gereformeerd leven in nederland

8 januari 2018

Zoektocht naar geluk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Heel wat mensen zijn op jacht naar geluk. Onlangs kreeg schrijver dezes een artikel onder ogen waaruit bleek dat een psycholoog, een dominee en een huisarts zich daar zorgen over maken.
Een paar citaten:
1.
Burnoutklachten “hebben veel te maken met de druk die we onszelf opleggen, we moeten van alles en dan moet het ook nog perfect zijn. Maar dat is het niet”.
2.
“Geluk heeft ook te maken met het leren verdragen van dingen die niet fijn voelen, het ervaren van ongeluk. Dat we, bij het ouder worden, ons realiseren dat niet alle spectaculaire plannen gerealiseerd worden en dat we desondanks gelukkig kunnen zijn”.
3.
“We moeten uit de jakkermodus zien te komen. Een deel van mijn therapie bestaat uit letterlijk ‘ontmoeten’, leren minder te moeten”.
4.
“Het heeft veel te maken met excellent willen zijn, aan alle normen voldoen, daarmee komen patiënten op mijn spreekuur”[1].

De jacht naar geluk is iets van alle tijden.
In onze tijd is het immers niet anders. U moet het klimaat redden voor uw kinderen. U moet, als het enigszins kan, uw eigen energieleverancier worden. U moet gezond eten. En zo is er nog veel meer.

Het springende punt voor kerkmensen is: geven we nog toe dat we in ons leven met de zonde te maken hebben? We willen, zo lijkt het soms, allemaal iets van ons leven maken. Wij willen allen iets opmerkelijks doen. Eigenlijk willen we allen, hoofd voor hoofd, markante persoonlijkheden zijn. En vooral: we willen iets achterlaten voor de generaties die de aarde ná ons zullen bevolken. Een gewoon mens zijn, iemand waarvan er al tienduizenden bestaan… – ten diepste wil niemand dat.

Dit alles gelezen hebbende, wijs ik graag op Prediker 2: “Ik werd groter en nam toe, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn. Ook bleef mijn wijsheid bij mij. Al wat mijn ogen verlangden, onthield ik ze niet. Ik ontzegde mijn ​hart geen enkele blijdschap, want mijn ​hart​ werd verblijd vanwege al mijn zwoegen. Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen. Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon”[2].
Het werk hier op aarde heeft geen blijvende meerwaarde.
Daarom is het niet erg om een gewoon mens te zijn. Het is geen probleem om bescheiden op de achtergrond te blijven. Het is prima om in de plaats waar u woont uw eigen ding te doen.

Ondertussen moeten wij Prediker 2 niet al te snel verbinden met grijze januaridagen zonder zonlicht. Immers – Prediker geniet wel degelijk van het leven. Zonder twijfel kent hij heel wat blije momenten. Voor hem geldt het gezegde dat wij ook nu nog kennen: na gedane arbeid is het goed rusten.
Ook wij mogen ons best doen om een beetje van het leven te genieten. Het is natuurlijk lang niet altijd rozengeur en maneschijn. Maar er zijn veel interessante dingen die we kunnen bestuderen. Er zijn veel leuke dingen te doen. Lekker eten? – dat is een prima idee.

Laten wij daarnaast echter beseffen dat de Here de Prediker in staat stelt om grote dingen te doen[3]. Hij krijgt de mogelijkheden om grote onderzoeken te verrichten. Een exegeet schrijft: “Hij was een groot architect, een hovenier van klasse, werkgever van een groot bedrijf met veel personeel, herenboer, bankdirecteur, concerteigenaar en kunstliefhebber, levensgenieter”.
De Prediker kan blijkbaar zo’n beetje alles tegelijk. Hij is van alle markten thuis. Wat een prachtige gaven heeft hij van zijn God gekregen! En ja, die gaven gebruikt hij ook.
Laten wij de gaven die ons gegeven zijn maar benutten. Nee, dat zijn er niet zoveel als de Prediker ter beschikking had. Maar het zijn er genoeg om de kerk van vandaag te bouwen!

