gereformeerd leven in nederland

10 oktober 2019

Desnoods met één talent

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Wees jezelf!
Dat is een bekende oproep die vandaag de dag nogal eens klinkt. Men hoeft geen toneel te spelen. En in de kerk hoeft dat al helemaal niet. Daar hoeft niemand te doen alsof hij Xavier Oebele Smit is, terwijl hij Hendrik Jacob Albert Pieter de Vries heet.
Wij beschikken over voldoende talenten. Die kregen wij van de God van het verbond.

En ja, soms vindt de Verbondsgod één talent genoeg. Maar dat ene talent moeten wij dan wel in de kerk gebruiken.

Dit alles overpeinzende, komen wij uit bij Mattheüs 25.
In dat hoofdstuk staat onder meer het volgende genoteerd: “Maar hij die het ene ​talent​ ontvangen had, kwam ook en zei: ​Heer, ik wist dat u een streng man bent, omdat u maait waar u niet ​gezaaid​ hebt, en inzamelt van de plaats waar u niet gestrooid hebt. En ik ben bevreesd weggegaan en heb uw ​talent​ verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe. Maar zijn ​heer​ antwoordde en zei tegen hem: Slechte en luie dienaar, u wist dat ik maai waar ik niet ​gezaaid​ heb en van de plaats inzamel waar ik niet gestrooid heb. Dan had u mijn ​geld​ aan de bankiers moeten geven, en ik zou bij mijn komst het mijne met ​rente​ teruggekregen hebben. Neem daarom het ​talent​ van hem af en geef het aan hem die de tien talenten heeft. Want ieder die heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet heeft, van hem zal afgenomen worden ook wat hij heeft”[1].
Laten wij het zo zeggen: die ene man die maar één talent gekregen heeft – ja, ook hij – moet aan gemeenteopbouw doen.

Iemand schreef:
“Wat is gemeenteopbouw nu eigenlijk?
1. In de Bijbel betekent ‘gemeenteopbouw’: Gods activiteit om zijn gemeente te bouwen tot de bruid die zij mag worden bij Christus’ wederkomst.
2. In de praktijk betekent ‘gemeenteopbouw’: de opdracht om in je kijken naar je gemeente los te komen van hoe het nu gaat. Om – geleid door bijbelse ideaalbeelden over de gemeente – te kijken op welke aspecten van je gemeente-zijn je zou willen groeien, om daar samen mee aan het werk te gaan”[2].

Het lijkt er sterk op dat de schrijver van het bovenstaande de zaak uit elkaar haalt:
* God is actief op Zijn terrein
* wij zijn in onze eigen tijd actief, op onze manier.
Dat is een onjuiste onderscheiding.
Wij moeten goed bedenken dat wij instrumenten in de hand van God zijn.
Instrumenten zoals Jesaja 13 die bedoelt. In dat hoofdstuk gaat het over de ondergang van Babel. Daar staat: “Zij (de vijanden van Gods volk) komen eraan, uit een ver land, van het einde van de hemel: de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap, om heel het land te gronde te richten”[3].
En ook instrumenten zoals Handelingen 9 die bedoelt. Daar geeft God de profeet Ananias dienstorder omtrent de indienstneming van Paulus: “Maar de Heere zei tegen hem: Ga, want deze is voor Mij een ​uitverkoren​ instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten”[4].
Gods kinderen zijn instrumentarium in Gods hand. Dat klinkt onpersoonlijk. Technisch. Maar als God ons gebruikt… – gebruikt, ook al zo’n beladen woord! – dan gebeuren er grootse dingen.

Ambtsdragers zijn bij uitstek instrumenten in Gods hand. Het is hun taak “om in zijn naam de schapen te weiden”[5].
Maar bij hun werk worden ook gemeenteleden ingeschakeld. Dat zien wij bijvoorbeeld in 1 Corinthiërs 16: “Maar ik zal naar u toe komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik ga door Macedonië, en zo mogelijk zal ik bij u blijven, of ook de winter doorbrengen, om mij door u op weg te laten helpen, waar ik ook maar naartoe ​reis”[6].
In de eerste brief aan de christenen in Thessalonica noteert Paulus in hoofdstuk 5: “Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus ​Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven. Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet”[7]. Gemeenteopbouw is niet bedoeld om tegen elkaar zeggen dat we een flinke vent of een kranige meid moeten wezen; we moeten elkaar wijzen op de Heiland – Hij geeft ons toekomst!
Gemeenteopbouw draait om de Evangelieverkondiging, intern en extern. In de kerk draait het niet om menselijke warmte, hoe aangenaam genegenheid en sympathie ook wezen mogen.
Daarom noteert de Hebreeënschrijver in hoofdstuk 10: “Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw. En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot ​liefde​ en goede werken. Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen”[8].

