gereformeerd leven in nederland

25 maart 2013

De blasfemiewet wordt afgeschaft

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Vorige week – het was op woensdagavond 20 maart – vond in de Tweede Kamer een debat plaats over de blasfemiewet. Over het verbod op godslastering, dus[1].

Wat gaat er gebeuren?
Eigenlijk worden er, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, drie wetsartikelen geschrapt. Het eerste artikel verbiedt de burger om door godslastering godsdienstige gevoelens te krenken. Het tweede artikel gaat over het verspreiden van godslasteringen. En het derde handelt over het tentoonstellen van godslasteringen.

Men kan snedig opmerken dat het afschaffen van deze wetsonderdelen niet ernstig is. Er was toch niemand meer die er iets mee deed.
Maar er is natuurlijk meer aan de hand.
Want als die wetsartikelen nauwelijks meer toegepast werden, waarom moeten ze dan zo nodig afgeschaft worden? Men kan ze ook stilletjes laten staan en burgers aanspreken die in hun spreken en handelen voortdurend godslasterlijk bezig zijn.

De mensen zeggen: ach, het is een ‘slapende’ wet; weg ermee!
Maar zou het ook zo kunnen zijn dat er een preventieve werking van het bestaan van die regel uit gaat? Dat lijkt mij zéker het geval te zijn.
En bovendien: er is geen wèldenkende rechter die de blasfemiewetten zó toepast dat de vrijheid van meningsuiting in het gedrang komt. Men mag best meningen ventileren. Het gaat hier slechts om de wijze waaróp dat gebeurt.

De mensen zeggen: godsdienstige gevoelens worden beter beschermd dan andere emoties; dat moet maar eens afgelopen zijn.
Klaarblijkelijk laat men de relevantie van deze wet afhangen van het aantal praktiserende christenen in Nederland. Is dat niet ietwat merkwaardig?
En ongelovigen, atheïsten inbegrepen, mogen klaarblijkelijk alles zeggen wat zij willen. Het zal u niet bevreemden dat ik dat opmerkelijk vind.

De mensen zeggen: die wetsartikelen gelden alleen maar voor een specifieke groep burgers. Het betreft geen algeméén geldende regels.
Dat is een mooi verhaal. Maar er rammelt wel iets.
Want de wet op de kinderbijslag is óók bedoeld voor een specifieke groep mensen; namelijk ouders met kinderen. Die wet blijft bestaan…. Waarom moet de blasfemiewet dan haastig naar de vuilnisbelt worden versleept?

De mensen zeggen: dat wij zo de heiligheid van God aantasten, dat zegt ons anno 2013 niets.
Vervolgens klemt echter de vraag: wat is er dan nog wél heilig? Meer specifiek: is het menselijk leven bijvoorbeeld nog heilig? Het antwoord op die laatste vraag luidt al heel lang: nee.
Een rechtgeaard christenmens vraagt zich af waar het einde is. Waar leggen ongelovigen de grens der beschaving? Wat is nog netjes, en wat niet? En wie gaat dat eigenlijk beoordelen?

De mensen zeggen: die blasfemiewet is niet meer van deze tijd.
Maar onderzoekers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) constateerden een jaar of zes geleden dat veel haatuitingen – bijvoorbeeld op internet – blijk geven van een zekere verharding van de maatschappij. Men mag de bestaande mogelijkheden in het strafrecht best eens wat beter benutten, suggereerden die onderzoekers toen.
En wat gaat het parlement in 2013 doen? Zij is voornemens de blasfemiewet af te schaffen….
Dat is niet erg logisch. Zegt u nu zelf.

De mensen zeggen: als we die blasfemiewet afschaffen, ontstaat er meer helderheid.
Dat klinkt goed. Maar de vraag is wel in hoeverre het beledigen van een groep christenen nu toegestaan of strafbaar is… En áls een schoffering strafbaar blijkt, op grond van welke wetsartikelen pakt men die dan aan?
Persoonlijk heb ik niet gevoel dat het er echt helderder op wordt.

Ach, zeggen de mensen, de af te schaffen wetsartikelen slaan feitelijk alleen op de westerse God.
Dat is geruststellend geformuleerd. Maar het is niettemin nonsens.
De hemelse God is niet alleen Heer van het noordelijk halfrond. En dat weten de parlementsleden ook best.

