gereformeerd leven in nederland

19 juni 2018

Genieten is een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Drinkt u wel eens een glas wijn?
Schrijver dezes doet dat regelmatig. Eén glas per dag, meestal.

In het Woord van God komen we mensen tegen die aanzienlijk meer wijn drinken. In Spreuken 23 bijvoorbeeld:
“Verkeer niet met hen die zich dronken drinken aan ​wijn,
of onder hen die zich te buiten gaan aan vlees.
Want een dronkaard en wie zich te buiten gaat, zullen arm worden,
en een roes doet verscheurde ​kleren​ dragen”[1].

Die tekst uit Spreuken 23 staat onder Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus. Het is een Schriftbewijs bij de zin: “Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”[2].

De God van hemel en aarde geeft ons veel materialen om te gebruiken.
En ja, aan de één geeft hij meer dan aan de ander. Wij weten allen: het is ongelijk verdeeld in de wereld. Maar daar gaat het nu niet om.
De kwestie is: gebruiken wij die materialen, of verbruiken wij die?
Het is, wat mij betreft, tekenend dat een internetpagina die aan synoniemen gewijd is, bij het trefwoord ‘genieten’ met name focust op begrippen als: beschikken over, bezitten, hebben… Genieten lijkt voor velen pas mogelijk te zijn als je de beschikking hebt over veel geld en/of onroerend goed[3].

U kent vast die verhalen wel over mensen die, op kosten van de zaak, het er op allerlei manieren flink van nemen.
Een topambtenaar die 4400 euro bij de baas declareert, een ambtenaar die voor 190 euro declareert na een dinertje met een journalist van RTL, ambtenaren die omkoopbaar zijn zodat een auto-importeur een miljoenenorder kan binnenslepen – het is in de laatste jaren allemaal langs gekomen[4].

Volgelingen van Christus staan, als het goed is, heel anders in de wereld.

De Here deelt uit ons Zijn gaven uit. En daar mogen wij van genieten.
Prediker zegt in hoofdstuk 3: “Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun ​hart​ gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden. Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven, ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God”[5].
We kunnen het werk van God niet begrijpen. We hoeven de gang van zaken in de wereld niet voortdurend te analyseren. Wij mogen er eenvoudig van genieten.

Dat genieten is op zichzelf trouwens al een gave.
In een situatie van rijkdom ligt dikdoenerigheid op de loer.
Wie over voldoende financiële middelen beschikt, kan ook enigszins zwartgallig denken: ik zit hier rijk te wezen, maar een paar straten verder heerst armoede – wat is deze wereld toch onevenwichtig!
Welnu, de Here geeft ook het genieten. Uit Zijn hand ontvangen wij het gevoel dat wij een buitengewoon aangenaam leven hebben. Hij geeft ons de blijheid: wat mooi dat ik dit allemaal heb!
Genieten: dat betekent niet dat je je dik eet. Schriftuurlijk genieten, dat is: in dank aan God aanvaarden.

Diezelfde Prediker stelt in hoofdstuk 7: “Geniet op de dag van voorspoed van het goede, maar bedenk op de dag van tegenspoed dat God zowel de ene als de andere gemaakt heeft, zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal”[6].
Over oude mensen zeggen we wel eens: zij zijn mensen van de dag. Maar eigenlijk zijn wij dat allen – jong en oud.
En in al onze omstandigheden moeten we bedenken dat God onze dagen maakt. ‘Maak er wat van’, zeggen we soms tegen elkaar. Maar één ding is zeker: God maakt de dag. Die dag vullen wij, als het goed is, zo dat het tot Gods eer is.
En ja, dan zijn de omstandigheden zeer verschillend:
* in kerkelijk werk dat in de huizen van gemeenteleden en in studeerkamers gebeurt
* in de drukte van een bouwbedrijf waar koortsachtig gewerkt wordt om zo snel mogelijk een goed product neer te zetten
* in de keuken, waar een oude man zijn eigen potje kookt.

Juist omdat die omstandigheden zo uiteenlopen, ziet dat genieten er heel verschillend uit. Met een schuin oog op de voorbeelden van hierboven noteer ik het volgende:
* genieten van een goed gesprek over Gods Woord en de praktische consequenties daarvan
* genieten omdat jouw werk in het bouwbedrijf ervoor zorgt dat alle collega’s verder kunnen werken
* genieten van de geur van heerlijke soep.

