gereformeerd leven in nederland

10 december 2018

Titus 2 en meervoudige religiositeit

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Hoe herken je christenen in deze wereld?
Zij hebben geen etiket op. Zij hebben geen bijzondere kleding aan; behalve op zondag.
Toch zijn ze, als het goed is, herkenbaar. Volgens Titus 2, althans.

Christenen praten op een manier die bij het Evangelie past.
Oudere mannen moeten beheerst zijn. Bezonnen. Wijs en verstandig, vanuit het geloof. En zuiver in de geloofsleer[1].
Oudere vrouwen moeten jonge vrouwen leren wat goed is. Zij moeten bovendien trouw zijn in het huishouden. Zeg maar gewoon: ze moeten de boel netjes voor elkaar hebben.
Jongere mannen moeten de kunst van ouderen afkijken.
Zuiverheid, waardigheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, godsvrucht – het komt in Titus 2 allemaal langs[2].

Het is de bedoeling dat christenen op die manier leven “terwijl wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker, ​Jezus​ ​Christus. Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle ​wetteloosheid​ en voor Zichzelf een eigen volk zou ​reinigen, ijverig in goede werken”[3].

Het Evangelie van Pasen en het blijde bericht van de wederkomst van de Heiland worden in één adem genoemd. Het Paasevangelie, Christus’ wederkomst en onze levensstijl zijn sterk aan elkaar verbonden!

Het is van enig belang om dat te benadrukken.

Onlangs werden resultaten bekend van het onderzoek ‘Meervoudig religieus: Spirituele openheid en creativiteit onder Nederlanders’.
Het Reformatorisch Dagblad meldde op woensdag 5 december: “Na het combineren van christendom en boeddhisme komt het mengen van christendom en jodendom het vaakst voor. Het christelijk geloof blijft vaak de boventoon voeren, omdat dit in veel gevallen de oorspronkelijke religie van mensen is.
Het gebeurt ook dat elementen van de islam worden overgenomen of dat moslims onderdelen van andere godsdiensten overnemen. Het kan daarbij gaan om rituelen of praktijken, zoals mediteren of vasten, maar ook om directe betrokkenheid bij een gemeenschap of het ervaren van emoties. Ongeveer 7 procent van de bevolking combineert christendom en islam”[4].

Dat klinkt allemaal oecumenisch. Of op z’n minst vredelievend. Aantrekkelijk misschien ook – u kunt overal een beetje meedoen en meepraten. Daar wordt uw leven rijker van, zeggen de mensen.

Uit Gods Woord leren wij echter dat de Here Jezus Christus ons vrijgekocht heeft. Hij heeft meer dan Zijn rijkdom gegeven. Zijn leven namelijk. En Hij komt terug om al Zijn kinderen te verzamelen en hen mee te nemen naar Zijn woonplaats, de hemel.
Verlossing van de zonde – dat is de meest structurele hulp die er geboden wordt. Voor die verlossing kunnen wij niet zelf zorgen. Wij kunnen voor onze verlossing geen eigen bijdrage leveren. We kunnen niks betalen. Lichamelijke of geestelijke inspanningen helpen niet.
Het christelijk geloof is daarin uniek. Het is daarom, goed beschouwd, mijlenver van andere godsdiensten verwijderd.

Er staat nog meer in Titus 2.
Namelijk dit.
De Heiland heeft ons vrijgekocht van alle wetteloosheid.
Thans hebben westerlingen van 2018 wellicht de neiging om te gaan protesteren. Als je niet christelijk bent, of niet christelijk doet, wil dat toch niet meteen zeggen dat je wettelóós bent?
In het citaat staat een vorm van het Griekse woord anomos.
Een uitlegger schrijft over dat Griekse woord: “In het Oude Testament duidt ‘wetteloos’ op het overtreden van Gods Wet; daarmee is het vrijwel synoniem met goddeloos. Een ‘wetteloze’ stoort zich niet aan Gods geboden en leeft naar eigen maatstaven. We vinden dit vooral in Psalmen, als de schrijver treurt over wie Gods Wet overtreden, en Spreuken, die ons vermanen dat nu juist niet te doen. En bij de profeten, vooral Jesaja en Ezechiël, die veel hebben te vertellen over de wetteloosheid van het volk die zal leiden tot de ballingschap. In het Nieuwe Testament komt het begrip slechts beperkt voor, maar ook daar vooral voor overtreders van Gods Wet. Soms slaat het echter op heidenen. Niet zozeer omdat zij Gods Wet overtreden, maar omdat zij die niet ‘bezitten’”[5].
Welnu, wij zijn het eigendom van de Here Jezus Christus, onze Heiland.
Daarom bezitten wij nu ook de wetten die Hij gegeven heeft.
Dus is wetteloosheid ongerijmd. Die kan in de kerk niet meer aan de orde zijn. Dan wordt het doen van goede werken ons handelsmerk!