In het Nederlands Dagblad schreef de heer Van der Staaij, Tweede Kamerlid voor de SGP: “De symboliek van deze afschaffing is: smadelijke godslastering mag voortaan. Het is niet langer verboden. De symboliek van deze afschaffing is: God moet verbannen worden uit onze wetgeving. Er moet afgerekend worden met ons christelijk verleden, met christelijke moraal in onze wetgeving.
Dat is een verdrietig signaal, en tekent de geestelijke crisis in onze samenleving. We kunnen beter een biddag houden in plaats van een bijltjesdag”[2].
Er moet gebeden worden, zegt Van der Staaij. Het is onzin om net te doen of er nu afgerekend moet worden met een periode van verschrikkelijke onderdrukking[3].

De Raad van State blijkt van mening “dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet als grondrechtelijke eis meebrengt dat het verbod van godslastering wordt afgeschaft”[4].
Het lijkt mij ook van belang om bij dit alles aan te tekenen dat, sedert in Engeland een dergelijke blasfemiewet werd afgeschaft, zaken rond vrije meningsuiting aldaar zo ongeveer op leven en dood worden bevochten.

In ons land wordt hoe langer hoe minder zwaar aan godslastering getild.
Waar kómt dat nu eigenlijk van? Antwoord: massa’s mensen ontkennen dat de zonde diep in de wereld verankerd zit. Juist die zonde zorgt voor godslastering.
Dat wisten de Farizeeën indertijd trouwens ook al. Ik wijs u op Lucas 5: “En hun geloof ziende, zeide Hij (dat is Jezus): Mens, uw zonden zijn u vergeven. En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen en zeiden: Wie is deze, die zulke godslasterlijke dingen zegt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?”[5]. Natuurlijk: de schriftgeleerden wilden niet begrijpen dat de mens Jezus Christus ook echt God was. Maar het was hen volkómen duidelijk dat godslastering alles met zónde te maken heeft.
De Joden wisten allen heel goed wat godslastering ten diepste is: de mens maakt zichzelf God. Daarom zeiden zij in Johannes 10: “Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt[6]. De Joden wilden er niet áán dat de mens Jezus ook God was. Maar ze onderkenden wél: als wij God lasteren, doen we net alsof wij zélf God zijn.

In Nederland vindt men godslastering niet zo ernstig meer.
Want Nederlanders zijn, zegt men, beschaafde mensen die zich prima zelf kunnen redden.
Nederlanders zijn, zo suggereert men, actieve mensen die veel overzien en op talrijke plaatsen in de wereld hun invloed kunnen laten gelden; in die zin is Nederland een machtige natie.
Ten principale zit dáár de drijfveer om de wetsartikelen tegen de godslastering bij het oud papier te gooien.

In deze omstandigheden kan de kerk, naar mijn inzicht, slechts twee dingen doen:
* in het gebed tot God gaan en hem om genade smeken
* de Here vragen om Zijn werk voort te zetten en – als dat in Zijn plan past – in ons land bekering te geven.

Noten:
[1]
In het onderstaande gebruik ik onder meer http://sgp.nl/Actueel/Verbod%20op%20godslastering%20II.wli#content .
[2] Kees van der Staaij, “Smalende godslastering is voortaan toegestaan”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 20 maart 2013, p. 11.
[3] Voor de betekenis van het begrip ‘bijltjesdag’ zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Bijltjesdag .
[4] Hier gebruik ik onder meer: Jakko Gunst, Addy de Jong, “Feest voor de atheïsten”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 20 maart 2013, p. 2 en 3.
[5] Lucas 5:20 en 21.
[6] Johannes 10:32 en 33.

21 december 2012

Gereformeerde zede

Wat is eigenlijk de Gereformeerde zede?
Die vraag kwam laatstelijk langs op een vrouwenvereniging.
Dat was een goede vraag. Het ijverig zoeken van een antwoord daarop getuigt van de ernst waarmee men het christelijk leven wil vorm geven.

Even zo goed is het niet gemakkelijk een eendúidig antwoord op die vraag te formuleren.
De Gereformeerde zede bestaat namelijk niet.
Gereformeerde zeden – gewoontes dus – veranderen door de tijd heen. Wat in 1970 misschien heel gewoon was, is in 2012 wellicht helemaal niet meer aan de orde.

