gereformeerd leven in nederland

14 mei 2019

Strak georganiseerd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

In Gods Woord lezen we het Evangelie van de verlossing. Het is prachtig dat de God van hemel en aarde ons dat Evangelie heeft laten doorgeven. De boodschap vanuit de hemel is duidelijk: ons aardse, ernstig besmeurde leven loopt niet dood. Wij zijn op weg naar een nieuwe toekomst!

De geschiedenis van kerk en wereld is, voor menselijke begrippen althans, lang. Wij gaan eeuw in, eeuw uit. En het gaat maar door.
In de kerk zeggen wij niettemin: God bouwt aan Zijn Koninkrijk. Ja, dat is waar – laat daar geen misverstand over bestaan. Die belijdenis stáát! Tot in lengte van dagen!

Een stukje van die opbouw kunnen wij zien in Numeri 2.
Ter oriëntatie citeer ik enkele verzen uit dat Bijbelhoofdstuk.

“Zij dan die hun kamp opslaan in oostelijke richting, waar de zon opkomt, vallen onder het ​vaandel​ van het kamp van Juda, ingedeeld naar hun legers. De ​leider​ nu van de nakomelingen van Juda was Nahesson, de zoon van Amminadab.
En zijn ​leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenzeventigduizend zeshonderd man.
En de ​stam​ Issaschar moet naast hem zijn kamp opslaan. De ​leider​ nu van de nakomelingen van Issaschar was Nethaneël, de zoon van Zuar.
En zijn ​leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenvijftigduizend vierhonderd man.
Dan de ​stam​ Zebulon. De ​leider​ nu van de nakomelingen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
En zijn ​leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit zevenenvijftigduizend vierhonderd man.
Allen die geteld waren van het kamp van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd man, ingedeeld naar hun legers. Zij moeten als eerste opbreken”[1].

Zo gaat dat verder tot en met vers 34.

In dit Schriftgedeelte gaat het achtereenvolgens over:
“* het kamp van de stammen aan de oostzijde
* het kamp van de stammen aan de zuidzijde
* de tent van samenkomst en de Levieten
* het kamp van de stammen aan de westzijde
* het kamp van de stammen aan de noordzijde”[2].

Er zijn wel mensen die zich hebben beijverd om de beschrijving in Numeri 2 in een illustratie te vatten[3].
Hoe dat zij – in Numeri 2 wordt duidelijk dat het volk Israël strak georganiseerd is.
En goed beschouwd is dat ook wel nodig.

De achtergrond van het Bijbelboek Numeri werpt daar enig licht op.

Iemand noteert over de eerste vijf boeken van de Bijbel:
“* In Genesis zien we de geruïneerde mens.
* In Exodus zien we de verloste mens.
* In Leviticus zien we de aanbiddende mens.
* In Numeri zien we de dienende en in het geloof strijdende mens.
* In Deuteronomium zien we de gehoorzame, naar Gods geboden levende mens”[4].

Een andere uitlegger schrijft: “Zo op het eerste gezicht is Numeri een heel saai boek, vol dingen waaruit wij weinig zouden kunnen leren, omdat het over de omzwervingen van de Joden in de woestijn gaat. Maar weet u bijvoorbeeld dat priesters en levieten pas op 25- of 30-jarige leeftijd in dienst werden genomen en al op 50-jarige leeftijd met pensioen gingen? Hebt u zich afgevraagd waarom? Dat je pas opgeroepen werd voor het leger als je 20 was en dat daar geen leeftijdsgrens voor gold? Dat Israëls leger mannen telde? Dat het aantal mensen dat uittrok dus heel erg groot moet zijn geweest, want we hebben de vrouwen, meisjes en jongens onder de 20 nog niet geteld en ook niet de stam Levi? Beseft u dat ze na 1 jaar al bij de grens van het beloofde land stonden, gereed om het samen met God binnen te trekken, maar dat niet konden vanwege hun ongeloof? En dat hun ongeloof Gods werk veertig jaar lang heeft opgehouden? Hebt u zich afgevraagd wat een zware taak het voor Mozes moest zijn geweest, toen dit hele volk begon te mopperen en te roepen: ‘we willen terug!’ toen hij alleen met Aaron, Mirjam, Jozua en Kaleb aan Gods kant stond?”[5].

Veertig jaar strijden!
Veertig jaar zwerven!
Ziet u dat voor u? Wij leven in nette huizen en hebben een eigen plek onder de zon. Natuurlijk – ons leven is buitengewoon druk en soms bijna onverantwoord stressvol. Maar wij zwerven in ieder geval niet. Wij hebben thuis onze eigen stoel. En ons eigen bureau. De leefomgeving is vertrouwd. De meubels zijn bekend.
In Numeri 2 is daar echter geen sprake van.
Het is reizen en trekken geblazen!
De rustperiodes zijn niet al te lang.
Geen wonder dus dat Gods volk goed georganiseerd leven moet!