Dan zijn we zelfs ijverig in goede werken, schrijft Paulus aan Titus.
En misschien denkt een enkeling in 2018 wel: ‘Het is al zo’n hectische tijd. Komt deze drukdoenerigheid er nu ook nog bij?’.
Laten wij niet vergeten dat de Heiland voor ons geleden heeft om voor Zichzelf een eigen volk te ​reinigen. Ziet u dat? Hij doet het Zelf. Hijzelf legt ons leven op een nieuwe koers!

Nee, die reiniging is geen gelukkige combinatie van componenten uit – pak ‘m beet – drie of vier godsdiensten.
Sommige mensen denken geluk af te kunnen dwingen door de juiste mix van godsdienst, meditatie, rust en persoonlijke emotie.
De onderzoekster die de hierboven gememoreerde research deed, zegt: “Sommige mensen ervaren onvrede over hun kerk. Over de nadruk op zonden, dogma’s en dat je moet geloven, terwijl emotionele betrokkenheid voor hen veel belangrijker is”.
En:
“Multireligieuzen vormen geen groep, maar zijn een verzameling van losse individuen. Tegelijkertijd is er een sterk verlangen naar gemeenschapszin”[6].
Flexibel geloven, heet zoiets vandaag de dag.

Gereformeerde mensen mogen het zeggen: als er Iemand bij onze levens betrokken is, dan is het onze Heiland wel. Hij heeft Zich aan Zijn kinderen verbonden. Jawel, met een eeuwig verbond. Een verbond tot voorbij Christus’ wederkomst dus. Een verbond tot in de hemel.
Daar is heus geen mooie menselijke mix voor nodig!

Noten:
[1] Zie de onlineversie van de Studiebijbel; woordstudie hugiainontas (= gezond zijn).
[2] Zie Titus 2:1-12.
[3] Titus 2:13 en 14.
[4] “Kwart Nederlanders combineert verschillende godsdiensten”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 5 december 2018, p. 15.
[5] Geciteerd van https://broedersinchristus.nl/bijbelse-woorden-anomos-wetteloos ; geraadpleegd op donderdag 6 december 2018.
[6] De onderzoekster in kwestie is Joantine Berghuijs. De resultaten van haar onderzoek staan in: “Meervoudig religieus: spirituele openheid en creativiteit onder Nederlanders”. – Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018. – 308 p. Zie ook https://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/nieuws-en-agenda/nieuwsarchief/2018/okt-dec/181112-vu-onderzoeker-joantine-berghuijs-publiceert-nieuwe-boek-meervoudig-religieus.aspx ; geraadpleegd op donderdag 6 december 2018.

6 november 2018

Goed zoals je bent…?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Je mag bij de Here komen zoals je bent. Dat hoor je tegenwoordig nog wel eens zeggen.
En het klinkt logisch. Trouwens – iets anders hebben wij toch niet in de aanbieding?

Je mag bij de Here komen zoals je bent, zeggen de mensen.
Maar in Leviticus 11 lees ik: “U moet zich ​heiligen​ en ​heilig​ zijn, want Ik ben ​heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land ​Egypte​ heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet ​heilig​ zijn, want Ik ben ​heilig”[1].
Met andere woorden: wie bij de Here hoort, houdt er een passende levensstijl op na.

Anno Domini 2018 gelden geen voorschriften meer over het wel of niet eten van kruipende dieren.
Maar 1 Petrus 1 staat nog immer in de Bijbel: “Maar zoals Hij Die u geroepen heeft, ​heilig​ is, word zo ook zelf ​heilig​ in heel uw levenswandel, want er staat geschreven: Wees ​heilig, want Ik ben ​heilig. En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren”[2].
Ziet u dat? Onze God beoordeelt ieders werk.
Wie in gebed naar de Here gaat, doet bepaalde dingen niet. Of niet meer.
Wie in gebed naar de Here gaat heeft een werkstijl die past bij Gods wetten en regels. En als hij die niet heeft is de bidder zeker van plan zijn levenshouding aan te passen!

Je mag bij de Here komen zoals je bent, zeggen de mensen.
Maar God is je Vriend niet.
Er zijn wel predikanten die ons leren dat je een vertrouwelijke relatie met God kunt hebben en dat Jezus je Vriend is. Gemakshalve vermelden die dominees dan niet dat wij in de vreze van de Here moeten wandelen. Eerbied voor de Here – daar gaat het om.

