gereformeerd leven in nederland

1 maart 2018

De verheerlijking in Marcus 9

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

De verheerlijking op de berg is, wat mij betreft, een ietwat merkwaardig Schriftgedeelte.
Wij lezen er over in Marcus 9.

Jezus nam “Petrus​ en ​Jakobus​ en ​Johannes​ mede en leidde hen een hoge berg op, hen alleen. En zijn gedaante veranderde voor hun ogen, en zijn klederen werden schitterend, hel wit, zoals geen voller op aarde ze kan maken. En hun verscheen ​Elia​ met ​Mozes​ en zij waren in gesprek met ​Jezus. En ​Petrus​ antwoordde en zeide tot ​Jezus: ​Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, laten wij drie ​tenten​ opslaan, voor U een, en voor ​Mozes​ een, en voor ​Elia​ een. Want hij wist niet, wat hij antwoorden moest, want zij waren zeer bevreesd. En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en er klonk een stem uit de wolk: Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem. En opeens, rondkijkende, zagen zij niemand meer bij zich dan ​Jezus​ alleen”[1].

Opeens is Elia daar.
En Mozes.
Zij praten met Jezus.
Wat voor wonderlijks gebeurt er eigenlijk op die berg?

De discipelen krijgen een indruk van de hemelse heerlijkheid. Meer dan een impressie is het overigens niet. Voor de hemelse realiteit hebben we op aarde immers geen toereikende omschrijvingen. In de verste verte niet!
Jezus krijgt, om zo te zeggen, een hemels lichaam. Jezus’ hemelse majesteit wordt zichtbaar gemaakt voor zijn leerlingen. Vooraanstaande broeders uit het Oude Testament zijn in volle glorie aanwezig. Een zeer bijzondere gebeurtenis!

Er wordt een gesprek gevoerd.
Waar spreekt men over?
Lucas vertelt het ons in hoofdstuk 9: “Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen”[2]. Het gaat dus over het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus.

Petrus wil de magnifieke glorie, die hij hier ziet, gaarne vasthouden.
Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat de woorden die Jezus over Zijn lijden en opstanding heeft gesproken nog niet in vervulling zijn gegaan.
Maar ach, eigenlijk weet Petrus niet wat hij van deze situatie zeggen moet. Wat kun je als aards mens aanvangen met Jezus in werkelijk oogverblindend schitterende kleren? Hoe reageer je op een gesprek dat Jezus voert met twee Oudtestamentische broeders die je nog nooit hebt gezien en die je nu toch kent? Sommige mensen zouden er sprakeloos van worden. Maar Petrus gooit er van alles uit…

Waarom krijgen de discipelen dit inkijkje?
Dat staat er ook bij: “En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en er klonk een stem uit de wolk: Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem”[3].
Later zal Petrus schrijven: “Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here ​Jezus​ ​Christus​ hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit”[4].
Jezus Christus wordt hier aangewezen als Degene die voorop gaat in de wereld. Petrus, Jacobus en Johannes krijgen de boodschap: luister naar Jezus en volg Hem waar Hij ook gaat!

Luister naar Jezus Christus – veel meer wordt er niet gezegd.
Er komt geen lange uiteenzetting over Christus’ lijden dat eraan komt. En nee, dat heeft – op de keper beschouwd – ook geen nut. Want wie kan de diepte van dat lijden doorgronden? Er is geen mens die voor de zonden van de wereld kan betalen.
Luister naar Jezus Christus – dat is de eenvoudige boodschap voor de discipelen.
Luister naar Jezus Christus – dat is nog steeds de eerste opdracht voor de kerk van vandaag.

En dan?
Dan is het weer stil.
De hemelse glorie is weg.
Alles is weer gewoon.
Jezus is, om zo te zeggen, weer een gewoon mens.
Nee, Hij kiest niet voor de hemel. Hij maakt Zijn werk op aarde af. Hij is de mens waarover de apostel Paulus later aan de christenen in Philippi zal schrijven: “En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van ​Jezus​ zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: ​Jezus​ ​Christus​ is Here, tot eer van God, de Vader!”[5].

Laten wij bij het bovenstaande met nadruk aantekenen dat Jezus Zelf straalt. Zijn gedaante schittert immers.
Er is geen sprake van afstraling. Jezus reflecteert geen heerlijkheid. Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant zei daarover eens: “Hij straalt niet van Gods glorie. Zoals andere profeten, religies. Hij is Gods glorie”[6].
Dat betekent in Marcus 9: Jezus is geen profeet; en nee, een tweede Mozes is Hij ook niet. Nee, Jezus Christus is God. En zo wordt Hij hier ook gepresenteerd – als Zoon van God!
Dat is een kernpunt in deze geschiedenis.
Elia verschijnt op de berg – hoogst belangwekkend!
Mozes komt daar ook – bijzonder opmerkelijk!
Maar Mozes en Elia kunnen ons niet redden. De redding moet komen van onze Zaligmaker, Jezus Christus. Dat moeten wij blijven geloven. Ook in onze tijd.

Vandaag is het donderdag 1 maart 2018. Nog een maand, dan zal het Pasen wezen.
Het is goed om ons vandaag eens te meer te realiseren dat wij het enkel en alleen van onze Heiland moeten verwachten!

