gereformeerd leven in nederland

13 maart 2018

Uniek offer

“Heel zijn lijden en gehoorzaamheid zijn zo zeker ons deel, alsof wij in eigen persoon voor onze zonden alles geleden en onze schuld aan God voldaan hadden”.

“Wij hebben volkomen vergeving van al onze zonden door het enige offer van Jezus Christus, dat Hij zelf éénmaal aan het kruis heeft volbracht”.

Deze formuleringen herkent u wellicht. Ze komen uit de Zondagen 29 en 30 van de Heidelbergse Catechismus[1]. Ze brengen ons bij de kern van het Evangelie.

Maar ze brengen ons ook bij onze motivatie. Bij onze drijfveer, dus.
Als ijverige kerkmensen drukdoenerig in de kerk rondlopen, dan doen ze dat niet om een toegangskaartje voor de hemel te verdienen. Nee, het is hun manier om hun dankbaarheid te uiten voor het feit dat hun schuld kwijtgescholden is. Vanwege dat unieke offer!

De Catechismus is in Zondag 30 heel duidelijk over de gang van zaken in de Rooms-katholieke kerk: “De mis is dus in de grond van de zaak niet anders dan een verloochening van het enige offer en lijden van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij”[2].

Er zijn al heel wat mensen geweest die gezegd hebben dat zij dat een heel harde formulering vinden. Zelfs geleerde theologen spreken van barokke zegswijzen waar teveel polemiek in zit. Vervolgens zeggen zulke geleerden troostend: ‘Vandaag weten wij dat wij allen hetzelfde Evangelie hebben’. Er is, zo stelt men, geen conflict meer met Rome maar een gesprek tussen gelijkwaardige partners[3].
Niettemin gaat het in de Catechismus over de grond van de zaak. Het gaat klaarblijkelijk om de zaak. Het gaat om de leerstellingen. De kwestie draait niet zozeer om personen.
Dat is in de Rooms-katholieke kerk vanouds anders geweest. Daar werden zelfs anathema’s, oftewel: vervloekingen, uitgesproken aan het adres van de reformatoren!
De grond van de zaak is: Christus’ offer was eenmalig; en dat was voldoende om Zijn volk te redden.

Laat ik het met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen: “Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene, eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt”[4].
Dat is de kern van het Evangelie.
Daar gaat het om in de kerk.
Die blijde Boodschap horen we, als het goed is, iedere zondag in allerlei variaties in de kerkdiensten klinken.

Nee, het bijwonen van de kerkdiensten is, om het maar eens modern te zeggen, geen verdienmodel.
Naar de kerk gaan, dat betekent eerst en vooral: ik ben zo blij dat Jezus Christus mij gered heeft; en daarom ben ik hier!

Misschien vraagt iemand zich af: is het nu zo nodig om dit alles zo te accentueren?
In de eenentwintigste eeuw liggen de zaken toch niet meer zo scherp?
Dat laatste, geachte lezer, is een fundamentele misvatting.

Ter illustratie citeer ik een bericht uit een editie van het Nederlands Dagblad die in december 2017 verscheen.
“Paus Franciscus heeft zich tegen geopende winkels op zondag uitgesproken tijdens zijn wekelijkse woensdagcatechese. Hij noemde de vrije zondag een wezenlijke christelijke bijdrage aan de westerse cultuur.
Franciscus wees op ‘sommige geseculariseerde landen waar de christelijke betekenis van de zondag, die door de eucharistie zijn licht ontvangt, verloren is gegaan’. Volgens de paus, die bezig is met een catechesereeks over de betekenis van de eucharistie, hebben christenen de zondagsmis nodig ‘omdat wij slechts door de genade van Jezus, met zijn levende aanwezigheid – in ons en door ons – zijn gebod van de naastenliefde in praktijk kunnen brengen’”[5].
Wat staat hierboven eigenlijk?
* De zondag ontvangt door de eucharistie zijn licht. Dus: de zondag krijgt klaarblijkelijk zijn waarde door het voortdurend herhalen van Christus’ offer!
* Alleen door Jezus’ levende aanwezigheid kunnen we de naastenliefde praktiseren. Dat klinkt toch anders dan de Catechismus: “wij worden door de Heilige Geest ingelijfd bij Christus”[6].
De paus is een tegenstander van de koopzondag. Dat is goed. Alleen maar: wat mij betreft rammelt de argumentatie met hinderlijk veel lawaai!

