gereformeerd leven in nederland

4 februari 2019

Verheerlijk God in uw lichaam

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen”[1].

Dit zijn woorden uit 1 Corinthiërs 6[2].
En ze zetten ons meteen midden in de wereld van vandaag. Hoe gaan we, zo luidt de onuitgesproken vraag, om met macht? Hoe gebruiken we allerlei bevoegdheden?

Op de achtergrond staat ook de kwestie van de christelijke vrijheid.
De Corinthiërs zijn niet gebonden aan allerlei wetjes en regeltjes zoals de Farizeeën die vastgelegd hebben.
Maar dat betekent niet dat nu alles maar mag en kan.

In 1 Corinthiërs 6 noemt de apostel een voorbeeld.
Prostitutie is uit den boze.
Paulus schrijft: “Vlucht weg van de ​hoererij. Elke ​zonde​ die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie ​hoererij​ bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de ​Heilige​ Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent?”[3].

Die laatste woorden brengen ons als vanzelf bij Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus:
“Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord:
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus.
Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[4].

De zonde is niet meer de overheersende factor in ons leven.
Ons leven wordt permanent beschermd.
Alles, ja alles wat ons overkomt zorgt er, als het goed is, voor dat we op koers blijven naar een schitterend leven in de hemel.
Die zekerheid geeft ons ook alle reden om bevestigend te knikken als Paulus schrijft: “U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn”[5].

U bent duur gekocht, schrijft Paulus.
Dat is aansprekende beeldspraak, want in Corinthe is een slavenmarkt.
Een exegeet vermeldt erbij: “Het beeld van de slavenmarkt is daarom zo geschikt, omdat het gaat om het lichamelijk eigendom worden van God. Juist op dit feit berust Paulus’ oproep: ‘verheerlijkt dan God in jullie lichaam’. Het voorzetsel en (in) geeft hier het terrein aan waar die verheerlijking moet plaatsvinden, nl. ‘in jullie lichaam’. Het lichaam is niet bedoeld om daarin hoererij toe te laten. Het is de plaats, waar de gelovige God verheerlijkt door een heilige en reine levenswandel”[6].

Met name onze jonge mensen hebben nogal eens psychische problemen. Veelal zijn die tijdelijk, maar toch…
Waarom hebben zij psychische problemen?
Het is te simpel om daarvoor één oorzaak aan te wijzen.
Zeker is wel dat men bij psychische problemen vast zit in gedachtepatronen. Men draait rondjes. Men cirkelt doelloos rond.
Welnu, in de kerk mogen we de gedachte die hierboven al geformuleerd is altijd voorrang geven: de Heiland vindt u veel waard; Hij heeft u duur gekocht!

En trouwens, hoe moet het met onze oudere broeders en zusters? En onze broeders en zusters met een levenslange fysieke of mentale beperking?
Laten wij elkaar, nu het over hen gaat, wijzen op een preek van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant O.J. Douma (1923-1996). In een preek over 1 Corinthiërs 6:19 en 20 zei hij eens: “…u kent ze toch ook wel, die haast niets meer kunnen. Hun lichaam kan zich niet bewegen. Ze moeten helemaal geholpen worden. Wat voor troost is er dan nog, behalve déze troost: mijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest? Mijn dienst op aarde is altijd Gods-dienst, ook als ik ziek ben. Want ik ben gedoopt in de naam van de drie-enige God, die een verbond met mij maakte, een eeuwig verbond, en niet voor zolang als ik spreken kan of lopen kan. En als God met mij een verbond heeft, ook ten aanzien van mijn lichaam, dan zal Hij mijn dienst regelen”.
En:
“De óngelovige zegt: liever niets meer dan dát; liever dood dan uitgeschakeld. Maar wij moeten beter weten, zei Paulus. ‘Weet u niet, dat uw lichaam een tempel is en dat dáárvoor betaald is’? Schrijf dan maar op een briefje: ‘ik ben niet tijdgebonden, maar ik heb een eeuwig verbond met God om Hem altijd te loven en te prijzen. Ik geloof ook in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt. En als u mij vindt, moet u niet doen alsof ik uitgeschakeld ben. Want ook dan heb ik dienst’”[7].

Betekent dit alles nu dat wij in elke uiteenzetting die we houden onze Heiland minstens twee keer moeten noemen?
Nee.
Het betekent eenvoudig dat wij op een christelijke manier moeten leven. Bijvoorbeeld:
* geen beeldjes en/of gedenkplekken in huis[8]
* niet vloeken, en bekend maken dat in onze omgeving niet mag worden gevloekt[9]
* geen dagelijks werk op zondag doen, maar naar de kerk gaan[10]
* in gezagsrelaties respectvol met elkaar omgaan
* werken aan een harmonieus gezinsleven[11]
* onze naasten vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk bejegenen[12]
* rein en ingetogen leven, zowel in het huwelijk als daarbuiten[13]
* ver wegblijven van alle vormen van hebzucht en diefstal[14]
* roddelcircuits mijden[15]
* naar alle geboden van God beginnen te leven[16].