Noten:
[1] Marcus 9:2-8.
[2] Lucas 9:31.
[3] Marcus 9:7.
[4] 2 Petrus 1:16.
[5] Philippenzen 2:8-11.
[6] Geciteerd van http://hansjanroosenbrand.nl/wp-content/uploads/2011/09/Preek-over-Marcus-9.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 23 februari 2018.

19 januari 2017

Zorgvuldigheid gezocht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

“Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan. Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
Dat belijden Gereformeerde mensen in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].

Die roep van de Here is onweerstaanbaar. Als Hij mensen roept, komen zij in beweging. Dan worden zij ingezet, op de plaats waar God hen hebben wil. De Here God gebruikt bijvoorbeeld hun aanleg. En hun talenten. En hun vakkundigheid.
Hij roept heel gewone mensen tot grote dingen. Soms zijn die mensen uiteindelijk niet meer dan voetnoten in onze kerkgeschiedenis. Maar voor het werk van de Here zijn zij niet minder belangrijk[2]!

Ware godsdienst gaat gepaard met een grote zorgvuldigheid.
Dat leren wij in 1 Samuël 15.

Dat is een hoofdstuk waarin Saul de opdracht krijgt om het oordeel van de Here over de Amalekieten te voltrekken. Dat volk heeft eens een aanval gedaan op de Israëlieten in de woestijn. Die historie vinden we in Exodus 17[3].
Amalek heeft Gods volk aangevallen! Onvergeeflijk!
Het oordeel van de Here over die wandaad is hard en duidelijk. Dat oordeel staat voor ons opgetekend in Deuteronomium 25: “Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het zó zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!”[4].
Het is dat oordeel dat Saul eeuwen later moet voltrekken. De instructie luidt: “Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel”[5].

De opdracht tot totale uitroeiing der Amalekieten wordt echter maar half uitgevoerd.
Leest u maar mee: “Saul versloeg de Amalekieten vanaf Havila tot in de richting van Sur, dat tegenover Egypte ligt.
Agag, de koning van de Amalekieten, greep hij levend, maar al het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard.
Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban”[6].
En dan volgt een dramatische beslissing.
De God van hemel en aarde zegt: “Ik heb er berouw over dat Ik Saul tot koning aangesteld heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft en Mijn woorden niet uitgevoerd heeft. Samuel was hierdoor diep geschokt en hij riep de hele nacht tot de HEERE”[7].
De Here haalt Saul van de troon af.
Want Samuël zegt: “Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn beter dan het vet van rammen.
Want opstandigheid is een zonde van waarzeggerij,
en tegenstreven is afgoderij en beeldendienst.
Omdat u het woord van de HEERE verworpen hebt,
heeft Hij u verworpen, zodat u geen koning meer zult zijn”[8].

Wat leren wij, anno Domini 2017, uit deze geschiedenis?

Wij leren eerst en vooral dat halve gehoorzaamheid geen gehoorzaamheid is.
Natuurlijk zullen er nu mensen zijn die zeggen: zie je wel, de God van Israël is een heel harde God. Wie dat zegt heeft echter niet goed begrepen wat er in 1 Samuël 15 gebeurt: de Here beschermt Zijn volk.
De maat van de wandaden der Amalekieten is, wat de Here God betreft, vol. En dan is het echt afgelopen! Koning Saul is een Goddelijk instrument om het volk van God in bescherming te nemen. Dat instrumentarium wil niet deugen. Dat instrumentarium brengt eigenzinnig nuances aan bij de uitvoering van Gods instructie. Dat instrumentarium gaat zijn eigen zin doorzetten.

Nu kan men tegenwerpen dat koning Saul iets representeert van Gods liefde. Is het niet een gouden regel dat kinderen van God eerbied moeten hebben voor de schepping, en dus ook voor de mensen die op deze aarde wonen? Dan is het doden van mensen toch niet aan de orde?
Op zichzelf is dat waar.
Maar we moeten niet vergeten dat de Here Zijn kerk beschermt. Daarom heeft hij een dienstbevel uitgevaardigd. En dat dienstbevel is maar half uitgevoerd.

Wordt koning Saul bij dit oordeel uit de hemel gestoten? Wordt koning Saul behouden?
Dat weten wij niet. Daar mogen wij niet over oordelen. Dat hoeft ook niet.
Zeker is wel dat het koningschap van Saul door de Here beëindigd wordt. Maar over Sauls uiteindelijke behoud horen we niets.

Wat betekent dat alles nu concreet voor ons?
Dominee C.G. Bos (1909-1988) schreef eens: “In de slotzin van artikel 28 worden allen die kerkelijk ontrouw zijn, die niet samenkomen waar Christus bijeenroept, ernstig gewaarschuwd, dat zij de Here weerstreven. Over hun uiteindelijk behouden worden wordt geen uitspraak gedaan. Het gaat hier over de plicht, de roeping van allen, te luisteren naar de strem van de Herder en zich door Hem te laten vergaderen tot zijn kudde, zich daar te voegen en te houden, waar Hij zijn kudde weidt. Ongehoorzaamheid aan dit bevel van de Here, kan door geen enkel ‘vroomheidsbetoon’ worden goedgemaakt, vergelijk 1 Samuël 15:22 en 23. Echte vroomheid drijft de eigenzinnigheid uit”[9].

