gereformeerd leven in nederland

17 maart 2020

Sprinkhanen in Afrika

Heeft u ’t ook al gehoord, de alarmerende verhalen over al die sprinkhanen in Kenia?

De NOS schrijft op vrijdag 6 maart 2020: “Die grote en nieuwsgierige ogen. Die vallen altijd op bij de woestijnsprinkhaan, of ze nu net geboren zijn of aan het einde van hun korte levenscyclus. Met die ogen nemen ze elke beweging in hun omgeving waar en zo ontkomen ze aan gevaar. Met hun grote aantallen, enorme vraatzucht en voortplantingsdrift vielen ze eind vorig jaar Kenia binnen, vanuit Somalië en Ethiopië. Sinds dat moment hebben de sprinkhanen elke ronde gewonnen van hun bestrijders. De FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, waarschuwt dat de plaag toeneemt. Afgelopen weken verspreidden de zwermen zich verder naar Noord-Oeganda, Zuid-Soedan en zelfs naar het noorden van Congo”.
En even verder:
“Het gif werkt, maar er zijn er simpelweg te veel. Ze blijven komen, uit alle windrichtingen. Op dag twee van de uitroeiingscampagne wordt honderd kilometer verderop het leger ingezet. Majoor Odondo geeft leiding. ‘Een militair geeft nooit op’, zegt hij moedig voor de camera als op de achtergrond zijn soldaten zich in witte beschermende kledij steken. Ze omsingelen de beestjes, die na drie weken al geel zijn en bijna kunnen vliegen. ‘Let maar op, ze gaan er allemaal aan’. De majoor slaagt er inderdaad in een massaslachting aan te richten. Maar ook hij heeft zijn hielen nog niet gelicht of er komt een nieuwe horde aan”[1].
Het hele land kaalgevreten!
Wat een ramp!
Het voedsel voor vele, vele Kenianen zomaar vernietigd!
Dat nieuws is uit de actualiteit weggedrukt. Vanwege alle drukte vanwege het rondwarende coronavirus is het een vergeten verwoesting geworden. Laten wij maar beseffen: er is méér dan corona.

Dit doet denken aan Exodus 10.
“De sprinkhanen kwamen op over heel het land ​Egypte​ en streken neer op heel het gebied van de ​Egyptenaren, een zeer grote zwerm. Nooit eerder is er zo’n zwerm sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit weer zo een zijn, want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land erdoor verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land ​Egypte”[2].
En:
“En de HEERE keerde de wind en liet een zeer sterke westenwind opsteken. Die tilde de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee. Er bleef niet één sprinkhaan over op heel het grondgebied van ​Egypte. Maar de HEERE verhardde het ​hart​ van de ​farao, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan”[3].

In Exodus 10 is het blijkbaar nog erger als in het Kenia van vandaag. We kunnen ons wel voorstellen hoezeer de Egyptenaren geschrokken zijn. Verbijstering alom!

In Exodus 10 grijpt de Here in. De trouwe Verbondsgod straft de farao en zijn volk. De God van het verbond komt óp voor Zijn volk!
Gelovige kerkmensen mogen zich realiseren dat hun God Zijn volk ook anno Domini 2020 scherp in het oog houdt.

Het is de Here die het hart van de farao verhardt. Dat dient met enige nadruk genoteerd te worden.
Juist ook vandaag.
Want wat is de praktijk van onze tijd? Wie belijdt dat zijn leven in Gods hand is en dat hij dus niet bang is voor de toekomst, kan zomaar een legioen vraagtekens op zijn weg ontmoeten. En de belangrijkste vraag die men stelt is: waarom laat God dit gebeuren?
Dat heeft alles te maken met de uitverkiezing. Leest u maar mee in Romeinen 9: “…Hij zegt tegen ​Mozes: Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal ​barmhartig​ zijn voor wie Ik ​barmhartig​ ben. Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt. Want de Schrift zegt tegen de ​farao: Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde. Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil. U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt?”[4].
Juist in de huidige omstandigheden wordt er een scherpe lijn getrokken tussen schapen en bokken, tussen kinderen van God en ongelovigen, tussen uitverkorenen en verworpenen.
De vraag is: leggen wij ons leven in Gods handen, of niet?

Terug naar de sprinkhanenplaag in Kenia.
Een deskundige zegt: “Woestijnsprinkhanen leven ongeveer drie maanden. Nadat een generatie is volgroeid, leggen de volwassen insecten hun eitjes, waaruit onder de juiste omstandigheden een nieuwe generatie kan voortkomen die soms wel twintigmaal talrijker is dan de voorgaande. Zo kan een populatie woestijnsprinkhanen binnen een paar generaties explosief toenemen, legt Cressman uit. Uiteindelijk leidden de beide wervelstormen van 2018 in een tijdsbestek van drie generaties en negen maanden tot een enorme bevolkingsexplosie, waardoor het aantal sprinkhanen op het Arabisch schiereiland achtduizendmaal zo groot werd”[5].
En dan te bedenken dat de God van hemel en aarde dit alles in Zijn hand heeft! Hij houdt de wereld in toom!

