gereformeerd leven in nederland

7 juni 2022

Gods glorie fonkelt

De Hemelvaartsdag ligt achter ons. De Pinksterdagen zijn gepasseerd. Nu gaan wij weer het gewone leven in. Wij lopen, zegt Hebreeën 12, voort “terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God”[1][2].  

We bevinden ons op de renbaan.
Er dringt zich een vergelijking op met soldaten die hun conditie trainen op de stormbaan. Die conditie is nodig om het vaderland te kunnen verdedigen.
Als je geluk hebt komt de generaal langs om je een hart onder de riem te steken.     
Of desnoods de president. Zoals bijvoorbeeld president Zelensky in Oekraïne. Op zondag 29 mei jongstleden was de leider aan de frontlinie bij Charkov en zei: ‘Ik wil jullie allemaal bedanken. Jullie wagen je leven voor ons allemaal en voor ons land. Bedankt voor het verdedigen van de onafhankelijkheid van Oekraïne. Pas goed op jezelf’.
In Oekraïne is men nog niet zeker van de overwinning.
Maar in de kerk zijn we dat wel. 
Want Jezus Christus is al op het eindpunt. Hij bevindt zich op het culminatiepunt van de wereldgeschiedenis: de hemel, Zijn woonplaats. Daar toont Hij Zijn almacht[3]

Dat heeft Hij altijd al gedaan. De profeten hadden het er al over dat Christus moest lijden en zo Zijn heerlijkheid moest ingaan: “En Hij zei tegen hen – dat zijn de Emmaüsgangers –: O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben!  Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?”.
Hij heeft mensen ingezet om zijn blijde Boodschap de wereld in te brengen. Zo gaat dat in 2022 ook nog. Daarom is de kerk er. Midden in de storm, te midden van het woeden van de wereld richt de kerk haar oog op de Voleinder van het geloof[4].

Jezus Christus is in de tijd die Hij op aarde was diep, diep vernederd.
Maar nu zit Hij op de hoogste troon die er in de wereld is. Hij heeft meer macht dan de heren Poetin, Biden en Zelensky bij elkaar. Ja, alle wereldburgers moeten voor Hem buigen!

Dat brengt de kerk dus tot evangelisatiewerk. En tot zendingswerk.
Die evangelisatie- en zendingsactiviteiten vallen altijd op. Soms worden ze in de wereld druk besproken.
Hoe komt dat?
Omdat de kerk achter Jezus Christus aan gaat. Christus is de afstraling van Gods heerlijkheid, zegt de Hebreeënschrijver in hoofdstuk 1. Wij zien de weerschijn van die glorie in de kerk. Daarom zeggen de omstanders soms: die kerkmensen hébben wat.
Wat is de weerschijn van die glorie precies? Dat wordt omschreven in Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus: “Hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”.
Laten wij goed lezen wat daar genoteerd is.
Er staat niet dat u de hele dag blij moet wezen.
Er staat niet dat een gelovig mens met een brede glimlach zijn werk doet, naar de supermarkt gaat, zijn eten kookt, aan mantelzorg doet en zijn hobby’s beoefent.
Er staat niet dat wijzelf, met een uiterste krachtsinspanning, het laatste restje blijheid uit onze harten moeten opdiepen.
Nee, wij hebben vreugde in ons hart door Christus. Er staat dus wel dat kinderen van God nooit helemaal hopeloos zijn. Wij ontlenen onze levenslust aan Gods beloften voor de toekomst.
Daarom gaan wij de zonden steeds meer mijden.
Paulus schrijft in dat kader aan de Romeinen: “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?”. De zonde is dus geen overheersende macht meer in ons leven.
Laten wij maar eerlijk zijn: daar begrijpen die omstanders weinig van. Die kerkmensen hébben wat… maar wat? Welnu, kerkmensen mogen het uitleggen: dit is de fonkeling van Gods glorie[5].

