gereformeerd leven in nederland

10 april 2017

Geen water bij de wijn

Getuigen van je geloof kun je heel inefficiënt doen.

Het is voorstelbaar dat thans een bataljon vraagtekens uw brein binnen marcheert. Immers, de stelling die hierboven staat is toch tamelijk ongerijmd?
Toch schijnt het te kunnen, inefficiënt getuigen.

Kijkt u maar even mee naar de volgende citaten[1].
“Protestanten speelden een belangrijke rol bij de acceptatie van euthanasie en zijn medeverantwoordelijk voor de euthanasieregeling in Nederland. Het rooms-katholicisme bevrijdt protestanten van al te persoonlijke opvattingen in de ethiek en wijst hen op de vastheid van de traditie.
Dat betoogt ethicus dr. Theo Boer in de interviewbundel ‘Flirten met Rome’”[2].
En vooral:
“Dr. Boer, universitair docent ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en lid van diverse ethische instituten, stelt dat het protestantisme sterke nadruk legt op de mondigheid van de enkeling. Het resultaat daarvan is vaak ‘een ethiek die alle kanten op kan’.
Ook orthodoxe protestanten, zoals prof. dr. J. Douma en prof. dr. W.H. Velema, hebben volgens dr. Boer inefficiënt gewerkt, omdat zij hun argumenten uit de Bijbel haalden, en dat voor een seculier publiek”.

Wat betekent dit?

“Willen Nederlandse protestanten in het geseculariseerde Europa kunnen meepraten over morele zaken, dan zullen ze harder hun best moeten doen om met een beroep op niet-theologische argumenten te pleiten voor een moraal die trouw blijft aan beproefde ethische concepten als gemeenschapszin, solidariteit, zelfbeperking, trouw en eerbied voor het leven”[3].

Natuurlijk, ik kan het helemaal verkeerd begrepen hebben.
Maar naar mijn idee komt het bovenstaande neer op het volgende.
Wilt u gemeenschapszin promoten? Laat de Bijbel dan wat vaker dicht.
Wilt u aandacht voor de waarde van het leven? Laat Gods Woord dan maar in de kast staan.
En Douma en Velema? Die hebben te weinig bereikt, omdat zij over de Bijbel praatten en schreven tegenover mensen die niks over God wisten. Wat de hoogleraren Douma en Velema indertijd gedaan hebben, dat werkte niet. Of: het werkte onvoldoende.

Nogmaals noteer ik het, met opgetrokken wenkbrauwen: er is inefficiënt gewerkt, omdat Douma en Velema hun argumenten uit de Bijbel haalden, en dat voor een seculier publiek.

Wat is dat voor een merkwaardige redenering?

In mijn beleving zegt dr. Boer ten diepste: als u uw medemensen in 2017 wilt bereiken, moet u vooral niet over uw geloof beginnen. Oftewel: als u met uw ongelovige buren over – bijvoorbeeld – euthanasie wilt spreken, doet u er verstandig aan om uw geloof maar thuis te laten.
Naar mijn idee is dat volstrekt onmogelijk.
Het geloof in de reddende kracht van onze Heiland omvat heel het leven. Het kan niet zo zijn dat wij zeggen: de Bijbel is een waardevol Boek, maar als het over euthanasie gaat, kun je er in de praktijk niets mee.

Eerlijk gezegd ben ik geneigd op te merken: het verhaal van dr. Boer klinkt heel aannemelijk en wetenschappelijk, maar het slaat nergens op.

Laten wij, dit alles overdenkend, onze aandacht bepalen bij Handelingen 26.
In dat hoofdstuk lezen wij Paulus’ getuigenis bij Agrippa[4].
Na de inleiding volgt in dat Schriftgedeelte een blik op het verleden.
Paulus groeit op, wordt een vooraanstaande joodse leider en een groot vervolger van christenen.
Er doet zich echter een een structurele verandering voor in zijn leven. Zeg maar gewoon: het leven van de apostel komt op de kop te staan.
Tijdens een reis naar Damascus verschijnt Jezus aan hem. Hij wordt geroepen om het evangelie bekend te maken. Paulus moet het Evangelie wel accepteren.
Dat Evangelie blijft niet zonder gevolg. Het levert haat bij de Joden op. Het leven van de apostel Paulus wordt er bepaald niet makkelijker op.
En wat zegt Paulus vervolgens? Hij zegt: Agrippa, treedt u maar in mijn voetsporen! “Ik zou van God wel wensen dat, én bijna én geheel, niet alleen u maar ook allen die vandaag naar mij luisteren, zouden worden zoals ik ben, uitgezonderd deze boeien”[5].

Wie is die Agrippa?
Een exegeet noteert: “Koning Agrippa van wie hier sprake is, heette met zijn volledige naam Marcus Julius Agrippa. Flavius Josephus noemt hem ‘de jongere’. Wij noemen hem Agrippa II. Hij was de zoon van Herodes Agrippa I, een vervolger van het christendom (…). Agrippa II beroemde zich erop dat hij een vriend en bondgenoot van de keizer was”[6].