In de kerk steekt het nauw.
Halve gehoorzaamheid blijkt, als het over de toekomst van de kerk gaat, geen gehoorzaamheid te wezen.
Zodra in de kerk een mening wordt onderbouwd met een conclusie die begint met de woorden ‘Ik denk…’ is waakzaamheid geboden. Want die zin moet beginnen met: ‘In Gods Woord staat…’.
Zodra in een kerkgenootschap de eigentijdse cultuur boven de inhoud van Gods Woord komt te staan is grote alertheid op zijn plaats!

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28.
[2] Over de roeping om zich bij de kerk te voegen schreef ik eerder in mijn artikel “Gods roepstem geeft kracht”; hier gepubliceerd op woensdag 4 januari 2017, te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/01/04/gods-roepstem-geeft-kracht/ . En ook in het artikel “Tola en Jaïr”; hier gepubliceerd op maandag 9 januari 2017, te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/01/09/tola-en-jair/ .
[3] Exodus 17:8 en volgende.
[4] Deuteronomium 25:19.
[5] 1 Samuël 15:3.
[6] 1 Samuël 15:7, 8 en 9.
[7] 1 Samuël 15:11.
[8] 1 Samuël 15:22 en 23.
[9] C.G. Bos, “Geloven en belijden 2”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1978. –  p. 71.

20 januari 2016

Uitdaging nodig?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Wordt leven naar Gods wetten makkelijker als wij worden uitgedaagd? Dat zouden we zomaar kunnen denken.

Arie Boomsma, een bekende televisiepresentator, zegt in het Nederlands Dagblad van woensdag 6 januari althans: “Het is moeilijk gericht te blijven op het enige voorbeeld dat we hebben, Jezus Christus, als de discussies om je heen elke dag weer gaan over de verwachtingen van derden, de regels en Bijbelse interpretaties van een zeer diverse achterban. Ik ben ervan overtuigd dat geloof moet leven, geprikkeld moet worden en uitgedaagd.
Dat gebeurt minder wanneer je door geloofsgenoten omgeven bent. Je moet de wereld in, getuigen van de liefde die de kern vormt van ons geloof. Als mediabedrijf heb je daarmee een geweldige opdracht te pakken. Maar je wordt als gezicht van zo’n mediabedrijf ook vanzelfsprekend benaderd over je geloof. Nu is dat niet meer het geval. Ik ben daardoor weer veel harder op zoek naar de kern; bidden om wijsheid en rust, om de juiste invulling van mijn werk voelt nu weer veel urgenter dan toen”[1].
Vroeger werkte Boomsma voor de Evangelische Omroep, daarna bij de KRO-NCRV en nu bij Net5.
Boomsma zegt dus: als je in een onchristelijke omgeving werkt, word je meer uitgedaagd om te zoeken naar de kern van jouw geloof.

Ach, ik begrijp Boomsma wel een beetje.
Zijn redenering lijkt als volgt opgebouwd te zijn:
* in de wereld om ons heen zien wij immers vooral hoe het niet moet.
* als een gelovig mens daar naar kijkt, begrijpt hij al snel hoe waardevol Gods wetten en regels zijn.
* en dan gaat hij daar als vanzelf naar leven.

Toch bevredigen de uitlatingen van Boomsma mij niet.

Zoals Boomsma de zaak voorstelt, is het zo dat geloven makkelijker is als je druk bezig bent in een seculiere samenleving.
Wie in de kerk werkt, heeft het moeilijker. De versnippering in het Nederlandse kerkelijke leven maakt het ingewikkeld. De verhitte discussies werken afstotend. Kort door de bocht gezegd: je wordt er een beetje ziek van, lijkt Boomsma te menen.
Nee, ga dan maar in de wereld staan. Dat is veel eenvoudiger. Suggereert Boomsma.

Dat laatste geloof ik niet.
In de wereld zijn massa’s verschillen. En die verschillen worden soms op harde wijze uitgevochten. In harde discussies op radio en televisie. Tijdens protestbijeenkomsten. Tijdens schietpartijen. Enzovoort.
Wordt geloven makkelijker als wij in de wereld staan? Nee, dat geloof ik niet.
In de wereld kunnen we voor onze ogen zien hoe het afloopt als we ons nauwelijks iets van Gods leefregels aantrekken. In de wereld merken we hoe snel het niveau daalt als mensen hun eigen normen gaan toepassen. In de wereld zien we waar wij terecht komen als wij Gods verbond totaal negeren.

Geloven is moeilijk omdat de zonde ons parten speelt.
Steeds weer wijken wij van Gods wegen af. Wij lopen liever onze eigen route. Onze eigenzinnigheid viert dagelijks hoogtij.
Daarom vinden we geloven vaak zo ingewikkeld.

Het kriebelt bij mij ook omdat geloven een uitdaging genoemd wordt.
Mensen worden uitgenodigd om te geloven. Er zijn reclamecampagnes die mensen er toe moeten verleiden om naar de kerk te gaan.
Is dat naar Gods bedoeling?