Terug nu naar Mattheüs 25, en naar die man met dat ene talent.
Ook dat ene talent moet in de kerk worden gebruikt. Misschien is de beheerder van dat beheerder wel een onooglijk typ. Of een broeder of zuster die sociaal niet zo vaardig is. Of een puber die meer een doener dan een denker is, en zichzelf als kerklid niet zo de moeite waard vindt. Maar ook die mensen moeten worden ingeschakeld. En ja, zij moeten zich ook laten inschakelen.

Op welke aspecten van gemeente-zijn zouden wij willen groeien?
Laten wij het maar eenvoudig bij 1 Corinthiërs 3 houden: “Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft laten groeien. Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien”[9].
En laten wij er niet omheen draaien: onze God kan broeders en zusters met één talent best laten groeien!

Noten:
[1] Mattheüs 25:24-29.
[2] Geciteerd van https://steunpuntbijbelstudie.nl/images/stories/wegwijs/documenten/Wegwijs%202005/febwijma.pdf ; geraadpleegd op maandag 7 oktober 2019. Het artikel waar het citaat uit afkomstig is, werd gepubliceerd in: Wegwijs jg. 59 nr 2, februari 2005.
[3] Jesaja 13:5.
[4] Handelingen 9:15.
[5] Zo formuleert het Gereformeerde formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen. Zie Gereformeerd Kerkboek, p. 550.
[6] 1 Corinthiërs 16:5 en 6.
[7] 1 Thessalonicenzen 5:9, 10 en 11.
[8] Hebreeën 10:24, 25 en 26.
[9] 1 Corinthiërs 3:6 en 7.

29 oktober 2018

Hittebestendig

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde onlangs een rapport over religie.
“Daaruit blijkt”, zo meldde het Nederlands Dagblad, “dat meer dan de helft van de Nederlanders zich niet meer wil associëren met een religieuze groepering. Volgens het CBS is dat voor het eerst”[1].

Natuurlijk werd dat rapport onmiddellijk uitgebreid becommentarieerd.

Professor dr. H.A. Bakker – hoogleraar geschiedenis, identiteit en theologie van het baptisme aan de Vrije Universiteit te Amsterdam – zei: “Ongebonden spiritualiteit is alive and kicking. Ik merk het ook zelf. Ik kom telkens mensen tegen die meer willen weten over zingeving. Soms gaan ze zelfs het evangelie lezen. Dan denk ik: hoe is het mogelijk?!”.

Mensen die Gods blijde Boodschap gaan lezen, en daar serieuze belangstelling voor hebben: dat is prachtig!

Echter: Bijbellezen is niet vrijblijvend. Zo van: er zit best wel wat in. Of: het is een goed voorbeeld voor ons.

Denkt u in dit verband maar aan 1 Corinthiërs 3.
Daar schrijft de apostel Paulus: “Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen”[2].

In 1 Corinthiërs 3 is er brand.
En niet zo’n klein beetje ook.

Wij zullen, naar het mij voorkomt, niet moeten vergeten dat Paulus zijn brief aan de kerk in Corinthe schrijft. In dit hoofdstuk waarschuwt hij de kerk voor verdeeldheid. Uiteraard wil dat niet zeggen dat individuele leden zich niets van Paulus’ woorden aan hoeven te trekken. Maar Bijbellezers moeten, als zij 1 Corinthiërs 3 opslaan, eerst en vooral alle leden van de kerk voor ogen hebben.

In de kerkelijke gemeente doen wij, als het goed is, allemaal mee met het opbouwwerk.
We nemen allemaal ons bouwmateriaal mee.
De vraag is of dat materiaal hittebestendig is.

Het is goed mogelijk dat iemands werk verbrandt.
Stel je voor – heel uw levenswerk vernietigd! Van onwaarde bevonden! En u had er wel zo veel voor gedaan!

Die uitslaande brand van 1 Corinthiërs 3 is, zo op het eerste oog, eigenlijk reuze bedreigend. Vindt u ook niet?
Bij nader inzien valt het met de dreiging echter mee. Want Paulus schrijft ook: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de ​Geest van God​ in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is ​heilig, en deze tempel bent u”[3].
De Heilige Geest is present. Laat ik het zo mogen zeggen: de brandweer is in de kerk aanwezig; en dus brandt de kerk nooit af.

Maar de Geest ontsteekt wel een vuur. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis zeggen wij: “Hij zal Zich openbaren als Rechter over levenden en doden, terwijl Hij deze oude wereld in vuur en vlam zet om haar te zuiveren”[4].
De Heilige Geest laat de wereld gecontroleerd uitbranden. Op de smeulende puinhopen komt iets nieuws. Iets prachtigs. Iets heerlijks.

