gereformeerd leven in nederland

25 september 2014

Daniël 6 en het meervoud in de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Soms is Gods Woord hard[1].
Keihard.
Zo spijkerhard dat een argeloze lezer denkt: is dit nu wel eerlijk?

Als voorbeeld neem ik Daniël 6. Dat voorbeeld is trouwens niet geheel willekeurig gekozen. Dat zal nog wel blijken.

In Daniël 6 staat de geschiedenis betreffende Daniël in de leeuwenkuil. Die historie is wel bekend. Wij weten wel dat Daniël geheel ongeschonden uit de leeuwenkuil te voorschijn kwam.
Maar nu die tegenstanders.
Wat gebeurde er met hen?
Ik citeer: “En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil, hen, hun kinderen en hun vrouwen, en zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester; zelfs al hun beenderen vermorzelden zij”[2].
Ja, het staat er echt: “…hen, hun kinderen en hun vrouwen”.
Is dat nu wel eerlijk?

Jaren geleden zat een huisvriendin bij ons aan tafel. Er was een tijd dat zij onze bovenbuurvrouw was. Daarna bleef zij een huisvriendin. Zij is niet Gereformeerd. Maar ze luistert graag naar de lezing van Gods Woord. Liefst met een verklaring erbij.
Indertijd lazen wij Daniël 6.
Het oordeel over Daniëls tegenstanders verbijsterde onze vriendin. ‘Is dat nou wel eerlijk?’, vroeg ze. ‘Die vrouwen en die kinderen konden er toch niets aan doen?’.

Die reactie vonden wij wel begrijpelijk.
Wat hebben wij geantwoord? Wij hebben ongeveer het volgende gezegd.
‘Geloven is belangrijk. Het is onze redding. Het is de enige manier om te overleven. Maar geloven is niet alleen van belang voor ons persoonlijke leven. Het heeft ook alles te maken met onze kinderen. En ook met de mensen om ons heen. En dat laat Gods Woord ons ook zien’.
Dat hebben wij gezegd.

Meestentijds concentreren predikers zich op de levende God die zich in Daniël 6 manifesteert. En natuurlijk is dat helemaal terecht. We zien de macht van God. En de reikwijdte daarvan wordt door koning Arius geproclameerd.
Maar de scherpte van dat Woord wordt gaarne een beetje weggeslepen.
Tegenstanders worden door God gedood. Hun hele hebben en houden gaat eraan.
Die kant laten we maar liever zitten.
Dat is vreemd.
Want voor de kerk is Daniël 6 een stimulans om met Hem te blijven wandelen. Juist omdat we weten hoe het met Zijn tegenstanders kan aflopen, realiseren we ons des te meer dat ons hele leven een getuigenis zal moeten zijn!

Nu is het vandaag de dag in de mode om te zeggen: het doel van de kerk ligt vooral in de samenleving. Er was eens een kerkhistoricus in Tilburg die sprak: “Kijk hier. Ruim de helft van de studenten noemt zich religieus, dus de vraag ligt er. Maar het aanbod van de grote kerken sluit niet meer aan op de individuele vraag naar religie. Daar worstelt de katholieke kerk, maar ook protestantse kerk in Nederland mee. De kerk moet iets doen om duidelijk te maken dat je de religie bij de kerk vindt. En het is dan te simpel om te antwoorden: ’U vraagt in de verkeerde richting, dus bent U ons aanbod niet waard’”. En: “Je hebt mensen die voor de eucharistieviering komen, maar ook mensen die alleen in het koor zingen en alleen in de kerk zijn als ze moeten zingen. Er zijn zeer trouwe vrijwilligers en mensen die alleen in de kerk komen bij een begrafenis. Al die mensen moet de kerk serieus nemen. Ook de kritische gelovigen”[3].

Die samenleving is belangrijk.
Maar is die samenleving het doel van de kerk?
Nee.
De maatschappij is voor de kerk niet meer dan een pleisterplaats. Een tussendoel, plegen wij heden ten dage te zeggen. Want het uiteindelijke doel van de kerk is: God de eer die Hem toekomt. Bij die lof op God moeten zoveel mogelijk mensen betrokken worden.
Wij maken daarbij dan gebruik van de gaven die mensen hebben. Jazeker.
Maar die gaven gebruiken we vervolgens gezamenlijk ter ere van Hem.

En wij geven elkaar het goede voorbeeld.
Dat voorbeeld geven we aan onze kinderen.
En als wij kinderloos zijn, is daarmee niet alles gezegd.
Want we mogen het ook aan de mensen in onze omgeving laten zien: wij vertrouwen op God. Nee, zelf zijn wij geen ijzersterke mensen. Maar wij geven ons leven aan Hem over. En wij geloven het: nu komt het goed. Want Zijn beloften worden waar.
De kinderen moeten dat goede voorbeeld weer aan hun kinderen geven. En zo komt dat door de generaties heen. Zo wordt de Here door alle geslachten geëerd.

Dat geloven wij. Zo werkt het in de kerk. In de kerk spreken wij daarom meestal niet in het enkelvoud. Het meervoud staat bovenaan. In de kerk is het niet simpelweg ‘ik’. Meestal is het ‘wij’. Want God neemt ons mee naar Zijn toekomst. Met andere woorden: ik wandel niet op mijn eentje met Hem door deze wereld.

Daniël zei: “O, koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten, en zij hebben mij geen kwaad gedaan, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden; maar ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan”[4].
Daarmee beleed hij dat God daar in actie was geweest. En dat was maar goed ook, want Hij want de Enige die in deze omstandigheden het leven van Daniël kon redden.
Vervolgens staat het er voor ons allemaal expliciet bij: “Toen werd de koning ten zeerste verheugd en hij gaf bevel, dat men Daniël uit de kuil zou optrekken; Daniël werd uit de kuil opgetrokken, en generlei letsel werd aan hem gevonden, omdat hij op zijn God had vertrouwd[5].
Die ene dienaar van de Here, daar aan het Babylonische hof, werd niet over het hoofd gezien. Die ene gelovige rijksbestuurder, daar in Babel, werd echt nog wel door de Verbondsgod gesignaleerd.
Sterker nog: de Here zorgde er voor dat Daniël een curriculum vitae had dat klonk als een klok. Kijkt u maar: “Het behaagde Darius over het koninkrijk honderd en twintig stadhouders aan te stellen, die over het gehele koninkrijk verdeeld zouden zijn; en over hen drie rijksbestuurders, van welke Daniël er een was; aan hen moesten die stadhouders rekenschap geven, opdat de koning geen schade zou lijden. Toen overtrof deze Daniël de rijksbestuurders en de stadhouders, doordat een uitnemende geest in hem was; en de koning was van zins hem over het gehele koninkrijk te stellen”[6].
Die ene eminente rijksbestuurder zag God heus wel.