Eerbiedig zijn – dat spelen we niet klaar als wij slechts onze eigen energie inzetten.
Dat blijkt ook uit 1 Petrus 1.
U mag leven in de wetenschap “dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van ​Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam”[3].
Wij leven niet maar zo’n beetje voor ons uit.
Wij zijn onverbrekelijk aan Christus verbonden. Hij heeft een hoge prijs voor ons betaald!

Je mag bij de Here komen zoals je bent, zeggen de mensen.
Maar als we dat zouden doen, kwamen we bij Hem als goddeloze mensen. Als mensen die zichzelf konden redden. Als mensen die hun zaakjes iedere dag zelf op orde brengen.
Welnu – uit 1 Petrus 1 leren we iets heel anders. Namelijk dit: “Door Hem gelooft u in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof en hoop op God gericht zijn”[4].
De Geest van Jezus heeft het leven van Gods kinderen al veranderd. En wel door het lijden, het sterven en de opstanding van de Heiland.
Zo komt het dat wij in God geloven.
Zo komt het dat onze hoop helemaal gericht is op de toekomst met God.

Paulus schrijft aan de christenen in Efeze: “Want uit ​genade​ bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen. Want wij zijn maaksel, geschapen in ​Christus​ ​Jezus​ om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”[5].
Met andere woorden –
God heeft ons zo geschapen dat wij Hem dienen. Hij heeft van tevoren al bedacht met welke gaven en op welke wijze wij Hem in dit aardse leven zullen eren.

Je mag bij de Here komen zoals je bent, zeggen de mensen.
Het zou al beter zijn als men zei: je mag bij de Here komen zoals je bent geworden.

Immers – onze God vindt Zijn kinderen te kostbaar om hen te laten zoals zij zijn.
Christus heeft, schrijft de apostel Paulus in Efeziërs 5, de gemeente liefgehad “en Zich voor haar overgegeven, opdat Hij haar zou ​heiligen, door haar te ​reinigen​ met het waterbad door het Woord, opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een ​gemeente​ zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij ​heilig​ en smetteloos zou zijn”[6].
Je mag bij de Here komen zoals je bent, zeggen de mensen.

Laten wij maar zeggen: je mag bij de Here komen
zoals je nu bent
omdat je Jezus Christus kent
!

Noten:
[1] Leviticus 11:44 en 45.
[2] 1 Petrus 1:15, 16 en 17 a.
[3] 1 Petrus 1:18 en 19.
[4] 1 Petrus 1:21 en 22.
[5] Efeziërs 2:8, 9 en 10.
[6] Efeziërs 5:25, 26 en 27.

27 maart 2018

Zondag 32 en Jan Slagter

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Waarom moeten wij goede werken doen?
Antwoord: Om onze dankbaarheid te tonen. En om Hem met ons werk te prijzen.

In Zondag 32 van de Heidelbergse Catechismus staat het zo:
“Nu wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antwoord:
Omdat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld, opdat wij met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden en opdat Hij door ons geprezen wordt. Vervolgens om zelf uit de vruchten zeker te zijn van ons geloof en om door onze godvrezende levenswandel ook onze naasten voor Christus te winnen”[1].

Met een goed werk eren we Christus.
Als het goed is, tonen we in al ons doen en laten onze dankbaarheid. Wij zijn gered door de Heiland. Wat magnifiek is dat!
Als het goed is, is heel ons bestaan een leven vol dank aan God.

Het is belangrijk om dat vast te houden: heel ons bestaan is een leven vol dank aan God.

Ook buiten de kerk zijn mensen die goede activiteiten ontplooien.
Die mensen zijn soms bewonderenswaardig.

Een van die mensen is, wat mij betreft, Jan Slagter. Hij is directeur van Omroep MAX.
In het Nederlands Dagblad stond onlangs een vraaggesprek met hem.

Slagter merkte op: “Geluk moet je delen, het is niet iets voor jezelf. Ik zie veel ongelukkige mensen, zeker voor mijn programma Max Maakt Mogelijk. Dat gaat me niet in de koude kleren zitten: de tranen schieten in mijn ogen. Ik vind het fijn dat wij als omroep, met de kijkers, mensen een beetje perspectief kunnen geven. Dat oudere mensen in Moldavië hout en kolen kunnen krijgen, waardoor ze het warm hebben in hun huis en niet doodvriezen. Als ik dan terugkom en ik zie het geluk in hun ogen, geeft dat mij ook een goed gevoel. Waar ik ongelukkig van word, is negativiteit, mensen die snel roepen: ‘Het kan niet’. Toen ik in 2002 begon met omroep MAX, had ik totaal geen verstand van tv of radio. Ik wist amper hoe ik een tv aan of uit moest zetten. Maar ik heb er wel altijd in geloofd. Als je ergens in gelooft, is de helft gewonnen en komt de rest vanzelf”.
In hetzelfde artikel stond ook te lezen: “Als geld je gelukkig maakt, ben je heel erg arm’, zegt Jan Slagter, directeur van Omroep MAX. Hij zet zich graag in voor ouderen die alleen van een AOW moeten rondkomen. Hij begon vorig jaar het Ben Oude Nijhuis, een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie”.
Nee, Jan Slagter zit niet stil.
Hij doet heel veel goede dingen.
Men kan zijn werkkracht bewonderen.
Men kan denken: waren er maar meer van zulke mensen!