Intussen confronteert de Rooms-katholieke kerk ons wel met een drang die in alle mensen zit: de burgers van deze wereld willen wat in te brengen hebben, en liefst niet afhankelijk zijn.
De mensen willen zelf iets doen.
De mensen willen iets beleven.
De mensen willen geraakt worden.
En laten we onszelf maar niet bedriegen. Gereformeerden willen ook heel graag iets ervaren.
Nu is dat laatste zeker niet verboden. Denkt u maar aan de Dordtse Leerregels: “Wanneer Gods kinderen nu de uitverkiezing ervaren en er zeker van zijn, ontlenen zij daaraan dagelijks meer reden om zich voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheid te aanbidden, zichzelf te reinigen en Hem, die hen eerst zozeer heeft liefgehad, van hun kant vurig lief te hebben”[7]. De diepe ervaring geeft echter nooit toegang tot de hemel. Met al onze kerkelijke drukte produceren we, om zo te zeggen, geen toegangskaarten voor VIP-plaatsen in Gods woonplaats.

Wat staat Gereformeerde mensen te doen?
Laten wij maar gewoon Hebreeën 10 tot ons laten doordringen: “Want met één offer heeft Hij hen die ​geheiligd​ worden, tot in eeuwigheid volmaakt. En de ​Heilige​ Geest​ getuigt het ons ook. Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het ​verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun ​hart​ geven en Ik zal die in hun verstand schrijven, en aan hun ​zonden​ en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken. Waar er nu ​vergeving​ voor is, is er geen offer voor de ​zonde​ meer nodig”[8].

Noten:
[1] Dit zijn respectievelijk formuleringen uit Zondag 29, antwoord 79 en Zondag 30, antwoord 80.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 30, antwoord 80.
[3] Eén van die theologen was de Gereformeerd-synodale G.C. Berkouwer (1903-1996). Zie voor meer informatie over hem https://nl.wikipedia.org/wiki/Gerrit_Cornelis_Berkouwer ; geraadpleegd op zaterdag 3 maart 2018.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[5] “Paus keert zich tegen koopzondag”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 december 2017, p. 7.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 30, antwoord 80.
[7] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 13.
[8] Hebreeën 10:14-18.

3 november 2017

Jongeren en geloofsbeleving

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Vandaag hebben heel wat mensen de mond vol over geloofsbeleving. En de geloofsbeleving bij jongeren is, wat je noemt, helemaal in de mode.

De mensen praten over de beeldcultuur. Tekeningen en symbolen doen het goed. Soms spreken ook kerkgebouwen of kunstwerken aan.
Muziek is, zo zeggen deskundigen, enorm belangrijk. Met muziek kun je het geloof ervaren.
De Bijbelse geschiedenis moet regelmatig verteld worden. Verhalen blijven namelijk hangen.
Leerstellingen doen het niet best bij de jongeren. Dogma’s moeten, zeggen de experts, op een natuurlijke manier in de verhalen ‘verborgen’ zitten.
Het is van belang om duidelijk te maken welke gedragsregels er uit die dogma’s voortvloeien. Liefde – dat trefwoord staat daarbij bovenaan.
Natuurlijk komen we ook in de wereld liefde tegen. Toch ziet liefde er in de kerk anders uit als in de wereld. Want onze liefde tot andere mensen begint bij God. Daarom, zo concludeert men, raken gelovige jongeren soms in een isolement[1].

Geleerde mensen kunnen daar heel lange verhalen over houden. Wat? Zij schrijven er complete bibliotheken over vol.
Vandaag voeg ik aan dat alles graag een kort woord toe.

In Genesis 8 komt de jeugd prominent in beeld.
Daar lezen we: “En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn ​hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer ​vervloeken​ vanwege de mens; de gedachtespinsels van het ​hart​ van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb”[2].
Dat zegt de God van het verbond na de zondvloed.
Het is Zijn reactie op het offer dat Noach brengt. Het is een dankoffer. Noach leeft nog, en de schepping bestaat nog!
En de Here zegt dan:
* dit was de eerste en de laatste zondvloed
* Ik weet namelijk heel goed dat de mens door en door zondig geworden is
* Ik zal levende mensen en dieren nooit meer volledig wegvagen.
Jazeker, jongeren zijn zondig. Net als de ouderen. Maar bij die constatering blijft het in Genesis 8 niet. Het is het startpunt voor een nieuwe demonstratie van Gods genade. Jongeren hebben nog een heel leven voor zich. De genadige God bederft het zicht op dat jarenlange bestaan niet. Hij zegt: Mijn toorn zal nooit meer zo heftig zijn dat u er onder door gaat. De impliciete boodschap van Genesis 8 is daarom:
* ontplooi de wereld en werk maar aan nieuwe ontwikkelingen
* vindt gerust nieuwe dingen uit
* Ik ben actief aanwezig!
Geeft dat geen mooi perspectief in het leven? Geloofsbeleving is er dan als vanzelf. Want je weet: God is er bij als Ik aan het werk ben. Ik kan iets opbouwen en ik heb de zekerheid dat God het niet stuk maakt!