Jezus Christus zit aan Gods rechterhand. Daar is Hij neergezet. Het is God “uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten”. Zo staat dat in Efeziërs 1. Hij zit daar als Hogepriester. Hij doet dienst in het hemels heiligdom als onze Pleiter: ‘Spreek hem/haar vrij, want Ik heb Mijn lijden volbracht’.
Op die hogepriester moeten wij het oog op houden. Te Zijner tijd zullen wij Hem zien. Hij is, om zo te zeggen, in de wedloop voor ons uit gelopen. Maar daarmee is niet alles gezegd. Want God graveert Zijn wet in onze harten. In Hebreeën 8 wordt het zo geformuleerd: “Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn”. Wij dragen Gods wet in onze harten mee. Wij gaan, om zo te zeggen, gewapend de wereld in![6]

De Hemelvaartsdag ligt achter ons. De Pinksterdagen zijn gepasseerd.
Wij mogen verder gaan door het leven heen, op weg naar het schitterende eindpunt: de hemel, met het rechtstreekse zicht op onze Heiland.
Laten wij onderweg maar volop aan het werk blijven. Met activiteiten die – om  weer met Zondag 33 te spreken – “uit waar geloof, naar de wet van God en tot zijn eer gedaan worden”![7]  

Noten:
[1] Hebreeën 12:2.
[2] In dit artikel wordt aandacht besteed aan Hebreeën 12:2. Op zondag 29 mei 2022 werd in de morgendiensten van De Gereformeerde Kerk Groningen een preek gelezen over Hebreeën 12:2 en 3. Die zondagmiddag werd een preek gelezen over Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus. Beide preken werden geschreven door ds. C. Koster, predikant van De Gereformeerde Kerk Lansingerland. Dit artikel is onder meer het resultaat van een verdere doordenking van die preken.
[3] Het citaat van de Oekraïense president Zelensky komt van https://nos.nl/liveblog/2430606-zelensky-alle-essentiele-infrastructuur-in-severodonetsk-is-vernietigd ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2022.
[4] In deze alinea citeer ik Lucas 24:25,26.
[5] In deze alinea gebruik ik achtereenvolgens Hebreeën 1:3 en Romeinen 6:1,2. Verder citeer ik antwoord 90 uit Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.
[6] In deze alinea gebruik ik achtereenvolgens Efeziërs 1:20 en Hebreeën 8:1. Ik citeer Hebreeën 8:10.
[7] In deze alinea citeer ik een gedeelte van antwoord 91 uit Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus.

19 april 2022

Blijdschap en wijsheid

Genot is in onze maatschappij vandaag het hoogste goed.
‘Je moet wel genieten hoor!’.
‘Geniet er maar van zolang het kan!’.
Zo zeggen de mensen dat.
Dergelijk hedonisme is Gereformeerden vreemd. Wat niet wil zeggen dat genieten geheel verboden is. De Prediker heeft het er in hoofdstuk 9 over: “Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen, want er is geen werk, geen overleg, geen kennis of wijsheid in het graf, waar u naartoe gaat”.
De Prediker schrijft dus: ‘Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken’. Een hersteld hervormde predikant noteert daar onder meer bij: “Zeker, er is dus overal een tijd voor. Ook een tijd om te wenen en te kermen. Maar temidden daarvan, van de moeite en het verdriet, is de oproep van de Prediker onder meer: laat uw klederen te allen tijd – in goede en in kwade dagen – wit zijn; het goede dat de Heere ons geeft, mag niet verborgen blijven in ons leven”.
Genieten is echter niet het hoogste niveau dat men in deze wereld bereiken kan. Het is niet het beste dat er in deze wereld te krijgen is. Kerkmensen weten beter. Want in Psalm 63 zingen zij:
“Uw liefde is het hoogste goed
dat U, o God, mij hebt gegeven,
uw trouw is beter dan het leven,
U bent het die mij juichen doet”.
Het gaat ten diepste niet om aardse genegenheid. Het gaat om Goddelijke liefde.
Het culminatiepunt daarvan hebben we tijdens de Paasdagen weer gezien. Op Golgotha proclameert Jezus Christus: “Het is volbracht!”. Hij staat op uit de dood en opent zo voor al Zijn kinderen de weg naar de hemel![1]

In de Heidelbergse Catechismus leren we: onze Here Jezus Christus is ons door God geschonken “tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing”. Die wijsheid is hard nodig ook!
Want, zo merkt de Prediker op, “een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo doet ook een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer. Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand”[2].
Dat statement brengt ons, naar wij mogen hopen, tot enige bescheidenheid. Immers – hoe vaak roepen wij niet iets geks? Wat zeggen wij vaak dingen die we beter niet hadden kunnen zeggen! Wat zeggen wij vaak woorden die helemaal verkeerd worden opgevat!
We mogen Psalm 141 gerust wat vaker zingen:
“Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen”
En opnieuw komt Pasen in beeld. Laten wij het zeggen met woorden uit een formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal: uit de instelling “van het heilig avondmaal van onze Here Jezus Christus leren wij, dat Hij ons geloof richt op zijn volkomen offer, eenmaal aan het kruis gebracht, als de enige grond van ons heil”.
Als onze woorden tekort schieten mogen wij pleiten op Christus’ werk![3]