Edoch, zo simpel ligt dat niet.

In datzelfde artikel zegt Slagter namelijk ook:
“‘Ik heb een leuke jeugd gehad en ging ook graag naar de kerk. Omdat mijn vader organist was, moest ik twee keer mee, maar ik vond dat geen straf. Nog steeds kan ik heerlijk meezingen met liederen als ‘t Hijgend hert’ en ‘Vaste rots van mijn behoud’. Ik vind dat mooi, het roept nostalgische gevoelens op. Ik zou het prachtig vinden als het allemaal waar was, daarom heet het ook geloven. Ik ben meer een ongelovige Thomas: eerst zien, dan geloven. Ik heb moeite met alles wat er in de wereld gebeurt. Het is zo onrechtvaardig, zo verkeerd verdeeld. Dan is het heel simpel om te zeggen: ik zou het niet laten gebeuren. Christenen zeggen: ‘Dat komt door de zondeval’. Ik draag mijn gereformeerde opvoeding nog wel met mij mee. Op de begrafenis van mijn vader zongen we ‘Blijf bij mij, Heer’. Dan schiet ik vol. Ze zeggen wel: eens gereformeerd, altijd gereformeerd. Dat merk ik ook aan de mensen die bij MAX werken en gereformeerd zijn opgevoed”[2].

Het is duidelijk: het ‘Gereformeerde fundament’ ligt er bij Slagter nog wel.
Maar hij heeft zoveel in de wereld gezien.
En toen sijpelde het geloof weg. Zomaar.
Het klinkt als: ach, ik kon er weinig aan doen dat mijn geloof verdween…

Er is een opvallend verschil tussen Zondag 32 en Jan Slagter.
In Zondag 32 wordt duidelijk dat in het christelijk leven de goede werken meer geloofszekerheid geven.
In het leven van Jan Slagter gaf het lenigen van nood geloofsonzekerheid. Want er was nog zoveel ellende in de buurt.

Hoe kan dat toch?
Waar zit dat verschil nou toch in?

Als u het mij vraagt, is het verschil:
* Jan Slagter kijkt naar menselijk leed, en probeert daar wat aan te doen
* Een christen belijdt “…dat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld”. Daarin ligt de reden van goede werken van christenen. Het werk van de Heiland is de grond onder de activiteit van Gereformeerden.

Nogmaals – het eerste antwoord van Zondag 32 heeft als inzet: “Omdat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld…”.
Jan Slagter weet wie Christus is; maar Jan vertrouwt Hem niet
Jan Slagter doet goede werken op eigen kracht. Want als Christus zo machtig is, dan zou Hij toch al lang wat aan al die ellende in de wereld gedaan hebben?

Er zit, denk ik, heel veel achter die woorden van Jan Slagter.
En als ik om mij heen kijk…, ach – dan snap ik Jan Slagter zo goed.

Maar weet u wat ik bewonderenswaardig zou vinden?
Ik zou Jan Slagter nog meer bewonderen als hij Zondag 32 van de Heidelbergse Catechismus eens lezen zou.
Ik hoop dat Jan Slagter dan niet naar zichzelf kijkt, maar naar Jezus Christus. Naar de Heiland dus. Onze Zaligmaker is alle bewondering waard.

Schrijver dezes blijft het de Apostolische Geloofsbelijdenis gelovig nazeggen: “Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde. En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here”.

Dat blijde geloof gun ik Jan Slagter ook!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 32, vraag en antwoord 86.
[2] Hendriëlle de Groot, “Ik ben meer een ongelovige Thomas” – vraaggesprek met Jan Slagter. In: Leven, bijlage bij het Nederlands Dagblad, woensdag 14 maart 2018, p. 3.

30 januari 2018

Nieuw past niet bij oud

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De toegangspoort naar de hemel is open[1].
Jezus Christus heeft de toegangspoort geopend.
En de vraag klinkt alle eeuwen door:
* kunnen wij die toegangspoort zelf niet open zetten, al was het maar op een klein kiertje?
* kunnen wij zelf iets niet een heel klein beetje aan onze vrijspraak bijdragen?

Die vragen komen aan de orde in Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus.
U kent die vragen en antwoorden wellicht wel:
“Vraag:
Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?Antwoord: Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn.
Vraag:
Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
Antwoord:
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven.
Vraag:
Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord:
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[2].

