gereformeerd leven in nederland

3 juni 2019

Herkennen en erkennen

Dit artikel cirkelt rond het streven naar kerkelijke eenheid. Dat is, in sommige opzichten, een wat ongemakkelijk onderwerp. Zeker als het gaat om hernieuwde kerkelijke eenheid. Wat zo’n hernieuwing betekent dat er eertijds een splitsing is geweest. Dat levert pijn op. Er zijn de verdrietige herinneringen aan allerlei emotionele gebeurtenissen.
Niettemin mogen wij dat thema niet altijd ontwijken.

In dit stuk gaat het over de door velen zo vurig gewenste eenheid van twee kerkverbanden:
* De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK)
* Gereformeerde Kerken Nederland (GKN)
Die beide kerkverbanden komen voort uit de verontrusting over de koers van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
DGK vindt haar beginpunt in 2003. GKN heeft haar startpunt in 2009.

Meer precies draait het om het ‘Tussentijds rapport met betrekking tot werkzaamheden in de contacten met de GKN’, gedateerd op vrijdag 24 mei 2019[1]. Dat rapport is afkomstig van Deputaten Adresvoering/Contacten Overheid/Binnenlandse Betrekkingen van De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK)[2].

In dat rapport staat onder meer de volgende zin: “T.a.v. de scheuringen en schorsingen die er in het verleden hebben plaatsgevonden menen wij dat het beste op plaatselijk niveau besproken kunnen worden nadat wij elkaar op kerkverbandelijk niveau herkend/erkend hebben als kerken van Christus”.

In dit artikel staat het woordenduo ‘herkennen/erkennen’ centraal.
Herkennen betekent: u weet weer wie iemand is. Oftewel: iemand die u vroeger vaak tegenkwam, komt opnieuw in uw leven.
Erkennen houdt in: als wettig beschouwen. Soms betekent het ook: zijn ongelijk toegeven.

Dat woordenduo geeft te denken.
Zeven denklijnen noteer ik hieronder.

Gedachte 1
Veel leden van de beide kerkverbanden herkennen elkaar nog van vroeger. Zij hebben, in het algemeen genomen, dezelfde levensstijl. Zij hebben dezelfde Schrift, dezelfde belijdenisgeschriften. Zij herkennen veel van elkaar.

Gedachte 2
Met die herkenning zit het dus wel goed. Men kent elkaar wellicht nog van vroeger. Grosso modo ziet men dezelfde kenmerken in levensstijl. Men weet van elkaar: wij hebben hetzelfde levensdoel.

Gedachte 3
Is het woord ‘herkend’ bedoelt als een verzachting, een eufemisme? Is het de bedoeling dat het woord ‘erkend’ niet al te hard klinkt? Het zou duidelijker zijn als dat woord ‘herkend’ niet meer wordt gebruikt.
Ten diepste gaat het namelijk om de erkenning van Gods Woord als norm voor het leven in kerk en maatschappij.

Gedachte 4
Het woord ‘erkennen’ betekent onder meer: zijn ongelijk toegeven. Wij mogen echter aannemen dat de bovenbedoelde deputaten vooral het oog hebben op die eerste betekenis van dat begrip: wettigheid van de kerk.

Gedachte 5
Als de kerken elkaar als wettig beschouwen, is het zaak dat zij zich door het Hoofd van de kerk bij elkander laten brengen. En wel zo snel mogelijk.

Gedachte 6
Waar het dus om gaat is: de wettige kerk.
Die wettige kerk wil zich buigen onder het juk van Jezus Christus.
Schrijver dezes stemt in met de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee C.G. Bos (1909-1988) die in verband hiermee schreef: “Het rechte zicht op het kerkvergaderend werk van Christus sluit elk gevoel van ’gearriveerdheid’ uit. Nooit heeft Christus Zich voor altijd gebonden aan enig kerkinstituut, maar Hij heeft zijn kerkinstituut voor altijd gebonden aan Zich en zijn Woord. Een kerkinstituut dat vandaag de ware kerk is, houdt op dat te zijn zodra het Woord van de HERE niet meer wordt aanvaard als het enige en absolute richtsnoer voor geloof en leven. Een kerk houdt niet direct op ware kerk te zijn wanneer misstanden insluipen, maar wel wanneer die misstanden worden gelegaliseerd”[3].