Onze Heiland wijst in Marcus 8 op iets wat nog belangrijker is dan het bovenstaande[4]. Ik citeer: “Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?”[5].
Jezus wijst er op dat het eigen ik geheel moet worden weggeschoven. Grote ego’s worden naar de zijlijn gedirigeerd. Wij kunnen onszelf niet permanent beveiligen. Integendeel. Wij moeten onszelf weggeven. Heel ons leven moet in dienst staan van de grote God, zodat we adequaat instrumentarium voor Hem zijn.
Met materiële rijkdom komen wij er niet. Ook niet in het jaar van onze Here dat wij hebben genummerd als 2018. Altijd moeten wij ons oefenen in het geloof in onze Here Jezus Christus. Hij gaf Zijn leven als losprijs. Hij heeft volkomen voor onze zonden betaald! Zo kocht Hij ons, en nam Hij tot Zijn kinderen – pure genade is dat!

Nee, het ultieme geluk zullen wij hier op aarde niet vinden. Zulk een zoektocht kunnen wij maar het beste staken.
Prediker 2 zegt ook: “Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God[6].
Laten wij heel ons leven maar in de hand van God leggen. Dan komt het goed met ons.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2209405-deze-psycholoog-dominee-en-huisarts-maken-zich-zorgen-over-hoe-druk-we-zijn.html .
[2] Prediker 2:9, 10 en 11.
[3] In het onderstaande maak ik gebruik van en citeer ik uit http://www.oudesporen.nl/Download/OS2325.pdf ; geraadpleegd op woensdag 27 december 2017.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Marcus 8:34, 35 en 36.
[5] Marcus 8:36.
[6] Prediker 2:24.

7 juni 2012

Kerkbouw: een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Als wij in de kerk aan het werk zijn, en daar allerlei dingen opbouwen, doen we dat in vol vertrouwen op God.
Wij gaan rustig onze gang.
Wij hebben oog voor de wereld.
Wij worden bezield door Gods Geest.
En dan zijn wij al een eind op het goede pad[1].

Dat vertrouwen op God is in in de kerk hoogst belangrijk.
In Prediker 3 blijkt dat ook. Ik citeer: “Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd; er is een tijd (…) om af te breken en een tijd om op te bouwen”[2].
De Prediker wil ons duidelijk maken dat al die tijden in Gods hand zijn. In het leven hangt niet alles af van het eigen initiatief. Ook als het over het kérkelijk leven gaat heeft de Here de touwtjes in handen.
De voortgang van de kerkbouw is gegarandeerd.
En het is honderd procent zeker: het hoogste punt zál worden bereikt.

Wie Prediker 3 leest, heeft wellicht de neiging om donker te gaan kijken.
De door God geïnspireerde schrijver van dit Bijbelboek somt van alles op. Er is een tijd om te baren, te sterven, te planten, uit te rukken, te huilen, te lachen – enzovoort. Het lijkt een eindeloze afwisseling van gebeurtenissen. Moeten u en ik daar blijer van worden?
Toch wel.
Juist omdat de Here God alles in de hand heeft mogen wij, als het maar enigszins kan, genieten van het leven. Al die mooie dingen: we mogen ons eraan vergapen. Lekker eten: we mogen ons er aan te goed doen. Feestelijke gebeurtenissen in de kerk – zoals bijvoorbeeld de geboorte en de doop van een kind -: daar mogen we blij om zijn.
Prediker 3 staat niet in de Bijbel om te somberen.
Prediker is in Gods Woord opgenomen om kleinhartige kerkgangers te leren smúllen van het leven!

In Prediker 3 wordt ook gezegd dat God eeuwig is[3].
Dat is in tegenstelling met het doen en laten van mensen. Wat de één opbouwt, breekt de ander weer af.
Soms lijkt het ook in de kerk zo te gaan. Wat kerklid A opbouwt, breekt kerklid B soms ongewild weer af. Men ziet dat ook in het groot: er komt een reformatie in de kerk; maar enkele tientallen jaren later is deformatie en secularisatie aan de orde van de dag. Eén ding is echter zeker: het werk van de Here is eeuwig. Zodoende is kerkbouw geen nutteloze arbeid. Dominees, ouderlingen en gemeenteleden die somtijds twijfels voelen, mogen het weten: kerkenwerk is geen cirkelgang, maar een lineaire actie van de hemelse God. Terecht merkt een exegeet op: “Wat de mens verricht, wordt telkens weer ongedaan gemaakt door tegengestelde handelingen (…), maar wat God doet, is blijvend”[4].