Nu ga ik naar 2 Timotheüs 2. Daar schrijft Paulus: “Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd. Jaag rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede na, samen met hen die de Heere aanroepen uit een rein hart”[3].
Betekent dit dat je als jongere niks mag? Houdt deze boodschap in dat je voortdurend ingehouden leven moet?
Zeker niet!
Integendeel, zou ik willen uitroepen.
Daar is echter wel een ‘maar’ bij. Jongeren hebben niet zelden de neiging om veel buiten de deur te kijken. Daar is op zichzelf weinig tegen, maar het heeft wel een gevaar in zich. Wie zich vaak in de maatschappij beweegt, en voornamelijk buiten de kerk vrienden maakt, gaat veel kerkelijke zaken relativeren. De volgende stap is dan ook dat de inhoud van Gods Woord gerelativeerd gaat worden.
Even tussendoor – laten we maar eerlijk zijn: er zijn vele ouderen die die maatschappelijke dynamiek der jongeren reuze interessant vinden. Diep in hun hart zouden ze dat voorbeeld wel willen volgen!
Welnu, Paulus roept zijn lezers er in 2 Timotheüs toe op om binnen de kaders van Gods wet te leven. Want anders, zo schrijft hij stilzwijgend, gaat het zomaar van kwaad tot erger. En voordat je ’t weet is de geloofsbeleving weggesijpeld. Dan wordt geloof iets van vroeger. Dan krijgt geloof iets nostalgisch. Dan wordt geloof iets waardevols, dat je bent kwijtgeraakt. Pas daarvoor op!, zegt Paulus.

Praten over geloofsbeleving is tegenwoordig zeer in de mode. Bij ongeveer iedereen, maar vooral bij jongeren.
Laten we ons er vooral niet op verkijken. Want heel vaak verzandt gepraat daarover in conversatie over eigen ervaringen en zo.
Die kant moeten we in de kerk niet op. Laten we maar gewoon blijven Bijbellezen. Als jongeren en ouderen dat zorgvuldig doen, komt God in het leven steeds meer centraal te staan.

Noten:
[1] Zie hierover ook https://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/50999-zeven-aspecten-van-geloofsbeleving-bij-jongeren.html ; geraadpleegd op donderdag 19 oktober 2017.
[2] Genesis 8:21.
[3] 2 Timotheüs 2:22.

31 oktober 2017

Reformatie volgens Zondag 11

Op deze dinsdag, 31 oktober 2017, is het Hervormingsdag. Vijfhonderd jaar is het vandaag geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen publiceerde. Stellingen waarin hij zich keerde tegen misstanden in de Rooms-katholieke kerk.

Op dinsdag 31 oktober 1972 schreef de commentator in het Nederlands Dagblad onder meer:
“Vandaag het in veel kerkelijke gemeenschappen, ook in ons eigen land, erger gesteld dan in de roomse kerk van 1517.
Een opkomende vloed van neo-modernisme dreigt schier alles te overspoelen. De klassieke reformatorische belijdenisgeschriften worden openlijk weersproken, het Woord van God vervlakt en verknoeid tot een puur horizontalistisch maatschappij-kritisch pamflet. Artikel 28 N.G.B. behoort nog altijd tot de officiële grondslag van veel uit de reformatie voortgekomen kerken. Daarin lezen we over de kerk: ‘Zo is het ambt aller gelovigen. volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, hetzij op wat plaats dat God ze gesteld heeft: ook ofschoon het zo ware, dat de Magistraten en plakkaten der Prinsen daar tegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen die zich van haar afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods’.
Ze hebben het waargemaakt, onze reformatorische vaderen! Zij hebben het waargemaakt wat hier in de met martelaarsbloed geschreven confessie als hun en ónze belijdenis staat opgetekend.
Vandaag staat er geen doodstraf of enige andere straf meer op het zich afscheiden van een kerk die zich van haar dwalingen niet wil bekeren, en het zich voegen bij een vergadering die zich gedraagt naar het zuivere Woord Gods. Waar blijft bij duizenden bezwaarden en verontrusten die daad van gehoorzaamheid?”[1].

Het is, ook in de situatie van 2017, belangrijk om die vraag te beantwoorden.

Afgelopen zondag, 29 oktober, ging het in een kerkdienst die ik bijwoonde over Zondag 11 uit de Heidelbergse Catechismus. Die luidt als volgt.
“* Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij ons verlost van al onze zonden, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is.
* Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?
Antwoord: Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem. Want één van beide: òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is”[2].
Het lijkt mij dat de lessen van Zondag 11 onze daad van gehoorzaamheid wel een beetje makkelijker maken.

Wij hebben, als het goed is, alles in Hem wat voor ons behoud nodig is. Daar hoeft niets meer bij.
De inhoud van Gods Woord wordt, als het goed is, niet gecorrigeerd of aangevuld door de cultuur. Natuurlijk, de uitleg van de Bijbel gebeurt in hedendaags Nederlands; en dat is maar goed ook. Maar de boodschap van Gods Woord verandert niet door ons cultuurbepaald gediscussieer.
Bevindelijkheid of beleving is op het kerkplein zeker niet het belangrijkste. De sfeer in de kerkdiensten en onze ervaringen op zondag staan, naar wij mogen hopen, niet op plaats één op de lijst der prioriteiten. Want daar staan Gods Woord, en de consequenties die dat Woord voor ons doen en laten hebben moet.

