gereformeerd leven in nederland

31 maart 2017

Vergadering van verontrusten

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Aan koffietafels en tijdens verenigingsavonden wordt in de Gereformeerde wereld van de eenentwintigste eeuw niet zelden geredekaveld over ‘verontrusten’.
Een ietwat argeloos kerkmens zou kunnen denken dat dat alleen iets van deze tijd is. Ei neen! Niets is minder waar!

Ook in 1972 spreekt men er al van.
In maart van dat jaar staat in een editie van het Nederlands Dagblad een krantenkop: “Verontrusten waren in Groningen bijeen”[1].

Men meldt: “In Groningen werd een landelijke bijeenkomst voor verontrusten gehouden, belegd door de persvereniging ‘Waarheid en Eenheid’ en de Vereniging van Verontrusten in de Geref. Kerken ‘Schrift en Belijdenis’” [moet waarschijnlijk zijn: Schrift en Getuigenis, BdR].

Hier zijn de toenmalige Gereformeerde kerken (synodaal) bedoeld. Dus: de kerkmensen die in 1944 niet met de Vrijmaking waren meegegaan, en hun nazaten. Dit weekblad voor het gereformeerde leven verschijnt, als ik het goed weet, in de periode juli 1948 tot december 1996[2].

Waar spreekt men over tijdens die landelijke bijeenkomst?
Over de reformatorische belijdenis van de verzoening. Dr. E. Masselink houdt een referaat.

Die dominee Evert Masselink (1906-1993) is, wat mij betreft, een nogal bijzondere figuur. Hij wordt bekend door het protest dat hij aantekent tegen het onrecht dat professor dr. K. Schilder indertijd aangedaan is toen hij geschorst werd. Dr. Masselink schrijft tot het laatst van zijn leven over allerlei actuele ontwikkelingen in de kerken. Hij is zeer verontrust over de koers van zijn eigen kerkverband.
Juist daarom vind ik Masselink een bijzondere man. Want dat kan dus, uw ganse aardse leven verontrust zijn. Het is goed mogelijk dat men het in de grond van de zaak eens is met mensen die gewoon Gereformeerd willen blijven, maar dat men zich vervolgens niet bij die Gereformeerden aansluit. Bijvoorbeeld vanwege allerlei nuanceringen. Of bijvoorbeeld vanwege beweegredenen in het sociale vlak.
In dergelijke situaties zit er weinig anders op dan ach en wee te roepen. En natuurlijk kan men uitleggen hoe het wel moet. Maar dat gebeurt dan wel aan de zijlijn. Dat gebeurt in een sfeer waarin mensen zoetjes aan bij God weglopen. Voorzichtiglijk, maar toch.
Wat is mijn conclusie in deze?
Gereformeerd-zijn vereist enige courage. Een zekere dapperheid. Natuurlijk, zachtmoedigheid is een groot goed. Trouw is belangrijk. Maar als de Here roept, kan men niet net doen alsof men niets hoort!

Wat zegt doctor Masselink?
Hij spreekt dus over de belijdenis betreffende de verzoening.
“”Het lijkt niet zo actueel om vandaag over dit onderwerp te spreken” (…) De belijdenis is reeds 400 jaar oud. Elke generatie heeft zijn eigen taak en in elke generatie klinkt het Woord van de Heiland, dat nooit verandert in een wereld, die steeds weer verandert. Het evangelie gaat over alle generaties, maar de zonde ook. Waar valt dan de beslissing? Bij een schot? (…) Bij een persoon? (Hitler). De beslissing valt bij het volk van God, in elk leven waar geloof is. In de tijd van de reformatie heerste de theologische opvatting over natuur en genade; de natuur was verzwakt, moest gewijd worden en de kerk deelt de genade uit aan de verziekte natuur.
Luther vond daarin geen vrede en kwam tot de ontdekking, dat je niet om de bijbel heen kunt. De verhouding is zonde-genade en de genade van Christus is genoeg; zonder kerkbemiddeling, geen werken der wet, maar het geloof alleen.
God is bezig de wereld met zichzelf te verzoenen. Er is maar één die ons ons schuldbesef kan bijbrengen. De Zoon des Mensen is in de wereld gekomen om te dienen, niet om gediend te worden en op die genade zei Luther ‘ja’”.