In dit verband wil ik vandaag memoreren wat er in Ezra 10 staat.
“Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen. Als iemand niet binnen drie dagen kwam, zou volgens besluit van de oversten en de oudsten al zijn have met de ban worden geslagen, en zou hij uit de gemeente der ballingen worden afgesneden. En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien. Toen stond de priester Ezra op en zeide tot hen: Gij hebt trouwbreuk gepleegd, omdat gij vreemde vrouwen hebt gehuwd; daardoor hebt gij Israëls schuld nog vermeerderd. Maar geeft nu eer aan de Here, de God uwer vaderen, doet wat Hem welgevallig is en scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen. Daarop gaf de gehele gemeente met luider stem ten antwoord: Aldus, naar uw woord, is het aan ons om te doen. Maar het volk is talrijk en het is regentijd, zodat het niet mogelijk is buiten te blijven staan; ook is dit geen werk voor één of twee dagen, want wij hebben in dit opzicht veel overtreden. Laten toch onze oversten optreden voor de gehele gemeente; dan kunnen allen in onze steden, die vreemde vrouwen hebben gehuwd, op vastgestelde tijden verschijnen, en met hen de oudsten en de rechters van elke stad, totdat wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons hebben afgewend”[2].

Worden de Israëlieten hier uitgedaagd?
Het valt te vrezen dat dat niet het geval is. De toon van Ezra is, integendeel, dreigend: ‘En nu… komen jullie… en een beetje snel graag! Regenbuien of niet, vooruit!’.
Ezra roept zijn volksgenoten bijeen. Hij zegt niet: ‘Ach, in die wereld zit u wel goed. Doe uw best daar maar’. Nee, Ezra roept hen bijeen. Uit de wereld naar de kerk, zogezegd.

Ezra zegt: u bent ontrouw!
En de manier waarop u nu aan uw relaties bouwt, maakt het alleen nog maar erger.
Het wordt tijd voor een afscheiding. Het volk moet zich weer apart laten zetten. Mannen, vrouwen en kinderen moeten zich heiligen.

Het volk is het vrijwel unaniem met Ezra eens.
Men neemt allerlei maatregelen om Gods toorn – Zijn brandende toorn! – af te wenden.

Dat is Ezra 10.
Het is een Schriftgedeelte waarin ons de ernst van het leven met God op het hart wordt gebonden.
Als ik dan de woorden van Arie Boomsma lees, dan denk ik: is geloven in de seculiere samenleving een grotere uitdaging dan geloven in de christelijke wereld? Ik geloof het nog steeds niet.

Jazeker, het Evangelie moet op allerlei manieren aan de man en vrouw worden gebracht. Op zondag. En vervolgens ook doordeweeks.
Dat is zo hard nodig, omdat wij uit onszelf zeggen dat de prikkels van de wereld prettiger aanvoelen dan de zondagse prediking.
Dat is noodzakelijk omdat wij, als we onze persoonlijke voorkeuren volgen, meer kapot maken dan ons lief is. De vele gescheurde huwelijken en samengestelde gezinnen leggen er getuigenis van af.

De mensen uit Ezra 10 gingen uiteindelijk weer terug naar huis en haard.
Dat deden zij, zo mogen we wel aannemen, niet in de overtuiging dat geloven in de wereld een stukje makkelijker is dan in de kerk. Die mensen in de tijd van Ezra waren ervan overtuigd dat ze zich moesten reformeren.

Wat mij betreft is de boodschap van Arie Boomsma minder stevig dan die lijkt.

Noten:
[1] Eline de Boo, “De urgentie van Arie Boomsma” – vraaggesprek met Arie Boomsma. In: Nederlands Dagblad, woensdag 6 januari 2016, p. 13.
[2] Ezra 10:7-14.

30 november 2015

Jeremia en onze liturgie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Stelt u zich voor dat een vrouw van haar man gaat scheiden[1].
Natuurlijk is dat iets dat God streng verboden heeft. Maar stel dat een vrouw in 2016 tegen haar man zegt: ik ga bij je weg. In 2017 komt zij bij haar ex-man terug. En weet u wat zij zegt? ‘Ik wil dat je nu weer mijn man wordt. Hoe het in 2018 gaat weet ik nog niet. Maar dat zien we dan wel weer’. Dat zegt zij.

Wat vindt u van zulke praatjes? Ongehoord natuurlijk! Zo werkt dat toch niet?
Ja, dat denkt u.
Maar in Israël werkte het blijkbaar wel zo. Israël had zich met allerlei goden bemoeid. Zeker, de Here was er ook nog. En wees gerust: de Israëlieten kwamen steeds weer bij Hem terug. Daar ging het niet om. Maar in de periodes dat ze bij God weg waren gebeurden er allerlei onoorbare dingen. Iedere keer als de Israëlieten terugkwamen hadden ze een tijd lang een heel innige relatie met God. Tenminste, zo leek het. Ze zeiden ‘Vader’ tegen Hem. Ze kenden Hem nog van vroeger, moet u weten. Vroeger waren ze nog jong en jeugdig. Maar ja, Israëlieten waren hele gewone mensen. En dus werden ze langzaam aan wat ouder. Wat volwassener. Wat zelfstandiger. Ze kenden Vader nog wel. Maar de wereld bleek heel groot. En heel interessant. Daarom maakte het Verbondsvolk graag nog wat uitstapjes.