Wie goed kijkt, ziet in Numeri 2 een schitterend Evangelie.
Wederom zien we de inhoud van Numeri 2:
* het kamp van de stammen aan de oostzijde
* het kamp van de stammen aan de zuidzijde
* de tent van samenkomst en de Levieten
* het kamp van de stammen aan de westzijde
* het kamp van de stammen aan de noordzijde.
U ziet het: de tent van samenkomst staat – cursief gedrukt – midden in dat lijstje. De tent waar het volk Israël Zijn God ontmoet staat midden in het kamp. God Zelf is het middelpunt van Zijn volk. Hij is vlakbij hen. Hij is te allen tijde raadpleegbaar. Hij staat, om zo te zeggen, klaar om in te grijpen.
Vanaf het begin en tot aan het einde van deze wereld is de God van hemel en aarde vlakbij Zijn kinderen. De kerk hoeft het niet zonder Hem te doen. Niet in het Oude Testament. Niet in het Nieuwe Testament. En nee, ook niet in 2019.
In Nederland hebben Gods kinderen een redelijk georganiseerd leven.
En laten we er maar niet omheen draaien: soms hebben wij de welhaast onbedwingbare neiging om uit de band te springen. Wij willen uit de tredmolen vandaan. Wij willen de sleur achter ons laten. Net zoals, bijvoorbeeld, dat Groningse gezin dat – met twee jonge kinderen! – in twee jaar naar Australië wil zeilen; lekker ontspannen de wereld rond[6].
Maar laten wij ons niet vergissen. Ook als ons leven strak georganiseerd is, is de Here God nabij. Hij is vlakbij ons. Zoals Romeinen 10 het zegt: “Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw ​hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken: Als u met uw mond de Heere ​Jezus​ belijdt en met uw ​hart​ gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden. Want met het ​hart​ gelooft men tot ​gerechtigheid​ en met de mond belijdt men tot zaligheid. Want de Schrift zegt: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden”[7].

Laten wij ’t maar toegeven: soms worden wij door onze agenda geregeerd.
In het leven van Gods kinderen is het niet zelden een drukte van belang.
Ach, het geeft niet.
Want de Here God staat in het middelpunt van ons leven.
Dichtbij ons is het Woord!

Noten:
[1] Numeri 2:3-9.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Numeri 2:1-34.
[3] Zie https://www.oudesporen.nl/Download/OS0681.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 10 mei 2019.
[4] Geciteerd van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1510.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 10 mei 2019.
[5] Geciteerd van https://docplayer.nl/21278666-Een-volk-in-beweging-het-boek-numeri-egw-notities-bij-de-studiegids-voor-de-volwassen-sabbatschool.html ; geraadpleegd op vrijdag 10 mei 2019.
[6] Zie https://www.rtvnoord.nl/nieuws/208267/Gezin-met-twee-kleine-kinderen-zeilt-naar-Australie ; geraadpleegd op vrijdag 10 mei 2019.
[7] Romeinen 10:8-11.

25 april 2018

De Here heeft de leiding

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In de naam van Jezus worden heel wat misstanden in stand gehouden.
Niet zo lang geleden kopte het Nederlands Dagblad: “Vijf maanden cel Nijkerkse voorganger Jezus Centrum”[1]. Daaronder stond een heel verhaal over de dingen die die voorganger verkeerd had gedaan.

Wie dergelijke dingen leest, kan sarcastisch denken: kerkmensen zijn geen haar beter dan de rest van de wereld. En in principe is dat waar.

Toch blijft de Here Zijn volk leiden.
We lezen daarover onder meer in het laatste vers van het Oudtestamentische boek Exodus[2]. Daar staat: “Want de wolk van de HEERE was overdag op de ​tabernakel, en ’s nachts was er een vuur in, voor de ogen van heel het ​huis​ van Israël tijdens al hun tochten”[3].

Dat is bijzonder.
Want de Israëlieten zijn in de Bijbel werkelijk geen lieverdjes.
Iedere keer weer keren zij zich af van God. En dat terwijl Hij zo zorgzaam voor hen is!
Een heel bekende zonde is wel die van het gouden kalf. Dat kalf van goud wordt door Israël aanbeden. En er wordt bij gezegd: “Dit zijn uw ​goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben”[4]. Dat is onzin. Want de Here heeft de Israëlieten uit Egypte bevrijd.
De Israëlieten lopen steeds weer bij God weg.
Omdat ze hun manieren van godsdienstigheid zelf willen bepalen.
Of vanwege de dreigende politieke situatie.
En zo is er nog veel meer.

Toch blijft de Here Zijn volk leiden. Want de Here is trouw. Hij loopt niet weg.

In Exodus 35 wordt opdracht gegeven voor het maken van de tabernakel: een vervoerbaar heiligdom. Knappe ontwerpers en vaklui werken er aan.
Het is een tent die binnen het legerkamp komt te staan.

In de volgende hoofdstukken lezen we over een ark, die een plaats in de tent zal krijgen. Een kleine langwerpige kist die het teken van Gods aanwezigheid is.

En over de tafel van de toonbroden. Dat is een gouden tafel met twaalf broden erop. Broden die tentoongesteld zijn – toonbroden dus. Die twaalf broden symboliseren de twaalf stammen van Israël.
En over de gouden kandelaar, eigenlijk een lampenstandaard: dat is de lichtbron in het donkere heiligdom.
En over het reukofferaltaar, een altaar om allerlei reukwerk op te branden.
En zo zijn er nog wel wat meer dingen.

Maar al die zo zorgvuldig gemaakte voorwerpen zijn pas echt van waarde als God Zelf aanwezig is.

En jazeker, God blijft Zijn volk steeds trouw.

In Nehemia 9 wordt dat als volgt omschreven: “Zelfs toen ze voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: Dit is uw God Die u heeft doen optrekken uit Egypte, en grote godslasteringen hadden gepleegd, hebt U hen in Uw grote ​barmhartigheid​ toch niet verlaten in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van boven hen om hen te leiden op de ​weg, en ook de vuurkolom ’s nachts niet om voor hen de ​weg​ te verlichten waarop zij zouden gaan”[5].

Paulus wijst er in 1 Corinthiërs 10 op “dat onze vaderen allen onder de wolk waren”[6]. En Hij herinnert  aan de vele zonden die Israël heeft gedaan. Laten wij, zo waarschuwt Paulus, die manieren van doen vooral niet overnemen! “Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons”[7].
Paulus schrijft er ook bij: “En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan”[8].
Paulus zegt dus: denk erom dat het met u niet dezelfde kant op gaat!
Paulus zegt dus ook: vertrouw nu maar op Gods trouw!