Men schreef naar aanleiding van de sprinkhanenplaag in Exodus 10: God is bezig om “met deze ‘sprinkhanenplaag’ Zijn doel te bereiken. Dit doet Hij nu nog in Zijn voorzienigheid, maar spoedig brengt Hij een rechtstreeks oordeel over de wereld en de goddeloze massa van Zijn volk en handelt Hij ook tot uitredding van de getrouwen”[6].
Inderdaad – God brengt het oordeel over de wereld.
Maar er is meer.
Want Gods kinderen mogen zeggen: op de Jongste Dag zal de almachtige God ons dankzij Jezus Christus genadig wezen. De Heidelbergse Catechismus leert ons op dit punt het volgende.
“Vraag:
Wat belijdt u met het woord: geleden?
Antwoord:
Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen. Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven.
Vraag:
Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Antwoord:
Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen”[7].

Rampen gaan over de wereld.
De mensen kijken verbijsterd toe en vragen: waarom laat God dit allemaal toe? Men roept: dit had toch wel anders gekund?
Laten wij ’t maar vasthouden:
* de sprinkhanen zijn een waarschuwing: blijf wonen in de leefgemeenschap met God!
* maar voor de kerk heeft deze ramp ook troost in zich: het leed van het eeuwig oordeel is al voor ons geleden!

Tenslotte – laten wij die bekende woorden uit Mattheüs 24 blijven repeteren: “Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. En dit ​Evangelie​ van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen”[8].

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2326105-in-kenia-vecht-zelfs-het-leger-tegen-de-sprinkhanen.html ; geraadpleegd op donderdag 12 maart 2020.
[2] Exodus 10:14 en 15.
[3] Exodus 10:19 en 20.
[4] Romeinen 9:15-20 a.
[5] Geciteerd van https://www.nationalgeographic.nl/wetenschap/2020/02/sprinkhanenplaag-teistert-heel-oost-afrika-klimaatverandering-speelt-mogelijk’; geraadpleegd op donderdag 12 maart 2020.
[6] Geciteerd van https://www.oudesporen.nl/Download/OS2304.pdf , p. 46 en 47; geraadpleegd op donderdag 12 maart 2020.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, vragen en antwoorden 37 en 38.
[8] Mattheüs 24:13 en 14.

17 januari 2020

De verbijstering van Liesbeth

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vrijdag 10 januari 2020 – schrijver dezes leest een column van Liesbeth Goedbloed in het Nederlands Dagblad. Zij schrijft over haar verbijstering met betrekking tot 2019: “…verbijstering – om lafheid en luiheid, domheid en leugenachtigheid, om de onmenselijke onverschilligheid die soms de bovenste bovenbaas lijkt te zijn in het leven – zowel in de grote wereld waar deze krant over schrijft als in mijn eigen, kleine mensenleven. Het was te veel verbijstering voor één mensenkind. In elk geval voor mij. Vandaar die mist.
Soms denk ik dat ik terug moet naar de Catechismus uit mijn jeugd, die schrijft dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Dat laatste is waar, lijkt me, maar het is juist waar, omdat het eerste niet waar is. De mens zou goed kunnen zijn, maar hij is er met de regelmaat van de klok te laf en te gemakzuchtig voor. En dan bedoel ik niet alleen anderen, maar ook mezelf. Daar word ik nog het mistigst van!”[1].

Terug naar de Heidelbergse Catechismus? Dat is een goed plan.
Liesbeth doelt op Zondag 3: “Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?
Antwoord:
Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden”[2].

Dat antwoord bewaart onze ziel voor nevels die altoos blijven hangen.
Zeker, de sfeer waarin Liesbeth denkt is herkenbaar. Onmenselijke onverschilligheid is een bekend verschijnsel, zowel in de maatschappij als in ons persoonlijk leven. Maar het Evangelie is juist dat door God uitgekozen kinderen door de Geest van God opnieuw geboren worden. Het is jammer dat Liesbeth dat er niet bij zet. Juist de troost van Zondag 3 laat zij weg.

Terug naar de column van Liesbeth.
Zij schrijft: “Soms denk ik dat ik terug moet naar de Catechismus uit mijn jeugd, die schrijft dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Dat laatste is waar, lijkt me, maar het is juist waar, omdat het eerste niet waar is”.
De bevinding van Liesbeth is klaarblijkelijk: wij zijn geneigd tot alle kwaad; maar we zijn nog wel bekwaam tot enig goed. “De mens zou goed kunnen zijn, maar hij is er met de regelmaat van de klok te laf en te gemakzuchtig voor”.
Is dat waar?