“Wijsheid is beter dan wapentuig, maar één zondaar bederft veel goeds”, zegt de Prediker. Daar weten wij ook anno Domini 2022 wel het een en ander van. Vladimir Poetin stapelt kwaad op kwaad. Zijn poging om de gang der geschiedenis te corrigeren levert veel, heel veel bloedvergieten op.
De hervormde dominee en RD-columnist J. Belder wijst op dat woord ‘Eén zondaar bederft veel goeds’ en vervolgens op de wantoestanden die de Russische president aanricht. De predikant schrijft dan: “In het rumoer der volken klinken Jezus’ naderende voetstappen. Hoelang wordt dat al niet gezegd?! Verwachten of verlangen? Beide! Nuchter en waakzaam zijn, en de Heere tegemoetzien met brandend hart en ondertussen doen wat je hand vindt om te doen”.
Dat zijn, wat ons betreft, ware woorden.
Begrijpen we de impliciete oproep van de Prediker? Laat de zonde niet over ons heersen![4]

Gebruik de wijsheid die u hebt, zegt Prediker. In het graf is die niet meer nodig.
Waar vinden we de echte wijsheid? Antwoord: bij onze Here Jezus Christus.
En waar begint die echte wijsheid?
De dichter van Psalm 111 zingt het ons voor:
“’t Begin van ware wijsheid is
– zo leert ons Gods getuigenis –
de HERE als uw God te vrezen.
Wie hiernaar leeft, hij heeft verstand,
hij dient zijn God met hart en hand.
Voor eeuwig wordt Gods naam geprezen”[5][6].

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Prediker 9:7-10 en Johannes 19:30. En uit het Gereformeerd Kerkboek-1986: Psalm 63:2. De bedoelde hersteld hervormde dominee is ds. A.I. Kazen; ik citeer uit de meditatie ‘‘Laat Uw Klederen Te Allen Tijd Wit Zijn…’. In: Zicht op de kerk, donderdag 12 augustus 2021, p. 3.
[2] In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Prediker 10:1,2. En uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 6, antwoord 18.
[3] In deze alinea citeer ik Psalm 141:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986. Het citaat uit het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal staat op pagina 525 van het Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] In deze alinea citeer ik Prediker 9:18. Verder citeer ik ds. J. Belder, “Verlangen” – column in: Reformatorisch Dagblad, maandag 21 maart 2022, p. 25.
[5] Psalm 111:6 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[6] Dit artikel werd geschreven als voorbereiding op een Bijbelstudieavond. De mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen besprak afgelopen woensdagavond, 13 april 2022, Prediker 9:1-10:3.

16 december 2021

Zonnige gedachtewereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Bijna onbekommerd lijkt Paulus het in Philippenzen 4 het te noteren: “… al wat waar is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardigs is, bedenk dat. Wat u ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doe dat; en de God van de vrede zal met u zijn”.
Misschien heeft iemand de neiging om te vragen: is die notitie niet ietwat wereldvreemd? Immers – Paulus kent de wereld toch? Bovendien: Paulus leeft toch niet onder een steen? Hij weet toch wel hoe de wereld eruit ziet? Zonder enige moeite kunnen wij een kenschets schrijven: onze leefomgeving is vol leugen, vol onbeschaamdheid, stampvol onrechtvaardigheid, vol manco’s en mankementen, vol onrecht en onreinheid, vol agressie en haat, stampvol dissonanten…
Hoe komt Paulus er eigenlijk bij om in deze volstrekt zondige wereld aan te dringen op schoonheid en levensvreugde? Wordt de Godsgezant eensklaps ietwat te romantisch?[1]

