gereformeerd leven in nederland

25 mei 2018

Jezus zoekt privacy

Vandaag – vrijdag 25 mei 2018 – is de nieuwe privacywetgeving ingegaan. U hebt daar vast wel over gehoord.
Het draait allemaal om de Algemene Verordening Gegevensbescherming.

In een bekende internetencyclopedie lezen we onder meer het volgende.
“De Europese privacyverordening Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ofwel General Data Protection Regulation (GDPR) is een Europese verordening (dus met rechtstreekse werking) die gaat over de ‘bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens van Europese staatsburgers en betreffende het vrije verkeer van die gegevens’. Deze nieuwe verordening geldt wereldwijd voor alle ondernemingen en organisaties die persoonsgegevens bijhouden en verwerken van Europese staatsburgers, onafhankelijk of er al dan niet betaald wordt voor diensten of producten”.

En wat betekent dat in de praktijk?
“De volgende regels moeten worden gevolgd:
* transparantie: de persoon van wie de gegevens verwerkt worden, is hiervan op de hoogte, heeft hiervoor toestemming gegeven en kent zijn rechten.
* doelbeperking: de persoonsgegevens worden voor een welbepaald gewettigd doel verzameld, en mogen niet voor andere zaken gebruikt worden
* gegevensbeperking: enkel de noodzakelijke gegevens die voor het beoogde doel noodzakelijk zijn, mogen worden verzameld
* juistheid: de persoonsgegevens moeten correct zijn en blijven
* bewaarbeperking: de persoonsgegevens mogen niet langer bewaard worden dan nodig voor het beoogde doel
* integriteit en vertrouwelijkheid: de persoonsgegevens moeten beschermd worden tegen toegang door onbevoegden, verlies of vernietiging
* verantwoording: de verantwoordelijke moet kunnen aantonen aan deze regels te voldoen”[1].

Het geeft in bedrijven en allerlei andere instanties – kerken bijvoorbeeld – een hele heisa om aan die regels te voldoen.
Je zou denken: men had het in de Bijbelse tijd toch heel wat makkelijker met die privacy.

Bij de overpeinzing van dit thema kwam ik onder meer bij Johannes 8.
Ik bedoel deze woorden: “Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar ​Jezus​ verborg Zich en ging de ​tempel​ uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg”[2].
Jezus verbergt Zich.
Hij zoekt privacy, zogezegd.

Wat gebeurt er in Johannes 8?
Het gaat wat ver om in dit artikel de gebeurtenissen in dat hoofdstuk tot in detail uit de doeken te doen.
Maar een paar lijnen kunnen wel worden getrokken.

Jezus voert een druk gesprek met de kerkleiders. Eigenlijk willen zij Hem graag klemzetten. Want Jezus krijgt veel te veel invloed bij het volk!

Jezus zegt: ‘Ik ben het licht der wereld’.
De kerkleiders vragen: hoezo?
Jezus antwoordt onder meer: “…er staat (…) in uw wet geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is. Ik ben het Die van Mijzelf getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij”[3].
Het getuigenis van Jezus is dus waar!

Jezus kondigt aan dat Hij, als Hij Zijn aardse taak voltooid heeft, terug zal gaan naar de hemel.
De kerkleiders vragen: wat bedoelt u eigenlijk? En: wat doet u nu eigenlijk?
Jezus zegt: Ik breng de boodschap van Hem die Mij gestuurd heeft.
De kerkleiders snappen er maar weinig van…

Jezus zegt: de waarheid die Ik verkondig zal u echt vrij maken.
De kerkleiders raken ontstemd.
Zij stammen notabene van Abraham af! En nee, slaaf zijn zij nooit geweest. Hoe komt Jezus erbij om dat zo te zeggen?
Jezus zegt: ‘U probeert mij te doden omdat u Mijn Woord niet gelooft’.

Jezus gaat verder.
‘U luistert niet naar Mij. En waarom niet? Omdat de duivel uw vader is. Als u kinderen van God bent, luistert u naar Hem. Als u niet naar Hem luistert, bent u gefocust op datgene wat de duivel zegt. Daar zit geen grijs gebied tussen’.
Dat is een punt om ook vandaag helder voor ogen te hebben: wie God negeert, staat aan de kant van de duivel; neutraal terrein is er niet!

Jezus zegt: ieder die leeft naar Gods Woord, zal nooit sterven.
De deftige kerkleiders worden nog bozer.
Abraham is gestorven. En de profeten ook. Waarom zegt Jezus dan dat Godsdienstige mensen blijven leven? Dat kan toch niet waar zijn?
Dat Jezus over het leven in de hemel spreekt, komt niet in de leiders op.

Jezus laat nogmaals blijken: het is God de Vader die Mij stuurt.
‘Abraham heeft Mijn dag gezien’, zegt Jezus. Dat betekent onder meer: Abraham heeft in geloof naar de toekomst gekeken en hij heeft begrepen dat alle volken van de aarde in en door Christus gezegend worden.
De kerkleiders leggen de woorden van Jezus heel aards uit. Kijkt u maar mee: “De ​Joden​ dan zeiden tegen Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U ​Abraham​ gezien? Jezus​ zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór ​Abraham​ geboren was, ben Ik”[4].
Jezus Christus was er altijd al. Meer nog: Hij stond en staat boven de tijd; Hij is erboven verhéven.