Zou Hij dan die paar Gereformeerden in Nederland niet zien? Natuurlijk ziet Hij ze wel. Hij leidt hen door de tijd heen. En in 2014 zegt Hij: laat de kerk maar vertrouwen op Mijn borgtochtelijk lijden. Ja, vertrouw er maar op. Want Mijn beloften worden waar.

En laat u daarbij nooit wijsmaken dat u in de kerk eigenlijk een beetje individueel bezig bent.
Zo van: ‘heb jij al bij Zijn kruis gestaan? Of: ‘hebt u al naar Jezus aan ’t kruis gekeken?’.
Daar hoeft u namelijk niet naar te kijken.
We moeten vertrouwen op Zijn beloften. En dat doen wij in gezamenlijkheid. Uw geloof heeft gevolgen voor uw omgeving. Niet alleen wij zelf, maar ook onze familieleden worden tot een keuze gedwongen. En onze vrienden en kennissen. En onze collega’s.

Ook vandaag staat het nog in onze Bijbels: “En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil, hen, hun kinderen en hun vrouwen”[7].
Daniël wees er ons dus al op: onze geloofskeuzes hebben niet alleen gevolgen voor ons zelf. Onze echtgenoten, onze kinderen en alle mensen om ons heen hebben ermee te maken.
In Daniël 6 blijkt sprake van het meervoud. Gods Woord is niet voor solisten en individualisten. Zijn Woord heeft consequenties in vele mensenlevens!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in april 2007 schreef.
[2] Daniël 6:25.
[3] Zie http://kerknieuws.nl/nieuws.asp?oId=10713 .
[4] Daniël 6:22.
[5] Daniël 6:24.
[6] Daniël 6:2, 3 en 4.
[7] Daniël 6:25 a.

22 januari 2014

Micha 2: slipgevaar!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Het hellend vlak is levensgevaarlijk.
Maar Gods heerlijk heil is levensreddend.

Dat is, als ik het goed zie, de boodschap van Micha 2[1].

In dat Schriftgedeelte keert de profeet zich tegen de grootgrondbezitters. Niet omdat rijkdom op zichzélf een probleem is. De Here God toornt door de mond van Micha echter tegen onrechtmatig verkregen bezit. Tegen verdrukking. Tegen verrijking, ten koste van anderen.
De manieren waarop die grootgrondbezitters dat doen, zijn reuze vernuftig. Een rechttoe-rechtaan denkend mens kan er, om zo te zeggen, geen vinger achter krijgen.
Welnu, kondigt de Here aan, op de keper beschouwd ben ik nog veel slimmer. En wat ik bedenk is van grote betekenis voor al die goochemerds die net iets gewiekster denken te zijn dan de rest van de wereld!

Over geslepenheid gesproken: er zijn ook nog een heleboel profeten die allerlei boodschappen verspreiden over heil en vrede. In hun verhalen komen de tekortkomingen van het volk nimmer aan de orde.
Die pseudo-profeten zijn reuze vriendelijke mensen, daar niet van.
Maar ten diepste doen die innemende nep-visionairs iets wat in 2014 weer reuze modern is; over de toorn van God praten ze niet. Want dat is te ingewikkeld. Daar kun je in de samenleving niet mee aankomen.
Wat levert dat uiteindelijk op? Een vermolming en verrotting die alles wegvreet. Er staat: “doordat het land onrein is, brengt het verderf teweeg, ja, een voortwoekerend verderf”[2]. Met andere woorden: als het degenereren eenmaal begint is er geen houden meer aan.
We mogen, meen ik, niet nalaten om het bovenstaande op de actualiteit toe te passen. Er zijn velen die zeggen: met de kerkelijke afval valt het nog wel mee. En nu ja, u en ik moeten met onze tijd meegaan, nietwaar? Maar als de trouweloosheid eenmaal begint, is er sprake van een hellend vlak. En het hellingspercentage is hoog. Er zijn veel gemeenteleden – en misschien ook wel predikanten – die zeggen: bij ons en in mijn omgeving valt het nog wel mee. Hoe de omstandigheden echter ook zijn: het is zaak om op tijd af te remmen; anders glijden zulke goedwillende sprekers toch nog mee. En pas achteraf zien ze dan hoe snel de ontwikkelingen gegaan zijn.

Aan het einde van Micha 2 wordt opeens gesproken over een genadige God die Zijn volk weer in het gareel brengt.
De schapen komen samen in de kooi. De kudde groept bijeen.
En het wordt een drukte van belang!
Midden in de duisternis straalt opeens licht. Er is redding! En waarom? Omdat de Here deze zaak aanpakt. En als Hij niet ingrijpt, is het een verlopen zaak.
“Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël. Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. Het zal er gonzen van mensen”. Zo staat het er.
Maar daarmee houdt het niet op. Want in Micha 2 staat ook nog: “De doorbreker trekt vóór hen op; zij breken door en trekken door de poort en gaan daardoor uit; en hun koning trekt vóór hen uit, en de HERE aan hun spits”[3].
Dat betekent: Gods volk keert terug uit de ballingschap. Gods kinderen worden terug geleid uit de ballingschap. Want de Here gaat voorop.
De Here gaat aan hun spits.
Dat zijn bekende klanken. Dat is in de kerkgeschiedenis vaker gebeurd. Denkt u maar Exodus 13. De doortocht door de Schelfzee wordt daar beschreven. En vervolgens wordt daar dan bij aangetekend: “De HERE ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk[4].
Als de Here Zijn volk bijeenbrengt, gaat Hijzelf voorop. Dat moet de kerk van 2014 goed bedenken. Die kerk is klein geworden. Erg invloedrijk is zij niet. De publieke opinie acht het optreden der kerk van nul en generlei waarde. Maar hoe dat zij: de Here God loopt aan de spits van de vergadering van ware gelovigen. En dan gaat het altijd de goede kant op!