Genieten – dat lukt in deze wereld vrijwel nooit de hele dag.
Maar juist daarom is het van belang om er ons tijdens die spaarzame genietmomenten van bewust te zijn dat Schriftuurlijk genieten betekent: in dank aan God aanvaarden.

Misschien zegt u: hierboven staat een mooi verhaal.
Maar in mijn omstandigheden lukt dat genieten mij eigenlijk niet zo goed. Vanwege mijn verleden. Vanwege mijn situatie in het heden. En die toekomst in de hemel? Daar zie ik nu nog zo weinig van. Dat laatste zal waar wezen.
Laat ik u dan op Jesaja 65 mogen wijzen. In dat hoofdstuk presenteert de profeet Jesaja, om zo te zeggen, een uitvergroting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Jesaja zegt: “Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen”[7].
Ziet u het?
Genietmomenten zijn er dan niet meer. Want daar hebben wij te maken met de eeuwige heerlijkheid. Een glorieuze tijd waar niet genieten eenvoudigweg nooit meer aan de orde is.
Als het leven op deze aarde bij tijden moeilijk is, kunnen we ons altijd nog verheugen op het eeuwige genieten in de hemel!

Noten:
[1] Spreuken 23:20 en 21.
[2] Geciteerd uit: Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 110.
[3] Zie https://synoniemen.net/index.php?zoekterm=genieten ; geraadpleegd op woensdag 6 juni 2018.
[4] “RTL-journalist at te duur”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 13 november 2015, p. 4; “Corruptie in Nederland”, redactioneel commentaar. In: Nederlands Dagblad, maandag 12 juni 2017, p. 3.
[5] Prediker 3:11, 12 en 13.
[6] Prediker 7:14.
[7] Jesaja 65:22.

12 juni 2018

Dwaal niet!

Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus gaat over heilig leven, “zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].
In verband daarmee verbiedt de Here “alle onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan”[2].

Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
Niemand, denk ik.

Waarom is God daar eigenlijk zo streng op?
Omdat dit alles te maken heeft met de koers in ons leven.

Als het gaat over onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan, wordt onder meer verwezen naar 1 Corinthiërs 15. Daar staat: “Dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden”[3].

Dwaal niet.
Die vermaning betekent in ieder geval dat we in ons leven een duidelijke richting moeten hebben. Waar gaat het naar toe met ons leven? Voor wie leven wij?
Gaan we eerlijk om met de mensen die het meest dichtbij ons staan?
Horen we, als het over ons huwelijk gaat, tot de categorie schuinsmarcheerders?
Geven we, als het over ons huwelijk gaat, duidelijk onze grenzen aan?
Geeft u, ook als u alleenstaand bent, een duidelijke afbakening – zover ga ik, en verder niet?

We leven in een maatschappij waarin het huwelijk niet zo heilig meer gevonden wordt. Als je elkaar, na verloop van vele jaren, niet zo interessant meer vindt… – nou, dan ga je toch elkaar? Dat gebeurt vaker. Zegt u nu zelf.
Maar de vraag is: worden onze zeden van zo’n scheiding nu zoveel beter? De grondregel moet blijven: “wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden”. Dat principe van Mattheüs 19 lijkt wel ouderwets geworden[4]. Maar als dat zo zou zijn, dan was heel Gods Woord een beetje uit de tijd. En dat is heus niet waar!

Trouwens, wie/Wie bepaalt eigenlijk wat goede zeden zijn?
En ja, daarna liggen de volgende vragen voor de hand: voor Wie leven wij? En: gaan we met onze problemen naar God, of willen wij het zo nodig zelf oplossen?

Wat is slecht gezelschap?
Dat zijn de mensen die hun normen aanpassen aan deze tijd. Omdat Gods Woord niet meer zo past op de algemeen aanvaarde stijl van de eenentwintigste eeuw.

Opnieuw noteer ik die vragen: Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
En ik blijf het zeggen: niemand.

Hoe moet dat nu verder?
Moeten wij toch maar een beetje water bij de wijn doen?
Nee, dat is niet de oplossing.
Maar dat wil niet zeggen dat wij thans troosteloos voor ons uit moeten gaan zitten kijken.
Hieronder leg ik uit waarom.

Die oproep “dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden” staat in een hoofdstuk waarin de apostel Paulus een brede uiteenzetting geeft over nut en noodzaak van de opstanding van Jezus Christus.
Door Zijn lijden en opstanding heeft Jezus Christus voor onze zonden betaald.

