gereformeerd leven in nederland

12 juni 2018

Dwaal niet!

Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus gaat over heilig leven, “zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].
In verband daarmee verbiedt de Here “alle onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan”[2].

Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
Niemand, denk ik.

Waarom is God daar eigenlijk zo streng op?
Omdat dit alles te maken heeft met de koers in ons leven.

Als het gaat over onreine daden, gebaren, woorden, gedachten, begeerten en wat de mens daartoe verleiden kan, wordt onder meer verwezen naar 1 Corinthiërs 15. Daar staat: “Dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden”[3].

Dwaal niet.
Die vermaning betekent in ieder geval dat we in ons leven een duidelijke richting moeten hebben. Waar gaat het naar toe met ons leven? Voor wie leven wij?
Gaan we eerlijk om met de mensen die het meest dichtbij ons staan?
Horen we, als het over ons huwelijk gaat, tot de categorie schuinsmarcheerders?
Geven we, als het over ons huwelijk gaat, duidelijk onze grenzen aan?
Geeft u, ook als u alleenstaand bent, een duidelijke afbakening – zover ga ik, en verder niet?

We leven in een maatschappij waarin het huwelijk niet zo heilig meer gevonden wordt. Als je elkaar, na verloop van vele jaren, niet zo interessant meer vindt… – nou, dan ga je toch elkaar? Dat gebeurt vaker. Zegt u nu zelf.
Maar de vraag is: worden onze zeden van zo’n scheiding nu zoveel beter? De grondregel moet blijven: “wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden”. Dat principe van Mattheüs 19 lijkt wel ouderwets geworden[4]. Maar als dat zo zou zijn, dan was heel Gods Woord een beetje uit de tijd. En dat is heus niet waar!

Trouwens, wie/Wie bepaalt eigenlijk wat goede zeden zijn?
En ja, daarna liggen de volgende vragen voor de hand: voor Wie leven wij? En: gaan we met onze problemen naar God, of willen wij het zo nodig zelf oplossen?

Wat is slecht gezelschap?
Dat zijn de mensen die hun normen aanpassen aan deze tijd. Omdat Gods Woord niet meer zo past op de algemeen aanvaarde stijl van de eenentwintigste eeuw.

Opnieuw noteer ik die vragen: Wie is op dit gebied helemaal schoon? Rein? Volstrekt onberispelijk?
En ik blijf het zeggen: niemand.

Hoe moet dat nu verder?
Moeten wij toch maar een beetje water bij de wijn doen?
Nee, dat is niet de oplossing.
Maar dat wil niet zeggen dat wij thans troosteloos voor ons uit moeten gaan zitten kijken.
Hieronder leg ik uit waarom.

Die oproep “dwaal niet: slecht gezelschap bederft goede zeden” staat in een hoofdstuk waarin de apostel Paulus een brede uiteenzetting geeft over nut en noodzaak van de opstanding van Jezus Christus.
Door Zijn lijden en opstanding heeft Jezus Christus voor onze zonden betaald.

In 1 Corinthiërs 15 legt Paulus uitgebreid uit wat dat voor ons betekent.

Opstanding uit de dood – dat is werkelijk ongelooflijk.
Er zijn dan ook massa’s mensen die niet geloven dat Christus’ opstanding echt gebeurd is.
Maar als je dat in twijfel trekt, komt heel de Boodschap van de Bijbel op losse schroeven te staan.

Paulus legt dat in acht stappen uit:
“a. …als er geen opstanding van de doden is, dan is ​Christus​ ook niet ​opgewekt.
b. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.
c. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij ​Christus​ heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden.
d. Immers, als de doden niet ​opgewekt​ worden, is ook ​Christus​ niet ​opgewekt.
e. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw ​zonden.
f. Dan zijn ook zij die in ​Christus​ ontslapen zijn, verloren.
g. Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen.
h. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”[5].

De Eersteling, inderdaad.
Want al Gods kinderen zullen uit de dood opstaan. Jazeker, zij hebben in hun aardse leven veel zonden gedaan. Het dienen van God ging gepaard met vallen en opstaan. Zij hebben tegen de zonde gestreden voor wat zij waard waren. En ze hebben dat gevecht vaak verloren.
En toch is dat geen reden tot wanhoop. Want de Redder van het leven heeft voor onze zonden betaald.
En dat geloof hebben Gods kinderen hun aardse leven lang beleden.
En daarom – vanwege de betaling door de trouwe Heiland – hebben Gods kinderen toch toegang tot de hemel. Zij mogen binnenkomen in de woonplaats van God!

Er komt een moment dat Jezus Christus, de Zoon van God, het koningschap overdraagt aan Zijn Vader.
God betekent dan alles.
Voor iedereen.
God heeft het te zeggen in heel de wereld. Bij alles en iedereen. Overal en altijd.

Dat is, in grote lijnen, het kader van die oproep: dwaal niet!
Oftewel: denk erom dat je goed op koers blijft in het leven.
Dat is niet alleen een kwestie van netjes en voorbeeldig leven. Nee, het is een kwestie van: op weg gaan naar de hemelse toekomst. Een toekomst die nooit ophoudt.

Een rein bestaan?
Een schoon leven?
Dat is de beste voorbereiding op een nieuw leven. Een eeuwig bestaan!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 109.
[3] 1 Corinthiërs 15:33.
[4] Ik citeer Mattheüs 19:6.
[5] 1 Corinthiërs 15:13-20.