En wat gebeurt er met al die ongebonden spiritualiteit die alive and kicking is? Het zal allemaal wel springlevend wezen, maar met het meeste daarvan is het gauw afgelopen.
Nee, wij kunnen niet in de harten kijken. En dat is ook nergens voor nodig. Dat kan de Here God vele malen beter dan wij. Maar het is onontkoombaar: de meeste spiritualiteit is zweverig en vluchtig.
Velen houden er een tamelijk los-vast geestelijk leven op na. Een intuïtieve levensstijl, heet dat vandaag de dag.
Ongebonden spiritualiteit: dat is eigenlijk gewoon een hele rij follies.
Weet u wat een folly is? Het is een gekkigheid. Het is een bouwsel dat geen enkele zin heeft. Een prettig soort bouwkitsch. Vermaak-architectuur, zogezegd[5].
Welnu – de God van hemel en aarde verzekert ons dat alle zinloze bouwsels van de aarde zullen worden weggebrand.

Intussen heeft de kerk een grote verantwoordelijkheid.
Als er gemeenteopbouw plaatsvindt, moet er degelijk bouwmateriaal worden gebruikt.
Zeg maar: overeenkomstig de Goddelijke regelgeving.
In Europa geldt veelal de CE-markering. Als dat op een bepaald product staat, betekent het: dit product is in overeenstemming met de Europese regelgeving; het is ‘Conformité Européenne’[6].
De wet- en regelgeving van God is bekend. De Goddelijke hoofdregel staat ook in 1 Corinthiërs 3. Het is deze: “Overeenkomstig de ​genade​ van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is ​Jezus​ ​Christus”[7].
Als we, door Gods onmetelijke macht, allemaal meemetselen wordt de kerk een schitterend gebouw. Een gebouw dat glanst in stad en landelijk gebied.

Onze Here Jezus Christus is het Hoofd van de kerk.
En Psalm 97 zingt het ons al voor:
“Zijn troon staat vast en hecht,
gegrond op heilig recht
en op gerechtigheid”[8].
Door Hem en met Hem is de kerk hittebestendig, en dus voluit toekomstbestendig!

Noten:
[1] ‘Ik dacht dat we al lang onder de 50 procent zaten’. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 23 oktober 2018, p. 1.
[2] 1 Corinthiërs 3:12-15.
[3] 1 Corinthiërs 3:16 en 17.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.
[5] Zie hiervoor ook https://www.encyclo.nl/begrip/Folly ; geraadpleegd op woensdag 24 oktober 2018.
[6] Zie hierover bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/CE-markering ; geraadpleegd op woensdag 24 oktober 2018.
[7] 1 Corinthiërs 3:10 en 11.
[8] Dit zijn de laatste regels van Psalm 97:1; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

9 november 2016

Groei

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De kerk is, zoals bekend, de vergadering van Gods kinderen[1]. De activiteiten in de kerk moeten grotendeels voor en door kerkleden gebeuren. Natuurlijk heeft de kerk daarnaast ook aandacht voor de buitenstaanders. Maar de kern van het kerk-zijn ligt niet bij onkerkelijken.

Menselijkerwijs gesproken is dat ook wel logisch.
De kern van een appel zit binnenin, niet aan de buitenzijde.
Wie in een bepaalde zaak tot de kern wil komen blijft niet bij de details hangen. Hij zoekt naar het hart van de zaak.
Waarom zou in het geval van de kerk de kern wel aan de buitenkant zitten? Omdat de kerk een buitenissig instituut is? Een ieder voelt dat dergelijke vragen thuishoren in de afdeling doldwaze beuzelarijen.
Wie het wezen van de kerk wil kennen, moet naar binnen gaan. Hij moet kijken, luisteren, lezen en leven naar Gods Woord.

Een argeloze lezer denkt wellicht: vandaag ziet het er allemaal wel heel erg vanzelfsprekend uit. Is dit nou alles?

Toch lijkt het mij nuttig om het bovenstaande zonder omwegen vast te stellen.

Immers, heel wat mensen roepen dat de kerk naar buiten kijken moet. De deuren dienen geopend te worden.
En dan kan er zomaar van alles scheef gaan.