Jezus Christus heeft de hele wereld, inclusief de kerk, in Zijn macht.
Dat klinkt bepaald niet gunstig. Het lijkt er op dat je aan de ketting loopt. Het lijkt er op dat je op een bepaalde manier gevangen zit.
Echter – de kerk “is verbreid en verstrooid over heel de wereld. Toch is zij met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof”. Zo spreekt de Nederlandse Geloofsbelijdenis erover[17].

De Heilige Geest van Jezus Christus houdt de kerk bij elkaar.
Dat geeft rust. En vrede. Nee, wij hoeven het niet allemaal zelf te regelen; wij zijn in Gods hand.
Daarom kunnen we met Psalm 4 zingen:
“Ik hoor hoe velen angstig vragen:
Wie zal het goede ons doen zien?
Wil, HERE, ons uw licht doen dagen,
toon ons uw godd’lijk welbehagen,
opdat ik met mijn volk u dien.
Dat zal mij groter vreugde geven
dan overvloed van tarw’ en wijn.
Ter ruste kan ik mij begeven,
in vrede slapen, want mijn leven
zal, HEER, bij U geborgen zijn”[18].

Noten:
[1] 1 Corinthiërs 6:12.
[2] Afgelopen woensdag, 30 januari 2019, woonde ik een vergadering bij van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Aldaar werd gesproken over 1 Corinthiërs 6. Dat gebeurde naar aanleiding van schets 7 uit: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. In dit artikel is enige voorstudie samengevat.
[3] 1 Corinthiërs 6:18 en 19.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[5] 1 Corinthiërs 6:20.
[6] Onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 6:20.
[7] De betreffende preek is gedateerd op zondag 6 juni 1982. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
“Uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest
en ik wijs u er op, dat
1. De Heilige Geest Here is, ook over uw lichaam
2. De Heilige Geest Trooster is, ook ten aanzien van uw lichaam”.
[8] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 35.
[9] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 36.
[10] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 38.
[11] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 39.
[12] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 40.
[13] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 41.
[14] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 42.
[15] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 43.
[16] Zie: Heidelbergse Catechismus – Zondag 44.
[17] Het citaat is afkomstig uit artikel 27.
[18] Psalm 4:3 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

11 september 2018

Almacht versus Ahazia

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Hoe leef je als je jouw lichaam niet kunt vertrouwen?
Ze zijn er veel: mensen die iedere dag nieuwe pijntjes hebben.
Mensen die iedere dag denken: hoe zou het vandaag gaan?
Mensen die maar moeten hopen dat de medicijnen aanslaan.
Er zijn ook mensen die weten: mijn aardse leven duurt niet zo lang meer.

Dat laatste wist Ahazia in 2 Koningen 1 ook.
Dat was Hem door de Here verteld.
Leest u maar mee: “En hij sprak tot hem: Zo zegt de HEERE: Omdat u boden gestuurd hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen – is het omdat er geen God in Israël is Die u naar Zijn woord kunt vragen? – daarom zult u niet meer van het ​bed​ waarop u bent gaan liggen, afkomen, maar u zult zeker sterven. Zo stierf hij, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat ​Elia​ gesproken had”[1].

Wat is de situatie in 2 Koningen 1?

Ahazia zit nog maar kort op de troon.
Dan gebeurt er een ernstig ongeluk!
De koning valt vanaf de bovenverdieping van zijn paleis naar beneden, en raakt zwaar gewond.
Zal hij herstellen?
Daar moeten de goden maar eens iets over zeggen, vindt Ahazia. Hij stuurt een gezantschap naar het Filistijnse Ekron. Dat deftige gezelschap moet Baäl-Zebub maar eens raadplegen.
Elia, de profeet van de Here, wordt ook op pad gestuurd. Hij moet dat deftige gezantschap tegemoet gaan. En de kernvraag is: ‘Waarom moet u zo nodig naar Ekron? De God van hemel en aarde resideert toch in Israël?’.
De gezanten keren met die vraag terug naar Ahazia.
Ahazia ergert zich dood aan de tussenkomst van de woordvoerder van God. Nee, het gezantschap wist niet hoe die profeet heette. Maar Ahazia weet onmiddellijk wie ’t is: Elia natuurlijk!

Ahazia’s bevel is kort en helder: hier met die man!
Een legereenheid van vijftig man wordt er op uit gestuurd om Elia te arresteren. Maar dat arrestatieteam kan niets uitrichten. Sterker nog: de Here vernietigt het complete team met vuur uit de hemel.
Het wordt allemaal nog erger.
Want met een tweede arrestatieteam gebeurt precies hetzelfde.
Kunt u ’t zich voorstellen?
Wil je als koning één man arresteren…, en dan ben je zomaar honderd man kwijt! Dat is regelrechte ondermijning van Ahazia’s macht! Revolutie tegen de koning! Dit kan niet getoleerd worden! Er moeten daden worden gesteld!
Knarsetandend stuurt Ahazia een derde eenheid op pad. Elia moet gehoorzamen. En wel nu. Vandaag.