In 1 Corinthiërs 15 legt Paulus uitgebreid uit wat dat voor ons betekent.

Opstanding uit de dood – dat is werkelijk ongelooflijk.
Er zijn dan ook massa’s mensen die niet geloven dat Christus’ opstanding echt gebeurd is.
Maar als je dat in twijfel trekt, komt heel de Boodschap van de Bijbel op losse schroeven te staan.

Paulus legt dat in acht stappen uit:
“a. …als er geen opstanding van de doden is, dan is ​Christus​ ook niet ​opgewekt.
b. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.
c. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij ​Christus​ heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden.
d. Immers, als de doden niet ​opgewekt​ worden, is ook ​Christus​ niet ​opgewekt.
e. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw ​zonden.
f. Dan zijn ook zij die in ​Christus​ ontslapen zijn, verloren.
g. Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.
h. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”[5].

De Eersteling, inderdaad.
Want al Gods kinderen zullen uit de dood opstaan. Jazeker, zij hebben in hun aardse leven veel zonden gedaan. Het dienen van God ging gepaard met vallen en opstaan. Zij hebben tegen de zonde gestreden voor wat zij waard waren. En ze hebben dat gevecht vaak verloren.
En toch is dat geen reden tot wanhoop. Want de Redder van het leven heeft voor onze zonden betaald.
En dat geloof hebben Gods kinderen hun aardse leven lang beleden.
En daarom – vanwege de betaling door de trouwe Heiland – hebben Gods kinderen toch toegang tot de hemel. Zij mogen binnenkomen in de woonplaats van God!

Er komt een moment dat Jezus Christus, de Zoon van God, het koningschap overdraagt aan Zijn Vader.
God betekent dan alles.
Voor iedereen.
God heeft het te zeggen in heel de wereld. Bij alles en iedereen. Overal en altijd.

Dat is, in grote lijnen, het kader van die oproep: dwaal niet!
Oftewel: denk erom dat je goed op koers blijft in het leven.
Dat is niet alleen een kwestie van netjes en voorbeeldig leven. Nee, het is een kwestie van: op weg gaan naar de hemelse toekomst. Een toekomst die nooit ophoudt.

Een rein bestaan?
Een schoon leven?
Dat is de beste voorbereiding op een nieuw leven. Een eeuwig bestaan!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 109.
[3] 1 Corinthiërs 15:33.
[4] Ik citeer Mattheüs 19:6.
[5] 1 Corinthiërs 15:13-20.

5 juni 2018

Gehoorzaam en eendrachtig

* Racisme
* Discriminatie
* Haat zaaien
dat zijn drie termen in het nieuws van onze tijd regelmatig langskomen.
Weldenkende mensen worden daar een beetje narrig van. En een beetje verdrietig, ook. Waar is de voorkómendheid van vroeger gebleven?
De beleefdheid?
De hoffelijkheid?

Ik citeer drie zinnen uit een recent nieuwsbericht:
1.
“Het kabinet gaat de aanpak van discriminatie uitbreiden. Volgens coördinerend minister Ollongren van Binnenlandse Zaken blijft een krachtige aanpak nodig, ondanks een teruglopend aantal meldingen”.
2.
“De straf voor het aanzetten tot haat en discriminatie van mensen om ras, geloof of seksuele voorkeur wordt dan verdubbeld van maximaal een naar twee jaar”.
3.
“Daarnaast verkent het kabinet de mogelijkheid om ‘hate crime’ in de wet op te nemen”[1].

Hate crime, dat betekent: de misdadiger kiest een slachtoffer uit omdat hij of zij bij een bepaalde groep hoort, bepaalde geslachtskenmerken heeft of vanwege afkomst en ras.

Misschien dat u nu gerustgesteld uw schouders ophaalt. Zo van: in de kerk komt dat niet voor. Wij hoeven het daar dus niet over te hebben. Valt dát even mee!
Maar dat gaat te snel.
Als het in de wereld regent, druppelt het immers in de kerk.

En laten we er maar niet omheen draaien: kerkmensen staan soms scherp tegenover elkaar. We zingen in Psalm 122:
“Vraagt vrede voor Jeruzalem.
Dat wie u liefheeft en bemint,
binnen uw muren vrede vindt”,
maar in sommige situaties is het tegendeel het geval[2]. Rond kerkscheuringen zijn er soms scherpe tegenstellingen, die niet zelden naar buiten komen in een ronduit onfatsoenlijke behandeling van elkaar. Hoe begrijpelijk dat soms ook is, het kan zeker niet worden goedgepraat!