Ik weet het nog goed.
Het is bijna tien jaar geleden.
Het was in november 2007 dat in de krant stond: “De invloedrijke Amerikaanse megakerk Willow Creek Community Church, ook in Nederland bekend om zijn gemeentegroeimodellen, komt na drie jaar intern onderzoek tot de slotsom dat ze de verkeerde aanpak voorstaat. In plaats van gemeenteleden te helpen groeien in geloof, zijn deze juist passief en afhankelijk gemaakt omdat Willow Creek zijn activiteiten sterk afstemde op specifieke doelgroepen, en dan met name toetreders en geïnteresseerde buitenkerkelijken. ‘We hebben vergeten mensen die tot geloof zijn gekomen te wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid zelf geestelijk voedsel te vergaren’, zei de bekende oprichter Bill Hybels in een verklaring. ‘Wij hebben een fout gemaakt’”.
Een eindje verder stond te lezen:”…de megakerk [wordt] steevast omschreven als de invloedrijkste kerk van de afgelopen dertig jaar. De aanpak van Willow Creek, nabij Chicago, zou de werkwijze van veel evangelische kerken in Amerika sterk hebben beïnvloed”.
En: “Hybels breekt nu een lans voor het stimuleren van gemeenteleden om zelf weer de Bijbel te leren lezen en te begrijpen en hen te leren hoe ze zelf aan geestelijke groei kunnen werken. Ook stelt hij ironisch vast dat datgene waar de kerk vele miljoenen dollars aan heeft gespendeerd, vaak niet die activiteiten opleverde die de (nieuwe) gemeenteleden juist nodig hadden voor verdere groei in het geloof”[2].

Beter laat dan nooit, dacht ik indertijd.
Eens te meer moet het ons duidelijk worden: een kerk mag haar eigen leden nimmer verwaarlozen.

Het is, denk ik, goed om vast te stellen dat Gods kinderen eerst en vooral voor elkaar dienen te zorgen.
Ook Gereformeerden zeggen tegenwoordig vaak: we moeten meer naar buiten kijken.
Maar daar moeten zij zich zeker niet toe beperken!

Een appel kan er van buiten mooi uitzien. Maar smaak en kwaliteit kunnen heel erg tegenvallen.
Een kerk kan, van buitenaf bekeken, een zekere aantrekkelijkheid bezitten. Maar uiteindelijk gaat het maar om één ding: de verkondiging van Gods Woord.

Er is nog wel wat meer te schrijven.
Want het begrip ‘geestelijke groei’ komt bij mijn weten niet in de Bijbel voor.

De term ‘groei’ komen we wel tegen in de brief aan de Efeziërs.
Paulus schrijft daar over de kerk. Het gaat niet over één individu. Paulus heeft het niet over een groepje mensen. Nee, hij noteert dat de binding die we met de kerk hebben, ontstaan is door het werk van Christus. Uiteindelijk zorgt Híj ervoor dat er een band tussen de kerkmensen. We zouden kunnen zeggen: onze Here Jezus Christus onderhoudt het kerkverband.
In de woorden van Paulus gaat dat als volgt. Volwassenen in het geloof zijn niet meer “onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”[3].

De kracht om kerk te zijn wordt ontleend aan Jezus Christus.
Om eerlijk te zijn: ik ben onderhand een beetje allergisch voor die zogenaamde geestelijke groei.
In de kerk gaat het in laatste instantie namelijk niet om mij persoonlijk. De kerk is de vergadering van alle ware christenen.
En de Here Zelf draagt er zorg voor dat al die mensen bijeenkomen.
De voornaamste taak van de bijeen gebrachte menigte is: de God van het verbond loven en prijzen.
Daar gaat het om in de kerk.
Daarom sprak Jezus Christus in de Bergrede ook zo onomwonden uit dat Zijn kinderen niet gericht moeten zijn op hun eigen welzijn, maar op Gods Koninkrijk.
In dit verband citeer ik met graagte enkele verzen uit Mattheüs 6.
“Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?”[4].
“Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[5].
De Here geeft morele en materiële groei.

Ik houd het er graag op dat de Here mij alles geeft wat ik nodig heb om vandaag Zijn kind te zijn.
En ik weet het zeker: morgen en overmorgen zal dat ook zo wezen.

“Uw koninkrijk kome”, bidden we vaak. Weet u nog wat dat betekent?
“Dat wil zeggen:
Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[6].
Kijk, dat noem ik nou Geestelijke groei.
Met hoofdletter G, overigens.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 9 november 2007.
[2] Willow Creek erkent fouten”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 8 november 2007, p. 2.
[3] Efeziërs 4:14, 15 en 16.
[4] Mattheüs 6:27-30.
[5] Mattheüs 6:33.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, vraag en antwoord 123.

13 oktober 2016

Kerkelijke kringloop?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Er zijn nogal wat gelovigen die met een zekere regelmaat shoppen[1]. Sterker nog: ze gaan grazen.
Het is geen kwestie van aanbodvergelijking meer. Steeds vaker wordt het een kwestie van rukken en trekken: hier wat, daar wat.

