gereformeerd leven in nederland

28 september 2012

Herrie in Haren

De zonde is in onze maatschappij diepgeworteld. Gereformeerde mensen wisten dat al. Maar die geloofskennis is, naar het mij voorkomt, actueel geworden na de rellen in Haren.

Het verhaal is inmiddels genoegzaam bekend. Een meisje uit Haren annonceert een feestje vanwege haar zestiende verjaardag. Dat doet zij via Facebook. Zij verzuimt om aan te vinken dat het een privéfeestje betreft.
Dat foutje wordt door anderen opgepikt. De mededeling evolueert van een blijde mededeling tot een grap, en vervolgens tot Project X. Duizenden mensen uit heel Nederland komen naar Haren om het feestje ‘mee te vieren’. De relschoppers worden wakker. Ook zij komen naar het Groningse dorp, ofschoon de burgemeester inmiddels expliciet heeft afgekondigd dat er géén feest zal plaatsvinden.
De hooligans maken uiteindelijk hun eigen ‘feestje’. En zo kan het gebeuren dat er op vrijdagavond 21 september 2012 een veldslag in Haren plaatsvindt. Politie en bestuurders vanuit de overheid hebben er hun handen vol aan. Er vallen veel gewonden, een paar zwaargewonden, en de materiële schade beloopt – naar men zegt – enkele miljoenen euro’s. Haren is gedurende enkele uren hot news in de media. En de wereld kijkt lichtelijk verbijsterd toe[1].

Wat zal een Gereformeerd mens, die de Bijbel regelmatig open heeft liggen, van deze dingen zeggen? De gedachten vermenigvuldigen zich.
Ik zet enkele van mijn ideeën op een rij. Wellicht heeft u, geachte lezer, er óók nog iets aan.

1.
De Facebookrellen bepalen ons bij de verdorvenheid der mensen. Zonde en verval staan voor ons gevoel tamelijk ver bij ons vandaan. Gebeurtenissen als deze bepalen ons er echter bij dat het bederf er bij de mensen diep in zit. En dat is heel vroeg in de wereldgeschiedenis begonnen. Denkt u bijvoorbeeld maar aan Genesis 6, waar de verdorvenheid een bijna alles bepalend refrein lijkt te zijn: “De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven”[2].
Wat Gods Woord ons meedeelt over erfzonde en erfsmet is geen theorie.
Mensen laten zich zomaar meeslepen door de meute[3]. Er mankeert veel aan onze natuurlijke rem.

2.
Sociale media kunnen een buitengewoon nuttige functie vervullen. Men kan snel boodschappen overbrengen, met vrienden communiceren, artikelen publiceren of bijvoorbeeld reclame maken voor allerlei producten.
Maar het is juist die snelheid die ons, mensen met een beperkt brein, soms nekt.
In dit verband wijs ik op het doel dat de Spreukenleraar met zijn spreuken heeft: “De Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, om wijsheid en tucht te verkrijgen, om verstandige woorden te verstaan, om de tucht aan te nemen, die verstandig maakt, gerechtigheid en recht en rechtschapenheid; om de onverstandigen schranderheid, de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven[4].
Christenen moeten zich, zeker in een wereld als de onze, oefenen in weloverwogenheid.
Wij moeten met de Here door de wereld wandelen. Als wij dat doen, fungeert Hij als onze Beveiliger. Dan begrijpen we wat eerlijkheid is, en wat rechtvaardigheid inhoudt. Dan worden we rustige en verstandige mensen. Om met Spreuken 2 te spreken: “bedachtzaamheid zal over u waken, / verstandigheid zal u behoeden, / om u te redden van de boze weg, / van de man die verkeerde dingen spreekt”[5].
Wij moeten kennis over de Here vergaren. En daarbij geldt, menselijkerwijs gesproken althans: rust kan ons redden. Ik citeer Spreuken 3: “Mijn zoon, laat ze niet wijken uit uw ogen, / bewaar overleg en bedachtzaamheid”[6].

3.
Mijn gedachten gaan naar Mattheüs 24: “Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dat alles is het begin der weeën”[7].
Deze tekst haal ik aan omdat je via sociale media tamelijk snel een oorlog kunt ontketenen. Want laten we wèl wezen: wat in een dorpskern kan, kan ook in een stad. En ook in een land. En ook in een werelddeel. Ja, zelfs in de wereld.
We hebben van de Here prachtige instrumenten gekregen om de wereld te verkennen en te ontwikkelen. Maar de duivel slaagt er in om al deze gaven op grote schaal te misbruiken.

4.
De Harense rellen bewijzen eens te meer dat, met de komst van de sociale media, de grenzen tussen privé en openbaar steeds meer vervagen.
Mensen moeten er steeds meer hun best voor doen om hun persoonlijke leven te bewaken. Alles ligt op straat. De grote samenleving houdt, steeds vaker en steeds intensiever, in de gaten wat er achter de voordeur gebeurt.
Laten wij ons echter niet vergissen.
Het geloof moet namelijk wel in het privédomein blijven. O wee als je dáármee naar buiten komt. Zelfs VVD-leider Rutte zei ooit: “Wat voor geloof je hebt, is iets van jou achter de voordeur. Zolang je je aan de regels van de rechtsstaat houdt, ga ik daar niet over”[8]. Godsvrucht en kerk? Dat wordt hoe langer hoe meer iets van de huiskamer.
Voor de rest mag bijna alles op straat. Tot naaktfoto’s van Prins William en Catherine Middleton aan toe[9].
Het vólk zal wel uitmaken wat wel en niet openbaar is.
De duivel, de tegenstander van God, bezit vele middelen om mensen van God af te trekken. Ten diepste is hier de strijd tussen God en Satan aan de orde.
Edoch, kinderen van God mogen beseffen dat de Here God in die strijd aan de winnende hand is. Nee, dat lijkt niet zo als een stelletje relschoppers er in slaagt om de boel binnen de kortste keren op de kop te zetten. Maar de stand van zaken is wél dat de Here Overwinnaar is.
En in die victorie zullen Zijn kinderen te Zijner tijd delen. Leest u maar mee in 1 Johannes 3: “Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is”[10].
Wij zullen de hemelse God zien.
Er komt een moment dat Hij alles zal zijn in allen. Op dat ogenblik zullen alle relschoppers machteloos wezen. Dan is het feestgedruis niet van de lucht!