Overigens is over die gereformeerde zede in het verleden nogal wat te doen geweest.
In “De Reformatie”, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, stond op 10 januari 1948 (!) te lezen: “Indien we ons niet vergissen is onder ons Gereformeerde volk het respect voor de Gereformeerde zede aan ‘’t wankelen”. En: “…bij hen, die thans met de Gereformeerde zede breken, mist men elk profetisch élan. En dat profetisch élan, beter gezegd de profetie alleen leidt tot reformatie van het leven”[1].
De Gereformeerd-synodale ethicus G.Th. Rothuizen liet in 1980 een boek het licht zien dat de volgende veelzeggende titel droeg: “Een bezige bij, of de gereformeerde zede bestaat niet meer”[2]. En dat terwijl zijn leermeester, R. Schippers, in 1955 nog een boek had gepubliceerd met de titel “De Gereformeerde zede”[3]. U ziet het: ’t kan snel gaan…

De Gereformeerde zede: we hebben het er zelden meer over.
Misschien ligt de reden daarvoor in het feit dat de Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar J. Douma niet zo gelukkig is met die term. Die is hem te oppervlakkig, te wazig en te statisch.
Liever spreekt hij over ‘christelijke levensstijl’. Die uitdrukking heeft meer diepte. Die term laat ook zien dat er sprake is van één stijl, waarop voortdurend gevarieerd wordt[4].

Hoe dat zij: het is goed om onze levensstijl zo nu en dan tegen het licht te houden.
Als onze zeden slijten, en wij ons dagelijkse doen en laten wijzigen, behoort daar ook een eerlijke verantwoording bij.
Als we in de Gereformeerde wereld geen periodiek onderhoud plegen aan onze zeden, wordt voor nieuwe verschijnselen onvoldoende gemeenschappelijk gedrag ontwikkeld.
In de jaren ’80 van de vorige eeuw schreef professor dr. J. van Bruggen over dit thema: “De combinatie van slijtage en gebrek aan on­derhoud leidt tot inconsequenties. Niet mee­doen aan zondagsport en toch wel kijken er­naar voor de T.V. Niet aansluiten bij het FNV, maar wel lid zijn van de algemene per­soneelsvereniging enz.
In de plaats van de gereformeerde zede komt nu het steeds vaker herhaalde motto dat de mondige christen zijn eigen vrijheid en ver­antwoordelijkheid heeft en dat wij daarin toch vooral ieder zijn eigen beslissing moeten laten. Binnen het collectieve kader (de kerk­gemeenschap) wordt dan snel overgescha­keld op de individuele ontwikkeling van le­venspatronen”[5].
Het is een goede zaak om, als het over onze gewoontes gaat, onszelf bij tijd en wijle eens met een zekere nauwgezetheid te onderzoeken.

Vandaag wil ik de Gereformeerde zede belichten. En wel op een zestal punten.
Dat doe ik om mijzelf op te scherpen. Nee, ik doe het niet om alle lezers van deze internetpagina te dwingen om hun manier van doen aan mij aan te passen; natuurlijk niet. Ik geef mijn gedachten slechts door om u een kapstok aan te reiken; daar kunt u uw eigen Schriftuurlijke gedachtevorming vervolgens aan ophangen.
Hieronder vindt u slechts enkele opmerkingen. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat over het onderwerp nog veel meer te zeggen zou zijn. In die zin schiet dit stukje zonder twijfel schromelijk tekort. Ik troost mij echter met de gedachte dat, als niemand iets over Gereformeerde zede zegt, de stilte ongemakkelijk wordt.

Opmerking 1
Er zijn nogal wat tv-uitzendingen waarin op een of andere manier contact wordt opgenomen met overledenen.
Ook in gesprekken met mensen ‘uit de wereld’ komt dat thema nogal eens langs: hij of zij is nu ergens daarboven. En waarschijnlijk kijkt hij of zij mee…
Men loopt naar het graf van vader, moeder, zoon of dochter. Peinzend kijkt men naar de grafsteen. Soms worden dingen gezegd die heel troostvol lijken. Hij of zij is vast en zeker in de hemel; heel hoog en heel veilig. Hij of zij zweeft boven ons, ergens bij de sterren.
Gereformeerde mensen moeten zich met zulke dingen maar niet bemoeien. De plaats waar de overledene zich bevindt is aan de Here bekend; daar gaan wíj niet over.
Dat is voor heel wat onkerkelijke mensen een buitengewoon schrale troost. Maar des te dringender is de boodschap aan alle mensen op aarde: kom naar de kerk, vertrouw u toe aan Christus!