Paulus schrijft in Romeinen 5: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben”[3].
Een uitlegger noteert daarbij: “Het woordje ‘daarom’ verbindt het voorgaande met Romeinen 5:12-21. Binnen deze heilsgeschiedenis is de opzienbarende gebeurtenis van de verzoening door Jezus Christus eigenlijk alleen vergelijkbaar met zijn tegenpool, de catastrofale zondeval door Adam. In dit vers wil Paulus nog geen vergelijking met Christus trekken (…), maar de universele heerschappij van de dood benadrukken”[4]. Universeel – dat betekent: algeheel, algemeen, wereldwijd. En zegt u nu zelf: dat zien we om ons heen.
Altijd weer is daar de welhaast onbedwingbare neiging om zelf gerechtigheid te zoeken. Daar is de neiging om zelfredzaam te wezen. Altijd weer willen we graag zeggen: ‘Ik zoek mijn eigen geluk. Dat straal ik uit. Zo maak ik ook anderen blij’. Maar dat mislukt steeds weer. Het maakt niet uit of wij – bijvoorbeeld – 57 of 92 jaar zijn: consequente gelukzoekers worden we niet. Nee, ijverige vredemakers gaan wij nooit worden. Niemand straalt vierentwintig uur per etmaal liefde uit; zelfs de meest lieve mensen zijn wel eens narrig.
De mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van Gods gaven beroofd, leren we in de Heidelbergse Catechismus[5].
“De mens zou goed kunnen zijn”, schrijft Liesbeth. Fout! Dat wordt op deze aarde nooit wat.

Wellicht merkt iemand wat triestig op: wat een droevig artikel is dit!
En in zekere zin is dat waar. Dat komt omdat het met alle mensen zo droevig gesteld is. Dat heeft Liesbeth goed gepeild.
Maar dit artikel kent een ommekeer. Het is een omkering die het Woord van God ons voorhoudt. In Romeinen 6 namelijk: “Maar nu, van de ​zonde​ vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt u uw vrucht, die tot ​heiliging​ leidt, met als einde eeuwig leven. Want het loon van de ​zonde​ is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door ​Jezus​ ​Christus, onze Heere”[6].
De Basisbijbel heeft: “Maar nu zijn jullie bevrijd uit de macht van het kwaad. Jullie zijn dienaren van God geworden. Daardoor zullen jullie leven zoals Hij het wil. En tenslotte zullen jullie het eeuwige leven hebben. Het kwaad brengt altijd de dood: het is je loon voor wat je hebt gedaan. Maar de liefdevolle goedheid van God geeft een geschenk: het eeuwige leven, door onze Heer Jezus Christus”[7].

Dat verhaal over onmenselijke onverschilligheid is wel herkenbaar.
Wie in deze wereld rondkijkt gaat van verbazing naar verbijstering, en nog verder.
Schrijver dezes gaat gaarne een paar mijlen met Liesbeth Goedbloed mee.
Echter – de Bijbel is er niet om ons in oneindige depressiviteit op deze aarde achter te laten.
Want wij hebben de belofte van eeuwig leven, vanwege het werk van onze Here Jezus Christus.

Ja, de dagen na het Kerstfeest en de jaarwisseling kunnen donker wezen.
Maar dankzij onze Heiland gaat het licht weer aan!

Noten:
[1] Liesbeth Goedbloed, “Het jaar van de verbazing”. Column in: Nederlands Dagblad, vrijdag 10 januari 2020, p. 24.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 3, antwoord 8.
[3] Romeinen 5:12.
[4] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Romeinen 5:12.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 4, antwoord 9.
[6] Romeinen 6:22 en 23.
[7] Te vinden op https://www.basisbijbel.nl/boek/romeinen/6 .

19 september 2019

Gods Woord en euthanasie

Euthanasie is een veelbesproken en daarbenevens zeer beladen onderwerp. Artsen en rechters proberen steeds weer genuanceerde uitspraken te doen.
Maar het moet gezegd: voor christenen, Gereformeerde mensen incluis, wordt het er – gezien de publieke opinie – meestal niet beter van. Ook niet duidelijker, trouwens.

Wat is euthanasie?
“Bij euthanasie dient een arts dodelijke medicijnen toe aan een patiënt om een eind te maken aan ondraaglijk en uitzichtloos lijden”.
Daarbij gelden zes zorgvuldigheidseisen. Kort samengevat:
* Vrijwillig en weloverwogen verzoek
* Uitzichtloos en ondraaglijk lijden
* Patiënt en familie informeren over de vooruitzichten
* Geen redelijke andere oplossing
* Raadplegen onafhankelijke arts
* Medisch zorgvuldige uitvoering[1].

Laten wij eerst zonder omwegen vaststellen dat euthanasie ten principale doodslag is.
Zie de Heidelbergse Catechismus:
“Wat eist God in het zesde gebod?
Antwoord:
Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.
Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?
Antwoord:
Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is.
Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?
Antwoord:
Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen en dat wij ook onze vijanden goed doen”[2].