Een verhaal als het bovenstaande staat ook in Gods Woord.
U komt het tegen in Jeremia 3. Ik citeer: “Het woord des HEREN kwam tot mij: Indien een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van een andere man, zal hij dan nog tot haar terugkeren? Zal niet dat land ten zeerste ontwijd worden? Doch gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars – en dan tot Mij terugkeren? luidt het woord des HEREN. Hef uw ogen op naar de kale heuvels en zie, waar hebt gij u niet laten misbruiken? Aan de wegen hebt gij op hen zitten wachten als een Arabier in de woestijn, en gij hebt het land ontwijd door uw ontuchtigheden en uw boosheid. Zo zijn dan de regenstromen ingehouden en is de late regen niet gekomen; maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij verkiest u niet te schamen. Noemt gij Mij niet van nu af: mijn Vader, de vertrouwde mijner jeugd zijt Gij! Zal Hij immer toornen, of voor altoos de wrok behouden? Zie, zo spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk”[2].

De vergelijking van de Verbondsrelatie tussen God en Zijn volk met een huwelijk, die vinden we vaker in de Bijbel.
Ik wijs u op Jeremia 31: “Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls[3]. En ook op Ezechiël 16, waar Israël gekarakteriseerd wordt: “Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is!”[4].
Maar in Jeremia 2 en 3 is de zaak nogal wat ernstiger: daar is echt een echtscheidingsproces gaande. Het lijkt uit te lopen op verstoting van de trouweloze echtgenote. Emoties genoeg: tere gevoelens, maar ook cynisme. Spot, sarcasme en liefde: ze wisselen elkaar af.

In feite gaat het in Jeremia 3 over liturgie.
Alles draait om de dienst aan Hem. De omgang met de God van het verbond staat centraal. Het volk Israël is in volcontinudienst van de hemelse God. U zou het ‘volks-dienst’ kunnen noemen. En dat woord ‘volksdienst’ is ook de vertaling van het Griekse woord leitourgia. U herkent zonder moeite ons woord ‘liturgie’. Daarom: Jeremia spreekt in feite over liturgische zaken: dienst aan God in de meest brede zin van het woord.

Hoe ging het met de liturgie in Israël?
Wel, die Israëlieten hadden een brede blik. Ze hadden de deuren open gezet. Ze keken hier eens. En ze keken daar eens. Her en der pikten ze wat graantjes op. En het mag gezegd: ze voelden zich er uitstekend bij. Eigenlijk deden die Israëlieten hetzelfde als heel wat mensen in onze tijd: kerkelijk shoppen.

Een protestantse dominee bestudeerde de achtergrond van het Bijbelboek Jeremia.
Hij schreef ondermeer dit: “Jeremia wijst zijn volk erop dat verkiezing ook verplicht tot gehoorzaamheid aan Gods geboden, zowel de godsdienstige (geen afgoden dienen) als de zedelijke en maatschappelijke. Ongehoorzaamheid valt niet te compenseren met liturgie”[5].
Het lijkt me dat ik hier niet uitgebreid hoef te expliceren hoe actueel Jeremia’s profetie op dit punt is. Shoppen is reuze modern. Als u het hier niet kunt vinden gaat u gewoon daar eens kijken. Massa’s mensen willen graag een grotere inbreng in de liturgie. Het kerkbezoek neemt af, ook in de Gereformeerde gezindte; met name in de middagdienst hebben we daarmee van doen.
Kortom: laten we ons Jeremia’s waarschuwing maar aantrekken. En ik stem met die protestantse dominee in: ongehoorzaamheid valt niet te compenseren met liturgie!

We leven in een tijd waarin er heel veel valse schijn is.
Duizenden mensen merken op dat zij best wel godsdienstig zijn. En solidair ook. En sociaal. Maar echt geloof in de God van hemel en aarde, dat is er niet bij. Leven met de verwachting van Gods beloften: dat is terminologie van vroeger. Daar kun je vandaag niet meer mee aankomen, zo heet het.
Het moet ons opvallen dat Gods Woord ook voor die mensen relevant is.
Het Woord is zelfs belangrijk voor mensen die al dat gedoe rond kerk en geloof maar onzin vinden.
Want Jeremia spreekt het volk Israël aan, jazeker. Maar ook andere volken komen aan de beurt: Egyptenaren, Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten, Syriërs, Arabieren…: al die naties worden opgeroepen om te luisteren naar de God van Israël. Dat zien we in de hoofdstukken 46 tot en met 51 van dit Bijbelboek gebeuren.
De macht van God strekt zich uit tot aan de uitersten van de aarde!

In het begin van dit artikel schreef ik dat in Jeremia 3 een echtscheidingsproces gaande is. Het moet uitlopen op een definitieve scheuring. Dat kan haast niet anders.
En toch loopt het allemaal anders af.
Want opeens is daar een kentering: “Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer weder, Afkerigheid, Israël, luidt het woord des HEREN, Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des HEREN, Ik zal niet altoos blijven toornen”[6].