Dat is voor de gezaghebbende kerkleiders het toppunt. Zij hebben net gezegd: wij stammen van Abraham af. Maar Jezus zegt: ik was er al ver vóór Abraham.
Jezus bedoelt: Ik ben van eeuwigheid. Oftewel: ‘Ik wás er altijd, Ik bén er altijd en zal er altijd wezen! Aan Mijn bestaan is geen begin. En er komt nooit een einde aan’.

En dan dringt het tot de kerkleiders door: Jezus vereenzelvigt Zich met God.
Dat is, in de ogen der klerikale leiders althans, pure Godslastering. Die leiders kennen de Oudtestamentische wetboeken goed. En ja, zij kennen de regel van Leviticus 24 heel precies: “Wie de Naam van de HEERE lastert, moet zeker ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker ​stenigen. Zowel de ​vreemdeling​ als de ingezetene moet zeker gedood worden als hij de Naam gelasterd heeft”[5].
Welnu, daar zullen de leiders met een verbijsterende onmiddellijkheid werk van gaan maken!
Denken zij.

Maar zo gaat het niet.
“Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar ​Jezus​ verborg Zich en ging de ​tempel​ uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg”.
Jezus verbergt Zich.
Hoe kan dat?
Je zou zeggen: na zo’n twistgesprek komt Jezus niet ongezien weg. De toornige kerkleiders houden Hem nauwlettend in de gaten. Jezus kan, om het zo maar uit te drukken, vanaf nu geen voet meer verzetten en geen woord meer uitbrengen. Zou je denken. Niet dan? Dat is, gezien de stand van zaken, toch volstrekt logisch?
Het is klaar!
Afgelopen!
Einde!
Maar nee. De werkelijkheid is anders. Heel anders. En waarom? Omdat Jezus Christus, onze Heiland, de historie bepaalt.
Nee, de kerkleiders van Johannes 8 zetten de lijnen niet uit.
En nee, de beleidsmakers op het kerkplein van 2018 zijn niet de belangrijkste mensen in de kerk. Zeker niet! Jezus Christus heeft de leiding in handen. En Hij heeft bepaald dat het in Johannes 8 nog niet de tijd is om als een arrestant afgevoerd te worden, en lijdzaam het oordeel der rechters af te wachten.

Het is daarom dat Jezus Zich verbergt.
Het is daarom dat Jezus privacy zoekt.

Nu ga ik terug naar de situatie van de gegevensbescherming van 2018.

De wetgeving wordt strenger.
En dat is wel te begrijpen. In de huidige digitale wereld liggen heel veel gegevens zomaar op straat.
Maar hoe zal het met de handhaving gaan?
Waar moet de kerk precies aan voldoen, als het over het beheer van persoonsgegevens gaat? Blijft het allemaal werkbaar?
Kan de kerk het werk dat de Here van haar vraagt nog blijven doen, ook als het over zaken van opzicht en tucht gaat?
Het lijkt erop dat enige waakzaamheid wel geboden is.

En toch is er geen reden om ons grote zorgen te maken.
Waarom niet? Antwoord: omdat Jezus Christus, onze Heiland, de historie bepaalt.
Natuurlijk is dat geen vrijbrief om met allerlei kerkelijke gegevens nonchalant om te springen.
Het punt dat ik wil maken is dit: het werk van de kerk kan altijd doorgaan, omdat het Hoofd van de kerk – Jezus Christus – Zijn kinderen naar Zijn toekomst leidt.
Zijn macht gaat boven de wetgevers van deze wereld uit. Als er in Johannes 8 één ding duidelijk wordt, dan is het dat wel.

De uitvoering van de nieuwe privacywetgeving kost veel, heel veel hoofdbrekens.
Maar de macht van onze Heiland is onbreekbaar.
Laten wij Hem volgen. In het openbaar. En in onze privéomstandigheden.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Algemene_verordening_gegevensbescherming ; geraadpleegd op donderdag 24 mei 2018.
[2] Johannes 8:59.
[3] Johannes 8:17 en 18.
[4] Johannes 8:57 en 58.
[5] Leviticus 24:16.

27 april 2018

Koningsdag in Openbaring 15

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God; ​rechtvaardig​ en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de ​heiligen”.

Dat zijn de woorden van een lied. Ze staan in het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring van Johannes. In hoofdstuk 15, om precies te zijn[1].

Het is een loflied op God.
Voor zo’n loflied is trouwens altijd alle reden. God doet in alle tijden geweldige dingen. Dingen waarvan u en ik ons afvragen: hoe kan dat toch? Hoe weet Hij toch zo precies wat er nodig is, wanneer en voor wie? Zijn macht is verbijsterend groot, en Zijn genade ook!

Wat gebeurt er in de Openbaring van Johannes?
Dat boek geeft een indruk van de gebeurtenissen die plaatsvinden als het einde van de huidige wereld in zicht is.
De hemelse God geeft steeds vanuit een andere hoek zicht op de zaken. En het is duidelijk: makkelijk wordt het allemaal niet.
En je vraagt je af: kun je dit wel overleven? Als de toorn en de straf van God losbarsten… – nou, bérg je dan maar! Hoe moet dat toch?