Uit onderzoek blijkt echter tevens dat de kerk met een duidelijke identiteit, bestaande uit mensen met toewijding, de meeste overlevingskans heeft.
Kortom: die winkelende kerkgangers willen op de lange duur wel eens even rustig zitten.

Als wij het bovenstaande tot ons laten doordringen is de conclusie onontkoombaar: massa’s mensen houden zichzelf voor de gek. Als zij een poos bezig zijn geweest met kerkelijk hotelhoppen blijkt de Geestelijke conditie er niet veel beter op te zijn geworden. Zij staken hun zoektocht. Hijgend en puffend zakken zij in een luie stoel.

Een jaar of tien geleden verscheen een handboek over gemeenteopbouw[2]. In dat boek schreef men enthousiast over ‘vloeibare’ vormen van kerk-zijn.
De schrijvers van dat boek hadden indertijd een welomschreven doel voor ogen: “vanuit een kritische betrokkenheid confronteren ze de lezer met de spannende praktijk van kerkopbouw in een laatmoderne samenleving”.

De schrijvers van dat handboek namen de levenscyclus als uitgangspunt.
Elke geloofsgemeenschap kent zo z’n kringloop. En die cirkelgang lijkt sprekend op het leven van gewone mensen. Het is een kwestie van “opgaan, blinken en verzinken. In kerkopbouwtaal: kerkplanting, groei, continuïteit, revitalisering en kerksluiting”. Zo zei een wetenschapper dat toen in het Reformatorisch Dagblad[3].
Het gehele systeem oogt wel logisch. U en ik hadden het zelf kunnen bedenken.

Maar dat is het ‘m nu juist. Wij moeten dat niet zelf bedenken.

In Colossenzen 1 kunnen wij lezen: “… Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is”[4].
Christus staat boven de schepping. Hij was en blijft de Eerste.
Bij Christus komt al het door God geschapene samen.
De Here zorgt dat al Zijn schepselen de taak verrichten die Hij hen heeft toebedacht.
Daarom is het spreken over een levenscyclus van de kerk onjuist.

En wat te denken van Hebreeën 12?
“Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs…”.
Onze Here Jezus Christus is Degene die Zijn kerk behoudt. Hij maakt ons geloofsleven volmaakt. Perfecter hoeft het niet. En mooier kan het niet.
Daartoe is Hij werkelijk in staat. De Hebreeënschrijver had in hoofdstuk 5 reeds opgemerkt: “…en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden”.
Wie dat leest beseft dat gepraat over een levenscyclus volkomen misplaatst is.
Is de kerk een zaak van opgaan, blinken en verzinken?
Wie Gods Woord leest, weet het al snel. Een verhaal over een kerkelijke kringloop is geklets in de ruimte. Een ruimte die heel erg aards is. Met hemelse vrede heeft dat helemaal niets te maken.

Zo’n levenscyclus heeft tenminste één probleem.
Het gaat altijd maar door, in een eindeloze tredmolen van religieus gevoel en kerkelijk geharrewar. En na verloop van jaren komen de dingen ons bekend voor. Hebben we dit niet al niet eerder gezien? Hebben we dit niet vaker gehoord?
In de vergadering van Gods kinderen, in de ware kerk, gaat het anders toe.
Echt waar. Dat verzin ik niet.
De Here Jezus heeft het ons namelijk Zelf gezegd: “Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde”[5]. Jazeker, Hij is ook het einde.

Boven dit artikeltje staan twee woorden: kerkelijke kringloop. Dat is een mooie alliteratie: twee woorden die met de letter k beginnen. Die titel bekt lekker. Maar u heeft het al gezien: er staat een vraagteken in de titel. Dat staat daar niet voor niets. En u begrijpt het ondertussen wel: er is helemaal geen sprake van een kringloop. Want de God van het verbond maakt er een einde aan. Ja, ook aan de kerkopbouw.

Uit Openbaring 21 weten we dat de inschrijving van bewoners van het nieuw Jeruzalem reeds lang gestart is. De Here koos Zijn kinderen Zelf uit. In het nieuwe Jeruzalem houdt Hij zich Persoonlijk bezig met de woningtoewijzing.
Wie zich dat realiseert, zwijgt over een kringloop. Hij praat niet meer over een cyclus. Hij rept slechts van liefde en trouw van God.
Het enige wat ons te doen staat is: bekering tot de levende God.
We moeten het maar blijven repeteren: in het nieuw Jeruzalem “zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam”[6].