In Philippenzen 4 vuurt de apostel Paulus zijn lezers aan: hou vol broeders en zusters! Blijf staan in het geloof, schrijft hij. Onenigheid en ruzies moeten, waar mogelijk, worden voorkomen. In de kerk moet altijd eensgezindheid worden gezocht.
U moet elkaar verder helpen, noteert de apostel verder. Hij noemt de namen van twee vrouwen waarvan hij weet dat zij in het boek des levens staan. Over dat boek lezen we in Openbaring 3: “Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen”. En ook in Openbaring 20: “En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het boek des levens. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, overeenkomstig hun werken”. Maar hoe weet Paulus eigenlijk dat de namen van die vrouwen in dat boek staan? Dat vertelt hij er niet bij. Maar zijn formulering wijst ons er wel op dat wij er in de kerk van uit mogen gaan dat de namen van de kerkmensen ook in dat boek des levens staan. Wij zijn met z’n allen op weg naar de meest schitterende toekomst die denkbaar is. Sterker nog, die toekomst is nog beter dan wij ons voor kunnen stellen!  
Wees daar maar blij om, schrijft Paulus in Philippenzen 4, “verblijdt u in de Heere”. In ons leven mogen we onze opgetogenheid laten blijken: alle broeders en zusters in de kerk, inclusief wijzelf, zijn op weg naar een magnifieke toekomst!
Daarom kunnen wij altijd goed geluimd zijn. Wees dus, zegt Paulus, vooral vriendelijk voor alle mensen om u heen.
Zit ons dan nooit wat tegen? Hebben kerkmensen nooit te maken met tegenslag? Ach – dat weten wij wel beter. We zijn allemaal wel eens bezorgd over de toekomst. Hoe gaat het verder? Hoe loopt het af? Maak u maar niet bezorgd, raadt de apostel dringend aan. Blijf vooral in contact met de Here!
Wat gebeurt er dan?
Dan ontvangen wij speciale bewaking. In onze gedachtewereld voert vrede de boventoon. Vrede – omdat wij met en in Christus Jezus leven.
Als Paulus dat alles genoteerd heeft, komt hij met dat bijna sprookjesachtige advies: “… al wat waar is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardigs is – bedenk dat”[2].

Maar zo romantisch is dat advies helemaal niet. Het is de werkelijkheid. Nee, die realiteit is niet gekunsteld. Mensen die door God uitgekozen zijn weten: onze God heeft onze namen opgeschreven in het boek des levens.
Zo komt het dat wij op weg zijn naar ons tweede vaderland.
Zo komt dat het in onze gedachtewereld regelmatig zonnig is: dan bedenken wij mooie en goede dingen. Ons bestaan klinkt nu al prachtig!

Er is perspectief. Met de dood is het niet afgelopen. In het huidige tijdsgewricht moeten wij dat goed voor ogen houden.
Waarom? Dat zal hieronder blijken.
Het Nederlands Dagblad meldde onlangs: “Nederlanders hebben moeite om de dood een plek te geven in hun leven. Daarom zijn nieuwe woorden en rituelen nodig. Dat staat in het advies Stervelingen – Beter samenleven met de dood dat de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) vandaag publiceert (…) Mensen zijn vaak ontredderd als ze te maken krijgen met de dood. Ze hebben er te weinig woorden en uitdrukkingsvormen voor. Het kan dan voorkomen dat mensen geen kaart sturen naar een rouwende persoon, omdat ze bang zijn verkeerde woorden te gebruiken. Terwijl je juist dan elkaar zo hard nodig hebt (…) De RVS wijst ook op het risico van strijdretoriek als mensen een ziekte als kanker hebben. Vaak gaat het dan in de terminologie om vechten tegen de dood. (…) ‘Wij willen niet voorschrijven hoe mensen er wel of niet over moeten praten, maar willen wel wijzen op het risico van oorlogstaal. Alsof mensen die kanker hebben ook nog individueel moeten bewijzen dat ze die ziekte kunnen overwinnen’. (…) ‘We zijn ver doorgeschoten in het maakbaarheidsdenken en het proberen te vermijden van de dood. Terwijl het feit dat we doodgaan een van de weinige zekerheden in het leven is’”.
Waar ligt de oorzaak van het feit dat mensen zo moeilijk met de dood kunnen omgaan? Antwoord: zij zijn hun perspectief kwijt. Wat is het geloof in Jezus Christus belangrijk! Wat voelt het leven anders aan als wij de geloofszekerheid hebben van een woning die in de hemel voor ons gereserveerd is![3]

Laten mensen die met en in Christus leven maar blij zijn met het perspectief dat hen geschonken wordt. Uitzicht op de hemel? Iets mooiers bestaat er niet!

Noten:
[1] In deze alinea citeer ik Philippenzen 4:8 en 9.
[2] In deze alinea citeer ik onder meer Openbaring 3:5 en Openbaring 20:12.
[3] In deze alinea citeer ik uit: “Advies: geef de dood meer plek”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 10 december 2021, p. 1.