In Micha 2 gaat het over de doorbreker. Over Degene die een doorbraak forceert, dus.

In onze tijd kennen we De Doorbrekers. Dat zijn evangelische gemeenten die bijeen komen in Amersfoort, Barneveld, Goes en Zwolle[5]. Ze ontlenen aan hun naam aan Micha 2.
De DoorBrekers zijn sinds 2005 snel groot geworden. Dat was, al ik het goed weet, indertijd niet de bedoeling. Maar het gebeurde wel.
Wat is de sfeer bij De DoorBrekers? Het Reformatorisch Dagblad schreef in juli 2013: “Dat DoorBrekers volle zalen trekt, is nog het meest zichtbaar tijdens de kerstsamenkomsten. Vorig jaar bezochten 7000 mensen de kerstnachtdiensten in Barneveld en Amersfoort. Op internet staan filmpjes van de bijeenkomsten – met daarin onder meer een fragment waarbij op een groot scherm in de zaal het beeld wordt geprojecteerd van een baby. Onder geroffel van pauken verschijnt de tekst uit Jesaja 9:6 op het doek: ‘Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, de heerschappij is op zijn schouders’.
De ‘wervelende show van multimedia en muziek’, zoals de website van DoorBrekers de kerstnachtdienst noemt, slaat aan. Honderden mensen staan op van de keurig in het gelid staande stoelen. Ze zingen en zwaaien. ‘Our God is a God who saves’, speelt de band. Bij de volgende regel, ‘Let God arise’, wordt enthousiast gesprongen. De dienst vormt ‘een mix van heden en verleden. Van persoonlijke verhalen en bekende geschiedenissen. Met één boodschap van goed nieuws: Jezus is de hoop van deze wereld’, meldt de DoorBrekerssite”[6].
Terecht vroeg een predikant in het Reformatorisch Dagblad: “Is dít wat jeugd en jonge gezinnen aanspreekt? Diensten met een hoog entertainment- en knuffelgehalte? Van voelen, ervaren en beleven? Er is duidelijk een markt voor. Maar ik kan er weinig mee. Ik wil recht doen aan de intenties van anderen en weet dat kritiek gemakkelijk de aandacht van onszelf afleidt. Maar versterkt de entourage –of liturgie zo men wil– de kracht van het Evangelie of leidt die er juist bij vandaan?”
Hij noteerde verder onder meer: “Een Koningskind kan zonder gewetensbezwaar op zondag naar de dierentuin, het sportveld of McDonald’s, aldus een DoorBreker. Wel God, maar niet Zijn gebod. De McDonaldisering van het leven begint in de kerk”[7].

Is dat wat de Here wil?
Is dat wat de Here van ons vraagt?
En kun je dat dan funderen op Micha 2?
Dat lijkt mij niet.
Laat ik nog eenmaal Micha 2 citeren: “Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël. Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide”[8].
Let u erop dat de Here daar tussenbeide komt.
Ook maak ik u er nogmaals opmerkzaam op dat Micha haarscherp in beeld brengt wat er gebeurt als mensen hun ervaringen en hun gevoel een te voorname plaats in het dagelijks leven geven. Dan kom je, zo maakt Micha duidelijk, op een hellend vlak terecht. En dan gaat het steeds steiler naar beneden.
Welnu, De DoorBrekers bieden, als ik het goed begrepen heb, in hun diensten een gelikte show waarin menselijke emoties van groot belang zijn.
De DoorBrekers: als u het mij vraagt is dat ijdel gebruik van een naam van God.

Intussen blijft het recht overeind:
1. het hellend vlak is levensgevaarlijk.
2. Gods heerlijk heil is levensreddend.
3. als de God van hemel en aarde een doorbraak forceert, gebeuren er grootse dingen!

Noten:
[1]
Tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen die vanavond zal worden gehouden, zal het gaan over Micha 1 en 2. In dit artikel maak ik enkele opmerkingen naar aanleiding van Micha 2.
[2] Micha 2:10 b.
[3] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 12 en 13 van Micha 2.
[4] Exodus 13:21 en 22.
[5] Zie http://www.doorbrekers.nl/ .
[6] Albert-Jan Regterschot, “Verder doorbreken”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 20 juli 2013, p. 4. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[7] Ds. J. Belder, “Wonderboom” – column. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, dinsdag 29 oktober 2013, p. 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[8] Micha 2:12.

23 september 2013

Een lied voor wijze mensen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Mensen die goed kunnen leren gaan naar een universiteit. Of naar een hogeschool. Daar leren zij vaak heel goede dingen. Later kunnen ze leiding geven bij het maken van allerlei mooie gebouwen. In de bedrijven waar zij werken, kunnen ze de zaken goed overzien. Zij kunnen zeggen: ‘jij moet dit doen, en jij dat’. Zij kunnen uitleggen wat de juiste aanpak is om bepaalde dingen voor elkaar te krijgen.
Mensen die veel hebben geleerd kunnen zich goed redden in de wereld. Zij hebben een goed salaris. En ze hebben veel geld.
Maar heel vaak zijn ze niet wijs. Ze hebben namelijk niet de wijsheid die Psalm 111 bedoelt:
“’t Begin van ware wijsheid is
– zo leert ons Gods getuigenis –
de Here als uw God te vrezen.
Wie hiernaar leeft, hij heeft verstand”[1].
Mensen zijn pas echt verstandig als ze met God leven!

Psalm 111 is een opvallende psalm[2].
Weet u waarom?
De dichter van die psalm gaat naar de kerk. Wij kunnen lezen:
“Halleluja. Ik zal de HERE van ganser harte loven,
in de kring der oprechten en in de vergadering”[3].
De psalmschrijver voegt zich bij de mensen die in alles op God vertrouwen. Bij de echte gelovigen dus. Bij de ware gelovigen, zeggen we dan in de kerk. Daarbij denken we vaak aan Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus: “Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt”[4]. Zeker weten en vast vertrouwen: daar is de psalmdichter blijkbaar vol van.