Ook in 2017 hebben kerkmensen de taak om het Woord van de Heiland na te spreken.
Daar moeten wij niets van af doen. Die neiging hebben wij allen wel. We zeggen dingen liever niet omdat ze in onze wereld niet goed klinken.
Het is niet tof om te zeggen dat de Roomse mis een afgoderij is. Een vervloekte afgoderij, nog wel[3].
Het wordt niet met vreugde ontvangen als u belijdt: “God heeft uitverkoren niet omdat Hij tevoren in de mens geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid of een andere goede eigenschap of aanleg zag, die als oorzaak of voorwaarde in de mens, die uitverkoren zou worden, aanwezig moest zijn. Integendeel, Hij heeft uitverkoren opdat Hij geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid enzovoort zou bewerken”[4]. Wie hardop zegt dat de mens in de grond der zaak door de zonde bedorven is, wordt uitgelachen en weggehoond.
Het is niet in de mode om vast te stellen dat wij “geen enkel ander middel hoeven te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene, eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt”[5].
Wij worden er, als wij Gods Woord zuiver en onverkort naspreken, niet populairder op in deze wereld.

Dominee Masselink herinnert in zijn referaat aan de leer van dr. H. Wiersinga.
Wiersinga meent “dat het niet in Gods programma stond en dat het de menselijke werking was die Hem de vloek van het kruis aandeed en niet God”.
Er staat in het ND-verslag bij:
“Dr. W. wijst ook veel stukken van de catechismus en artikel 20 en 21 NGB af. Hij ontkent de waarde van de verzoening van Christus en hierbij doet hij dus tekort aan het evangelie voor zondaren.
Er is hier een hele trend gaande die het evangelie in het hart raakt. Het gaat niet om mensen, maar om het Woord van God, dat is de Reformatorische belijdenis van de verzoening”.

Hoe is de situatie in onze tijd?
De verzoeningsleer staat in het onderwijs van de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit Kampen onder druk. Deze zaak blijkt – hoe droevig dat ook is – opnieuw actueel te zijn geworden[6]!

Doctor Masselink heeft blijkens het verslag in het Nederlands Dagblad gezegd: “Het gaat niet om mensen, maar om het Woord van God”.
Inderdaad: dat is van eminent belang. Ook in de eenentwintigste eeuw. Wie dat Woord onverkort handhaaft, vindt zijn rust weer terug.

En ik noteer het tenslotte nog eens met nadruk: laten wij niet gedurende heel ons aardse leven verontrust blijven!

Noten:
[1] “Verontrusten waren in Groningen bijeen”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 15 maart 1972, p. 2.
[2] Zie http://www.hdc.vu.nl/nl/Images/Waarheid_en_Eenheid_tcm215-132976.pdf ; geraadpleegd op dinsdag 28 februari 2017.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 30, antwoord 80.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 9.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[6] Hierover schreef ik op deze plaats reeds vaker. U kunt de betreffende artikelen vinden via https://bderoos.wordpress.com/tag/j-m-burger/ .

1 april 2016

Binding aan de belijdenis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Dwalingen zullen er in de kerk altijd zijn. De vraag is alleen: wanneer zien wij die?
De waarheid is even hard als duidelijk: de meeste kerkmensen ontdekken die afwijkingen nogal laat. Als hun ogen open gaan, blijkt de dwaalleer eigenlijk al heel lang rondgebazuind te zijn.

Schrijver dezes is niet de eerste die dat signaleert.
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant F. Mul (1915-2000) schrijft daar in zijn tijd ook al over.
Op maandag 29 maart 1971 neemt het Nederlands Dagblad een artikel over uit het kerkblad van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in Berkum en omstreken[1].