Ook in 2017 moeten wij hervormd worden.
Ge-re-formeerd, zo u wilt.
Er moet dagelijkse bekering wezen.
In de dienst aan God moeten we ons zelf offeren. Op-offeren. Weg-cijferen, zo u wilt.
In de Bijbel lezen we dat de Farizeeën de godsdienst steeds vaker uit een oceaan van regels en voorschriften lieten bestaan: “Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren”[3].
Mede daarom zegt Jezus in Mattheüs 11: “Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven”[4].

Hervormingsdag, dat betekent in ieder geval: weg met de drukte in de eredienst.
Ban de persoonlijke vindingrijkheid uit.
Probeer niet origineel te zijn, met drama en theater. Of met leuke bandjes en met prettig ogende sketches.
Laat het Evangelie verkondigd worden. Laat de prediking actueel en Geest-driftig wezen.
Dat geeft rust in de kerk!

Noten:
[1] “Hervormingsdag”. Hoofdartikel in: Nederlands Dagblad, dinsdag 31 oktober 1972, p. 1.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, vragen en antwoorden 29 en 30.
[3] Mattheüs 23:4.
[4] Mattheüs 11:28.

13 juli 2017

Geloofservaring volgens Romeinen 5

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het woord ‘bevinding’ komt slechts eenmaal in de Bijbel voor.
Namelijk in de Statenvertaling van Romeinen 5: “Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;
En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;
En de hoop beschaamt niet, omdat de ​liefde​ Gods in onze ​harten​ uitgestort is door de ​Heilige​ Geest, Die ons is gegeven”[1].
In de Herziene Statenvertaling staat in plaats van ‘bevinding’ ondervinding.

Dr. J. Hoek en dr. W. Verboom schrijven in een onlangs verschenen boek:
“In het ingeburgerde spraakgebruik wordt een veel bredere inhoud gegeven aan het begrip ‘bevinding’ dan op deze ene tekst gebaseerd kan worden.
Wij doen dat ook en vatten bevinding op als de doorleving van het geloof in de drie-enige God dankzij het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Dit betreft zowel het individuele leven van de gelovige alsook de gemeenschappelijke geloofsbeleving van Christus’ gemeente, en dat zowel in de binnenkamer als in de buitenwereld.
Kort gezegd: existentieel geloven.
We reserveren het woord ‘bevinding’ voor bijbels verantwoorde, Schriftuurlijk geijkte geloofservaring”[2].

De beide theologen schrijven in dat boek ook: “Wanneer alleen het verstand de toon zet en de dienst uitmaakt, komen we niet verder dan het voor waar houden van een aantal proposities. We nemen dan bepaalde waarheden aan, zoals ‘dat er een God is’, ‘dat de Bijbel Gods Woord is’, ‘dat Jezus de Redder is’. Je zou dat als stellingen kunnen beamen zonder dat je er heet of koud van wordt. Zoiets als: ‘In 1600 was de slag bij Nieuwpoort’. So what? Wat verandert er voor mij wezenlijk als er in 1600 helemaal geen slag bij Nieuwpoort is geweest? Aannemen dat er in 1600 een slag bij Nieuwpoort was, is van een totaal andere orde dan geloven dat God mijn hemelse Vader is. Het eerste heeft geen impact op mijn leven hier en nu, het tweede stempelt mijn hele leven als ik het echt geloof”[3].

Nee, Schriftuurlijke geloofservaring is niet verkeerd.
Maar terecht schreef iemand: “Er zijn (….) veel christenen die geregeld naar de kerk gaan en die blijven hinken op twee gedachten. Zij dienen de HERE, maar toch ook de tijdgeest. Zij zien wel wat in de Bijbel, maar we moeten andere godsdiensten ook in hun waarde laten. Zij geloven in de Bijbel, maar geven de wetenschap met hun Schriftkritiek ook een grote plaats in hun denken.
Ook de twijfelvragen: Ben ik wel wedergeboren? en: Is mijn bevinding wel echt? doen iemand op twee gedachten hinken.
Laten wij de HERE bidden dat er veel jonge mensen komen die overtuigd de HERE vrezen. Er zijn veel mensen die zich laten meevoeren met de grote stroom van mensen die offeren aan tijdgeest en wetenschap. Die hinken op twee gedachten en niet de besliste keuze voor de HERE maken”[4].
Ons geloof mag en moet een geloof zijn zonder reserves. Zonder vraagtekens: is mijn geloof wel echt? Of zelfs: word ik wel behouden?

Laat ik terugkeren naar Romeinen 5.
In het vierde vers van dat hoofdstuk staat het woord dokime. Dat betekent: gebleken echtheid, beproefdheid.
Gebleken echtheid dus. Dat is in ieder geval geen geloof dat gekenmerkt wordt door onzekerheid.