Paulus zegt niet: Agrippa, in uw positie hebt u eigenlijk niets aan het Evangelie.
Paulus zegt niet: het heeft weinig zin om voor dit elitepubliek op te treden, als in een circusvoorstelling.
Paulus zegt niet: ik doe een beroep op uw aller medemenselijkheid.
Paulus zegt niet: het Evangelie is reuze kostbaar, maar bij Agrippa zullen andere argumenten de doorslag moeten geven.
Nee, hij komt met het Evangelie. Met niets meer en met niets minder.

Kinderen van God onderscheiden zich van de wereld.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat zij in hun getuigenissen het Evangelie erdoor moeten drammen. Dat zou alleen maar afstotend werken.
Maar dat betekent wel dat zij voor hun levensovertuiging uit moeten komen. Gods kinderen behoren geen wereldse argumenten te gebruiken om bij de mensen in hun omgeving in de gunst te komen.

Als wij heel veel water bij de wijn doen, smaakt die niet naar water en ook niet meer naar wijn. Het drankje smaakt gewoonweg nergens meer naar.

Noten:
[1] “Protestantisme droeg bij aan acceptatie euthanasie”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 23 maart 2017, p. 15.
[2] De gegevens van dit boek zijn: Almatine Leene (red.) “Flirten met Rome. Protestanten naderen katholieken” (interviewbundel). – Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Buijten & Schipperheijn, 2017. – 128 p.
[3] Professor dr. T.A. Boer is onder meer verbonden aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen. Zie https://www.tukampen.nl/medewerkeronline/taboer ; geraadpleegd op vrijdag 24 maart 2017.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.herschepping.nl/08wl/getuigen_06persoonlijk_getuigen.php ; geraadpleegd op vrijdag 24 maart 2017.
[5] Handelingen 26:29.
[6] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1635.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 24 maart 2017.

21 september 2016

Vlijtige verkondigers

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen”. Dat zijn woorden die Jezus in Johannes 15 tegen Zijn leerlingen zegt[1][2].

Die tekst is in Gods Woord opgenomen.
De woorden zijn blijkbaar bedoeld voor alle kinderen van God. Volgelingen van Christus hebben een taak in de wereld.
Ik citeer nog eens Johannes 15: “Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam”[3].

God kiest Zijn kinderen uit.
Hij wijst hen aan en geeft hen een taak.
Zij gaan in de wereld aan het werk.
De gevolgen van dat christelijke werk zijn altijd en overal te merken.
Als Gods kinderen blijven bidden, ontvangen zij alles wat ze nodig hebben om hun werk te doen.
Wat dit betreft geldt: het ene zit aan het andere vast. Het is een ketting. Let u op dat meerdere keren gebruikte woord ‘opdat’: er is sprake van een duidelijk doel. De Here werkt heel gericht aan ons leven.
U moet voor de Here kiezen, zegt men vandaag.
Dat moge waar zijn, maar het begint ergens anders. Het startpunt van onze levenshistorie ligt bij Hem.

“Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen.
In welk verband staan die woorden eigenlijk?

Jezus Christus zal gaan sterven, zo maakt Hij in Johannes 13 duidelijk.
Maar er is meer. Want de Here zal, zo blijkt in Johannes 14, in de hemel de woonplaatsen voor Zijn kinderen gereed maken.
En wanneer Jezus Christus eenmaal in de hemel woont, zal de Heilige Geest – de Trooster – naar de aarde komen.

Dat laatste lijken de discipelen amper te horen.
De Here Jezus Christus legt de situatie daarom nog wat nader uit.

In Johannes 15 zegt Jezus: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand. Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden. Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn”[4].
Die Schriftpassage betekent, wat mij betreft, onder meer:
* u mag in uw bidden en werken aansluiten op de hemelse levensvreugde
* bidden en werken in de naam van Jezus Christus is wandelen met God, met de krachtige hulp van Zijn Geest
* bidden en werken in de naam van Jezus Christus houdt onder meer in dat u vanuit de hemel, Gods woonplaats, wordt aangestuurd.

De Here is altijd sturend en troostend aanwezig.
Ten diepste is dat is de boodschap van de kerk.

Op dit punt aangekomen, wijs ik u graag op een rapport dat niet zo lang geleden in Groot Brittannië verschenen is. Het Reformatorisch Dagblad wijdde er op vrijdag 2 september jongstleden een paginagroot verhaal aan, dat een plaats kreeg op de voorpagina van de krant.
Ik citeer:
“Britse christenen moeten vaker publiekelijk over hun geloof spreken. Zij vrezen veelal dat ze daarmee een juridische grens overschrijden, maar de wet beschermt hen meer dan gedacht.
Dat stellen de Britse organisaties Lawyer’s Christian Fellowship en Evangelical Alliance vandaag in het rapport ‘Speak Up’”.
En:
“We leven nog altijd in een maatschappij waarin de wet zeer substantiële bescherming biedt om over ons geloof in Christus te spreken (…) De uitdaging voor christenen is om moed en zekerheid te betonen om het Evangelie te delen, in plaats van toe te laten dat onze vrijheden worden beperkt.
Het rapport roept christenen op om altijd ‘met wijsheid en gevoel’ te handelen, maar herinnert ook aan het feit dat zij verstrekkende vrijheden genieten om over hun geloof te spreken”[5].