Ook vandaag zijn Gods kinderen op reis. Net als de Israëlieten dus.
In Hebreeën 11 staat een hele rij geloofsgetuigen: mensen die zich, gedurende heel hun aardse leven, aan God hebben overgegeven. In de brief aan de Hebreeën wordt duidelijk dat al die geloofsgetuigen verlangden naar een hemels vaderland[9].
Daar moeten wij een voorbeeld aan nemen.
Ook in Nederland, in 2018.
Want ook vandaag zijn we op reis. Nee, er gaat geen wolkkolom meer voor ons uit. De vuurkolom zien we ’s nachts ook niet meer. Maar we zijn nog steeds op pad. Op weg naar ons nieuwe vaderland: de hemel.
En ja, we mogen het zeker weten: God ziet zijn reizende kinderen overal en altijd. Hij leidt hen op elk ogenblik van de dag en de nacht.

Het is heel goed mogelijk dat sommige lezers dat heel beangstigend vinden.
Zelfs als je de gordijnen dicht doet, ziet Hij je nóg.
Als er geen mens bij is, dan kijkt Hij nóg.
En als je ’t fout doet…, dan krijg je straf!
Is dat nou de troost van Gods Woord? Wat heb je daar nou aan?

Laat ik opnieuw wijzen op die tent, die tabernakel van hierboven.
Die tent komt terug in Openbaring 21. In het één na laatste hoofdstuk van de Bijbel dus.
De Here woont bij Zijn volk.
Zijn volk krioelt om Hem heen.
En nee – in Openbaring 21 is God niet meer boos.
Integendeel. Hij veegt alle tranen van ’t gezicht af.
De dood is verdwenen. Helemaal weg.
De heimwee naar overledenen, de rouw is er ook al niet meer.
Alle problemen zijn opgelost.
De dingen van vroeger zijn geheel en al voorbij.
Het wordt allemaal helemaal nieuw.
Alles en iedereen is gericht op God. En dat levert een heerlijke, harmonische vrede op.
En mocht iemand nog dorst hebben, dan zal God Zelf Hem te drinken geven.

Die kant gaat het met Gods kinderen op.
Nee, wij moeten ons vooral niet laten afleiden door alle misstanden in de naam van Jezus.

Laten wij Openbaring 21 maar blijven lezen: “Zie, de ​tent​ van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.
En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen ​rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.
En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en betrouwbaar.
En Hij zei tegen mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de ​bron​ van het water des levens”[10].

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, dinsdag 17 april 2018, p. 6.
[2] Voor dit vers kies ik omdat Exodus 35:1-40:38 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vandaag, woensdag 25 april 2018, plaats.
[3] Exodus 40:38.
[4] Exodus 32:4.
[5] Nehemia 9:18 en 19.
[6] 1 Corinthiërs 10:1.
[7] 1 Corinthiërs 10:11.
[8] 1 Corinthiërs 10:13.
[9] Hebreeën 11:16: “Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt”.
[10] Openbaring 21:3-6.

30 november 2017

Met God op reis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Vandaar reisden zij naar Beër. Dat is de ​bron​ waarvan de HEERE tegen ​Mozes​ zei: Verzamel het volk en Ik zal hun water geven.
Toen zong Israël dit ​lied:
Spring op, put,
zing ervan in beurtzang!”.

Dat zijn woorden uit Numeri 21[1].
In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap-1951 staat boven de perikoop: De tocht naar het veld van Moab. In de Herziene Statenvertaling staat er boven: Verschillende tochten van het volk Israël.
En daar draait het in Numeri 21 inderdaad om. Wij lezen over de ervaringen in de woestijn Zin: van Kades tot in het Overjordaanse[2].

Ter oriëntatie citeer ik nog enkele verzen: “Toen braken de Israëlieten op en zij sloegen hun kamp op in Oboth. Daarna braken zij op vanuit Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in de woestijn die ten oosten van ​Moab​ ligt, waar de zon opkomt. Vandaar braken zij op en sloegen hun kamp op in het beekdal van ​Zered. Vandaar braken zij op en sloegen hun kamp op aan deze kant van de ​Arnon, die in de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt, want de ​Arnon​ is de grens van ​Moab, tussen ​Moab​ en de Amorieten. Daarom wordt er gezegd in het ​boek​ van de ​oorlogen​ van de HEERE: Waheb in Sufa, en de dalen van de ​Arnon, en de helling van de dalen, die zich uitstrekt tot de nederzetting Ar en aan het gebied van ​Moab​ grenst”[3].
Gods volk is op reis.
Ziet u al die mensen gaan? Dag aan dag, week aan week… Van honkvastheid is al jarenlang geen sprake. Wat een beproeving is dat eigenlijk!

Bij Beër – dat betekent: bron – wordt het volk voorzien van water. Het maakt het volk blij: er wordt een loflied gezongen.

“Spring op, put” – wat moeten we daar vandaag de dag mee?
“Spring op, put” – wat is de boodschap van die woorden voor ons?
Als in de praktijk als een opwellende bron opspringt krijg je een fontein. Als de Here aan het werk gaat zien we een magnifieke Goddelijke aanpak. Een wereldomvattende aanpak, uiteindelijk zelfs. Denkt u maar aan Psalm 87:
“Ik noem ​Rahab​ en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
Van Sion wordt gezegd:
Man voor man is erin geboren.
De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden.
De HEERE telt hen erbij,
wanneer Hij de volken opschrijft,
en zegt: Deze is daar geboren.
De zangers evenals zij die in reien dansen, zingen:
Al mijn bronnen zijn in u!”[4].
De Israëlieten mogen elkaar bemoedigen: onze God is groot; ja, dat is waar!
En wij mogen het weten: de God van het verbond staat aan het begin en aan het einde van de reis. In Openbaring 21 zegt Hij immers: “Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de ​bron​ van het water des levens”[5].