Wij vinden dat woord op verschillende plekken in het Nieuwe Testament.
Ik zet de vindplaatsen op een rij:
Romeinen 5: “en de volharding beproefdheid
Nog eens in hetzelfde vers van Romeinen 5: “en de beproefdheid hoop”[5]
2 Corinthiërs 2: “…dat ik zou weten, of ik op u rekenen kon, letterlijk: dat ik uw beproefdheid zou leren kennen”[6]
2 Corinthiërs 8: “…doordat zij beproefd zijn gebleken in veel verdrukking, letterlijk: door veel beproefdheid in verdrukking”[7]
2 Corinthiërs 9: “Want door dit duidelijk blijk van hulpbetoon prijzen zij God”[8].
2 Corinthiërs 13: “gij zoekt nu eenmaal het bewijs, dat Christus in mij spreekt”[9]
Philippenzen 2: “Zijn beproefde trouw kent gij echter”[10][11].

Dokime: dat is dus niet iets vaags. Dat maken sommige kerkmensen ervan. Maar daar zit een fundamentele misvatting achter.
Het gaat over echtheid.
Wij spreken over geloof dat zich bewijst.

Geloofservaring is prachtig.
Het is mooi als mensen kunnen vertellen over de dingen die de Here God in hun leven heeft gedaan, en nog doet.
Laten wij van geloofservaring vooral niet iets vaags maken. Iets mistigs. Iets wazigs.
Want dan schiet de bevinding haar doel voorbij.

Noten:
[1] Romeinen 5:3, 4 en 5.
[2] Dr. Jan Hoek en dr. Wim Verboom, “Met hart en ziel geloven; over bevinding”. – Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 2017. – p. 12.
[3] Hoek en Verboom, a.w., p. 13.
[4] J. Sikkens-Salomons, “Als onze kinderen de Here vrezen”. In: De Bazuin, jaargang 8, nr 15. Te vinden op http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/1348 ; geraadpleegd op maandag 26 juni 2017.
[5] Romeinen 5:4.
[6] 2 Corinthiërs 2:9.
[7] 2 Corinthiërs 8:2.
[8] 2 Corinthiërs 9:13.
[9] 2 Corinthiërs 13:3.
[10] Philippenzen 2:22.
[11] Dit lijstje ontleen ik aan de webversie van de Studiebijbel; woordstudie dokime bij Romeinen 5:4.

19 mei 2016

Essentiële ervaring

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Waarom zitten wij in de kerk?
Om naar de preek te luisteren. Natuurlijk. In de kerk zijn de hemelse God en Zijn aardse kinderen bijeen.
We willen meer over God weten. We willen meer van God begrijpen.
Daar bidden wij ook vaak om.

Soms hoort men wel eens zeggen dat we God niet kunnen begrijpen. En daarom, vervolgt men dan, mogen we dat in de kerk ook niet vragen.

Is dat waar?

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen we: “Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen”[1]. En: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”[2].
Daarom zeg ik: wij mogen er best om vragen om God beter te begrijpen.
Maar ik zeg ook: hier op aarde zullen wij Hem nooit helemaal begrijpen.

Onlangs kwam ik een oud artikel tegen waarin dominee Makita werd geïnterviewd[3]. Makita was indertijd rector van het seminarie van de Gereformeerde Kerk in het Japanse Kobe. Hij werd onder meer opgeleid op universiteiten in Wuppertal en Bonn, en ook aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen[4].
Het valt op dat Makita ertoe oproept de ervaring niet geheel uit te schakelen.

Er ontstaat, merkt hij op, zomaar een zekere eenzijdigheid.
“Uit reactie vaak. Uit reactie op de vrijzinnige theologie, op het modernisme met zijn valse leer. En dus concentreren wij ons sterk op de zuivere leer. Uit reactie ook op het subjectivisme met zijn valse ervaringen. En dus vallen wij vooral terug op objectieve prediking. Uit reactie ook op het sterk emotionele van pinksterbewegingen en charismatische groepen. Ja, het is allemaal begrijpelijk. Maar het is belangrijk te bedenken, dat er méér is dan alleen de leer”.

Over de positie van Gods kinderen in de moderne tijd, merkt de predikant op: “Ik geloof dat heilshistorisch preken goed is. Maar heilsgeschiedenis is ook verbondsgeschiedenis: God met Zijn volk. Het verbond is mijn argument om ook voor de menselijke ervaring aandacht te vragen. God heeft altijd het initiatief; Hij gaat om met Zijn volk. Hij komt van bovenaf onze geschiedenis in. Maar van daaruit moet er ook aandacht zijn voor de ervaring van het volk van God. God gaat om met ons, ons mensen. Dat betekent dat wij als predikanten altijd moeten nadenken over de werkelijke situatie waarin de gemeente verkeert. Met het oog daarop is het nodig dat een dominee diepe, persoonlijke gesprekken voert met gemeenteleden. Hij moet met hen bidden. In dat geval kunnen we de werken van de Heilige Geest verwachten”.
Schakel de menselijke ervaring niet uit, zegt dominee Makita.
Het is belangrijk dat de dominee de persoonlijke situatie van gemeenteleden goed kent.