Het komt mij voor dat ook Nederlanders hun winst met dat Britse rapport kunnen doen.
In Johannes 15 wordt er ook niet omheen gedraaid: wie in Christus blijft, krijgt in zijn leven alles wat hij nodig heeft.
In de formulering van Johannes 15 gaat dat als volgt: “Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht…”[6].

Nee, het Goddelijke Woord is geen handboek over de hantering van economische crises. En ook geen leerboek over wereldhandel. Laten wij niet de indruk wekken dat dat wél zo is. Want voordat we ‘t weten promoten wij… onszelf.
Maar wij moeten wel laten zien Wie in deze wereld voor eeuwig volkomen overtuigende regeringskracht heeft.
De Bijbel openbaart Gods grootheid. De Bijbel openbaart Gods almacht. Zijn Woord openbaart de reddende kracht voor de mensheid.
Vanuit die openbaring mogen mensen hun verantwoordelijkheid nemen.

De Here heeft mensen uitgekozen. Hij brengt hen samen in de kerk.
Zij hebben de taak Gods Woord in de wereld te verkondigen.
Met de gewetensvolle uitvoering van die taak hebben zij zonder twijfel de handen vol.
Jaar in, jaar uit. Eeuw in, eeuw uit.
Totdat de volmaaktheid van Zijn koninkrijk komt.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 17 juli 2009.
[2] Vanavond, woensdagavond 21 september 2016, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 15 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[3] Johannes 15:16.
[4] Johannes 15:5-8.
[5] “Wet geeft christen meer rechten dan gedacht”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 2 september 2016, p. 1.
[6] Johannes 15:4 en 5 a.

30 mei 2016

Gaaf getuigenis?

Het Pinksterfeest ligt alweer ruim twee weken achter ons.

Is er bij u veel veranderd, in de kerk? Bij ons niet. Twee doopleden zijn, na hun openbare geloofsbelijdenis, belijdende leden geworden.
Dat gaan we terug zien in de statistieken.
Maar verder?
Verder gaat er in het kerkelijk leven veel op de oude voet voort.

Is dat erg?
Ik denk het niet, eigenlijk.

Graag wijs ik u op woorden uit Colossenzen 2[1].
Namelijk deze: “Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging”[2].
Met die verzen uit Colossenzen 2 is iets aan de hand. Ik zet het voor u op een rijtje.
1.
Gods kinderen zijn “geworteld” in Christus.
Die wortel ziet u niet. U aanschouwt slechts die boom. Het is een boom die goede vruchten voortbrengt. Maar de wortel ziet u niet.
2.
Gods kinderen worden opgebouwd in Hem.
“Gegrondvest”, staat in de Nieuwe Bijbelvertaling-2004. Het fundament ziet u niet. U heeft enkel en alleen het zicht op het huis dat op dat fundament komt. Maar u zegt niet elke dag: wat staat dat huis op een prachtig fundament, is het niet?
3.
Gods kinderen worden bevestigd in het geloof.
“Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”. Dat heb ik niet zelf verzonnen. U kunt dat gewoon nalezen in Hebreeën 11[3].
4.
Gods kinderen zitten, als het goed is, vol met dankzegging.
Zo vol dat hun leven er zogezegd van overloopt. Maar die dank kunt u niet vastpakken. U kunt niet een paar steeltjes dank in de vuist nemen en zeggen: hier heb ik een portie dank.

Wat daar in Colossenzen 2 staat, kunt u dus niet aanraken. U kunt er wel de gevolgen van zien.
Het lijkt me van belang om dat hier met nadruk te noteren.

De beide jonge broeders die afgelopen zondag belijdenis van hun geloof aflegden zijn op dit moment respectievelijk 17 en 19 jaar.
Maar het is niet zo dat wij hen nu in de kerk vragen om een getuigenis. Zo van: leg eens uit wat er in de afgelopen weken veranderd is.
Nee, dat gaan wij niet doen.

In de kerk eren wij God.
Gods Heilige Geest heeft in het hart van die broeders een groot werk gedaan.
Alleen daarom al is het getuigenis van die beide jonge broeders niet zo belangrijk.

Weet u hoe dat gaat, met getuigenissen in de kerk?
Er komt een boeiend, of misschien zelfs schokkend, levensverhaal.
En als het een beetje wil wordt er vervolgens geapplaudisseerd.
Wellicht denkt u: dat zouden wij ook eens moeten doen.
Maar wie dat denkt, moet vooral niet applaudisseren. Immers, zulk handgeklap is dan voor mensen bedoeld. Men kan er hoogstens zichzelf mee aanmoedigen. Dat is echter helemaal niet nodig als gewoonweg erkend wordt dat de Heilige Geest reeds in het eigen hart woont. Want Gods Geest heeft helemaal geen aanmoediging nodig.

Er is meer.

