gereformeerd leven in nederland

28 september 2020

Bergen verzetten?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Er zijn gedeelten in het Woord van God waarvan men bij een eerste lezing denkt: dit is volkomen onmogelijk! Of ook: dit kan helemaal niet!
Neem nu Mattheüs 21: “Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u: Als u geloof had en niet twijfelde, zou u niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gedaan, maar zelfs als u tegen deze berg zou zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, dan zou het gebeuren”[1].
Zouden veel dingen in de wereld niet makkelijk worden als het vorenstaande werkelijk kon gebeuren? Dan kunnen gelovige mensen toch ook het coronavirus COVID-19 de wereld uit helpen? Dat zou prachtig wezen!

Een commentator schrijft: Jezus zegt niet “dat Zijn discipelen in concrete zin bergen zullen moeten verplaatsen, maar Hij spreekt overdrachtelijk en met een hyperbool. Hij belooft een ieder die gelooft een aandeel aan Zijn volmacht en aan de kracht van het Koninkrijk van God, die nu onder meer zichtbaar wordt in de macht over demonen en ziekten”[2].
De overdrijving van Mattheüs 21 kennen wij ook wel. Bijvoorbeeld in: ‘de regen viel met bakken uit de hemel’ en: ‘Ik heb een eeuw staan wachten’.

Die opmerking van Jezus volgt op een merkwaardig incident: Jezus vervloekt een vijgenboom omdat er geen vruchten aan zitten. In die vloek zit iets dreigends. Als de toorn van de Heiland losbarst, kan men blijkbaar in een oogwenk worden weggevaagd.
Maar in dat statement over het geloof zit vooral veel troost. Wie Jezus volgt bevindt zich niet in de hoek waar de klappen vallen. Hij gaat immers achter de Machthebber van deze wereld aan?
Jezus zegt: “En alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen”[3]. Met andere woorden – wie in het gebed tot God gaat zet een machtig middel in! Sterker nog: de almachtige God staat aan zijn zijde!

Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee I. de Wolff (1901-1976) die in een preek over Mattheüs 21 eens opmerkte: “… laten we toch niet voorbijzien, dat Christus van ons geen tovenaars en kunstenaars maakt, maar ambtsdragers. En ambtsdrager zijn wil zeggen, dat we zo volstrekt gebonden zijn aan de wil van Christus en aan de wil van God met betrekking tot onze dienst, dat we alleen maar doen en begeren te doen wat God wil; zoals geschreven staat van de Christus, dat hij niets deed dan wat die Vader hem getoond heeft. God moet ons tonen wat ons werk is. Dat moeten we van hem afbidden”.
Gods kinderen beschikken niet over magische krachten – nee, dat niet. Maar zij leven mét en werken vóór God. Zij zijn met alle vezels van hun bestaan aan Hem verbonden. Zij leven vol liefde en passie voor hun Heiland. Daarom schrijft de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 13 ook: “En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets”[4].

Maar, zucht iemand wellicht, mijn geloof is soms zo zwakjes, zo fragiel, zo breekbaar. Dat kan best zo zijn. Moeten wij dan op zoek naar meer geloof? Moeten wij een speurtocht organiseren naar een beter geloof, misschien? Ei neen! Het is het beste als wij gewoon aan het werk gaan, in het leven van alledag. Wij moeten zogezegd in training. Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timotheüs: “Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft”[5].

De hierboven reeds geciteerde dominee de Wolff zei in die preek over Mattheüs 21 ook: “Dan zal het geloof krachtig blijken. Als het maar gevoed wordt uit de Schrift en versterkt door het gebed. Want dat geloof is wereldoverwinnend, het zal tot grootse dingen in staat blijken, het zal het aller-geweldigste vermogen… de hemel beërven; want door het geloof zullen we koninkrijken verkrijgen. Geweldiger dan dat een berg verschoven wordt is, dat een zondaar de heilige hemel zal binnen gaan, om er de eeuwige genieting van God te ontvangen. Bij het sterfbed van Gods kind wordt de waarheid van Christus’ woord bevestigd. Als het geloof overgaat in het heerlijk aanschouwen van de eeuwige Vader in het aangezicht van Jezus Christus”[6].

Anno Domini 2020 zijn wij in onze wereld tot veel in staat. Maar bergen verzetten? Nou nee. Dat is wat lastig. Het virus COVID-19 bestrijden? Ook dat lukt nog niet goed. De maatschappij is nog altijd niet maakbaar. Maar wie de Machthebber van hemel en aarde volgt zal grootse dingen zien.
Nee, dat is geen grootspraak. Dat is een geloofszaak!

Noten:
[1] Mattheüs 21:21.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Mattheüs 21:21.
[3] Mattheüs 21:23.
[4] 1 Corinthiërs 13:2.
[5] 1 Timotheüs 4:8.
[6] De preek van ds. De Wolff heeft als tekst: Mattheüs 21:18-22 en is gedateerd op dinsdag 25 september 1945.