Het repeteren van Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus is, ook in de kerk van vandaag, geen overbodige luxe.
U weet wel: in het zesde gebod eist God “dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren”[3].
Daar wordt bij aangetekend:
“Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is”[4].

Dat zesde gebod – “U zult niet doodslaan” – gaat nog meer spreken als wij Leviticus 19 er even bij halen: “U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE.
U mag in uw ​hart​ uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen ​zonde​ op hem laadt.
U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste ​liefhebben​ als uzelf. Ik ben de HEERE”[5].

Over bovengenoemd Schriftgedeelte schreef ik een paar jaar geleden:
“Leviticus 19: daarin wordt ons de heiligheid in heel het bestaan getekend.
Leviticus 19: dat is een Schriftgedeelte dat midden in het leven staat.
Leviticus 19: dat is niet bepaald een hoofdstuk voor mensen met een boekje in een hoekje. Het is geen kapittel voor zijlijnfiguren.
In Leviticus 19 gaat het over toverij.
En over rouwgebruiken.
En over perversiteit.
En over occultisme.
En dan… opeens gaat het over de sabbat. En over de tempel. Over de kerk, dus. En over de kerkdienst. Midden tussen de perversiteit en het occultisme!
“Mijn sabbatten zult gij houden en voor mijn heiligdom eerbied hebben: Ik ben de HERE”
Vanuit onze wilde werkelijkheid komen wij, om zo te zeggen, in één stap bij de levensheiliging”[6].

Heiliging van het leven, dat betekent: het leven is gewijd aan God. Alles wat we doen staat in het teken van leven met de Heer.
Ambtsdragers in de kerk hebben daarin een speciale taak In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat die als volgt omschreven: “Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God”[7].
Eendracht gezocht, dus.
Eenheid gevraagd.
Iedereen moet doen wat God vraagt. Eenvoudig. En zonder mopperen.
Als er discussies zijn, is de vraag: wat wil God dat wij in deze situatie gaan doen? Als het goed is geven ambtsdragers leiding bij het zoeken naar antwoorden op die vraag.

Het komt mij voor dat orthodox Gereformeerden in Nederland zich die vraag veel vaker moeten stellen.
Nee, ik heb niet speciaal het oog op een of meerdere kerkverbanden.
Maar wij weten allemaal dat boosheid over allerlei gebeurtenissen in het kerkelijk leven soms leidt tot evenzovele intochten als uittochten van kerkleden.
En ja, wij weten allen dat teksten die als bemoediging bedoeld waren, soms zomaar als opruiing kunnen worden bestempeld.

Als u het mij vraagt zijn wij postmodernistischer als wij denken.
U weet het misschien: postmoderne mensen koesteren wantrouwen tegen grote verhalen die de waarheid claimen[8]. Er is sprake van twijfel en relativering. En vooral: iedereen leeft op zijn eigen stukje grond en in zijn persoonlijke werkelijkheid[9].
Wat is het gevolg daarvan?
Antwoord: je vertrouwt alleen maar meer op jezelf. En ach, misschien ook wel op een paar andere mensen om jou heen. Maar daarmee houdt het dan wel op.

Iemand schreef eens in een publicatie over het postmodernisme: ”Het zoeken van waarheid is niet alleen een zaak van correct observeren en verstandelijk redeneren, maar ook van het hart, van gewoonten en karakter, van gehoorzaamheid aan de hele wet van Christus”.
En ook: “Waarheid moet dus niet alleen verkondigd, maar ook uitgebeeld worden door hen die haar belijden. En dit houdt de noodzaak van nederigheid in, een nederigheid die gefundeerd is in de erkenning dat we niet beter zijn dan onze ongelovige naasten. We delen in de schuld en zonde van de wereld; we vallen allen onder Gods oordeel en zijn allen afhankelijk van zijn genade”[10].

Wij moeten nederig zijn.
Wij zijn allen afhankelijk van Gods genade.
Dat zouden gelovige mensen van 2018 eens wat vaker moeten bedenken.

Wij moeten ons ook realiseren dat wij zondig zijn.
En ja, dat gaat gedurende ons aardse leven niet veranderen.
Wij mogen en moeten vertrouwen op Jezus Christus. En op Zijn verlossingswerk.