Opmerking 2
Het wordt in onze wereld steeds ingewikkelder om bij het misbruik van Gods naam en het gebruik van vloeken vandaan te blijven. De naam van God wordt te pas, en vooral te onpas, gebruikt.
In die wereld is het belangrijk om te tonen dat ik gereformeerd ben.
Mijn Bijbels staan zichtbaar in de huiskamer.
In de conversatie met mensen die bij mij over de vloer komen – en dat zijn heus niet allemaal christenen! – wordt onderwerpen als ‘geloof’ en ‘kerk’ niet gemeden.
Op de planken in mijn werkkamer staan heel wat boeken die over kerk en theologie gaan.
De omgang met naasten past bij de regels die de Here in de Schrift geeft. Natuurlijk gaat daarin wel eens iets mis. Maar de grote lijn is duidelijk zichtbaar.
Het merendeel der cabaretiers op tv en radio wordt het zwijgen opgelegd. Geloof en kerk zijn namelijk geliefde onderwerpen, waarover in bijna honderd procent van de gevallen nogal laconiek en te cynisch gedaan wordt.
Ik zou willen zeggen: laten wij niet verbergen dat wij gereforméérd leven.

Opmerking 3
De zondag wordt hoe langer hoe meer een dag om iets sociaals te doen.
Het wordt – bijvoorbeeld – een dag om samen te wandelen, te fietsen of te joggen.
Daarbij is het, zo weet ik uit eigen ervaring, steeds belangrijker om duidelijk te zeggen dat ik op zondag twee keer naar de kerk ga. Als dat door omstandigheden niet kan, staat thuis de kerkontvanger aan.
Op zondag staan, kortom, de kerkdiensten centraal.
Op zondagavond kijken mijn vrouw en ik vaak naar de ’s morgens opgenomen tv-uitzending van Nederland Zingt; het bekende programma van de Evangelische Omroep.
De ervaring leert dat het steeds moeilijker wordt om het reizen op zondag te voorkomen. In dit verband pleit ik er voor om als algemene regel te blijven stellen: de kerkdiensten en de grote aandacht voor Gods Woord mogen beslist niet in de knel komen.
Wat doen we op zondag wél, en wat doen wij niet? Eén van de regels die bij mij geldt, is: zodra ergens voor moet worden betaald, doe ik het niet.

Opmerking 4
In gereformeerde gezinnen is het niet altijd pais en vree. Sterker nog: tussen echtelieden botert het lang niet altijd.
De sfeer in de westerse wereld is bovendien individualistisch. Je moet jezelf redden. Je moet voor jezelf opkomen. Je moet je eigen zin doorzetten. De wereld wil het er wel bij ons in timmeren: een beetje tegendraadsheid kan nooit kwaad.
En hoe vaker de mensen dit soort opinies de wereld in slingeren, des te negatiever wordt de atmosfeer.
Nu het hierom gaat wijs ik op de Zondagen 39 en 41 van de Heidelbergse Catechismus. Daarin gaat het over “alle eer, liefde en trouw”. En over het “heilig huwelijk”[6].
Het huwelijk is, zo leren wij in Efeziërs 5, een beeld van de band tussen Christus en Zijn gemeente[7]. Die kennis alléén al kan er voor zorgen dat we in huwelijk en gezin goed voor elkaar zorgen. Ach, dan is er wel eens kortsluiting. Misschien knalt het zelfs regelmatig. Maar met het uitzicht op onze Here Jezus Christus is er altijd een weg terug.

Opmerking 5
Heden ten dage maken gereformeerde mensen niet zelden deel uit van tamelijk kleine kerken. Dat brengt vaak met zich mee dat men elkaar heel goed kent.
In dergelijke omstandigheden is het, meen ik, van het hoogste belang dat we niet op alle slakjes zout leggen. Misschien ergeren we ons wel eens aan het gedrag van een broeder of zuster. Dat kan best gebeuren. En stel u gerust: dat gebeurt overal.
Gereformeerde mensen moeten zich echter niet te snel opwinden. In een omgeving waarin een groot deel van onze medemensen een kort lontje heeft, is het van belang dat ware gelovigen laten zien dat zij zich pas druk gaan maken als dat de moeite werkelijk wáárd is. Bijvoorbeeld als de eer van God ermee gemoeid is.