Noten:
[1] Dit is een bewerking van een artikel dat ik eerder schreef. Dat artikel is gedateerd op woensdag 26 september 2007.
[2] De gegevens van het bovenbedoelde boek over gemeenteopbouw zijn: Rein Brouwer, K. de Groot, H. de Roest, E. Sengers en S. Stoppels, “Levend lichaam: dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 2007. – 303 p.
[3] “Shoppen zal toenemen, maar instituut blijft”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 25 september 2007, p. 2.
[4] Colossenzen 1:17 en 18.
[5] Openbaring 21:6.
[6] Openbaring 21:27.

29 september 2016

Wildebras

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er was eens een professor die lang studeerde op het onderwerp ‘gemeenteopbouw’[1]. De activiteit van zijn brein leidde tot een sprankelende gedachte.
Het was de volgende.

“Waarom houd je niet op zondagochtend als gemeente één gezamenlijke dienst in het grote kerkgebouw, en ga je ’s middags met de gemeente uiteen in vier kleine samenkomsten, die op wijkniveau plaatsvinden? Laat daar gerust ook gemeenteleden voorgaan die de gave van het verkondigen hebben. Wat dat betreft zit er enorm veel potentie in de kerken. Zulke samenkomsten hoeven geen kopie van de ‘gewone’ kerkdiensten te zijn…”.

U begrijpt het: die professor had veel studies verricht. Hij zag grootse perspectieven.
Toch zat ergens, in de catacomben van zijn hart, nog een klein twijfeltje: “…ik geef toe: daar is durf en lef voor nodig”[2].

U merkt het: die professor was bijzonder ambitieus.
En u weet het wel: in de afgelopen jaren zijn er wel meer mensen geweest die dergelijke ijver hebben getoond.

Wat zullen wij daarover zeggen?

Ik denk aan Israël.
Nee, ik denk niet aan de Joden die er vandaag in de wereld zijn.
Ik bedoel het volk Israël zoals wij dat in de Heilige Schrift tegenkomen.
Terwijl ik aan Israël dacht kreeg ik het idee dat die professor van hierboven uit de bocht vliegt.
Wellicht ligt hij thans roemloos in de berm, tezamen met vele andere ijveraars. Ik vraag me af hoe dat voelt.

De eerste keer dat we de naam Israël in de Bijbel tegenkomen is, bij mijn weten, in Genesis 32.
Daar strijdt Jakob met God.
Die strijd loopt uit op Gods zegen voor Jakob. Ik citeer: “Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht”[3].
Daar hebt u die aanduiding ‘Israël’. Die naam betekent: Moge God strijden. Of ook: moge God voor hem strijden.

Israël: het is dat volk waarvoor de Here strijdt.
Ja, hij vecht er voor. ‘De Here zal voor u strijden’: dat is in het Oude Testament bijna een refrein.
Kijkt u bijvoorbeeld maar in Exodus 14, waar Mozes tegen zijn volksgenoten zegt: “De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn”[4]. Die uitdrukking – ‘de Here zal voor u strijden’ – komt u verder tegen in Deuteronomium 1, en ook in Nehemia 4[5].
De gedachte dat God voor Zijn volk vecht, leek de professor niet al te vaak in zijn overwegingen mee te nemen. Het gegeven dat de Verbondsgod vooral met Israël communiceert, leek bij de hoogleraar op de achtergrond te zijn geraakt.

De Here heeft contact met Zijn kinderen.
Sterker, Hij heeft een verbond met Israël. Maar Hij houdt er geen relaties met andere volken op na.
In Deuteronomium 7 wordt het onomwonden gezegd: “Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken”[6]. Eénzelfde boodschap treft u aan in Deuteronomium 14. En verder in 1 Koningen 3[7].

De Here heeft een verbond met Zijn volk. Is dat in het Nieuwe Testament, in de níeuwe bedeling, anders?
Nee. Er is wel wat veranderd. Maar het verbond is gebleven. En het Verbondsvolk ook.
Ik wijs u op Romeinen 9: “Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belófte gelden voor nageslacht”[8]. Het gaat nog altijd om de mensen die de Here uitkiest. Daar, in Romeinen 9, gaat het over Goddelijke verkiezing en verwerping.

Laten we 1 Petrus 2 niet vergeten: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[9].
Ik concludeer:
* de Here voert Zijn plan uit vanwege het welzijn van Zijn kinderen
* maar Hij praat in de Heilige Schrift niet in de eerste plaats tegen ongelovigen. Hij spreekt niet primair tegen buitenkerkelijken. Als Hij hen wel aanspreekt, gaat het niet zelden over oordeel. En over dood.