Gedachte 7
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H.J. Nijenhuis (1924-1994) sprak in een preek over woorden uit 1 Johannes 5 eens over nuances in geloofsopvattingen. “De één bindt het een beetje strakker aan dan de ander. De één is wat ruimer van inzicht dan zijn gespreksgenoot. En zo langzamerhand krijg je ook onder degenen die zich niet hebben afgescheiden de verschillen van inzicht en opvatting. De gemeenschap van de kerk gaat scheuren en barsten vertonen.
Stop — zegt Johannes — wij weten toch! Wij baseren ons geloof toch op het Woord van God! We spreken toch maar niet onze eigen woorden en verkondigen toch maar niet onze eigen inzichten? Nu dan, houdt u aan dat Woord!”[4].
Als wij op die basis blijven staan, komt de ware oecumene in zicht.
Laten wij daarbij nooit vergeten: de Here brengt bijeen wat bij elkaar hoort – zeker weten!

Noten:
[1] Dat rapport is te vinden op https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/Deputatenrapport_ACOBB,_mei_2019.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 31 mei 2019.
[2] In dat generaal-synodale deputaatschap hebben zitting: ds. M.A. Sneep, B. Lourens (secretaris/penningmeester), ds. H.W. van Egmond, ds. M. Dijkstra, ds. E. Heres, ds. C. Koster en ds. S. de Marie.
[3] C.G. Bos, “Nederlandse kerkgeschiedenis na 1945”. – Groningen: De Vuurbaak, 1980. – p. 99 en 100.
[4] De preek van ds. Nijenhuis gaat over 1 Johannes 5:20 en 21. De preek heeft als thema en verdeling:
“De apostel Johannes roemt in onze nieuwe levensgemeenschap met de ware God in zijn Zoon Jezus Christus. In deze nieuwe levensgemeenschap
1. hebben wij de ware God leren kennen,
2. zijn wij in de ware God geborgen,
3. moeten wij de ware God nooit meer kwijtraken”.

6 december 2018

Kom naar de kerk!

“En toen ​Jezus​ uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geen ​herder​ hebben; en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen”.
De bovenstaande woorden uit Marcus 6 vormen de inleiding tot de wonderbare spijziging van ongeveer vijfduizend mannen[1]. We weten niet of Marcus de vrouwen en kinderen bij die telling heeft gerekend. Hoe dat zij, er komen heel wat mensen op af!

Jezus is hevig geëmotioneerd. Dat verraadt ook het Griekse woord dat gebruikt wordt; plagchnizomai is afgeleid van een woord dat ‘ingewanden’ betekent. Het gaat Jezus door merg en been. Zijn hele lichaam protesteert klaarblijkelijk bij de aanblik van zoveel stuurloze mensen!

Stuurloos?
Gods volk gaat, mogen wij toch wel aannemen, met een zekere regelmaat naar de tempel? Israël is in Jezus’ aardse tijd geen losgeslagen boel. Hoezo stuurloos?
De kwestie is dat de Israëlieten geen Geestelijke leiding krijgen. Met andere woorden: zij worden niet bij de Here gebracht.
Zij worden gebonden aan menselijke vindingen, aan menselijke regeltjes. Zij krijgen te maken met religieuze criteria die kerkleiders netjes en aanvaardbaar vinden.
Edoch, Geestelijke voeding krijgen de Israëlieten niet.

Die term ‘schapen die geen herder hebben’ is ontleend aan Numeri 27. Daar spreekt Mozes over de overdracht van de leiding van Israël aan een opvolger: er is iemand nodig “die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan, opdat de gemeenschap van de HEERE niet zal zijn als schapen die geen ​herder​ hebben”[2].
Wat voor een volk ziet Jezus in Marcus 6?
Daar ziet Hij een natie die iemand mist die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan. Er is, anders gezegd, niemand die de gelovigen leert om de God van hemel en aarde bij heel het leven te betrekken.

Dat laatste is trouwens iets van alle tijden.
Het is zeker ook actueel in het jaar 2018.
In onze tijd komt heel wat religie over ons heen. Velen, zeer velen vertellen ijverig over het Woord van God. Echter, als het gaat over de consequenties in het dagelijks leven wordt ‘Voorzichtig!’ het adagium.
Want ach – zo lijkt men te redeneren – er zijn zoveel verschillende mensen. Er zijn zoveel verschillende situaties. Er zijn zoveel verschillende moeilijkheden. Een echte toepassing kun je niet maken. Want die schiet te vaak langs onze persoonlijke levens. De toepassing past maar zelden op het concrete leven van alledag… Ziet u het probleem?
In Marcus 4 spreekt Jezus, in verband met de gelijkenis van de zaaier, over mensen die “geen wortel in zichzelf hebben, maar zij zijn mensen van het ogenblik; als er later verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelen zij meteen”[3].
Daar zit een gevoelig punt.
Het Woord moet in ons leven wortelen. Het Woord moet bij allerlei gebeurtenissen in ons bestaan gebruikt worden – concreet en oprecht. Herders kunnen en moeten dat stimuleren, ook vandaag.