Numeri is wel getypeerd met de woorden: wandel en strijd[6].
Iemand schreef: “In Numeri zien we de dienende en in het geloof strijdende mens”.
God zorgt liefdevol voor Zijn volk. Hij geeft water in een wereld waarin veel dorst is.
Daarom moet Gods volk de weg volgen die de Here wijst.
Daarom moet Gods volk op God vertrouwen, en Hem trouw blijven. Gewoon in het dagelijkse leven. Ook als ‘t onderweg is.

Het is belangrijk om die liefde van God goed te zien.
Waarom?
Ook in de wereld is veel liefde. De mensen zorgen voor elkaar. Er is respect voor elkaar. En laten wij eerlijk zijn: men is er, vooral in deze tijd, scherp op dat dat voor mensen van allerlei kleur en ras zo blijft. Denkt u alleen maar aan de steeds weer oplaaiende discussies rond Zwarte Piet.
Laten we niet te gauw zeggen dat er in de wereld geen liefde is. Wat dacht u van de wijkverpleging? Van het ziekenhuispersoneel? Van politiemensen, brandweerlieden en ambulancebroeders? Heel veel van die mensen doen hun werk met veel liefde. Alleen maar: die liefde is maar al te vaak een genegenheid die een menselijke oorsprong heeft. Velen vinden dat God niet al te veel met hun werk te maken heeft. Die liefde houdt bovendien bij de dood op. Want daarna is er voor die mensen het zwarte gat. Het doodstille niets. De zinloze leegte.
Welnu – in Numeri 21 zien we iets van Gods liefde. De Schepper van hemel en aarde heeft Zijn reizende volk gezond en in beweging gehouden. Als dat geen reden is om de lof op God te zingen! Dat gebeurt in Numeri 21 dan ook.

In Numeri 21 wordt nog uitgezien naar de eerste komst van Jezus Christus.
Reizende mensen lopen her en der butsen en deuken op. Maar de profeet Maleachi zegt om hoofdstuk 4: “Maar voor u die Mijn Naam vreest, zal de Zon der ​gerechtigheid​ opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn; en u zult naar buiten gaan en dartelen als kalveren uit de stal”[7].
De Israëlieten weten het zeker: er komt een moment dat het doel, het nieuwe vaderland, bereikt is. Dat zal me een feest worden!

Gods kinderen zijn ook vandaag op reis.
Ook wij zijn onderweg naar het beloofde land.
Paulus schrijft er in Philippenzen 3 over: “Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere ​Jezus​ ​Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen”[8].
Wij zien uit naar de tweede komst van Jezus Christus.
En wij weten: Hij komt ons te Zijner tijd tegemoet. En dan… dan is het tijd voor de grootste ombuigingsoperatie, de grootste renovatie aller tijden! Dan komt – om met Efeziërs 1 te spreken – de tijd dat wij begrijpen “wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn ​erfenis​ in de ​heiligen”[9].

Zo reizen we verder.
Dag na dag, week na week…
Laten wij onderwijl maar biddend instemmen met de zonen van Korach in Psalm 84:
“O God, ons schild, wil met ons gaan,
Zie uw gezalfde gunstig aan.
Wij reizen naar uw stad, o Koning.
Eén dag is in uw huis mij meer
dan duizend zonder U, o HEER”[10].

Noten:
[1] Numeri 21:16 en 17.
[2] Numeri 20:1-22:1.
[3] Numeri 21:10-15.
[4] Psalm 87:4-7.
[5] Openbaring 21:6.
[6] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1510.pdf .
[7] Maleachi 4:2.
[8] Philippenzen 3:20.
[9] Efeziërs 1:18.
[10] Psalm 84:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).

6 oktober 2016

Therapeut en troubleshooter?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag de dag wordt van dominees veelal verwacht dat zij inspirerende leiders zijn[1].
Het vreemde is daarbij dat predikanten lijken te leven bij de gratie van de tegenstelling.
Het is namelijk van tweeën één:
* zij zijn Woordverkondigers of ze zijn zingevers.
* zij zijn predikers of ze zijn halve psychologen
* zij zijn redenaars of praktische probleemoplossers.

Laten wij dat merkwaardige contrast maar snel vergeten.
Want de Woordverkondiging vindt plaats met het oog op het dagelijkse leven. Die Woordverkondiging bewijst, als het goed is, haar nut in de praktijk van alledag.

Dat maakt Gods Woord trouwens ook duidelijk.

Neem nu Psalm 16.
Ik lees daar:
“O HERE, mijn erfdeel en mijn beker,
Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees.
De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven,
ja, mijn erfdeel bekoort mij”[2].
Als ik mij niet vergis, zijn wij geneigd om dat voor onszelf te expliceren in de richting van onze toekomst. Wij zijn “erfgenaam van het eeuwige leven” . Zo staat dat immers in Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus[3].
Ziehier, ons erfdeel.