14 augustus 2017

God ziet naar ons om

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Genesis 15 is het beroemde hoofdstuk waarin God een prachtige belofte doet: “Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn”[1].
De Here sluit ook een verbond met Abram: “Weet wel dat uw nakomelingen ​vreemdelingen​ zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. Maar ú zult in ​vrede​ tot uw vaderen heengaan; u zult in goede ouderdom ​begraven​ worden. De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol”[2].

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant I. de Wolff (1901-1976) attendeert er in een schets op dat we hier drie dingen tegenkomen:
* vernedering vanwege het vreemdelingschap
* verlossing door gerichten
* motivering van het uitstel.
Het gaat, zegt dominee De Wolff, van lijden tot heerlijkheid[3]. We zien hier iets terug van de moederbelofte uit Genesis 3.

De Here zegt in Genesis 15 ook:
“Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de ​Eufraat: de Kenieten, de Kenezieten, de Kadmonieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten”[4].

De inhoud van die magnifieke verbondsbeloften is door de geslachten heen gedragen. Mozes gebruikt die beloften in Exodus 32 als pleitgrond om de Goddelijke toorn over de zonde van het gouden kalf af te wenden[5].
In Deuteronomium 10 gebruikt Mozes dit deel van de kerkgeschiedenis om zijn volksgenoten een extra stimulans te geven: blijf de Here dienen[6]!
In Romeinen 4 schrijft de apostel Paulus aan zijn lezers: wie God wil dienen, heeft geloof nodig, meer niet. Hij haalt Abraham als voorbeeld aan: “En hij (dat is Abraham) heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: zo zal uw nageslacht zijn”[7].
In Hebreeën 11 staat Abraham in de rij van geloofsgetuigen[8].
Zo mogen ook wij die unieke verbondsbeloften met ons mee dragen. Wij kunnen en mogen er van vertellen. Wij mogen het uitstralen: er komt een nieuwe toekomst aan!

In Genesis 16 blijkt dat Abram en Saraï die toekomst zelf willen organiseren. En wel via een slavin, Hagar. Menselijk gezien is dat best verklaarbaar. Abram en Saraï zijn al zeventigers geworden.
En toch is het kleingeloof. De Here heeft immers gezegd dat Hij Zelf voor nageslacht zal zorgen?
Het initiatief voor het zelf organiseren van de toekomst gaat uit van Saraï. Daarom doet deze geschiedenis denken aan het begin van de wereldhistorie. Immers, bij de zondeval speelt Eva een voorname rol.

In feite zien we hier echter het probleem waar de mensheid sinds de zondeval mee te kampen heeft: alle wereldburgers zijn doe-het-zelvers geworden. De mensen willen zichzelf redden. Zij willen voor hun eigen verlossing zorg dragen.
Voor mensen die Godsdienstig zijn, en heel hun leven aan God willen wijden, is de verleiding groot om naar perfectie te gaan streven. Want dan, als wij goed en vroom leven, dan komt het goed met ons. Maar dat is een groot misverstand!
We kunnen de slavin Hagar gerust het symbool van de doe-het-zelvers noemen. Paulus schrijft in Galaten 4: “Want er staat geschreven dat ​Abraham​ twee zonen had, een van de ​slavin, en een van de vrije. Maar hij die van de ​slavin​ was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de belofte. Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï, dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is ​Hagar”[9].
Een dominee zei daarover eens in een preek: Hagar “vertegenwoordigt de weg van het Jodendom, van het Jeruzalem – nu. De weg van de Sinaï, van het doen van de werken van de wet, waardoor de mens zich een weg baant naar Gods Vaderhart. Een doodlopende weg”[10]. Veel duidelijker kan het niet, lijkt me!

Saraï is verongelijkt. Zij vernedert haar slavin.
Dat laat Hagar niet weer gebeuren! In een zekere nacht verdwijnt zij spoorloos.
Laten wij ’t maar duidelijk zeggen: de beide dames zijn, wat je noemt, in de fout gegaan. Saraï beledigt en grieft Hagar. Maar de minachting van Hagar is zondermeer heel gemeen.
Als de hemelse God niet ingrijpt, gaat Hagar in de woestijn ten onder. Maar de God van hemel en aarde komt tussen beide. Hij stuurt haar weer terug naar Saraï, haar meesteres.

De hierboven geciteerde dominee zei in zijn preek: “En als dan weldra Hagar weer aanklopt bij Saraï en Abram, vindt ze daar een gastvrij onthaal. Als wij zelf van het Godswonder op de been blijven, dan staan we niet boven een slaaf of slavin. Dan vergeven we elkaar de misdaden. Dan mag er ook liefde zijn onder elkaar. Dan worden geschonden relaties tussen een man en zijn vrouw, tussen een meesteres en haar slavin in ere hersteld”.