14 juni 2017

Samen in dienst van de Here

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag ga ik wederom met u terug naar de Bondsdag van de Bijbelstudiebond van De Gereformeerde Kerken (hersteld).
Het is zaterdag 20 mei 2017.
Wij verplaatsen ons een korte wijle naar het gebouw van De Gereformeerde Kerk Lansingerland te Bleiswijk.

Dominee S. de Marie belicht de vraag: is de rol van de vrouw in gezin en kerk toe aan verandering?
De bezoekers van de Bondsdag ontvangen de gelegenheid om samen over het onderwerp door te spreken aan de hand van een aantal gespreksvragen.
Eén daarvan is: welke bijzondere eigenschappen heeft de vrouw in vergelijking met de man?

Laten wij onze reactie op die vraag bezien, met de Bijbel open.

U kent de stereotiepen op dit gebied vast wel.
De man moet zelfvertrouwen uitstralen. Een echte man geeft zijn eigen leven vorm. De man moet oprechte en volledige aandacht aan zijn vrouw geven. De man moet een goed gevoel voor humor hebben. De man moet gezond leven en van het aardse bestaan genieten[1].
De vrouw moet lief en zorgzaam zijn. Enthousiasme en ambitie werken in het voordeel van een vrouw. Het zou fijn als zij de man stimuleert om het beste uit zichzelf te halen. Het is ook mooi om als vrouw een echte passie te hebben[2].
En zo is er nog wel meer.

Lief en zorgzaam: dat zijn de kenmerken van een vrouw. De Spreukenleraar zegt in hoofdstuk 18 dan ook:
“Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden,
en de goedgunstigheid van de HEERE verkregen”[3].

Iemand legt, in verband met deze tekst, uit: “Het boek Spreuken richt zich (…) in de eerste plaats tot jonge mannen. Jongens en jonge mannen die op hun levenstaak worden voorbereid. Zij worden in dit boek aangesproken. Zij moeten opgeleid en gevormd worden en ontvangen daarom het onderwijs van de wijsheidsleraars. Dat onderwijs van de wijsheidsleraars, bedoeld voor de jonge mannen van Israël, vinden wij in het boek Spreuken terug”[4].

Natuurlijk is niet iedere vrouw lief, zorgzaam, geestdriftig en zorgvuldig.
Het gaat er echter om dat we achter iedere vrouw de vrouw uit Genesis 2 zien staan.

Wat is de situatie in Genesis 2?
De Here zegt: “Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem”. Ziet u wat daar gebeurt? God zegt dat er iets niet goed is. Vele keren is gezegd dat het geschapene goed is. Maar hier verandert er dus iets.
Adam geeft alle dieren een naam. Maar die beesten zijn niet net zo als hij. En daar zit het probleem. Adam heeft niet iemand met wie hij samen de Schepper dienen kan.
Als Adam zijn vrouw ontvangt weet hij: zij is voor mij! De uitlegger van hierboven zegt: “Dit is wat niets anders in de schepping voor mij kan zijn! Iemand die mij helpen kan. Maar niet iemand die een totaal ander wezen is dan ik. Nee, iemand die aan mij gelijkwaardig is; net zo goed mens als ik. Maar toch ook weer zo anders dan ik en daarom zo oneindig fascinerend…”.

Velen vinden een vrouw in het leven. Zij is voor hen een geschenk van de Here.
Een vrouw is niet pas goed als ze aan de verwachtingen van de man voldoet. Als de man en de vrouw elkaar in Genesis 2 gevonden hebben, is dat – om zo te zeggen – de kroon op het Goddelijk scheppingswerk.

In deze zondige wereld mogen wij zeggen dat de Here Zijn volk niet verstoten heeft. Ik citeer weer die uitlegger van hierboven: “Kijk zo naar je huwelijk, naar je man, je vrouw. Zie daar de HERE achter. De God die zijn volk niet verstoten heeft. Maar het trouw gebleven is. En daarom de Vader van Jezus Christus geworden is. Uit zijn handen ontvang je die kroon op zijn scheppingswerk weer terug. Dan mag, dan moet je het ook tegen jezelf zeggen: `ik weet het zeker; ik heb zijn gunst weer verkregen; ik kan het zien aan dat scheppingsherstel, dat ik in mijn man, mijn vrouw, mag ontvangen. Mijn huwelijk, het is een prachtig cadeau. Maar het allermooiste is, dat ik daaraan kan zien, dat ik iets nog veel mooiers gekregen heb: de gunst van de HERE; het welgevallen van de Vader van Jezus Christus!’”.

Ja, het huwelijk is prachtig.
Dat kan schrijver dezes met vreugde beamen.
Maar het allermooiste is: Gods kinderen staan bij hun Vader in de gunst.
Als u nooit getrouwd geweest bent, hebt u heel wat gemist.
Als u niet meer getrouwd bent omdat u weduwe of weduwnaar bent, dan is dat een groot en zeer zwaar gemis.
Maar de liefde van God gaat boven alles uit.

De vreugde van de vrouw in het gezin staat in het raam van Godvrezendheid en vroomheid.
Als dat ergens blijkt, dan is het wel in Psalm 128:
“Welzalig zullen wezen wie in Gods wegen gaan.
Al wie de HERE vrezen, geeft Hij een rijk bestaan.
Met vreugde zult u eten de opbrengst van uw land.
U zult gezegend heten, de HERE vult uw hand.