De commandant van die derde eenheid pakt het anders aan.
In tegenstelling tot hij zijn twee collega’s geeft hij geen dienstbevel.
Leest u maar weer even mee. Dan ziet u wat er gebeurt.
“Deze derde hoofdman over vijftig klom naar boven, kwam en boog zich op zijn knieën voor ​Elia​ neer. Hij smeekte hem en sprak tot hem: Man Gods, laat mijn leven en het leven van uw dienaren, van dit vijftigtal, toch kostbaar zijn in uw ogen! Zie, vuur is uit de hemel neergekomen en heeft die eerste twee hoofdmannen over vijftig met hun vijftigtallen verteerd; maar nu, laat mijn leven kostbaar zijn in uw ogen!

Toen sprak de ​engel​ van de HEERE tot ​Elia: Ga met hem naar beneden, wees niet bevreesd voor hem. En hij stond op en ging met hem naar beneden, naar de ​koning”[2].

In 2 Koningen 1 staan twee machten tegenover elkaar.
De aardse machthebber, die met een grote mond bijna dictatoriaal zijn bevelen geeft.
En de hemelse Majesteit die de uiteindelijke macht blijkt te hebben!

Wat zullen wij, anno Domini 2018, van deze dingen zeggen?

In ziekteperiodes is de vraag vaak: in hoeverre kan ik mijn lichaam nog vertrouwen?
Maar er is een andere kwestie die nogal wat belangrijker is: vertrouwt u op de Here, of niet?

Dat is niet bedoeld als een angstaanjagende vraag[3]. Zo van: als je maar even van het pad afwijkt, zal de Here je wel krijgen! Dan ben je er zomaar geweest…!
Dat is namelijk niet waar.
Dat blijkt duidelijk in Lucas 9. In dat hoofdstuk wordt Jezus door Samaritanen genegeerd, geweigerd en gehaat. Waarom? Jezus is op weg naar Jeruzalem. Naar de tempel, om precies te zijn. Dat is een plek waar Samaritanen een diepgewortelde hekel aan hebben. Zij hebben namelijk hun eigen tempel[4]. Dat is de reden dat men Jezus de toegang tot een Samaritaans dorp weigert.
De discipelen willen ingrijpen. In Lucas 9 staat: “Toen de discipelen ​Jakobus​ en ​Johannes​ dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook ​Elia​ gedaan heeft? Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt, want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden”[5].
Om ze te behouden: dáár gaat het om.
De God van hemel en aarde wil mensen niet doden.
Hij is geen Dictator die mensen om het minste of geringste vernietigt. Integendeel. Hij wil mensen leven geven. Leven tot in eeuwigheid!

Het is ook niet voor niets dat God Zijn woordvoerder Elia er op uit stuurt.
Laten wij eerlijk zijn: de God van hemel en aarde had er ook voor kunnen kiezen om niets te zeggen, en Ahazia met één veeg uit deze wereld weg te halen. Maar dat deed Hij niet.
Bovendien –
onze God heeft deze gebeurtenissen in Zijn Woord aan ons doorgegeven. Als een waarschuwing. Maar Hij deed dat ook om ons te troosten.
Wie God negeert, zal ontdekken dat dat niet ongestraft gebeuren kan. Die ontdekking doen sommigen reeds op aarde. Anderen doen die pas na hun dood.
Maar de andere kant is vandaag ook realiteit. Wie zich tot God wendt, wordt altijd gehoord. God zal recht spreken en recht doen. Hij hoort onze vragen. Hij ziet ons diepe verdriet. En Hij zegt: kom maar bij Mij; bij Mij is een goede schuilplaats!

Hoe leven wij als we ons lichaam niet meer kunnen vertrouwen?
Laten we maar zeggen: ach, we zien het wel.
Want als we onze God op Zijn Woord geloven, doet Hij de toekomst open.
Als we ziek zijn dringt dat des te meer tot ons door.

Jazeker, ziekten en handicaps zijn beslist ergens goed voor!
Die beperkingen stellen ons voor de vragen: is God in de wereld? En het antwoord is duidelijk: jazeker, Hij is actief aanwezig; ook vandaag.
Vertrouw maar op Hem.
Want onze Heiland is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden!

Noten:
[1] 2 Koningen 1:16 en 17 a.
[2] 2 Koningen 1:13, 14 en 15.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1848.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 24 augustus 2018.
[4] Zie hiervoor de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Johannes 4:20.
[5] Lucas 9:54, 55 en 56.

13 juli 2016

Oplettend en volgzaam

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

De bedoeling van het menselijk bestaan is, in vier woorden samengevat: de lof op God[1].
Of – met andere woorden – : telkens weer verbaasd staan over en gebruik maken van al de schatten en gaven die Hij in de hemel en op de aarde heeft opgetast.
Daarom vergadert Hij zich een kerk.