15 september 2021

Tegen de pedanterie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Nederland is, om het zo maar te zeggen, een pedant land. Aad Kamsteeg – al jaren verbonden aan het Nederlands Dagblad, thans columnist – schreef op maandag 6 september in het Nederlands Dagblad: “In welk cultureel klimaat leven wij? Onder ons is individuele vrijheid het hoogste goed. Iedereen moet zijn leven vooral zo inrichten als hij zelf wil. Geluk ligt helemaal in het hier en nu, want je leeft maar één keer. Er ligt een deken van verwendheid over onze samenleving. Zelf met kleine tegenslagen gaan we maar moeilijk om. Alom polarisatie. We zijn snel op onze tenen getrapt”.
Hoe wapenen kerkmensen zich in die omgeving?
Hoe zorgen kerkmensen er voor dat die verwendheid geen vat op hen krijgt?
Die vraag kunnen wij beantwoorden als wij Mattheüs 9 als uitgangspunt nemen1.

Wat is het thema in Mattheüs 9?
Het thema is: alles wordt nieuw.
Het werk van Jezus Christus zorgt voor een nieuw begin.
Er komt een prachtige samenleving aan.
Die verheerlijkte maatschappij is met niets vergelijkbaar. Jezus zegt in Mattheüs 9: “Ook zet niemand een lap niet-gekrompen stof op een oud bovenkleed, want de daarop genaaide lap scheurt van het bovenkleed af, en er ontstaat een ergere scheur. Ook doet men geen nieuwe wijn in oude leren zakken; anders barsten de zakken, en de wijn stroomt eruit, en de zakken gaan verloren; maar men doet nieuwe wijn in nieuwe zakken, en beide blijven behouden”.
Een exegeet tekent bij die woorden aan: “Het oude kleed van het jodendom kan men niet met nieuwe lappen herstellen en de nieuwe wijn van het Evangelie kan men niet in oude zakken bewaren”2.

Er komt een nieuw stelsel. Een nieuwe orde. Om in dat nieuwe stelsel, in dat nieuwe koninkrijk binnen te komen is het noodzakelijk om het door Jezus geproclameerde Evangelie te geloven. Het is nodig om ons te bekeren. Vanaf het begin is dat de Boodschap die Jezus brengt: “Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”.
U komt Gods Koninkrijk niet binnen als u zich enkel en alleen maar netjes aan Gods wet houdt. Nee, het gaat om geloof. Het gaat om vertrouwen in Jezus’ werk. Het gaat om het zeker weten: Jezus redt. Het gaat om het wandelen met God, in de richting van een schitterende toekomst, samen met Hem.
Geloven – dat doen wij niet op ons eentje. De hemelse God geeft ons permanente bijstand. Hij houdt ons in het geloof overeind. Hij wijst ons steeds weer op de goede route. Dat is een enorme geruststelling!3

Zo komt er blijdschap in ons leven. Er zindert een zekere vreugde door het zwerk. Nee, we gaan niet voortdurend juichend en jubelend door het leven. Maar altijd is er dat sprankje hoop. Er is nooit een moment dat de vreugde volledig uit het leven verdwenen is.

In welk kerkelijk klimaat leven wij? Als het goed is, is de door Jezus herkregen vrijheid ons hoogste goed. Romeinen 8 noemt die sfeer “de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God”. Die vrijheid bewerkte Hij voor ons vanwege Zijn onmetelijke liefde. Om met Psalm 63 te spreken:
“Uw liefde is het hoogste goed
dat U, o God, mij het gegeven.
Uw trouw is beter dan het leven,
U bent het die mij juichen doet”.
Daarom richten wij ons leven zo in dat wij geheel geconcentreerd kunnen zijn op Jezus Christus, onze Heiland. Geluk ligt niet alleen in het hier en nu. Want na de dood gaat ons leven glorieus verder. Je leeft maar één keer – jazeker. Maar dat leven houdt nooit meer op. Er hangt een feeststemming in de kerk. Als er tegenslagen zijn, zeggen we in de kerk tegen elkaar: ach, straks wordt het allemaal veel mooier. En natuurlijk zouden we graag willen dat zoveel mogelijk mensen die heerlijkheid mee gaan maken. Als het kon, namen we iedereen mee. Daarom is er in de kerk heel vaak een zekere opgetogenheid.
Ziet u dat die sfeerbeschrijving tegengesteld is aan de woorden die Aad Kamsteeg gebruikt om onze maatschappij te typeren? Zien wij thans weer de antithese tussen kerk en wereld?4

Alles wordt nieuw.
Het werk van Jezus Christus zorgt voor een nieuw begin.
De heerlijkheid komt eraan.
Die geloofswetenschap zorgt ervoor dat pedanterie snel verdwijnt. Te Zijner tijd komt er hemelse glorie voor in de plaats!

