gereformeerd leven in nederland

14 juni 2018

Hulp bij spiritueel tekort

“Hulp van buiten is nodig om spiritueel tekort GKV aan te vullen”.
Dat zegt dominee Maarten van Loon over ‘zijn’ kerken, de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

In het Nederlands Dagblad stond er laatst een stukje over.

Geloven is in de GKv “een set waarheden” geworden.
Geloven is momenteel alleen maar een kwestie van het hoofd.
Veel gemeenteleden voelen dat aan. Zij gaan vervolgens spiritueel bijtanken. Het maakt niet zoveel uit waar dat bijtanken gebeurt.

Dominee Van Loon schrijft: “Persoonlijk denk ik dat er hulp van buiten nodig is als we als GKv stappen willen maken in het aanvullen van ons spirituele tekort. (…) Het gaat namelijk niet om een trucje dat je moet leren, maar om een verdieping en verbreding van je eigen spiritualiteit, het aanboren van lagen die er wel zijn, maar die nog niet benut worden”[1].

Een kerk die hulp van buiten nodig heeft… ik heb daar even tegen aan zitten kijken.

De kerk heeft namelijk eerst en vooral hulp van boven nodig.

Nu ik dat constateer, wijs ik meteen op de toespraak die Mozes voor Israël houdt, vlak voordat hij sterven gaat.
De laatste zinnen van die toespraak zijn: “Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u? U bent een volk dat door de HEERE verlost is. Hij is een ​schild​ en een hulp voor u, Hij is uw majesteitelijke ​zwaard; daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen, en ú zult hun hoogten betreden!”[2].

Veertig jaar lang heeft Mozes het volk geleid, uit Egypte tot vlak voor het beloofde land Kanaän.

Mozes prijst de Israëlieten gelukkig.
De kerk van het Oude Testament is uniek. Want God staat aan hun kant.
Hij voert uiteindelijk de gevechten voor Zijn volk. Hij is de grote Beschermer. Hij helpt waar dat nodig is, op ieder gewenst moment van dag of nacht. Israëlieten hoeven niet in training te gaan om strijdkracht te ontwikkelen. Want de overwinning komt van God!
Dat maakt vijanden bang. Gespeeld-nederig komen zij bij Israël. En het volk van God kan zonder veel moeite verder trekken. Desnoods dwars óver de hoogten die door de vijandelijke volken opgeworpen zijn om hun afgoden te dienen. Zo laten de Israëlieten zien: afgoden zijn niets waard; je moet het van God hebben.

In Deuteronomium 33 is dat geen overbodige boodschap.
Een relatief klein volk dat Kanaän compleet gaat ‘overnemen’ – dat is op z’n zachtst gezegd nogal ambitieus, zou je zeggen.
Maar Mozes zegt: als je God aan je zijde hebt, dan kan het lukken. En wanneer lukt dat dan? Als het in Zijn plan past.
Het innemen van het land Kanaän gaat lukken, omdat dat het welzijn van de Oudtestamentische kerk bevordert. Het gaat lukken, omdat het een grote stap is in de richting van de heerlijke toekomst die God voor Zijn volk creëert.

Dat wil niet zeggen dat er geen momenten zullen komen waarop het volk in grote nood komt. Er zullen ogenblikken zijn waarop het volk wanhopig naar boven blikt: God is er toch nog wel? Hij heeft Zijn hulp toch gegarandeerd? – nou, waar blijft Hij dan?

Nee, Mozes’ laatste oproep, zo vlak voor zijn sterven, is zeker niet overbodig.

Nu kunnen wij zeggen: luister eens, beste schrijver – dat is Deuteronomium 33. Maar wat heeft dat met 2018 te maken?

We hebben vandaag te maken met de Nieuwtestamentische kerk.
Die kerk moet de wil van God doen.
Die kerk moet het Evangelie verkondigen. De blijde Boodschap: er is redding door Jezus Christus!

Maar wat zeggen veel kerkmensen?
Die boodschap is wel goed, maar die past niet meer zo goed in de eenentwintigste eeuw. Je kúnt er op werkdagen zo weinig mee. We hébben er in het gewone leven zo weinig aan.
En nou ja, eigenlijk gaat het best wel goed zo. We kunnen onszelf best redden. We hebben de zaakjes netjes geregeld. Dus – wie doet ons wat?

Dat is het probleem in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). En niet alleen daar.

Eigenlijk is dit een punt dat bij ons allemaal speelt: als we de boel nou keurig regelen, dan houden we de kerk wel overeind.

Maar de kwestie ligt anders.