Zulke levensverhalen passen niet bij Colossenzen 2.
Want daar gaat het over allerlei dingen die niet tastbaar zijn.
In Colossenzen 2 gaat het over dingen die de Verbondsgod deed om Zijn kinderen te redden. En laten we wel wezen: van die redding kunt u hier op aarde maar een klein stukje zien. Een pietepeuterig klein stukje. Maar wij geloven dat dat het begin is van iets groots. Ja, dat geloven wij.
Het reddingswerk dat onze Heiland deed kunnen wij, kleine mensjes van 2016, niet volgen. Hij ging voor ons het dodenrijk in. Ook al weer iets dat wij niet kunnen zien.
U kunt het niet aanwijzen en zeggen: kijk, dat noemen wij nou dodenrijk. Zeker, het graf kunt kunt u zien. Maar dat is dan ook alles. U kunt ook niet tegen uw kinderen of kleinkinderen zeggen: als je goed kijkt, dan kun je daar de opstanding zien. De opstanding zelf wordt notabene niet eens in de Bijbel beschreven!
We moeten het maar weer eens concluderen: Gods Woord vraagt eerst en vooral geloof. Niet meer. Maar ook niet minder.
We kunnen relatief heel weinig begrijpen van de dingen die God doet!

Nog is het einde niet.

Want dat laatste krijgt nog wat meer nadruk als wij beseffen hoe de situatie in Colosse eigenlijk is.

Paulus schrijft zijn brief aan de gemeente in Colosse omdat hij gehoord heeft dat men daar onder invloed is gekomen van allerlei religieuze en filosofische ideeën. Heel wat mensen denken dat de natuur aangestuurd wordt door geestelijke machten. Engelen, noemt men die. Die engelen zijn de krachten achter water, lucht, vuur en aarde, achter sterren en planeten, achter wind en zee.
En jazeker, Christus heeft in Colosse een centrale plaats gekregen. Hij is, zo beweert men, ook een engel. En als je naar Christus toe wilt, moet je eerst zorgen dat je toegang krijgt tot de hogere wereld der engelen.
Daar is, zo zegt men te Colosse, geestelijke oefening voor nodig.
En vastendagen.
En ascese.
Hoe gek het ook klinkt, dat levert in Colosse ook de nodige concurrentie op. Want de één is op de weg der ascese verder dan de ander.
Laat u, zo betoogt Paulus, niet meeslepen door zulke misleidende theorieën. Wij hebben niet te maken met de bedrijvigheid in de geestenwereld, maar met de openbaring van Jezus Christus.
De ‘toepassing’ van het bovenstaande kan kort zijn. Wij hoeven geen rekening te houden met allerlei machten. En we hoeven niet ijverig proberen om een hogere staat te bereiken. Met het oog op die jonge broeders die op Pinksterzondag belijdenis aflegden: wij bekeren andere mensen niet door te laten zien wat wij in ons geloofsleven reeds hebben bereikt.
In de kerk kennen wij geen religieuze specialisten.
En elite is er ook al niet. Het enige wat wij moeten doen is dit: wijzen op Christus, en op Zijn Woord.

Ik keer nog één terug naar Colossenzen 2.
Ik wijs u er graag nog op dat daar, in dat prachtige hoofdstuk, geen sprake is van een of andere particuliere actie. Daar zien wij geen activiteit op de vierkante centimeter.
Wij aanschouwen daar Gods werk.
En dat heeft gevolgen voor heel de wereld. Kijkt u maar:
“Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen: Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd”[4].
En zo, ja zo alleen, wordt ons levensverhaal een Levensverhaal!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 29 mei 2007.
[2] Colossenzen 2:6 en 7.
[3] Hebreeën 11:1.
[4] Colossenzen 2:13, 14 en 15.

25 februari 2016

Vluchtelingenproblematiek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het nieuws over de vluchtelingenproblematiek dreigt ons soms te overspoelen. De kranten staan er vol mee. In televisie- en radioprogramma’s wordt er schier eindeloos over gesproken.

Een rechtgeaard Gereformeerd mens vraagt zich wellicht af wat hij met al dat nieuws moet. Passende oplossingen lijken niet of nauwelijks voorhanden. De samenwerking in het Europese werelddeel is, als het om de opvang van vluchtelingen gaat, op z’n zachtst gezegd tamelijk moeizaam.

Gods Woord is, ook in onze tijd, geen handboek met oplossingen en protocollen. Wij mogen de Bijbel echter niet dicht laten. Ook in een tijd van oorlog, terreur en vluchtelingenstromen heeft onze God het te zeggen.

In Mattheüs 24 gaat het onder meer over vluchtelingen. Leest u maar even mee.
“Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.
Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen[1].

Over bovenstaand Schriftgedeelte wil ik vandaag gaarne enkele gedachten doorgeven.

Gods kinderen moeten volharden in hun geloof. Het is belangrijk om dat vast te stellen.
Er staat in Mattheüs 24 niet dat ware gelovigen steeds behoren te proberen om overzicht te houden over de gebeurtenissen in de wereld.
Dat kan namelijk niet. Ook de wereldleiders hebben geen exact overzicht van alle gebeurtenissen op aarde. Zij zetten enkele lijnen uit. En het kost die regeerders geweldig veel moeite om die lijnen evenwijdig te laten lopen.
Van Gods kinderen wordt volharding gevraagd. Er zal namelijk een moment komen dat de Heiland verschijnt: “Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”[2].
Al die berichten over die vluchtelingen moeten ware gelovigen richten op de wederkomst van Jezus Christus.
Moeten we dan maar over al de vluchtelingen van 2016 heen kijken? Nee. Natuurlijk niet. Maar onze blik moet ook in die wandelende mensenmassa’s blijven steken.