De arbeid die de Here in de hemel verricht levert fantastische resultaten op.
De psalmist spreekt blijmoedig uit: Gods werk is “na te speuren door allen die er behagen in hebben”[5].
Laten wij even rustig lezen wat daar staat.
Mensen die niet bij God horen, snappen geen snars van de Goddelijke arbeid. Zij hebben geen idee wat de Heer van hemel en aarde aan het doen is. Zij beseffen niet waar het met de wereld naar toe gaat.
Maar de mensen die in de kerk zitten weten daar wel iets van. Nee, ze weten niet alles. Zij kunnen, als het er op aan komt, eigenlijk alleen maar een paar grote lijnen van Gods plan schetsen. Maar in de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”[6]. Kerkmensen weten genoeg. Om het maar eenvoudig te zeggen: wie bij God in de hemel wil wonen, moet de Bijbel kennen en geloven dat dat Boek waar is. Het is niet nodig om aanvullende colleges te volgen.
Er is dus een groot verschil tussen gelovigen en mensen die God negeren!

De God van hemel en aarde is er altijd geweest.
En Hij zal er ook in de toekomst steeds wezen.
Het verbond dat Hij met Zijn kinderen sloot, zal Hij nooit vergeten. Het staat er zonder omwegen:
Hij “gedenkt voor eeuwig zijn verbond”[7].
De Here blijft, gedurende de hele geschiedenis van kerk en wereld, trouw.
Dat was vroeger al zo. Wie in Gods Woord leest, kan dat zonder veel moeite constateren. Kijkt u maar eens naar de geschiedenis van Israël.

Het is belangrijk om te zien dat het verbond een heel centrale kwestie in deze psalm is.
De dichter eert God om alle dingen die Hij in Zijn oneindige wijsheid tot stand heeft gebracht.
Maar hij zegt ook:
“… betrouwbaar zijn al zijn bevelen,
vastgesteld voor immer en altoos,
volbracht in waarheid en oprechtheid”[8].
Er moet dus ook naar bevelen geluisterd worden. Het verbond is een zaak van belofte en eis. En die beloften en eisen gelden in alle tijden. Het is heus niet zo dat we in 2013 moeten zeggen: dat verbond is niet zo belangrijk meer.

Mensen zijn pas echt verstandig als zij met God leven.
Je wordt wijs als je in de Bijbel leest!
Er zijn maar enkele wetenschappers die dat erkennen. Vorig jaar was er in Leiden een geleerde die, ironisch genoeg, juist daardoor in het nieuws kwam. Mr. F. Schonewille wilde op het titelblad van zijn proefschrift een spreuk plaatsen: “Initium sapientiae timor Dei; laudatio eius manet in saeculum saeculi”. Dat is een vrije weergave van Psalm 111:10. Eerst werd dat verboden. Later werd het toch toegestaan[9].
Het incident toont aan dat het geloof van Gods kinderen vandaag de dag door velen in de samenleving niet meer wordt begrepen, erkend en geëerbiedigd. De maatschappij is seculier geworden. Gelovigen zijn, meent men, lastig. Gelovigen zijn, zo stellen velen, moeilijk te volgen. Gelovigen zijn, zo beweren verbaal actieve bollebozen, volstrekt onwetenschappelijk. In die wereld zullen we ’t moeten blijven belijden:
de ware christen “dient zijn God met hart en hand.
Voor eeuwig wordt Gods naam geprezen”[10]!

Noten:
[1]
Dit zijn de eerste vier regels van Psalm 111:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[2] In oktober aanstaande hoop ik in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin in de rubriek ‘Psalm van de Week’ Psalm 111:6 kort toe te lichten. In dit artikel tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[3] Psalm 111:1 (onberijmd).
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.
[5] Psalm 111:2 b.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[7] Psalm 111:5 b.
[8] Psalm 111:7 b en 8.
[9] Zie: “Religieus motto in proefschrift mocht toch”. In: Reformatorisch Dagblad, 31 mei 2012, p. 1.
[10] Dit zijn de laatste twee regels van Psalm 111:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

30 mei 2013

Godsdienst: een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er zijn van die uitspraken die blijven haken[1].
Het is al jaren geleden; mijn vrouw en ik hadden vrienden op visite.
Het was heel gezellig.
In onze gesprekken kwam de kerk regelmatig voorbij. We waren het niet altijd helemaal met elkaar eens. Dat hoeft ook niet. Maar we hadden elkaar op kerkelijk gebied altijd wel wat te melden.
Midden in het gesprek zei mijn vriend tegen me: het belangrijkste in je leven is dat je Gód dient. Het gesprek ging over de kerk. En over de liturgie in kerkdiensten. Toen kwam ook dat zinnetje: “…het belangrijkste is dat je God dient”.

Het gesprek ging verder.
Maar dat ene zinnetje is blijven hangen.
Laat ons wél wezen: de hierboven bedoelde vriend had natuurlijk helemaal gelijk. Godsdienst – in de oorsprónkelijke zin van dat woord: het loven en eren van God – moet altijd de hoogste prioriteit in een mensenleven hebben.
Toen ik er later nog eens over nadacht, kon ik echter zachtkens iets horen rammelen. Immers: je kunt zéggen dat je God dient. Je kunt de inténtie hebben dat te doen. Maar dient men God dan ook wérkelijk?

Want je kunt wel dénken dat je God dient, maar tóch helemaal fout zitten. Vele Oudtestamentische profeten wijzen daar ook op: Hosea, Micha…
U en ik kunnen wel dénken dat wij God dienen; maar misschien zitten wij wel helemaal fout.