Als je God aan je zijde hebt, dan gaat het kerkelijk leven bloeien. En wanneer bloeit dat dan? Als het in Zijn plan past.
De kerk krijgt Gods zegen, als zij met Zijn Woord leeft. Niet alleen op zondag; maar ook op dinsdag tot en met zaterdag. Zo’n leven bevordert het welzijn van de Nieuwtestamentische kerk. Zo zet de kerk iedere dag een grote stap in de richting van de heerlijke toekomst die God voor Zijn volk creëert.

Wanneer zijn onze gebeden het meest dringend?
Antwoord: als de nood hoog is. Als je heftige pijn voelt. Als je het idee hebt, dat de duivel je te pakken heeft. Als de toekomst dichtgetimmerd is. Als het leven totaal klem zit.

Daar
zit het probleem van veel christenen, Gereformeerd-vrijgemaakten inbegrepen.
Want zij hebben niet het idee dat de nood hoog is. Want och, het hobbelt nog prettig door. Nietwaar?
Laten we met z’n allen beseffen dat de nood hoog is. Als God niet machtig ingrijpt, dan gaan we ’t niet redden!

En als we dan bidden, moeten we niet denken dat de oplossing ons binnen een halfuurtje wordt aangeboden op ’t deftigste bonbonschaaltje dat er momenteel te koop is.
Soms moet je jaren wachten tot er perspectief komt.
Want God test Zijn volk nog wel eens: vertrouwt u echt op Mij, of doet u ’t toch liever zelf?

Deuteronomium 33 staat nog altijd in onze Bijbels: “Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u? U bent een volk dat door de HEERE verlost is. Hij is een ​schild​ en een hulp voor u”.
Nee, dat merken wij niet altijd.
Onze God is niet voortdurend aanwezig met megafoon en zwaailicht.
Maar Hij is altijd present. In alle rust. In alle stilte, soms.

En soms beseffen we pas achteraf: God heeft ingegrepen. Oftewel: wat er nu gebeurd is, dat moet wel van God komen. Dan realiseren we ons: dit heeft de hemelse God zo bestuurd.

In God geloven…
Bij God horen…
Kind van God zijn…
uiteindelijk is dat de grootste troost die er in dit leven is.

Laten we ons maar gewoon aan Psalm 2 houden:
“Vreest God den HEER en dient Hem naar zijn eis,
verheugt u bevend, zoekt bij Hem uw vrede.
Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart”[3].

Zalig zijn die schuilen aan zijn hart.
Die schuilplaats biedt eeuwige bescherming!

Noten:
[1] GKv ‘heeft hulp van buiten nodig’. In: Nederlands Dagblad, maandag 28 mei 2018, p. 2 (rubriek Blogs en bladen).
[2] Deuteronomium 33:29.
[3] Dit is het laatste deel van Psalm 2:4; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.

2 maart 2018

Vasthouden

“Het valt mij op dat de meeste kerken en kerkenraden ervoor kiezen op deze punten een zorgvuldig proces met elkaar in te gaan en dat vrijwel algemeen het verlangen wordt uitgesproken elkaar te blijven vasthouden”.

Dat concludeert de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.H. Kuiper in een jaaroverzicht van de gebeurtenissen in ‘zijn’ kerken[1].
Zegt u nu zelf: de dominee formuleerde een mooie zin.

Niettemin vond ik die zin niet erg bevredigend.

Elkaar vasthouden – dat is zonder meer een goede zaak.
Maar het is niet het eerste in de kerk. Want in Zijn huis gaat het om Zijn werk. En om Zijn eer.
En van daaruit houden we dan elkaar vast, in de blijde overtuiging dat wij samen bij de Heiland horen en Hem volgen.

Wij vuren elkaar aan, bijvoorbeeld met woorden uit Hebreeën 4: “Nu wij dan een grote ​Hogepriester​ hebben, Die de hemelen is doorgegaan, namelijk ​Jezus, de ​Zoon van God, laten wij aan deze belijdenis vasthouden”[2].
Wij moeten, betoogt de Hebreeënschrijver, eerst en vooral vasthouden aan de belijdenis dat Jezus Christus, door lijden heen, heeft betaald voor de zonden. Vervolgens ging Hij triomferend de hemel binnen. Hij is onze Koning. Zijn Woord is wet!

Nu het hierom gaat, wijs ik ook graag op de gelijkenis van de zaaier. Die vinden we in Lucas 8. Wij lezen: “Het ​zaad​ is het Woord van God”[3]. “En waar het ​zaad in de goede aarde valt, dat zijn zij die het Woord horen, het in een oprecht en goed ​hart​ vasthouden, en in volharding vruchten voortbrengen”[4].
Kinderen van God moeten het Woord van God vasthouden. Als zij dat doen is het zeker dat zij vruchten van dankbaarheid voortbrengen.