Dat woord ‘erfdeel’ heeft in Israël een bijzondere klank.
Dat woord heeft met name betrekking op de verdeling van het Kanaän.
Ter illustratie citeer ik een paar verzen uit Numeri 26: “En de HERE sprak tot Mozes: Onder dezen (de stammen van Israël) zal het land ten erfdeel worden verdeeld naar het aantal namen; is dit groot, dan zult gij het erfdeel groot maken, en is dit klein, dan zult gij het erfdeel klein maken; overeenkomstig de getelden zal aan ieder zijn erfdeel gegeven worden. Evenwel zal het land door het lot verdeeld worden; naar de namen van de stammen hunner vaderen zullen zij het erven; naar het lot zal ieders erfdeel toegewezen worden, naar gelang van groter of kleiner aantal”[4].
Als Israëlieten spreken over hun erfdeel, dan praten zij onder meer over levensonderhoud. Het erfdeel heeft dus alles van doen met de situatie van alledag.
Als David zegt: “O HERE, mijn erfdeel en mijn beker” is dat eigenlijk een geloofsbelijdenis. Laat ik het zo uitdrukken: de Here is het belangrijkste voedsel van zijn leven. De Here zorgt ook voor hem. In de keiharde realiteit van alledag is Hij Davids Beschermer.

In die bescherming gaat de Here heel ver.
De dimensies van die protectie kan David niet overzien.
De Here gaat met heel Zijn kinderschaar verder. Tot Pinksteren. En nog verder: tot vandaag toe.
In Handelingen 2 citeert Petrus in zijn Pinksterpreek een paar verzen uit Psalm 16. En hij verklaart erbij: “Daar hij (David) nu een profeet was (…) heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus”[5].
Kortom: David is een profeet die zelf niet wist hoe weids zijn uitzicht is.

Petrus past Oudtestamentische woorden toe in de actualiteit van de Pinksterdag.
En hij leert ons: u mag Bijbelwoorden gerust toepassen in uw eigen leven.
Natuurlijk is het daarbij een eerste vereiste dat Schriftwoorden niet uit hun verband worden gerukt.
Maar zeg nooit: de Bijbel is een ouderwets boek. Of: de Bijbel past niet in mijn leven.
Want zegt u nu zelf: soms weten we zelf niet eens hoe groots ons perspectief is.

Tegenwoordig moeten dominees uit arren moede lid worden van een gymnastiekvereniging.
En ze worden welhaast gedwongen om iedere dag een spagaat te oefenen:
* zij zijn preker of manager
* zij zijn verkondiger of pastor
* zij zijn kanselredenaar of zielknijper
Wee de dominee die zich op zulk een wijze in een hoek laat drukken.
Want Gods Woord staat midden in de wereld. De Bijbel is het hoofdbestanddeel van het dagelijks leven der gelovigen.

De Here roept gewone mensen om het Woord van God aan de gemeente te verkondigen.
Zuiver. Onverkort.
In het openbaar. En bij de gelovigen thuis.
Als predikanten en gemeenteleden die heilige dienst werkelijk serieus nemen, kan dat gezwets over de predikant als therapeut worden beëindigd.
Dan kunnen die dominees tenminste weer gewoon aan het werk.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 10 oktober 2007.
[2] Psalm 16:5 en 6.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 23, antwoord 59.
[4] Numeri 26:52-56.
[5] Handelingen 2:30 en 31.

5 juni 2014

Dankbaar, biddend en verwachtend

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het is mooi om te leven in het Verbond.
We hebben te maken met de trouwe God die ons, door het leven heen, naar Zijn toekomst leidt.
De Here wil ons onze zonden om Christus’ wil vergeven.
De hemelse God geeft ons weer energie om in Zijn dienst te staan.
Het is prachtig om dat alles te doordenken.

Vandaag wil ik mijn gedachten ordenen rond woorden uit Romeinen 11. Het zijn deze: “Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat:
De Verlosser zal uit Sion komen,
Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.
En dit is mijn verbond met hen,
wanneer Ik hun zonden wegneem.
Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil”[1].

De Schepper van hemel en aarde heeft te maken met een volk dat voortdurend tegen Zijn wet in gaat. Gods kinderen spreken Hem voortdurend tegen. Steeds weer zoeken zij nieuwe wegen om een beetje ‘om God heen’ te leven.
Steeds weer is het ’t zelfde liedje. Je zou zeggen: Gods geduld raakt een keer op.
Maar in Romeinen 11 maakt de schrijver, dat is Paulus, duidelijk dat de Here Zijn verbondsvolk nooit verstoten zal[2].

Het volk Israël is gestruikeld.
Waarover?
Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots: Christus.
Daarom is Israël in overtreding. Ze hebben een ernstige misstap begaan door de Messias af te wijzen.
Israël blijft vasthouden aan werken der wet. Eenvoudig gezegd: als zij zich maar aan de wet van Mozes houden, dan denken zij wel in de hemel te komen.
Geloven in de Here Jezus? Nee, dat ziet Israël niet zitten…
Zij zijn, om zo te zeggen, in het verleden blijven hangen. Ze zijn niet met hun tijd mee gegaan. Het nieuwe verbond, met Christus Jezus, kennen zij niet. En zij willen het ook niet kennen.

Een deel van Israël zal zich verharden, schrijft Paulus.
Daarom komt er ruimte om het Evangelie aan de heidenen te verkondigen. Heidenen in alle delen van de wereld. Ook in Nederland.
Het wachten is nu op het moment dat alle door God uitgekozen mensen verzameld zijn.
Het is de kwestie van Mattheüs 24: “En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden. En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn”[3].

Een deel van Israël zal zich verharden[4].
Een uitlegger schrijft: “Takken worden weggebroken om andere takken in te enten. Nu gaan heidenen binnenstromen om de lege plaatsen in te nemen (…) Paulus zegt (…) niet dat de heidenen ‘toetreden’ (NBV) maar dat zij ‘ingaan’ (SV). (…) Israël loopt aan de ene kant leeg door eigen ongeloof en loopt aan de andere kant vol vanuit de volken”[5].