Thans acht ik het moment gekomen om terug te keren naar die toegewijde hoogleraar.
Hij sprak: “De kerk moet in veel meer plaatsen de deuren open zetten, om de buitenwereld te bereiken”.

Maar wat moet ik dan met de Schriftplaatsen waarover ik hierboven schreef?
Men doet, naar het mij voorkomt, onrecht aan Gods Woord als men over dergelijke Schriftwoorden heen huppelt.
Naar mijn overtuiging is de kerk er niet in de eerste plaats voor de buurt. Of voor de buitenkerkelijken.
De kerk is er tot Gods eer.
Wij hoeven geen deuren open te zetten.
Want de hemelse Here brengt Zijn kinderen naar de kerk. En soms gebruikt Hij daarbij Zijn kinderen als Zijn instrumenten.

Moeten wij dan niet naar buiten toe?
Zeker wel.
Natuurlijk wel.
Maar laten wij niet net doen alsof drommen heilbegerigen staan te wachten tot de zware kerkdeur ten langen leste knarsend en piepend open gaat. Want niets is minder waar.
Gods Woord klinkt in de kerk. Niet op een zeepkist in de wereld.

Het is oppassen geblazen.
Want voordat je het weet word je een wildebras die een tikkeltje bedrijfsblind is.
En dat is best een beetje treurig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 27 september 2007.
[2] De professor in kwestie is M. te Velde, tussen 1988 en 2015 hoogleraar was aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen. Hij doceerde kerkgeschiedenis na 1650, kerkrecht en gemeenteopbouw. Hij zei het bovenstaande in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op woensdag 26 september 2007. Het betreffende artikel is nog te vinden op http://www.resortofsecurity.com/Article/NL/101/101/121/Geen_bezinning,_gewoon_aan_de_slag.html ; geraadpleegd op maandag 12 september 2016.
[3] Genesis 32:26, 27 en 28.
[4] Exodus 14:14.
[5] Deuteronomium 1:30; Nehemia 4:20.
[6] Deuteronomium 7:6 en 7.
[7] Deuteronomium 14:2; 1 Koningen 3:8.
[8] Romeinen 9:6, 7 en 8.
[9] 1 Petrus 2:6-10.

4 maart 2016

Niet categoraal

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

In onze tijd is geloven veelal iets individueels geworden. En als dat geloof niet persoonlijk is, verdient het, zo zeggen sommigen, aanbeveling dat de geloofsoverdracht op een bepaalde groep gericht is. Dan kan de boodschap beter op de doelgroep worden toegespitst. Het Evangelie komt beter óver.
Denkt u in dit verband maar aan studenten.
Of aan bejaarden.
Of desnoods aan zakenlui.

Het moet ons wel opvallen dat in de Heilige Schrift een dergelijke scheiding niet gemaakt wordt. Het Evangelie is bestemd voor ieder die gelooft – ongeacht leeftijd, geslacht of afkomst.

In de Gereformeerde kerk is altijd gezegd: de Here heeft ons bij elkaar gebracht; Hij brengt ons samen.
Wij moeten, zo zei men vroeger al, de eenheid niet breken.

Nu het over deze dingen gaat, vraag ik gaarne uw aandacht voor een artikel dat de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant drs. A.N. Hendriks in 1971 schreef in het Delftse kerkblad ‘Delft nadien verborgen schat’. Het werd indertijd in het Nederlands Dagblad overgenomen[1].

Het door dominee Hendriks geschrevene citeer ik hieronder. Ter wille van de leesbaarheid heb ik enkele kleine redactionele wijzigingen doorgevoerd.