Wij zouden kunnen opmerken dat in Marcus 6 een grote massa mensen ongeorganiseerde mensen naar Jezus staat te luisteren. En ja, al die mensen luisteren in elk geval.
Kunnen we nu zonder hartzeer zeggen dat je niet zo nodig naar de kerk hoeft te gaan? Kunnen we zeggen dat het simpelweg naar Jezus luisteren voldoende is?
Nee, dat kunnen wij niet.
Dat is te makkelijk.
Waarom? Antwoord: de mensen moeten naar Jezus toe komen; wie thuis in zijn stoel blijft zitten, doet het Woord tekort.
Laat ik u op Marcus 1 wijzen: “En zij kwamen in Kapernaüm; en op de ​sabbat​ ging Hij meteen naar de synagoge​ en gaf Hij onderwijs”[4]. Ziet u dat? Jezus preekt in de kerk!
Laten we ook elkaar attenderen op Marcus 2: “En Hij vertrok weer naar de zee; en heel de menigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen”[5].
Ook is de inzet van Marcus 4 te noemen: “En Hij begon weer onderwijs te geven bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in een schip ging zitten, op zee; en heel de menigte was op het land aan de zee”[6].

Wij moeten ook vandaag naar Jezus toe komen. Naar de kerk, betekent dat.
Wij belijden het in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven staan. In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en buiten haar is er geen heil. Daarom moet ieder zich bij haar voegen en zich met haar verenigen. Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard; men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht, buigt de hals onder het juk van Jezus Christus…”[7].
Ook in onze tijd is die belijdenis nog volop relevant.

Wat kan het moeilijk zijn om de stap naar de kerk te nemen!
Vele, vele zich Gereformeerd noemende mensen zijn verontrust over bepaalde ontwikkelingen in het Nederlandse kerkelijke leven. Graag roep ik zulke mensen op om niet voortdurend verontrust te blijven. Kom naar een Gereformeerde Kerk; daar vindt u rust!

Daarbij moeten we ons haasten om een bede te noteren: laat onze God – de God die wonderen kan doen – bij elkaar brengen wat bij elkaar hoort!
U begrijpt het wel: schrijver dezes denkt hierbij met name aan De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN).

Het werd hierboven al geschreven: in Marcus 6 vindt een wonderbare spijziging plaats. Zeg maar gerust: een miraculeus feestmaal. Dat fysieke feestmaal is nog maar het begin. Er komt een hemelse maaltijd, met ongekende spijzen.
Laten we ons daar in de kerk maar op voorbereiden. Laten we ons er maar op verheugen. Wat zal het daar heerlijk wezen!

Noten:
[1] Marcus 6:34.
[2] Numeri 27:17.
[3] Marcus 4:19.
[4] Marcus 1:21.
[5] Marcus 2:13.
[6] Marcus 4:1.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28.

1 november 2018

Gedachten bij Hebreeën 5

Melk is goed voor elk, zei men sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw. De laatste jaren denkt men daar echter nogal wat genuanceerder over.
Wie de Bijbel leest, begrijpt alras dat in de kerk zeker niet alleen melk moet worden gedronken.

Vandaag publiceer ik enkele gedachten naar aanleiding van een passage uit Hebreeën 5.
“Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer iemand nodig die u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God. U bent geworden als mensen die melk nodig hebben en niet vast voedsel. Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de ​gerechtigheid, want hij is een ​kind. Maar voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad”[1].

Wat is het probleem in Hebreeën 5?
Antwoord: er is wel kennis van het Woord. Men heeft echter grote moeite om die kennis toe te passen.
Door het offer van Christus ontvangt de gelovige gerechtigheid. Zijn leven wordt vernieuwd. Het leven van de gelovige past steeds beter op de typering van Psalm 15:
“Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.
In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot zijn schade,
zijn eed verandert hij evenwel niet.
Zijn ​geld​ leent hij niet uit tegen ​rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet”[2].
Met andere woorden: voor de gelovige vormen Gods wetten en regels het kader van zijn leven.