Er zijn wel mensen die het bovenstaande in verband met euthanasie te rechtlijnig vinden.
Dan zegt men bijvoorbeeld: “Barmhartig zijn en tegen het lijden werken, zijn voor mij hoofdlijnen in de Bijbel. Op grond van barmhartigheid een leven beëindigen, omdat er sprake is van uitzichtloos lijden, is voor mij een legitieme redenatie”[3].

Dat is echter zeer strak door de bocht.
Er is namelijk ook nog palliatieve sedatie.
“Palliatieve sedatie is het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiënt in de laatste levensfase. Doel is het lijden te verlichten. Het bewustzijn verlagen is een middel om dat te bereiken. Palliatieve sedatie die lege artis [volgens voorschrift, BdR] wordt toegepast bekort het leven niet. De patiënt komt te overlijden aan de onderliggende ziekte. Hierin onderscheidt palliatieve sedatie zich van euthanasie”[4].
Terecht zegt iemand: “De introductie van palliatieve sedatie bracht me definitief tot het standpunt dat je – zonder euthanasie – niet uitzichtloos hoeft te lijden. Van huisartsen en situaties in mijn omgeving weet ik dat palliatieve sedatie vaak dragelijker is dan levensbeëindiging”.
Waarvan akte!

Wat leert de Heilige Schrift ons in verband met euthanasie?
Laten wij, ten behoeve van elkander, enkele Schriftuurlijke gegevens memoreren.

Hanna, de moeder van Samuël, zegt in 1 Samuël 2: “De HEERE doodt en maakt levend, Hij doet in het ​graf​ neerdalen en Hij doet daaruit opkomen”[5].
Wie 1 Samuël 2 tot zich door laat dringen, realiseert zich ook: het leven van een Gereformeerd mens is nooit helemaal uitzichtloos. Want er is zicht op de opstanding!

Gods Woord leert ons het menselijk lijden nimmer te bagatelliseren:
“Maar mijn lijden werd heviger,
mijn ​hart​ werd heet in mijn binnenste.
Een vuur ontbrandde bij mijn zuchten;
toen sprak ik met mijn tong:
HEERE, maak mij mijn einde bekend
en wat de maat van mijn dagen is,
zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben”[6].
David laat zien hoe diep het lijden kan zijn en hoe ver dat kan gaan. Maar midden in alle pijn en ellende wendt Hij zich tot God. Wij mogen onze Here niet buitensluiten, juist niet als wij ernstig lijden!

Paulus schrijft in Philippenzen 1 dat Christus grootgemaakt moet worden “in mijn lichaam, of het nu door het leven is of door de dood. Want het leven is voor mij ​Christus​ en het sterven is voor mij winst”[7].
Wie met ernstig lijden te maken heeft mag in ziekte en beperkingen laten zien hoe groot het verschil is tussen de kleine, lijdende mens en de grootse, glorieuze Heiland. Als het naar het sterven toe gaat, mogen we belijden: hij of zij krijgt in de hemel een grootse positie in de leefomgeving van Christus!

De Hebreeënschrijver noteert in hoofdstuk 9: “En zoals het voor de mensen beschikt is dat zij eenmaal moeten sterven en dat daarna het oordeel volgt…”[8].
Er komt een moment dat wij sterven. Dan zullen een oordeel over ons werk ontvangen. Als de artsen het niet meer weten, mogen we een Gereformeerd mensen ook met een gerust hart laten gaan!

In onze samenleving wordt nogal eens gesproken over waardig leven en sterven.
In Openbaring 20 staat te lezen: “En de dood en het rijk van de dood werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood. En als iemand niet bleek ingeschreven te zijn in het ​boek​ des levens, werd hij in de poel van vuur geworpen”[9].
Een arts die een niet-christen euthanaseert brengt zijn patiënt voor eeuwig in een brandend vuur waar niemand zijn wil: de hel!

Het onderwerp ‘euthanasie’ wordt uitgebreid bediscussieerd. Maar daarbij gaat Gods Woord maar zelden open. Dat is niet alleen jammer. Dat is zonde.

Noten:
[1] Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/levenseinde-en-euthanasie/euthanasie ; geraadpleegd op zaterdag 14 september 2019.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40.
[3] Geciteerd uit: “Mag euthanasie? Gelovigen én ongelovigen wikken en wegen”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 14 september 2019, p. 4 en 5.
[4] Geciteerd van https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/palliatieve-sedatie.htm ; geraadpleegd op zaterdag 14 september 2019.
[5] 1 Samuël 2:6.
[6] Psalm 39:3b, 4 en 5.
[7] Philippenzen 1:20 b en 21.
[8] Hebreeën 9:27.
[9] Openbaring 20:14 en 15.