Voor iedereen die zich dat afvraagt is er Openbaring 15.

Johannes ziet een teken. Niet maar een klein, vrijwel onzichtbaar seintje. Nee, het is groots en wonderlijk. Engelen die ‘zeven plagen’ hebben. De toorn van God bereikt een hoogtepunt!
Er is een grote zee te zien. Die zee bestaat niet uit water. Het lijkt wel glas met vuurvlammen!
De mensen die door God gered zijn staan bij die glazen zee. Dat zijn de mensen die, om het maar zo te zeggen, op naam staan van God. Hij heeft hen gekocht.
Er is ook een grote muziekgroep. Een groep van citerspelers. Die zorgen voor de begeleiding van alle mensen die bij die ‘glazen zee’. Zij zingen dus uit volle borst dat lied: “Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God; ​rechtvaardig​ en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de ​heiligen”.
Een prachtig koor is het!

Dat lied heeft twee titels:
* lied van Mozes, de dienstknecht van God
* het lied van het Lam.

Waarom heeft dat lied twee titels? Zou één niet genoeg geweest zijn?
Een uitlegger schrijft: “Het lied dat Johannes deze overwinnaars hoort zingen typeert hij met een dubbele uitdrukking (…). Het eerste deel van deze liednaam wil aangeven dat het lied van Mozes, gezongen na de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee (Exodus 15) het voorbeeld is voor dit loflied. (…) Het tweede deel van deze liednaam wil aangeven dat deze overwinnaars op het beest te danken hebben aan het reddende werk van het Lam”[2].

Als wij dit alles tot ons door laten dringen zouden wij kunnen denken: hierboven staat een mooi verhaal, maar begint Openbaring 15 niet met de mededeling dat dit een teken is? En bovendien: dit gaat over de toekomst. Wat hebben wij er nu aan?

Graag wijs ik er nogmaals op dat Openbaring 15 een intermezzo is. Een tussenstuk, zogezegd.
Voordat het laatste oordeel gegeven wordt, blijkt dat door God geredde mensen apart worden gezet. De aandacht van die mensen wordt geconcentreerd op de Koning van de heiligen. Op de Almachtige, dus.

Voor dat woord Almachtige staat in het Grieks Pantokrator. Dat betekent: “hij die alle kracht of macht heeft, de allesbeheerser of almachtige”[3].
Dat woord Pantokrator krijgt vandaag, op Koningsdag 2018, een bijzondere kleur.

De Almachtige God van Openbaring 15 is oneindig veel krachtiger en machtiger dan de Nederlandse koning Willem Alexander. De Pantokrator is de Schepper en de Onderhouder van heel de schepping. Dat gaat dus heel wat verder dan de vierkante kilometers van Nederland.

Over dat woord Pantokrator is nog wel wat meer te melden.
In het Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk stond er een paar jaar geleden het volgende over.
“Veel Oosters-orthodoxe kerken en kerkjes hebben een koepel waarin op de binnenkant een afbeelding is aangebracht van ‘Christus Pantokrator’. Vanaf dat hoge punt in de kerk blikt Christus als ‘Al-regeerder’ neer op de kerkelijke rituelen en kerkgangers. Dat is een van de manieren waarop binnen die traditie Christus’ Koningschap over Zijn Kerk tot uitdrukking wordt gebracht.
Zo’n afbeelding van Christus als ‘Regeerder over alles’ had oorspronkelijk echter ook nog een andere lading. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de oudste afbeeldingen van de ‘Pantokrator’. Die zijn te vinden op munten van het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk uit de zesde eeuw, geslagen tijdens de regering van keizer Justinianus (527-565). Door daar niet zijn eigen portret op af te beelden – zoals veel heidense keizers hadden gedaan en hijzelf overigens ook wel deed – , maar ‘Christus Pantokrator’, erkende de keizer dat hij uiteindelijk slechts dienaar van Christus was en heerste bij de gratie Gods, hoe machtig hij ook mocht zijn.
Dat lijkt op de aanhef van onze wetten. Die beginnen met ‘Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods …’. Maar is dat echt een erkenning van Gods soevereiniteit? De inhoud van sommige wetten doen eerder het tegenovergestelde vermoeden”[4].

Openbaring 15 houdt ons bij de les.
De God van hemel en aarde is de Pantokrator: de meest genadige Heerser aller tijden.
Als we ’t zo bekijken is het in Openbaring 15 óók Koningsdag.

Noten:
[1] Johannes 15:3.
[2] Citaat uit: dr. H.R. van de Kamp, “Openbaring – Profetie vanaf Patmos”. – Kampen: Kok, © 2000. – p. 354.
[3] Geciteerd uit online versie van de Studiebijbel, bij Openbaring 15:3.
[4] Geciteerd uit: dr. R. Bisschop, “Theocratie”. In: Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk, donderdag 29 mei 2014, p. 8.

26 april 2018

De Eerste en de Laatste

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde”. Het zijn bekende woorden uit Openbaring 21[1].

Woorden van gelijke strekking komen wel vaker in de Bijbel voor.
Bijvoorbeeld in Jesaja 41: “Wie heeft dit bewerkt en gedaan? Hij Die de generaties riep vanaf het begin! Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en bij de laatsten ben Ik Dezelfde”[2].
Die woorden uit Openbaring 21 zijn, om zo te zeggen, niet origineel.