Serieuze Gereformeerden merken ook wel zwakheid bij zichzélf.
Grote zwakheid zelfs.
Ik citeer uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “…maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Here Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem”[2]. Maar als het dan eens fout gaat, weten gelovigen ook hoe ze verder moeten nadat hun Godsvertrouwen weer terug gekomen is. De Dordtse Leerregels zeggen: “Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven. Deze zijn immers van tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke goedheid”[3].
Met die twee citaten van hierboven wil ik graag duidelijk maken dat je er met zo’n algemene uitspraak als ‘God dienen is het belangrijkst’ eigenlijk nog niet helemaal bent. Een gelovig mens maakt zijn leven, zijn geloofsleven, concreet in het leven van alledag. Nauwgezet wandelen op de weg van de Here – die uitdrukking wil onder meer zeggen dat men op de ‘Eigen weg’ van Gód loopt. Er wordt gewandeld op Zijn weg. Wij zitten samen in Zijn kerk. We leven van Gods liefde en van Zijn geschenken.
Daarom is het tijdens die wandeling op Gods weg niet in de eerste plaats de bedoeling dat je het onderweg samen leuk hebt, of zoiets. En daarom is het eerste doel van een kerkdienst niet dat kerkgangers met een goed gevoel achter de koffie komen te zitten. Als wij God echt willen dienen, komt ons gevoel op de tweede plaats. De emotie is er wel. Maar dat gevoel is een gave van God. En die gave is er nadat Hij zich aan ons gemanifesteerd heeft. De kerkdienst is daar speciaal voor gereserveerd.

Op die kerkdienst kom ik verderop in dit artikel nog even terug. Eerst iets over het leven ván en mét Gods geschenken.

Daar is, ook in onze tijd, veel discussie en gedoe over.
Er zijn namelijk nog steeds mensen die meewarig naar Gereformeerden kijken. Er zijn nog altijd mensen die eigenlijk vinden dat alle christenen aan de leiband van God lopen.
Er was eens een bekende cabaretier die zei: “Zoveel mogelijk geld nastreven, of denken dat het geluk in een bepaalde auto zit, is zinloos. Of je laten benauwen door een geloof, zoals sommige islamieten en christenen. Maar het is een keuze, dus wie dat lekker vindt moet dat doen”. Op de vraag of niet geloven minder benauwend is dan wel geloven, zei hij: “Dat weet ik niet. In een liedje uit deze voorstelling vraag ik God zelfmoord te plegen. Hij zegt dan zelf: ‘Dat kan ik niet, want ik besta niet.’ Ik bekijk het van alle kanten, ik kies niet”. Die cabaretier roept reuze stoer dat hij niet kiest. Intussen kiest hij natuurlijk wel.
Er was één zin die me opviel: DAT WEET IK NIET. Klaarblijkelijk was de man ten prooi aan een alles verterende onzekerheid.
Ik citeer nog één keer die cabaretier: “Schiep God of Allah ons of is het andersom? Niemand weet dat. Niemand kent de zin van het leven. Dus zoeken we maar. Ik denk dat veel mensen uit angst voor de dood of het hiernamaals iets verzinnen. Een god, of meerdere goden, ‘er moet iets zijn'”. Niemand weet dat, orakelde de kleinkunstenaar. Niemand kent de zin van het leven, stelde hij vast. Men is zoekende, deelde hij mee. En vervolgens beschuldigde de spreker de gelóvigen notabene van angsthazerij. Jawel. Maar deze even bekende als stoere Nederlander wist het ondertussen zelf niet.

De vijandschap tegen het christendom wordt, vind ik, steeds vinniger en onzinniger.
Inmiddels hebben gelovigen, wat er ook gebeurt, de zekerheid van Gods beloften. Wie God wil dienen, moet blijven bedenken dat Hij Zijn kinderen heeft uitgekozen. Gelovigen willen door alles heen die zekerheid koesteren.
Dat is niet hoogmoedig. Want Godsdienst heeft met arrogantie niets te maken. God geeft aan Zijn kinderen alles wat zij nodig hebben. Dat scheelt een hoop gezoek. Dat weten die kinderen best. En die belofte van alles omvattende en eeuwigdurende Goddelijke zorg is eens voor áltijd gegeven.

U merkt het: we zijn inmiddels weer terug in de kerk.
Laten we nog even naar de kerkdienst kijken.
Ik heb wel eens gehoord dat er een Gereformeerde dominee was die op bijzondere momenten in een kerkdienst wel eens vroeg om ‘applaus voor God’. Hij zei er, zo begreep ik, heel nadrukkelijk bij dat dat applaus niet voor kerkgangers bedoeld is, maar heel speciaal als eerbewijs voor God. Nu is applaus is een teken van goedkeuring, of van bewondering. In die zin kan ik dat wel volgen. Toch maakt zo’n applaus me niet bepaald warm van binnen. Zulk handgeklap is niet volledig verboden. Dat niet. Maar het is naar mijn idee wél zo dat onze God vooral Zélf voor Zijn eigen eerbewijs zorgt.
Ik schreef het al: Hij geeft ons alles wat wij nodig hebben. Hij geeft ons psalmen en geestelijke liederen om onze bewondering te uiten. Daar kun je dan ook applaus voor gebruiken. Maar dan kun je, als ik het zo even zeggen mag, nét doen alsof er geen woorden voor zijn. En die zijn er wel. Er zijn psalmen. En ze zijn nog wel door God geïnspireerd. Er zijn Wóórden voor, als u begrijpt wat ik bedoel.
Daarmee zeg ik niet dat men onmiddellijk en zonder uitstel alle gezangen dient af te schaffen. Ik zeg wel dat God Zichzelf aan ons manifesteert. En ik zeg ook dat God materiaal voor onze eerbewijzen aan Hem presenteert. We moeten het dus helemaal van God hebben.
Het is goed om op dit punt bij onszelf te rade te gaan. We moeten alles van God verwachten. Dat moet steeds helder en duidelijk wezen.