Kerkmensen herkennen de vernieuwende gaven van God.
En zij erkennen dat zij met die gaven aan het werk moeten wezen.
Gelovigen gebruiken daarbij voortdurend hun zintuigen: zien, horen, proeven, ruiken en voelen[3].
Je kunt aan het gedrag van kerkmensen zien dat zij de God van hemel en aarde dienen.
Je kunt aan kerkmensen merken dat zij regelmatig preken horen; het gehoorde passen zij toe in de dagelijkse praktijk.
Kerkmensen proeven met regelmaat het brood en de wijn. Zij gedenken het verlossingswerk van de Heiland.
Kerkmensen verspreiden een geur van Christus. De apostel Paulus legt in 2 Corinthiërs 2 uit wat dat betekent: “Want wij zijn voor God een aangename geur van ​Christus, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan; voor de laatsten een doodsgeur, die leidt tot de dood, maar voor de eersten een levensgeur, die leidt tot het leven”[4]. Dus:
* het leven van kerkmensen ruikt voor God aangenaam
* kinderen van God genieten van die geur.
* mensen die God negeren hebben een afkeer van die geur; zij moeten er niets van hebben.
Tegenwoordig zeggen we wel: het voelt goed. Welnu, in de kerk voelt het vertrouwd. Daar hangt, als het goed is, de sfeer van Spreuken 28:
“Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is,
maar een rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw”[5].
We kunnen ook vertalen: een rechtvaardige zal vertrouwen hebben[6].
Rechtvaardigen vertrouwen op God. Zij hebben vervolgens ook vertrouwen in elkaar. Dat zit aan elkaar vast. Dat spreekt vanzelf.
Zien, horen, proeven, ruiken en voelen – op die manier krijg je onderscheidingsvermogen: wat is goed? wat is zonde? En ook: wie hoort er bij de kerk, en wie niet?

Die laatste vraag is, als ik het goed zie, in verband met Hebreeën 5 van enig belang.

Laten wij, mede in verband met het bovenstaande, elkaar in gedachten meenemen naar een restaurantkeuken.

Aldaar zien wij vóór ons twee pannen op het vuur staan. In die beide pannen blijkt precies hetzelfde te zitten: een uiterst smakelijk gerecht. Met dezelfde kleur. Vanuit beide pannen stijgt, tot genoegen van de chefkok, dezelfde heerlijke geur op.
Als de kok het eten klaar heeft, worden de identieke gerechten in het restaurant opgediend. De ene pan gaat naar Tafel 1. De andere pan gaat naar Tafel 53 aan de andere kant van de zaal. Het is duidelijk dat de gasten aan beide tafels familie van elkaar zijn. Ze hebben klaarblijkelijk allen ongeveer dezelfde smaak. Ze converseren op luide toon met elkaar; andere gasten in de restaurantzaal kunnen meegenieten.
En de kok? Hij vraagt zich in stilte af waarom de gasten aan die tafels niet bij elkaar gaan zitten.
De gasten aan Tafel 1 en Tafel 53 herkennen elkaar.
Alle gasten erkennen dat het eten erg lekker is.
Waarom zitten die mensen eigenlijk zo ver uit elkaar?

Dit ietwat merkwaardige beeld rijst op als wij kijken naar de DGK – De Gereformeerde Kerken in Nederland – en de GKN – de Gereformeerde Kerken Nederland.

In een brief aan de synode van De Gereformeerde Kerken (DGK), gedateerd op zaterdag 6 oktober 2018, wordt namens de generale synode GKN geschreven: “Allereerst is uitgesproken om u te herkennen als kerken van Christus, staande op het fundament van apostelen en profeten. Niet in ieder opzicht denken we helemaal gelijk, maar het is ook niet het fundament van de kerk dat we het in alles eens zijn. Wij verheugen ons zeer dat wij deze dingen in het huidige geestelijke klimaat mogen opmerken en we verwonderen ons”[7].
Laten we de zaken even op een rij zetten:
* alle gasten herkennen elkaar.
* alle gasten hebben ongeveer dezelfde smaak
* alle gasten erkennen dat het eten – zeg maar even: het geestelijk voedsel – erg lekker is.
* waarom zitten die mensen eigenlijk zo ver uit elkaar?

De vraag dringt zich vandaag weer eens aan ons op: horen DGK en GKN echt bij elkaar?
Ik vraag het met een schuin oog op Hebreeën 5.
Duidt het mij niet euvel.

Noten:
[1] Hebreeën 5:12, 13 en 14.
[2] Psalm 15:3, 4 en 5.
[3] Zie over zintuigen onder meer https://nl.wikipedia.org/wiki/Zintuig ; geraadpleegd op woensdag 31 oktober 2018.
[4] 2 Corinthiërs 2:15 en 16 a.
[5] Spreuken 28:1.
[6] Zie hiervoor de onlineversie van de Studiebijbel; de vertaling van Spreuken 28:1.
[7] De brief is te vinden via https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/2018/10/09/besluit-t-a-v-dgk/ ; geraadpleegd op woensdag 31 oktober 2018.