Jesaja was een profeet in Israël. Hij leefde en werkte in de achtste eeuw voor Christus. Hij werd zo rond 740 voor Christus tot zijn ambt geroepen[3].

In Jesaja 41 roept de Here, bij monde van Zijn woordvoerder Jesaja, de volken op om eens indringend gesprek met Hem te voeren. Een twistgesprek, eigenlijk. Een fel debat.

De Here wijst op Kores. Dat is de Bijbelse naam voor koning Cyrus II de Grote. Hij is de stichter van het Perzische Rijk[4]. Hij verovert Medië, Lydië, Babylon…: dat zijn, als ik het goed weet, gebieden in het huidige Azië.
Op de zogenaamde Cyruscilinder, een cilinder van klei maakt koning Kores/Cyrus II reclame voor zichzelf: “Ik ben Cyrus, koning van de wereld, de grote koning, de machtige koning, de koning van Babylon, de koning van de vier werelduiteinden. […] Van Babylon tot Aëëur en Sousa, van Akkad, Eënunna, Zamban, Me Turnu en Der tot aan gebied van het land Gutium, heilige steden aan de overzijde van de Tigris, die daar van oudsher opgegeven waren – de goden die er wonen deed ik naar hun plaats terugkeren en een eeuwige woonplaats vestigde ik voor hen”[5]. En zo gaat dat nog wat verder.
Dat klinkt allemaal heel stoer.
Sterk.
Dominant.
Maar waar heeft die koning Kores zijn kracht eigenlijk vandaan? Hoe komt het dat hij zoveel overwinningen boekt? Niemand kan hem aanpakken. Hij gaat Zijn gang en lijdt weinig schade. Hoe kan dat toch?

Het antwoord op die vraag is is hierboven al geciteerd.
Het is de Here die Kores zoveel macht geeft.
Hij roept de generaties.
In welke tijd je ook leeft, altijd heb je met God te maken. Hij was er bij het eerste begin, toen Adam werd geschapen. Hij zal er nog zijn als de laatste minuut van deze wereld is aangebroken. Dat is het moment dat de God van hemel en aarde de wereld totaal vernieuwt. Het wordt een nieuwe wereld waarop alleen maar gerechtigheid woont.

Jesaja 41 draait de profeet er niet omheen: in feite werden de volken bang voor de macht van de Here. Ze bibberden van vrees. Ze kwamen maar heel langzaam dichterbij bij God. Ze durfden amper te lopen. Met trillende stemmen zeiden ze tegen elkaar: hou vol[6]!

Dit alles ziet er weinig hoopgevend uit. Waar gaat het heen met de wereld als de machtige God Zijn toorn de vrije loop laat? Dan valt iedereen om. Dan is het einde nabij!

Maar in Jesaja 41 staat meer.
De kerk hoeft namelijk niet bang te zijn. Want wat zegt de Here?
“Maar u, Israël, Mijn dienaar, u, ​Jakob, die Ik heb ​verkozen, het nageslacht van ​Abraham, die Mij liefhad, u, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde, geroepen uit haar uithoeken, en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar, Ik heb u ​verkozen, Ik heb u niet verworpen. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die ​gerechtigheid​ werkt”[7].

In Jesaja 41 wordt gezegd: “Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en bij de laatsten ben Ik Dezelfde”.
Daar zit dreiging in die woorden. Mensen die zichzelf willen redden komen bedrogen uit. Het bestaan van mensen die zonder God leven wordt uiteindelijk niet veel meer dan een puinhoop.
Maar er zit ook troost in die zin. De Here brengt alle gelovigen uiteindelijk bij elkaar. Hij grijpt ze vast, waar zij ook wonen en werken. Of het nu in Groningen is, of in Heerlen, in Canada of Suriname. Hij zegt:
* u heb ik niet afgewezen
* u heb ik niet afgekeurd
* u heb ik niet afgedankt.
Gods volk kan altijd en overal op Zijn bijstand rekenen!

Dat geldt in alle tijden.
Ook in 2018.

Vandaag staan de woorden in de Bijbel.
Ook in onze tijd staan de goddelozen en de mensen die met God leven tegen over elkaar.
En kinderen van God mogen het tegen elkaar zeggen: laten we ons maar groeperen rond het Woord van onze God!
Dat is, om het zo maar uit te drukken, een oproep die voortdurend door de wereld galmt.

Zijn kinderen van God vandaag de dag dan nooit bang?
Zeker wel.
Misschien denken zij wel terug aan moeilijke periodes in hun verleden. Misschien denken zij achteraf: had ik maar dit of dat gedaan. Of: had ik indertijd maar duidelijker gezegd dat dit of dat had moeten gebeuren.
U kent dergelijke situaties vast wel. Dergelijke vragen zijn er bij ouderen. Maar heel vaak óók bij jongeren. Want de wereld is hard. Daar word je zomaar afgepoeierd.
Kinderen van God mogen het echter tegen elkaar zeggen: de Here is erbij!
Gelovigen mogen het tegen elkaar zeggen: de machtigste Man van heel de kosmos neemt ons in bescherming!
Zij mogen elkaar geruststellen: ons kan niets gebeuren!