Zie, hoe uw vrouw mag bloeien, een wijnstok, groen en fris.
En als olijven groeien uw zonen rond uw dis.
Zo zal de HERE geven de man die voor Hem buigt,
een rijk gezegend leven, dat van zijn gunst getuigt”[5].

Welke bijzondere eigenschappen heeft de vrouw in vergelijking met de man?
In reactie op die vraag kan heel veel worden gezegd.
Maar het belangrijkste is: samen leven en werken in dienst van de Here. Laten de woorden van Jozua 24 ook onze belijdenis wezen: “Maar wat mij en mijn ​huis​ betreft, wij zullen de HEERE dienen!”[6].

Noten:
[1] Zie hierover bijvoorbeeld https://www.datewijsheid.nl/man-zijn/eigenschappen-van-de-echte-man.htm ; geraadpleegd op donderdag 25 mei 2017.
[2] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.fleurflirt.nl/belangrijke-eigenschappen-vriendin/ ; geraadpleegd op donderdag 25 mei 2017.
[3] Spreuken 18:22.
[4] Dit is een citaat uit een preek van G. Kwakkel, momenteel hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit Kampen. De preek is te vinden op http://www.huwelijkstoerusting.gkv.nl/ ; geraadpleegd op donderdag 25 mei 2017. Ook in het onderstaande maak ik van die preek gebruik.
[5] Psalm 128:1 en 2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[6] Jozua 24:15 b.

12 juni 2017

De man is het hoofd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag ga ik graag met u terug naar de Bondsdag van de Bijbelstudiebond van De Gereformeerde Kerken (hersteld). Wij schrijven zaterdag 20 mei 2017. Wij verplaatsen ons een ogenblik naar het gebouw van De Gereformeerde Kerk Lansingerland te Bleiswijk.

Mijn vrouw woont de dag bij. Ikzelf luister, dankzij een internetverbinding, ook naar het referaat dat dominee S. de Marie op die dag houdt.
De dominee belicht de vraag: is de rol van de vrouw in gezin en kerk toe aan verandering?
De bezoekers van de Bondsdag worden uitgenodigd om samen over het onderwerp door te spreken aan de hand van een aantal gespreksvragen.
Eén daarvan is: hoe geef je tegenwoordig het hoofd-zijn van de man goede invulling?

Vandaag wil ik op deze plaats een antwoord op die uitdagende vraag geven.

Daarbij is mijn uitgangspunt dat bekende woord uit 1 Corinthiërs 11: “Maar ik wil dat u weet dat ​Christus​ het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de ​vrouw​ en God het Hoofd van ​Christus”[1].

Een commentator merkt over deze Schriftwoorden op: “Met ‘het hoofd van iedere man is Christus’ kan Paulus bedoelen dat Christus de scheppingsmiddelaar is, door wie God de wereld en als laatste de mens heeft geschapen (…). ‘Iedere man’ staat dan in het verlengde van Adam, de eerste man. Maar omdat Paulus het ‘iedere man’ in het volgende vers weer oppakt en het daar de gelovige betreft, is het waarschijnlijker dat hij het hier over Christus als de verlossingsmiddelaar heeft, d.w.z. over Christus als hoofd van de gemeente (…).
De man was er eerst en de vrouw is uit hem geschapen (…). Daarom noemt Paulus de man het ‘hoofd van de vrouw’, in die zin dat de man ‘de eerste in rangorde’ is, waarmee niet alleen een oorsprongsrelatie is aangegeven, maar ook een gezagsverhouding. Om de volgorde compleet te maken voegt Paulus toe: ‘het hoofd nu van Christus is God’ (…). Christus is van God de Vader uitgegaan en verricht Zijn werk namens God”[2].

De man is het hoofd van het gezin. Maar Christus staat boven hem. De echtgenoot is in dienst van Jezus Christus, het Hoofd van de kerk. Hij geeft daarom op een dienende manier leiding aan zijn vrouw en kinderen. Dat wil zeggen: de man wijst de weg, achter Christus aan.

Bij Christus is de ultieme bescherming te vinden. In heel zijn leven mag een man uitstralen: bij Hem moet je wezen!
Dat blijkt ook uit Efeziërs 5. Leest u maar even mee. “Vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig, zoals aan de Heere,
want de man is hoofd van de vrouw, zoals ook ​Christus​ Hoofd van de ​gemeente​ is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
Daarom, zoals de ​gemeente​ aan ​Christus​ onderdanig is, zo behoren ook de vrouwen in alles hun eigen mannen onderdanig te zijn.
Mannen, heb uw eigen vrouw lief, zoals ook ​Christus​ de ​gemeente​ liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven”[3].

Het bovenstaande overziende is er tenminste één probleem.
Het bovenstaande toont namelijk een ideaalbeeld.
Hoe zit het in huwelijken waarin, bijvoorbeeld, de man een lichamelijke beperking heeft en zijn echtgenote fysiek gezien de krachtigste is van de twee?
Hoe zit het in huwelijken waarin de man een stoornis in het autistisch spectrum heeft, en daarom heel moeilijk met zijn vrouw en kinderen communiceren kan?
Hoe zit het in huwelijken waarin de man in zijn werkkring traumatische ervaringen heeft opgedaan, die hem zodanig in zijn functioneren belemmeren dat zijn vrouw in het gezin voorop moet gaan?