In 1 Timotheüs 3 schrijft de apostel Paulus over de karaktereigenschappen die voor een diaken gewenst zijn. En daar lezen wij dan: “De ​diakenen​ moeten evenzo eerbaar zijn, niet met twee monden spreken, niet verzot zijn op veel ​wijn, niet uit zijn op oneerlijke winst, en het geheimenis van het geloof vasthouden in een zuiver geweten”[5].
De diakenen moeten de waarheid van het Evangelie helder voor ogen hebben!

Opnieuw kom ik bij de brief aan de Hebreeën.
In het derde hoofdstuk kunnen wij lezen: “Christus​ echter is getrouw over Zijn huis als Zoon. Zijn huis zijn wij, als wij tenminste de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden”[6].
En:
“Want wij hebben deel aan ​Christus​ gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden”[7].
Graag veroorloof ik mij nog een citaat uit de Hebreeënbrief. Uit hoofdstuk 10 namelijk: “Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw”[8].
Ziet u het enthousiasme? Ziet u de Geestdrift? Dat is toch heel wat anders dan het krampachtig proberen om elkaar te bereiken!

Dominee Kuiper schrijft in het GKv-jaaroverzicht dat er in ‘zijn’ kerken een opvallende cultuurverandering plaatsvindt.
“Anderzijds is voor anderen de toelating van vrouwen tot de ambten ‘een toetssteen geworden voor rechtzinnigheid’, concludeert ds. Kuiper. Hij meent dat daarbij ook andere zaken in het geding zijn, zoals verschil in opvattingen over zondagsbesteding en kerkgang, aansluiten bij jongeren in de gemeente, inspelen op veranderingen in het kerk-zijn en individualisme versus gemeente-zijn”.
De predikant kiest hierboven voor een rustige formulering.
Intussen moeten wij ons niet vergissen: het gaat om de vraag of men het Woord Gods in alles wil eerbiedigen. Dat is, als u het mij vraagt, in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) niet meer het geval. Daar kunnen wij nimmer makkelijk over doen!

Uiteindelijk gaat het om ware godsdienst, op de manier waarop Hebreeën 12 daarover spreekt: “Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de ​genade​ vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied”[9].
Laat dat het niveau worden waarop alle Gereformeerde mensen steeds blijven leven en werken!

Noten:
[1] “Vrijgemaakten willen elkaar vasthouden”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 23 februari 2018, p. 2.
[2] Hebreeën 4:14.
[3] Lucas 8:11.
[4] Lucas 8:15.
[5] 1 Timotheüs 3:8 en 9.
[6] Hebreeën 3:6.
[7] Hebreeën 3:14.
[8] Hebreeën 10:23.
[9] Hebreeën 12:28.

5 februari 2018

Niet betrokken

Op vrijdag 26 januari jongstleden meldde het Reformatorisch Dagblad: “De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) hebben zich donderdag officieel aangesloten bij het Interkerkelijk Dovenpastoraat (IDP). Het IDP wordt nu door vier kerkgenootschappen gedragen”.

Dat binnen de GKv momenteel heel interkerkelijk wordt gedacht is geen nieuws.

Maar er stond iets bij dat aan het denken zette.
Dat was dit.
“Ds. J. Oosterhuis, voorzitter van het deputaatschap pastorale zorg aan doven en slechthorenden van de GKV, memoreerde de afgelegde weg van ‘moeite en pijn’ voordat de GKV bereid waren tot aansluiting bij het IDP. ‘Het besluit om de pastorale zorg binnen eigen kerkelijke organisaties te regelen, paste destijds in het denken binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’, verduidelijkte de predikant uit Hasselt. ‘Maar de tijden zijn veranderd. In de kring van de GKV nam de kerkelijke betrokkenheid af, zowel onder dove en slechthorende gemeenteleden als onder de andere gemeenteleden, waardoor het steeds moeilijker wordt vrijwilligers te vinden. De noodzaak tot samenwerking met andere kerken in de zorg voor doven werd binnen de GKV steeds meer gevoeld’”[1].

De kerkelijke betrokkenheid neemt af.
Het vinden van vrijwilligers is moeilijk geworden.
De betrokkenheid is verdwenen.
De motivatie is weg.

Wat doet gij in een dergelijk geval?
Laten we eens in de Bijbel lezen.

Het woord ‘betrokkenheid’ komt in Gods Woord niet voor.
Het woord ‘betrokken’ wel. Maar dan in de betekenis van: onwelwillend, geërgerd.

Zo komen we het tegen in Jeremia 3.
Maar de Here is in Jeremia 3 niet onwelwillend. In Zijn spreken is Hij een en al genade. Leest u maar mee: “Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg: Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE, Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE, Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig. Alleen, erken uw ongerechtigheid, want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen, en u hebt zich in alle richtingen verspreid op zoek naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom, maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE”[2].