Onze God was er.
Hij is er nog steeds.
Hij zal er altijd zijn.
Koning Kores – oftewel Cyrus II de Grote – is inmiddels reeds lang overleden. Zijn macht is gebroken.
Maar de troostvolle autoriteit van de God van hemel en aarde blijft altijd bestaan.
Dat geeft rust in een wereld die soms dol lijkt te draaien.

Noten:
[1] Openbaring 21:6.
[2] Jesaja 41:4.
[3] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/J/Jesaja ; geraadpleegd op woensdag 18 april 2018.
[4] Zie over hem http://christipedia.nl/Artikelen/C/Cyrus_II_de_Grote ; geraadpleegd op woensdag 18 april 2018.
[5] Geciteerd van https://historiek.net/cyrus-de-grote-stichter-perzische-rijk/2817/ ; geraadpleegd op woensdag 18 april 2018.
[6] Het staat in Jesaja 41:5 en 6 zo: “De kustlanden zagen het en werden bevreesd, de einden der aarde beefden; ze kwamen naderbij en traden toe. De een hielp de ander, tegen zijn broeder zei hij: Wees sterk!”.
[7] Jesaja 41:8, 9 en 10.

20 april 2018

De duivelse macht wordt gebroken

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

We spreken niet graag over de duivel. Want Gods tegenstander woont in een duistere wereld. Dat is een omgeving waar wij onder geen beding deel van willen zijn.
En ja, het is volkomen duidelijk dat wij ons voor duivelse machten moeten hoeden.
Maar daarbij mogen wij nooit vergeten dat de God van hemel en aarde veel machtiger is dan alle satanische krachten bij elkaar!

Daarom vraag ik vandaag graag aandacht voor woorden uit Openbaring 20. Ik bedoel deze woorden: “En de ​duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse ​profeet​ reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid”[1].

Waar gaat het in Openbaring 20 over?
De duivel ontplooit zijn macht. Hij verzamelt zijn legers om op te trekken tegen het koninkrijk van God.
Maar wat gebeurt er met de duivel? Hij wordt in een poel van vuur en zwavel gegooid.
Dat is nou wat je noemt een roemloos einde!
De macht van de duivel blijkt in Openbaring 20 niets meer voor te stellen. Uiteindelijk loopt het voor de duivel en zijn criminele medewerkers op niets uit.

Over de geesten van de demonen lezen wij in Openbaring 16. Als volgt: “En ik zag uit de bek van de ​draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse ​profeet​ drie onreine geesten komen, als kikvorsen. Dit zijn namelijk de geesten van de demonen, die tekenen doen en die uitgaan naar de koningen van de aarde en van de hele wereld, om hen te verzamelen voor de ​oorlog​ van de grote dag van de almachtige God”[2].
Die demonen geven in Openbaring 16 dus het teken dat er gevochten moet worden.
Het tijdstip van de beslissende eindstrijd is aangebroken.

Dat blijkt echter een verloren strijd.
Leest u maar mee in Openbaring 19: “En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers bijeenverzameld om ​oorlog​ te voeren tegen Hem Die op het paard zat, en tegen Zijn ​leger. En het beest werd gegrepen, en met hem de valse ​profeet, die in zijn tegenwoordigheid de tekenen gedaan had, waardoor hij hen misleid had die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbeden hadden. Deze twee werden levend geworpen in de poel van vuur, die van zwavel brandt. En de overigen werden gedood met het ​zwaard​ van Hem Die op het paard zat, namelijk het ​zwaard dat uit Zijn mond kwam. En alle vogels werden verzadigd met hun vlees”[3].

De God van hemel en aarde is, om het zo maar te zeggen, briljant en kolossaal.
Hij walst over de duivel heen. Van die duivel, en van zijn prestigieuze strijdmachten blijft vervolgens helemaal niets over.

En ja, dat gaat heel ver: de vogels eten de restjes op…

Dat is dan het roemloze einde van Gods tegenstander.
Vanaf het begin van de schepping misleidt de duivel zoveel mogelijk mensen.
In Openbaring 12 wordt hij op de aarde geworpen[4]. Daar zaait hij dood en verderf.
In Openbaring 20 wordt de duivel echter gearresteerd en geboeid. De satan wordt letterlijk aan de ketting gelegd.
Uiteindelijk komt hij dus in de hel terecht[5].

Die gang van zaken is al sinds lange tijd gepland.
In Mattheüs 25 spreekt Jezus over “het eeuwige vuur, dat voor de ​duivel​ en zijn ​engelen​ bestemd is”[6].

Het is, als u het mij vraagt, van belang om het bovenstaande goed tot ons door te laten dringen.
Er zijn, ook in Nederland, heel wat mensen die heel rechtstreeks met de macht van de duivel te maken hebben. Zulke mensen hebben een trauma te dragen. Zij dragen schade uit heden en verleden mee. En je hóórt die mensen vragen: komt er nooit een einde aan deze ellende?
Laten wij ons niet vergissen.
Van buitenaf lijkt het met zulke mensen heel goed te gaan. Maar van binnen voeren zij een hevige strijd.
Voor al die mensen, en voor allen die het lezen willen, noteer ik hier: aan de macht van de duivel komt een definitief einde.
Laten wij dus maar uit de buurt van de duivel blijven. Laten wij ons maar maar de God van hemel en aarde toe keren. Laten wij Hem maar vereren, in al ons werk.
Uiteindelijk zal Hij ons dan een glorieuze plaats in de hemel geven. Een plaats die niemand kapot kan maken!
Is dat niet een rustgevende wetenschap?