Noten:
1 Het citaat in deze alinea komt uit: Aad Kamsteeg, “De drie B’s” – column in het Nederlands Dagblad, maandag 6 september 2021, p. 13.
2 In deze alinea citeer ik uit Gods Woord Mattheüs 9:16 en 17. Verder ook het commentaar bij Mattheüs 9:16 uit de onlineversie van de Studiebijbel.
3 In deze alinea citeer ik Mattheüs 4:17.
4 In deze alinea gebruik ik onder meer Romeinen 8:21.

31 augustus 2021

Geloofsbeleving

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Dominee G. Oosterhuis is predikant in Hilversum. Hij dient een samenwerkingsgemeente die ontstaan is uit drie gereformeerde kerken – CGKV De Verbinding. Hij heeft een antwoord gezocht op de vraag: waarom gaan er zoveel jongeren naar een evangelische kerk?
Daarover wordt hij in de krant geïnterviewd1.

Oosterhuis zegt: “Ik had verwacht dat na de eeuwwisseling het hoofdzakelijk om de liturgie zou gaan. Omdat ik veel mensen naar Mozaiek of de Doorbrekers zie gaan. Dat zijn van die grote gemeenten die liturgisch anders in elkaar zitten. Mensen vertellen dat ze daar een gevoel van thuiskomen ervaren in de dienst, dat de vieringen die ze daar hebben meegemaakt, hen nooit meer loslaten. Dat gaat over een persoonlijke bekering, je geroepen weten, dat het geloof over heel je leven gaat. Dat krijgt een plek in een evangelische kerk. In de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ga je naar de kerk om iets nieuws te horen. Daar zeg je achteraf: ‘Dat was interessant ik heb weer veel geleerd’. Dat is wat anders dan in je hart geraakt worden en daar zijn evangelicalen op uit”.
Het gaat dus om de geloofsbeleving. In de formulering van de Hilversumse predikant klinkt het bijna logisch: wilt u meer geloofsbeleving? ga dan naar de evangelischen.

Maar zo simpel ligt dat niet.
Is er bij Gereformeerden geen geloofsbeleving? Zeker wel. We doen niet aan bands en drumstellen. Maar geloofsbeleving is er zeker wel. Dat komt omdat wij het Woord van God lezen. En daarin komen wij veel geloofservaring tegen, die ons vervolgens weer geloofsbeleving geeft.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan Psalm 27:
“Als ik toch niet had geloofd dat ik de goedheid van de Heere
zou zien in het land van de levenden,
ik was vergaan”.
Of aan Romeinen 5: “En dit niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop”.
Of aan 2 Petrus 1: “En daarom moet u zich er met alle inzet op toeleggen om aan uw geloof deugd toe te voegen, aan de deugd kennis, aan de kennis zelfbeheersing, aan de zelfbeheersing volharding, aan de volharding godsvrucht, aan de godsvrucht broederliefde en aan de broederliefde liefde voor iedereen”.
Gods Woord helpt Gereformeerden bij de geloofsbeleving. De Bijbel staat daarbij zelfs centraal. Men kan zeggen: dat is bij de evangelischen niet anders. Men kan er echter niet omheen dat muziek in evangelische diensten niet zelden een zo grote plaats inneemt dat het bijna concerten worden. Misschien ongewild komen dan de zangers, zangeressen en andere musici in het middelpunt te staan. En dat is niet de bedoeling2.

Laten wij nog een ogenblik nadenken over de geloofsbeleving der Gereformeerden.
Omdat de Bijbel bij die beleving centraal staat, kan het gebeuren dat wij bij onszelf zeggen: ‘Mijn beleving staat in Psalm 27, in Romeinen 5, in 2 Petrus 1 – daar wordt omschreven wat ik nu voel. Daar heb ik weinig of niets meer aan toe te voegen’.
Dat is wel te begrijpen. Maar voor onszelf, en niet in het minst ook voor de mensen om ons heen, is het goed om de Bijbel toe te passen in de situatie van alledag. In De Gereformeerde Kerken (DGK) horen en zien wij dat regelmatig gebeuren. Dat is een goede zaak! Maar een ieder weet dat dat lang niet altijd en overal zo gaat. Mensen houden zich vaak stil over de preek. Als het tegenzit verwoorden zij vooral kritische opmerkingen bij de preek, of bij de liturgie. Eigenlijk zouden wij allen ons erin moeten oefenen om na de eredienst tenminste één opmerking over de preek te maken waaruit blijkt dat ons geloof is gesterkt.
Inderdaad – ook de Gereformeerde dominee mag laten blijken dat de preek, en het voorbereiden daarvan, hem tot geloofsbeleving brengt. En laat hij vervolgens niet aarzelen om dat die beleving aan zijn luisteraars over te brengen!
Kennis is noodzakelijk, maar daar moet het niet bij blijven. Het Woord moet gebruikt en toegepast worden: in situaties binnen de kerkelijke gemeente, als we de krant lezen en nieuwsuitzendingen beluisteren of bekijken. In alle omstandigheden van het bestaan leven wij met God. Als het goed is, tenminste…
Laat het maar weer eens gezegd zijn: preken mogen nooit oppervlakkige praatjes worden. Goede exegese is nodig. Een heldere toepassing is van het grootste belang. Anders gaat Gods Woord zomaar buikspreken. En niets is erger dan dat.