Het is goed om het bovenstaande helder voor de geest te hebben.
Want wie het in dit artikel aan de orde gestelde Schriftgedeelte oppervlakkig leest, kan denken dat daarin het aanpassingsvermogen gepredikt wordt.
Alles in de wereld is, zo zegt men dan bijvoorbeeld, aan verandering onderhevig: soorten, continenten, talen, mensen… – noem maar op. Die verandering gaat langzaam; wij merken er in het algemeen tamelijk weinig van. Plotsklaps kan dat echter proces zich gaan versnellen. Er ontstaat een nieuwe impuls; opeens is er sprake van een revolutie. Iemand omschreef dat als volgt: “…het evenwicht van spirituele evolutie wordt onderbroken, een nieuw denkgebied wordt geschapen, de taal waarin de Aloude Wijsheid verwoord wordt verandert van oude vormen naar nieuwe”. Die formulering is afkomstig van een mevrouw die de theosofie aanhangt. In de theosofie leert men dat alle religies pogingen van een (!) goddelijke macht zijn om de mensheid op een hoger plan te brengen[5]. Die theosofisch ingestelde mevrouw haalde in een lezing Prediker 3 aan. En ook William Shakespeare, die ooit schreef: “Als pioniers hebben wij onderscheidingsvermogen en intuïtie nodig om te weten wanneer wij ons moeten aanpassen en het gebied dat we gevonden hebben, in bezit nemen, en wanneer wij nieuwe verten van het nieuwe denkgebied moeten onderzoeken, ‘die onbereisde wereld waarvan de grens vervaagt/steeds weer en opnieuw naarmate [wij ons] verplaatsen’”.
U begrijpt het waarschijnlijk al wel: in deze denktrant komt het erop neer dat wij ons gewoon een beetje moeten aanpassen aan het tempo van de ontwikkelingen in de wereld. Die theosofische mevrouw zegt: wij moeten weten “wanneer wij geduldig moeten wachten, maar ook wanneer wij dapper voorwaarts moeten gaan. Wij moeten ervan uitgaan dat ons werk periodiek is – meestentijds gewoon meestappen, maar we moeten ook erop voorbereid zijn, om plotseling vooruitgang te boeken wanneer het juiste moment daar is”[6] .
De conclusie ligt voor de hand: de mens moet boven zijn eigen sores uit zien te komen. Oftewel: hij moet z’n eigen rommel maar opruimen.
Zo sijpelt de troost uit het Evangelie weg.
Op die manier blijkt de eerbied voor de hemelse Heer ver te zoeken.
De kerk behoort vast te houden aan de vermaning van de Prediker: “… en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”.

Prediker: het is een levensecht Bijbelboek. Het is een boodschap voor de wereld. Maar voor de kerk is het vooral een bemóedigend geschrift.
De journalist en schrijver Frank Westerman noteerde eens: “Prediker, ontdekte ik, sprak in one-liners”. Toen Westerman een middelbare scholier was, begreep hij lang niet alles van die wijsheidsleraar. “Maar het belangrijkste was: Prediker begreep mij”[7].
Dat zál allemaal wel.
Maar wie daarbij blijft staan, heeft Prediker niet geheel gevolgd.
Prediker staat midden in de wereld – jazeker. Maar als ik mij niet vergis, is één van zijn belangrijkste lessen: “Ik heb ingezien, dat het niet in hun eigen macht staat, maar als men zich verheugt en zich te goed doet in zijn leven, kortom als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan is dat een gave Gods”[8].

De kerk bouwen: dat is, zo zuchten wij bij tijd en wijle, een tamelijk zware klus.
Maar wie de kerkbouw vol vertrouwen in Gods handen legt, en die bouwerij dus beschouwt als een gave Gods, zal wijsheid ontvangen om de tijd te kennen. Die man of vrouw zal bekwaamheid ontvangen om de mogelijkheden die de machtige God geeft, te zien en te benutten.

Noten:
[1] Zie de conclusies in mijn artikel ‘Wijs prioriteren’, hier gepubliceerd op donderdag 31 mei 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/05/31/wijs-prioriteren/ .
[2] Prediker 3:1, 2 en 3.
[3] Prediker 3:14: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”.
[4] Zie de webversie van de Studiebijbel, bij Prediker 3.
[5] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Theosofie .
[6] Zie http://www.katinkahesselink.net/theosofie_nl/algeo1.html .
[7] Zie http://www.bijbelencultuur.nl/bijbelboeken/prediker .
[8] Prediker 3:12 en 13.