Dergelijke omstandigheden zijn er heus. Daar kunnen wij niet omheen draaien.

En dat hoeft ook niet.

Natuurlijk, altijd blijft er de rangorde: eerst de man, dan de vrouw.
Maar Paulus noteert in 1 Corinthiërs 11 ook: “Evenwel is de man niet zonder de vrouw, en de vrouw niet zonder de man, in de Heere”[4]. Met andere woorden: onderwaardering van de vrouw mag op geen enkele manier aan de orde zijn.

Paulus schrijft ook: “Want zoals de ​vrouw​ uit de man voortkomt, zo is ook de man er door de ​vrouw, maar alle dingen zijn uit God”[5]. Met andere woorden: mannen en vrouwen, ja alle dingen op deze aarde hebben hun oorsprong in hun God.
In alle situaties is de hemelse Heer er bij.
Hij heeft de zaken in de hand. Die hand is ook te zien in de moeiten van het leven. Denkt u maar aan die regel uit de Heidelbergse Catechismus: “Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede”[6].
Soms kost het ons grote moeite om naar Gods hand te kijken. Soms vinden we het moeilijk om vertrouwen te blijven houden. Ook als ons huwelijk, om allerlei redenen, niet brengt wat wij er van hadden verwacht.

Laat ik, in dat verband, er op wijzen dat het – even verderop in 1 Corinthiërs 11 – over het doel van Heilig Avondmaal gaat.
U kent die tekst wel: “Want ik heb van de Heere ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat de Heere ​Jezus​ in de nacht waarin Hij werd verraden, brood nam,
en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. Doe dat tot Mijn gedachtenis.
Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het gebruiken van de ​maaltijd, en zei: Deze drinkbeker is het nieuwe ​verbond​ in Mijn ​bloed. Doe dat, zo dikwijls als u die drinkt, tot Mijn gedachtenis.
Want zo dikwijls als u dit brood eet en deze drinkbeker drinkt, verkondig de dood van de Heere, totdat Hij komt”[7].
Daarmee wil ik maar zeggen: zowel mannen als vrouwen zien uit naar de terugkomst van Jezus Christus op de wolken.

In het begin van dit stuk kwam die vraag langs: hoe geef je tegenwoordig het hoofd-zijn van de man goede invulling?
Ik zou denken: ongeveer net zo als vroeger. Want problemen in het gezin zijn van alle tijden.
Laten we maar gewoon vaststellen dat de man hoofd van het gezin blijft. Maar soms zijn er omstandigheden waarin hij niet voorop kan gaan.
Maar er is één ding dat de man altijd kan doen: hij kan op Christus wijzen.

Wellicht zijn er nu lezers die de neiging hebben om te protesteren.
Zo van: mijn man is, vanwege zijn ziekte, soms agressief.
Zo van: mijn man is vaak depressief.
Zo van: mijn man is, vanwege zijn aandoening, niet zo’n spreker; hij kan bijvoorbeeld de Bijbel niet aan onze kinderen uitleggen.

Laten wij Efeziërs 5 niet vergeten: “Mannen, heb uw eigen vrouw lief, zoals ook ​Christus​ de ​gemeente​ liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven,
opdat Hij haar zou ​heiligen, door haar te ​reinigen​ met het waterbad door het Woord,
opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een ​gemeente​ zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij ​heilig​ en smetteloos zou zijn”[8].
Jezus Christus heeft voor onze zonden betaald. Hij maakt de kerk schoon en smetteloos.

Laten mannen vrouwen hun hoop maar op Christus stellen.
Dan is er toekomst.

Noten:
[1] 1 Corinthiërs 11:3.
[2] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 1 Corinthiërs 11:3.
[3] Efeziërs 5:22-25.
[4] 1 Corinthiërs 11:11.
[5] 1 Corinthiërs 11:12.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 26.
[7] 1 Corinthiërs 11:23-26.
[8] Efeziërs 5:25, 26 en 27.

23 mei 2017

Gebed voor de natie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In de kerk spreken we over het Heilig Avondmaal. En ook over de Heilige Doop.
Minder bekend is wellicht dat we ook spreken van het heilig huwelijk.
Zo gebeurt dat in Zondag 41 van de Heidelbergse Catechismus: het zevende gebod leert ons “dat alle onkuisheid door God vervloekt is. Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”[1].

Heilig, dat betekent: afgezonderd voor God. Het huwelijk is de samenlevingsvorm waarin God wordt gediend. Zo wil Hij dat, en zo moet dat.

Nu weten wij wel dat het door God gewilde huwelijk in de wereld om ons heen steeds minder gewoon wordt.
Mensen gaan scheiden.
Homoseksuelen trouwen met elkaar, of gaan een ander soort relatie aan.
Er zijn LAT-relaties.
Mensen gaan samenwonen.
We zien het allemaal om ons heen gebeuren.
Ontrouw golft door de maatschappij. Die overspoelt ons bijkans.
Wat kan de kerk doen?
Is er voor gelovigen meer te doen, dan machteloos toekijken en het hoofd schudden?

Nu het hierom gaat wijs ik graag op Ezra 9.