De bovenstaande constatering moet vooral niet leiden tot een soort therapeutische sessies met onszelf.
Laat ik dat verduidelijken aan de hand van een internetpagina van het Friesch Dagblad. Daar zag ik eens een bericht uit juli 2002. Ik las daar over een predikant, die orakelde: “Het overdenken van je levensloop kan ook een vindplaats van spiritualiteit zijn. Je beziet de gang van je leven dan vanuit het gezichtspunt van het geloof. Welke betekenis geef ik vanuit mijn gelovige visie aan bepaalde gebeurtenissen van mijn leven?”.
Bij zulk zelfonderzoek kom je goede dingen tegen. Maar er is ook het nodige dat ons dwars zit. Er zijn misschien woorden gezegd die door anderen verkeerd zijn geïnterpreteerd. Dingen die wij hebben gedaan zijn soms helemaal verkeerd uitgepakt. Zeker, zulke zelfbeproeving kan opleveren dat we de daden van God in ons eigen leven zien. Maar er is ook veel zonde. Schrijver dezes heeft daarom de neiging om met zulke research voorzichtig te wezen. Niet voor niets stond er in het bericht ook bij: “Niet altijd is het eenvoudig om hiermee bezig te zijn. Er worden vaak meer vragen opgeroepen dan antwoorden gevonden. En soms word je opnieuw geconfronteerd met herinneringen die je liever vergeten zou…”[4].
Kerkmensen mogen onbekommerd zeggen: gebruik de van God ontvangen gaven maar. Daar hebben we het al druk genoeg mee.
In dit verband citeer ik graag Romeinen 12: “Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld. Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander”[5].
Onze God traint ons om gericht te zijn op Hem. In onze woorden en in ons gedrag mogen we functioneren als representant van Hem in deze wereld. We vertegenwóórdigen onze God, op onze eigen plek en in onze eigen omgeving. We worden hervormd door de vernieuwing van ons denken. Dat gebeurt concreet.
En het gebeurt vandaag.

Het zinnetje waarmee dit artikel begon, echoot weer in mijn gedachten.
“Het belangrijkste is dat je God dient”.
Mijn vriend had indertijd natuurlijk gelijk.
Maar laat het nooit bij zo’n simpele constatering blijven. Want als er daarná slechts betekenisvolle stilte volgt komt niemand werkelijk verder. De spreker niet. En zijn luisteraars ook niet. En laten we het met elkaar maar vaak repeteren:
* dat God Zichzelf aan ons manifesteert
* dat God Zelf materiaal voor het eerbewijs aan Hem presenteert.

Noten:
[1]
Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder publiceerde in december 2004.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 13.
[4] Zie http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artid=6508 .
[5] Romeinen 12:3, 4 en 5.

11 april 2013

Numeri 11 in de cocktail van ontwikkelingen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Iedere dag is er weer nieuws. De kranten staan er vol mee. De journaals zijn steeds weer rijk gevuld.
Het is soms ingewikkeld om in al die journalistieke drukte de grote lijn te blijven zien.
Wat is er eigenlijk precies aan de hand?
Welke ontwikkelingen zijn er gaande?
Arendo Joustra gaf er laatstelijk een interessante samenvatting van. In het Reformatorisch Dagblad nog wel. U moet weten: Joustra is hoofdredacteur van Elsevier, een opinieweekblad dat zich in de regel aan de rechterkant van het politieke spectrum bevindt[1].
Welnu, afgelopen zaterdag – 6 april – zei Joustra in een bijlage van het RD: “We zitten in een enorm rare omschakeling. Er zijn drie grote ontwikkelingen. Mensen zijn steeds hoger opgeleid, zijn geëmancipeerd en de samenleving is ontzuild. Maar je ziet daarnaast ook andere bewegingen. Het geloof hebben we zogenaamd uitgeschakeld, dat is iets van het verleden. De praktijk is echter dat er bij veel mensen een enorme behoefte is aan geloof en zingeving. Veel vaste instituties als kerken en politieke partijen zijn weggevallen. In plaats daarvan zie je een gerichtheid op de eigen natie en de eigen regio. Andere ontwikkelingen zijn globalisering, Europese samenwerking, het wegvallen van de Sovjet-Unie als vijand, en immigratie. Deze cocktail van ontwikkelingen heeft voor een enorme onzekerheid in Nederland gezorgd”.
Op de vraag wat de sterke punten van Nederland zijn, antwoordde de opinieleider: “Ik ga eraan twijfelen. Op de redactie discussiëren we regelmatig over de vraag waar Nederland over twintig jaar van leeft. Wie verdient straks het geld en wáár verdienen we het mee? We hebben het onszelf naar de zin gemaakt, we zijn een verwend land geworden. We zijn te afhankelijk van de overheid (…) Er moet een groot plan, een gezamenlijke visie komen. Wat is de positie van Nederland in de wereld? Dit kabinet echter is volstrekt visieloos”. De politiek kan ons niet redden, meende de hoofdredacteur stellig. “Den Haag loopt achter de feiten aan. Dus als je de agenda van Den Haag volgt, ben je altijd te laat. Daarom moeten wij zelf problemen signaleren”[2].

De mensen zijn heel slim geworden. We zijn met z’n allen reuze intelligent.
Vanwege de Neêrlandse denkkracht achtten velen het verantwoord om geloof en kerk maar uit het leven weg te doen. Want wat moet u er mee als u zélf zoveel knappe dingen maakt?
Maar ja – als de kerkdeur dicht is, en de Bijbel bij het oud papier is gegooid, wat moet men dan? Het gepeupel moet zich toch érgens druk over maken?
Dat klopt. En daarom maken massa’s mensen uit de lage landen zich druk over de dingen en de mensen die zij in de omgeving zien. Zij ontwikkelen in snel tempo een keur aan korte lontjes. Ze willen respect op het voetbalveld. Ze willen alles snel. En ze willen veel. Een burn-out nemen ze vervolgens maar voor lief. En o ja, er is ook nog zoiets als een economische crisis. Niet dat hun portemonnees leeg zijn, of zo. Maar het is goed om preventief zielig te doen. Als de geldbuidels dan onverhoopt tóch leegraken, is er de meeste kans dat ze snel weer gevuld worden.
Intussen hebben vele medemensen bij al dat geharrewar toch een wat onbevredigd gevoel. Is dat gedoe op de vierkante meter nou alles? In veler harten groeit een behoefte aan zingeving. Als het een beetje wil, gooit men alle religies op één hoop. Want je moet het in de eenentwintigste eeuw niet te moeilijk maken.
Alle panelen schuiven. Vroegere vijanden zijn nu vriendjes. Mensen die we amper kenden, worden Nederlanders. Allochtonen, zei men vroeger. Medelanders – dat woord mag óók niet meer. Kortom, onbekenden zijn onze buurlui geworden.
De wereld is groot. En Europa is sterk. Nou ja, er valt zo nu en dan een bank om. Maar verder…?