Noten:
[1] Zie bijvoorbeeld http://www.refdag.nl/centrum_haren_is_een_ravage_fotoserie_1_676795 , http://www.rtvnoord.nl/artikel/artikel.asp?p=113728 en http://www.nd.nl/artikelen/2012/september/25/de-toegeeflijke-samenleving .
[2] Genesis 6:11 en 12.
[3] Zie http://www.ad.nl/ad/nl/1012/Nederland/article/detail/3321553/2012/09/25/Relschopper-Haren-niet-kansloze-maar-brave-scholier.dhtml .
[4] Spreuken 1:1-4.
[5] Spreuken 2:11 en 12.
[6] Spreuken 3:21.
[7] Mattheüs 24:6, 7 en 8.
[8] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1297880/2008/03/21/Rutte-wil-God-in-het-privedomein.dhtml .
[9] Zie bijvoorbeeld http://nos.nl/koningshuis/artikel/419975-rechter-verbiedt-blootfotos-kate.html .
[10] 1 Johannes 3:1, 2 en 3.

29 mei 2012

Goddelijke Drie-eenheid: een zaak van geloof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Dat de Here Zich in drie Personen laat kennen wordt in Gods Woord heel duidelijk. Wij hoeven slechts te denken aan die tekst uit Mattheüs 28: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”[1]. Dan weten we: onze God is Vader, Zoon en Geest. En zó moeten wij Hem eerbiedigen.

God is een volstrekt uniek Wezen. En in Hem zijn drie Personen.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat het zó: “Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid”[2].
Het is belangrijk om die belijdenis helemaal te laten staan, en daar niets van af te doen[3].
De Drie-eenheid van God kan men maar moeilijk in een beeld vatten. Men kan denken aan het beeld van ijs, water en damp: hetzelfde element verschijnt in verschillende ‘vormen’[4]. Erg bevredigend is een dergelijk beeld niet. Daarom is dit dogma een kwestie van geloof. Wáár geloof.

In de Islam wordt nogal eens gesuggereerd dat de Drie-eenheid een Goddelijke familie is. De Koran spreekt over christenen die geloven in Jezus en Maria als goden naast Allah[5].
Wij moeten overeind houden dat de ene God uit drie Personen bestaat. En waarom? Omdat Ik het zeg, kondigt de Here vanuit de hemel af. Wij moeten ons niet wijs laten maken dat God in drie wezens gesplitst zou zijn!
De Here God houdt ons in Zijn Woord de féiten voor. En nee – die werkelijkheid kunnen wij, aardse mensen met een beperkt denkraam, niet bevatten. Maar dat hoeft ook niet. Want Hij is Gód.
De Britse schrijver en apologeet C.S. Lewis (1898-1963) schreef eens: “Als het christelijke geloof iets was dat we zelf verzonnen, dan zou het natuurlijk wel te vereenvoudigen zijn. Maar we verzinnen het niet zelf. We kunnen in eenvoud niet wedijveren met mensen die zelf een religie verzinnen. Hoe zouden we? We houden ons bezig met de feiten. Eenvoud is geen kunst als je je niet om de feiten hoeft te bekommeren”[6].
Waarvan akte!

Overigens is de loochening van de Goddelijke Drie-eenheid al een oud verschijnsel. Arius, een presbyter in Alexandrië, sprak er ook al over[7].
Vandaag duiden we die dwaling veelal aan met het woord ‘unitarisme’. We zien unitarisme terug in de Islam. En bijvoorbeeld ook bij Jehova’s getuigen[8].
De bestrijding van dat unitarisme is, als we er eens goed op letten, nog altijd nodig.

Hebben Gereformeerde mensen geen vragen als het over de Drie-eenheid van God gaat?
Ach, soms komen zomaar vragen op.
Ik noem er enkele.

Waarom zegt Jezus in Johannes 14: “de Vader is meer dan Ik”[9]? Suggereert Hij daar tóch een rangorde?
Antwoord: als gezondene is Hij op aarde tijdelijk de mindere van Zijn Vader. Maar dat zal gaan veranderen. Hij zal weer terugkomen op het niveau van de hemelse heerlijkheid. En Jezus weet dat Zelf heel goed. In Johannes 17 formuleert Hijzelf: “En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was”[10]. Jezus Christus claimt terecht de plaats “de rechterhand van de majesteit in den hoge”[11].
En daar zal Hij nooit stil zitten. Welnee. Vérre van daar. “In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden”. Dat is een citaat uit Johannes 14[12]. Dit hoofdstuk zet onze levens, om zo te zeggen, in hemels perspectief!

Maar waarom gebruikt Jezus in Johannes 20 de uitdrukking ‘Mijn God en uw God’[13]? Het gebruik van die term impliceert toch dat er een zeker verschil in niveau tussen Vader en Zoon bestaat?
Antwoord: nee, dat is beslist niet Jezus’ bedoeling. Integendeel. Hij zet de deur naar de toekomst open.
Een exegeet noteert: “En God, die door Jezus steeds ‘mijn Vader’ was genoemd, zal ook hún Vader zijn. Juist door het opstijgen naar de Vader [bij de hemelvaart, BdR] ontstaat die hechte familieband in Christus, die een groep leerlingen tot broeders maakt”[14].
In Johannes 20 gaat het dus niet zozeer over de positie van Jezus. Alles draait om de hemelse status die Gods kinderen zullen krijgen. Nu Jezus Christus voor de zonden heeft betaald, is de weg naar God open. Kinderen van God mogen in Zijn woonplaats domiciliëren. Zo komen broeders en zusters, om zo te zeggen, nader tot God. En er zal een tijd komen dat Christus alles in allen zal zijn!

Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 11: “…het hoofd van Christus is God”[15]. Wederom dringt zich de vraag op: is er een hemelse ordening, een indeling in klassen?
Het komt mij voor dat we nog wat verder in Gods Woord moeten lezen. In Efeziërs 1 schrijft de apostel Paulus: “En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”[16].
Jezus Christus ontvangt alle macht, in hemel en op aarde. Vanuit de hemelse volmaaktheid regeert Hij – in heerlijke harmonie met de Vader – de wereld, tot het einde der dagen. Alleen dáárom al is het zaak om de gedachte aan een hemelse klassenstrijd zo snel mogelijk te verwerpen.

Het bovenstaande overwegend worden, wat mij betreft, tenminste twee dingen helder.
Het EERSTE is dit: de Goddelijke Drie-eenheid demonstreert hoe belangrijk het is dat wij héél Gods Woord laten spreken. Wie Schriftpassages uit hun verband rukt, komt zomaar verkeerd uit.
En het TWEEDE is: wie de Goddelijke Drie-eenheid gelovig aanschouwt, bemerkt al gauw hoeveel hij van de hemelse genáde zien kan.
De Vader geeft voortdurende zorg aan al Zijn kinderen.
De Zoon heeft het verlossingswerk gedaan, waardoor het hemelse reddingsplan ten bate van ware gelovigen volledig kan worden uitgevoerd.
De Heilige Geest richt de kerk steeds weer op de door God gegeven beloften van geluk, vrede en eeuwig leven.

De Here geeft ons via de Drie-eenheid extra strijdkracht.
Door de Heilige Geest bekwaam gemaakt ziet de dichter van Psalm 110, David, God de Vader en Zijn Zoon met elkaar spreken. In de kerk bezingen we dat als volgt:
“Zo heeft de HERE tot mijn Heer gesproken:
Zit aan mijn rechterhand en neem uw recht,
totdat Ik elke vijand heb gebroken
en als een voetbank voor u neergelegd”[17].
Die hemelse dialoog geeft ook de kerk van 2012 de motivatie om te volharden in de strijd. Laten wij daarom maar blijven zingen:
“Uw volk is zeer gewillig om te strijden.
Zijn treden aan in heilig feestgewaad.
Ook zal uw jeugd zich aan uw glorie wijden
als frisse dauw in vroege dageraad”[18].

Noten:
[1] Mattheüs 28:19.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.stichting-promise.nl/artikelen/schriftgezag/islam-en-christen-de-drie-eenheid.htm .
[4] Zie http://www.heidelbergsecatechismus.nl/idee_lijst.php .
[5] Zie in de Koran bijvoorbeeld Soera 5:116: “En toen zei Allah: “O Isa, zoon van Maria, heb jij tegen de mensen gezegd: “Neemt mij en mijn moeder tot twee goden naast Allah?” En hij (Isa) zei: “Heilig bent U! Nooit zou ik kunnen zeggen waarop ik geen recht heb. Indien ik dat gezegd had, zou U dat zeker geweten hebben. U weet wat er in mijn ziel is, en ik weet niet wat er in Uw Ziel is. Voorwaar, U bent de Kenner van het verborgene”. De Koran is te vinden op http://www.kuran.nl/kuran/kuran_index.htm .
[6] Geciteerd via http://www.ontdekjezus.nl/drie-eenheid.html .
[7] Zie hierover http://nl.wikipedia.org/wiki/Arianisme .
[8] Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Unitarisme_(theologie) .
[9] Johannes 14:28.
[10] Johannes 17:5.
[11] De term komt uit Hebreeën 1:3: “Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge”.
[12] Johannes 14:2.
[13] Johannes 20:17: “Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God”.
[14] Dr. P.H.R. van Houwelingen, “Johannes: het evangelie van het Woord”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1997; derde druk 2007. – p. 392.
[15] 1 Corinthiërs 11:3.
[16] Efeziërs 1:22 en 23.
[17] Psalm 110:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[18] Psalm 110:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

24 mei 2012

De wapens in de hand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De Here heeft dagwerk aan Zijn kerk. Dat zien we lang niet altijd. Maar ’t is wel zo. De Here verleent geen zorg in deeltijd. Hij is altijd present!

Daarom is het bouwen van de kerk een zaak waar garánties aan hangen. De bouw is omgeven met de zekerheid van Gods aanwezigheid[1].
In zijn tijd weet Nehemia dat óók.
Maar er is meer. Dat zal hieronder blijken.

Nehemia krijgt van Arthahsasta toestemming om naar Jeruzalem te gaan. Daar leidt hij de herbouw van de muren.
Die herbouw gaat niet zonder slag of stoot; er is veel tegenstand. Vandaar dat bouwers en sjouwers in de ene hand een wapen hebben en in de andere hand bouwmaterialen. Een hoornblazer doet dienst als verbindingsofficier en beveiliger.
Wij lezen: “Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de muur, ieder tot zijn werk. En sinds die dag deed de ene helft van mijn knechten het werk en de andere helft droeg de speren, de schilden, de bogen en de pantsers, terwijl de oversten achter het gehele huis Juda stonden, dat aan de muur bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden; de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het bouwen waren. De hoornblazer stond naast mij”[2].

De namen van de belangrijkste tegenstanders zijn wellicht wel bekend:
* Sanballat: de stadhouder van Samaria, die zich mogelijk in zijn positie bedreigd voelt nu Jeruzalem herbouwd wordt
* Tobia: een Jood die met de vijand heult, en zo een hoge positie verworven heeft
* Gesem: de Arabierenkoning[3].
Met spot en cynisme proberen zij eerst de publieke opinie te beïnvloeden. Als echter blijkt dat het werk aan Jeruzalems muren niet gestopt kan worden met sarcasme en schimpscheuten, wordt een ander middel ingezet. Lichamelijke bedreiging, namelijk.
Die dreiging, in combinatie met de grootte van het karwei en de psychische druk, werkt bij het volk verlammend.
De kracht van de Satan, de tegenstander van God, blijkt groot te zijn. En dat, geachte lezer, lijkt mij iets om vandaag te signaleren.