Dat staat mijlenver af van eigen prestatie.
En van de wil om zelf iets klaar te maken in de wereld.
Voor velen is vandaag de vraag: geloof je in jezelf?

Eenzelfde vraag horen we nog wel eens in gevallen van ernstige ziekte.
Bij het overwinnen van kanker bijvoorbeeld.
Ziet u dat? Alleen de term al…
Jezelf overwinnen.
Boven jezelf uitstijgen.
Dat wil het gepeupel zien. Daar wil men opzienbarende dingen over horen.

Men zegt: je moet positief met kanker omgaan.
Je moet aan je omgeving bewijzen dat je nog niet thuishoort in de statistieken met sterftecijfers.
Je moet, op jouw eigen niveau, veel aan lichaamsbeweging doen.
Je moet tijd investeren in de relaties die je hebt.
Je moet meedoen in gespreksgroepen.
Je moet bewust omgaan met je eigen lichaam, en daarom ook gezond eten.
Je moet een plaats geven aan je eigen gevoelens[2].
Het is, kortom, duidelijk: er moet gepresteerd worden.

Moeten wij, als Gereformeerde mensen, daarin meegaan?

In 1 Petrus 2 hangt een heel andere sfeer.
Een sfeer van overgave. Van rust. Van het kalm verdragen van leed.
Leest u maar mee: “Gij, huisslaven, weest in alle vreze uw meesters onderdanig, niet alleen de goede en vriendelijke, maar ook de verkeerde. Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen”[3].

In 1 Petrus 2 gaat het over maatschappelijke verhoudingen.
Die verhoudingen zijn, ook in de wereld van Petrus, soms behoorlijk scheef getrokken. Wat dat betreft is er heden ten dage weinig nieuws onder de zon.

Het moet opvallen dat, juist waar het gaat over het verkeer tussen mensen, Christus’ lijden in herinnering wordt geroepen.
Petrus schrijft aan huisslaven: dat waren mensen die rechtstreeks in dienst waren van ‘het huis’, de huishouding, de familie. Er was dus veel persoonlijk contact: soms een goede, maar bij tijden ook een heel slechte[4]. Welnu, in alle relaties doet Christus’ werk zich gelden.

Een exegeet schrijft hierover onder meer: “Tot zij lezers zegt Petrus: Christus heeft u een voorbeeld gegeven, een spoor ingelopen waarop u Hem kunt volgen. Dat voorbeeld is letterlijk het voorbeeld bovenaan de bladzijde waarvan een kind op school letters overschrijft (hupogramma); het is dus niet vrijblijvend, maar verplichtend (…). Zijn voorbeeld heeft Hij achtergelaten toen Hij van de aarde naar de hemel ging. Toen een wolk Hem aan het gezicht van de discipelen onttrok, stonden zijn voetstappen nog in het zand”.
En:
“Dit spoor volgen betekent in het vervolg – zij het stapsgewijs – achter de Gids aangaan”[5].

Oplettend en volgzaam – zo leeft een Gereformeerd mens, als het goed is.
Het gaat er, in het leven van kinderen van God, niet om dat u of ik een bijzondere prestatie leveren.
Want die prestatie is al geleverd. Aan het kruis. Op Golgotha.

Daarom leggen kinderen van God hun leven in handen van hun Heer. Zeker, zij gebruiken de middelen die Hij aanreikt. Ja natuurlijk, als het nodig is gaan zij naar dokters en naar ziekenhuizen, naar psychiaters of andere zielkundigen.
Maar zij hoeven niet meer zo nodig die geweldige man uit te hangen. Zij hoeven geen fantastische vrouw te wezen. Of een voorbeeldige kerel. Of een onvergetelijke meid. Want hun leven wordt door Christus’ werk getekend.

Misschien vindt u het bovenstaande wel wat te hoog gegrepen.
Te idealistisch, misschien.
Laten wij, in dat geval, bedenken dat onze God grote dingen in ons leven doet. Petrus omschrijft het zo: “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop”[6].
Kinderen van God zijn een levende hoop. Overal en altijd stralen zij uit dat er hoop is in het leven.
Dat geeft een geweldige meerwaarde aan het aardse bestaan. Om met Petrus te spreken: “Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking”[7].

Het is een populaire boodschap vandaag: overwin jezelf!
Ga van denken naar voelen.
Van het hoofd naar het lichaam.
Eventueel zelfs van tijd naar tijdloosheid.
Zoek, kortom, uw eigen oase van rust op[8].

Gods kinderen mogen hun uitgangspunt nemen in de van de kracht van hun God – Vader, Zoon en Heilige Geest.
Wij mogen leven van gegeven levenslust, van gegeven energie.
Wij mogen uitgaan van Gods vergevingsgezindheid.
Die regel geldt voor kankerpatiënten. Ja, voor alle mensen die hun volle vertrouwen op Hem stellen.