De volheid der heidenen komt binnen.
Het Griekse woord plèroma vertalen wij hier met volheid. In Marcus 2 staat datzelfde Griekse woord: “Niemand naait een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk, anders scheurt de ingezette lap er iets af – het nieuwe van het oude – en de scheur wordt erger”[6]. Een lap op een kapot kledingstuk wordt dus ook een plèroma genoemd.
En nu begrijpen we wat er Romeinen 11 beschreven wordt. Israël wordt weer heel. Israël wordt weer gaaf. De schade wordt gerepareerd.
De heidenen moeten maar ijverig voor het verharde deel van Israël bidden!

Heeft dat gebed wel zin, eigenlijk?
Toch wel.
Paulus haalt een paar woorden aan uit Jesaja 59.
Uit dat hoofdstuk citeer ik: “En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam des HEREN vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem des HEREN voortgezweept. Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN. En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid”[7].
Uit die woorden kunnen we afleiden dat er echt nog perspectief voor Israël is. “Ook een verhard Israël kan in Gods ontferming en op zijn tijd vermurwd worden”[8].

Leven in het verbond. Hoe doen we dat?
Dat doen we
* dankbaar; ook wij zijn ingeënt in Israël.
* biddend; misschien worden er nog velen bekeerd tot Christus Jezus – ja ook Joden
* verwachtend; Gods volk wordt weer vlekkeloos en puntgaaf.

Ingeënt in Israël: dat betekent dat we leven vanuit Gods Woord, in Christus Jezus.
Voortdurend gaan wij naar dat Woord terug; terug naar de Heiland.
Dat Woord zegt alles. Onze Here Jezus Christus heeft gezag. Dat gezag moet onaangetast blijven.
Daar moeten wij bijzonder zorgvuldig in zijn. Door Gods genade is onze positie volledig veranderd. Wij werden getransformeerd, van heidenen naar christenen. Als de hemelse God Zijn genade zo demonstratief toont, dan gaan we heel oplettend met Hem wandelen!

Het is geen luxe om dat laatste vandaag de dag te accentueren.
In een bijlage van het Reformatorisch Dagblad schreef dr. Wim Fieret onlangs een essay over het feit dat het gezag van de Bijbel onder reformatorische jongeren niet langer vanzelfsprekend is. “Bij het maken van belangrijke keuzes spelen wereldse waarden zoals vrijheid en geluk vaak een doorslaggevende rol. Het leven als keuzebiografie”.
Fieret schreef: “Voor veel mensen is de Bijbel niet meer het boek dat onbetwist de rangorde aanvoert. Het is een van de bronnen geworden waaraan men waarde toekent”.
En:
“Uit onderzoek onder leerlingen van reformatorische scholen blijkt dat het absolute gezag van de Bijbel afneemt. Hij staat nog wel hoog in de rangorde, maar voor delen van het leven is het gezag niet meer vanzelfsprekend”.
Huwelijk en seksualiteit: dat is zo’n terrein van het leven waarop dat gezag gemakkelijk ondergraven wordt.
“Tijdens gesprekken zeggen jongeren die het niet of maar gedeeltelijk eens zijn met die Bijbelse regel dat ze de norm kennen en dat hij gebaseerd is op de Bijbel. Maar ze passen de Bijbelse boodschap aan hun eigen visie aan. ‘Ja, dat is wel zo, maar als je al een paar jaar verkering hebt en je weet dat je voor elkaar gaat, dan ligt het toch wel anders. Ik denk dat het dan wel mag’.
Wat valt er in deze manier van redeneren op? In de eerste plaats dat het absolute gezag van de Bijbel voor dat deel van het leven niet meer geldt. Vervolgens dat die jongeren hun gedrag niet aanpassen aan de Bijbel, maar net andersom. De boodschap van de Bijbel wordt aangepast aan wat men acceptabel vindt. Daardoor is er geen of weinig spanning in het geweten”.
Fieret schreef ook:
“Geluk is voor de ene mens iets anders dan voor de andere. Waar de ene mens zich gelukkig voelt als hij samen met zijn vrouw en kinderen in harmonie mag leven, kan een ander zo’n leven ervaren als een beperking van zijn individuele vrijheid. Die subjectieve, individuele invulling van de nieuwe waarden gecombineerd met het ‘binnenwereldse’ kenmerk daarvan, heeft tot gevolg dat de Bijbel, die als bron van de ‘andere kant’ tot ons komt, aan gezag inboet.
Mijn persoonlijke doelen voor het leven stel ik zelf. Die laat ik me niet voorschrijven door wie dan ook. Hetzelfde geldt dan ook voor mijn moraal. Die sluit namelijk aan bij mijn persoonlijke doelen. Natuurlijk zijn er morele kaders die voor iedereen gelden, zoals respect en medemenselijkheid”.
En:
“Als het eigen zelf de bron van inspiratie wordt voor de vulling van het leven, ontstaat er een andere identiteit dan wanneer de Bijbel van doorslaggevende betekenis is. De (sociale) media spelen daarbij ook een rol. Je kunt daar diverse identiteiten aannemen”.
Verder:
“Voor veel mensen ontbreekt houvast, een vast ankerpunt. Deze ontwikkeling gaat reformatorische jongeren niet voorbij. Uit het lectoraatsonderzoek blijkt dat voor ongeveer 25 procent van de respondenten de Bijbel gezag heeft voor vrijwel het hele dagelijkse leven. Bij de overige 75 procent is dat minder vanzelfsprekend. Dat wil overigens niet zeggen dat de Bijbel voor die driekwart geen gezag heeft”[9].