In Nehemia 4 is de Satan heel duidelijk aanwezig.
En we zijn geneigd te zeggen: zo gáát dat als je de Satan toelaat. Zo wérkt dat als beleidsbepalende figuren bewust de verkeerde kant op gaan.
Maar dat is iets te makkelijk.
Nehemia heeft van Arthahsasta expliciete tóestemming gekregen om de arbeid in Jeruzalem aan te vangen. En wat meer is: de Here God is de stuwende kracht achter Nehemia’s plannen. In Nehemia 1 bidt Gods kind tot zijn hemelse Heer. En in Nehemia 2 gebeurt dat nog eens[4]. Dus: ondanks de hemelse energie van de Here is de Satan actief.
Mijn conclusie: daar waar de Here werkt, geeft ook de Satan acte de présence! Altijd en overal, op allerlei manieren, probeert de Satan Gods werk af te breken. De les uit het Bijbelboek Nehemia is: de Here is aanwezig, en dús de Satan ook. In Nehemia kan niemand daar omheen kijken. Maar we moeten er in alle omstandigheden rekening mee houden!

Er zijn ook situaties waarin Gods tegenstander zich op een veel geniepiger wijze laat gelden.
En als wij dat constateren, wandelen wij als vanzelf de eenentwintigste eeuw binnen.

Zo kan het anno Domini 2012 gebeuren dat het Evangelie een kwestie van goeie wil is. Als je positief in het leven staat, dan zijn u en ik al een heel eind op de goede weg.
De Nederlands Gereformeerde emerituspredikant drs. H. de Jong omschreef dat onlangs als volgt: “De tijd lijkt aanstaande dat we ophouden de boodschap van het evangelie zo te verwoorden dat we er de goedkeuring van de samenleving mee zoeken te verkrijgen. De schijn is lang opgehouden dat de kerk eigenlijk hetzelfde bedoelde als alle goedwillende mensen. Het eigene van de Bijbelse boodschap werd ten onder gehouden. Niet eens zozeer ontkend of bestreden, maar verzwegen. Geloven wilde zeggen dat God van je hield, dat je er als mens mocht zijn, dat je streefde naar politieke gerechtigheid en dat je voor het behoud van de groene aarde was. Maar niemand bekeerde zich op die boodschap, de kerken stroomden erbij leeg. Het wordt nu tijd dat we terugkeren naar de kern van ons geloof die bestaat uit het feit dat God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft”[5].
De kerk behoort díe boodschap te prediken.
Niet dat de kerkzalen daar voller van worden. Dat niet. Dominee de Jong zegt: “Dat verwacht ik niet, maar wie God echt zoeken, zullen op die oude kern afkomen en er blij mee zijn”. En verder: “De kloof met de wereld wordt er diep, zeer diep van”[6].

In het Bijbelboek Nehemia zien we de antithese: de tegenstelling tussen kerk en wereld.
Die tegenstelling was er in de tijd van Nehemia.
Dat scherpe contrast is er in 2012 nog altijd.

Daarom moeten we ook nu wapens bij de hand hebben waarmee Gods kinderen zich verdedigen kunnen.
Wat zijn ónze wapens?
De waarheid en de gerechtigheid. De bereidwilligheid om het Evangelie van werkelijke vrede te brengen. Het geloof in Gods beloften. En het gebed.
De inventarisatie van ons wapenarsenaal heb ik overigens niet zelf gedaan. Die inventarisatie werd gemaakt door Paulus. De betreffende lijst vindt u in Efeziërs 6[7].

Gereformeerde mensen moeten die wapens bij de hand houden. Ja – zelfs IN de hand houden.
Die wapens dienen optimaal gebrúikt te worden.
We moeten ze niet wegleggen. Zo van: de wereld snapt het niet als wij met scherp gaan schieten. Of misschien zelfs: die wapens zijn onnut geworden, want de samenleving is vredig en stil.
Laten wij ons niet vergissen: als de Here in de kerk bezig is, zijn satanische machten in de buurt!

Noten:
[1] Zie hierover ook mijn artikel ‘De Here staat nooit aan de zijlijn’, hier gepubliceerd op donderdag 10 mei 2012. Het is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/05/10/nooit-aan-de-zijlijn/ .
[2] Nehemia 4:15-18.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.prekendiespreken.nl/preken/dutch/neh04.html .
[4] Zie Nehemia 1:4-11. Ik citeer de verzen 4, 5 en 6: “Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels en zeide: Ach, HERE, God des hemels, grote en geduchte God, die het verbond en de goedertierenheid gestand doet jegens hen die U liefhebben en uw geboden onderhouden, laat toch uw oor opmerkzaam en uw ogen geopend zijn, om te horen naar het gebed van uw knecht…”. Zie ook Nehemia 2:4: “Toen bad ik tot de God des hemels”.
[5] Dit citaat komt van http://eeninwaarheid.info/, zaterdag 19 mei 2012. De gegevens van het betreffende boek zijn: Drs. H. de Jong, “Vergeving. De kern van het christelijk geloof”. – Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2012. – 112 p.
[6] Zie: “De Jong: kerk moet weer vergeving van zonden prediken”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 15 mei 2012, p. 2.
[7] Efeziërs 6:10-20. Ik citeer de verzen 14, 15, 16, 17 en 18: “Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen”.

4 januari 2012

Goedige God?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De Bijbel is een vriendelijk boek. Zegt een menigte mensen.
Want God is liefde. Dus is de Bijbel een foliant van het aangename soort.