Hoe kan dat nou?
Dat is toch helemaal niet logisch?
Dat is alleen maar te verklaren als wij bedenken dat de Here de Verbondsgod is.
Daar hoort trouw bij.
En genade.
Op verdiensten van onszelf kunnen wij ons dus niet beroemen.
Laat ik nog eens de protestantse dominee citeren die hierboven ook al voorbij kwam: “God heeft Israël verkoren tot Zijn volk. Deze verkiezing heeft Hij bezegeld met een verbond: Ik ben uw God – gij zijt Mijn volk. In dit verbond zijn belofte (Ik ben uw God) en eis (gij zijt Mijn volk) dus onverbrekelijk verbonden”.

Binnen die eis heeft dan ook de erkenning van zonden een plek. De Here zegt het zelf: “Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de HERE, uw God, zijt afgevallen en uw gangen gericht hebt naar de vreemden onder elke groene boom, en naar mijn stem niet hebt gehoord, luidt het woord des HEREN”[7].
Ook wij moeten elke dag weer bekennen dat wij ten principale geen haar beter zijn dan die Israëlieten uit Jeremia 3.
Maar we mogen, nu we op dit punt aangekomen zijn, ook wijzen op het werk van onze “trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”. Zo belijden we dat in de Heidelbergse Catechismus[8].
Die verbinding van Jeremia met onze Here Jezus Christus is niet gekunsteld. Op het eerste gezicht lijkt dat wellicht wel zo. Ik herinner u echter graag aan Mattheüs 16: “Toen Jezus in de omgeving van Caesarea Filippi gekomen was, vroeg Hij zijn discipelen en zeide: Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; anderen: Elia; weer anderen: Jeremia, of één der profeten”[9]. Jeremia verwees in zijn tijd echt door naar Christus. En op diezelfde wijze moet ook de kerk op Christus wijzen. Zonder omwegen. Zonder lange verhalen.

In die liturgie – de liturgie van echte Godsdienst in heel het brede leven – geldt dat Woord dat Jezus Christus, het Hoofd van de kerk, tegen Petrus zei: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”[10].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 27 november 2006.
[2] Jeremia 3:1-5.
[3] Jeremia 31:4 a.
[4] Jeremia 16:32.
[5] Zie http://home.kpn.nl/a.kamermans/jeremia.htm . Geraadpleegd op maandag 9 november 2015.
[6] Jeremia 3:12.
[7] Jeremia 3:13.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[9] Mattheüs 16:13 en 14.
[10] Mattheüs 16:18 en 19.

18 november 2015

Evangelie voor eenvoudigen

Waar heeft Jezus Zijn autoriteit vandaan[1]? En waar heeft Hij Zijn kennis eigenlijk opgedaan?
Dat vragen de mensen zich in Johannes 7 af. “Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?”[2].

Jezus is daar erg duidelijk over. De kennis en de autoriteit die Hij heeft, ontving Hij van Zijn Vader.
En de kwestie is: wie Vaders wil gaat doen, begrijpt ook heel snel iets meer van de grote dingen die de Here met deze wereld van plan is.
Jezus zegt: ik spreek niet vanwege Mijn eigen eer. Het wordt duidelijk: Hij wil niets liever dan Zijn Vader eren.

Zo zitten mensen niet in elkaar.
En de kerkleiders in Johannes 7 zitten helemaal niet zo in elkaar. Hun positie is bijna heilig.
Het komt mij voor dat we dat laatste vandaag wel enig accent mogen geven.

Immers, ten diepste is er in 2015 nog weinig veranderd.
Eigen eer is soms reuze belangrijk, ook al laten we dat slechts heel voorzichtig blijken.
Nu het hierom gaat, denk ik ook aan kleine kerkverbanden. Voor het gemak noem ik het kerkverband waar ikzelf een plaats ontvangen heb: de Gereformeerde kerken (hersteld) (DGK). Wie daar enige leiding geeft, ontvangt bijna automatisch relatief veel gezag. Er wordt naar hem gekeken. Er wordt naar hem geluisterd.
Als dat laatste gebeurt, wat moeten de broeders en zusters in de kerk dan zeggen?
Moeten zij bewonderend mompelen: tjonge, wat een verstandige man is die Broeder Vooraan…?
Nee, zij moeten zeggen: houdt Broeder Vooraan ons op het pad waar de Here ons hebben wil? Zij moeten kritisch blijven en zeggen: wij gaan zien of datgene wat Broeder Vooraan past op de lijn die ons in Gods Woord getekend wordt.
Gezaghebbenden in de kerk zijn, als het goed is, ten diepste dienstbare mensen!
Misschien is Broeder Vooraan een verstandig man. Laten wij, in dat geval, de Here danken dat Hij in de kerk mensen geeft die liefdevol leiding geven.