Opmerking 6
Wij moeten ons inspannen om de volmaaktheid te bereiken. Zo staat dat in Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus[8].
Maar daarbij zullen we altijd moeten blijven bedenken dat wij die volmaaktheid niet zelf kunnen bereiken. Wij moeten de gerechtigheid in Christus zoeken.
De bovenstaande constatering helpt ons van onze kerkelijke prestatiedrang af. En van onze gejaagdheid. Van ons haantjesgedrag. En van onze stress.
Perfecte mensen worden wij hier op aarde niet.
Maar gereformeerd blijven we wel. Daarom is het goed om onze zeden helder te benoemen en, bij tijd en wijle, zorgvuldig te doordenken.

Noten:
[1] Zie: De Reformatie, jg. 23, nr 15 (10 januari 1948), p. 119. Ook te vinden op  http://www.digibron.nl/search/detail/012f103659f9dba18f35774a/de-gereformeerde-zede .
[2] Dat boek werd uitgegeven door Uitgeverij J.H. Kok te Kampen, en telt 186 pagina’s.
[3] Ook dit boek werd door Kok in Kampen op de markt gebracht. Het heeft 270 pagina’s.
[4] Zie “Ten geleide”. In: Radix 9 (1983), p. 135. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013098fce155787adfd62170/ten-geleide/0 .
[5] Prof. dr. J. van Bruggen, ‘Het christelijk karakter van een gereformeerde school’ . In: “Het Gereformeerd Onderwijs; identiteitsbezinning 1968-1983”. – pagina 51-54.
[6] Heidelbergse Catechismus; Zondag 39, vraag en antwoord 104: “Wat eist God in het vijfde gebod? Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb, omdat God ons door hun hand wil regeren”. En: Heidelbergse Catechismus; Zondag 41, vraag en antwoord 108: “Wat leert ons het zevende gebod? Dat alle onkuisheid door God vervloekt is. Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”.
[7] Uit Efeziërs 5 citeer ik de verzen 25, 26 en 27: “Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”. En de verzen 29, 30, 31 en 32: “… want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente”.
[8] Heidelbergse Catechismus; Zondag 44, antwoord 115: God wil “dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken”.

3 december 2012

Verbod op godslastering

In de Tweede Kamer is, zo werd vorige week bekend, een meerderheid voor het schrappen van het verbod op godslastering.
Dat verbod is, naar men zegt, uit de tijd. Het is, zo wordt zelfs gezegd, “iets voor de liefhebber die erin gelooft”.
De heer Schouw, volksvertegenwoordiger voor D66, deelt ons op beschouwelijke toon mede: “Het verbod op godslastering heeft zijn oorsprong in de tijd van het Oude Testament en hoort niet bij de huidige Nederlandse samenleving noch bij een neutrale overheid”[1].

Leviticus 24
Het verbod op godslastering vinden wij inderdaad in het Oude Testament. Wie Leviticus 24 opslaat kan daar lezen: “En tot de Israëlieten zult gij zeggen: Een ieder, die zijn God vloekt, zal zijn zonde dragen. Wie de Naam des HEREN lastert, zal zeker ter dood gebracht worden: de gehele vergadering zal hem stenigen: zowel een vreemdeling als een geboren Israëliet, zal, wanneer hij de Naam lastert, ter dood gebracht worden”[2].

Verbod opheffen?
Hoort het verbod op vloeken vandaag niet, of niet méér, in de Nederlandse samenleving thuis?
Dat is, naar mijn inzicht, volstrekt onjuist.
En veel te kort door de bocht.

Actueel
Nu het hier om gaat, wijs ik u op Galaten 3.
Daar staat: ieder die zich niet aan de wet Gods houdt is vervloekt.
Vervolgens ligt de vraag voor de hand: als dat laatste waar is zo is, wie kan dán nog bestaan? Welk mens is dan nog werkelijk de moeite waard? We doen immers allemáál zonden? Iedereen is in feite vervloekt. Hoe moet dat nu verder?
Welnu, zegt Paulus, Christus biedt de oplossing. Meer nog: Hij bewerkt verlossing. Hij is voor ons een vloek geworden. Als we dat geloven, mogen we weten dat onze zonden ons niet meer worden aangerekend. We ontvangen geen hemelse tenlastelegging meer.
In Galaten 3 staat het zo: “Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof”[3].
Dit alles zo zijnde is het volkomen ongerijmd om vloeken toe te staan. Immers, dat betekent dat men Jezus’ naam misbruikt. De naam van de Redder van het leven wordt gebezigd om éigen kracht te demonstreren. Vloeken, dat betekent ten diepste: men negeert de door God aangeboden verlossing volkomen; de belofte van eeuwig geluk legt men naast zich neer.
Dat geldt ook vandaag.
Zo bezien is het verbod op Godslastering nog altijd reuze actueel.