Het is een cocktail van ontwikkelingen, zei Arendo Joustra.

Dat woord ‘cocktail’ brengt mij vandaag bij Numeri 11.
Daar gaat het namelijk ook over een samenraapsel. Maar wel van een heel andere sóórt. Dat wel.
Leest u maar mee: “Het samenraapsel nu, dat zich onder hen bevond, werd met gulzig begeren vervuld; ook de Israëlieten begonnen weer te jammeren en zeiden: Wie geeft ons vlees te eten? Wij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenen, het look, de uien en het knoflook. Maar nu drogen wij uit, er is in het geheel niets, wij krijgen alleen dit man te zien”[3].

Numeri 11 begint met een uitslaande brand.
Die brand, aan de rand van de legerplaats, is de toornige reactie van de Here op de klachten van het volk. Als Mozes voorbede doet, dooft het vuur als vanzelf weer.
Maar ondergronds blijft een ander vuur laaien. Daar branden namelijk de vlammen van de begeerte. Daar brandt ook het diffuse licht van de zelfredzaamheid.

Dat genoteerd hebbende, signaleer ik dat er, vergeleken met die vuurzee uit Numeri, in 2013 fundamentéél nog niet zoveel is veranderd.
Nog altijd gaan mensen keihard krijsen als zij niet tevreden zijn over het voedsel dat hen toebedeeld wordt. Uiteraard verpakken zij dat tegenwoordig in keurige uiteenzettingen over de economie. Als het een beetje wil zit op hun door kostelijk cadeaupapier omhulde pakje nog een mooi strikje met het fraaie logo van een duur onderzoeksbureau.
Nog altijd zeggen veel mensen: het oplossen van economische vraagstukken vereist, om te beginnen, onze eigen inzet. Wij moeten banen creëren. Wij behoren de economische groei te stimuleren. Wij zullen ons niet blind moeten staren op een cijfertje betreffende het begrotingstekort; die drie procent, u weet wel[4].

Als ik Numeri 11 lees, begrijp ik uit dat Schriftgedeelte dat ik ergens ánders beginnen moet.
Want in dat Schriftgedeelte zegt de Here óók: “Zou de hand des HEREN te kort zijn? Nu zult gij zien, of mijn woord aan u geschieden zal of niet!”[5].
Dat Woord van God betreft het feit dat het vlees regent uit de hemel. In vers 31 gebéurt dat ook: “Toen stak er een wind op, door de HERE gezonden; die voerde kwakkels aan van de zee en strooide ze uit over de legerplaats, zodat zij een dagreis ver naar alle kanten rondom de legerplaats lagen, ongeveer twee ellen hoog boven de grond”.
Wat de Here Zich voorgenomen had, dat werd realiteit. Natúúrlijk werd dat werkelijkheid.
Wij allen, en ik ook, moeten dus beginnen bij de daadkracht van onze Here. Wij mogen vertrouwen op de volmaakte zorg die Vader biedt aan allen die Hem geloven. Gratis en voor niets. Van een eigen bijdrage wil de drie-enige God niets weten.

Wat gebeurt er met die revolutionaire figuren die de Here ter verantwoording willen roepen?
Het staat er in Numeri 11 bij. Ik citeer: “Terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, vóórdat het gekauwd was, ontbrandde de toorn des HEREN tegen het volk en de HERE sloeg het volk met een zeer zware slag. Daarom gaf men aan die plaats de naam Kibroth-Taäva, omdat men daar het gulzige volk begraven had”[6]. Kibroth-Taäva, dat betekent: graven der lusten, massagraf der begeerte[7].

Iedere dag is er weer nieuws.
De kranten zijn er vol van. En de journaals ook.
Maar de Here leert ons dat de dag niet met de krant begint. De Here leert ons dat het NOS-journaal niet het centrale punt van de dag behoort te wezen.
Onze Here is het kernpunt van ons leven. En Hij houdt de grote lijn in de gaten.
Waar Nederland over twintig jaar van leeft? Niemand die dat precies weet.
Maar waar de kerk van leeft, dát weten we wel. De kerk leeft van alles dat haar door God gegeven is.

Noten:
[1]
Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Arendo_Joustra en http://nl.wikipedia.org/wiki/Elsevier_(opinieweekblad) .
[2] “Als ongelovige op de bres voor gelovigen”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 6 april 2013, p. 15.
[3] Numeri 11:4, 5 en 6.
[4] Zie bijvoorbeeld http://www.volkskrant.nl/vk/nl/10637/VK-Dossier-Verkiezingen-van-2012/article/detail/3267533/2012/06/07/PvdA-crisis-oplossen-met-economische-groei.dhtml .
[5] Numeri 11:23.
[6] Numeri 11:33 en 34.
[7] Zie http://www.opbouwonline.nl/artikel.php?id=11494 (onder het kopje ‘lied 366’).

10 januari 2013

Mozes brengt de kerk in feeststemming

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Bij de jaarwisseling wordt niet zelden gemediteerd over Psalm 90. Het is zogezegd een oudejaarsklassieker.
Hoe komt dat?
En: waar gaat Psalm 90 eigenlijk over[1]?