Noten:
[1] Openbaring 20:10.
[2] Openbaring 16:13 en 14.
[3] Openbaring 19:19 en 20.
[4] Openbaring 12:9: “En de grote ​draak​ werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die ​duivel​ en ​satan​ genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn ​engelen​ werden met hem neergeworpen”.
[5] Zie hierover onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1736.pdf , pagina’s 279 en 280. Geraadpleegd op donderdag 12 april 2018.
[6] Mattheüs 25:41.

28 maart 2018

Aardse superioriteit versus prachtig reddingsfeit

We leven naar Pasen toe.
Het is dus de tijd waarin we ons realiseren dat we onszelf niet kunnen redden.

Dat besef rijpt in een tijd waarin velen hun kracht willen tonen.
Denkt u maar aan de Russische president Poetin. Onlangs werd hij voor een periode van zes jaar herkozen.

In een internetencyclopedie staat te lezen: “Poetin heeft, als onbetwiste machthebber, zichzelf stevig verrijkt. Door lucratieve banen en contracten aan zijn medestanders te geven die hem vervolgens ook de bal toespelen is Poetin een van de rijkste Russen aller tijden geworden met een geschat vermogen van 70 miljard dollar. Door Poetins zelfverrijking, het tot zwijgen brengen van tegenstanders die zijn machtspositie betwisten of in gevaar zouden kunnen brengen, de onderdrukking van pers en media en het beïnvloeden van de rechtspraak zodat rechters de ‘juiste uitspraken’ doen, en recentelijk zelfs de opkomst van persoonsverheerlijking, voldoet Poetin steeds meer aan het beeld van een frauduleus democratisch gekozen dictator”[1].

Maar er is meer.
De Russische volksaard, namelijk.
De bekende journalist Aad Kamsteeg schreef: “In voorbeschouwingen op de stembus is de indruk gewekt dat Putin de bevolking manipuleert en tegen het Westen opzet. Hij zou een buitenlandse vijand nodig hebben om de Russen achter zich te houden. Dat ‘misdadige’ element zit er zeker in. Maar het ‘heilige’ is er ook. Putins optreden sluit namelijk aan bij de eeuwenlang diep in de Russische ziel gewortelde overtuiging dat Rusland moreel en religieus superieur is aan het Westen.
Om misverstanden te voorkomen, Putin manifesteert zich als een wrede tiran. Je hart breekt bij het zien van de gruwelen die hij in het Syrische Ghouta aanricht. Hij snoert oppositie de mond en flirt ondertussen met de Russisch-Orthodoxe Kerk. Hij laat de suggestie toe dat niet bolsjewieken, maar Joden Nicolaas II en diens tsarenfamilie in 1918 hebben vermoord.
Als nationalist voelt hij zich verheven boven andere volken. Maar zeker met dat laatste sluit hij wel aan bij de Russische volksaard.
(…) Voor veel kiezers bracht Putin wel hun eigen Rusland terug”[2].

Superioriteit: dat wordt er bij de Russen ingepompt.
Het oosten staat boven het westen.
Vriendschap tussen oost en west is niet aan de orde.
Poetin bezet de Krim, ontketent een oorlog in Oekraïne en grijpt in in Syrië.
Kortom: het beeld van Poetin als machthebber wordt ons vandaag de dag in felle, onuitwisbare lijnen getekend.

Bijna schril staat daar het beeld tegenover dat Jesaja 50 oproept. Daar wordt geprofeteerd over de gave van de “eniggeboren Zoon van God, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”[3].

Uit Jesaja 50 citeer ik twee verzen:
“Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan,
Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken.
Mijn gezicht verberg Ik niet
voor smaad en speeksel.
Want de Heere HEERE helpt Mij.
Daarom word Ik niet te schande.
Daarom heb Ik Mijn gezicht gemaakt als hard gesteente,
want Ik weet dat Ik niet beschaamd zal worden”[4].

De profetie in Jesaja 50 tilt ons naar Mattheüs 26: “Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten”[5]. En naar het daaropvolgende hoofdstuk: “En toen zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een scharlakenrode ​mantel​ om, vlochten een ​kroon​ van dorens, zetten die op Zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in Zijn rechterhand. Zij vielen op hun knieën voor Hem neer en bespotten Hem met de woorden: Gegroet, ​Koning​ van de ​Joden! Ook bespuwden zij Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op Zijn hoofd”[6].

Het gezicht van de Heiland vertrekt er niet van.
Hij laat het over Zich heen komen.
Want Hij weet: dit lijden moet ik geheel volbrengen, om Mijn volk uit te leiden uit het diensthuis van de satan.
Hij ziet er weerloos uit. Net als een schaap dat het werk van een schaapscheerder maar ondergaat[7].