Hierboven staat een oproep tot bekering:
* ga weer naar Mij luisteren
want:
* Ik blijf niet eeuwig toornig
* Mijn goedertierenheid en genade voeren de boventoon.

Laat ik het meteen maar zeggen: als kerkmensen zich dagelijks tot God bekeren keert de motivatie elke dag terug. Zonder mankeren. Dan golft de Geestdrift steeds weer door de ziel. Het elan van de Heilige Geest is dan voortdurend aanwezig.
Ziet u wat er ten diepste bij de GKv aan schort?

In Jeremia 3 en het begin van hoofdstuk 4 wordt een vergelijking gemaakt.
Israël heeft een harde les geleerd. Israël, de bruid van God, is namelijk ontrouw geweest. Nee, niet één keer maar zelfs bij herhaling. De dienst aan afgoden was aan de orde van de dag. En de leiders gingen erin voor. Israël wordt gevonnist. Veroordeeld. En verstoten.
En hoe gaat het nu met Juda?
Wij zouden kunnen zeggen: Juda heeft wel wat verder gekeken dan de neus lang is. Ze hebben over de grens met het noordelijke tienstammenrijk gekeken, en gedacht: ‘Nou, nou, wat gaat het daar tekeer! Dat moeten wij maar niet beleven!’.
Dat hoeven wij niet te zeggen. Wij hoeven dat niet te denken.
Welnee.
Niets van dat alles.
Integendeel.
Ja, Juda heeft wel gezien en gehoord wat er bij de buren gebeurde. Maar in reactie daarop heeft men een hardere opstelling gekozen. Juda vermeerdert schuld!

Te midden van die afkerigheid klinkt de proclamatie van de Here: “Keer terug, afkerige ​kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen. Ik zal u ​herders​ geven naar Mijn ​hart, die u zullen weiden met kennis en verstand”[3].

Het is de Here Zelf die hier een ommekeer geeft.
Er zal een overblijfsel, een rest van het volk zijn dat wel naar de Here luisteren wil.
Er zullen goede herders komen die de natie de goede kant op sturen!

Wat moeten wij van deze dingen zeggen?

Misschien zijn er wel lezers die mompelen: zie je wel, de vrijgemaakten hebben het weer gedaan… Intussen kunnen we er niet omheen: de GKv zakt in elkaar en uit elkaar. Als de hemelse Heer het niet verhoedt, is er binnenkort weinig meer te zien dan een mislukte plumpudding.
Er is bekering nodig. En allen die zich omkeren mogen weten: de Here is de goede God. De trouwe God. De vergevende God. De genadige God. De eeuwige God die het verbond nimmer verbreken zal.
Laat niemand roepen dat deze weblogscribent de pik heeft op vrijgemaakten. Laat niemand geïrriteerd mompelen dat schrijver dezes donder en bliksem preekt.
Maar wij moeten wel zonder omwegen constateren wat er in de GKv gaande is: afname van betrokkenheid, gelatenheid, vrijblijvendheid op bijna alle fronten. En dat komt natuurlijk wél ergens van. Of men het nu zien wil, of niet.

Overigens is Jeremia 3 voor gelovige mensen een hoofdstuk vol troost. In een situatie waar de goddeloosheid hoogtij viert komt de Here met een Verbondsboodschap. Hij troont op Sion.
”Laat niet varen de werken uwer handen”, zeiden we vroeger. Tegenwoordig bidden we: “…laat de werken van Uw handen niet los”[4]. De God van het verbond is in Christus altijd benaderbaar. In het gebed mogen gelovigen altijd naar God toe gaan. Godvruchtigen mogen, iedere dag opnieuw, met het gezicht naar God toe gaan staan.
Kerkmensen mogen en moeten ook anno Domini 2018 naar God luisteren. En nee, dat valt niet altijd mee. Massa’s mensen praten door elkaar heen. Luidkeels. Bij tijd en wijle zonder punten of komma’s, naar het lijkt. Men komt, om zo te zeggen, oren tekort.
Maar het is zeker, ook nu is het Woord van God te lezen en te horen.

Bijvoorbeeld in Jeremia 3.
En nog altijd gaat het Evangelie de wereld door: “Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken, want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE, Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig”.

Noten:
[1] “GKV sluiten zich als vierde kerk aan bij Interkerkelijk Dovenpastoraat”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 26 januari 2018, p. 16.
[2] Jeremia 3:12 en 13.
[3] Jeremia 3:14 en 15.
[4] Psalm 138:8 c.