Dominee Mul schrijft eerst over de situatie in de Gereformeerde kerken (synodaal).
En wel als volgt.
“Nu is er in de ‘eigen kring’ van dr. Wiersinga direct al een geweldige ‘deining’ ontstaan. Men begint toch langzamerhand te begrijpen dat het zo niet goed gaat. Eerst is daar al geweest de opzienbarende leer van prof. Kuitert, dat Adam niet werkelijk bestaan zou hebben, waar tegelijkertijd overheen kwam dat andere geleerden de betrouwbaarheid van de evangelieën in twijfel gingen trekken.

En nu komt daar weer achteraan rollen een bestrijding van de schriftuurlijke verzoeningsleer.

Het wordt nu sommigen toch al te gortig. Prof. H. Ridderbos ‘moet’ er wel voor uitkomen (en doet dat ook eerlijk) dat de Geref. kerken op een heilloze weg zijn op deze manier. Hij heeft indertijd al wel op een voorzichtige wijze te kennen gegeven dat hij de opvatting van prof. Kuitert over Adam beslist niet kan delen. Maar hij schrijft thans over het ingaan tegen de belijdenis van de kerk als een groot kwaad, waarbij er het gevaar is dezelfde kant uit te gaan als de Hervormde kerk; waarin geen leertucht is, en allerlei ‘groepen’ en ‘modaliteiten’ eigen wegen gaan. Hij schrijft letterlijk: ‘onze gereformeerde kerken staan in deze tijd op de tweesprong of zij haar verleden al dan niet willen verloochenen’.

Tot zover dit eerste citaat.

Doctor Wiersinga – wie is dat ook al weer?
“Herman Wiersinga promoveert op het onderwerp ‘De verzoening in de theologische discussie’. Wiersinga heeft bezwaren tegen de traditionele gereformeerde verzoeningsleer. Hij vroeg meer aandacht voor de mens en de menselijke activiteit in het verzoeningsproces. De synode zou in de jaren daarna dit proefschrift veroordelen: ‘Door te ontkennen dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft, tast dr. Wiersinga een essentieel bestanddeel aan van de verzoeningsleer van de confessie en doet hij tekort aan de rechte prediking van het evangelie’. Toch ging Wiersinga vrijuit”[2].

Hierboven wordt ook geschreven over professor H.N. Ridderbos (1909-2007), indertijd hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Hogeschool (Oudestraat). Hij nam het indertijd, als opponent van Wiersinga, op voor de klassieke verzoeningsleer[3].

Laten wij zien wat dominee Mul verder te zeggen heeft.
Hij geeft enkele wijze lessen. Leest u maar mee.