Er is nog wel meer te zeggen.
Er zijn heel wat mensen die een beetje moe worden van alle discussies over Gods Woord. Zij gaan jeremiëren en zuchten. Zij klagen dat iedereen de Bijbel weer anders uitlegt. Wat moeten ze met al die verschillende exegeses? Waar eindigt al dat gepraat?
Op de lange termijn leggen ze de Bijbel maar een beetje uit het zicht. In het gunstigste geval lezen de klagers er nog wel wat in. Maar van echt studeren komt het niet meer. Want daar wordt het te moeilijk van. Te ingewikkeld. Dat lezen werkt slechts complicerend voor het dagelijks bestaan.
Terecht merkt een uitlegger op: “Alleen wanneer je bereid bent om te gehoorzamen, zul je kunnen ontdekken of een bepaalde uitleg van een bijbelgedeelte een uitleg van mensen is of dat de uitleg de bedoeling van God weergeeft” [3].

De Heiland windt er geen doekjes om.
Hij zegt: u zegt dat u zich aan de wet van Mozes houdt; maar dat doet u helemaal niet. En waarom niet? Omdat de wet van Mozes eigenlijk naar Christus wijst, en naar de beloften die Hij aan Zijn volk geven wil.
“Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?”[4].

Jezus’ luisteraars verklaren Hem voor gek. Stapelgek!
Wie heeft er nou gezegd dat Jezus uit de weg geruimd moet worden? Niemand toch? Dat de kerkleiders, in hun hart en achter gesloten deuren daar wel eens over denken en praten – nee, daar weet de meute niet van.

Johannes 7: goed beschouwd is dat Evangelie voor eenvoudige gelovigen.
Wie Jezus Christus wil eren, moet Zijn wil doen. Zo iemand moet Jezus gehoorzamen.
Kom je dan in een keurslijf terecht? Wordt het leven dan begrensd en beknot?
Zeker niet.
Jezus Christus weet dat de kerkleiders Hem kwijt willen. Jezus is te lastig. Jezus brengt de tot dan toe onbetwiste positie van de Schriftgeleerden in gevaar. Weg met die Man!
De Heiland weet dat allemaal al. Hij gaat willens en wetens de dood in. Want – om met Johannes 3 te spreken: “alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[5].

Johannes 7 is, noteerde ik hierboven, Evangelie voor eenvoudige mensen.
Laatst hoorde ik een kind van 6 jaar aan zijn moeder vragen: ‘Mama, wat is Evangelie?’. Mama vroeg terecht: ‘Zullen we ’t daar later nog eens over hebben?’. Er stond namelijk warm eten op tafel…
Wat is Evangelie?
Dat is – als ik dat vandaag zo mag samenvatten – 4 G.
* God gehoorzamen
* geloven dat Jezus voor onze zonden gestorven is.

Laten we er samen voor vechten om die eenvoud te behouden!

Noten:
[1] Volgende week woensdag, 25 november 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op die bijeenkomst zal Johannes 7 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Johannes 7:15.
[3] In deze alinea gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1015.pdf (pagina 72). Geraadpleegd op donderdag 29 oktober 2015.
[4] Johannes 7:19.
[5] Johannes 3:16.

30 oktober 2015

De drijfveer van de Vrijmaking

In dit artikel gaan we terug in de tijd.

Het is maandag 2 november 1970.
In de op die dag verschijnende editie van het Nederlands Dagblad is de rubriek ‘Persschouw’ opgenomen. Er wordt een artikel geciteerd, dat geschreven is door dominee P. van Gurp. De predikant dient de Gereformeerde kerk te Bunschoten-Spakenburg[1].

In het plaatselijk kerkblad Inverdân schrijft Van Gurp iets naar aanleiding van een door professor C. van der Woude geschreven artikel, dat op 16 oktober in het Gereformeerd Weekblad wordt gepubliceerd.

Van der Woude?
Wie is dat?
Professor C. van der Woude (1896-1983) is tussen 1960 en 1966 aan de Theologische Hogeschool te Kampen (Oudestraat) hoogleraar kerkgeschiedenis, kerkrecht en Latijn.
Van der Woude hecht zeer aan de eenheid binnen de Gereformeerde Kerken. Die eenheid moet zijn inziens worden gehandhaafd door de binding aan de belijdenis.
De kerkelijke strijd die leidt tot de Vrijmaking acht Van der Woude onvermijdelijk. Maar die Vrijmaking vloeit – naar zijn idee – niet zozeer voort uit dogmatische verschillen. Nee, K. Schilder is volgens hem de man van de partijvorming.
Binnen de Gereformeerde Kerken (synodaal) is Van der Woude een gezaghebbend man. Vier keer is hij preses van een Generale Synode; en ook nog een aantal keren scriba[2].
Deze emeritushoogleraar bespreekt in het Gereformeerd Weekblad het Handboek van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Dat handboek bevat belangrijke bijlagen. Zo is de tekst opgenomen van de toespraken die gehouden zijn op de Vrijmakingsmakingsvergadering, die op vrijdag 11 augustus 1944 te Den Haag gehouden werd. Ook zijn er een aantal verslagen van samenkomsten van bezwaarden uit die tijd.