Het Evangelie van Gods Zoon zal in heel de bewoonde wereld geproclameerd worden. Dat Evangelie is een getuigenis, een marturion. Dat Griekse woord ‘marturion’ komt uit de rechtspraak. Het getuigenis is een bewijs vóór of tegen iemand.
Naarmate dat Evangelie in de wereld luider en indringender klinkt, wordt het bewijs dat Gods beloften werkelijkheid worden steeds harder.
Zolang de Heiland nog niet terug is op aarde, is er voor alle wereldburgers om zich te laten overtuigen.
In die situatie spreekt het bijna vanzelf dat mensen die reeds het eigendom van Jezus Christus zijn, metterdaad contact houden met hun Heiland. Zij weten immers dat Hij terugkomt om een nieuwe toekomst te openen?

De verschrikkingen die in Mattheüs 24 beschreven staan komen, om zo te zeggen, niet uit de lucht vallen.
De profeet Daniël spreekt er in het Oude Testament al over. In hoofdstuk 11 bijvoorbeeld: “Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt. En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen”[3].
Over die woorden van de profeet Daniël zou veel te schrijven zijn. Vandaag volsta ik met het volgende.
Het dagelijks offer in de tempel kan niet meer worden gebracht. Sterker nog: de tempel wordt op een schandelijke manier verontreinigd. De Here God wordt aan de kant geschoven; men zet er zijn eigen afgoden voor in de plaats.
Wordt de kerk dan volkomen weggevaagd? Zeker niet. Want ware gelovigen zullen krachtig wezen. In de kerk worden de activiteiten niet gestaakt. Integendeel. In de kerk is het een drukte van belang!

Gelovigen moeten vluchten, zegt Jezus in Mattheüs 24.
In sommige delen van de wereld is dat nu al het geval. En wellicht komt het in Nederland ook wel eens zover.
Misschien zullen ook wij ons eens uit de voeten moeten maken. Misschien moeten onze nakomelingen een schuilplaats zoeken in bergen, ravijnen en moeilijk toegankelijke rotspartijen.
Maar dat alles, geachte lezers, is geen reden om de zaak maar blauwblauw te laten.

De beelden van wanhopige vluchtelingen buitelen in de media over elkaar heen.
Misschien hebben wij, kerkmensen van 2016, de neiging om ons maar stil te houden. Wellicht menen wij dat het Woord van God in onze tijd niet meer verkondigd kan worden. Heeft evangelisatie in onze tijd nog wel zin?
Geachte lezers, ook in deze tijd is de boodschap voor de kerk: volhardt in het geloof; houdt Gods beloften vast!
Gereformeerde mensen – ja, ook zij – mogen vluchtelingen helpen waar zij kunnen.
Gereformeerden mogen laten blijken dat zij, dankzij dat Woord van God, in staat zijn om over de vluchtelingenproblematiek heen te kijken.
Er is perspectief.
Er is toekomst.

Daarom noteer ik nog één keer die prachtige woorden uit Mattheüs 24: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”.
Laat die woorden maar echoën in ons brein!
Laten die woorden het motto van de dag maar wezen!

Noten:
[1] Mattheüs 24:13-16.
[2] Mattheüs 24:29, 30 en 31.
[3] Daniël 11:31 en 32.

1 maart 2012

Discipelschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Er wordt tegenwoordig veel over discipelschap gepraat. Het woord komt ook nogal eens in krantenkoppen langs.

Een discipel is een leerling. Dat spreekt voor zichzelf.
Over discipelschap is echter wel iets meer te zeggen[1].

Uit Mattheüs 10 valt af te leiden dat leerlingen niet moeten verwachten dat zij een betere behandeling krijgen dan hun Meester. Ik lees daar onder meer: “Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer”[2].
Soms zullen Jezus’ leerlingen van gastvrijheid kunnen genieten. Maar soms is er ook miskenning, of belediging.
En zo zal het met de vólgelingen van Jezus Christus blijkbaar ook gaan. Het komt mij voor dat wij dat goed voor ogen moeten houden. Wellicht hebben we soms het idee dat we nog veel kunnen bereiken als we maar een beetje redelijk blijven. Als we ons als fatsoenlijke mensen gedragen, dan kunnen we ’t Evangelie nog wel kwijt. Als we verstandig en zuiver redeneren, dan kunnen de mensen niet om de boodschap van de Bijbel heen.
En natuurlijk moeten we fatsoenlijk blijven. En verstandig. Maar ten principale liggen de zaken scherp. Het is vóór of tégen Jezus. Het is een antithetische kwestie. In deze wereld worden twee kampen gevormd. Het Evangelie brengt schéiding.

Jezus Christus vraagt, om zo te zeggen, de volle mens.
Hij wil te allen tijde de eerste plaats in ons leven innemen.
Hij moet voorrang krijgen op onze aardse geliefden. Hij moet voorrang krijgen op onze problemen, handicaps en ziektes. Hij moet voorrang krijgen in héél ons leven.
Dat lees ik óók in Mattheüs 10[3].