Het is een lied van Mozes, de man die – in opdracht van zijn Heer – het volk Israël uit Egypte leidt.
Hij spreekt over het feit dat God er altijd was, nog steeds is en eeuwig zal zijn.
Daartegenover staat de sterfelijkheid van de mens.
Duizend jaar: dat is bij God een zucht. Vergeleken bij de almachtige God zijn mensen heel klein. Mensen bestaan, gerelateerd aan Goddelijke eeuwigheid, maar een ogenblikje. Net als de slaap: de slaperigheid wijkt snel als u wakker bent. Net als het gras: het groeit snel, maar als de hete zon erop schijnt is een grasveld in een oogwenk geel en dor.
Menselijke nietigheid komt naar buiten in de zonde. Daar tóórnt de Here over. Hij is er boos om.
Mozes benadrukt het nóg eens: het leven is kort. En wie de grote lijn van dat leven bekijkt, ziet moeite. En verdriet.
Maar er is één ding dat we in dat korte leven goed moeten leren: God eren. Wij moeten Zijn gezag leren eerbiedigen.
Als wij God loven, mogen we ook bidden: keer Uw gezicht naar ons toe.
Gelovige mensen nemen het beeld van dat gezicht in zich op. Ze kennen zogezegd ieder lijntje ervan. Ze kunnen Gods gelaat als het ware uittekenen. Hun leven wordt vól van Hem. Daar vrágen die gelovigen ook om: “Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid”[2].
Als ons leven langzamerhand vol wordt met God, is er niet zoveel plaats meer voor de zonde. De vreugde over Gods presentie compenseert, om zo te zeggen, steeds meer de moeiten van het leven. Gods aanwezigheid is de glorieuze vervanging van onze zwarte zonden.
Mozes leert ons waar onze aandacht in het leven naar uit moet gaan. Wij moeten goed opletten om een goed antwoord te kunnen geven op de vraag: waar is de Here aan het werk? “Laat uw werk aan uw knechten openbaar worden”, bidt Mozes[3]. En dat gebed kunnen wij vandaag ook uitspreken. Wij willen zien waar de Here bezig is. Want daar moeten wij natuurlijk bij wezen!
Laat uw heerlijkheid ook zien aan de kinderen van de kerk, bidt Mozes verder. Hij spreekt over “…uw heerlijkheid over hun kinderen”[4]. De kinderen van de kerk moeten Gods glorie ook zien. Het werk van de Here gaat door. Dwars door allerlei geslachten heen. Álle menselijke generaties krijgen er mee te maken.
Mozes hoopt vurig dat alle ware gelovigen de oneindige liefde van God blijven zien.
En als de kerkmensen die geweldige liefde zien, dan willen ze hun dankbaarheid tonen in het wérk dat zij voor Hem doen. En dus is het geen wonder dat Psalm 90 eindigt met de bede: “…het werk onzer handen, bevestig dat”[5].

Keer uw gezicht naar ons toe.
Daar bidden wij iedere zondag om.
Want de voorganger – de dominee of de ouderling – zegt iedere zondag: “De HERE zegene u en behoede u; de HERE doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de HERE verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede”[6].
Dat betekent: wij willen achter Jezus Christus aan gaan. Dat betekent: wij willen, ook in de komende dagen, in Zijn dienst blijven.

Psalm 90 is een oudejaarsklassieker.
Als ik het goed zie, komt dat doordat Mozes benadrukt hoe kórt het leven eigenlijk is. Dat spreekt ons aan. Want ach, een jaar is zo om. Voor je ’t weet, is er weer een jaar voorbij. En elk jaar staat bol van de zonden. Verdriet en ellende denderen voorbij. En laten we eerlijk zijn: al die treurigheid kan ons knakken. Het kan hart breken.

Maar daar gáát het Mozes helemaal niet om.
Mozes zegt niet: eigenlijk vind ik dat we best een beetje zielig zijn. Hij wijst op de mooie dingen die de Here daarvoor in de plaats geeft.
Mozes zegt niet: nu bent u alweer een jaar ouder – zonde hé?
Hij zegt: een mensenleven is kort, en juist daarom is het belangrijk om in die zeventig, tachtig jaar Gods glorie te zien blinken.
Hij zegt: het mensenleven is te kort om het door de zonde te laten beheersen; wij moeten vol worden van de Hére.
Met die kortheid van het leven werd Mozes in de woestijn geconfronteerd. Leest u maar mee in Numeri 14: “Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des HEREN de ganse aarde vervullen zal: geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten”[7]. Mozes heeft in zijn tijd heel wat mensen moeten begraven!
Welnu, Mozes bidt in Psalm 90: Here, geef dat wij ons niet blind staren op al die korte levens. En: geef dat we ons niet blind staren op alle ellende die er in de wereld is. En: geef dat we alles van Ú verwachten!

Zeker, onze ellende mogen we benoemen. Het is niet verboden om klachten bij de Here neer te leggen. Sterker nog: bij de Verbondsgod mogen we uithuilen. Niet alleen bij de jaarwisseling. Dat mag altijd.
Maar we mogen er niet in blijven steken.

In een preek over Psalm 90 zei de hervormde emerituspredikant dr. L.A. Kopmels eens: “Want we weten toch: er is een einde gesteld aan onze levensdagen op aarde en dat hoeft geen afbreuk te doen aan de goedheid van het ons geschonken leven. Dat hoeft niet in mindering te komen op de dankbaarheid waarmee we ons leven leven. En heel voorzichtig kunnen we soms zeggen: ook het sterven hoort bij het leven en dat niet altijd als een schrille wanklank. Het sterven mag een ontslapen heten en in dat woord beluisteren we vrede en rust; en ook geloof en hoop, ondanks alles”[8].
Dat klinkt mij wat te aarzelend. Zo van: er is een hoop chaos, maar ergens in de verte twinkelt een lichtje.
Echter: in onze geloofsblijdschap hoeven we niet voorzichtig te zijn. Het gaat er om dat “wij jubelen en ons verheugen al onze dagen. Verheug ons…”[9]. Het gaat over Gods heerlijkheid. En over Gods lieflijkheid. Hoezo behoedzaam?

Psalm 90 leert ons over onze eigen problemen heen te kijken. Wie zich daarin traint, ziet hoe langer hoe meer van Gods krachtige en almachtige werk.
Daarom is een feestelijke stemming in de kerk nooit misplaatst!

Noten:
[1] Eind februari hoop ik in De Bazuin – het landelijk kerkblad van De Gereformeerde Kerken – Psalm 90:8 kort toe te lichten in de rubriek ‘Psalm van de Week’. Dit stuk is het resultaat van enige voorstudie.
[2] Psalm 90:14.
[3] Psalm 90:16a.
[4] Psalm 90:16b.
[5] Psalm 90:17b.
[6] Numeri 6:24, 25 en 26.
[7] Numeri 14:21-24.
[8] Zie http://renskopmels.nl/pagetxt90.html .
[9] Psalm 90:14b en 15a.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.