“Nu is naar onze overtuiging die verloochening van het verleden reeds begonnen in 1944. Toen zijn de gereformeerde kerken, die achter de Synodebesluiten van toen bleven ‘aanlopen’ afgestapt van het fundament van de 3 Formulieren van Enigheid. Prof. H. Ridderbos was toen wel een van degenen die verschrikkelijk tegen prof. Schilder e.a. te keer gingen en die de Vrijmaking meende te moeten beoordelen als een ‘revolutionair zaakje’.
En ziet, thans moet deze hoogleraar bekennen dat het grondig mis is in zijn kerkgemeenschap.
Nu kan men natuurlijk zeggen dat de strijd rondom de vrijmaking iets heel anders was dan de strijd van heden, en dat de afval van heden niet een wiskundig bewijs is dat het 25 jaar geleden al mis was. Dat is op zich natuurlijk waar.
Maar dit is de zaak: men kan het fundament van de belijdenis loslaten, door bovenschriftuurlijke bindingen (zoals in 1944), en door onschriftuurlijke leringen (zoals thans). Maar dat ligt in dezelfde lijn.
En nu ‘holt het achteruit’. Prof. Douma schrijft in De Reformatie: deze moderne opvatting van dr. Wiersinga past wel in de Synodale kerkgemeenschap, die immers al doordrenkt is van modernisme. Overigens voelt prof. Ridderbos wel aan waar de schoen wringt. Wanneer men meent dat op een bepaald punt de belijdenis niet juist is, dan is daar de kerkelijke weg om de zaak aan de orde te stellen. Met een wat geleerd woord noemt men dat: een gravamen indienen bij de kerkelijke vergaderingen. Zo hebben de ambtsdragers dat ook beloofd bij hun handtekening onder het ondertekeningsformulier.
Maar: dat doet men niet. Prof. Ridderbos gaat behoorlijk te keer tegen prof. Kuitert en dr. Wiersinga: Waarom zij met met een bezwaarschrift bij de kerk zijn gekomen in plaats van openlijk hun afwijkende gevoelens te propageren?
Inderdaad: nu is het gevolg dat er aanklachten komen met al de moeites er aan verbonden.
Waar zal dit alles op uitlopen? Dat weet uiteraard niemand. Zelfs de z.g. verontrusten, die al jaren lang dit kwaad hebben gezien, komen maar niet tot de daad van de vrijmaking. En mensen als prof. Ridderbos zullen het desnoods wel ‘slikken’ als hun kerk helemaal aan de Hervormde kerk gelijk zou worden. Menselijkerwijs gezien zijn de vooruitzichten vrij somber. En wij moeten maar niet ‘hoog van de toren blazen’. Wij hebben ook onze eigen worstelingen. Misschien kunnen wij er nog een beschamende les uit leren.
Moeten wij dan van een man als prof. Ridderbos leren dat het toch wel belangrijk is dat iedere ambtsdrager zich houdt, aan het ondertekeningsformulier? Dat de binding aan de belijdenis een levenskwestie voor de kerk des Heren is?
Dat er daarom een roeping lag voor iemand als ds. Telder, die een afwijkend gevoelen had t.o.v. Zondag 22 van de Heid. Cat., om in de kerkelijke weg deze zaak aan de orde te stellen? En dat er ‘ongelukken van komen’ als dat niet gebeurt; terwijl wel openlijk erover geschreven wordt?
Moeten wij er dan nog van leren dat de kerk altijd oproepen moet tot de binding aan de belijdenis? Zou niet veel onheil zijn voorkomen als iedere ambtsdrager zich daaraan gehouden had?”.

Als wij het bovenstaande lezen, beseffen wij hoe belangrijk de onderstaande passage uit het ondertekeningsformulier voor dienaren des Woords!
“Voor het geval wij ooit een bedenking tegen deze leer of een afwijkende mening zouden krijgen, beloven wij dat wij die niet openlijk noch anderszins zullen uiteenzetten, leren of verdedigen, hetzij mondeling of schriftelijk, maar dat wij ons gevoelen in de kerkelijke weg aan de kerkelijke vergaderingen voor onderzoek zullen voorleggen”.

De belijdenisgeschriften geven een goede samenvatting van Gods Woord.
Predikanten, ouderlingen en diakenen moeten die belijdenis naspreken. Laten zij maar kritisch naar elkaar luisteren. Niet om elkaar te oefenen in muggenzifterij, of het accentueren van punten, komma’s dan wel andere leestekens. Maar wel om in den beginne de geest van de dwaling te herkennen en te bestrijden.
Zulke strijd is van alle tijden. Paulus schreef al aan Timotheüs: “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld. Gíj zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is. Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij uit de wereld en hoort de wereld naar hen. Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons; wie uit God niet is, hoort naar ons niet. Hieraan onderkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling”[4].

Elkaar terechtwijzen – dat is eigenlijk: elkaar de juiste plek wijzen. Dat doen wij, als het goed is, in liefde.
Daarbij kunnen de lessen van dominee Mul ons nog altijd goede diensten bewijzen.

Noten:
[1] “Onheil voorkomen”. In: Nederlands Dagblad, maandag 29 maart 1971, p. 2. Onder meer te vinden via www.delpher.nl  .
[2] Zie https://gereformeerden.wordpress.com/1971/01/01/wiersinga-veroordeeld/ . Informatie over Wiersinga staat ook op https://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Wiersinga . Geraadpleegd op vrijdag 25 maart 2016.
[3] Zie over hem https://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Ridderbos . Geraadpleegd op vrijdag 25 maart 2016.
[4] 1 Johannes 4:1-6.