Het antwoord op die vragen blijkt ten diepste onomstotelijk vast te staan: de toegang tot God is door de Heiland gegeven. Wij mogen pleiten op Zijn werk. Hij plaveide de weg naar Gods troon.

We weten, neem ik aan, allemaal wel wat goede werken zijn.
Dat leren we trouwens ook uit de Heidelbergse Catechismus:
* goede werken doen we uit waar geloof
* goede werken zijn gebaseerd op Gods wet
* goede werken komen niet voort uit eigen mening of orders van andere mensen[3].

De Farizeeën staan er in de Bijbel om bekend dat ze allerlei dingen doen om schijnvroomheid uit te stralen. Bij hun schijnvroomheid is hun eigen creativiteit het uitgangspunt.

Jezus stelt die nepvroomheid aan de kaak in Marcus 2.
Dat gaat zo.
“En de discipelen van Johannes en van de Farizeeën ​vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom ​vasten​ de discipelen van Johannes en van de Farizeeën wel en waarom ​vasten​ Uw discipelen niet? En ​Jezus​ zei tegen hen: De bruiloftsgasten kunnen toch niet ​vasten​ terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet ​vasten, maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan, in die dagen, zullen zij ​vasten”[4].
Als de Bruidegom aanwezig is, wordt het feest in de kerk!

In Marcus 2 staan in dit verband een paar voorbeelden die voor de goede verstaander veel verhelderen.

Ik citeer:
“En niemand naait een lap niet-gekrompen stof op een oud ​bovenkleed; anders scheurt de nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude bovenkleed en ontstaat er een ergere scheur.
Ook doet niemand nieuwe ​wijn​ in oude leren zakken; anders doet de nieuwe ​wijn​ de zakken barsten en stroomt de ​wijn​ eruit en gaan de zakken verloren; maar nieuwe ​wijn​ moet men in nieuwe zakken doen”[5].

Wat betekenen die illustraties?
Antwoord:
Iets ouds is in deze situatie niet te combineren met iets nieuws. Met andere woorden: met een beetje opknappen van het oude kom je er niet.
Het nieuwe is het Evangelie dat Jezus verkondigt: “De tijd is vervuld en het ​Koninkrijk van God​ is nabijgekomen; bekeer u en geloof het ​Evangelie”[6].
De mensen hebben ook wel door dat Jezus Christus een nieuwe inhoud aan ware Godsdienst geeft: “Wat is dit? Wat voor een nieuwe leer is dit, dat Hij ook de onreine geesten met gezag bevel geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?”[7].

Die tegenstelling oud/nieuw zien we heel duidelijk in het voorbeeld van de wijn in oude en nieuwe zakken.
Een exegeet verduidelijkt: “‘Jonge’ wijn doe je niet in oude leren zakken, maar in ‘nieuwe’. Deze zakken waren gemaakt van dierenhuiden. Nieuwe huiden waren soepel, daar zat nog rek in; oude huiden daarentegen konden niet meer uitzetten en waren stug geworden. Omdat jonge wijn nog aan het gisten is en door gasvorming uitzet, kon deze niet in zulke oude zakken worden gedaan. Deze zouden dan onherroepelijk gaan openbarsten. De ‘jonge wijn’ staat weer voor het Evangelie van de Here Jezus, de ‘oude leren zakken’ voor het joodse geloof met zijn wetten en gebruiken (…). Het vasten zoals de joden dat gewoon waren te doen, past niet bij de nieuwe manier van geloven die hoort bij Jezus’ verkondiging”[8].

Nu begrijpt u, naar ik aanneem, de titel van dit artikel wel. Nieuw past niet bij oud. Met de komst van Jezus naar de aarde is er een nieuw tijdperk aangebroken. Het oude is voorbijgegaan. Niet dat volstrekt waardeloos was. Zeker niet. Maar het Nieuwtestamentisch kader is echt totaal anders dan het Oudtestamentische.

Het is, naar het mij voorkomt, van belang om het bovenstaande goed tot ons door te laten dringen.
Wellicht wordt onze activiteit in de kerk ongewild ook een ‘goed werk’.
Misschien gaan de mensen wel zeggen: ‘die en die man is van grote waarde voor de kerk’. Of: ‘die en die vrouw is een geweldig mens, wat leeft ze mee. Daar héb je wat aan in de kerk’.
Ach… menselijke bewondering? Die hoort bij oud. Die past niet bij nieuwe mensen.
Wij moeten het maar tegen elkaar blijven zeggen: nieuw past niet bij oud.
Ieder kerklid moet, op zijn of haar eigen manier, dankbaar leven voor God. Niets meer. En niets minder.