Dat wordt er al vroeg ingepompt.
In heel wat kinderbijbels worden de scherpe kantjes van de verhalen afgevijld. In “Je eerste Bijbel” van Gwenaelle Boulet – een kinderbijbel die in 2006 verscheen – wordt dat wel héél duidelijk[1].
Illustratrice Aurélie Guillerey verzorgde daarin een tekening van moeder Eva op de schommel terwijl vader Adam de boel een beetje aanharkt.
Tja.

Theoloog en journalist Willem van der Meiden schreef over die sfeer: “De toegenomen dominantie van het beeld levert taferelen op die de kloof van vijfentwintighonderd jaar moeiteloos overbruggen, zonder al te veel clementie voor de oorspronkelijke tekst”[2].
Met een leuk plaatje wordt het allemaal een stuk genoeglijker.

“Je eerste Bijbel” slaat de verdrijving uit het paradijs maar over.
Kaïn en Abel? Te lastig.
De ark wordt een vrolijke beestenbende. Een kleurrijke regenboog maakt de situatie nog wat optimistischer.
Zo gaat dat.

Nu is het heel goed om aan kinderen te laten weten dat God een echte Vader is. Iemand die altijd voor je zorgt.
Maar het is onjuist om het daar bij te laten. Onze aardse vader glimlacht ook niet de hele dag. Zo kan ook onze hémelse Vader heel ernstig zijn.
Onze Here is geen goedige God.

Laten we eerlijk zijn: het probleem van de al te lievige God is ook een kwestie voor de grote mensen.
Ook wíj hebben zo nu en dan de neiging om enkel en alleen maar te zeggen dat God liefde is. Punt.
Al die Schriftuurlijke gewelddadigheden, daar hebben wij het niet zo op bekeken.

Toch moeten we daar niet omheen draaien.
Want we zien pas goed hoe groot de Goddelijke genegenheid voor ons is, als wij beseffen hoe onpeilbaar diep en bestaansbreed onze zonde is.
Én: Want we zien pas goed hoe groot de Goddelijke genegenheid voor ons is, als wij beseffen hoe onvoorstelbaar groot Zijn genade is.

Voor een korte uitwerking van die stellingen neem ik u vandaag mee naar twee gedeelten van het Bijbelboek Genesis. En ja, het evangelie naar Johannes en de brief aan de Hebreeën komen ook nog voorbij.

In Genesis 4 wordt de zonde getekend als een aanvaller. Niet zo iemand die u en ik op de televisie zien. Maar een type dat aan uw en mijn voordeur staat; als u de deur maar op een kier open doet, krijgt u meteen een zódanige dreun dat u nog enige tijd sterretjes ziet[3].
In dat hoofdstuk staat er trouwens nog wat bij. Dat is dit: “En de HERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt?”. De Here zegt dus: als de lijn in uw leven wordt afgepaald met goedheid en rechtvaardigheid, dan kunt u frank en vrij de wereld in kijken; als u de ingang van uw huis open zet voor de Satan, dán gaat het mis.

Hóe scherp de zaken liggen, begrijpen wij uit Genesis 18.
In Sodom en Gomorra loopt een hele massa criminelen rond. Iedereen in de buurt spreekt er over[4].
Maar er is meer.
De Here God komt op inspectie. Dat is een laatste ronde voor Zijn definitieve en vernietigende oordeel.
Maar hij maakt Abraham deelgenoot van Zijn plannen. Waarom? Omdat Abraham de stamvader van een groot volk moet worden. Omdat Abraham door de Here gezégend wordt. En omdat er ná hem een volk wordt geformeerd waarvan alle burgers – zonder uitzondering – de stad met fundamenten verwachten[5].
De Here ként Abraham. De Here koos hem uit, betekent dat. De Here verzorgt Abraham. Hij houdt toezicht op Zijn volk[6].
De Statenvertalers zeggen het zo: “Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft”.
De Here brengt straf over Sodom en Gomorra.
De Here brengt zegen over Abraham.
De Here kiest Zijn kinderen uit. Hij geeft hen verantwoordelijkheid. En Hij gebiedt hen: laat duidelijk zien of je Mijn keuze eerbiedigt, of niet.
Dat zo zijnde, kunnen wij niet volstaan met de mededeling: God is liefde.     
Dat zo zijnde, kunnen wij niet volstaan met de constatering: God redt de wereld.    
Dat zo zijnde, kunnen wij niet eenvoudigjes veronderstellen: het komt wel goed met ons.
Niet voor niets luidt die bekende tekst uit Johannes 3: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[7].

Er staan heel wat moeilijke verhalen in het Woord van God.
Schókkende verhalen, ook.
De zondvloed bijvoorbeeld. Het offer van Isaäk. En de kruisiging.
Bij die geschiedenissen is de vraag niet: hoe gewelddadig zijn ze? Maar: wat wil de Here ons vertellen als het om Zijn keuze en onze daden gaat?

Laten we het maar tegen onszelf blijven zeggen: God heeft mensen met verantwoordelijkheid geschapen. Hij schiep geen doetjes.

Noten:
[1] De gegevens van dat boekje zijn: Gwenaelle Boulet, “Je eerste Bijbel”. – Adveniat Geloofseducatie (Katholieke Bijbelstichting), 2006. – 44 p.
[2] Zie: “Geen scherpe kantjes in kinderbijbel”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 3 januari 2012, p. 2.
[3] Genesis 4:7: “Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”.
[4] Genesis 18:20: “Daarop zeide de HERE: Het geroep over Sodom en Gomorra is voorwaar groot, en haar zonde is voorwaar zeer zwaar”.
[5] Zie Genesis 18:17 en 18: “En de HERE dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden”. En Hebreeën 11:8-10: “Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaäk en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is”.
[6] Genesis 18:19: “Want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft”.
[7] Johannes 3:16.

14 november 2011

Rond het Godsbewijs

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Het bestaan van de hemelse God is niet te beredeneren.
Voor verstandige mensen in de westerse wereld is dat, in zekere zin, bijzonder lastig. Hoe maak je aan rationeel ingestelde mensen duidelijk dat God bestaat? Hoe kan helder worden dat de Here God springlevend en volop actief is?