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 16 augustus 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 534 en is getiteld ‘Presteren in Gods kracht’.
[2] Tips als deze staan bijvoorbeeld in: Greg Anderson, “Vijftig dingen die je beslist moet doen als de dokter zegt dat je kanker hebt”. – Naarden: Uitgeverij Element, 1997. – 160 p. Het boek werd gerecenseerd in het Nederlands Dagblad dat verscheen op zaterdag 28 juni 1997.
[3] 1 Petrus 2:18-25.
[4] Zie: Ds. J. Smelik, “Staat vast in de waarachtige genade Gods” (schetsen over 1 en 2 Petrus), p. 28.
[5] Dr. P.H.R. van Houwelingen, “1 Petrus; rondzendbrief uit Babylon”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok. – vierde (herziene) druk, 2010. – p. 102.
[6] 1 Petrus 1:1, 2 en 3.
[7] 1 Petrus 2:11.
[8] In deze alinea gebruik ik http://www.massagepraktijkoverwinjezelf.nl/artikelen/ ; geraadpleegd op vrijdag 1 juli 2016.

10 februari 2016

Tot eer van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In de Bijbel gaat het om de eer van Christus. Alles draait niet om onze beleving. Onze emotie staat niet in het middelpunt. De vraag is: krijgt Christus voldoende eer?
Voor ons, zondige mensen van 2016, is dat niet altijd even duidelijk. Maar soms komt dat helder naar voren. Dan worden we er met de neus op gedrukt.

Dat zien we bijvoorbeeld in Johannes 11[1].
In dat Schriftgedeelte horen we over Lazarus. Hij is ziek, en sterft uiteindelijk. Maar zijn ziekte heeft een speciaal doel. “Toen Jezus het hoorde, zeide Hij: Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde”[2].

Zieken in de kerk, en mensen met een beperking, behoren – als u het mij vraagt – dit Bijbelvers met extra attentie te lezen.
Ziekte en pijn kunnen soms zo hinderlijk zijn! Mensen voelen zich soms terneer gedrukt. Verslagen. Kapot, bijna.
Trouwens, bijna iedereen gebruikt wel eens medicijnen. We zijn allemaal wel eens ziek.
Welnu – in al die omstandigheden mogen we de Here vragen: gebruik onze ziekte om Uw eer groter te maken!
Met ziekten en handicaps kunnen we twee kanten op:
* We kunnen zeggen dat de Here ver weg is, en dat Hij ons toch niet helpen zal. We kunnen vragen: wat helpt het ons om naar de kerk te gaan?
* We kunnen zeggen: de Here beproeft ons. Laten we bidden om volharding in het geloof!
In de kerk zijn veel zieken. En mensen met een handicap zijn er ook. En jazeker, velen van hen hebben het zwaar. Maar uiteindelijk moeten we er in de kerk naar streven om Gods naam te laten gloriëren. Dat moet ons doel wezen.
Zieken en mensen met beperkingen stellen, in het geloof, niet steeds zichzelf in het middelpunt. Dat is niet makkelijk. Want mensen met een beperking hebben hulp nodig. Zieken moeten verzorgd worden. Altijd moet echter te zien zijn dat het leven met Christus in ons bestaan centraal staat!

Wellicht vindt u dat het hierboven wel wat erg simpel wordt voorgesteld.
Want die ziekte is er soms al heel lang. En die handicap gaat, menselijkerwijs gesproken, nooit meer weg.
Altijd maar geduld hebben: dat is toch amper op te brengen?
Laat ik mogen wijzen op twee mededelingen uit Johannes 11.
“Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief”[3].
En:
“Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was”[4].
U en ik zouden waarschijnlijk zeggen: als je je zieke vrienden lief hebt ga je zo snel mogelijk naar hen toe. Maar blijkbaar is het aan Jezus nog niet precies duidelijk wat Vader van Hem verwacht. Hij moet geduld hebben.
Ook wij mogen ons in dergelijke kalmte oefenen. Soms moeten we leren wat het betekent om in een moeilijke situatie te berusten. Nee, ik noteer hier niet dat eenvoudig is. Maar het is zeker mogelijk!

Er is nog wel meer te zeggen over de reden van die kalmte.
Jezus zegt: “…het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot geloof komt; maar laten wij tot hem gaan”[5].
De kwestie is dus dat de op handen zijnde gebeurtenissen de discipelen tot een dieper geloof moeten brengen. De opwekking van Lazarus moet het geloof van Jezus’ leerlingen sterker maken.
Zou het niet zo zijn dat ons geloof ook verdiept moet worden?
Het is in ieder geval niet zo dat we berustend in een hoekje moeten gaan zitten, om te kijken wanneer we iets van de Here merken. Zo van: we zullen ’t wel zien, en zolang er niets gebeurt vermaken we ons wel op een andere manier.
Steeds weer moeten wij het Woord lezen. Het moet er bij ons ingepompt worden dat er bij de God van het verbond pas echt toekomst is. Simon Petrus heeft het ons in Johannes 6 al voor gezegd: “Gij hebt woorden van eeuwig leven; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods”[6].
Die overtuiging moet in ons hart wortel schieten.