1 februari 2018

Waar geloof kunt u zien

Wij zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Vroeger was dat een bekende zegswijze. Vandaag horen we die weinig meer. Wat niet wegneemt, dat het gezegde zeker nog van waarde is.
Immers, wie bij de God van het verbond schuilt, gaat heilig leven. Hij is apart gezet. Hij is vrijgesteld voor God.
Terecht schreef iemand eens: “Omdat de christen niet van de wereld is, is hij actief bezig tot Gods eer, en de wil van God bepaalt de grenzen van zijn bezig zijn. Het is daarom heel belangrijk dat een christen de Bijbel kent, er veel in leest en zich steeds afvraagt: wat wil de Heere dat ik doen zal? Het lezen van de Bijbel is nooit zonder vrucht!”[1].

Gelet op het bovenstaande schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 9 opmerkelijke dingen.
Laten wij even lezen: “En ik ben voor de ​Joden​ geworden als een ​Jood, om ​Joden​ te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen. Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van ​Christus​ – om hen te winnen die zonder de wet zijn. Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden. En dit doe ik ter wille van het ​Evangelie, opdat ik daarvan ook zelf deelgenoot zou worden”[2].

Paulus’ betoog in dit hoofdstuk draait onder meer om aanpassingsvermogen. Zo u wilt: om inlevingsvermogen.

Nee, dat wil niet zeggen dat we op het Evangelie gaan inleveren. Christus’ verlossingswerk is nog altijd de kracht van Gods blijde Boodschap. Het perspectief op de hemelse toekomst wordt nimmer verdonkerd.
In het leven van een christen is het, om zo te zeggen, altijd mooi licht weer. Natuurlijk, er schuift ook wel eens een wolk voor de zon. En ja, het regent wel eens flink. Verdriet en moeiten blijven ons niet bespaard. In het leven van gelovige kerkmensen zien we soms hoe de schemering invalt. Maar diepe duisternis? – nee; altijd is er wel een lichtpunt.

Paulus schrijft: als ik bij Joden ben, gedraag ik mij als een Jood. Als mensen die zich niet aan de Joodse wetten houden, doe ik dat ook niet. Bij mensen met een zwak geloof pas ik me gaarne aan. Misschien lok ik hen zo naar de kerk!

Wellicht zijn er lezers die thans hun wenkbrauwen fronsen. Moeten christenen zich gaan aanpassen aan kroegtijgers? Moeten zij, als het maar lang genoeg duurt, zwaaiend en zwalkend huiswaarts keren na een lange avond waarin men heel diep in veel glaasjes heeft gekeken? Stel u gerust: de dronkenschap wordt in dit artikel niet gepropageerd.

Dat inlevingsvermogen van Paulus vind ik niettemin een opmerkelijk punt.

Wij leven in een tijd waarin de kerkelijke verdeeldheid groot is. En dat gaat dwars door families heen.
Een broeder uit één der DGK-gemeenten kan zomaar te maken krijgen met een familielid – laten wij zeggen: een zus – die lid is van een gemeente in het kerkverband van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken. Wellicht heeft die broeder sterk de neiging om zich tegen die zus af te zetten.
Welnu, als ik 1 Corinthiërs 9 lees, zeg ik: mensen, maak geen ruzie over de kerkelijke verschillen. Integendeel: getuig maar van de hoop die in u is; positief en zonder omwegen.

Natuurlijk, het is duidelijk dat die DGK-broeder het niet eens is met sommige keuzes van zijn zus. En dat die DGK-broeder andere keuzes maakt, is duidelijk; hij heeft zich immers bij De Gereformeerde Kerk aangesloten.
En in de praktijk doet hij dingen niet, die zijn zus wel doet. En andersom.
Trouwens – tien tegen één dat die zus ook wel ongeveer weet waar ze zich aan te houden heeft. Ze gaat tegenover die broeder vast niet over het Liedboek voor de Kerken beginnen.
Het lijkt mij niet nodig de verschillen altijd maar te benadrukken. Dat werkt slechts afstotend.

Maar, zo vraagt iemand, hoe zit het dan met de antithese? Je moet toch duidelijk laten zien waar je staat?
Dat is waar.
Wanneer we opnieuw in 1 Corinthiërs 9 gaan lezen, moeten we zeggen: je moet laten zien waar je loopt. Leest u maar even weer mee: “En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen. Ik loop daarom niet zonder duidelijk doel en ik vecht zó met de vuist dat ik niet maar wat in de lucht sla”[3].
Het geloof is zonder de werken dood, schrijft Jacobus in zijn algemene brief[4]. Waar geloof kun je zien. Ook hier blijkt het bekende adagium ‘geen woorden maar daden’ te gelden. Praat niet te veel, maar doe des te meer. Zo geven we aanschouwelijk onderwijs over het leven met de God van het verbond.