Dominee Makita zegt zelfs: “Ik heb in dit verband veel gehad aan een onderscheiding die de Duitse theoloog Rudolf Bohren heeft gemaakt. Hij zegt: we hebben in feite met twéé teksten te maken.
De eerste tekst is die van de Bijbel, de tweede die van de gemeente. Tussen die beide in staat de prediking. Natuurlijk is de tekst van God, de Bijbel, het belangrijkst, de basis, het vertrekpunt. Maar we vergeten soms die andere ‘tekst’, die van de gemeenteleden. We moeten ook ons best doen hun problemen, hun achtergrond, hun situatie te exegetiseren”.
En: “Met het oog op dat laatste heb ik thuis vaak de maaltijd gebruikt met jonge mensen. We voerden dan hele gesprekken, heel persoonlijke. Dat heeft trouwens toch de voorkeur: een individuele benadering, of in kleine groepen. Dan komt het gemakkelijkst naar buiten wat in iemands hart leeft. Zielszorg is het brengen van Gods Woord tot heel persoonlijke mensen”.

Dat geeft ook een nieuw perspectief in het leven van de kerkelijke gemeente.
“Bij Calvijn vind je in het derde boek van de Institutie de pneumatologie terug: gemeenschap –eenheid- met Christus door de Heilige Geest. Maar functioneert dat wel echt in de gemeente? Gods Woord moet zuiver gepreekt worden, maar ook worden aangenomen, beantwoord en gehoorzaamd. Onder ons denken we echter vaak: we hebben de zuivere leer, een goede exegese, en dus zijn we ware kerk. Maar het volgen van onze Heiland hoort er ook bij”.
En:
“Kerk zijn betekent gemeenschap hebben met de Heilige Geest. Gods Woord moet in de gemeente echt macht hebben, beheerst worden door Christus. Wij moeten als predikanten de juiste leer brengen. Maar gemeenteleden moeten aan het Woord gehoorzaam zijn”.

Het bovenstaande leert ons dat wij de ervaring nooit volledig mogen uitschakelen.
Als wij dat wel doen, ontstaat er een leefgemeenschap waarin wetten en regels wellicht streng worden nageleefd, maar waar men ten onrechte ook wordt geoefend in hardheid, in ongevoeligheid.
Die kant moet het met de kerk niet op!

Dominee Makita vraagt in dat verband ook aandacht voor de kinderen in de kerk.
“Wij zeggen vaak tegen onze kinderen: je moet rustig zitten.
Ook daarin zit iets van dat mechanische: de Geest zal hoe-dan-ook wel werken.
Maar kinderen in de kerkdienst hebben ook rechten. Ze hebben het recht de preek te kunnen begrijpen. Natuurlijk toch? Zij nemen toch niet voor niets aan de eredienst deel? Dan moet de predikant ook serieus met de kinderen rekenen: geen theologische uitdrukkingen, geen moeilijke begrippen, veel uitleggen, omschrijven, voorbeelden gebruiken die aanspreken. Ik heb de kinderen na afloop van de preek vaak gevraagd: Zeg eens eerlijk, heb je het begrepen?”.

In de kerk willen wij meer over God weten. We willen meer van God begrijpen.
Daar bidden wij ook vaak om.
Het is niet verkeerd om daar om te vragen.
Maar laten wij vooral vragen om geloof. En om geloofservaring. Daar wordt het leven mooier van. Al doende bereiden wij ons voor op een prachtige toekomst. In de hemel.

Die toekomst is mooi.
Onbeschrijflijk mooi.
Onbegrijpelijk mooi.

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[3] “Prof. Makita: dominee heeft te maken met twee teksten”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 juni 1994, p. 13. Ook te vinden via www.delpher.nl . Het interview werd afgenomen door A. Kamsteeg.
[4] Zie http://www.yamadachurch.org/contents/engpastor.htm . Geraadpleegd op woensdag 11 mei 2016.

7 december 2015

Geloof en verstand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Bijbellezen doen u en ik elke dag[1]. Het is een mooi voorbeeld van een verbondsactiviteit.

Er zijn mensen die zeggen: dat Bijbellezen is een kwestie van beleving. Lezers ervaren dat God bij hen is. Zouden die mensen gelijk hebben? Het lijkt er soms wel op. Immers: we hoeven geen cursus volgen voordat we de Bijbel begrijpen.

Op dit terrein doet zich echter een probleem voor.
Want die mensen die zeggen dat u en ik geen cursus hoeven volgen, zeggen er meestal iets bij. Zij poneren met veel aplomb dat we dus ons verstand niet hoeven te gebruiken. Dat is onnodig, beweren ze. Het is onzinnig, stellen zij vast. Geloof moet u namelijk ervaren. Dáár gaat het om.