Lachaï-Roï. Zo gaan de mensen de put noemen waar de Here met Hagar spreekt.
Lachaï-Roï, dat betekent ‘de Levende die naar mij omziet’.
Het is, in zekere zin, opzienbarend dat Hagar nog leeft. Immers, niemand kan God zien en leven! Manoah, de vader van Simson, denkt ook dat zijn aardse leven zou worden beëindigd: “Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien”[11].
Hoe dat zij – het verhaal over de belevenissen van Hagar is klaarblijkelijk verder verteld. De mensen zeiden het tegen elkaar: Lachaï-Roï.

In de historie van Genesis 16 zit onder meer een attentiesein met betrekking tot ons gezinsleven.
Dat leven kent hoogte- en dieptepunten. Er zijn momenten waarop wij wellicht vragen: hoe moet dit toch verder? Het stellen van zulke vragen is niet verboden. Als we dan maar altijd uitkomen bij de naam van die put in de woestijn: Lachaï-Roï.
Want wij mogen het ook vandaag weten: God ziet naar ons om!

In Genesis 15 en 16 staan Goddelijke beloften tegenover menselijke tekorten. In die situatie komt Gods genade des te beter uit!

Noten:
[1] Genesis 15:5.
[2] Genesis 15:13-16.
[3] Ds. I. de Wolff, “Genesis II: 9 schetsen (Hoofdstukken 11:27-25:11). – Utrecht: Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland, 1971. – p. 25.
[4] Genesis 15:18-21.
[5] Exodus 32:13.
[6] Deuteronomium 10:22.
[7] Romeinen 4:18.
[8] Hebreeën 11:12.
[9] Galaten 4:22-24.
[10] Dit citaat komt uit een preek van dominee C. den Boer, emerituspredikant van de Protestantse Kerk (Gereformeerde Bond). De preek gaat over Genesis 16:13. Bij het schrijven van dit artikel heb ik dankbaar van die preek gebruik gemaakt. De preek is te vinden via http://www.dsdenboer.refoweb.nl/ (Homiletica) ; geraadpleegd op donderdag 20 juli 2017.
[11] Richteren 13:22.

9 augustus 2017

Hoogmoed komt voor de val

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In het eerste deel van Genesis 11 zien wij, goed beschouwd, het summum van afgoderij.
Aardse mensen willen een hoge toren bouwen. En waarom? Omdat zij toegang tot de hemel willen hebben.

Dit initiatief van de mensen in Genesis 11 heeft tenminste drie kenmerken:
* streven naar eenheid
* het omgaan met angst
* het tonen van trots
In feite is de bovenstaande drieslag van alle tijden.
Jesaja spreekt er in hoofdstuk 14 ook over:
“En ú zei in uw ​hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn ​troon​ verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste”[1].
De Spreukenleraar peinst ook over deze dingen. In hoofdstuk 16 noteert hij:
“Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val”[2].
En in hoofdstuk 18:
“De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet”[3][4].

Over de torenbouw schreef ik in juli 2016: “God verwart de taal van de aarde; stedenbouwers worden over de aarde verstrooid omdat ze een stad voor zichzelf willen bouwen, naam willen maken.
In die straf krijgen wij de macht van God te zien. Al die volken krijgen nu een eigen geschiedenis en een uniek karakter. De zonde die de torenbouwers in Genesis 11 willen doen, kan nu niet doorgaan. God Zelf houdt, om zo te zeggen, de zonde tegen. Tegelijk bevordert Hij juist dat de gehele aarde bewoont en bewerkt wordt.
Als het moet kan Hij die taalbarrières zonder enig probleem weer opheffen. Wij lezen erover in Handelingen 2. Heel even keren in dat Schriftgedeelte mensen terug naar hun eigenlijke levensdoel: God groot maken.
Dominee I. de Wolff schreef in verband met de taalverwarring in Babel eens: ‘Naar zijn scheppingsordening heeft God de mensheid uiteen gedreven zodat volken naar eigen geschiedenis, karakter, taal en ontwikkeling de aarde bevolken, èn allengs van elkaar vervreemdden. Door de zonde bracht dit ook onderlinge strijd. Maar we hebben vooral ook te letten op zijn genade door in de verbreking van eenheid-in-zonde de weg open te houden voor de komst van de Verlosser en voor de gang van het Evangelie tot ware eenheid in Hem. Uitwendige eenheid blokkeert in een zondige wereld de gang van zijn koninkrijk. Geestelijke eenheid werkte de Heilige Geest bij zijn komst om zijn volk te zetten op de weg die naar de volmaakte eenheid (…) voert, zoals deze er eens zijn zal voor de ogen der wereld op de dag van Christus’ toekomst, als het zijn zal de ene kudde onder de ene Herder’[5].
U ziet het: dominee De Wolff zet een lange lijn uit!
Taal: het is het instrument om onze God eer te bewijzen.
Er is meer.
De hemelen, het uitspansel, de dag en de nacht – zij spreken geen van allen. Wij kunnen niet luisteren naar een stem die wat zegt. Maar wij horen wel hun taal, tot in de uithoeken van de wereld.
Hoe dat zij: de God van het verbond wil eer ontvangen, juist ook van mensen, juist ook door het op aarde gesproken woord”[6].