31 augustus 2018

Zondag 52, DGK en GKN

Dit artikel begint met woorden uit het laatste deel van de Heidelbergse Catechismus:
“Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Dat wil zeggen: Dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht. Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”.

Kenners hebben het bovenstaande mogelijk al wel herkend. Het zijn woorden uit Zondag 52[1].

Wij hoeven niet zo nodig gelijk te hebben. Alles draait om Gods heilige naam.
Zo staat dat in de laatste zin in het citaat: “Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”.

Van daaruit is het maar een kleine stap naar de officiële contacten tussen De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN)[2].
Dat zijn kerkverbanden die heel dicht bij elkaar staan.
Kerkleden uit beide kerkverbanden willen God loven. Met alles wat zij hebben.
Zowel DGK-ers als GKN-ers willen, als het goed is, niets liever dan God eren. Zij zelf zijn niet zo belangrijk. Hun status en reputatie doen er uiteindelijk niet zoveel toe.

Een artikel waarin het gaat over de contacten tussen DGK en GKN maakt niet zelden nogal wat los. Er wordt gepraat. Men raakt niet zelden ontstemd. Er worden grote woorden gebruikt: sekte, scheurkerk… Dat soort termen moeten wij per onmiddellijk gaan vermijden. Zulke uitdrukkingen maken gedachtewisselingen vruchteloos.

God moet de eer krijgen die Hem toekomt.
Daar moet het om gaan als DGK en GKN contact met elkaar hebben.

Die contacten kunnen zomaar worden bemoeilijkt.
Bijvoorbeeld door een artikel in een landelijk kerkblad. Niet zo lang geleden is dat nog gebleken. Er werd tijdens een zitting van de generale synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland gesproken over een artikel in De Bazuin – het landelijk kerkblad van De Gereformeerde Kerken in Nederland – dat bij heel wat lezers nogal onaangenaam overkwam en tamelijk ruw landde.
In zulke situaties speelt van alles mee. De formulering van één of twee zinnen, bijvoorbeeld. En de timing van het publiceren van zo’n artikel, bijvoorbeeld.
Laten we maar eerlijk zijn: zulke gebeurtenissen blijven lang in het geheugen zwerven.
En steeds zijn daar die prangende vragen: wat is er precies verkeerd gegaan? En: hoe kunnen we ons leven beteren?
Feit is dat dergelijke zaken buitengewoon pijnlijk kunnen wezen. Laten we, als het daarom gaat, begrip voor elkaar opbrengen. Laten we het vooral ook aan de Here voorleggen. En laten we Hem maar dringend vragen: wilt u ons naar elkaar toe leiden, zodat wij u samen kunnen loven?

Die contacten worden ook bemoeilijkt door andere gebeurtenissen in het verleden. Door dingen die zijn gesuggereerd. Door dingen die zijn gezegd. Door daden die zijn gesteld.
Met het oog daarop worden soms voorwaarden geformuleerd. Dat is niet goed.
Waarom niet?
Vanwege Romeinen 8. Ik citeer: “Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de ​zonde, en de ​zonde​ veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest”[3].
Onze Heiland heeft voor de zonden betaald.
De zonden werden weggedaan.
Zo werd de weg vrijgemaakt voor de Heilige Geest. De apostel Paulus noteert: “De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij ​kinderen​ van God zijn”[4].
Daarom mag in de gesprekken tussen DGK en GKN steeds weer een nieuw begin worden gemaakt. Voor verkeerde en zondige dingen uit het recente verleden wordt, mogen wij aannemen, altijd vergeving gevraagd.
En dan geldt Psalm 103:
“Zo ver verwijderd ’t westen is van ’t oosten,
zo ver doet Hij van hen die Hij wil troosten
de zonden weg, ja Hij heeft ons bevrijd”[5].

Opnieuw ga ik naar Zondag 52.
K. Schilder heeft in een preek over die Zondag eens gezegd: “Ware dankbaarheid is: gebruiken, wat de ander schenkt; de ander als het ware inademen in zijn geschenken, en dus hemzelf begeren en vlijtig het verkeer met hem zoeken. (…) En wanneer deze zesde bede vóór ons ligt, kunt u zien, hoe mooi de Heiland ons heeft leren bidden en vragen. Want in de zesde bede staat het zo, dat de kerk vraagt: Mijn God, wil alles in het leven zo schikken en de wegen zo effenen, dat wij in het leven van de heiligmaking Uw Geest nooit bedroeven; en waar U helemaal onze God bent, niet maar geschenken geeft, maar U-zelf, laat ons helemaal van U zijn…”[6].

