Here heeft alles in Zijn handen. Niet slechts de helft of een kwart der gebeurtenissen – maar alles.

We moeten nog meer bedenken.
Want er was niet alleen een steen.
Later was er ook een kruis.
Jezus Christus “…heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd”. Dat zijn woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis[8].
En de Dordtse Leerregels leren ons daar nog bij: “De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen”[9].
Dat betekent niet: de Here heeft voor onze zonden betaald, en nu moet u zichzelf maar een poosje redden. Nee, zegt Hebreeën 13: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”[10]. Daarom kunnen we, mét Mattheüs 6, zeggen: “Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad”[11].

We kunnen het allemaal aan God overlaten.

Het is belangrijk om in het concrete leven te laten zien en horen wat onze motivatie is om dingen aan te pakken. De vraag is steeds: wat is onze drijfveer om activiteiten te ontplooien? Laten wij, als zich een gelegenheid voordoet, niet nalaten om aan te geven dat ons leven altijd door de hemelse God wordt aangestuurd!

Onlangs las ik: “Uit onderzoek blijkt dat vijfentachtig procent van de Nederlanders het belangrijk vindt dat je je in Nederland mag verenigen en eveneens vijfentachtig procent bestempelt vrijwilligers bij stichtingen en verenigingen als onmisbaar”.
En:
“Nederlanders kennen vooral een sociaal belang toe aan stichtingen en verenigingen. Driekwart vindt bijvoorbeeld dat mensen minder eenzaam zijn door het bestaan van deze organisaties. Ook zijn ze belangrijk voor de binding in de samenleving en voor het ondersteunen van zwakkere groepen in onze maatschappij”[12].
Ontegenzeglijk is het waar dat het recht van vereniging uiterst belangrijk is. Vrijwilligers zijn in onze maatschappij hard nodig. Onze wereld moet echt een samenleving wezen. Stichtingen en verenigingen zijn van groot sociaal belang; dat zal ik nimmer ontkennen.
Maar er is één ding dat we nooit mogen vergeten: de wereld is eigendom van God. Hij is de God van hemel en aarde, ja van heel de kosmos.
Om het met woorden uit Psalm 24 te zeggen:
“De aarde is, met al wat leeft,
met al wat zij aan schatten heeft,
het wettig eigendom des Heren[13].
Die tekst “Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen” bevat woorden waarmee u en ik gemakkelijk aan de haal kunnen gaan. Want voordat wij het weten beperken we dat gezegde tot het terrein van de kerk. Daar helpt en zorgt de Here. Als je dus maar zorgt dat je keurig in de kerk blijft, gebeurt er niks. In een dergelijk geval wordt de kerk een reservaat. Een reservaat dat bovendien zorgvuldig wordt geïsoleerd van de wereld.

Maar laten we de zaken helder zien.
Eben-Haëzer: dat had in 1 Samuël 7 niet alleen te maken met de redding van de kerk. Het had alles van doen met het welzijn van een compleet land.
Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen. En Hij helpt ons verder. Hij helpt een heel land verder. Eben-Haëzer – dat heeft ook de kleur van: opdat het met heel ons vaderland wél ga!

En we mogen het weten: de Here strijdt Zélf voor ons.
Hij gaat voorop. Op weg naar Zijn toekomst!

Vandaag is het maandag 4 mei 2015.
Wij herdenken de doden die in de Tweede Wereldoorlog vielen.
Maar u begrijpt het vast wel: in het licht van 1 Samuël 7 hoeft die herdenking niet al te treurig te wezen!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 3 mei 2006.
[2] Zie http://www.ebenhaezer.nl/ en http://www.eben-haezer.nl/  .
[3] 1 Samuël 7:12.
[4] De term ‘traag in het horen’ is afkomstig uit Hebreeën 5:11: “Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen”.
[5] 1 Samuël 7:2 en 3: “Van de dag af, dat de ark in Kirjath-Jearim verbleef, verliep er een geruime tijd – twintig jaar – en het gehele huis Israëls achtervolgde de Here met zijn klachten. Toen zeide Samuël tot het gehele huis Israëls: Indien gij u met uw gehele hart tot de Here bekeert, doet dan de vreemde goden en de Astartes uit uw midden weg en richt uw hart op de Here en dient Hem alleen; dan zal Hij u redden uit de macht der Filistijnen”.
[6] 1 Samuël 7:10 en 11.
[7] 1 Samuël 7:13.
[8] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[9] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 3.
[10] Hebreeën 13:8.
[11] Mattheüs 6:34.
[12] Zie http://christelijknieuws.nl/news/7043/Nederland-vindt-recht-op-verenigen-belangrijk-en-vrijwilligers-onmisbaar (geraadpleegd op woensdag 22 april 2015).
[13] Psalm 24:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.