Ik citeer:
“De eigen problematiek van het studentenleven heeft diverse kerkgenootschappen ertoe gebracht, afzonderlijke studentenparochies te vormen met eigen predikanten en kerkdiensten. Men pleit voor ‘differentiëring van het kerkzijn’. Met name prof. J.C. Hoekendijk vroeger te Utrecht) heeft gezegd: bij een samenleving in veelvoud, hoort ook een kerk in veelvoud. De NCRV wijdde een paar jaar geleden een aantal lessen in de theologische etherleergang aan het gemeente-zijn in deze tijd. Men zegt: wij kunnen met de oude locale gemeente niet verder. Wij moeten de gemeente kategoriaal organiseren. Het uitgangspunt mag niet zijn de woonsfeer, maar het probleemveld, het verantwoordelijkheidskader.
Zo krijgen we dan een industriegemeente, een recreanten-kerk en ook een studentenparochie. Men meent, dat men slechts door kategoriaal te organiseren, de mensen vandaag de zo nodige zielszorg kan geven. Moet het inderdaad ook in onze Kerken, nu steeds meer jongelui gaan studeren deze kant op? Ik geloof het niet! Wie een aparte studentenparochie vormt, breekt de studenten los uit de gemeente. De gemeente, die in het N.T. juist in haar pluriformiteit beschreven wordt (1 Corinthiërs 12). Zij is altijd de lokále gemeente, waarin Christus vele charismata geeft. De één is een voet, de ander een hand. Er is grote verscheidenheid van gaven, maar juist in het wederzijds kontakt bloeit de opbouw van Christus’ lichaam (Efeziërs 4:16). Als we het N.T. bestuderen, ontdekken we, hoe actief de gemeente juist in die onderlinge opbouw heeft te zijn. We kunnen gerust spreken van een pastoraat van de gemeente. Toezien, vermanen, vasthouden, dat is maar niet de taak van de ambtsdragers maar Christus roept zijn hele gemeente daartoe.
Ik noem u een paar Schriftplaatsen. In 1 Thessalonicenzen 5:14 schrijft Paulus: ‘Wij vermanen u broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen’.
En in Hebreeën 10:24 lezen we: ‘Laten wij op elkander acht geven, om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken’.
Dr. M.H. Bolkestein merkt op: ‘Een wezenlijk kenmerk van de zielszorg in het N.T. bestaat hierin, dat zij geschiedt door de leden der gemeente ten opzichte van elkaar.De gemeente is in het N.T. niet passief maar actief, niet onmondig maar mondig. Zij draagt zelf verantwoordelijkheid”.

In de rubriek Personalia maak ik eerst twee opmerkingen.
1.
In zijn schrijven noemt Hendriks onder meer professor J.C. Hoekendijk (1912-1975), een zeer liberale zendingswetenschapper. De denklijnen van de hoogleraar Hoekendijk hebben grote invloed gehad binnen de Wereldraad van Kerken. Dr. P. van Gurp is in 1989 op het werk van Hoekendijk gepromoveerd[2].
2.
Professor dr. M.H. Bolkestein (1912-2001) was in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw hervormd predikant in diverse plaatsen in Friesland. Tussen 1948 en 1951 was hij rector van de Theologische School in Jakarta en docent aan de Universiteit van Indonesië in Jakarta. In 1951 werd Bolkestein weer predikant; in Zeist namelijk. In 1958 werd hij wetenschappelijk hoofdmedewerker van de Universiteit Leiden. Vervolgens werd hij docent en later lector aan deze universiteit. Van oktober 1974 tot zijn emeritaat op 1 oktober 1979 was hij kerkelijk hoogleraar in Leiden[3].

Het artikel van – toen nog drs. – Hendriks viel me op omdat wij in kerkelijk Nederland tegenwoordig de categorale aanpak allerwegen tegenkomen: studentenpredikanten, jeugdouderlingen, geestelijk verzorgers in verpleeghuizen en wie daar verder zoal volgt.
Nee, ik zeg niet dat al die mensen volstrekt onnut werk doen. Maar hoe belangrijk is het dat er een stevige band met de gemeente blijft bestaan!
We hebben er, denk ik, allemaal wel ervaring mee: de omgang met mensen die jonger zijn dan wij kan heel verfrissend zijn.
En we weten het best: de verhalen van oudere mensen kunnen reuze leerzaam wezen!
Dat geldt in de wereld. Zou het in de kerk niet dubbel op gelden? Natuurlijk wel! Broeders en zusters in de kerk zijn immers allemaal op weg naar dezelfde hemelse toekomst?
Aan hen allen is toch dat Woord uit Spreuken 23 gericht:
“Uw hart zij niet naijverig op de zondaren,
maar beijvere zich voortdurend de Here te vrezen;
waarlijk, dan is er toekomst
en uw verwachting wordt niet afgesneden”[4].
Het vrezen van de Here kunnen jongeren en ouderen van elkaar leren!

Ach, ik weet wel dat schrijver dezes, als het over deze dingen gaat, welhaast moet worden beschouwd als een roepende in de woestijn. Het zij zo.
Het artikel van A.N. Hendriks laat ons allen weer eens zien dat Christus het Hoofd van de kerk is. Van de hele kerk, wel te verstaan. Niet van een paar categorieën kerkleden!

Noten:
[1] “Eenheid niet breken”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 4 maart 1971, p. 5 (rubriek ‘Persschouw’). Ook te vinden via http://www.delpher.nl .
[2] Zie: “Denken van Hoekendijk beïnvloedde Wereldraad”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 2 juni 1989, p. 2.
[3] Zie: “Prof.dr. M.H. Bolkestein overleden”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 4 april 2001, p. 2.
[4] Spreuken 23:17 en 18.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.