U en ik moeten er dus wel wat voor doen om discipel te kunnen zijn. We zijn niet zómaar volgelingen van Christus.

Maar laten we vervolgens níet net doen alsof christelijk discipelschap een nieuw soort slavernij is. Het is echt niet zo dat ware gelovigen stelselmatig door hun Heer worden afgejakkerd.
Integendeel.
De Here God verzorgt Zijn kinderen goed. En Hij prijst ieder die Zijn volgelingen goede zorg gééft. Het laatste vers van Mattheüs 10 luidt: “En wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan”[4].
Christenen zijn, kortom, kostbare mensen!

Wie Christus volgt, moet – blijkens Lucas 14 – goed weten wat hij doet. Hij moet, zouden we zelfs kunnen zeggen, berekenend bezig zijn. Je kunt je niet bekeren en daarna zeggen: nou, ik ga me verder prima redden in de wereld. Zo simpel ligt dat niet.
Christenen – en dus ook Gereformeerde mensen – zou je daarom kunnen vergelijken met een rijke meneer die een fraai bouwwerk laat ontwerpen en bouwen; er is zelfs een tóren in het ontworpen plan opgenomen!… Maar die rijke meneer heeft, als het goed is, van te voren wél even zijn rekenmachine gepakt. Die rijke meneer heeft van te voren natuurlijk wel even zijn bankrekening geraadpleegd. Immers: bouwactiviteiten die wegens geldgebrek worden gestaakt, richten schade aan bij alle betrokken partijen. Financiële schade. En imagoschade. Daar wordt niemand blij van.
Christenen – en dus ook Gereformeerde mensen – zou men ook kunnen vergelijken met een koning of president die de oorlog verklaart aan een buurland. Die strijdlustige regent heeft, voordat hij zijn communiqué het licht liet zien, uitgebreid met zijn defensiestaf overlegd. Want wie wil in de oorlog het onderspit delven? – niemand uiteraard.
Wie Christus volgt, moet goed weten wat hij doet. De regel van Lucas 14 is: mensen die achter Christus aan lopen, moeten  bereid zijn alle aardse bezittingen in te leveren[5]!

Laten wij het voorgaande resumeren.
Discipelschap betekent soms miskenning.
Discipelschap betekent dat Jezus Christus in ons leven altijd op de eerste plaats staat.
Discipelschap is kostbaar in Gods oog.
Discipelschap betekent dat je veel, zo niet alles, moet inleveren.

Het vorenstaande zette ik op een rij in verband met een krantenbericht dat ik las[6].
In het Nederlands Dagblad stond afgelopen maandag te lezen: “Discipelschap is een must voor een missionaire gemeente (…). Als een kerk alleen maar aantrekkelijk wil zijn, ontstaat er een cultuur van consumerende christenen”.
Dat werd gezegd tijdens de conferentie Missionair Leven & Kerk van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten. Het zijn woorden van de Amerikaanse pastor Greg Surratt[7].
Ik citeer nog een stukje uit het ND.
“‘In Amerika stijgt het aantal mensen dat niet naar de kerk gaat, maar we investeren vooral in laagdrempelig kerk-zijn’. Dat leidt (…) tot een antimissionaire cultuur van consumerende christenen. Kerkdienstbezoekers vergeten hun ongelovige vrienden mee te nemen, en denken vooral aan hun eigen geestelijk welzijn. ‘Ze vragen: wie spreekt er eigenlijk zondag? Typisch de vraag van een christelijke consument.’ Een gemeente moet haar leden volgens hem trainen in discipelschap – getuigen van Jezus in hun dagelijks leven, in woord en daad. Een belangrijke voorwaarde is dat een discipel van zichzelf houdt omdat Jezus van hem houdt”.
En:
“Hoe vul je discipelschap in?”. Antwoord:  “…zegen iemand drie keer per week, eet drie keer per week met anderen, lees de Bijbel en vormende boeken, wees gevoelig voor Gods boodschap en voor elkaar en wees dienstbaar. ‘Je bent een levende steen van je gemeente’”.

‘Een antimissionaire cultuur van consumerende christenen’: ik heb er even tegenaan zitten kijken.
Antimissionaire kerkgangers zijn, voor mijn besef althans, geen echte christenen.

En consumerende christenen? Ja, die bestaan wél. Ware christenen eten vast voedsel. De Corinthiërs kregen van de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 3 op hun falie omdat zij, geestelijk gezien, alleen maar melk dronken[8].
Maar vol gegeten christenen die op hun stoel blijven zitten, die bestaan niet. Dat leerde Jacobus ons trouwens al: “En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden”[9].

Dan is er nog dat begrip ‘aantrekkelijke kerk’.
Dat verhaal kennen we nou wel. Geloof ik.
Laten we het maar houden op de definitie die Jacobus van ware godsdienst gaf: “Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren”[10].

Die Schriftuurlijke eenvoud spreekt me, eerlijk gezegd, meer aan dan al die moeilijkdoenerij over discipelschap.