21 september 2011

Gereformeerde genoeglijkheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

In het Bijbelboek Prediker staan twee dingen naast elkaar:
*genieten van dit leven
* Gods gericht.
Ter illustratie zet ik twee teksten onder elkaar:
– uit Prediker 5: “Zie, wat ik als goed heb opgemerkt, is dit: dat het voortreffelijk is te eten en te drinken en het goede te genieten bij al het zwoegen, waarmee iemand zich aftobt onder de zon gedurende de weinige dagen van zijn leven, die God hem schenkt, want dit is zijn deel”;
– uit Prediker 11: “Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen”[1].

Veel mensen schrikken van Goddelijke rechtspraak.
Nee, men spreekt daar niet zoveel over. Maar een sterfgeval in de nabije omgeving zet heel wat medemensen aan het denken. Soms veroorzaakt zulk sterven bij achterblijvers ook onrust. Er wordt dan bijvoorbeeld gezegd: ik heb het stellige idee dat de ziel van die-en-die nog geen rust heeft; die ziel zwerft nog ergens.
Persoonlijk ben ik geenszins geneigd om over de vertolking van zulke gevoelens lacherig te doen. Misschien wil de Here via die gevoelens wel een oproep doen: kom bij Mij!
Wie aan die oproep gehoor geeft, hoeft niet bang te zijn voor het gericht.
Wie aan die oproep gehoor geeft, heeft in dit leven talloze genotsmomenten.

Om ons heen zeggen heel goedwillende burgers dat we maar moeten genieten van leuke dingen. Het kan nú nog, zo merkt men blijmoedig op.
Gereformeerde mensen zeggen wat anders.
Ze móeten niet genieten van leuke dingen. Nee, dat mogen zij.
Zij komen in het gericht. Maar zij weten dat de Here hen in Christus genadig wezen zal.
Voor Gereformeerden geldt het adagium van Prediker 2: “Want wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem?”[2].

Die tekst uit het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Prediker is het startpunt van dit stukje.
Wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem? 

Kent u de Neêrlandse tekstschrijver en zanger Dirk Witte? In 1917 schreef hij het liedje “Mensch, durf te leven!”[3].
Ik citeer het eerste couplet van dat liedje:
“Je leeft maar heel kort, maar ’n enkele keer
En als je straks anders wilt, kun je niet meer!
Mensch, durf te leven!
Vraag niet elken dag van je korte bestaan:
Hoe hebben m’n pa en m’n grootpa gedaan?
Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vrind?
En wie weet, hoe of dat nou m’n buurman weer vindt,
En – wat heeft ‘Het Fatsoen’ voorgeschreven?
Mensch, durf te leven!”.
Een protestantse dominee typeerde dat liedje eens als een goede samenvatting van de levenswijsheid van de Prediker[4]. Dat ben ik niet met die predikant eens. Want Prediker proclameert niet dat wij ons van de hele wereld niets moeten aantrekken. De diepste boodschap van Prediker is, naar het mij voorkomt, dat een gelovig mens kan genieten van het leven omdat hij Gods gericht met vertrouwen tegemoet ziet. De Prediker heeft allerlei dingen gedaan. Hij heeft in zijn leven veel betekend. Diezelfde Prediker heeft tijdens al dat werk ontdekt dat zo ongeveer alles in het leven relatief is. Maar uiteindelijk is zijn conclusie: u kunt pas écht genieten als u zich realiseert dat alles uit de hand van God komt.

Als ik het goed weet is het Hebreeuwse woord voor ‘genieten’ een intensieve vorm van het woord ‘zien’. “Genieten is intensief zien”, schrijft iemand zelfs. In Prediker wordt ook nog een ander werkwoord voor ‘genieten’ gebruikt: je in iets vermeien; je in iets verliezen.
Wie daarover verder denkt kan in de sfeer van de Reformatie komen. Immers: Maarten Luther en Johannes Calvijn leerden ons om met lege handen naar God toe te gaan. In de zestiende eeuw leerden we dat wij van genáde leven.
Zo komen wij in de atmosfeer van Jesaja 58. Wie met lege handen bij de Heer van het leven komt, leert wat werkelijk genieten is: “…dan zult gij u verlustigen in de HERE en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des HEREN heeft het gesproken”[5].
Mensen uit de wéreld moeten genieten door allerlei zaken naar zich toe te halen. Kort door de bocht gezegd: zij moeten grabbelen en graaien. Christelijke genieters geven zich aan de Here óver. Dat is dus precies het omgekeerde[6]. In die zin draagt Gereformeerde genoeglijkheid iets van de antithese in zich.