Het voltooien van dat werk is een zeer zware taak geweest.
Jezus Christus is gelasterd.
Gehoond.
Bespot.
Wij lezen daar iets over in Mattheüs 26: “…ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de ​tempel​ van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen. En de ​hogepriester​ stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U? Maar ​Jezus​ zweeg. En de ​hogepriester​ antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de ​Christus​ bent, de ​Zoon van God. Jezus​ zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel”[11].

Jezus Christus heeft Zijn verlossingswerk op aarde inmiddels geheel afgerond.
En in Mattheüs 26 sprak Hij er al over: in de hemel werkt Hij verder, ten bate van al Zijn kinderen.

Wie dit alles beseft, zal ook al gauw bedenken hoe belangrijk het is om zachtmoedig te blijven, en broeders en zusters in alle rust tegemoet te treden.

Natuurlijk, meningsverschillen zullen altijd blijven bestaan.
Maar het aantal ‘ontploffingen’ kan worden beperkt.
En laten wij wel wezen: zo hóórt dat, in de kerk.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2229215-kabinet-breidt-aanpak-van-discriminatie-uit.html ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[2] Het citaat komt uit Psalm 122:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 105.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 106.
[5] Leviticus 19:16, 17 en 18.
[6] Geciteerd uit mijn artikel ‘Eerbiedige eredienst’, hier gepubliceerd op 16 juni 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/06/16/eerbiedige-eredienst/
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 32.
[8] Zie hierover bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Postmodernisme ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[9] Zie hierover ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_filosofie ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[10] Geciteerd uit: Frederika Oosterhoff, ”Het Postmodernisme in bijbels licht” (Woord & Wereld nr. 62). – Uitgeverij Woord en Wereld, © 2004. – p. 97.
[11] Mattheüs 26:61-64.

15 mei 2018

Gods Geest wérkt

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus gaat over de zondagsheiliging. Dat is bij Gereformeerden wel bekend.
Maar er is toch wel wat meer.

In die Zondag wordt gevraagd: “Wat gebiedt God in het vierde gebod?”
In het antwoord staat onder meer: “… dat ik al de dagen van mijn leven (…) de Here door zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin”[1].

De Here gaat dus door Zijn Geest in de harten van Zijn kinderen werken.
Gelovige mensen moeten daar alle gelegenheid voor geven!

Zo komen we dichtbij Pinksteren, het feest dat wij – als alles volgens plan verloopt – op zondag 20 en maandag 21 mei zullen vieren.
Een internetencyclopedie vermeld: “Het woord ‘pinksteren’ is afgeleid van het Griekse woord ‘pentèkostè’ (=vijftig; Gr. pente = vijf) of ‘pentekostos’ (=vijftigste) (vgl. Engels pentecost), dat ‘vijftig’ betekent. Pinksteren begint op de vijftigste dag na Pasen”[2].

Op het Pinksterfeest vieren we de uitstorting van de Heilige Geest, zoals die in Handelingen 2 beschreven staat.

De Heilige Geest van God komt uit de hemel neer. Hij gaat wonen in de harten van Zijn discipelen. Dat is tevens het moment dat de eerste christelijke gemeente wordt gesticht.

Zo is de kerk er gekomen.
Die kerk kwam er niet omdat mensen bedachten dat zij iets moesten gaan doen met hun religieuze gevoelens.
Nee, de kerk was en is er omdat God daarin actief is. De kerk is Gods werk. De kerk is Gods eigendom.
Mensen kunnen wel denken dat zij het in de kerk te zeggen hebben. Maar niets is minder waar. De Here God laat Zijn gezag gelden. Zijn Heilige Geest is daar druk bezig!

Wat gebeurt er in de harten van kinderen van God?

Die harten worden gevuld met Gods liefde.
Zo schrijft de apostel Paulus erover in Zijn brief aan de christenen in Rome. In Romeinen 5 staat: “…de hoop beschaamt niet, omdat de ​liefde​ van God in onze ​harten​ uitgestort is door de ​Heilige​ Geest, Die ons gegeven is”[3].
Jezus Christus zorgt ervoor dat wij hoop houden. Hoop op een toekomst in de hemel.
Hoe blijft die hoop levend?
Die hoop blijft levend omdat de Heilige Geest onze harten vult met de liefde van God. Die liefde mogen we vervolgens weer uitdelen aan de mensen om ons heen.