Noten:
[1] Zie hierover mijn artikel ‘De relevantie van Zondag 23’, hier gepubliceerd op dinsdag 23 januari 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/01/23/de-relevantie-van-zondag-23/ .
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24.
[3] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 91.
[4] Marcus 2:18, 19 en 20.
[5] Marcus 2:21 en 22.
[6] Marcus 1:15.
[7] Marcus 1:27.
[8] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Marcus 2:22.

21 maart 2017

Ga niet alleen door ’t leven

Goede werken: dat zijn activiteiten die passen in het kader van Gods wet.
Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus spreekt daarover: goede werken zijn werken die “alleen die uit waar geloof, naar de wet van God (..) gedaan worden”[1].

Als wordt gesproken over Gods wet, wordt onder meer verwezen naar Leviticus 18: “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God”[2].

In Leviticus 18 wordt gesproken over heiliging. Gods volk is apart gezet om Hem te dienen.
Het is belangrijk om dat goed in beeld te hebben.
Goede werken zijn geen dingen die wij doen omdat ze goed aanvoelen.
Goede werken zijn niet per se goed omdat degene waarvoor wij werken er zoveel beter van wordt.
Goede werken doen we, als het goed (!) is, omdat we door God zijn afgezonderd van de wereld en Hem met ons werk dienen.

In de praktijk betekent dat dat we de gewoontes van de wereld niet klakkeloos overnemen.
We doen andere dingen.
We delen onze tijd anders in.
We stellen andere prioriteiten.
In Leviticus 18 is de boodschap: ga niet net zo doen als Egypte en Kanaän. Leef niet zonder God.
“Ga niet alleen door ’t leven,
Die last is u te zwaar.
Laat Eén u sterkte geven,
Ga tot uw Middelaar!”[3].

Het is wel bekend dat Mozes in Egypte opgevoed en onderwezen is.
Stefanus heeft het er in Handelingen 7 over: “En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden”[4].
Egypte had heel wat wijsheid in huis. Daar gebeurden grote dingen. De redeneringen waren groots. Dat was nog eens wat! Daar kon je mee verder!…
Tenminste, zo leek het.
Maar uiteindelijk ga je, zo leert Gods Woord ons, met al dat inzicht toch roemloos ten onder.

Als wij goede werken doen, maken we gebruik van een ander soort macht!
Dat is de macht die de apostel Paulus aanduidt in 1 Corinthiërs 2: “…ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
En ik was bij u in zwakheid, met vrees en veel beven.
En mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht,
opdat uw geloof niet zou bestaan in wijsheid van mensen, maar in kracht van God”[5].

Paulus schrijft over “geest en kracht”.
Dat betekent: de Heilige Geest vernieuwt onze levens.
Dat betekent: een Goddelijke wijsheid die uiteindelijk tot onze heerlijkheid leidt!

Uit die wijsheid komen onze goede werken voort.
Die wijsheid is ons uitgangspunt bij het maken van onze keuzes.

De wijsheid waarmee God ons siert, geeft ons de mogelijkheid om naar Zijn wet te leven. God zorgt ervoor dat Hij aan Zijn eer komt. Niet vanwege Zijn egocentrisme, maar omdat Hij in deze wereld kalmerend en regulerend bezig is.
De regel “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen” heeft daarom niets te maken met doctrine of dictatuur, maar alles wel met Goddelijke genade.

De schrijver van een hoofdredactioneel commentaar in het Reformatorisch Dagblad noteerde onlangs: “Eeuwenlang zette het joods-christelijk denken een stempel op cultuur en maatschappij. Dat gold niet alleen voor de mensen die naar de synagoge of de kerk gingen, maar ook voor degenen die de kerkdeuren alleen van de buitenkant kenden. Op de bodem van dat historisch erfgoed waren normen en waarden ontwikkeld die door nagenoeg iedereen werden gedragen. Die gedachtewereld zorgde voor cohesie in de samenleving en droeg er in belangrijke mate aan bij dat mensen oog en zorg voor elkaar hadden.
Na de Tweede Wereldoorlog sloeg de secularisatie toe. En ze is nog niet ten einde, blijkens het CBS-onderzoek van deze week dat aantoonde dat steeds minder jongeren naar de kerk gaan.
Die leegloop van de kerken werd vooral door liberalen en libertijnen toegejuicht. Zij waren er warm voorstander van dat mensen zelf hun keuzes maakten, en niet de voorgeschreven lijn van kerk of synagoge volgden. Wie mensen stimuleert om vooral eigen keuzes te maken, moet er niet gek van opkijken dat ze hun eigen levensbeschouwelijke visie ontwikkelen – niet gehinderd door tradities en dogma’s. Dat bevordert het eigenzinnig –lees: egoïstisch – gedrag. Inderdaad, het ‘grote dikke ik’, waar Rutte zozeer tegen waarschuwt”[6].
Daar komen we terecht als ongeloof het trefwoord van de samenleving is!