Laten wij ons realiseren dat het belang van het eigen ik in feite tegenover ‘leven in het verbond’ staat. Ook anno Domini 2014.
Wij zijn ingeënt in Gods verbond, want wij zijn door Hem uitgekozen. Onze persoonlijke keuze zou ons niet bij God hebben gebracht.
Wie persoonlijke ontplooiing als uitgangspunt neemt, krijgt niet zelden last van keuzestress. Wie het verbond met God als ankerpunt heeft weet wat hem gelukkig maakt.
Wie zelf naar God toe lopen wil weet dat hij zomaar verdwalen kan. Wie in het verbond leeft, mag beseffen dat de schuld der zonde van hem afgewenteld is!

Noten:
[1] Romeinen 11:25-29.
[2] Over Romeinen 11 schreef ik ook in mijn artikel “Romeinen 11: heel Israël behouden”, hier gepubliceerd op woensdag 25 januari 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/01/25/heel-israel-behouden/ .
[3] Mattheüs 24:11-14.
[4] In het onderstaande gebruik ik: Dr. Jakob van Bruggen, “Romeinen: christenen tussen stad en synagoge”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, © 2006. – 2e dr. – p. 171-174.
[5] Van Bruggen, p. 171.
[6] Marcus 2:21.
[7] Jesaja 59:19-21.
[8] Van Bruggen, p. 174.
[9] Wim Fieret, “Baas over eigen leven”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 31 mei 2014, p. 6 en 7. Ook te vinden op www.digibron.nl .

22 oktober 2012

Schitterende garanties

De Bijbel begint met een sobere mededeling: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”[1].
Die inzet van het Woord van God is niet sprookjesachtig. Van een romantische sfeer is geen sprake. Niemand zegt: ‘er was eens…’, of: ‘het was donker, stikdonker’, of: ‘in de duistere nacht twinkelde, ergens in de verte, een lichtje’. Romantiek is ver te zoeken.
De sfeer is bijna zakelijk.

Dat laatste dringt wellicht nog wat béter tot ons door als wij de noot lezen die we tegenkomen in de Nieuwe Bijbelvertaling-2004. Daar staat: “Ook mogelijk is de vertaling: ‘In het begin toen God de hemel en de aarde schiep […] zei God: …”.
Bijna terloops wordt het gezegd: God is de Maker en Ontwerper van de hemel en van de aarde.
Daar wordt niet over heen- en weergepraat.
Lange betogen zijn niet nodig.
God schiep de aarde: zo is dat. En waaróm is dat zo? De Here kondigt af: omdat Ik het zeg.

Er zijn geleerden die over Genesis 1 de zogenaamde hiaat-theorie hebben opgezet[2]. De eerste die er in 1814 mee kwam, was de leidinggevende Schotse theoloog Thomas Chalmers. Enkele geologen van zijn tijd beweerden al dat de aarde veel ouder was dan volgens Genesis het geval is. Om daaraan tegemoet te komen bedacht Chalmers de hiaat-theorie. Er zit, zei Chalmers, een gat tussen het eerste en het tweede vers van het eerste Bijbelhoofdstuk. In Genesis 1:3 krijgt de scheppingsweek een nieuwe start.
Maar waarom staat in Exodus 20:11 dan: “in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt”? Dát vertelde Chalmers er niet bij.

Er bestaan heel wat door mensen bedachte theorieën over de oorsprong van de mens[3]. Ik noem er twee.
*De evolutietheorie. Daarin wordt aangenomen dat zo’n zeventig miljoen jaar de eerste aanzet werd gegeven tot de ontwikkeling van de mens. Maar het steekt niet op een miljoentje: het kan ook wat meer of wat minder zijn.
*De cultische theorie. Aanhangers van die redenering gaan er van uit dat de aarde gesticht is door supermensen uit verre ruimten in het heelal. Mensen die dat geloven, zeggen: er bestaan zóveel overleveringen over een schepping buiten de aarde, dat daar wel iets van waar moet zijn.

Wat zullen wij van al die dingen zeggen?

Een Duitse hoogleraar technische wetenschappen, Werner Gitt, heeft ooit beleden: “De complexiteit van de wereld is zo groot, dat men wel moet veronderstellen dat er een intelligente Schepper is. Dat kan alleen de scheppende God van de Bijbel zijn”[4]. De meeste wetenschappers staan echter achter de evolutietheorie. Met dat feit geconfronteerd zijnde, sprak Gitt: “… waarheid kan niet gevonden worden door besluiten van een meerderheid. Waarheid is waarheid, wat de meerderheid er ook van vindt”. Dat was duidelijk. En het was moedig. Héél moedig.
Ook wij mogen ons eenvoudig houden aan de belijdenis van Hebreeën 11: “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare”[5].

Wie de bovenstaande tekst uit Hebreeën 11 leest, krijgt – naar het mij voorkomt – een goed zicht op doel en zin van de schepping. De schepping bestaat vanwege het Woord van God.
En daarmee is impliciet ook een kérndoel van de schepping gegeven. De schepping bestaat om de grootheid van de Here te tonen. Wij mogen, om zo te zeggen, de grote Meester bewonderen. De schepping demonstreert dagelijks de almacht van de hemelse God.
Het Woord van God houdt ons verre van het denken in stukjes en fragmentjes.
Ik wijs op Deuteronomium 6: “Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!”. En op Hebreeën 1: “Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap”[6].
De Here is geen God van onderdeeltjes en segmentjes. Hij is, om zo te zeggen, een Man uit één stuk. Hij is één.
De Here is geen God van een periode, van een mensenleven, of van een eeuw. Hij is ééuwig.

De Here wil dat Hij en Zijn kinderen voor altijd weer op één lijn komen te zitten.
En dat zal gebeuren óók.
Kijkt u maar in Romeinen 6. Gods kinderen geloven dat zij met Christus zullen leven. Voor eeuwig. Net zoals dat bij Christus het geval is: de dood heeft geen vat meer op Hem. In Romeinen 6 staat het zó: “Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus”[7].
Leest u ook maar mee in 1 Johannes 3: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen”[8].