20 september 2013

De zin van het lijden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Het lijden in de wereld heeft in verleden en heden al heel wat pennen in beweging gebracht. Computerschermen zijn urenlang verlicht geweest omdat allerlei ijverige scribenten in lange betogen de zin en onzin van ’s werelds lijden in kaart wilden brengen[1].

Karl Barth beweerde in zijn tijd dat Gods almacht een aanduiding is voor het Goddelijk vermogen om onmachtig te zijn[2].
De schrijver/bioloog Maarten ’t Hart acht het volstrekt niet acceptabel om bij zóveel ellende in de wereld nog over een vaderhand te spreken. Als je dat doet, houd je – zegt hij – jezelf voor de gek. Het lijkt wel alsof God een wrede tiran is die mensen graag kwelt.
De synodaal-gereformeerde predikant H. Wiersinga meent dat God Zich uit de wereld laat wegdrukken. Hij is zwak. En weerloos.

Wat kunnen Gereformeerde mensen over dit thema zeggen?

De Here geeft ook Zelf lijden en onheil in de wereld.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan Exodus 9, de hagelplaag in Egypte. De Here zegt: “Want ditmaal zal Ik al mijn plagen laten losbreken tegen u persoonlijk, tegen uw dienaren en uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is op de gehele aarde, zoals Ik”.
Of aan Jesaja 45. De Here zegt: Ik ben het “die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de HERE, doe dit alles”.
Of aan Psalm 42: “…al uw baren en golven slaan over mij heen”.
Of aan Amos 3: “Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de HERE die bewerkt?”.
Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 12: “Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven[3].

In het Nieuwe Testament wordt lijden heel direct met de satan in verband gebracht.
Ik attendeer u op Lucas 13. Daar gaat het over een vrouw die door de satan gebonden is. Jezus zegt: “Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?”.
In Handelingen 10 wordt het werk van Jezus zó samengevat: “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”[4].

In Zondag 9 en 10 van de Heidelbergse Catechismus wordt de Goddelijke voorzienigheid nadrukkelijk in verband gebracht met onze God en Vader.
K. Schilder heeft daarover eens opgemerkt: ons lijden geschiedt niet “zonder opzet, zonder stuur, stuur-loos, onopzettelijk. We zijn niet overgeleverd aan een Stuurman, die de leidsels uit handen laat glippen, zoodat er niet meer “gestuurd” wordt. De Hand houdt de teugels vast; en het is de vaderlijke hand”[5].
Onze hemelse Vader is de Here die – om met Efeziërs 1 te spreken – “in alles werkt naar de raad van zijn wil”[6].

Met name in het Nieuwe Testament is er vaak sprake van lijden om Christus’ wil.
Te denken valt aan Mattheüs 5: “Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil”. En aan Mattheüs 10: “En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil”[7].
Heel vaak worden in dergelijke teksten de discipelen aangesproken.
Maar de boodschap geldt voor álle gelovigen. Dat is te illustreren met 1 Thessalonicenzen 3: “…en wij hebben Timotheüs, onze broeder, en een medewerker Gods in het evangelie van Christus, gezonden om u te versterken en u te vermanen inzake uw geloof, dat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen. Gij weet immers zelf, dat wij daartoe bestemd zijn”. En met 2 Timotheüs 3: “Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. En ook met Hebreeën 13, waar geschreven staat: “Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen”[8].

Heel veel mensen hebben, als het over het lijden gaat, de neiging om de waarom-vraag te omzeilen. Daar is echter geen reden voor.
Met name in de Psalmen zien we die vraag nogal eens voorbijkomen. U kunt bijvoorbeeld denken aan Psalm 10: “Waarom, HERE, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood?”. En ook aan Psalm 42:
“Ik wil tot God, mijn rots, zeggen:
Waarom vergeet Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart
vanwege des vijands onderdrukking?”[9].