In dat Schriftgedeelte is Ezra net in Jeruzalem aangekomen. Daar hoort hij over gemengde huwelijken. Burgers van het door God uitverkoren land, hebben huwelijken gesloten met mensen uit omringende volken. Laten we letten op de formulering in dit hoofdstuk: “het heilige zaad [heeft zich] vermengd met de volken van de landen rondom, en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk”[2]. Dat is het springende punt: Gods volk is niet heilig gebleven. De natie vond het aan God gewijd zijn onvoldoende. De kinderen van God moesten zo nodig hun eigen leven invullen om het nog wat beter naar de zin te hebben!
Zich dit alles gerealiseerd hebbende gaat Ezra een dag lang in de rouw. Zware rouw is het. Die dag is het voor iedereen zichtbaar: Ezra heeft diep verdriet. Hij is hard geraakt. Al datgene wat hij gehoord heeft, treft hem diep. Hij is er kapot van.
Tot aan het avondoffer. Dat is het moment “van het offer der gemeente, wanneer het tempelplein zich met mensen vult”[3]. Dat is ook het ogenblik waarop Ezra in gebed gaat. Voor het oog van vele gelovigen laat Ezra zien wat er nu nodig is: verootmoediging voor God.
Ezra schaamt zich. Hij durft amper bij de Here aan te kloppen. Want de schuld is werkelijk torenhoog.
Ezra beseft dat al de rampen van de afgelopen tijd – het feit dat het land van God leeggeroofd werd, de oorlogen, de gevangenschap, de ballingschap – te wijten zijn aan het gedrag van Gods kinderen. Generaties lang hebben ze zich weinig aan God gelegen laten liggen.
Wat kun je dan nog zeggen?
Je kunt Gods geboden nog eens voor jezelf op een rij zetten.
Je kunt verbaasd constateren dat de God van het verbond Zijn volk niet heeft overgegeven aan de vijand. Je kunt vaststellen dat Hij zelfs nog gelegenheid geeft om naar de Here terug te keren. En dat doet Ezra dan ook.
Huilend bidt Ezra tenslotte: “HEERE, God van Israël, U bent ​rechtvaardig, want er is ons gelegenheid tot ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven”[4].

Ezra gaat in gebed.
Hij treurt om de schuld. Hij doet belijdenis van ’s lands zonden.
Maar heeft hijzelf dan ook schuld? Hij brengt het volk terug naar Gods wet? Hij strijdt, om het modern te zeggen, toch tegen assimilatie en syncretisme[5]?
Met deze vragen raken wij, wat mij betreft, een opmerkelijk punt in dit Schriftgedeelte.
Het is, dunkt mij, voor de kinderen van God in het Nederland van 2017 een leermoment. Wij kunnen zeggen: wij hebben part noch deel aan ’s lands zonden. Maar dat is niet waar. In de kerk zitten ook gescheiden mensen. En mensen met verkeerde begeerten. Sterker nog: op de keper beschouwd zijn wij net zo zondig als onze volksgenoten. Het is Gods genade dat wij niet zover van Hem verwijderd raakten als sommige anderen.
Bidden voor land en volk: dat is heel goed. Soms lijkt dat misschien wat overdreven, omdat het merendeel van de mensen om ons heen in zekere zin ver van ons af staat.
Maar Ezra toont het ons: het gebed voor de natie is zeer op z’n plaats, ook als in ons vaderland Gods wetten – ook omtrent het huwelijk – maar al te vaak met voeten getreden worden.

Het valt overigens ook op Ezra hier in gebed gaat, terwijl het hele volk dat ziet.
Hij spreekt, om zo te zeggen, een gebed uit in de kerk, en te midden van de kerkmensen. Iedereen mag het zien. Iedere tempelbezoeker mag het horen. Schuldbelijdenis is in Ezra 9 niet iets voor de binnenkamer.
Het gebed voor de natie hoort dus in de eredienst thuis. Natuurlijk, is het een goede zaak als thuis voor de overheden gebeden wordt. Maar laten we de regeerders in de kerk ook niet vergeten!

Wat valt er voor de kerk te doen in een sterk seculariserende maatschappij?
Is er voor gelovigen een andere taak als wanhopig toezien en op de tanden bijten?
Laten we maar naar de troon van de Verbondsgod gaan.
Laten wij maar ronduit zeggen dat wij zien dat de huwelijksmoraal bij grote delen van het volk verdwenen is.
Het is al meer dan dertig jaar geleden dat iemand schreef: “‘Vreemd gaan’ is niet langer afkeurenswaardig, maar ervaringsverrijkend. Het ‘beloof je haar nimmermeer te verlaten’ lijkt vervangen door zoiets als ‘beloof je me vrij te laten’”[6]. Na die tijd is de huwelijksmoraal er echt niet beter op geworden.
Ontdekken en uitproberen, dat is tegenwoordig niet zelden het parool.
En wie heeft er, bijvoorbeeld, nooit gehoord van psychische schade bij kinderen van gescheiden ouders?
Laten wij, kortom, maar om genade smeken. Voor kerk, land en volk!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 41, antwoord 108.
[2] Ezra 9:2.
[3] “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v. – deel 3, p. 326: kanttekening 10 bij Ezra 9:5.
[4] Ezra 9:15.
[5] Assimilatie is een zodanige aanpassing van individuen of groepen aan een dominante cultuur dat de oorspronkelijke culturele identiteit op de achtergrond raakt; zie http://www.cultureelwoordenboek.nl/index.php?lem=461 , geraadpleegd op woensdag 3 mei 2017. Syncretisme is de versmelting van wijsgerige en religieuze opvattingen en meningen van verschillende herkomst, zonder dat de tegenstrijdigheden worden opgeheven en een synthese wordt bereikt, zie http://www.encyclo.nl/lokaal/10442  , geraadpleegd op woensdag 3 mei 2017.
[6] W.M. van der Wilt, “Huwelijk en huwelijksmoraal”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 31 oktober 1986, p. 15 (RD-Plus).  Ook te vinden via www.digibron.nl .