De preek van K. Schilder is gedateerd op zondag 28 december 1941. Dat is nu, op een paar maanden na, zevenenzeventig jaar geleden.
Maar de innige wens die in het bovenstaande verwoord is mag en moet ook anno Domini 2018 de onze zijn.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 128.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van een brief d.d. 2 juni 2018 die door de Generale Synode Lansingerland 2017-2018 van De Gereformeerde Kerken in Nederland is verzonden aan de Gereformeerde Kerken Nederland. Te vinden op https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/generale-synode/lansingerland-2018 , doorklikken naar Brief aan GKN, Brief van synode DGK aan synode GKN, 2 juni 2018 ; geraadpleegd op donderdag 16 augustus 2018.
[3] Romeinen 8:3, 4 en 5.
[4] Romeinen 8:16.
[5] Psalm 103:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).
[6] De betreffende preek is te vinden via http://www.reformata.nl/ ; geraadpleegd op donderdag 16 augustus 2018.

28 december 2017

Meer eenheid in 2018?

“Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest”.
Die zin kent u wellicht wel.
De woorden komen uit artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

In de bovenstaande zin gaat het over één kerk.
En wij realiseren ons: in het jaar 2017 ziet het er in Gereformeerd Nederland heel anders uit. Er waren en zijn in Nederland heel wat kerken die zeggen dat zij op het fundament van Schrift en belijdenis staan.

Er is evenwel een sprankje hoop.
In een recent persverslag van De Gereformeerde Kerken in Nederland en De Gereformeerde Kerken Nederland staat te lezen: “Over en weer is benoemd dat er blijdschap is dat beide kerken uitspreken te willen staan op hetzelfde fundament. Er is wederzijds dankbaarheid uitgesproken dat er, in een tijd waarin de Schrift wordt aangevallen, kerken zijn die opkomen voor het Woord van God.
In de gesprekken tussen DGK en GKN gaan de broeders op broederlijke wijze met elkaar om. Waarbij de broeders de ruimte hebben om de inhoud van de gespreksonderwerpen vrijuit te bespreken”[1].

Wanneer die eenheid er werkelijk komt?
Er is niemand die dat precies zeggen kan.
Persoonlijk verlang ik er echter vurig naar.

En het is ook wel bekend dat veel zoekers – onder meer uit de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) – de verdeeldheid tussen DGK en GKN niet begrijpen. Het is niet zo gek dat zij de verschillen lang niet altijd helder kunnen zien.

Bij deze spreek ik de hartelijke hoop uit dat er, wat het vorenstaande betreft, in het nieuwe kalenderjaar 2018 meer concrete stappen gezet kunnen worden.

Daar moet, als u het mij vraagt, wel iets bij worden vermeld.
Allen die hun heil van de Heiland verwachten, moeten door God Zelf bijeen worden gebracht. Uit zichzelf gaan mensen dat namelijk niet doen. Zelfs niet als zij zichzelf gereformeerd noemen.
We zullen dit alles in de handen van de Verbondsgod moeten geven.
Laten wij maar bidden dat Hij bij elkaar brengt wat bij elkaar hoort!

Nogmaals noteer ik die woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest”.
Die volzin brengt mij bij Hebreeën 9: “Christus, Die eenmaal geofferd is om de ​zonden​ van velen weg te dragen, [zal] voor de tweede keer zonder ​zonde​ gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid”[2].

Ziehier, een kernpunt van het christelijk geloof.
De zonden worden ons vergeven op grond van het borgtochtelijk werk van onze Here Jezus Christus. Dat is één.
En het tweede is: wij verwachten onze Redder terug. Als hij op aarde arriveert, zal iedereen Hem kunnen zien. Onze Redder was en is zonder zonde. In Hebreeën 4 wordt het ook al gezegd: “Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar Een Die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar zonder zonde”[3]. Zondige mensen krijgen een plaats in een smetteloze hemel. Alle kinderen zullen onberispelijk zijn. Zij zullen zalig wezen.  Dat is nu nog onvoorstelbaar. Maar het is waar!