Niet alleen Jesaja heeft geprofeteerd over dat gezicht als hard gesteente.
Ezechiël zegt in hoofdstuk 3: “Maar het ​huis​ van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het ​huis​ van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers. Zie, Ik zal uw gezicht even hard maken als hun gezicht, en uw voorhoofd even hard als hun voorhoofd. Uw voorhoofd zal Ik maken als diamant, harder dan steen. Wees niet bevreesd voor hen en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een ​opstandig​ ​huis!”[8].

Macht, tegenstand en opstand: het komt in alle tijden voor. Men ziet het overal in de wereld gebeuren.
Ja – zelfs in de kerk!

Vandaag moet je voor jezelf opkomen. Anders word je, zo vrezen velen, in een hoek gedrukt. U en ik moeten niet al te schaapachtig doen. Voordat je ’t weet zit je in de hoek waar de klappen vallen, terwijl je van de prins geen kwaad weet.
Je moet ervoor zorgen dat je in onze tijd wat te vertéllen hebt. De baas zijn – ja, dat voelt goed.
Iets dergelijks lijkt soms in het kerkelijk leven te gelden: wie op het kerkplein een nietszeggend figuur is, heeft relatief weinig vrienden.
Men zegt wel: als het in de wereld regent, druppelt het in de kerk.

Welnu – in de kerk leggen we, zeker in deze tijd, alle superioriteit af.
Alle neigingen tot autoriteit, machtswellust en overwicht worden de kop ingedrukt.

Laten we, zo vlak voor Pasen, de Dordtse Leerregels nog maar eens repeteren.
Ik citeer:
“God is niet alleen volkomen barmhartig, maar ook volkomen rechtvaardig. Nu eist zijn gerechtigheid – zo heeft Hij Zich in zijn Woord geopenbaard – dat onze zonden, tegen zijn oneindige majesteit bedreven, in tijd en eeuwigheid naar ziel en lichaam worden gestraft. Aan deze straffen kunnen wij alleen ontkomen, als aan Gods gerechtigheid wordt voldaan.
Maar omdat wij zelf niet in staat zijn die voldoening te geven en ons van Gods toorn te bevrijden, heeft God uit onmetelijke barmhartigheid ons zijn eniggeboren Zoon als Borg gegeven. Deze is voor ons en in onze plaats aan het kruis tot zonde gemaakt en een vloek geworden om voor ons te voldoen.
De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen”[9].

Zegt u nu zelf: dat gaat toch ver, heel ver, boven president Poetin uit?

Ootmoed – dat is in de kerk een deugd!

Laten wij, kerkmensen van 2018, maar goed beseffen waar de grootste macht zit. En laten wij daarbij maar onderkennen dat die hemelse macht gepaard gaat met fenomenale genade!

Noten:
[1] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Vladimir_Poetin ; geraadpleegd op maandag 19 maart 2018.
[2] “Moeder Rusland”. Column van Aad Kamsteeg. In: Nederlands Dagblad, maandag 19 maart 2018, p. 13.
[3] Johannes 3:16.
[4] Jesaja 50:6 en 7.
[5] Mattheüs 26:67.
[6] Mattheüs 27:28, 29 en 30.
[7] Zie Jesaja 53:7.
[8] Ezechiël 3:7, 8 en 9.
[9] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikelen 1, 2 en 3.

22 maart 2018

Overpeinzingen bij Psalm 139

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder ​geweven.
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
en geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw ​boek​ beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond”.

Dat zijn woorden uit Psalm 139[1][2].

In het bovenstaande citaat gaat het over:
* Gods creatie
* onze laudatie
* hemelse registratie

Het gaat over Gods creatie: over Zijn schepping dus.

Het woord ‘laudatie’ betekent lofprijzing. In de academische wereld is het woord ‘laudatio’ bekend: de lof die een promovendus krijgt als zijn promotie achter de rug is. Het woord ‘laudatie’ gebruiken we niet vaak. Maar het is wel een Nederlands woord.

Al onze dagen zijn opgeschreven. Er is dus sprake van registratie in de hemel.

God kunnen we niet negeren, zegt David. Waar we ook zijn, altijd is Hij present. Reeds vanaf den beginne.
David leert ons dat we onze Schepper moeten eerbiedigen. Wij moeten Hem eren.
Maar David leert ons ook dat alle dagen van de wereld door de Here opgeschreven zijn. Hij weet precies wat er gebeurt, en wanneer!

Het Reformatorisch Dagblad schreef onlangs: “In zes dagen schiep God hemel en aarde in al zijn pracht. Die wonderschone schepping staat echter onder druk. Steeds vaker door toedoen van de mens. Zo trekken vervuiling, uitputting en de opwarming van de aarde diepe sporen op onze planeet”.
De boodschap die het RD wil geven is: “de mens dient de aarde als rentmeester op een verantwoorde, duurzame manier te bewaren”[3].

De hoofdredactie van voornoemd dagblad wees op woorden van Johannes Calvijn. Als volgt: “God heeft hem de aarde toevertrouwd ‘onder voorwaarde dat we tevreden zijn met een zuinig en matig gebruik ervan, we moeten ervoor zorgen dat er wat overblijft. Laat hij die beschikt over een akker, de jaarlijkse opbrengst daarvan zodanig gebruiken dat de grond geen schade lijdt door zijn verwaarlozing; maar laat hij zich inspannen om het te overhandigen aan zijn nageslacht zoals hij het ontvangen heeft, of zelfs beter’”[4].