De Heilige Geest geeft ons ook garanties.
De apostel Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 1: “En Hij Die ons met u bevestigt in ​Christus​ en ons ​gezalfd​ heeft, is God, Die ons ook ​verzegeld​ heeft en het onderpand van de Geest in onze ​harten​ gegeven heeft”[4].
Daar zitten twee aspecten aan.
1.
Met de komst van de Heilige Geest heeft God Zijn eigendomszegel op de kerk gedrukt. Met dat eigendomszegel laat God zien: de kerk is van Mij.
En dan is het duidelijk: geen mens kan met de kerk aan de haal gaan. Want God is er de Eigenaar van. En Hij is Degene die werk in de kerk kan laten doen. Hij geeft daar de opdrachten voor. Er is geen mens die kan zeggen: we gaan het vanaf nu eens helemaal anders doen in de kerk. Want God bepaalt wat daar gebeurt!
2.
De Heilige Geest is ook een onderpand. Arrabona staat er in het Grieks.
Een uitlegger noteert: “Het begrip arrabon (waarborgsom, onderpand, aanbetaling; een leenwoord uit het Semitisch, in het Hebreeuws eravon ‘pand’), (…) is afkomstig uit de wereld van de handel. Het wordt als regel gebruikt voor een eerste aanbetaling van een groter bedrag dat later zal volgen”[5].
De Heilige Geest is, om zo te zeggen, een aanbetaling. De Geest is een garantie: de volledige heerlijkheid komt er aan; dit is nog maar het begin!
In Romeinen 8 gaat het over de ‘eerstelingen van de Geest’[6]. Dat betekent: dit is nog maar het eerste, maar er kómt nog veel meer!

Zo begint de eeuwige sabbat.
Zo staat dat dus in Zondag 38.
Die term ‘eeuwige sabbat’ brengt ons bij Hebreeën 4: “Er blijft dus nog een ​sabbatsrust​ over voor het volk van God”[7].
Wat betekent dat?
Een predikant legde dat eens zo uit: “Het betreft de feestelijke sabbatsrust, waar de Here naar toe werkt, en Zijn volk heen leidt. Het gaat om Gods feest waarin Hij Zijn volk wil laten delen. Gods sabbatsfeest dat eeuwig is en dat straks volmaakt zal zijn. Dat straks nooit meer ophoudt en geen wanklank kent. Dat door niets gestoord zal worden. Een feest dat het summum zal worden van heerlijkheid en vreugde”[8].

Wij zijn op weg naar de Pinksterdagen.
De Here gaat door Zijn Geest in de harten van Zijn kinderen werken.
Dat belooft wat!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 38, antwoord 103.
[2] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/P/Pinksteren_(chr.) ; geraadpleegd op donderdag 3 mei 2018.
[3] Romeinen 5:5.
[4] 2 Corinthiërs 1:22.
[5] Geciteerd van de online versie van de Studiebijbel; commentaar bij 2 Corinthiërs 1:22.
[6] Romeinen 8:23: “En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam”.
[7] Hebreeën 4:9.
[8] De predikant in kwestie is dominee S. de Marie, predikant van de Gereformeerde Kerk (hersteld) te Zwolle en omstreken. Geciteerd van http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/676 ; geraadpleegd op donderdag 3 mei 2018.

1 mei 2018

Alle eer aan God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

‘Goede dienst toegewenst’. Die wens hoort u vast ook wel eens. We spreken ‘m uit als we elkaar, op weg naar de kerk, tegenkomen. ‘Goede dienst!’. We wensen elkaar concentratie op de preek; we hopen dat we niet worden afgeleid door eigen gedachten, of door gebeurtenissen in de omgeving.
‘Goede aandacht’, zei men eertijds ook wel. Als ik mij niet vergis, raakt die term enigszins uit de tijd.

Wat is eigenlijk een goede kerkdienst?
Dat is een dienst waarin God alle eer krijgt. Kerkgangers hoeven namelijk niet zo nodig lof toegezwaaid te krijgen. Integendeel.
Mensen zijn behept met zonden. Hun hele leven zit er vol mee. En toch was en is God trouw. Hij laat mensen niet links liggen. Hij heeft Zijn Zoon naar de aarde gestuurd om voor onze zonden te betalen. Nu is de weg naar God weer open. Zo heeft de Here Jezus Christus ons uit de greep van de duivel verlost. Jezus Christus was en is de Enige die daartoe in staat is!