Maar laten we wél wezen: het is helemaal geen onzin om uw verstand te gebruiken bij het lezen van Gods Woord. Natuurlijk kan verstandelijk redeneren bij het Bijbellezen gevaarlijk zijn. Maar daarom is denken over geloofszaken nog niet verkeerd.

Hoe gek dat wellicht ook klinkt: het bovenstaande is een kwestie van alle tijden[2].

Augustinus schreef ooit een boek dat “Doctrina christiana” heet.
Daarin zette hij een aantal principes op een rij met betrekking tot het lezen van de Bijbel. Die principes zouden, zo schreef Augustinus, de mensen helpen als ze ook moeilijke teksten uit wilden leggen. Het geheel zou de mensen verder helpen.
Er waren mensen die Augustinus’ werk beoordeelden. En die critici snapten in de verste verte niet waar zo’n boek nu voor nodig was. Laat de Heilige Geest Zijn werk maar doen, zeiden ze. Dan komt het met die gelovigen vanzelf goed.
Augustinus vond de argumenten van de criticasters niet erg steekhoudend.
Want, zo zei hij, iemand anders heeft u leren lezen. Waarom zou u Bijbellezen dan niet van iemand anders moeten leren? Natuurlijk zijn er bijzondere mensen die veel Geestesgaven hebben gekregen om de Bijbel te lezen. Maar dat is toch geen vaste regel? Cornelius kreeg in Handelingen 10 bezoek van een engel. Maar die engel zei dat hij Petrus in zijn huis moest uitnodigen[3]. Petrus zou hem allerlei dingen nader uitleggen. Dus, zo stelde Augustinus, werkt God als regel via mensen. Cornelius is trouwens niet het enige voorbeeld. Denkt u ook maar Filippus die de kamerling van Candace uitleg moest gaan geven[4].
Daarmee was Augustinus niet uitgepraat.
Hij zei: als u vindt dat mensen rechtstreeks naar God en de Heilige Geest moeten gaan, waarom legt u dan eigenlijk zelf de Bijbel uit? Houdt u daar dan ook maar mee op, en stuur de mensen meteen maar door naar God…
Zo diende Augustinus zijn critici van repliek.

Laat u derhalve nimmer misleiden. Wij moeten wel degelijk ons verstand gebruiken.

Wie zijn intelligentie benut kan ook te ver gaan.
Mensen die doorschieten beweren bijvoorbeeld dat de gegevens die in de Bijbel staan zich er niet voor lenen om er theologische wetenschap op te bouwen.
Die mensen zeggen:
* er komen geweldig veel gebeurtenissen in de Bijbel voor.
* er zijn heel verschillende mensen
* daar kun je meestal geen lijn in ontdekken
* en als je dat bij geval wel kunt dan is dat, zo zeggen dergelijke mensen, reuze relatief. Een universitair docent zei eens: “Ik kan nu een exegetisch model -een parcours- presenteren, maar over vijftien jaar, of misschien morgen al, verwerpt een ander het”[5].

In feite is hierboven het grote verschil aangegeven.
De één zegt: God werkt via mensen.
De ander stelt: mensen werken voor mensen.

De Here roept ons in Zijn Woord op om te geloven én ook om ons verstand te gebruiken.
Wat dit betreft wil ik graag wijzen op 1 Petrus 3: “Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze…”[6]. Dat woord ‘verantwoording’ is de vertaling van ‘apologia’. U herkent misschien ons woord apologetiek. We moeten, kortom, ons verstand gebruiken om het christelijk geloof te verdedigen.
In Job 32 zegt Elihu: “Want ik ben vol woorden, de geest in mijn binnenste dringt mij”. De Willibrordvertaling van de Katholieke Bijbelstichting heeft op deze plaats: “Ik zit boordevol argumenten, barstensvol argumenten”[7].
En overigens heeft Jezus in Mattheüs 22 gezegd dat het liefhebben ook alles te maken met ons verstand[8].
Geloven is prachtig. Maar dat betekent niet dat we ons verstand moeten uitschakelen!

Hierboven citeerde ik een universitair docent die wees op de relativiteit van exegetische modellen. Over vijftien jaar is het model van 2006 weer ouderwets, voorspelde hij.
De geachte docent bleef niet onweersproken.
Een hoogleraar wierp tegen: “Veel mensen denken dat iets pas Woord van God kan zijn als het perfect klopt. Maar veelstemmigheid hoeft niet bedreigend te zijn. De vele stemmen zijn juist een spiegel van de concrete omgang van God met zijn volk”[9].

Dat had de professor mooi gezegd. Maar het bevredigde mij niet geheel. Hij had, wat mij betreft, de zaak nog wel wat scherper mogen stellen.