Noten:
[1] In dit artikel gebruik ik onder meer http://www.watzegtdebijbelover.nl/discipelschap/ .
[2] Mattheüs 10:24.
[3] Mattheüs 10:37-39: “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden”.
[4] Mattheüs 10:42.
[5] Lucas 14:28-33: “Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neder om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen volbrengen? Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te bespotten, zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien.
Of, welke koning, die tegen een andere koning wil optrekken om met hem tot een treffen te komen, zet zich niet eerst neder om te beraadslagen, of hij in staat is met tienduizend man iemand te ontmoeten, die met twintigduizend tegen hem optrekt? En zo niet, dan zendt hij, als de ander nog veraf is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn”.
[6] “Discipelschap in plaats van consumeren”. In: Nederlands Dagblad, maandag 27 februari 2012, p. 2.
[7] Surratt is de stichter van de Seacoast Church in Charleston (South Carolina, U.S.A.).
[8] 1 Corinthiërs 3:1-3: “En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu nog niet, want gij zijt nog vleselijk”.
[9] Jacobus 1:22.
[10] Jacobus 1:27.

18 januari 2012

Oecumenisch drama

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Tegenwoordig heeft kerkelijk Nederland het weer reuze druk met oecumene.

Wat is de oecumenische taak van Gereformeerde mensen?
Laten we het nog maar even repeteren.
“Ik zeg u evenwel: uw oecumenische taak, uw pénsum nummer één is: trouw getuigen. In ‘getuigen’, mits het niet opgaat in religiosistische zèlfbeschrijving, doch in het rustig, evenwichtig doorgeven van den door ons beleden Schriftinhoud, ligt het begin van alle christelijke taakvervulling op oecumenisch gebied”[1].  
Dat zijn woorden van K. Schilder uit 1951.
De hoogleraar sprak over ons pensum, de ons opgedragen taak in de opleidingsschool van de Here[2].
En over religiosisme: daarmee duidde hij – als ik het goed begrepen heb – de enthousiasmerende kracht van menselijke religie aan.
De professor sprak over zelfbeschrijving: mensen kijken naar zichzelf, in een poging de gang van zaken in de wereld te doorgronden.
Hij sprak over de opdracht van de kerk: de rustige en in alles stabiele verkondiging van het Evangelie.
Dáár, zo zei de professor, ligt het begin van ware oecumene.

Oecumene, dat is: mensen luisteren naar datgene dat de Here zegt, en gaan vervolgens samen doen wat Hij beveelt.

Dat valt te bezien, zeggen de mensen.
Oecumene, dat is: de diep gevoelde wens om zich aan te sluiten bij een groep. En in dat gezelschap deel je dan ook alles. Positieve zaken, maar ook negatieve dingen. Samen fouten maken: dat geeft een band. Samen dingen verkeerd aanpakken, en daarvan leren: dat verenigt mensen.
Laatst was er een professor die zei: we moeten ermee ophouden om met allerlei interessante verschillen de kerkelijke verdeeldheid goed te keuren. We moeten, zo zei ze, niet beweren: de kerk is kleurrijk, en dus is alles oké.
Die professor – het was mevrouw prof.dr. M.M. Jansen, bijzonder hoogleraar missiologie aan de protestantse theologische universiteit – zei er nog wat bij. Het is nog erger als je zegt: op de Goddelijke uitnodiging is maar één antwoord mogelijk. Zei zij. Het is een ramp als religie een verstikkende deken wordt waarin onze spiritualiteit wordt doodgeknuffeld. Nee, doe dán maar een beetje lekenliturgie. Of desnoods een beetje overlap in opvang van dak- en thuislozen.
Mevrouw Jansen had ook nog een vraag. Het was deze: “Hoe kun je nu oecumenisch in de wereld staan als je een Christus omarmt die scheiding brengt? Ik vermoed dat dat een vraag is waar veel meer jonge mensen mee worstelen”[3].

Oecumene, dat is: mensen luisteren naar datgene dat de Here zegt, en gaan vervolgens samen doen wat Hij beveelt.

Dat valt te bezien, zeggen de mensen.
Ingenieur A. Waaijenberg uit het Noordbrabantse Veen, secretaris van het deputaatschap kerkelijke eenheid van de Gereformeerde Gemeenten, zei laatst: het lijkt wel alsof oecumene betekent dat we een beetje bij elkaar schuiven en vervolgens als groep allerlei speciale accenten gaan leggen; zo wordt het met die oecumene natuurlijk nóóit wat.
“De grote kerkelijke verdeeldheid dient ons pijn te doen. Niet allereerst omdat daardoor het spreken van de kerk wordt verzwakt, maar omdat kinderen des Heeren langs elkaar heen leven en nalaten elkaar tot een hand en een voet te zijn. Dat is tot schade van henzelf, tot schade van de naaste en tot oneer van de Naam des Heeren”[4].

Oecumene, dat is: mensen luisteren naar datgene dat de Here zegt, en gaan vervolgens samen doen wat Hij beveelt.

Dat valt te bezien, zeggen de mensen.
Oecumene, dat is: samen een Raad van Kerken vormen en vervolgens aan je financiële verplichtingen voldoen. De algemeen secretaris van de Raad – drs. ing. K. van der Kamp – zei laatst: de Rooms-katholieke kerk betaalt bar slecht, en dat is niet best. Eigenlijk is de oecumene druk doende met de-katholiseren.
En trouwens: de protestanten zouden zich wel ês wat meer met die roomsen mogen bemoeien; anders komt er van die hele oecumene niks terecht[5].