Neutrale regering?
Maar wat gebeurt er als de Nederlandse ministers dat niet geloven?
Hoe moet het verder als in de regering en het parlement het ongeloof overheerst?
Men kan het in Galaten 3 bedoelde geloof toch niet opleggen? Wij kunnen toch niet zeggen: vanaf heden bent u verplicht christelijk te denken?
Wat gebeurt er als de regering neutraal is?

Voor of tegen
Het is, dunkt mij, in dit verband van groot belang om te bedenken dat de overheid helemaal niet neutraal kán zijn.
Graag vraag ik een ogenblik aandacht voor een gedachtegang die we tegenkomen in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
De taak van de overheid “is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”[4] .
En er is meer.
Wie de onderwerpen openbare orde, veiligheid, geloof en religie aan de orde stelt, kan moeilijk aan een grijs gebied denken. Het is wat lastig om een beetje veiligheid aan de burger te bieden. Het komt ongeloofwaardig over als gezagsdragers enige ruimte geven aan een stukje geloof. Het is niet erg logisch om te roepen dat men incidenteel respect heeft voor een levensovertuiging.
Het is, kortom, voor of tegen.
Hoezo onpartijdige overheid?
Hoezo onbevooroordeelde regering?

Christenen gekwetst
Sprekend over het verbod op godslastering kan men zeggen: u kunt niet bewijzen dat God belasterd is; er komt toch geen motie van afkeuring uit de hemel?
Bovendien kan men – menselijk gesproken – opmerken: nou ja, een groot deel van de Neêrlandse bevolking vloekt wel eens; en een verbod wérkt gewoon niet.
Maar zulke redeneringen zijn, wat mij betreft, net iets te makkelijk. Wij raken hier, naar het mij voorkomt, een zeer principieel punt. Dat blijkt te meer als de D66’er Schouw zegt dat dat verbod “iets is voor de liefhebber die erin gelooft”. Zo wordt geloof gedegradeerd tot een kwestie van hobby. Of van aanleg, misschien.
Zulk denigrerend gepraat gaat voorbij aan het besef dat ware gelovigen zich met de almachtige God, de Schepper van hemel en aarde, verbónden weten. De kwestie ligt, nauwkeurig bezien, tamelijk eenvoudig: wie aan God komt, komt aan ons. Of ook: wie het Woord negeert, komt aan kerkmensen.
Laten we het maar ronduit zeggen: hier worden heel veel mensen in het diepste van hun bestaan gekwetst.

Een dreun voor kerkgangers
Nu gaat de heer Schouw misschien vertellen dat dat laatste geenszins de bedoeling is.
Intussen gebeurt dat echter wél.
En dat weet meneer Schouw best.
Willens en wetens geeft hij alle gelovige kerkgangers van 2012 een flinke dreun.
Laat ik het maar eerlijk zeggen: dat vind ik een smakeloze actie, die ik van een parlementariër van enig aanzien geenszins verwacht.

De tegenstelling verscherpt
Nog één ding.
Het lijkt er – in algemene zin – op dat de parlementariërs zeggen: de tijd is rijp om een aantal maatregelen, die tegen christenen gericht zijn, nu maar eens dóór te zetten.
Per slot van rekening heeft VVD-premier Rutte onlangs zijn blijdschap getoond omdat ‘zijn’ partij weer vaart kan maken met het aan de orde stellen van immateriële thema’s, zoals gewetensbezwaarde ambtenaren en diverse medisch-ethische aangelegenheden[5].
In zo’n werkomgeving kunnen seculiere sprekers hun geluk best eens gaan beproeven…
De conclusie is welhaast onontkoombaar: de tegenstelling tussen kerk en wereld wordt scherper.
Daarom besluit ik dit artikel met een citaat uit Openbaring 22.
“Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd.
Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is. Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde. Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad”[6].

Noten:
[1] Zie http://www.rkk.nl/actualiteit/2012/detail_objectID751518_FJaar2012.html . Zie voor meer informatie over de heer Schouw http://nl.wikipedia.org/wiki/Gerard_Schouw .
[2] Leviticus 24:15 en 16.
[3] Galaten 3:10-14.
[4] Dit zijn woorden uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
[5] Gerard Vroegindeweij, “Rutte: Vol gas op immateriële beleidspunten”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 26 november 2012, pagina 1.
[6] Openbaring 22:11-14.

Blog op WordPress.com.