In Genesis 11 kunnen wij lezen: “Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!”[7].
In Handelingen 2 brengt God Zijn kinderen weer bij elkaar, uit alle volken.

Het contrast tussen leven en dood is volkomen helder.
In Exodus 32 lezen we over de zonde met het gouden kalf. De straf van de Here is hard: “…Zo zegt de HEERE, de God van ​Israël: Ieder moet zijn ​zwaard​ aan zijn heup doen, het kamp van ​poort​ tot ​poort​ door gaan, en ieder moet zijn broeder doden, ieder zijn vriend en ieder zijn naaste. De ​Levieten​ deden overeenkomstig het woord van ​Mozes​ en er vielen op die dag van het volk ongeveer drieduizend man”[8].
En wat gebeurt er op de eerste Pinksterdag? Handelingen 2 meldt ons: “Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden ​gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd”[9].

De stad van God staat tegenover de stad van de mens.
Leest u maar mee in Openbaring 18: “En een sterke ​engel​ hief een steen op als een grote ​molensteen, en wierp die in de zee, en zei: Zó zal Babylon, de grote stad, met geweld neergeworpen worden, en het zal nooit meer gevonden worden”[10].
En in Openbaring 21: “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het ​heilige​ Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan.
Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen ​jaspis”[11].
De Here herstelt wat de mens stukgemaakt heeft. De God van hemel en aarde brengt, om zo te zeggen, het paradijs terug.

Iets daarvan zien we ook terug in het vervolg van Genesis 11[12]. Daarin vinden we gegevens over het nageslacht van Sem.
Met die mensen gaat de Here verder. “Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen”, zingt een bekend gezang[13]. En dat zien we in Genesis 11 ook.
Het geslachtsregister is klaarblijkelijk bedoeld om een wat langere periode te overbruggen, in dit geval die tussen de zondvloed en Abram. Hoe lang is die periode eigenlijk? Bijna driehonderd jaar, zegt de een; waarschijnlijk negenhonderd of duizend jaar, zegt een ander.
Het leven gaat door, zij het dat de leeftijden die op aarde worden bereikt geleidelijk lager worden.
Maar het belangrijkste is dat onze God de lijn van de wereldhistorie doortrekt. Na de zondvloed gaan de mensen een hoge toren bouwen, teneinde te proberen de weg naar de hemel te vinden. Maar dat goddeloze initiatief is voor de Here God geen reden om de zorg voor Zijn schepping te beëindigen.

De torenbouw in Babel is een dieptepunt in de wereldgeschiedenis.
Maar juist bij dat dieptepunt zien we hoe Gods genade tot een hoogtepunt komt!

Noten:
[1] Jesaja 14:13 en 14.
[2] Spreuken 16:18.
[3] Spreuken 18:10.
[4] In het bovenstaande gebruik ik onder meer een preek van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant D.S. Dreschler over Genesis 11:1-9. De preek is gedateerd op zondag 12 juli 2009 en is te vinden op https://dickdreschler.wordpress.com/2010/02/09/genesis-111-9-gods-naam-is-een-sterke-toren/ ; geraadpleegd op maandag 17 juli 2017.
[5] Zie: Ds. I. de Wolff, “Genesis: 7 schetsen (Hoofdstukken 1-11). – Utrecht: Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland. – tweede druk, 1972. – p. 66 en 67.
[6] Geciteerd uit mijn artikel ‘Taal en toon van de toekomst’, hier gepubliceerd op donderdag 21 juli 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/07/21/taal-en-toon-van-de-toekomst/ .
[7] Genesis 11:4.
[8] Exodus 32:27 en 28.
[9] Handelingen 2:41.
[10] Openbaring 18:21.
[11] Openbaring 21:10 en 11.
[12] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Genesis 11:10-26.
[13] Het is de tweede regel van Gezang 31:1 (Gereformeerd Kerkboek-1986).

21 juli 2016

Taal en toon van de toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Als het goed is, vallen Gereformeerde mensen op[1].
In hun gedrag, maar ook in hun taal.
Taal: het is de spiegel van normen en waarden. En van maatschappelijke veranderingen.

In 1956 zijn er moderne woorden als klaarover, taperecorder en gironummer.
In 1966 komt de hippie in. Het Journaal spreekt voor het eerst over de morning-afterpil, en over rassenscheiding.
In 1976 praten we over vertrossing. In het Journaal gaat het plotsklaps over stuurgroepen.
Weer tien jaar later, in 1986, hebben we de mond vol over de ligfiets, de APK en de loodvrije benzine.
In 1996 spreekt men in het Journaal voor het eerst over laptops, kijkoperaties en airmiles[2].
In 2006 spreken we voor het eerst over een cartoonrel. En ook over halal en halalisering: alles moet ineens halal zijn, van hypotheken en ziekenhuizen tot het vlees bij supermarktketen Albert Heijn. En o ja, de plofkraak komt er in: criminelen boren een gat in een pinautomaat, laten het apparaat vol gas stromen en brengen de boel tot ontploffing waarna de bankbiljetten voor het oprapen liggen[3].
En waar hebben we het vandaag over? Over poortjesspringers: zwartrijders die over een toegangspoortje bij een treinstation springen, om zonder geldig vervoerbewijs gebruik te kunnen maken van de trein[4]. En over selfies, natuurlijk.