Wat zullen Gereformeerden van deze dingen zeggen?   

In een e-mail, die over kerkelijke eenheid ging, schreef mijn vader afgelopen maandag – 16 januari -: “…wanneer zou worden gehonoreerd dat er geschreven staat, maar dat er ook geschied is, dan zou men een gans ander uitzicht beleven op het kerkvergaderend werk dat Christus door de eeuwen heen tot stand heeft gebracht”[6].
Wat zeggen die woorden ons?
In ieder geval dit: mensen kunnen lang en breed praten over oecumene, kerkelijke eenheid, federatieve groeimodellen en wat daar verder volgt; maar Jezus Christus, de Heer van de kerk, is aan het werk. Hij verwezenlijkt dingen. Hij voert Zijn plan uit; en daarbij worden Zijn kinderen ingeschakeld.

De kerk moet trouw getuigen.
Er moet trouw getuigd worden van de getrouwe getuige: Jezus Christus. Die term ‘getrouwe getuige’ kennen we wel; u vindt ‘m in Openbaring 1[7].
De Zoon heeft een onverbrekelijke relatie met Zijn Vader; daar komt niemand meer tussen. Jazeker, de relatie tussen God en mensen kan wèl verbroken worden; de zonde speelt in ons aller leven een grote rol.
Maar juist daarom mogen wij wijzen op Jezus, de Zoon van God die tijdens Zijn aardse leven voor ’s mensen zonden betaalde. Hij deed het werk dat Zijn Vader hem opgedragen had. Hij bewandelde geen omwegen. Hij verzon geen lange verhalen teneinde Zijn werk op een efficiënte wijze aan een ander over te kunnen dragen.
Wat de Here zegt, is wáár; niemand kan daar onderuit. In Openbaring 3 wordt Jezus dan ook ‘de getrouwe en waarachtige getuige’ genoemd[8].
Jezus Christus heeft gezegd: mensen, Ik kom op aarde terúg; bereidt u dus maar voor. Jezus Christus heeft gezegd: mensen, Ik kom terug; groepeer u dus alvast maar. Jezus Christus heeft gezegd: mensen, Ik kom op aarde terug; maak u maar vast klaar voor de aftocht naar Mijn woonplaats, de hemel. In Openbaring 22 lezen we het: “Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig”[9].
Tot die tijd komen Gods kinderen in de kerk bijeen.

Intussen omarmen wij de Christus die scheiding brengt.
De Christus scheidt ziel en geest. Gewrichten en merg. Goede en kwade gedachten. De Hebreeënschrijver draait daar niet omheen[10].
Oikoumenè duidt in oorsprong op ‘de bewoonde wereld’[11]. Welnu, in de bewoonde wereld voltrekt zich een groots oecumenisch drama. Aan de ene kant is er de oecumenische prediking van het Evangelie; de hele wereld heeft die gehoord. Aan de andere zijde is er de oecumenische dwaling; de verleiding van Gods tegenstander. De hele bewoonde wereld komt voor een keuze te staan!

Daarbij gaat het niet om de vraag: bent u nog een beetje gelovig?
En ook niet om de vraag: bent u enigszins spiritueel?
En ook niet om de vraag: welke accenten legt u eigenlijk?
En ook niet om de vraag: zijn die rekeningen van de Raad van Kerken nu eindelijk betaald?
Het gaat wel om de vraag: begrijpt u dat Christus op deze aarde de mensheid in twee kampen verdeelt?
Maar vooral om de vraag: wilt u Zijn werk erkennen en Hem vólgen?

Wij moeten Christus’ werk erkennen.
Wij moeten leren begrijpen welke consequenties aan dat Christelijke werk verbonden zijn.
Als wij dat alles leren doorzien, begrijpen wij dat oecumene niet slechts een financieel-economische zaak is.
Als wij dat alles leren doorzien, dan stopt alle vruchteloos gepraat.

Noten:
[1] Dit is een citaat uit: Professor K. Schilder, “Uw oecumenische taak”, rede gehouden op de bondsdag van de Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen, Pinkstermaandag 1951, p. 10. Ook te vinden op http://www.dbnl.org/tekst/schi008uwoe01_01/ .
[2] Zie voor deze betekenis van ‘pensum’: http://www.dbnl.org/tekst/cali003nieu01_01/cali003nieu01_01_0019.php .
[3] “Oecumene: lijden met andere kerken”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 14 januari 2012, p. 2.
[4] “Verdeeldheid verzwakt het spreken van de kerk”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 14 januari 2012, p. 2.
[5] “Sleutel voor oecumene bij katholieken en protestanten”. In: Nederlands Dagblad, maandag 16 januari 2012, p. 2.
[6] H.P. de Roos, “Eenheid? Terug naar de wissel!”. E-mail ‘Opgemerkt 480’; gedateerd maandag 16 januari 2012.
[7] Openbaring 1:4 en 5: “…genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn, en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde”.
[8] In Openbaring 3:14 wordt de Here “de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods” genoemd.
[9] Openbaring 22:20.
[10] Hebreeën 4:12 en 13: “Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”.
[11] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Oecumene .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.