Wij hebben allen met ziekte, handicaps en ander lijden van doen.
Misschien ziet u tegen een operatie op.
Wellicht vindt u de dagen niet om door te komen.
Misschien vindt u de nachten afschuwelijk.
In die donkere dagen mogen we het dan voor ons uit zeggen: ik heb in U geloofd, en U bent nog steeds mijn vast vertrouwen.
In zwarte nachten kunnen wij het blijven belijden: U bent de heilige God!

“Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods”.
De discipelen begrijpen in Johannes 11 niet wat de bedoeling van die woorden is. Zij zien niet aankomen dat Christus grote dingen gaat doen.
Welnu – in Gods Woord zijn, ook voor de Bijbellezers van 2016, grote dingen beschreven.
Zullen wij daarom – in welke omstandigheden wij ook verkeren – altijd blijven proberen om Gods eer in ons leven te verhogen?
Hoe ziek of zwak wij ook zijn, wij hebben een boodschap voor de wereld!

Noten:
[1] Vandaag over een week, op woensdag 17 februari, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 11:1-45 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Johannes 11:4.
[3] Johannes 11:5.
[4] Johannes 11:6.
[5] Johannes 11:15.
[6] Johannes 6:68 en 69.

30 december 2015

De Geneesheer glorieert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Het Bijbelhoofdstuk over de genezing van de blindgeborene – Johannes 9 – confronteert ons met een vraag die altijd actueel is[1]. Namelijk deze: hebben wij zwaar gezondigd als we in ons leven veel tegenspoed hebben[2]?
Nee, zegt Jezus. Er is geen direct verband tussen een zware zonde en handicaps.
Zeker, de mensen zijn zondaars.
Zie Romeinen 5: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[3].
Lees Efeziërs 2 ook maar: “…trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns”[4].
Maar er is geen rechtstreeks verband tussen een zonde en een ziekte.

Maar wat is dan wel de oorzaak van ziekte en zwakte?
Op die vraag komt in dit Bijbelhoofdstuk geen antwoord.

In Johannes 9 leren we wel iets over Gods handelwijze: “de werken Gods moesten in hem openbaar worden”[5].
Iets dergelijks schrijft Johannes niet voor het eerst. Kijkt u maar in Johannes 2: “Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem”[6]. Dat gebeurt in Kana, en overal waar Jezus Christus komt. Wij zien het motief van die heerlijkheid ook terug in Bethanië, waar Jezus’ vriend Lazarus overlijdt. Zie Johannes 11: “Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde”[7].
Dat is de taak van kinderen van Gods kinderen: het laten gloriëren van God en Zijn Naam.

In dit verband geldt de stelregel: we moeten werken zolang het dag is. Het wordt namelijk nacht. Niet alleen voor Jezus zelf, maar ook voor Zijn discipelen. En dus ook voor de kerk. Dat moet ons niet verrassen. Jeremia spreekt er in hoofdstuk 13 al over: “Hoort en leent het oor, verheft u niet, want de Here spreekt. Bewijst de Here uw God, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert”[8].

Johannes noteert: “Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen”.
Opnieuw zien we dat Jezus Zijn eigen handelwijze volgt. Een exegeet legt uit: “Nu was het volgens de rabbijnse overlevering op de sabbat alleen maar toegestaan om vloeibare zalf te gebruiken om iemand te genezen. Alles wat daarboven uitging – het zalven met niet-vloeibare zalf en dus ook het mengsel van speeksel en klei – gold als ‘werk’ en was op de sabbat dus verboden (…). De rabbijnen beschouwden dergelijke uiterst gedetailleerde wetten als een ‘omheining van de Thora’, om zeker te stellen dat de hoofdzaken van de Wet in ieder geval niet overtreden zouden worden”[9].
Die eigen werkwijze hoeft Jezus helemaal niet toe te passen. Immers – pas als de blinde man zich in het badwater van Siloam heeft gewassen, kan hij weer zien. De ‘inleidende’ sessie met speeksel en modder is blijkbaar nodig om te tonen dat de Heiland de regie volledig in handen heeft.

De ouders beweren dat zij niet weten Wie hun zoon het zicht gegeven heeft. Er was namelijk al bepaald dat, wanneer iemand hardop zou zeggen dat Jezus de Christus, hij uit de synagoge zou worden gebannen[10].
Die vrees zien we in dit Bijbelboek voortdurend terugkomen.
Bijvoorbeeld in Johannes 7: “En er was veel gemompel over Hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het volk. Toch sprak niemand vrijuit over Hem, uit vrees voor de Joden”[11].
En in Johannes 12: “En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God”[12].
En in Johannes 19: “En daarna vroeg Jozef van Arimathea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe”[13].
En in Johannes 20: “Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u”[14].
Als we die Schriftgedeelten overzien, begrijpen we wel: hier wordt de antithese getekend. Hier wordt strijd geleverd tussen God en satan. Dat gevecht wordt in de wereldgeschiedenis steeds weer gevoerd.
Uiteindelijk worden gelovige mensen al of niet zachtkens uit de kerk verwijderd. Net als in Johannes 16: “Men zal u uit de synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen Gode een heilige dienst te bewijzen”[15].