Het Nederlands verandert, en het gebruik ervan ook.
Het doel moet echter blijven: God dienen. Oftewel: het Woord dienen met ons woord.

In verband hiermee wil ik vandaag wijzen op woorden uit Genesis 11: “Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de Here hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft”[5].
God verwart de taal van de aarde; stedenbouwers worden over de aarde verstrooid omdat ze een stad voor zichzelf willen bouwen, naam willen maken[6].

In die straf krijgen wij de macht van God te zien. Al die volken krijgen nu een eigen geschiedenis en een uniek karakter. De zonde die de torenbouwers in Genesis 11 willen doen, kan nu niet doorgaan. God Zelf houdt, om zo te zeggen, de zonde tegen. Tegelijk bevordert Hij juist dat de gehele aarde bewoont en bewerkt wordt[7].

Als het moet kan Hij die taalbarrières zonder enig probleem weer opheffen. Wij lezen erover in Handelingen 2[8]. Heel even keren in dat Schriftgedeelte mensen terug naar hun eigenlijke levensdoel: God groot maken.

Dominee I. de Wolff schreef in verband met de taalverwarring in Babel eens: “Naar zijn scheppingsordening heeft God de mensheid uiteen gedreven zodat volken naar eigen geschiedenis, karakter, taal en ontwikkeling de aarde bevolken, èn allengs van elkaar vervreemdden. Door de zonde bracht dit ook onderlinge strijd. Maar we hebben vooral ook te letten op zijn genade door in de verbreking van eenheid-in-zonde de weg open te houden voor de komst van de Verlosser en voor de gang van het Evangelie tot ware eenheid in Hem. Uitwendige eenheid blokkeert in een zondige wereld de gang van zijn koninkrijk. Geestelijke eenheid werkte de Heilige Geest bij zijn komst om zijn volk te zetten op de weg die naar de volmaakte eenheid (…) voert, zoals deze er eens zijn zal voor de ogen der wereld op de dag van Christus’ toekomst, als het zijn zal de ene kudde onder de ene Herder”[9].
U ziet het: dominee De Wolff zet een lange lijn uit!

Taal: het is het instrument om onze God eer te bewijzen.
Er is meer.
De hemelen, het uitspansel, de dag en de nacht – zij spreken geen van allen. Wij kunnen niet luisteren naar een stem die wat zegt. Maar wij horen wel hun taal, tot in de uithoeken van de wereld[10].
Hoe dat zij: de God van het verbond wil eer ontvangen, juist ook van mensen, juist ook door het op aarde gesproken woord.

Taal is dus hoogst belangrijk.
Wij ziet dat ook in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes.
In hoofdstuk 5: “En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie[11].
En in hoofdstuk 7: “Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen”[12].
Verder ook in hoofdstuk 14: “En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie”[13].
God heeft Zijn kinderen gekocht uit elke stam en taal en volk en natie.
Dat Evangelie moet overal verkondigd worden!

Gereformeerde taal wordt, om zo te zeggen, uitgesproken op de toon van de toekomst. Daarom heeft ons spreken, als het goed is, altijd een opgetogen ondertoon.

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 9 augustus 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 533 en is getiteld “Gereformeerde taal’’.
[2] Zie hiervoor: P.G.J. van Sterkenburg en M.C. van den Toorn, “Veertig jaar Journaal. Veertig jaar taal”. – Den Haag: SDU, 1997. – 136 p. Het genoemde boek werd op zaterdag 3 mei 1997 gerecenseerd in het Nederlands Dagblad.
[3] Zie hierover http://www.goedzo.com/index.php/2007/01/01/de_nieuwe_woorden_van_2006 ; geraadpleegd op woensdag 29 juni 2016.
[4] Zie http://woordvanhetjaar.vandale.nl/nl/ ; geraadpleegd op woensdag 29 juni 2016 .
[5] Genesis 11:9.
[6] Genesis 11:4: “Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden”.
[7] Zie hierover: W.G. de Vries, “Van Adam tot Abram: gericht en genade”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1994. – p. 105.
[8] Handelingen 2:8-11: “En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parthen, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judéa en Capadócië, Pontus en Asia, Phrygië en Pamphilië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Cretenzers en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken”.
Over het talenwonder in Handelingen schreef ik op deze plaats ook het artikel ‘Pinksteren 2015: Gods Woord in onze moedertaal’; hier gepubliceerd op vrijdag 22 mei 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/05/22/pinksteren-2015/ .
[9] Ds. I. de Wolff, “Genesis: 7 schetsen (Hoofdstukken 1-11). – Utrecht: Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland. – tweede druk, 1972. – p. 66 en 67.
[10] Psalm 19:1-5:
“Voor de koorleider. Een psalm van David.
De hemelen vertellen Gods eer,
en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;
de dag doet sprake toestromen aan de dag,
en de nacht predikt kennis aan de nacht.
Het is geen sprake en het zijn geen woorden,
hun stem wordt niet vernomen:
toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde
en hun taal tot aan het einde der wereld”.
[11] Openbaring 5:9.
[12] Openbaring 7:9.
[13] Openbaring 14:6.