Daarom: alle eer aan God!

En eigenlijk geldt dat niet alleen voor de kerkdienst.
Maar het geldt voor heel het leven. Dus ook op maandag, dinsdag… en zo verder.
Hoe gaat u om met iemand die ontzag verdient? Die behandelt u met respect. U wilt hem niet kwetsen. U wilt met eerbied behandelen. De term zegt het al: eer-bied; u wilt hem eer bieden.

Als wij dat bedenken, begrijpen wij ook wat beter waarom Zondag 36 in de Heidelbergse Catechismus staat.

Ik citeer:
“* Wat eist God in het derde gebod?
Antwoord:
Dat wij Gods naam niet lasteren of misbruiken door vloeken of door een valse eed en evenmin door onnodig zweren. Verder dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken. Kortom, dat wij de heilige naam van God alleen met ontzag en eerbied gebruiken, zodat Hij door ons naar waarheid beleden en aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen wordt.
* Is het lasteren van Gods naam door zweren en vloeken dan zo’n grote zonde, dat God ook toornt tegen hen die het vloeken en zweren niet zoveel mogelijk helpen tegengaan en verbieden?
Antwoord:
Ja zeker, want geen zonde is groter en wekt Gods toorn meer op dan het lasteren van zijn naam. Daarom heeft Hij op deze zonde de doodstraf gesteld”[1].

De naam van God wordt in onze samenleving vaak onnodig gebruikt.
Niet zozeer als een vloek.
Veel vaker als een uitroep van schrik.
Of omdat mensen met hun eigen falen geconfronteerd worden.

Onbewust zetten veel mensen er vaak ook nog een bezittelijk voornaamwoord voor. Bijvoorbeeld zo: ‘o mijn God’.
Is het dan zo dat de mensen die Gods naam nutteloos gebruiken niet in God geloven? Zeker niet. Sterker nog: dat gebeurt niet zelden door mensen die heel goed weten dat de God van hemel en aarde hun leven leidt. Het gebeurt nogal eens door mensen die met zekere regelmaat in gebed tot God gaan.
Opmerkelijk, vindt u ook niet?

Aan dat onnodige gebruik van Gods naam zit nóg een opvallend aspect.
Het is vrijwel nooit zo dat mensen de Godsnaam vervangen door een andere naam.
Niemand zegt: ‘o koning Willem!’.
Niemand zegt: ‘Merkel nog aan toe!’.
Niemand roept: ‘o Rutte!’.
Vrijwel altijd is de Godsnaam in geding. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd.
Hoe zou dat toch komen?
We zullen moeten bedenken dat er in deze wereld een strijd wordt gevoerd die veel intensiever is dan wij kunnen zien. Een onzichtbaar gevecht, bovendien.
Denkt u in dit verband maar aan Johannes 12, waar Jezus zegt: “Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken, nu zal de vorst van deze wereld buitengeworpen worden”[2].
En aan Efeziërs 6: “Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten”[3].
Ik wil maar zeggen: de duivel zit achter al dat onnodig gebruik van Gods naam. Dat alles maakt deel uit van de grote strijd tussen God en satan!

In de Heidelbergse Catechismus, dat oude boekje uit het Duitse Heidelberg, staat te lezen: “Verder dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken”.
Ach, laten we er maar niet omheen draaien.
Het is onbegonnen werk om in onze maatschappij wat te zeggen van elke vloek die te horen is. Maar als er zich een goede gelegenheid voordoet, mogen we best duidelijk zeggen hoe de zaken staan.

Laten wij ons er daarbij echter wel van bewust zijn dat heel veel mensen zich van geen kwaad bewust zijn als zij vloeken. Het is vaak in het geheel niet de bedoeling christenen te kwetsen.
Laten wij met de nodige tact optreden!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 36.
[2] Johannes 12:31.
[3] Efeziërs 6:12.

24 april 2018

Vernieuwde beelden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Dit artikel begint bij stomme beelden.
Bij beelden die niet kunnen spreken, dus.

Daarover gaat het ook in de Heidelbergse Catechismus, dat oude leerboekje van de kerk.
In Zondag 35 staat onder meer het volgende.

“Wat eist God in het tweede gebod?
Antwoord:
Dat wij God op geen enkele manier afbeelden en Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft”[1].