1 juli 2019

Spiritualiteit centraal?

Spiritualiteit is in. Wij moeten op het geestelijke gericht zijn. Beter nog: op de Geest van God.
De van oorsprong Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen maakt er werk van.
Het Nederlands Dagblad meldt op donderdag 27 juni 2019: “De Theologische Universiteit Kampen begint in 2020 een nieuwe eenjarige master spiritualiteit, samen met twee vernieuwingsbewegingen op het gereformeerde erf, het charismatische New Wine en het monastieke Contemplatio.
Dat maakt de vrijgemaakt-gereformeerde theologieopleiding vandaag bekend. Hoogleraar Ad de Bruijne, verantwoordelijk voor de vakgebieden ethiek en spiritualiteit, gaat de master leiden. Hij wordt daarin ondersteund door universitair docent Hans Burger, de Zwolse dominee Jos Douma, die betrokken is bij Contemplatio en veel schrijft over (monastieke) spiritualiteit, en Ronald Westerbeek, de huistheoloog van New Wine. Er worden ook gastdocenten aangetrokken.
De master is bedoeld voor dominees, studenten en allen, bijvoorbeeld geestelijk verzorgers of therapeuten, die in de dagelijkse praktijk te maken hebben met christelijke of juist moderne vormen van spiritualiteit, zegt De Bruijne”.
Er wordt gezegd: “Hoe lees je meer geestelijk de bijbel? Hoe pas je de Bijbel op jezelf toe? Hoe ontmoet je God door de woorden van de Schrift heen? Dat komt ons niet aanwaaien”[1].

Dat laatste is zonder twijfel waar.
Maar wie God wil ontmoeten, door de woorden van de Schrift heen, moet eerst en vooral Zijn Woord lezen. Hij moet geloven wat God zegt. Hij moet in het leven met Hem optrekken. Hij moet, om een Schriftuurlijke term te gebruiken, wandelen met zijn God[2].
Om spiritueel te zijn hoeft men echt niet academisch geschoold te wezen. Iedereen kan het. Ook Jan met de pet.

Spiritualiteit is een vaag woord.
Het is niet in lijn met de Heidelbergse Catechismus. Met Zondag 1 bedoel ik. Leest u maar mee: “Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[3].
Daar is niks vaags aan.
Dat betekent: garanties voor een heerlijk leven, en vervolgens blijmoedig-christelijk aan het werk. Dat betekent: er is een hoop te doen in de wereld – aanpakken!

Is vervolgens alles rozengeur en maneschijn?
Nee. Zeker niet. Integendeel.
Want mensen hebben altijd weer de neiging om bij God weg te lopen. Dat gaat een tijd lang goed; zo lijkt het althans.
Maar de Here ziet heus wel wat er gebeurt. En na verloop van tijd, lange tijd soms, wordt Gods toorn merkbaar. Heel duidelijk merkbaar, soms.

Dat zien wij bijvoorbeeld in Jeremia 9.
Nee, dat is geen opgewekt kapittel in de Bijbel.
Jeremia spreekt over bedrog en trouweloosheid van Gods volk. “Zij gaan voort van slechtheid naar slechtheid”[4]. In het land is niemand meer te vertrouwen. Zelfs vrienden laten elkaar keihard vallen. Onrecht is aan de orde van de dag. De mensen willen God niet eens meer kennen.
Dat kan de Here niet over Zijn kant laten gaan!

Jeremia heft, als woordvoerder van de Here, een klaagzang aan.
Het land is kaal, zegt hij. En onherbergzaam. Je zou het gebied het liefst willen mijden. Voor de vogels is nergens voedsel; zij vertrekken dus ook maar.
Welnu, Jeruzalem zal eenzelfde lot treffen. Het wordt een puinhoop. Niet meer dan onafzienbare rijen ruïnes. Het is duidelijk – daar wil geen kip meer wonen.

En door de ziel prangt een vraag. Eén grote vraag. Waarom?

Jeremia geeft het antwoord.
Gods volk is bij zijn Leider weggelopen. Men heeft niet meer naar Hem geluisterd. Men heeft eigen wetten ontworpen. Men leefde naar eigen inzicht. Alhoewel – echt eigen inzicht was het ten diepste niet. Men heeft het namelijk van vaders en moeders afgekeken. ‘Zo zijn wij opgevoed’, zeggen de mensen in koor.
‘Ik zal u mores leren’, zegt God. Het voedsel zal bestaan uit alsem – niet te eten, zo bitter is het – en galwater. Dat is vieze troep; laten wij dat maar ronduit tegen elkaar zeggen.
Het volk wordt uiteen geslagen; Gods volksgenoten wonen overal en nergens. Zij zijn, als het erop aan komt, nergens thuis. Vreemdelingen zijn ze – allemaal. Inburgeringscursussen zijn er niet. Die helpen trouwens ook niet veel.
Gods volk moet, door toedoen van de almachtige Heer, voortdurend bang zijn voor oorlog en dood. Roep de klaagvrouwen maar gauw, zegt God; dan kunnen de dames zich rap gaan voorbereiden op het droevige werk dat zij moeten gaan doen. Laten zij zo snel mogelijk komen; er is haast bij!
De kerkstad Sion – Jeruzalem – is een metropool van rouw en verdriet. En, zegt de Here, geef het klaaglied maar aan elkaar door. Laten alle vrouwen maar met de klaagliederen meezingen. De dood is vlakbij![5]

Maar daarmee is niet alles gezegd.