De Zaligmaker maakt Zijn kinderen zalig.
Als u en ik die zaligheid zoeken, moeten we in de kerk wezen.
Dat leren wij uit artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Dominee J. van Bruggen (1909-1965) schreef daarover in zijn boekje ‘Het Amen der Kerk’: het is niet zo dat er niemand buiten de kerk zalig wordt, maar wie het heil zoekt, moet zich in de kerk vervoegen.
De predikant schreef indertijd zo: “Zegt ons artikel, dat er buiten de kerk geen zaligheid is, dan leze men goed wat er staat. Er staat niet, dat er buiten de kerk niemand zalig wordt, dat er buiten haar geen zalige is, maar dat de zaligheid niet buiten haar is. Want God schenkt haar immers juist aan Zijn kerk. Daarom moeten we haar dáár en niet buiten haar zoeken. Ons artikel zegt ook nergens dat wie zich toch aan de gemeenschap der heiligen onttrekt niet zalig kan worden, maar dat die ‘tegen de ordinantie Gods doet’”[4][5].
Tegenwoordig plegen wij te zeggen: zulke mensen handelen “in strijd met Gods bevel”.

Hebreeën 9 zegt het onomwonden: door Christus gekochte kinderen verwachten Hem tot zaligheid.
Dat zo zijnde mogen en moeten wij allerlei menselijke dingen opzij zetten.
Dat is niet makkelijk.
Misschien rijt dat zelfs wel oude wonden open.
Maar wie bij de God van het verbond schuilt, krijgt daar wel kracht voor.
En laat daarbij onze bede wezen: laat onze God zo spoedig mogelijk bij elkaar brengen wat bij elkaar hoort!

Noten:
[1] Zie voor het persverslag onder meer https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/2017/11/20/besprekingen-dgk-en-gkn/ ; geraadpleegd op vrijdag 15 december 2017.
[2] Hebreeën 9:28.
[3] Hebreeën 4:15.
[4] J. van Bruggen, “Het amen der kerk; de Nederlandse Geloofsbelijdenis toegelicht”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, vierde druk, 1971. – p. 142. Ook te vinden op http://forum.gkv.nl/index.php/topic,770.0.html ; geraadpleegd op vrijdag 15 december 2017.
[5] Dominee J. van Bruggen is de vader van de heden ten dage meer bekende nieuwtestamenticus professor dr. J. van Bruggen (geb. 1936).

6 december 2017

Verwachtingsvolle activiteit der Gereformeerden

“De vrijgemaakt-gereformeerden zullen zich in toenemende mate bij de ontwikkelingen in de samenleving aanpassen, juist omdat zij hun geloof op alle as­pecten van het leven willen be­trekken”.
Dit statement is afkomstig van de bekende socioloog Gerard Dekker. De emeritus hoogleraar godsdienstsociologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam overleed op maandag 27 november 2017; hij werd 86 jaar[1].

De vrijgemaakten zullen zich aanpassen, voorspelde Dekker ergens in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Inmiddels zien we dat dat proces goed op gang is gekomen. Professor Dekker heeft, voor wat de GKv betreft, gelijk gekregen.

Wordt het tijd om in De Gereformeerde Kerken (hersteld) en de Gereformeerde Kerken Nederland – alle alarmbellen te laten afgaan?
Moeten we zeggen: de Gereformeerden van 2017 zullen zich in toenemende mate bij de ontwikkelingen in de samenleving aanpassen, juist omdat zij hun geloof op alle as­pecten van het leven willen be­trekken?
Moeten we, met andere woorden, zeggen dat DGK en GKN eigenlijk iets onmogelijks willen?

Die vraag houdt mij bezig op dinsdag 28 november 2017.

Op de dag dat die vraag een paar keer door mijn brein dwarrelt, zie ik op de televisie een statig woonhuis dat eertijds een kerkgebouw was.
Op de gevel van dat woonhuis staan woorden uit Jacobus 1.
Diezelfde woorden citeer ik nu uit de Herziene Statenvertaling: “En wees daders van het Woord en niet alleen hoorders”.
Die woorden geven mij het antwoord op mijn vraag.

Willen DGK en GKN iets dat feitelijk onmogelijk is? Lopen Gereformeerden anno 2017 op een fata morgana af?
Welnee.
Maar dan moeten zij het gehoorde Woord in praktijk brengen. En wel op een andere manier dan professor Dekker voor ogen had.

Laten wij een ogenblik het werk van professor Dekker bezien.