Dit alles werpt, als u het mij vraagt, ander licht op Psalm 139.
Velen voelen bij het lezen van Psalm 139 ontroering opkomen. Wat zijn wij mooi gemaakt! Wat zijn wij toch kostbare schepselen!
En ja, dat laatste is ontegenzeglijk waar.
Maar in Psalm 139 gaat het niet in de eerste plaats over ons.
Alles draait om Gods macht.
Om Zijn scheppingsmacht.
Om de lof die Hij in onze monden legt.
Vanwege de leiding die Hij dagelijks heeft.

K. Schilder schreef eens: “…wanneer Genesis 1-3 een cultuuropdracht als Gods gebod voorstelt, dan gelooft een gereformeerde, dat dit een historische mededeeling is, bekleed met historische autoriteit. Dat derhalve een objectief gesproken Woord van God den wereldloop van den aanvang af heeft willen sturen en leiden ook door dit expresse bevel tot cultuur”[5].

In alle keuzes die wij maken, hebben wij te maken met Gods wijze leiding.
Bij alle dingen die wij doen, mogen wij bedenken dat God de wereld stuurt en ons tot activiteit stimuleert.

In dat kader moeten wij, anno Domini 2018, kijken naar de zorg voor onszelf en voor elkaar.

Een redacteur van het Nederlands Dagblad schreef onlangs met licht sarcasme: “We wisten dat het eraan zat te komen. De naoorlogse generatie heeft de leeftijd bereikt waarop de zorgvraag toeneemt. De afgelopen jaren stonden merkwaardig genoeg in het teken van de ‘herstructurering’ van de zorg – lees: bezuinigingen, reorganisaties. Er vlogen mensen uit, streekziekenhuizen werden opgedoekt, alles uit naam van Doelmatigheid.
En nu luidt het UWV de noodklok, ook daar kon je de klok op gelijkzetten. Komend jaar zijn er honderd- tot honderddertigduizend vacatures in de zorg te vervullen. Niemand weet hoe”.
En verder: “… dit los je dit niet op met regels, geld of scholing. Je gaat in de zorg werken als je je leven wilt wijden aan mensen die je nodig hebben. Waarom zou je je leven wijden aan een ideaal, als die wereld geregeerd wordt door rekenmachines en technocraten?”[6].

Wat is ons antwoord op de zorgen rond de zorg voor elkaar?

Dat antwoord vinden we alleen als we onszelf niet centraal zetten. We dienen te beseffen dat de mensen om ons heen hoofd voor hoofd schepselen van God zijn. Hij heeft alles gemaakt. Hij geeft ons een taak in de wereld, of wij nu 25 of 95 zijn. Natuurlijk, de ene klus is groot, de andere aanzienlijk kleiner. De God van het verbond belast ons niet boven vermogen. Maar onze taak ligt er. De cultuuropdracht mogen wij niet vergeten!

De lof op God is niet alleen een zaak van de zondagse kerkdienst.
Na de eerste dag der week volgen er nóg zes andere dagen. Dagen waarop we allerlei mensen en dingen kunnen verzorgen. Ieder op onze eigen plaats. Ieder met zijn eigen taak. Misschien is het, vanwege de omstandigheden, maar een klein taakje meer. Maar in al ons werk, of: in onze werkjes, kan de lof op God glanzen. Hij geeft ons de kracht om Hem te dienen. Op school. Bij het vakken vullen in de supermarkt. Bij een al of niet geslaagde deal in het zakenleven. In tijden van gezondheid. En in periodes van ziekte.
Altijd mogen we blijven zeggen: wij zijn in Gods hand.

Van dag tot dag zet Hij ons in, om Zijn schepping uiteindelijk klaar te maken voor een paradijselijke eeuwigheid.
Hoe zal die heerlijkheid er uit zien? Aardse woorden schieten te kort om die te beschrijven. Maar één ding is zeker: iedere dag brengt Gods kinderen een stap dichter bij die luisterrijke eeuwigheid.

Laten we daarom Psalm 71 maar meezingen, of desnoods meeneuriën:
“Ik hoop op U en zal U loven,
uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag.
Uw heil gaat elk begrip te boven.
Ik kan die grote schatten
niet tellen of bevatten”[7].

Noten:
[1] Psalm 139:13-16.
[2] Dit artikel is een uitwerking van gedachten na het beluisteren van een preek over Psalm 139:13-16. De preek werd gehouden door dominee M. Dijkstra uit Mariënberg, in een dienst van De Gereformeerde Kerk Groningen op zondagmorgen 11 maart 2018.
[3] Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, voorpagina.
[4] “Schepping” – commentaar in Reformatorisch Dagblad, maandag 12 maart 2018, p. 5.
[5] K. Schilder, “Over de Algemeene Genade – Antwoord aan Dr. O. Noordmans”. In: De Reformatie, jg. 16. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre. 1935-1936. – IV.
[6] Rien van den Berg, “Zorgzorgen” – redactioneel commentaar in: Nederlands Dagblad, dinsdag 13 maart 2018, p. 3.
[7] Psalm 71:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.