Want de Here zegt tegen Zijn woordvoerder: “Spreek: Zo spreekt de HEERE: De dode lichamen van de mensen liggen als mest op het open veld, als een graanschoof achter de maaier, die niemand verzamelt.
Zo zegt de HEERE: Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte, laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom. Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen dat hij begrijpt en Mij kent dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs, recht en ​gerechtigheid​ op de aarde doe, want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE”[6].

Laten wij thans opnieuw de wereld van 2019 binnenwandelen.

Academisch redeneren over spiritualiteit? Dat klinkt reuze deftig.
Echter – Gereformeerden moeten zich – met een schuin oog op Jeremia 9 – realiseren dat alles van God afhangt. Hij moet ons vasthouden. Hij moet ons, om zo te zeggen, steeds weer aan de gang maken.

Spiritualiteit heeft iets vaags.
Er is een verbinding met iets bovenaards.
En als je die verbinding kwijt bent, moet je ‘m snel weer herstellen.

Laten Gereformeerden zich maar spiegelen aan de positieve taal van de Heidelbergse Catechismus.
Waar geloof is onder meer “een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus”[7].

Laten we ’t nooit vergeten: als wij God maar een beetje laten praten, maken we van ons leven uiteindelijk een puinhoop. En vaak slepen we dan mensen uit onze omgeving in onze afgang mee.
Jeremia leert ons: als u zich dan per se ergens op wilt laten voorstaan, laat het dan maar zijn op het vreugdevolle feit dat u de God van hemel en aarde kent.

Dan schrompelt spiritualiteit ineen.
Dan kunnen allerlei publicaties over menselijke zoektochten in de kast blijven.
Dan wordt spiritualiteit iets uit een wereld waar wij niet bij horen.

Noten:
[1] Geciteerd uit: “Kampen: master spiritualiteit met New Wine en Contemplatio”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 juni 2019, p. 3. En: “Academisch nadenken over een leven met God”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 juni 2019, p. 6 en 7.
[2] Zie bijvoorbeeld Micha 6:8: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[4] Jeremia 9:3 b.
[5] Zie voor het bovenstaande Jeremia 9:1-21.
[6] Jeremia 9:22, 23 en 24.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.

14 juni 2019

Onuitvoerbare dienstorder?

Respecteer alle mensen – dat is de oproep van Petrus in 1 Petrus 2. “Houd iedereen in ere”, staat er[1].
In deze wereld lijkt dat ondoenlijk.
Er zijn werknemers, leidinggevenden en directeuren die zeggen heel integer te handelen, maar ondertussen allerlei dingen doen die het daglicht niet kunnen velen. Er zijn criminelen. Enzovoort.
En dan staat hier: houd iedereen in ere…
Kun je daar in 2019 nog wel mee aankomen?

Gezag en respect – die twee staan vlak bij elkaar.
Dat blijkt trouwens ook in de Heidelbergse Catechismus.
In Zondag 39 staat over Gods eis in het gebod over onderwerping aan het gezag: “Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb, omdat God ons door hun hand wil regeren”[2].
En vervolgens in Zondag 40 over het respect voor anderen:
“Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen”[3].

Het is God die regeert.
Als Gods wet de leefregel van het leven is zijn de grenslijnen duidelijk afgetekend.
Leven naar de regel die God stelt, dat houdt het hart zacht.
Leven binnen de kaders van Zijn wet, geeft uitzicht op de verwezenlijking van zijn beloften.

De Spreukenleraar onderwijst ons in hoofdstuk 14:
“Wie een geringe onderdrukt, smaadt diens Maker,
maar wie zich over een arme ontfermt, eert Hem”[4].
Mensen zijn dus, om zo te zeggen, van hoge komaf. Zij zijn namelijk allen door de almachtige God geschapen. God schiep alle mensen met het doel dat zij God zouden eren. God heeft het over heel de wereld te zeggen. Hij is het beginpunt. Van Hem uit kunnen en moeten wij de reputatie van mensen hoog houden!

Men hoort het tegenwoordig wel eens zeggen: ‘ik maak je kapot’! Dat mogen volgelingen van Christus nooit zeggen.
Het omgekeerde is overigens ook waar: volgelingen van Christus laten zich niet kapot maken. Zij weten: mijn God staat erboven; bij Hem kan ik altijd terecht!