7 oktober 2016

Brandende kandelaar

Zijn we al zingende gezakt?

De bovenstaande vraag lijkt een verzuchting van een stel gestreste koorleden.
Het zou ook een kritische vraag van een scherp luisterende dirigent kunnen zijn.
Maar nee, de vraag is anders bedoeld.

De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee D.T. Vreugdenhil stelt die vraag tijdens een referaat in de Zuiderkerk te Groningen[1].
Op de kalender staat: oktober 1971. De genoemde predikant werkt en woont in die tijd in het Groningse Oldehove.

De vraag van de voorganger gaat terug op Openbaring 2: “Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe weder uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert”[2].

Het Nederlands Dagblad doet verslag van de bijeenkomst in de Zuiderkerk[3].

Het was, zo lezen wij, zo dat “de gemeente van Efeze toentertijd wel uiterlijk zeer godsdienstig leek, maar dat er in werkelijkheid toch wel iets aan haperde: de eerste liefde was er niet meer.
Er is in de loop van de kerkgeschiedenis veel strijd geweest, maar steeds weer hebben we Gods Woord en de belijdenis mogen bewaren: nu veel strijd om de belijdenis achter de rug is, rijst de vraag: Wat is de winst van die strijd?
We hebben een prachtige belijdenis, maar wat doen we er nu mee, wat valt daarvan te merken in ons dagelijks leven, wat zijn we er mee opgeschoten?
Ds. Vreugdenhil stelde dat ieder voor zich met deze vraag bezig moest zijn. Gereformeerde levenswandel is niet iets, waar je alleen maar over moet praten, maar wat je gewoon moet doen. Zijn we door de kerkstrijd inderdaad in de liefde gegroeid of zijn we al zingende gezakt? Zijn we inderdaad verder gekomen? Er zijn inderdaad dingen aan te wijzen, waarin een bevestigend antwoord op deze vragen te geven is. B.v. het werk van het GPV; GMV; de toenemende actualiteit en gereformeerde zakelijkheid in het Ned. Dagblad; de aandacht voor vergadertechniek om dat gereformeerd aan te pakken; de groeiende belangstelling op de Theologische Hogeschooldag in Kampen.

Maar er is ook een andere kant: de toenemende klacht dat de televisie zoveel van onze mensen steeds meer in beslag neemt en zo onttrekt aan allerlei gemeentewerk.
De geweldige problemen, ook in onze kerken, met betrekking tot een deel van de jeugd. Het feit dat vrije seks en ook druggebruik ook op sommige vrijgemaakte scholen steeds meer invloed krijgt; het meedoen met wat ‘in’ is op het gebied van kleding en muziek; het wegblijven op woensdagavond van catechisatie als er een voetbalwedstrijd op de televisie wordt uitgezonden.
Nu zijn dit wellicht randverschijnselen maar als je dit soort dingen tegenkomt vraag je je af: Hoe komt dit nu? Is dan in sommige gezinnen toch die eerste liefde verdwenen?
We zijn als kerken van Christus vaak beproefd op onze trouw en uit die beproeving tevoorschijn gekomen. Was het voor sommigen dan toch voor niets? Zien we voldoende de kansen en mogelijkheden die we vandaag hebben gekregen en buiten we die ook uit of vinden we het wel goed? Het is zaak om jezelf af te vragen of de echtheid van je geloof geen schade heeft geleden in de strijd om de eenheid van het ware geloof te bewaren. Tenslotte gaat het om de kandelaar, dat Christus die niet wegneemt omdat ze nutteloos geworden is, maar haar laat staan tot heil van de wereld”.

Op dit punt onderbreek ik de verslaggeving in het ND.

Vandaag horen we wel eens dat ook in De Gereformeerde Kerken de liefde wat aan het tanen is. Dat zou, na ruim tien jaar, niet zo’n groot wonder zijn. Ook voor Gereformeerden geldt dat niets menselijks hen vreemd is.
Maar ook in 2016 is het belangrijk om te laten zien dat prediking, sacramenten en tucht zuiver moeten wezen.
Nee, dat heeft – hoop ik – niets te maken met een heksenjacht. En ook – mogen wij hopen – helemaal niets met een groepscode.
Het houdt, bijvoorbeeld, wel verband met de oproep van de Here om samen één lichaam te zijn. Eén lichaam, waarvan Jezus Christus het Hoofd is.
Ik wijs daar op omdat wij in De Gereformeerde Kerken met een zekere regelmaat met gemengde verkeringen te maken hebben. Als wij alleen naar mensen kijken is dat niet zo vreemd. Maar het zal in die verkeringstijd van stonde aan duidelijk moeten zijn dat wij geloven “een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen”.
Het gaat in de Apostolische geloofsbelijdenis – die ik zojuist citeerde – niet over gemeenschappen.
En ook niet over kerken.
Misschien vindt u dat hinderlijk. Maar het is het is wel waar!