16 oktober 2015

God creëert de historie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

“God is Maker van de historie”. Dat is de kop boven een interview met dominee I. de Wolff[1]. Vandaag wil ik het betreffende vraaggesprek aan de vergetelheid ontrukken[2].

Graag ga ik met u terug naar het najaar van 1970.
De interviewer wordt binnengelaten aan de Lasondersingel 11 in Enschede. De begroeting is hartelijk: “Kom in, gij gewenste man”.
Op 20 september 1970 is dominee De Wolff met emeritaat gegaan, na 40 jaar ambtsdienst. Hij is nu 69 jaar. Vijfendertig jaar heeft hij in Enschede gestaan.
“Als je zolang in één gemeente staat, dan krijg je op de duur een moreel overwicht. Veel catechisanten van vroeger zijn nu kerkeraadslid en dat kan bezwaren met zich brengen. Er dreigt dan een éénhoofdig bestuur te ontstaan”.

Wat is het mooiste van de ambtelijke arbeid?
Daar is dominee De Wolff heel duidelijk over: “het onderzoek der Schrift, de arbeid in het Woord en in de leer”.
Er is nog iets dat voor de pas geëmeriteerde predikant zonneklaar is: er moet gestudeerd worden. “Je kunt niet aktief zijn, als je eerst niet passief bent. Alles wordt beheerst door de Schrift, want anders spreekt men uit eigen ervaring en uit eigen hart. En dan is de weg geopend voor de valse profetie. Als predikanten niet studeren, dan wordt het volk van profetie ontbloot. Niet-studeren is een vorm van ontrouw”[3]. En: “de studie moet rijp zijn en dat kan niet in een snel tempo gebeuren”.
Merken de gemeenteleden ook iets van die studie? Als het goed is, bemerken de gelovigen dat in “de prediking en het geven van onderwijs. De studie moet daaraan ten goede komen en ook het ziekenbezoek en het huisbezoek kunnen daarvan de vruchten plukken”.
Het lijkt mij van enig belang om dat laatste te accentueren. In onze tijd hebben dominees het vaak zo druk met het oplossen van problemen en het bezweren van crises in hun gemeente dat het lezen en studeren er zomaar bij in schiet. Dat betekent dat dominees er tijd voor vrij moeten maken. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om ervoor te pleiten dat predikanten wekelijks studietijd inplannen.

De Enschedese predikant spreekt uitgebreid over de Vrijmaking van 1944.
Gaarne geef ik een lang citaat.
“In het begin heb ik niet alles doorgehad. Ik zag nog niet helder voor ogen wat de consequenties waren van de vrijmaking, maar achteraf heb ik steeds meer de goede lijn gezien. Het wezen van geschiedbeschrijving is eigenlijk dat men het werk Gods ziet, de straffen Gods in de historie en ook de zegeningen die Hij geeft aan Zijn kerk. We moeten zien dat het geen werk van mensen is, maar we dienen in alles Gods werk te zien.

In de dagen der vrijmaking waren er mensen die zeiden: het geeft niet hoe de leer is, als het juridisch maar in orde is. Anderen redeneerden andersom. Er waren mensen die partijzuchtig waren door hun vasthouden aan de gemengde school, aan de A.R. Partij, aan het CNV enz. Ze hebben het niet gezien dat God werkte. Mensen die mede daardoor nu buiten de kerken zijn gekomen hebben geen kennis. Trouwens in het algemeen gezegd kan het kennispeil nog wel omhoog.

Toen Rehabeam Jeruzalem afstootte, lag dat niet zozeer aan de politieke lijn, maar de omwending was van den HEERE. God bewerkte dat de gedachten van Rehabeam een andere kant opgingen. De motieven van Rehabeam waren uit de mens, doch we zien er Gods voorzienigheid in. We constateren een element van straf, doch ook worden er antithesen gesteld, waardoor de kerk genoodzaakt wordt zich te verdiepen in de waarheid. We zien dat steeds in de geschiedenis. Een dieper ingeleid worden in de waarheid gaat vaak gepaard met schokkende gebeurtenissen. Dat schokmotief treffen we niet alleen aan – zoals K. Schilder het schreef – bij het einde der wereldhistorie, maar we merken dat steeds in de geschiedenis op. Mensendaden treden in de geschiedenis op de achtergrond, al gebruikt God die daden wel. Maar God zelf is de Maker van de historie”.
Het is goed om het tot ons door te laten dringen:
* wij kunnen de historie niet goed overzien
* soms weten wij niet precies waarom we iets doen; wellicht zien we dat pas achteraf
* wij dienen altijd het werk van God te zien.