Dekker wilde eigenlijk maar één ding: Christus concreet navolgen in deze tijd en in deze wereld.
En dat is, op zichzelf genomen, een goed streven.
Maar Dekker noteerde daarbij: “Het traditionele geloof in een almachtige God ‘boven’ is in deze tijd niet meer houdbaar”.
U moet weten: de pas overleden godsdienstsocioloog was nogal onder de indruk van de geschriften van Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)[2].
Dat is die Duitse theoloog die veel heeft nagedacht over de navolging van Christus, over medemenselijkheid en over alverzoening. Bonhoeffer ontwikkelde een leer over kerk en wereld, “waarbij de kerk zich dienend en eigentijds in een mondige wereld heeft op te stellen. Ze dient daarbij concreet gestalte aan Christus te geven zonder daarbij het Evangelie als absolute waarheid op te dringen”[3].
Als u het mij vraagt, zit ‘m daar de kneep: in die visie is en blijft het navolgen van Christus iets van deze wereld. Nee, er is geen almachtige God die ons de waarheid voorhoudt. De kerk is er voor deze wereld. In deze wereld moet het gebeuren.
Iemand typeert het zo: “Een Dietrich Bonhoeffer kwam niet los van deze aarde waar de kerk aan dienstbaar moest zijn en waarvoor Christus ook aan het kruis had geleden. Maar zo verkracht men Gods Woord, en veracht men Gods heiligheid en rechtvaardigheid. Men wil wel een lieve God maar niet een heilige God die voor de handhaving van zijn recht in barmhartigheid zijn eigen Zoon gezonden heeft”[4].

En hoe zit dat nu met ons?

Immers – voor ons, kerkmensen van de eenentwintigste eeuw, ligt daar intussen nog steeds die vraag.
Die indringende vraag: lopen Gereformeerden anno 2017 op een fata morgana af? Of ook:
willen zij kerk en wereld op een onmogelijke wijze verenigen?
Neen. Driewerf neen.
Inderdaad – er moet in deze wereld gewerkt worden. Jacobus schrijft dan ook: “Als iemand immers een hoorder van het Woord is en geen dader, lijkt hij op een man die het gezicht waarmee hij geboren is, in een spiegel bekijkt, want hij heeft zichzelf bekeken, is weggegaan en is meteen vergeten hoe hij eruitzag”[5].

Maar de vraag is vervolgens: hoe moet er in de wereld gewerkt worden?
Welnu, Jacobus geeft ons de volgende instructie: “De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: ​wezen en ​weduwen​ bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld”[6].
Actief zijn in deze wereld, dat is een heel goede zaak. Maar daarbij geldt: Gods kinderen moeten zich niet laten besmeuren door deze wereld.
Om weer met Jacobus te spreken: “Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken”[7].

Gereformeerd zijn in 2017 – jazeker, dat kan.
Onberispelijke kinderen van God blijven – dat is mogelijk, nou en of.
Als wij maar beseffen dat er een heerlijke verbinding is tussen beneden en boven. Een glorieuze band tussen de kerk beneden en de kerk boven.
Als wij ons maar realiseren dat onze almachtige Vader ons leidt. Op elk moment van de dag. In alle situaties van het leven.
In Jacobus 2 confronteert de schrijver zijn lezers met de vraag: “Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet ​uitverkoren​ om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem ​liefhebben?”[8].
Het antwoord op die vraag ligt voor de hand: jazeker, de armen van deze wereld zijn door de Verbondsgod uitgekozen. Dat is de absolute waarheid, die in Gods Woord tot ons komt.

Als Gereformeerden in 2017 die verwachting levend houden, dan is er toekomst.
Dan ontstijgen wij deze wereld.

Ach ja, dan noemt men ons wellicht een beetje wereldvreemd.
Dat zij dan zo.
Want wij zijn op weg naar ons tweede vaderland. Daar verheugen we ons op, terwijl wij hier op aarde aan het werk zijn.
Ons tweede vaderland: wat heerlijk zal het daar wezen!

Noten:
[1] Het voorgaande citaat komt uit: Dick Schinkelshoek, “Gerard Dekker (1931-2017): socioloog van het protestantisme”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 28 november 2017, p. 7.
[2] Zie voor meer informatie over Dietrich Bonhoeffer https://nl.wikipedia.org/wiki/Dietrich_Bonhoeffer ; geraadpleegd op dinsdag 28 november 2017.
[3] Geciteerd van http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/1182 ; geraadpleegd op dinsdag 28 november 2017.
[4] Dat was ds. S. de Marie. Zie http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/1231 ; geraadpleegd op dinsdag 28 november 2017.
[5] Jacobus 1:23 en 24.
[6] Jacobus 1:27.
[7] Jacobus 1:21.
[8] Jacobus 2:5.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.