Sommigen zeggen: de schepping zit prachtig in elkaar; daar móet wel een Schepper bezig zijn geweest.
Anderen werpen tegen dat er klaarblijkelijk relatief veel ontwerpfouten in die schepping zitten: mensen worden ziek, dieren jagen op elkaar, er gebeuren vaak natuurrampen.

Mensen met enige kennis van de wereldgeschiedenis roepen: in de val van het ijzeren gordijn kunnen wij, als we goed kijken, de hand van God zien.
Hun tegensprekers mompelen dat Adolf Hitler toch maar z’n gang kon gaan. Waarom heeft God in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw niet ingegrepen?, zo vragen zij.  

Mensen die graag in de wereld rondstruinen gaan op zoek naar de verschillende religies. Zij nemen allerlei verschillen waar.
Als zij na een lange tocht vermoeid huiswaarts keren, is er grote kans dat zij door de bomen het bos niet meer zien. En als het tegenzit, hebben zij God niet gevonden.

Professor dr. M.J. de Vries, bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Technische Universiteit in Delft, heeft daarover een boek geschreven. “God vinden”, heet het[1].
Op de dag van de verschijning van dat boek schreef de hoogleraar in het Reformatorisch Dagblad: “Niet dat die wegen [waarlangs men God zoekt, BdR] hun waarde niet hebben. Op zijn minst is het de moeite waard om een eind­weegs mee te lopen met mensen die zich op zulke zoekwegen bevinden. Zoals de Heere Jezus optrok met de Emmaüsgangers en hen eerst rustig liet vertellen waarom zij daar liepen en wat hen bezighield.
Want ook al is het niet mogelijk om Gods bestaan waterdicht aan te tonen langs intellectuele weg, het is wel goed mogelijk om Zijn bestaan plausibel te maken”[2].

Het bestaan van God is niet wetenschappelijk aan te tonen.
Maar dat wil beslist niet zeggen dat de kerk, als het daarom gaat, snel uitgepraat is.
Vandaag neem ik de vrijheid om een vijftal opmerkingen rond het Godsbewijs te maken.

1.
De Here kan hard ingrijpen in mensenlevens.
Hij kan er voor zorgen dat een levenskoers verregaand verlegd wordt.
Denkt u maar aan de bekering van Saulus, die later Paulus wordt. In Handelingen 9 staat vermeld: “En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is. En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is”[3].
Het getuigenis dat kinderen van God geven, kan – als dat in Gods raadsplan past – grote gevolgen hebben.
Daarbij zullen wij er rekening mee moeten houden dat die boodschap verdeeldheid brengt. Toen Paulus in Damascus z’n geloofsgetuigenis gaf, ontstond er verwarring – tóen al. De mensen waren toentertijd onthutst en verbijsterd. Zó’n ommekeer: hoe was die mogelijk?
Ook vandaag geldt: de verkondiging van Schriftuurlijke waarheden vanuit de kerk zal niet zonder gevolgen blijven. Want de Hére is aan het werk!
Ook vandaag geldt: het Evangelie brengt scheiding. Geloof en ongeloof komen allebei aan het licht.
Als het goed is, volhardt de kerk in verkondiging. In aankondiging. In vermaning en in waarschuwing.       

2.
De kerk heeft bij dat alles tenminste één zekerheid: er zal een moment komen dat het bestaan van God onomstotelijk bewezen wordt.
Dat is het ogenblik waarop het Goddelijke eindoordeel over de wereld klinken zal.
Wat dit betreft wijs ik u graag op Handelingen 17. Ik citeer: “God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken”[4] .
De kerk is intensief bezig met verkondiging. Met aankondiging. Met  vermaning en waarschuwing.
Uiteraard zijn er veel mensen die geen geloof hechten aan het Woord dat de Here God door mensen heeft laten opschrijven. Natuurlijk zijn er een heleboel mensen die niet geloven wat er in de kerk gezegd wordt.
De kerk heeft als taak om te zeggen: Jezus is door Zijn Vader aangewezen om te Zijner tijd het oordeel over alle mensen uit te spreken. En de oproep moet klinken: sluit u bij Hem aan!
Christus is opgestaan. Dat wonder is indertijd gebeurd, omdat Gods Zoon, om zo te zeggen, benoemd is tot eindbeoordelaar van alle mensen. En het is honderd procent zeker: Zijn oordeel is rechtvaardig.

3.
Ooit schreef de apostel Paulus aan de Corinthiërs: “…gij zoekt nu eenmaal het bewijs, dat Christus in mij spreekt, die te uwen opzichte niet zwak, maar onder u krachtig is. Welnu, Hij is gekruisigd uit zwakheid, maar Hij leeft uit de kracht Gods. Welnu, wij zijn zwak in Hem, maar wij zullen met Hem leven voor u uit de kracht Gods”. In uw Bijbeltje kunt u die zinnen terugvinden in 2 Corinthiërs 13[5].
Paulus wijst in feite óók op de opstanding van Jezus Christus. Hij schrijft immers: Christus is gekruisigd, maar nu leeft Hij weer. Hij wás zwak, maar nu is Hij sterk. Zo gaat dat met alle kinderen van God: hier op aarde zijn het zwakkelingen; maar in de hemel zal blijken dat zij door Goddelijke energie krachtig worden gemaakt.
Persoonlijk weet ik mij door die woorden getroost. Weet u waarom? In evangelisatie en zending voelen wij ons vaak stumpers. Wij stamelen soms maar een beetje. Bij tijd en wijle is het erg moeilijk om een afgerond betoog te houden over ons geloof. Onze overtuigingskracht schiet niet zelden ernstig te kort. Zwakkelingen zijn we. Allemaal! Maar dat wil niet zeggen dat ware gelovigen met een wilde en wanhopige blik door de wereld gaan. Want zij weten het: wij worden sterk in God! Hier op aarde zien wij daar al een klein begin van.
En daarom blijf ik het zeggen: de kerk is druk doende met verkondiging; met aankondiging en met  vermaning en waarschuwing.