Wat moet er gedaan worden als in de kerk dwalingen te horen en te zien zijn?
Dominee De Wolff heeft daar het volgende over te zeggen.
“Men zegt wel: zand erover, maar wat je levend begraaft, kom er soms wel weer uit. Van roomse zijde zegt men: de paus moet vrij zijn naar zijn geweten de kerk te besturen. Zo willen ook gereformeerden zich vandaag op het geweten beroepen, zonder dat geweten te normeren aan de Schrift. Hier dreigt het gevaar van het subjectivisme. De Cock schreef eens terecht: dwalingen zijn venijnige beesten, die je zo gauw mogelijk grijpen moet”.
Wij leven vandaag in een andere tijd. Maar nog altijd geldt dat we er in de kerk goed aan doen om ons gezond verstand, ons gevoel of onze intuïtie niet op de voorgrond te plaatsen. Het Woord van God moet onze norm wezen!

Dominee De Wolff geeft ook een typering van de situatie in Nederland en in de wereld.
“In Nederland hebben we de tuchtiging des HEEREN te vrezen, hoewel Hij nog geen afgesneden zaak gemaakt heeft. Het is net als in de dagen van Rehabeam. Maar als de kerk in elkaar zou storten, wat blijft er dan over?”.
De predikant zegt ook:
“We zien Gods oordelen, net als in de dagen vlak voor de Afscheiding. Toen heerste er de cholera en waren er grote overstromingen. Zo bereidt God de akker der wereld. De kerk zal klein worden en het is niet gezegd dat de kerk op elke plaats zal blijven. Het is wel merkwaardig, dat terwijl het in het Westen achteruit gaat, we een opbloei zien in West- Irian en in andere streken van de wereld. Op de zendingsvelden zijn veel bekeerlingen en er is veel jeugd die tot de belijdenis komt dat Christus de Verlosser is. Wat er van Nederland terecht moet komen weet ik niet. Het is een slap zaakje op alle gebied”.
Sprekend over de Troonrede blijkt dat er anno 2015 niets nieuws onder de zon is.
“Daar zit iets moedgevens in, maar de goede gronden ontbreken. Over het leven naar de Schrift, daar spreekt de Troonrede niet over. Het is alles tolerantie wat de klok slaat. De zaken worden teveel afgemeten naar de materie”.

Dominee De Wolff wordt geïnterviewd in 1970.
Inmiddels is het heel wat jaren later.
Maar in de grond van de zaak is er, wat dat laatste betreft. nog maar weinig veranderd!

Noten:
[1] Dominee De Wolff leefde van 1901 tot 1976.
[2] Het interview staat in het Nederlands Dagblad, zaterdag 3 oktober 1970, p. 3.
[3] In de eerste zin van dit citaat wordt aktief met een k gespeld. In de jaren ’70 van de vorige eeuw is het een tijd lang gewoonte geweest om ‘uitheemse’ woorden – actief is afkomstig van het Franse activer – te vernederlandsen.

25 juni 2014

Onze God maakt geschiedenis

Gereformeerden zijn mensen die van heel dichtbij bestuurd worden[1].
De Heilige Geest woont in onze harten; zo dichtbij is Hij.

De Heilige Geest is onze Trainer, onze Oefenmeester: Hij oefent ons in het luisteren naar Gods Woord. Door Zijn besturing blijven we ons toeleggen op het leven vanuit datgene wat ons geleerd is.
Men zou dat micro-activiteit kunnen noemen: op het individu gerichte besturing.

Maar er is ook macro-activiteit: de drie-enige God bestuurt de wereld.
Gereformeerden geloven dat God wereldwijd actief is. Maar het valt niet altijd mee om daar ook iets van te zien. Wanneer kunnen wij met zekerheid zeggen: hier ontwaren wij Gods hand?
Op de vierkante meter van ons persoonlijke leven vinden wij dat soms misschien wat moeilijk.
Maar laten wij het heerlijke werk van onze glorieuze God vooral niet onderschatten!

Nu het hier om gaat wijs ik u op woorden van de politicoloog en historicus Siep Stuurman. Hij schreef eens: “Tenslotte was er de christelijke kerk. Zij was de enige overkoepelende organisatie in het middeleeuwse Europa, dankzij haar was er zoiets als een gemeenschappelijke cultuur”[2].
Er was eens een docent geschiedenis en staatsinrichting die mij vertelde dat op een openbare school een ‘Bijbelproject’ had plaatsgevonden; een week lang hadden de leerlingen in de Bijbel gestudeerd. Dat was noodzakelijk. Men heeft bij het belichten van historische feiten beslist enige Bijbelkennis van node[3].
Waarmee eens te meer bewezen is dat onze God niet uit de wereld weg te denken of weg te drukken is.