Misschien heeft die DGK-broeder te maken met hatelijke familieleden. Of zelfs met kwaadaardigheid en hoon. Uiteraard is dan de aandrang groot om nijdig en venijnig terug te doen.
Persoonlijk zou ik willen zeggen: probeer u in te houden. Of ook: laat hen maar; die familieleden zullen zich later moeten verantwoorden.
Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 9: “Maar ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar, opdat ik niet misschien, na anderen gepredikt te hebben, zelf verwerpelijk word”[5] . Met andere woorden: het trainingsprogramma is zwaar; het vraagt nogal wat! Maar wie goed getraind is zal er, door Gods genade, in slagen niets verwerpelijks te doen.

Kortom:
* getuig van de hoop die in u is.
* maar bedenk: soms zegt één daad meer dan duizend woorden.

Noten:
[1] Corien Nederveen, “Tussen wereldvreemdheid en wereldgelijkvormigheid”. In: Daniël – jeugdblad binnen de Gereformeerde Gemeenten – , vrijdag 15 april 2005, p. 7-9. Citaat van p. 9.
[2] 1 Corinthiërs 9:20-23.
[3] 1 Corinthiërs 9:25 en 26.
[4] Jacobus 2:26: “Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood”.
[5] 1 Corinthiërs 9:27.

16 november 2017

Geestdriftige gezanten

Onlangs las ik een interview met professor mr. dr. F.T. Oldenhuis[1].
“Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”, stond er boven.

Onder die intrigerende kop stond te lezen:
“‘Ik zie twee lijnen’, begint Oldenhuis, ‘de eerste begint positief: ik zie dat jongeren veel dingen aanpakken. Serieuze christelijke jongeren maken werk van hun christen-zijn in hun wijk. Ze zoeken medechristenen op. Daar heb ik grote bewondering voor.
Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd. Op foto’s zie ik alleen oudere manslidmaten, terwijl jongeren met totaal andere dingen bezig zijn. Dan schud ik aan de boom, en zeg: Ho, ho, wakker worden met elkaar!’”[2].

Ik ben het met de emeritushoogleraar eens: er zijn veel jongeren die willen laten blijken dat zij christen zijn. Daar willen zij hun best voor doen. Dat is prachtig. En ja, ik stimuleer dat zeer gaarne.

Echter: ik voel enige verwijdering als ik lees: “Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd”.
Sinds wanneer moeten jongeren in de kerkenraad vertegenwoordigd worden?

Wat wordt van ambtsdragers gevraagd?
Paulus zegt in 1 Thessalonicenzen 5: “En wij roepen u ertoe op, broeders, hen die ordeloos leven terecht te wijzen, de moedelozen te bemoedigen, de zwakken te ondersteunen, en met allen geduld te hebben”[3].
En in Titus 1: “Om die reden heb ik u op Kreta achtergelaten, opdat u verder in orde zou brengen wat nog ontbrak, en van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen, zoals ik u opgedragen heb. Zo iemand moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, gelovige ​kinderen​ hebben, die niet te beschuldigen zijn van losbandigheid of opstandigheid. Want een ​opziener​ moet onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van God, niet eigenzinnig, niet opvliegend, niet verslaafd aan ​wijn, niet vechtlustig, niet uit op oneerlijke winst, maar gastvrij, goedwillend, bezonnen, ​rechtvaardig, ​heilig, beheerst, iemand die zich houdt aan het betrouwbare woord, dat overeenkomstig de leer is, zodat hij bij machte is anderen te bemoedigen door het gezonde onderwijs en ook de tegensprekers te weerleggen”[4].

Ambtsdragers zijn vertegenwoordigers. Van hun Zender namelijk.
Zij zijn ambassadeurs, jazeker. Nee, niet van de jeugd. Nee, niet van de werkende jongeren. Maar van hun Here Jezus Christus.
Zij mogen Zijn Woord laten spreken. Zij mogen het voorlezen en voor-leven. Zij mogen het toepassen.
Voor dat laatste is veel wijsheid vereist. Ouderlingen en diakenen menen soms zelf dat die wijsheid ontbreekt. Maar al biddend worden zij met Geest-drift vervuld.
Want de Verbondsgod zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat zijn ambassadeurs op aarde hun werk adequaat kunnen verrichten.
Kortom: ouderlingen en diakenen vertegenwoordigen Iemand. Niet iemand. En nee, ook geen groep mensen.

Het bovenstaande doet mij denken aan die bijeenkomst waarin gezegd werd: eigenlijk zou in iedere kerkenraad iemand met een beperking moeten zitten.
Dit nu, geachte lezer, is weinig inspirerende onzin.
We moeten in de kerk vooral niet in categorieën gaan denken. Anders wordt de kerkenraad een groot college waarin vooral naar mensen wordt gekeken, en niet naar God.