Als in 1 Petrus 2 één ding duidelijk wordt, dan is het wel dat de kerk midden in de maatschappij staat. Petrus schrijft: “Houd iedereen in ere; heb al uw broeders lief; vrees God; eer de koning”[5]. Wereld – kerk – God – wereld: zij buitelen in die ene zin van veertien woorden over elkaar heen. En de impliciete boodschap is duidelijk: de aardse kerk, onze samenleving, ja heel de wereld – Hij heeft alles in Zijn hand!

“Houd iedereen in ere” – dat kan óverkomen als een geitenwollensokken-regel. Zo van: we gaan zachtkens en blijmoedig onze gang. Met een glimlach en met zoetgevooisde stem. Immer flegmatiek en uiterst gelijkmatig gestemd.
Het valt te vrezen dat dat beeld bij tijd en wijle tamelijk ver van de werkelijkheid af staat.
Maar daarmee is niet alles gezegd.

Want Petrus schrijft even verder: “Want dat is ​genade, als iemand om het geweten voor God dingen verdraagt die hem pijn doen, en daarbij ten onrechte lijdt”[6].
Charis staat daar. Een exegeet schrijft daarover onder meer: “Het zelfstandig naamwoord (…) charis betekent (1) ‘schoonheid, innemendheid, liefelijkheid’, (2) genade, welgevallen, gunst’, (3) ‘dank, dankbaarheid’ en (4) ‘gunstbewijs, genadegave, liefdebetoon’.
Afgeleid van chairo ‘blij zijn, zich verheugen’ is het gemeenschappelijke van deze betekenissen dat het in verschillende situaties en hoedanigheden een toestand of daad betreft die vreugde of genoegen opwekt”[7].
In omstandigheden vol pijn en ongemak is God genadig. In tijden vol teleurstelling en verdriet staan wij bij God in de gunst. Hij kijkt met welgevallen naar Zijn weggedrukte kinderen. Het geeft Hem oneindige voldoening om te zien dat Zijn kinderen in Zijn nabijheid blijven.
En Gods kinderen weten het: de God van hemel en aarde blijft bij ons; Hij laat ons niet los!

Er zijn momenten waarop wij wellicht denken: deze wereld is mijn wereld niet meer. Of ook: ik pas niet meer in deze wereld. Misschien stellen we ons bij tijd en wijle zelfs de vraag: wat heb ik nog in deze wereld te zoeken?
In die ogenblikken mogen wij het ons realiseren: God is ons genadig.
Om met Psalm 138 te spreken:
“Hij slaat, al troont Hij nog zo hoog,
op hen het oog, die need’rig knielen,
maar uit de verte ziet Hij aan
de dwaze waan van trotse zielen”[8].

“Houd iedereen in ere”.
Op deze aarde, waar het krioelt van de wereldburgers, lijkt dat geen doen.
Maar Gods kinderen houden zich, onder leiding van de Heilige Geest, in deze wereld toch staande. Wat een wonder!
Petrus schrijft: “…als u het geduldig verdraagt wanneer u goeddoet en daarvoor lijdt, is dat ​genade​ bij God. Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook ​Christus​ voor ons geleden heeft; Hij laat ons zo een voorbeeld na, opdat u Zijn voetsporen zou navolgen”[9].
Dat gelezen hebbende wordt duidelijk dat Psalm 138 een diepe betekenis heeft:
“Als ik, omringd door tegenspoed,
bezwijken moet, schenkt U mij leven”.
Ten diepste is dat leven tot in eeuwigheid. Want:
“De HERE is getrouw en sterk,
Hij zal zijn werk voor mij voleinden”[10]!

Noten:
[1] Dit zijn de eerste woorden van 1 Petrus 2:17.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 39, antwoord 104.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 105.
[4] Spreuken 14:31.
[5] 1 Petrus 2:17.
[6] 1 Petrus 2:19.
[7] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; woordstudie ‘charis’.
[8] Dit zijn de laatste regels van Psalm 138:3; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9] 1 Petrus 2:20 b en 21.
[10] Dit zijn regels uit Psalm 138:4; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.

9 mei 2019

Geen beeld beschikbaar

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Mijn smartphone heeft geen beeld, hoe los ik dat op?
Dat is een hedendaagse vraag waaruit achtereenvolgens een grote mate van korzeligheid en een gestadig toenemende wanhoop spreekt.

Intussen is onze God in geen enkele afbeelding te vangen.
Hoe sfeervol het plaatje ook is –
Hoe fraai een beeld ook gebeeldhouwd is –
altijd is God nog mooier, nog groter, nog machtiger.

Men zegt wel: een beeld zegt meer dan duizend woorden. En heel vaak kan men dat beamen.
Niettemin zegt de Heidelbergse Catechismus, dat oude leerboek van de kerk: “God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen”[1].