In het Nederlands Dagblad staat te lezen:
“Inderdaad blijkt uit de notities treffend, hoe weloverwogen en doordacht de actie was, die destijds een scheur door de Gereformeerde Kerken trok, en hoe verantwoord en noodzakelijk tot bewaring van de eenheid der kerken het werk van hen, die deze scheur trachtten om te keren of in te perken. De bedoeling is duidelijk. De vrijmaking was weloverwogen en doordacht, namelijk strategisch helemaal uitgedacht. Er was om zo te zeggen een plan de campagne. Een grijpen naar de macht. En daarom was het zo nodig om daartegen op te treden.
Het is bekend dat men van Hervormde zijde geen goed woord over heeft over de Doleantie en dan met name over de rol van dr. Kuyper daarin. Dat is, zegt men dan van a tot z allemaal van te voren berekend. Neen, dan de Afscheiding. Daar kun je tenminste nog respekt hebben voor de geloofsmoed van die mensen. Dat was van hen echt een zaak des harten. Die wisten niet waar ze zouden uitkomen maar werden gedreven door consciëntienood.
Dus wordt nu in het Geref. Weekblad eigenlijk eenzelfde oordeel geveld over de vrijmaking. Een weloverwogen doordachte actie”.

Dominee van Gurp zet in Inverdân de puntjes op de i.
Dat doet hij als volgt.

“Nu moeten we zeggen, dat inderdaad de vrijmaking weloverwogen is geweest. Maar anders dan prof. v. d. Woude bedoelt. Niet in de zin van een strategisch plan opstellen. Maar weloverwogen in de zin zoals Christus heeft gezegd; als ge een toren wilt bouwen, moet u eerst nederzitten en de kosten berekenen. Dat is: gehoorzamen aan de Heere – en dan voor de toekomst maar verwachten dat er lijden en moeite door komt.
Dat is in die tijd ook duidelijk beheersend geweest in de vrijmakingen die er toen kwamen.
Eén voorbeeld. Van Prof. Dr. K. Schilder. Het was op 11 augustus 1944 voor ons, zijn studenten, een hoogtepunt dat we onze professor weer mochten ontmoeten. Hij was jaren lang ondergedoken geweest. En had juist wat meer bewegingsvrijheid gekregen. Na de vergadering van die dag mochten wij een ogenblik met hem samenspreken in de consistorie van de Lutherse kerk.
Daar was hij dan met zijn studenten. Niet licht vergeten we de woorden die hij toen tot ons sprak. Want er was geen spoor van berekening of tactiek in. Integendeel. Hij zette ons vlak voor de rauwe werkelijkheid. Want hij zei tegen ons: mijne heren, ik zie voor u geen toekomst meer in de Gereformeerde Kerken.
Prof. Schilder bedoelde te zeggen: er zullen enkele gemeenten zich vrijmaken en misschien tien of vijftien predikanten. Maar dat is alles. Hij rekende er beslist niet op, dat er plaats zou komen voor ons, studenten. Dat we nog ooit een beroep zouden kunnen krijgen. Dat was een schriftuurlijk woord. Weloverwogen. In de stijl van Christus: je voorbereiden op moeiten en kruis.
En tegelijk blijkt daar wel heel duidelijk uit: hij had niet gerekend op dat verrassende wonder des Heeren, dat zoveel gemeenten zich gingen vrijmaken. Ook de synode had er toen niet op gerekend. Ze zijn ervan geschrokken en hebben al gauw wat water in de wijn gedaan, anders raakten ze nog meer mensen kwijt.
Weloverwogen en doordacht? Ja, in die zin: het was uit geloof. Niet uit berekening. Het was gewoon: neen-zeggen tegen de zonde. En het dan verder aan den Heere overlaten”[3].

Dominee Van Gurp wijst op die bekende gelijkenis uit Lucas 14: “Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen? Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te bespotten, zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien”[4].
Met andere woorden: wie Christus volgen wil, moet goed overwegen of hij de consequenties daarvan wel aan kan. Wie het niet volhoudt, haalt zich de spot van allerlei toeschouwers op de hals.

Wij zijn, om het zo maar uit te drukken, inmiddels alwéér een reformatie verder.
De vrees die professor Schilder in de jaren ’40 van de vorige eeuw in het contact met zijn studenten uitsprak is nu wel werkelijkheid geworden: slechts weinigen zijn echt Gereformeerd gebleven.
Het is, naar de mens gesproken, maar een paar klein en onbetekenend groepje mensen dat nog werkelijk Gereformeerd is.
Maar dat groepje mensen leeft niet bij rekensommen.
Al die mensen leven uit geloof.

In 2015 twijfelen wij wellicht wel eens: doen we dat wel goed, met die afscheidingen en die vrijmaking?
Mijn antwoord is: wij doen het goed als wij de Here eenvoudig gehoorzaam zijn en het verder aan Hem overlaten. Wat dat betreft is er sinds de vorige eeuw nog niets veranderd.

Noten:
[1] Dominee van Gurp diende de gemeenten van Bunschoten-Spakenburg en Spakenburg-Zuid tussen 1968 en 1975.
[2] Zie http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/blnp/ (zoekterm: Van der Woude).
[3] “Geloof of berekening”. In: Nederlands Dagblad, maandag 2 november 1970, p. 2 (rubriek Persschouw). Ook te vinden via www.delpher.nl .
[4] Lucas 14:28, 29 en 30.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.