Wederom citeer ik professor Oldenhuis: “Je moet ervoor zorgen dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf oplegt. Je zult meer vrijheid moeten geven aan plaatselijke gemeenten. En laat serieuze jongeren daarbij het voortouw nemen. Ik houd er niet van mijn eigen kerk te bewieroken, elke kerk blijft gebroken. Er is bij ons bewust een gemengd team van jongere en oudere mensen voor Schriftlezing en gebed.
Tijdens synodes zie ik kleine groepjes mannen vergaderen. En hoe intens, hoe bewogen ze dat ook doen – daar doe ik niets van af. Ik zie dat heel veel mensen zich niet door hen vertegenwoordigd voelen, ook ouderen”.

Professor Oldenhuis zegt dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf moet opleggen.
Dat bevreemdt mij enigszins.
Het is, wat mij betreft, zo dat Geestelijke zaken – nee, die hoofdletter is geen typefout! – in zekere zin altijd van bovenaf worden opgelegd; vanuit de hemel, namelijk.
Of van binnenuit, zo u wilt. Omdat Gods Geest in de harten van Gods kinderen woont.
Heel duidelijk vind ik professor Oldenhuis op dit punt niet.

En dan is er die aanwijzing dat wij meer vrijheid dienen te gunnen aan plaatselijke gemeenten.
Wat die vrijheid oplevert zien we, bijvoorbeeld, in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Iemand schreef daar recent over: “De GKv moeten serieus onder ogen zien of ze met de nieuwe richting nog wel bestaansrecht hebben. Ik denk steeds vaker dat die er niet meer is. Laten we serieus overwegen ons te verdelen over de bestaande kerkgenootschappen.
Dan is er ook geen Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) en geen samenvoeging met de Nederlands Gereformeerde Kerken meer nodig”[5].
Laat het duidelijk wezen: pas een beetje op met die veelgeroemde vrijheid!

Eén opmerking permitteer ik mij nog.
De kerkenraad met diakenen van De Gereformeerde Kerk Groningen (hersteld) heeft leden in diverse leeftijden.
De oudste broeder in de kerkenraad, een ouderling, is 74 jaar; eind deze maand hoopt hij 75 te worden. De jongste broeder, ook een ouderling, is 32.
Die broeders hebben geen zitting in de raad om ouderen en jongeren te vertegenwoordigen.
Die broeders zitten daar omdat zij gezanten van Christus zijn.
Waarvan akte!

Noten:
[1] Fokko Tiemen Oldenhuis (geb. 1950) is onder meer bijzonder hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). Tot 2016 was hij hoofddocent privaatrecht aan de RuG. Hij is een deskundige op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht. Verder heeft hij als bijzonder hoogleraar religie en recht gewerkt op het grensvlak van kerkgenootschappen en het privaatrecht.
[2] “Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”. In: Kruispunt, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 14 en 15.
[3] 1 Thessalonicenzen 5:14.
[4] Titus 1:5-9.
[5] Remmelt Groenwold, “Zo raken vrijgemaakten hun bestaansrecht kwijt”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 12.

15 november 2017

Reisroute met een omweg

Het is vandaag een niet geheel onbelangrijke dag in Gereformeerd Nederland.

Waarom?
Omdat ik las: “De al eerder aangekondigde tweede vergadering ‘En nu?’ is gepland op 15 november 2017, 20.00–22.00 uur. Plaats: Zalencentrum Balk, De Gast 39, 9801 AB Zuidhorn.
Welkom zijn GKv-ers die de GS-besluiten, de vorige keer in Bedum besproken, niet kunnen aanvaarden. Omdat het aantal zitplaatsen beperkt is, zijn we genoodzaakt te werken met een systeem van verplichte aanmelding”[1].

De conclusie ligt voor de hand: heel wat verontruste GKv-ers leven in moeilijke dagen.

Aan die ongeruste kerkmensen denk ik, nu ik Gods Woord open doe bij Exodus 13. Met name heb ik het oog op de volgende woorden: “Toen de ​farao​ het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de ​weg​ door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van ​oorlog​ en wil het naar Egypte terugkeren”[2][3].

Dat is, als u het mij vraagt, een opvallend vers.

Eindelijk is het volk Israël bevrijd. Wij zouden zeggen: en nu maar gauw naar het nieuwe beloofde land! Langs de kortste weg, zonder omwegen.
Maar zo gaat het in Exodus 13 niet.
De Heer van hemel en aarde laat blijken het door Hem uitgekozen volk goed te kennen. Hij geeft een reisroute aan waar een flinke omweg in zit.
Wat is de reden daarvan? Antwoord: de Here weet zeker dat Zijn volk weer terug wil naar Egypte wil als het in het land van de Filistijnen wordt geconfronteerd met oorlogszuchtige lieden die van God en Zijn gebod niets willen weten.