Nee, de Prediker is geen zwartkijker die per ongeluk toch kijk- en luistergeld betaald heeft.
Hij wijst op het verschil in rijkdom: de kerk heeft een heel andere welvaart als de wereld.
In verband met Prediker 2 vroeg een Gereformeerde dominee eens: “Hoeveel rijken laten geen spoor van gebroken relaties en huwelijken achter zich? Tussen ouders heen en weer geslingerde kinderen. Zoveel leegte en verveling. Psychische moeilijkheden, gedrenkt in alcohol en drugs. Zwelgen in genotzucht zonder werkelijk genieten?”[7].
Welnu, de Prediker maakt duidelijk dat aardse pronk en staatsie zomaar verdwenen kan zijn[8].
Wij moeten. zegt hij, scherp blijven zien dat alles uit Gods hand komt. Prediker zegt het zó: “Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en schatten geeft, en die Hij in staat stelt daarvan te eten en zijn deel te krijgen en zich bij zijn zwoegen te verheugen – dat is een gave Gods”[9].

Misschien vraagt u zich af wat de reden is dat ik dit alles te berde breng.
Wel, afgelopen zaterdag vond er in Veenendaal een symposium plaats naar aanleiding van de publicatie van het vijfentwintigste deel van de Studiebijbel, een uitgave van de Stichting Centrum voor Bijbelonderzoek. Dat deel gaat over het laatste gedeelte van de Psalmen en de boeken Spreuken en Prediker. Het symposium was getooid met de titel ‘Heb ontzag voor God, want er is een gericht’. Drs. M. Rotman, medewerker van de Studiebijbel, merkte aldaar op dat de teneur van Prediker minder negatief is dan velen denken.
Het Reformatorisch Dagblad berichtte over dat symposium. Ik citeer: “De les van Prediker is volgens Rotman dat ‘de schepping niet zinloos is, maar dat mensen mo­­gen genieten van Gods gaven, in dankbaarheid aan God’”[10].

Die dankbaarheid wordt nog vergroot als wij, via Prediker 12, constateren dat de Here God de herder van de kerk is. De Prediker spreekt ook over die herder. Dat doet hij als volgt. “De woorden der wijzen zijn als prikkelen; als ingeslagen nagelen zijn de verzamelingen daarvan; gegeven zijn zij door één herder”[11].
Prediker suggereert dus nadrukkelijk: ik spreek Gods kinderen toe.
De Prediker richt zich eerst en vooral tot Gods verbóndsvolk[12].
De kernboodschap van de Prediker is helder: kinderen van God genieten nu al een voorsmaak van de heerlijkheid waarin zij te Zijner tijd zullen leven.

Laten wij het maar goed onthouden: Gereformeerd genieten is volstrekt tegengesteld aan werelds hedonisme. 

Noten:
[1] Achtereenvolgens citeer ik Prediker 5:17 en Prediker 11:9.
[2] Prediker 2:25.
[3] Dirk Witte leefde van 1885 tot 1932. Gegevens over hem zijn te vinden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Dirk_Witte .
[4] Dat was Ds. R. Kamermans, predikant van de Protestantse Kerk in Goes. Zie http://home.kpn.nl/a.kamermans/prediker.htm .
[5] Jesaja 58:14.
[6] Zie over dit alles ook http://www.artway.eu/content.asp?id=302&lang=nl&action=show .
[7] De betreffende predikant is de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Beekhuis. Zie http://www.zvk.nl/kerkdienst.aspx?lIntEntityId=773 . De typering van de zwartkijker is ook van Beekhuis afkomstig.
[8] Prediker 5:12 en 13: “Er is een smartelijk kwaad, dat ik gezien heb onder de zon: rijkdom, door zijn bezitter bewaard tot zijn eigen onheil. Die rijkdom toch gaat door tegenspoed teniet; en heeft hij een zoon verwekt, dan heeft hij niets meer”.
[9] Prediker 5:18.
[10] “Teneur Prediker niet negatief”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 19 september 2011, p. 2.
[11] Prediker 12:11 .
[12] Ds. M.J.C. Blok schreef terecht: “Prediker is dus de man, die het volk (hier: het volk van God, de kerk) samenroept, en in die kerkvergadering of verbondsgemeenschap het voert, in opdracht van God”. In: “Het boek Prediker: de kerk onder het kruis”. – Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland”. – 2e druk, 1980. –  p. 8.
 

Blog op WordPress.com.