En bij nader inzien is dat zo gek nog niet.

Een paar jaar geleden promoveerde de heer Tom Powell op een studie naar de effecten van tekst en beeld in het nieuws.
Uit het Reformatorisch Dagblad citeer ik: “Een van de beelden waarmee de communicatiewetenschapper werkte, was de beroemde foto van de verdronken peuter Aylan uit Syrië die op het strand van het Turkse Bodrum lag. Het beeld schokte de wereld. Maar zorgde het beeld daarvoor, of was het voornamelijk de tekst bij de foto die mensen roerde?
Voor zijn onderzoek liet Powell de foto aan Nederlandse en Amerikaanse proefpersonen zien. Het beeld stond expres bij een bericht over een strenger vluchtelingenbeleid. Achteraf stelde Powell vragen als: wil je de petitie tekenen om meer vluchtelingen op te vangen in Nederland? Steun je de militaire interventie in Syrië?
Wat bleek? Het beeld van de verdronken peuter zet aan tot acties zoals doneren aan een hulporganisatie, maar de tekst zorgt uiteindelijk voor verandering van politieke standpunten”.
In het bericht stond ook te lezen: “Een tekst lezen kost meer tijd, maar laat je wel de exacte betekenis weten”[2].

Dus:
* tekst zorgt voor nuancering van meningen
* tekst zorgt voor verandering van opinies
* met tekst komt de precieze boodschap die men brengen wil beter over.

Aldus bezien komt Exodus 34 helder in het licht te staan: “U mag u geen gegoten ​goden​ maken”[3].
Dat verbod blijkt in het Nederland van 2019 reuze modern te zijn. Immers – wie een beeld aanbidt, loopt het reële gevaar om heel ongenuanceerd te worden. Hij let slechts op de grote lijn. Hij veronachtzaamt allerlei gegevens uit Gods Woord, die belangrijk zijn om meer over God te weten te komen.
De Here laat ons in Zijn werk de exacte betekenis van Zijn geboden en verboden weten. Het blijkt in de praktijk volstrekt onvoldoende om de grote lijn van Gods werk een beetje te volgen. Voordat je ’t weet ga je eigen betekenissen geven aan de woorden die God zegt.

Exodus 34 is een tekst die ook in 2019 heel goed past!

Het was de christelijke gereformeerde hoogleraar M.J. Kater die een paar jaar geleden schreef: “Misschien moeten we eerst eens met elkaar eens afspreken in de kerk dat we niet achter de feiten aan gaan lopen. In de samenleving is al weer duidelijk het verlangen aanwezig naar ‘ont-beamering’ en een informatiedieet en verschijnen boeken over de grote nadelen van een leven in flitsende beelden en one-liners. Evenmin is het juist te denken dat we vandaag voor het eerst in een visueel ingestelde maatschappij leven. Er zijn studies in overvloed die erop wijzen dat de ontwikkeling van het modernisme sinds de 17e eeuw gepaard ging met zien als hoogste zintuigelijke waarneming”[4].
Verbeelding en fantasie – dat zijn gaven van God. Dat is zeker!
Maar in de dienst aan God wordt niets aan de verbeelding overgelaten.
Laten we elkaar in dit verband wijzen op woorden uit 2 Koningen 18: “Hij – dat is Hizkia – nam de offerhoogten weg, sloeg de ​gewijde stenen​ in stukken en hakte de gewijde palen om. Hij verbrijzelde ook de ​koperen slang, die ​Mozes​ gemaakt had, omdat de Israëlieten er tot die tijd toe ​reukoffers​ aan gebracht hadden; men noemde hem Nehustan”[5]. Nehustan – dat wil zeggen: ‘ding van koper’. En de maatregel is duidelijk: weg met dat ding!

Van de God van hemel en aarde bestaan geen goed gelijkende tekeningen.
Geen schilderijen.
Geen foto’s.
Geen beeldjes.
Geen hologrammen.
Geen powerpointpresentaties.
Niets van dat alles.
God zegt: ‘Ik ben oneindig veel groter dan uw animatietechniek en uw beeldmedia. Ik ben niet in een breedbeeld te vangen’.
God zegt: ‘lees Mijn Woord, en aanbidt Mij’.
God zegt: ‘weg met plaatjes, prentjes en poppetjes’.
God zegt: ‘Mijn Woord zegt genoeg. Meer dan genoeg. In dat Woord, daar leert u Mij kennen!’.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 35, antwoord 97.
[2] “Beelden zeggen niet altijd meer dan duizend woorden”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 21 september 2017, p. 10.
[3] Exodus 34:17.
[4] M.J. Kater, “Het Woord verkondigen in een visuele maatschappij”. In: De Wekker, vrijdag 1 september 2017, p. 6-9.
[5] 2 Koningen 18:4.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.