Als wij in onze comfortabele huizen zitten, kunnen wij ons daar wellicht weinig bij voorstellen.
Onderdrukking was in Egypte aan de orde van de dag. Dat zo zijnde, willen de Israëlieten toch nooit meer in Egypte terugkomen?
Israël heeft te maken gehad met slavernij. Nu zijn zij vrij. Dat zo zijnde, willen zij toch nooit meer naar Egypte teruggaan?
De Here weet het echter zeker: als de Israëlieten terugkijken op het recente verleden, zullen zij hun vroegere bestaan gaan relativeren. Dat gaat dan bijvoorbeeld ongeveer zo:
* we moesten in Egypte dag en nacht werken, maar we leefden in ieder geval;
* we werden onderdrukt, maar ’t was in Egypte in ieder geval veilig
* het is mooi dat wij bevrijd werden, maar onze huidige situatie is weinig beter dan die in Egypte.

Daarom wijst de hemelse Heer dus een omweg.

Waarom doen die woorden uit Exodus 13 mij denken aan die vergadering in Zuidhorn, vanavond?

Omdat mensen van de eenentwintigste eeuw nog wel eens diezelfde redeneringen gebruiken als Gods kinderen in de tijd van Exodus 13.
Bijvoorbeeld:
* het Evangelie van Jezus Christus werd in de kerk die we verlieten maar half verkondigd, maar we werden in elk geval met rust gelaten
* we werden een beetje met de nek aangekeken, maar overigens leefden wij kalmpjes voort
* het is wel goed dat wij een kerkelijke overgang maken, maar op de ‘nieuwe’ kerk is ook wel het een en ander aan te merken.

De Israëlieten waren indertijd zondig. Zij waren bevrijd, maar aan dankbaarheid ontbrak het nogal eens.
Maar vandaag de dag is het weinig anders. Kerkmensen zijn tot op de huidige dag niet zo verheugd als zij behoren te zijn. Want het zou idealer zijn als… – vult u maar in: minder ruzie, minder formeel gedoe, meer blijdschap in de kerk. En wat daar verder volgt.
Ziet u dat de zonde de dankbaarheid in een ommezien wegvreten kan?

Thans zie ik u bijna protesteren.
In dit stuk denken we aan die vele ongeruste, ontevreden en roerige kinderen van God die zich afvragen hoe het verder moet. Moeten we al die zoekende mensen nu opzadelen met Exodus 13? Moeten we hen opzadelen met zonde en zwarigheid? Moeten we hen ervan overtuigen dat het ten principale nooit meer anders wordt?
Ja, ik zie u bijna protesteren.
Zo van: had die weblogschrijver niet een wat bemoedigender Bijbeltekst kunnen kiezen vandaag? Zo van: op deze manier trek je toch geen mensen? Misschien zegt u zelfs: dit werkt toch heel erg afstotend?

Laten we nog even naar Exodus 13 kijken.
Wat gebeurt daar?
De Here leidt Zijn volk. Jazeker, Hij kent de situatie.
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten,
En dat zij stof, van jongs af, zijn geweest[4].
Maar de Here zegt niet: dat ondankbare gepeupel zoekt het maar uit.
Hij zegt niet: als het zo staat, dan gaat u maar terug naar Egypte.
Hij zegt niet: ik verbreek Mijn verbond, want met de mensen op aarde kan ik niets beginnen.
Hij zegt niet: waar ben Ik aan begonnen? Ik had nooit met de schepping moeten starten.
Hij blijft Zijn volk leiden.
Via een omweg, jazeker.
Maar Hij laat Zijn volk niet in de steek.

Anno Domini 2017 ligt de zaak niet anders.
De Schepper en Onderhouder van deze wereld gaat met Zijn volk verder. Zelfs als zij tegenstribbelen. Zelfs als zij op allerlei manieren tegenspartelen.

Het wordt vanavond vast een nogal bewogen, misschien zelfs ronduit emotionele vergadering, daar in Zuidhorn.
Maar één ding is daarbij zeker: onze Vader in de hemel laat Zijn kinderen nooit in de steek!

Zullen wij dat samen goed onthouden?

Noten:
[1] Geciteerd van http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=9&item=1502 ; geraadpleegd op donderdag 2 november 2017.
[2] Exodus 13:17.
[3] Deze keuze houdt ook verband met het feit dat vanavond de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergadert; die vergadering hoop ik bij te wonen. Tijdens die bijeenkomst wordt Exodus 13:17-15:21 besproken. Dat zal gebeuren aan de hand van: Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – schetsen 15 en 16, p. 53-59.
[4] Dit is een enigszins bewerkte versie van Psalm 103:7 in de berijming-1773.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.