Iemand die dat leest, zou kunnen denken: waarom mag dat niet?
Het is toch fijn om iets of iemand vast te kunnen pakken?
Daar wordt het toch veel makkelijker van?
Toch is er een goede reden om het afbeelden van God na te laten.
Want God is veel groter dan wij. Zelfs de meest wijze man kan niet aan God tippen. De meest wijze vrouw komt niet bij God in de buurt.

Dat is een deel van de achtergrond van de volgende vraag en het antwoord in dat oude lesboekje:
“Mag men dan helemaal geen beelden maken?
Antwoord:
God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen”[2].

Daarbij komt: beelden kunnen niet praten.
Maar God is, om het zo maar te zeggen, springlevend.
In de Bijbel spreekt Hij vandaag nog altijd tegen ons. De Catechismus spreekt over ‘levende verkondiging’.
Dat is, wat mij betreft, een wat bijzondere term. In 2012 heb ik daar al eens iets over geschreven[3].

Die term betekent in ieder geval: verkondiging midden in het leven van vandaag.
En ook: verkondiging die op de toekomst gericht is. Op de toekomst die wij in de hemel hebben.

De apostel Paulus heeft daar veel over geschreven.
In 1 Corinthiërs 15 bijvoorbeeld.
Ik haal een paar woorden uit dat hoofdstuk: “En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen”[4].

Het is voorstelbaar dat iemand die het bovenstaande voor het eerst leest, bij zichzelf denkt: dit is geheimtaal.
Het wordt al iets duidelijker als we de woorden die eraan voorafgaan ook citeren. “De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede Mens is de Heere uit de hemel. Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen”[5].
Daar staat dus:
* we zijn nu nog aards
* net als de eerste mens, Adam.
* maar er komt een tijd dat we hemels zullen zijn, net als Jezus Christus.

Christenen zijn daarom, goed beschouwd, heel progressieve mensen.
Vooruitstrevend. Gericht op datgene wat komt.
Dat betreft niet alleen het lichaam, maar ook de geest.
Het gehele bestaan gaat gloriëren. Het wordt heerlijk!

De meeste en oudste handschriften lezen dat vers uit 1 Corinthiërs 15 – “wij zullen het beeld van de Hemelse dragen” – als een oproep: laten wij het beeld van de Hemelse dragen.
Dan is het dus een aansporing.
Een dringende uitnodiging.

Maar die aansporing is eigenlijk heel logisch.
Waarom?
Omdat God mensen uitkiest. Hij zegt: u hoort bij Mij.
Hij voert een plan uit. Hij weet al heel lang wat onze bestemming is.
De apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de christenen in Rome, hoofdstuk 8: “Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de ​Eerstgeborene​ zou zijn onder vele broeders”[6].
Gelovige mensen zullen in de hemel echt Thuis zijn. Het is niet de bedoeling van de Eerstgeborene, Jezus Christus, om de hemel enkel en alleen te bestemmen voor de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Nee, heel Zijn volk mag meegenieten van de eeuwige heerlijkheid!

In 1 Johannes 3 staat: “Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is”[7].
Dan begrijpen wij blijkbaar wie Hij is.
We leven dan op hetzelfde hemelse niveau als Hij.

En dat wordt pas echt leven.
Dan is alle verdriet weg. De tranen zijn definitief afgeveegd. Lichamelijke en psychische klachten zijn uit de wereld. Het woord ‘angst’ staat niet meer in ons woordenboek. De twijfels zijn verdwenen.
Het leven wordt vrede.
Het wordt een eeuwigheid van geluk, die nu nog onvoorstelbaar is!

Daar mogen we ons op verheugen.
Zelfs als we diep in de ellende zitten, mogen we zeggen: het wordt beter, veel beter!
En we bereiden ons erop voor: dit is nog maar een klein begin, het wordt nog veel mooier.
Vol verwachting klopt ons hart – nee, niet alleen in de decembermaand.

Dan begrijpen we ook stukken beter waarom Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus het over ‘stomme beelden’ heeft.
Want wat moet je nou met beelden als je het magnifieke perspectief van de hemel hebt?
Niks natuurlijk. Helemaal niks.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 35, antwoord 96.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 35, antwoord 97.
[3] Zie mijn artikel ‘Levende verkondiging’; hier gepubliceerd op dinsdag 11 december 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/12/11/levende-verkondiging/ .
[4]
1 Corinthiërs 15:49.
[5] 1 Corinthiërs 15:47 en 48.
[6] Romeinen 8:29.
[7] 1 Johannes 3:2.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.