Door de Heilige Geest gedreven moeten Gereformeerden – en ook evangelischen natuurlijk! – zich ook open stellen voor Gods Woord, voor het meedoen met de gebeden, en het meezingen met psalmen en gezangen en geestelijke liederen.
Daarbij dienen wij te bedenken dat de preek niet een redevoering is, door het beluisteren waarvan wij altijd iets nieuws leren. Het is wel een middel om ons geloof te versterken. Het is bovendien een middel dat God wil gebruiken om onze geloofsactiviteit in de praktijk te stimuleren.
Nee, geloofsbeleving is niet typisch iets van evangelischen. Gereformeerden beleven hun geloof ook. In gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen zeggen zij in alle toonaarden: Jezus Christus heeft ons verlost van onze zondeschuld, en ons uitzicht op een eeuwig leven met Hem; daarom zal iedereen altijd een vonk van geloofsvreugde in ons leven kunnen zien!

Laten wij tenslotte elkaar voorhouden dat er ook periodes in ons leven kunnen wezen waarin de geloofsbeleving ver te zoeken is. De zonde zit in ons leven ingebakken. Dat het geloof, en met name de beleving daarvan, soms niet zo op de voorgrond staat is derhalve geen wonder.
In zulke situaties is het belangrijk om te blijven bidden. Zelfs als de hemel van koper lijkt te zijn luistert God naar ons gebed. En wij mogen bidden: ‘Here, geef mij de geloofsbeleving terug’. In 2 Petrus 1 – één van de hoofdstukken waar hierboven al uit geciteerd werd – staat niet voor niets: “… beijver u des te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want als u dat doet, zult u nooit struikelen. Want zo zal u in rijke mate de toegang worden verleend tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus”.
Blijf bidden!
Zoek, hoe dan ook, contact met God!
Dan komt het met de geloofsbeleving wel goed. Ja, ook bij Gereformeerden3.

Noten:
1 “Gereformeerd en evangelisch kan”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 21 augustus 2021, p. 7.
2 In deze alinea citeer ik Psalm 27:13, Romeinen 5:3 en 4 en 2 Petrus 1:5-7.
3 In deze alinea citeer ik 2 Petrus 1:10 b en 11.

12 augustus 2021

Antithese in de geloofsblijdschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Op het kerkplein zijn nogal eens problemen aan de orde. Kerkmensen zijn lang niet altijd blij. Dat is heel begrijpelijk. Want zij gaan in de regel niet dansend door de wereld. Intussen moeten zij hun geloofsvreugde niet vergeten!
Dat blijkt al in het Oude Testament. In Deuteronomium 16 bijvoorbeeld: “Het Loofhuttenfeest moet u zeven dagen houden, als u de oogst van uw dorsvloer en van uw perskuip hebt ingezameld. Verblijd u op uw feest, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn. Zeven dagen moet u het feest vieren voor de Heere, uw God, op de plaats die de Heere zal uitkiezen. Want de Heere, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn”1.

De Israëlieten moeten dus werkelijk blij zijn. Zij moeten niet maar doen alsof ze het leven mooi vinden. Zij moeten echt verheugd wezen. Iedereen mag er van meegenieten: de familie, het personeel en bijvoorbeeld ook mensen die alleen zijn.
Wat is de reden van die blijdschap? Antwoord: de zegen van God over alles wat groeit en bloeit.