4.
Ooit komt het ogenblik dat volstrekt helder zal wezen dat God leeft, en waar Hij woont en werkt.
Kinderen van God krijgen een woning toegewezen in het nieuwe Jeruzalem.
Dan kan niemand er omheen: God bestaat, en Hij is hier. Dan zal Hij alles in allen zijn.
Dat nieuwe Jeruzalem zal de bekoorlijkste stad van heel de kosmos zijn. Want, zo lezen wij in Openbaring 21, “in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam”[6].

5.
De kerk heeft nog veel te doen.
Het Woord moet verkondigd worden.
Christus’ wederkomst moet aangekondigd worden.
Nonchalante gelovigen moeten vermaand worden.
En goddelozen moeten gewaarschuwd worden.
Ook anno Domini 2011.
En ware gelovigen mogen tijdens hun drukke bezigheden bedenken dat het Jezus Christus zélf was die Zijn kinderen in Mattheüs 24 bemoedigde: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn”[7].
Er is, kortom, werk aan de winkel!

Noten:
[1] De gegevens van dat boek zijn: Marc J. de Vries, “God vinden: in gesprek met zoekers”. – Heerenveen: Jongbloed Uitgeversgroep, 2011. – (Artios-reeks). – 128 p.
[2] Marc J. de Vries, “Logica niet toereikend om God te leren kennen zoals Hij is”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 9 november 2011, p. 6.
[3] Handelingen 9:19b-22.
[4] Handelingen 17:30 en 31. De Herziene Statenvertaling heeft op deze plaats: “God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren, en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan”.
[5] 2 Corinthiërs 13:3 en 4.
[6] Openbaring 21:27.
[7] Mattheüs 24:13 en 14.

7 september 2011

Het raadsel van de zondag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

De zondag is voor veel mensen een moeilijke dag.
Een raadselachtig begin van de week, bovendien.
Gereformeerde mensen gaan naar de kerk. En daar gebeurt iets. Maar wat, eigenlijk?

In het Nederlands Dagblad van woensdag 31 augustus schreef classicus en ND-lezer Klaas Wierenga: “Maar wat overkomt een kerkganger nu eigenlijk tijdens een zondagse bijeenkomst? Wat is het heilige dat daar gebeurt? Bestaan er heilige gebeurtenissen die een voorval of een reeks (taal)handelingen tot een mysterie maken of bestaan er andersom (taal)handelingen die een gebeurtenis tot een heilig mysterie maken?” (…). Het heilige – wat dat ook maar precies is – gebeurt dus altijd en overal in het christenleven en is daarom geen middel om zondagse bezigheden te onderscheiden van hun doordeweekse collegae. Ik heb sterk de indruk dat sommige theologen-predikanten een ongezonde nadruk leggen op en betekenis toekennen aan de traditionele zondagse bezigheden in het kerkgebouw en hun eigen activiteiten in dat verband”[1].

De Nederlands Gereformeerde predikant H. de Jong schreef, in reactie op Klaas Wierenga, een paar dagen later in het ND: “Ik zou zeggen: het hele leven speelt zich af voor het aangezicht van God, maar op de zondag stellen wij ons voor Gods aangezicht. Daar zit een opzettelijkheid in die het gewone leven mist. En behalve die opzettelijkheid is er ook de gezamenlijkheid. Natuurlijk kan God ook in het gewone leven en persoonlijk ontmoet worden. Wij bidden in de kerk en wij bidden ook achter de pet. En achter het stuur. Maar het eigene van de zondag is dat we dit samen doen, dat we opgaan naar Gods huis en als gemeente samenkomen. De gemeente, dat wil zeggen de groep mensen die overal vandaan om geen andere reden elkaar opzoekt dan om kerkdienst te houden, is bijeen en daar heeft Christus zelf een belofte aan verbonden: ‘Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden’ (Matteüs 18 : 20). Het verband (vers 17) maakt duidelijk dat het daar om de gemeente gaat en niet om een gezinsbijeenkomst. Dat gemeentelijke samenkomen geeft toch wel een heel bijzonder cachet aan de dag des Heren”[2].

Nóg een dag later – het was inmiddels zaterdag 3 september geworden – schreef ND-hoofdredacteur Peter Bergwerff het volgende.
“In de tijd van de grote Reformatie ontdekten mensen – om zo te zeggen: proefondervindelijk – dat het Woord van God levendmakende kracht heeft. God schiep de wereld door te spreken en hij herschept vandaag mensen door te spreken, zeiden ze.
Daarvoor gebruikt Hij mensen. Niet exclusief mensen op een preekstoel, maar zeker daar. Zo spreekt de Bijbel erover.
Op de schouders van predikanten ligt, als zij hun roeping serieus nemen, een zware last. Vooral omdat voortdurend de verleiding op de loer ligt dat ze hun eigen verhaaltje gaan vertellen. Omdat ze daarmee populariteit kunnen verwerven, of omdat mensen er om vragen.
Predikers moeten God laten spreken. Zij moeten dus hun bril afzetten, hun spitse themakeuze opbergen, en ootmoedig neerknielen voor de sprekende God en Hem vragen of Hij hen mag verwaardigen iets van zijn woorden door te geven. Zó, dat mensen levend de kerk uitgaan”[3].

Het lijkt mij in de gegeven omstandigheden geen luxe om er nog maar eens op te wijzen dat de Here in de kerkdienst aan het werk is.

In zijn boek ‘Marginaal en missionair’ vraagt drs. Wim Dekker aandacht voor datzelfde feit. Op Theoblogie, een weblog over theologie, schreef Karel J. van der Lelij, medewerker van de TU Delft: “De kernboodschap van Dekker in zijn mooie boek voor een krimpende kerk lijkt mij dat de kerk niet groeit en bloeit door wat wij doen, maar door onze verwachting dat God werkt; door afhankelijkheid van wat God bereid is te doen op Zijn geheel eigen wijze. Voor doeners zal dat een moeilijk verteerbare boodschap zijn”[4].