Of men wil of niet, God is in de geschiedenis aanwezig.
Hij bepaalt de gang van de historie; start- en eindpunt, en de markeringspunten. De geschiedenis rond Pinksteren –vastgelegd in Handelingen 2 – is een wel zeer bekend voorbeeld van zo’n markeringspunt.
De Schepper van hemel en aarde regeert de geschiedenis!

Vandaag vraag ik graag een ogenblik uw aandacht voor het moment dat die geschiedenis een aanvang genomen heeft. In Genesis 2 lezen we: “Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden”[4].

Let u er op dat er staat ‘geschapen werden’? Dat werk voltooide God! In de wereldhistorie staat God centraal.
In Genesis 2 vinden we het startpunt van de wereldhistorie. De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee I. de Wolff (1901-1976) formuleerde het eens zo: “De geschiedenis is de doelgerichte gang, waarin God zijn wereldplan uitvoert met inschakeling van het handelend optreden van mensen”. Hier “begint het boek van Gods voorzienigheid”[5].
De Statenvertaling heeft hier: “Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, toen zij geschapen werden; ten dage, als de HEERE God de aarde en de hemel maakte”. Daar staat het woord toledoth – geboorten. “Het gaat” – zei iemand eens – “om de lijn der geslachten, het begin van de heilshistorische lijn die door het hele Oude Testament loopt. Die lijn loopt via David naar de Messias en komt tot ontplooiing in het Nieuwe Testament”[6].

Men kan het Bijbelboek Genesis beschouwen als het fundament voor heel het Oude Testament.
Dominee H.J. de Bie, predikant in de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, legde eens uit: Het Bijbelboek Genesis “kan, na een inleiding, in elf gedeelten worden ingedeeld. Elk gedeelte heeft als opschrift “Dit zijn de verwekkingen (de geschiedenis) van…” Het eerste gedeelte gaat over de ‘verwekkingen van de hemel en de aarde’ en loopt van Genesis 2:4 tot 4:26. In het tweede gedeelte (Genesis 5:1-6:8) gaat het over de ‘verwekkingen van Adam’. Daarna volgen de ‘verwekkingen’ van Noach, Noachs zonen, Sem, Thera, Ismaël, Isaäk, Eau en Jakob. Deze opschriften verdelen het boek in twaalf stukken, evenveel als de twaalf zonen van Jacob. Dat is niet toevallig”[7].
De conclusie is onontkoombaar: onze God werkt uiterst systematisch. Er gaat niets boven Zijn planmatigheid uit!

Vanaf Genesis 2 komt de naam Here geregeld in de Bijbel voor: de genadige Machthebber van de wereld gaat zich manifesteren. Hij doet dat mede door het werk van Zijn schepselen. Het belang daarvan mogen we niet onderschatten. Dat lijkt benadrukt te worden doordat hier de aarde eerst wordt genoemd: “…ten tijde, dat de HERE God aarde en hemel maakte…”.
Wat hier op aarde gebeurt is uiterst belangrijk!

In de preek die dominee N.M.A. ter Linden in 1998 hield bij het huwelijk van prins Maurits en Marilène van den Broek zei hij: “God kuste de mens in de hof, schonk hem de levensadem, hopend en biddend dat zijn geest de man en de vrouw zou bezielen. Met eenzelfde tederheid wekt Jezus Maria Magdalena in de hof ten leven en zijn discipelen blaast hij de heilige adem Gods in, als de prins die zijn bruid wakker kust en haar noodt tot de dans van het leven”[8].
Moest God bidden?
Moest Hij hopen?
Moest Hij de muziek van de wals voor de dans van het leven componeren?
Wij weten wel beter. Veel beter.

Wat mij betreft – ik houd het graag bij de helderheid van de Nederlandse Geloofsbelijdenis die ik, tot slot van dit artikel, vol overtuiging citeer.
“Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen”[9].

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 14 september 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 488.
[2] Zie over Siep Stuurman http://nl.wikipedia.org/wiki/Siep_Stuurman . Deze woorden staan in: Siep Stuurman, “Staatsvorming en politieke theorie. Drie essays over Europa”. – Uitgeverij Bert Bakker, 1995. – 266 p. – Citaat van p. 47. Geciteerd via: Nederlands Dagblad, 29 augustus 1996, p. 7.
[3] De betreffende docent is drs. E.Y. Hooijmaaijers.
[4] Genesis 2:4 a.
[5] Zie: Ds. I. de Wolff, “Genesis”, schets 4. – Utrecht: Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland. – tweede druk, 1972. – p. 35.
[6] Dat zei dr. M.J. Paul. Zie: A. de Heer, “In een leemte voorzien”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (7 februari 2013), p. 10. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[7] Zie: Jan van Reenen, “Graven in het Oude Testament”. In: Reformatorisch Dagblad (13 december 2011), p 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[8] Zie de extra editie van het Reformatorisch Dagblad die op 2 februari 2002 verscheen ter gelegenheid van het huwelijk van Willem Alexander en Màxima, onze huidige koning en koningin. Het citaat komt uit: J.C. Karels, “Oranjepreek werd lichter van toon”, p. 5. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 12.

Blog op WordPress.com.