Want God is almachtig. En Zijn Woord is absoluut onovertroffen. Dat mensen Zijn Woord onvoldoende doorgronden, dat is heel wat anders.
Wie gaat delibereren over Bijbelse veelstemmigheid, redeneert vanuit de mens.
Maar het gaat niet om al die mensen die in de Bijbel vanuit alle hoeken van de wereld voorbij komen. We moeten beginnen bij God. We hebben het dan over God die ons heeft gemaakt. God die ons redt. God die ons onderhoudt.
In de Bijbel presenteert Hij Zich als de liefdevolle God die ons liefde leert. En Hij manifesteert Zich als de machtige God die ons onze zonden vergeven wil. Daar moet de nadruk liggen!

Zijn Woord is een spiegel, jazeker. Maar als wij in die spiegel kijken, ontwaren wij geen keurig plaatje. U weet wel, zo’n beeld waarop u urenlang kunt staren om het geheel te analyseren. Nee, als we in die spiegel kijken zien we alleen maar… raadsels. Die hele spiegel zit stampvol met raadsels. En zelfs de knapste geleerde kan de sleutel tot die cryptische informatie niet vinden.
Natuurlijk zouden we, afgaande op ons gevoel, die raadsels onmiddellijk op willen lossen. Maar we moeten ons verstand gebruiken. En als we dat doen, dan weten we: wij moeten geduld hebben.
Wij weten het: er zal een moment komen waarop we God zullen zien. We kunnen Hem dan recht in het gezicht kijken. Dat hebben we in het verbond van onze God geleerd. En dan, ja dan zal blijken dat God ons al door en door kende. Hij kende ons al voordat de jaartelling begon.

Het staat allemaal in 1 Corinthiërs 13.
“Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”[10].

Wie dat niet belijden wil, blijft op aarde rondjes draaien. Hij wordt het middelpunt van een cirkelgang. En dat zal ten langen leste de tredmolen van de dood blijken te wezen.

Laten wij het maar geloven met geheel ons hart, met geheel onze ziel met geheel ons verstand: “Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben”[11].

Vandaag eindig ik met prachtige woorden van K. Schilder. Hij was in zijn tijd een groot geleerde. En uitgerekend hij hamerde op de grote waarde van het geloof.
In een preek over Amos 9 sprak hij woorden die op deze dag in december van het jaar onzes Heren 2015 nog reuze actueel blijken te zijn. Met deze woorden is de uiteindelijke bedoeling van dit artikel op adequate wijze samengevat.
“Dat God in de geschiedenis optreedt en er niet alleen is, maar ook laat weten, dat Hij er is, dat is voor ons een onomstootelijke waarheid. Alleen maar: het is een waarheid van het geloof en niet van eenige wetenschap. Wij wandelen nu eenmaal ‘door geloof en niet door aanschouwing’, en die wandeling wordt bij de groote mijlpalen in de geschiedenis, en bij Gods vervaarlijke daden van verlossing en van oordeel niet afgebroken, maar eenvoudig voortgezet. Zeker, het geloof heeft dan ook weer zijn eigen kijk op de geschiedenis; en als ik eenmaal geloof, dat God ook in de historie werkt en regeert, dan krijg ik ook wel mijn eigen, geloovige, beschrijving der geschiedenis. Maar ik moet mij er toch altijd goed van doordringen, dat ik dit alles heb gekregen en heb leeren zien door het geloof, en dat ik ooit nooit een anderen grond er voor heb, dan mijn geloof[12].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 1 december 2006.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/Christ_theologie/apologetiek/JvdM_niet_ervaring_alleen.htm . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[3] Handelingen 10:4, 5 en 6: “En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt”.
[4] Handelingen 8:26-29: “En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Candace, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen”.
[5] Zie: “Actualiseren is taak van de exegese”. In: Reformatorisch Dagblad, 30 november 2006, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl . De docent is dr. J. Tromp, indertijd docent vroeg Jodendom en godsdienst van Israël aan de Universiteit Leiden.
[6] 1 Petrus 3:15.
[7] Job 32:18.
[8] Mattheüs 22:37: “Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand”.
[9] De spreker is prof.dr. E. Talstra, indertijd hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
[10] 1 Corinthiërs 13:12.
[11] 1 Corinthiërs 13:9 en 10.
[12] Zie http://www.dbnl.org/tekst/schi008prek01_01/schi008prek01_01_0032.php Dit betreft een preek van K. Schilder over Amos 9:7 en 8. De preek heeft als titel “De valsche roem beschaamd”. De preek is te vinden in: K. Schilder, Preken. Deel 1 (Verzamelde werken afdeling I) (ed. W.G. de Vries). – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1954. Daarnaast ook in: ‘Menigerlei Genade’, wekelijksche leerredenen onder redactie van Dr. J.C. de Moor en Dr. B. Wielenga, jg. 16, no 22. – Kampen: Uitgeverij J.H. Kok, 1926. – p. 337-352. De preek is gedateerd op zondag 26 september 1926.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.