Maar al te vaak gaat dat gepaard met kerkpolitiek en bedrog.
In Johannes 9 is dat niet anders. De blindgeborene wordt notabene uitgenodigd om zich bij de Farizeeën aan te sluiten, en – in navolging van de kerkleiders – te verklaren dat Jezus een zondaar is[16].
De blindgeborene concludeert uiteindelijk: Jezus heeft een uitzonderlijk wonder gedaan, en dus doet Jezus blijkbaar Gods wil.
De Schriftgeleerden zijn consequent. Ze sluiten de blind geboren man buiten de synagogale gemeenschap.

En dan?
Dan komt Jezus naar die man toe. Geheel in de stijl van Johannes 6: “Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”[17].

Uiteindelijk klinkt de geloofsbelijdenis van de blindgeborene: “Ik geloof, Here”[18].
In Johannes 9 kunnen we tamelijk precies zien hoe Christus het geloof bij de blindgeborene bewerkt:
* vers 11: “de mens, die Jezus genoemd wordt”
* 17: “Hij is een profeet”
* 25: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet”
* 33: “Hij moet wel van God gekomen zijn”
* 36: “wie is Hij (de Zoon des mensen)?”
* 38: “Ik geloof, Here”.
Nee, wij kunnen in onze levens niet altijd zo’n duidelijke opbouw zien. Maar het mag duidelijk zijn: Christus is druk aan het werk!

Johannes 9 stemt, als u het mij vraagt, tot nadenken. Bijvoorbeeld als het gaat om:
a. de manieren waarop wij Gods eer bevorderen
b. ons besef dat het nog dag is
c. ons geduld, want wij moeten accepteren dat God Zijn plan uitvoert en dat wij op Hem moeten wachten
d. de vrees voor de kerkleiders; laten wij niet achter dominees aanlopen!
e. de kloof tussen kerk en wereld, de antithese dus
f. kerkpolitiek; de kerk heeft aan Schrift en belijdenis genoeg; meer is daar niet nodig
g. de wijze waarop de Here in mensenharten werkt.

Laten wij de grote Geneesheer van deze wereld maar bewonderend aanbidden!

Noten:
[1] Vandaag over drie weken, op woensdag 20 januari, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 9:1-10:21 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
Een bewerking van dit artikel is ook een deel van een inleiding over het genoemde Schriftgedeelte; die hoop ik tijdens bovengenoemde bijeenkomst voor te lezen.
[2] In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van het commentaar bij Johannes 9 in de internetversie van de Studiebijbel.
[3] Romeinen 5:12.
[4] Efeziërs 2:3.
[5] Johannes 9:3.
[6] Johannes 2:11.
[7] Johannes 11:4.
[8] Jeremia 13:15 en 16.
[9] Zie de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Johannes 9:14.
[10] Johannes 9:22.
[11] Johannes 7:12 en 13.
[12] Johannes 12:42 en 43.
[13] Johannes 19:38.
[14] Johannes 20:19.
[15] Johannes 16:2.
[16] Johannes 9:24: “Geef Gode de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is”.
[17] Johannes 6:37.
[18] Johannes 9:38.

18 juni 2015

Leg moeiten neer bij God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In 1 Koningen 17 staat een spannend verhaal[1]. Dat gaat over de zoon van een weduwe. Die zoon wordt ziek. Misschien heeft hij een longaandoening. Want we lezen: “ja, zijn ziekte werd zeer hevig, totdat er geen adem in hem overbleef”[2].
De treurende moeder gaat naar Elia: ‘Wat is dit? Moet ik gestraft worden vanwege mijn zonden? Mijn zoon is gestorven!’.
Elia, de man van God, begrijpt er ook niets van. Hij doet zijn beklag bij zijn Opdrachtgever. ‘Waarom doet u mijn gastvrouw zulk een groot onheil aan?’. En de onuitgesproken vraag hangt in de lucht: had dit nu niet anders gekund?
Elia strekt zich, boven die dode zoon, driemaal helemaal uit. En hij bidt dringend, zeer dringend, tot de Here: geef deze jongen toch het leven terug!
Het past in het plan van God om te doen wat Elia zo dringend vraagt. De jongen krijgt zijn aardse leven terug.
Als Elia het kind aan zijn moeder teruggeeft, zegt zij: ‘Nu weet ik dat u een echte profeet bent. Nu weet ik ook dat u werkelijk de waarheid spreekt’[3].

Dit voorval bepaalt ons bij de macht van de Here.
Nee, het is niet zo dat we in de eenentwintigste eeuw – anno Domini 2015 – zelf allerlei wonderen kunnen doen. Wij kunnen niet zorgen voor het herstel van zieken. Wij kunnen geen doden levend maken. Dat weet u net zo goed zo als ik.