De profeet Zacharia spreekt ook over het Loofhuttenfeest. Dat doet hij in hoofdstuk 14. In dat kapittel gaat het over de manier waarop de vijanden van Jeruzalem zullen worden gestraft. Al die tegenstanders zullen met vreselijke rampen geconfronteerd worden. Vuur zal bij hen voor enorme brandwonden zorgen. Uiteindelijk worden zij zelfs weggebrand. Ook hun veestapel wordt door het vuur verslonden. Dat alles levert uiteraard grote paniek op. In die paniek gaan de vijandige volken elkaar uitmoorden.
De bewoners van Juda komen de belaagde Jeruzalemmers helpen. De buit zal gigantisch wezen: een overvloed aan goud, zilver en kleding!
Een rest uit de heidenvolken blijft over. Verbijsterd, berooid en totaal onder de indruk komen zij naar Jeruzalem. Daar vieren zij het Loofhuttenfeest mee. Maar o wee, als mensen uit de heidenvolken alsnog weigeren om dat feest mee te vieren! Wie de God van hemel en aarde dan nog steeds niet wil aanbidden, krijgt te maken met nieuwe straffen!
Hoe wordt Zacharia’s profetie precies vervuld? Heel duidelijk is dat niet. Eén ding staat echter als een paal boven water – er is reden voor grote vreugde: de hemelse Heer neemt de macht in de wereld over; Zijn volk zal overwinnen!2

Wij gaan weer terug naar Deuteronomium 16.
In een Studiebijbel wordt bij dat hoofdstuk opgemerkt: “Het is de bedoeling dat christenen de daden van God in Christus zullen gedenken, maar de vormgeving is minder voorgeschreven dan bij Israël. Tevens is het van belang dat wij in de christelijke gemeente gestalte geven aan vreugde, dankbaarheid en gemeenschap, ook voor de minderbedeelden. Daarmee kunnen wij ons onderscheiden van de hedendaagse feesten die vermaak, eigen genot en het zich uitleven centraal stellen”.
‘Je moet genieten’, zegt men tegenwoordig. Inderdaad – daar is niets tegen. Maar de achtergrond van die drie woorden is vaak: op deze wereld moet het gebeuren, want als je dood bent is het klaar. Uit. Afgelopen. Maar dat is een sprookje dat men zichzelf voorhoudt. Waar komt die fabel vandaan? Antwoord: die fabel komt voort uit ongeloof.
Er is dus gelovige blijdschap: vreugde over de gaven die God geeft. De grootste gave is Jezus Christus, onze Heiland. Hij geeft een toekomst waarin wij voor eeuwig zullen leven. Dat is een toekomst waarin nimmer tekorten zullen wezen. Want daar zal God alles in allen wezen!
Er is ook ongelovige blijdschap: gelukkige momenten, tot aan de grens van de dood. Dat is geluk die uitgaat van een scala aan aardse geneugten, zoals: aan jezelf werken; zorg voor voldoende slaap; zorg voor voldoende lichaamsbeweging; omring jezelf met positieve mensen; leer los laten wat anderen van je vinden; geniet van de kleine dingen; lees en kijk geen nieuws; doe iets voor een ander; lach zo veel als je kunt; knuffel vaker.
In Deuteronomium 16 zien we dus de antithese terug: de onoverbrugbare kloof tussen geloof en ongeloof3.

Een uitlegger tekent die kloof heel duidelijk uit. En wel als volgt.
“In Deuteronomium wordt iets nieuws toegevoegd. Het volk heeft de ervaringen van de woestijn achter de rug. Het heeft ondervonden wat in hun hart is. In de veertig jaar die ze in de woestijn hebben rondgetrokken, hebben ze niets geleerd, niet over zichzelf en niet over God Die hen heeft gedragen en verzorgd. In enkele lange toespraken stelt Mozes in dit boek die ervaringen voor, zowel met zichzelf als met God. Hij stelt hun ook de toekomst voor. Voordat ze de Jordaan doorgaan, roept Mozes hen met dit lange boek op tot bezinning. Hij stelt hun de zegen, maar ook de vloek voor. Gods genade hebben ze ervaren, wat zullen ze daarmee doen? De dringende vraag die gaandeweg op het volk afkomt, is deze: Zijn jullie van plan God te dienen of willen jullie je eigen weg gaan?”.
De conclusie is schier onontkoombaar: in de geloofsblijdschap wordt de antithese zichtbaar!4

Noten:
1 Deuteronomium 16:13, 14 en 15.
2 Zie Zacharia 14:12-19.
3 In deze alinea citeer ik uit de onlineversie van de Studiebijbel – commentaar bij Deuteronomium 16:13-17 (‘Boodschap’). Verder gebruik ik https://mamametvrijheid.nl/gelukkig-zijn/ ; geraadpleegd op vrijdag 6 augustus 2021.
4 Het citaat in deze alinea komt uit https://www.oudesporen.nl/Download/OS1008.pdf ; p. 20 en 21.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.