De Here zet Zich er Persoonlijk voor in dat er schepselen zullen zijn die Hem in alle tijden prijzen.
Hij kiest een volk uit dat Hij voor altijd lief zal hebben. Er zal een natie zijn die voor immer mag rekenen op Zijn genade, op Zijn Verbondstrouw.
Zo garandeert de Here Zelf dat de lof op Zijn naam en Zijn werk er altijd zal zijn. En in Zijn genade schakelt Hij daarbij een grote schare van door Hem uitgekozen mensen in.
Met het kiezen van kinderen en het formeren van een volk is Hij in Genesis reeds begonnen. Zijn genade laat Hij al in het begin van de wereldgeschiedenis zien. In het eerste Bijbelboek lezen we over het ontstaan van het volk Israël. Met de vorming van dat volk zet de Here een stap op weg naar de totstandkoming van Zijn kerk.
Gaandeweg wordt steeds duidelijker de antithese zichtbaar: de tegenstelling tussen Gods kinderen en de wereld. Met die tegenstelling hebben wij in 2012 nog altijd te maken.

Het is een nuchtere mededeling aan het begin van de Bijbel: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.
Daar blijft het niet bij.
Want de Here gaat verder. Hij maakt een nieuw begin. Hij voert Zijn plan uit. Hij maakt Zijn werk af.
Er komt een tijd dat al Gods kinderen Hem in Zijn paleis zullen aanbidden en eren. Alle dienaren van God, uit alle tijden en plaatsen, zullen Hem recht in de ogen kunnen kijken. De ganse paleisbevolking heeft dan een etiket op. Een hemelse benaming. Een heerlijke titel. Op dat etiket staat: ‘gekocht door Jezus Christus; eigendom van God’.
Openbaring 22 beschrijft die nieuwe start als volgt: “En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren. En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden”[9].

Het is een onopgesmukte mededeling: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.
Dat heerlijke begin krijgt een door de Verbondsgod gearrangeerd vervolg met compleet nieuwe dimensies: dat is de verwachting die ware christenen hebben. In die verwachting leven zij. Zij leven toe naar een nieuwe start: een hemelleven dat nimmer eindigt.

Het is belangrijk om, ook anno Domini 2012, die verwachting levend te houden.

Het vorenstaande noteer ik mede in verband met een uitlating van mr. J.P.H. Donner.
U moet weten: onlangs is een nieuwe Christelijke Dogmatiek verschenen[10]. Afgelopen donderdag, 18 oktober, vond de presentatie van dat boek plaats. Bij die gelegenheid zei de heer Donner, momenteel vicepresident van de Raad van State, volgens het Reformatorisch Dagblad onder meer: “We moeten ons realiseren dat we in een omgeving leven waarin men het niet zozeer oneens is met de kerk, maar die gewoon niet relevant meer vindt. Zelfs de vraag naar het waarom van het lijden lijkt minder te spelen. Van de overheid wordt verwacht om als de nieuwe voorzienigheid te voorzien in het geluk waar we zogenaamd recht op hebben”[11].
De kerk moet, zo meent de heer Donner, aan de wereld laten zien dat vanuit het geloof goede antwoorden te geven zijn op alle levensvragen.
Het Nederlands Dagblad vatte de zienswijze van de ‘onderkoning van Nederland’ aldus samen: “De rijkdom van de kerk lijkt haar in de weg te zitten om uit te zoeken – een simpele maar niet eenvoudige opdracht – met welke vragen postmoderne mensen zitten. Die mensen verlangen volgens Donner een simpele boodschap die beantwoordt aan hun diepste behoeften. Maar ze weten niet eens dat het christelijk geloof antwoorden heeft, en zien de overheid als hun nieuwe Voorzienigheid”[12].
Het moge duidelijk zijn: de kerk heeft, ook vandaag, een veelomvattende taak!

“In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.
In die eerste zin van de Bijbel ligt, goed beschouwd, bijzondere nadruk op de activiteit van God.
De kerk mag het Evangelie van Gods dynamische werk uitbazuinen.
De kerk mag het luidkeels afkondigen: er komt een nieuw begin.
De Here zet fenomenale ontwikkelingen in gang.
Hoe dat precies gaat, kunnen wij, mensen uit de eenentwintigste eeuw met een relatief klein denkraam, niet exact uitleggen. Maar één ding is volkomen zeker: wie bij Hém begint, wint. Ware gelovigen is heerlijk leven en eeuwig geluk beschoren.

“In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.
Laten wij het ons maar realiseren: in het verleden behaalde resultaten bieden schitterende garanties voor de toekomst!

Noten:
[1] Genesis 1:1.
[2] Zie hierover http://home.kpn.nl/genesis/Deel3/faq_hiaat.htm .
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://home.kpn.nl/fm-ter-horst/De%20Schepping.htm .
[4] Zie over Werner Gitt http://creation.com/dr-werner-gitt .
[5] Hebreeën 11:3.
[6] Achtereenvolgens citeer ik Deuteronomium 6:4 en Hebreeën 1:8.
[7] Romeinen 6:8-11.
[8] 1 Johannes 3:2.
[9] Openbaring 22:1-5.
[10] De gegevens van dat boek zijn: G. van den Brink en C. van der Kooi, “Christelijke dogmatiek: eigentijdse doordenking van een eeuwenoude geloofstraditie”. – Zoetermeer: Boekencentrum Uitgevers, 2012. – 720 p.
[11] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/christelijke_dogmatiek_gepresenteerd_1_684295 .
[12] Zie: “Donner: rijkdom kerk zit in de weg”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 19 oktober 2012, p. 2.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.