Wat zijn de redenen dat de Here Zijn kinderen laat lijden? Ik noem er zes.
1. de Here leert mensen om bescheiden te zijn, en zich helemaal aan God over te geven
Denkt u maar aan Deuteronomium 8. Ik citeer: “Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat. Ik wijs ook op Psalm 30:
“In mijn onbezorgdheid had ik gedacht:
ik zal nimmer wankelen –
HERE, door uw welbehagen hadt Gij mijn berg bevestigd –
Gij verborgt uw aangezicht, ik stond verschrikt”[10].
2. confrontatie met zonden
Daarbij is, bijvoorbeeld, te wijzen op Exodus 4. Daar straft de Here Mozes omdat hij zijn zoon nog niet heeft besneden. Wij kunnen lezen: “Onderweg nu, in een nachtverblijf, kwam de HERE hem tegen en zocht hem te doden”. En ook op 1 Corinthiërs 11: “Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen” [11].
3. beproeving, test
Beproeving leert ons volharden, zo wordt ons in Jacobus 1 duidelijk gemaakt: “Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt”.
Via beproevingen laten we aan de Here zien dat ons geloof echt is. Is ons geloof werkelijk tot Gods lof? Zie 1 Petrus 1: “Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus”[12].
4. eer brengen aan de Here
Graag attendeer ik u op Johannes 9: “…de werken Gods moesten in hem (= de blindgeborene) openbaar worden“. En ook op Efeziërs 1; wij moeten goed weten “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht”[13].
5. de voortgang van de Evangelieverkondiging
Denkt u hierbij maar aan Philippenzen 1, waar Paulus het doel van alle moeilijkheden die hij ondervond zó omschrijft: “Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij wedervaren is veeleer tot bevordering van de evangelieprediking heeft gestrekt”[14].
6. anderen troosten
Laat ik, nu het hierom gaat, mogen wijzen op 2 Corinthiërs 1: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wijzelf door God vertroost worden”[15].

Vandaag de dag willen velen – zelfs christenen! – ons doen geloven dat God het lijden niet wil. Men wil ons wijs maken dat God er niet is. Men wil ons vertellen dat God aan de zijlijn toe staat te kijken.
Laat het gezegd zijn: dat is seculiere onzin. Het is pure goddeloosheid.

Want de Here verkondigt ons dat Hij ons, door lijden heen, volmaken zal.
Wat een vreugde zal dat wezen!

Noten:
[1]
Op woensdag 2 oktober a.s. zal de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergaderen. Het onderwerp zal die avond zijn: God en het lijden in de wereld. Een bewerking van dit artikel zal daar als inleiding dienen.
[2] In dit artikel maak ik onder meer gebruik van: Dr. A.N. Hendriks, “Groeien in kennis. Thema’s uit de geloofsleer”. – Uitgeverij Woord en Wereld, 2005. – p. 39-46 (Woord en Wereld; nr 65).
[3] Achtereenvolgens citeer ik Exodus 9:14, Jesaja 45:7, Psalm 42:8, Amos 3:6 en 2 Corinthiërs 12:7.
[4] Achtereenvolgens citeer ik Lucas 13:15, 16 en Handelingen 10:38.
[5] K. Schilder, “Heidelbergsche Catechismus IV”. – Goes, 1952. – p. 267. Geciteerd via Hendriks, p. 43.
[6] Efeziërs 1:11.
[7] Achtereenvolgens citeer ik Mattheüs 5:11 en Mattheüs 10:22.
[8] Achtereenvolgens citeer ik 1 Thessalonicenzen 3:2 en 3, 2 Timotheüs 3:12 en Hebreeën 13:13.
[9] Achtereenvolgens citeer ik Psalm 10:1 (onberijmd) en Psalm 42:10.
[10] Achtereenvolgens citeer ik Deuteronomium 8:2 en 3; Psalm 30:7 en 8.
[11] Achtereenvolgens citeer ik Exodus 4:24 en 1 Corinthiërs 11:29, 30.
[12] Achtereenvolgens citeer ik Jacobus 1:2 en 3; 1 Petrus 1:6 en 7.
[13] Achtereenvolgens citeer ik Johannes 9:3 en Efeziërs 1:19.
[14] Philippenzen 1:12.
[15] 2 Corinthiërs 1:3 en 4.

Blog op WordPress.com.