Het twitteraccount Katholieken Vandaag – @katholiekenvand – twitterde op Aswoensdag, 1 maart jongstleden: “Jezus roept ons op tot gebed, vasten en doen van goede werken. Ongezien en ongeweten; God zal het ons vergelden”.
Dat is een mooie oproep.
Maar wie dat proclameert, moet er in één adem bij zeggen dat het met die goede werken niks wordt als God Zijn genade niet toont.

Als het gaat om leven naar Gods wet, wordt Zijn naam ook in één adem genoemd.
Om dat te bewijzen citeer ik tenslotte nog één keer die tekst uit Leviticus 18: “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God”.

Wie zo leeft, neemt als vanzelf Psalm 19 in de mond.
“Het woord van uw vermaan
neem ik gehoorzaam aan;
het is mijn richtsnoer, Heer.
Elk die op u vertrouwt,
zich aan uw wetten houdt,
zal leven tot uw eer”[7]!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 91.
[2] Leviticus 18:4.
[3] In de Evangelische Liedbundel is dit lied 223. In de zangbundel van Johannes de Heer vinden we dit lied terug als nummer 53.
[4] Handelingen 7:22.
[5] 1 Corinthiërs 2:2-5.
[6] “Klagen” – hoofdredactioneel commentaar. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 25 februari 2017, p. 3.
[7] Dit is het eerste deel van Psalm 19:5 (Gereformeerd Kerkboek).

27 juli 2016

Geestelijke bubbelbaden?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Christenen vergaderen en confereren heel wat af[1]. Omdat zij zich – niet zelden tot hun eigen droefenis – in de kantlijn van de samenleving bevinden, zoeken zij elkaar daar graag op. Bij voorkeur in een conferentiecentrum, of iets dergelijks. Iemand noemde dat eens een ‘geestelijk bubbelbad’[2].

Momenteel staat allerlei bestuursactiviteit en commissiewerk op een tamelijk laag pitje.
We hebben nu dus wel even tijd om, in rust en in bezonnenheid, terug te kijken en vooruit te blikken.
Vergaderen, confereren, congresseren… – waarom besteden wij daar eigenlijk zo veel tijd aan?

In Spreuken 1 lezen wij wat het uitgangspunt van al dat delibereren moet wezen:
“De vreze des Heren is het begin der kennis;
de dwazen verachten wijsheid en tucht”[3].

Naar aanleiding van de tekst schreef ik al eens: “De grote God heeft allerlei verbanden in de schepping gelegd.
De machtige God geeft de mens het vermogen om relaties aan te gaan.
De eeuwige God geeft intelligentie om kennis te verzamelen.
De trouwe Here geeft ons de mogelijkheden om de dingen op een rij te zetten.
Maar dat relateren en systematiseren begint bij de hemelse God. U moet, zo zegt de wijsheidsleraar in Spreuken 1, er allereerst voor zorgen dat u de Here leert kennen”[4].

Wie zijn die dwazen van hierboven?
Om dat te doorzien, moeten we bedenken dat de Spreukenleraar hier vooral wensen en doelen formuleert[5].
En in de Spreuken is het volkomen duidelijk: alles cirkelt de eerbied voor de Here. Wie die eerbied niet als kerndoel ziet, zal nooit een wijze man of vrouw worden.

Op bijeenkomsten en studiedagen moet de eerste vraag niet zijn: ‘Hoe lossen we dit of dat op?’, maar: ‘Wat vraagt de Here in deze situatie van ons?’.
Allen hebben wij de bijna onbedwingbare neiging om te zeggen dat we allerlei praktische zaken moeten oplossen, waarvan de oplossing niet in de Bijbel te vinden is.
Echter: altijd zijn onze oplossingen terug te voeren op één der Tien Geboden. Hoe gaan we met het materiaal dat God ons geeft? En met de gaven die hij schenkt? En met onze onderlinge omgang?
De kennis die we tijdens allerlei bijeenkomsten op doen, zal gespiegeld moeten wezen aan de inhoud van Gods Woord.
Niet geheel toevallig staat in Spreuken 1 ook:
“Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader
en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet;
want zij zijn een liefelijke krans voor uw hoofd,
een keten voor uw hals”[6].
Bij het nemen van allerlei beslissingen maken we, als het goed is, gebruik van de kennis van onze ouders en andere familieleden. Wij luisteren graag naar de kerkleden om ons heen.

In al ons kerkwerk moeten wij de ambitie hebben om de Here te dienen.
Maar daarbij moeten wij tenminste één valkuil ontwijken.
De valkuil der goede werken bedoel ik.