De Here God zorgt er Zelf voor dat Hij wordt geëerd. Daarom is een kerkdienst vooral een eredienst.
De kerkdienst is ook een onderwijsmoment: de Here geeft Zijn volk, om zo te zeggen, les in het volgen van Hem.
De kerkdienst is ook een boodschap aan de wereld: de zorgzame Vader roept zondaars bijeen; en dan kómen zij ook. Sommigen zeggen dat de kerkdienst een service aan de wereld is[5]. Zo’n opmerking suggereert echter een vrijblijvendheid die niet Schriftuurlijk is.
Want waaróm roept Vader Zijn kinderen iedere zondag bij zich? Omdat Hij weet dat Hij met zondaars van doen heeft. Als Hij Zijn uitverkorenen niet in de hand houdt, kunnen zij zomaar rare dingen gaan doen. De zon aanbidden, bijvoorbeeld; zie daarover Ezechiël 8[6]. Trouwens: weet u nog wat Jezus zei bij de roeping van de tollenaar Mattheüs? Laat ik het maar even citeren: “Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars”[7].  Nee, de kerkgang is niet in de eerste plaats een demonstratie; zo van: kijk ês, zo moet dat! In de kerkgang geven wij de boodschap af: als wij dit níet blijven doen, komt er uiteindelijk niets van ons terecht.

Natuurlijk hebben wij de neiging om de kerkdienst wat te relativeren.
Er zitten zondige mensen in de kerk, zeggen we dan. Op de preek is bijna altijd wel wat aan te merken. Het orgelspel is ook niet altijd om over naar huis te schrijven. Enzovoort.
Maar daar zit nu juist het wónderlijke. Al die kleine mensjes worden door de hemelse God benaderd: mensen, kom bij Mij. En het vreemde is: ze doen het nog óók.
Gelovige mensen slapen op zondagmorgen niet uit.
Zij gaan geen rondje fietsen.
Of een goed boek lezen.
Nee, ze gaan naar de kerk! Is dat niet miraculeus?

Graag keer ik nog even terug naar Klaas Wierenga, de man waarmee dit artikel begon.
U moet weten: ik heb het voorrecht om hem persoonlijk te kennen.
En ik weet dat hij een welhaast onbedwingbare neiging tot relativeren heeft. Nuchterheid: dat hoort bij hem.
Het kader van de kerkdienst is vervormd, zegt Klaas. Ik citeer nog even: “Het kader echter waarin deze gewone en alledaagse zaken verbaal worden geplaatst, namelijk God ontmoeten op heilige grond en het Woord toegediend krijgen, dat kader, dat op allerlei manieren aan de man wordt gebracht, dat zorgt er voor dat men niet meer weet wat hem overkomt. Je ontmoet God immers helemaal niet, hij groet je niet, de grond is niet heilig, je ziet zijn zetel niet waarvoor je zegt neer te knielen enzovoort: de terminologie heeft zich totaal en volledig losgezongen van de realiteit”.
Laten we de zaak nog even vanuit het geloof bekijken.
* Je ontmoet God niet… Nee, je ziet Hem niet in een lichaam. Maar Hij laat zich zien in Zijn daden. Hij laat Zich horen in Zijn Woord. En Hij luistert naar de mensen die Hij bijeenbracht. Die psalmen en gezangen vindt Hij prachtig!
* Hij groet je niet… – maar wie dan wel? De dominee? De ouderling? Onzin natuurlijk. De voorganger zegt niet: ‘Môgge, we gaan beginnen’. Welnee. Hij brengt de groet van God over.
*De grond is niet heilig… Nee. Maar de mensen die er zitten, die zijn dat wél. En zij zijn rechtvaardig. Zo staat dat in Openbaring 22. Of Klaas dat nou leuk vindt, of niet[8].
* Je ziet Zijn zetel niet… Nee. Maar Hij is er wel. En wij zijn er ook. Kijk maar in de aanhef van de Openbaring aan Johannes: “Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed – en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen”[9].

In de kerk gebeuren dingen die boven ons denkraam uit gaan.
De Here is daar druk aan het werk met Zijn kinderen.
Hij maakt ons ervoor klaar om in Zijn eeuwig Koninkrijk te wonen.
Dat geloof ik. Van ganser harte.

Noten:
[1] Klaas Wierenga, “De mythe van de zondag”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 31 augustus 2011, p. 11.
[2] (Ds.) Henk de Jong, “Wat er op zondag gebeurt”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 2 september 2011, p. 9.
[3] Peter Bergwerff, “Preken”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 3 september 2011, p. 13.
[4] Zie http://theoblogienet.wordpress.com/ .
[5] Zie http://home.planet.nl/~kaal0111/koinonia/blit.htm .
[6] Zie Ezechiël 8:16-18: “Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof van het huis des HEREN. En zie, aan de ingang van de tempel des HEREN, tussen de voorhal en het altaar, waren ongeveer vijfentwintig mannen, met hun rug naar de tempel des HEREN en met hun gezicht naar het oosten, en zij bogen zich in de richting van het oosten neer voor de zon. Hij zeide tot mij: Hebt gij dat gezien, mensenkind? Was het voor het huis Juda nog niet genoeg om de gruwelen te doen, die zij hier bedrijven, dat zij ook het land met geweld vullen en Mij telkens weer krenken? En zie, zij houden een wijnrank bij hun neus. Daarom zal Ik in grimmigheid met hen handelen. Ik zal niet ontzien en geen deernis hebben. Al roepen zij met luider stem aan mijn oren, toch zal Ik naar hen niet horen”.
[7] Mattheüs 9:13.
[8] Openbaring 22:11: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”.
[9] Openbaring 1:5 en 6.

Blog op WordPress.com.