Wij lezen verder in die oude editie van het Nederlands Dagblad.

“Gereformeerd leven is het verloste leven naar Gods bedoeling. Dat wil zeggen dat we daarin het Woord van de Heere aan zijn trekken laten komen, door royaal plaats in te ruimen voor kerkdiensten en catechisatie, bijbellezing en vereniging, gebed en barmhartigheidswerk.
Gereformeerd zijn wil zeggen gewoon je werk doen op welke plaats dan ook, want het gaat om heel gewone dingen. Doe maar heel gewoon als u maar de goede belijdenis bewaart en uw eerste liefde niet verzaakt. Dan zijn we geheel anders, want we hebben Christus leren kennen. Dan blijft de kandelaar branden op de standaard tot Gods eer”.

Einde citaat.

Natuurlijk zitten er in het bovenstaande nogal oude dingen. Zaken die uit de tijd zijn. Het Gereformeerd Politiek Verbond bestaat niet meer. Het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond is niet meer wat het geweest is.
Niettemin meen ik dat het verslag in het Nederlands Dagblad ook nu nog actueel heten mag, vooral omdat het ons aanspoort wel in maar niet van deze wereld te zijn.

Ten bewijze daarvan citeer ik graag de heer Van der Staaij, voorzitter van de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij in de Tweede Kamer.
Op zaterdag 17 september jongstleden voerde hij het woord tijdens de jaarlijkse zomerconferentie voor studenten van de Gereformeerde Gemeenten.
Het Reformatorisch Dagblad meldde:
“Volgens Van der Staaij is er een bepaalde spanning. ‘Aan de ene kant een betrokken zijn op de wereld, aan de andere kant een distantie hebben aangaande de doorwerking van de zonde. God geeft mogelijkheden om in de samenleving te staan met het Woord van God, dan mogen wij niet weglopen.
Als christenen moeten wij alert zijn op openingen’, aldus het Kamerlid. ‘We hoeven ons niet te schamen voor onze waarden, die waarden zijn verankerd bij God zelf. Met die waarden kunnen we zoeken naar nieuwe mogelijkheden om het gesprek aan te gaan’.
Als voorbeeld noemde hij de SGP-campagne rond huwelijkstrouw. ‘Dat wij bijval kregen, ligt aan de bijzondere manier, de eigen wijze waarop God werkt in deze samenleving. Dat vraagt van onze kant om een afhankelijk leven’”[4].

Het moge duidelijk zijn dat het van belang is om niet al zingende te zakken.
En de belofte, die daaraan in Openbaring 2 verbonden wordt, is prachtig: “Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is”[5].

Noten:
[1] De Zuiderkerk is een voormalig kerkgebouw aan de Stationsstraat in de stad Groningen. Het gebouw uit de eerste jaren van de twintigste eeuw, een ontwerp van de architecten Tjeerd Kuipers en Ytzen van der Veen, heeft tot 1983 dienstgedaan als Gereformeerde kerk. Na sluiting als kerk is het verbouwd tot een appartementencomplex. Het gebouw is een rijksmonument. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuiderkerk_(Groningen) en http://www.staatingroningen.nl/114/de-zuiderkerk ; geraadpleegd op maandag 19 september 2016.
[2] Openbaring 2:4 en 5.
[3] “Zijn we al zingende gezakt?”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 7 oktober 1971, p. 2.
[4] Zie http://www.rd.nl/kerk-religie/van-der-staaij-niet-deserteren-maar-behoedzaam-participeren-1.1127237 ; geraadpleegd op maandag 19 september 2016.
[5] Openbaring 2:7 b.

12 augustus 2016

Met liefde beveiligd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Mijn vrouw en ik ontvingen niet zo lang geleden een bijzondere trouwkaart.
Daar stonden niet minder dan twee Bijbelteksten op. Die teksten werden geciteerd uit de Herziene Statenvertaling-2010. Respectievelijk uit Johannes 10 en Romeinen 8:
Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken”.
En:
Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere[1].

Dat zijn veelzeggende teksten op de aankondiging van een trouwdag[2].

Immers – kinderen van God volgen hun Heiland. Hun koers in het leven is al uitgezet. Zij hoeven zich niet af te vragen welke kant het op moet in het leven. Het is duidelijk: zij moeten bij Jezus wezen.

Nee, het valt niet mee om altijd bij Hem in de buurt te blijven. Want er gebeurt onderweg van alles. Jezus volgen? Dat is een tocht met hindernissen.
Maar iedereen die zich enigszins bevreesd afvraagt of de volgers wellicht plotseling de weg zullen kwijt raken, die kan worden gerustgesteld. Jezus-volgers komen niet op de verkeerde weg terecht. En ook niet in het ravijn. Het einddoel staat vast: het eeuwige leven. En daar zullen de Jezus-volgers zeker arriveren. Dat is honderd procent zeker.
Dat komt omdat er onderweg speciale beveiliging is. Die beveiliging is: de hand van God.

Die speciale beveiliging faalt nooit.
Vader Zelf voert de beveiliging op tot het allerhoogste niveau!