In de editie van het Nederlands Dagblad die op 14 juli jongstleden verschenen is, komt een moslim aan het woord.
Het is Mohamed Ajouaou. Hij is universitair docent islam aan de Vrije Universiteit en hoofd islamitische geestelijke verzorging bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Hij zegt: “In de profetische uitspraken, de hadith, wordt aan de profeet Mohammed gevraagd: moet je een kameel vastbinden, of op God vertrouwen dat hij niet wegloopt? Zijn antwoord: bind de kameel vast aan de boom én hoop op God. Alleen maar op God vertrouwen is niet voldoende om in dit leven verder te komen. Je moet wel wat doen, elke dag proberen in alles beter te zijn. Wat heb je vandaag goed gedaan, wat verkeerd? Elke dag moet je de balans opmaken, en de volgende dag moet er een verschil te zien zijn, als dat niet gebeurt, ben je arm, zegt de hadith”[7].
Geldt iets dergelijks voor Gereformeerden ook?
Moeten wij het elke dag beter doen?
Natuurlijk, het is goed om onszelf bij tijd en wijle te corrigeren.
Maar hebben wij als taak de perfectie na te streven?
Moet uw leven iedere dag een stukje beter worden? Benadert u de volmaaktheid als u – laten we zeggen – 88 jaar bent, terwijl uw zoon van 54 op het perfectiecircuit een heel eind achter u aan komt?
Ik zeg u: neen, geenszins!
Natuurlijk, wij mogen de zonde niet opzoeken. Woekerwinsten en ander onrechtmatig gedoe met geld zijn uit den boze.
Maar niet voor niets eindigt Spreuken 1 met de woorden:
“…de afkerigheid der onverstandigen zal hen doden,
de zorgeloosheid der dwazen zal hen te gronde richten.
Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen,
beveiligd tegen de verschrikking van het onheil”[8].
Er bestaat niet zoiets als super-eerbied. Wij moeten gewoon naar de Here luisteren, en Zijn leiding aanvaarden.
Het allerbeste bereiken wij in dit leven niet.
Superioriteit op deze aarde? Dat loopt op niets uit.
Wij kunnen niets verdienen. Wij zijn slechts in dienst.
Heel ons leven mag en moet van de vreze des Heren doortrokken wezen. Meer vraagt de Here niet van ons. Het is niet voor niets dat de term “vreze des Heren” dertien keer in het Bijbelboek Spreuken voorkomt[9].

Terug nu naar de vergaderingen. Naar de conferenties. Naar de symposia. Naar het commissiewerk en de werkgroepbijeenkomsten.

Nee, die vergaderingen in christelijk Nederland zijn niet bedoeld als geestelijke bubbelbaden.
Nee, die vergaderingen in christelijk Nederland zijn niet bedoeld om Gereformeerden op te jagen.
Alle vergaderingen in christelijk Nederland zijn bedoeld om al Gods kinderen van de vreze des Heren te doortrekken.
Net als zout. Daarom is de slotvraag van dit artikel dezelfde als die in Lucas 14: “Het zout is wel goed, maar wanneer zelfs het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?”[10].

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die gedateerd is op zondag 23 november 1997. Die notitie heeft het volgnummer 547 en is getiteld ‘Christenen en conferenties’.
[2] Dat was Arnold van Heusden. Hij gebruikte de term in de periode dat hij directeur van de Evangelische Alliantie was.
[3] Spreuken 1:7.
[4] Dit citaat komt uit mijn artikel “Het ouderlijk gezag richt ons op het hemels tijdperk”; hier gepubliceerd op dinsdag 27 december 2011. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/12/27/ouderlijk-gezag/ .
[5] Een exegeet schrijft in de webversie van de Studiebijbel: “Het opschrift boven het boek luidt: ‘Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël’ (vers 1). Hierop volgt het doel van het boek: een opsomming van zaken die door het lezen van dit boek geleerd moeten worden. Het is een opsomming van doelen (vers 2-4), wensen (vers 5) en daarna weer doelen (vers 6)”.
[6] Spreuken 1:8 en 9.
[7] Zie: “Elke dag een beter mens” – rubriek Houvast –. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 juli 2016, p. 24. Zie voor meer informatie over de heer Ajouaou http://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/over-de-faculteit/medewerkers/wetenschappelijk-personeel-a-f/m-ajouaou/index.aspx ; geraadpleegd op donderdag 14 juli 2016.
[8] Spreuken 1:32 en 33.
[9] Die uitdrukking komt voor in Spreuken 1:7, en verder in hoofdstuk 1:29; 2:5; 8:13; 9:10; 10:27; 14:26; 14:27; 15:16; 15:33; 16:6; 19:23; 22:4.
[10] Lucas 14:34.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.