Maar Elia doet ons wel voor hoe onze omgang met ziekte, lijden en sterven moet wezen. We mogen met onze vragen naar de Here gaan.
In Marcus 9 lukt het de discipelen niet om een bezeten jongen te genezen. Jezus zegt dan: “O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij”[4].
Daar hebt u de heldere instructie: ga maar in geloof naar Jezus Christus. Hij heeft het goede met ons voor. Zijn macht zorgt ervoor dat wij altijd goed terecht komen!

Nee, dat betekent niet dat we, als wij maar goed genoeg bidden, ervan verzekerd kunnen zijn dat er voortdurend wonderen gaan gebeuren. Het is niet zo dat als wij maar flink ons best doen, we in deze wereld van alles voor elkaar kunnen krijgen.
De kwestie is: leggen we ‘onze’ zaken in de handen van de Here, of niet?
Nu het hierom gaat, wijs ik u graag op 2 Samuël 12. Daar staat de geschiedenis van het stervende kind van David. U weet het wellicht wel. David heeft overspel gepleegd en bij Bathséba een kind verwekt. De profeet Nathan komt bij David. De profeet zegt David Gods straf aan: de baby zal sterven. David vast en bidt tot de Here. Maar met zijn smeekbeden houdt hij de boreling niet in leven. Het kind sterft. En wat zegt David dan tegen zijn dienaren? Hij stelt eenvoudigweg vast: “Zolang het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, omdat ik dacht: misschien is de Here mij genadig, zodat het kind in leven blijft. Maar nu is het dood – waarom zou ik dan vasten? Kan ik het nog doen terugkeren? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet terug”[5].
Laten we onze wensen bij de Here neerleggen. Hij weet wat goed voor ons is. Hij weet op welke manier Hij ons het best kan inzetten in kerk en wereld. En Zijn beslissingsbevoegdheid geeft ons de garantie dat het met ons leven altijd de goede kant op gaat!

Wat is de vreugde groot als de zoon in 1 Koningen 17 levend en wel bij zijn moeder terugkomt!
Wat is Elia verheugd als blijkt hoe de Here naar zijn gebed heeft geluisterd!
Alleen maar: in 1 Koningen 17 ligt daar niet de nadruk op.
In feite ligt het accent op de glorie voor God. Het dringt tot Elia’s gastvrouw  door hoe groot God is. Zij begrijpt hoe ver Goddelijke macht gaan kan. Zij onderkent  dat God soms op een heel andere manier werkt als ons voor ogen staat.
In dit verband herinner ik u gaarne aan de woorden die Jezus spreekt bij de ziekte, het sterven en de opstanding van Lazarus. In Johannes 11 wordt Hij zo geciteerd: “Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde”[6].
Christus leert het ons: het moet in ons bestaan uiteindelijk draaien om de verheerlijking van Gods naam. In ons doen en laten, in ons spreken en zwijgen, in heel onze houding moet iets van de glorie van Gods naam herkenbaar wezen.

Nee, dat is niet makkelijk.
Misschien zeggen we zelfs: is dit niet ergerlijk eenvoudig, als wij in spanning wachten op de uitslag van een onderzoek in het ziekenhuis? Is het niet te simpel om vast te stellen: wij zijn in Gods hand, en dan komt het goed…?
Laten wij het nooit vergeten: de weg naar Gods troon is dag en nacht open. Op ieder gewenst moment, of het nu dag of nacht is, mogen wij in ons gebed naar de Here toe gaan. Wij mogen Hem onze zorgen voorleggen.
En ja, dan kunnen verlangen en verdriet zelfs samen op gaan.
Verlangen naar de definitieve woonplek in het hemels paradijs van onze God.
Verdriet omdat wij zoveel aardse geliefden moeten achterlaten… en wij waren nog zo graag bij hen gebleven!

De dichter van Psalm 4 wijst ons tenslotte op de kern van onze bezigheden:
“Weet dit: de HERE slaat mij gade,
mijn bidden wordt door Hem gehoord.
Die mij verkoos in zijn genade,
wil mij bewaren voor het kwade.
Hij doet mij hopen op zijn woord”[7]!

Noten:
[1]
In het kerkblad van De Gereformeerde Kerk Groningen dat op zondag 7 juni jongstleden verschenen is, heb ik de rubriek ‘Uit de Gemeente’ verzorgd. In die rubriek stond de geschiedenis die in 1 Koningen 17:17-24 beschreven is, op de achtergrond. In dit artikel werk ik de in het kerkblad genoteerde gedachten over 1 Koningen 17 wat verder uit.
[2] 1 Koningen 17:17.
[3] Zie 1 Koningen 17:17-24.
[4] Marcus 9:19 b.
[5] 2 Samuël 12:22 en 23.
[6] Johannes 11:4.
[7] Psalm 4:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.