Wat kost die beveiliging? Is dat niet een heel kostbare aangelegenheid?
Nee.
Want hier is Gods liefde in het geding.
En er is niets wat die liefde kan uitschakelen. De dood niet. Geestelijke machten niet. De tijd niet. Afstand en ruimte niet. Helemaal niets.

De liefde van God, die in het reddingswerk van Jezus Christus getoond is, kan nooit aan de kant geschoven worden. Want het betreft Goddelijke liefde. Liefde van schepsels – mensen, dieren of wat dan ook – kan die liefde nooit verdringen of vervangen.

Nu ga ik weer even terug naar die trouwkaart.
De trouwkaart met die twee namen.
Het is bekend dat de bruidegom, een gelovig man, eerder getrouwd was. Zijn eerste huwelijk is door een scheiding beëindigd.
Voor zover ik weet is de bruid, een gelovige vrouw, niet eerder getrouwd geweest.
Maar het is duidelijk: die eerdere scheiding veroorzaakt diepe wonden. Daarin ligt ook de reden dat schrijver dezes de naam van bruidegom en bruid niet in dit artikel noemt. De wonden hoeven vandaag niet nog eens te worden geopend. De wonden hoeven vandaag niet worden verbreed en verdiept. Het is nu al pijnlijk genoeg.
Vandaag – vrijdag 12 augustus 2016 – is de trouwdag.
En de vragen komen op: voor de tweede keer trouw beloven, kan dat in dit geval? Is dat in deze situatie eerlijk, voor de Here en voor elkaar?
Over het antwoord op die vragen zal ik, om diverse redenen, op deze plaats niet uitweiden.
In het onderstaande ga ik ervan uit dat bruid en bruidegom op deze trouwdag recht voor de God van het verbond staan.

Dan is één ding zeker: ook een menselijke scheiding kan ons niet van Gods liefde verwijderen.
Gods liefde is sterker dan onze zonden en onze kapotte wereld!
Nee, daarmee praat ik zonden niet goed.
Maar ik leg wel het accent waar dat vandaag moet liggen: bij de liefde van God.

Die liefde van God blijkt in een zeer zondig aardrijk.

Dat zien wij eerst in het Evangelie naar Johannes.
In Johannes 9, het Schriftgedeelte dat vooraf gaat aan het hoofdstuk waar de hierboven geciteerde woorden uit afkomstig zijn, gaat het over de blindgeborene.
De inzet van Johannes 9 is – ik citeer uit de NBG-vertaling 1951 –: “En voorbijgaande zag Hij een man, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden”[3].
Jezus draait er hier niet omheen: de Farizeeën zijn ziende blind. De Heiland zegt het zo: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden”[4].
Waarom?
Omdat de Farizeeën niet willen geloven dat Jezus Christus Gods Zoon is. Omdat zij niet willen geloven dat Christus de Redder der wereld is.
In deze wereld is Jezus de enige goede Herder. Alle kerkleiders die niet naar Hem willen verwijzen, zijn huurlingen; slechte herders.
Jezus Christus verzamelt Zijn kudde. Zijn schapen moeten Hem volgen. Nee, dat is niet makkelijk. Maar het kan wel. En één ding is volkomen zeker: de goede Herder zal Zijn kudde met Zijn liefde beveiligen. Die liefde geeft de garantie dat Gods kinderen op koers kunnen blijven in een zondige en totaal verdorven wereld!

De liefde van God blijkt op een door de zonde zwaar aangetaste planeet.

Paulus schrijft daar over in Romeinen 7, het Schriftgedeelte dat vooraf gaat aan het hoofdstuk waar de hierboven geciteerde woorden uit afkomstig zijn.
Het zijn bekende woorden: “Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”[5].
Paulus heeft klaarblijkelijk, net als wij allemaal, veel last gehad van de zonde.
Hij heeft er mee gevochten.
Hij heeft gestreden voor wat hij waard was.
Maar als hij op eigen kracht had moeten vechten, dan was hij de verliezer geweest. De underdog. De onderliggende partij.
Hij heeft overwonnen door Hem, die ook de apostel Paulus met liefde omringd heeft.
En het geldt voor al Gods kinderen: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad”[6].

En ja – soms is de schade van zonden uit het verleden levenslang zichtbaar.
De littekens zijn te zien. De littekens zijn altijd voelbaar.
Maar de wonden kunnen wel dicht gaan.
Met littekens kan men heus wel verder leven.
Met Psalm 130 mogen wij dan zeggen:
“Uit de diepten roep ik tot U, o Here.
Here, hoor naar mijn stem;
laten uw oren opmerkende zijn
op mijn luide smekingen.
Als Gij, Here, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt,
Here, wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving,
opdat Gij gevreesd wordt.
Ik verwacht de Here,
mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord”[7].

Zo kan een periode worden afgesloten.
Op die manier kan een nieuw begin worden gemaakt.

Bij dat begin hoort een vraag.
Een uitdagende doch evenzeer retorische vraag.
Die staat ook in Romeinen 8.
Het is deze: “Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?”[8].

Noten:
[1] Achtereenvolgens citeer ik Johannes 10:27, 28 en 29; Romeinen 8:38 en 39.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[3] Johannes 9:1, 2 en 3.
[4] Johannes 9:39.
[5] Romeinen 7:21-25.
[6] Romeinen 8:37.
[7] Psalm 130:1 b-5.
[8] Romeinen 8:31 b.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.