gereformeerd leven in nederland

14 mei 2021

Voortbouwen op het bestaande fundament

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Er zijn tijden geweest dat men in de kerk vaak sprak over ’doorgaande reformatie‘. Dat betekent: in alle situaties van het leven funderen wij onze keuzes en beslissingen op Gods Woord.
Het is goed om dat begrip weer eens naar voren te halen1.

Reformeren heeft iets van een zoektocht.
Wat vraagt de Here van ons?
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H. Knoop (1891-1974) schreef eens: wij moeten terug naar de Schrift. Hij formuleerde dat indertijd als volgt: “… de reformatie der kerk roept tegelijkertijd en onmiddellijk om de reformatie van heel het leven. Haar consequenties moeten onderzocht, en zoo ze gevonden zijn, ook aanvaard en toegepast worden. Zeker, niet altijd is het ons direct duidelijk waar er, noch ook in welk opzicht er in de samenlevingsverbanden van Woordverlating, en dus van deformatie, sprake is. Daar zijn allerlei oorzaken voor, die ik nu niet bespreken kan. In elk geval staat dit wel vast dat we, om dat te kunnen zien, altijd weer en altijd meer terug moeten naar de Schrift. Zonder ophouden hebben wij ons geloovig-biddend in haar te verdiepen. Wie dat geloovig en biddend doet, die krijgt, naar Gods beloften, te doen met het wonder der Schrift. En dat wonder der Schrift is, dat er dan poorten opengestooten worden, waardoor we licht hebben en al meer licht verkrijgen. Want dan opent zich Gods Woord. En de opening van Gods Woord geeft licht. En dat wonder der Schrift is, dat dan de dingen transparant, doorzichtig worden, zoodat hun werkelijkheid zich aan ons ontsluit. Maar dan leeren we ook zien den weg, dien we hebben te gaan”2.

Waar moeten we dus de antwoorden zoeken op de vragen waarmee dit artikel begint? Antwoord: in Gods Woord. Er is één gulden regel. Die luidt: als wij in Gods Woord studeren ontvangen wij meer duidelijkheid over de wereld om ons heen en over onze eigen manier van doen.
Er worden grote lijnen zichtbaar.
Wij ontdekken waar het naar toe moet met ons leven.

Een belangrijk kenmerk van doorgaande reformatie is dat de kennis van de historie van kerk en wereld wordt verbonden met de actualiteit van de dag.
In een herdenkingsboek over de Vrijmaking schreef prof. dr. J. Kamphuis (1921-2011) eens: “…tegelijk leefde sterk het bewustzijn dat met de gereformeerde theologen van vroeger tijd en van de vorige eeuw niet het laatste woord was gezegd. Er kwamen nieuwe vraagstellingen in een nieuwe tijd. Vraagstellingen, die serieus genomen moesten worden en waarbij men niet meer uitkwam met vroegere arbeid. Daarvan werden ook, juist in het kader van nieuwe vraagstellingen, zwakke plekken zichtbaar“.
Er mag en moet antwoord gegeven worden op de vragen die wij voelen opkomen als we vandaag de kranten lezen. Er is reactie nodig op de zaken die heden ten dage in de samenleving spelen.
Daar is durf voor nodig. Gevraagd: mensen met lef!
Natuurlijk, telkens als wij in actie komen worden er ook fouten gemaakt. Misschien taxeren wij sommige dingen geheel verkeerd. Dat kan best gebeuren. Echter, dergelijke gebreken moeten ons niet mistroostig maken. Wij gaan toch altijd weer terug naar de Bijbel? A. Janse (1890-1960), eertijds een bekend publicist in de Gereformeerde wereld die in het dagelijks leven hoofdonderwijzer was in het Zeeuwse Biggekerke, noemde dat “reformatorisch wederkeerend spreken“3.
In onze vraagstellingen krijgt de Heilige Schrift het eerste en het laatste woord.

Daarom moeten we, als wij nadenken over doorgaande reformatie, ook niet het idee koesteren dat er iets nieuws gaat gebeuren.
Er wordt slechts voortgebouwd op zaken die in het verleden reeds werden opgebouwd.
Laat het duidelijk wezen: met doorgaande reformatie is er niets nieuws onder de zon. Het is gewoon Gereformeerd.

Nu het over deze dingen gaat, mogen wij elkaar wijzen op woorden uit Deuteronomium 30: “Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen“4.
Gods kinderen worden talrijk gemaakt, zei Mozes. Wellicht hebben wij thans de neiging om te protesteren: jaja, hoezo talrijk? Is de kerk feitelijk niet heel klein, momenteel? Hoeveel Gereformeerden zijn er eigenlijk nog in Nederland?
Ach – laten wij maar niet te klein denken van Gods werk. Hij is wereldwijd actief. Wij kunnen niet overzien waar Zijn Geest nijvere arbeid verricht. De Hebreeënschrijver formuleert zelfs onbekommerd: “En zoals het voor de mensen beschikt is dat zij eenmaal moeten sterven en dat daarna het oordeel volgt, zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid“5. Er zijn blijkbaar heel wat mensen die Hem verwachten! De Heiland redt ontelbaar veel mensen!

Mozes zegt in Deuteronomium 30 meer. Bijvoorbeeld dit: “De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult“6. Met andere woorden: het is de Here God Zélf die Zijn Woord zorgzaam in onze harten legt. Hij geeft ons een hart dat voor Hem open staat. Hij geeft ons een luisterend oor.

In Deuteronomium 30 wordt ook duidelijk dat het een kwestie van leven of dood is. De Here zegt tegen mensen die Hij uitverkoren heeft, dat ze echt een keuze moeten maken: “Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht…“7.
Onze God geeft grote verantwoordelijkheden aan Zijn kinderen.
“Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u“, proclameert Mozes. Dat betekent ten diepste: de hele schepping kijkt toe hoe de kerk leeft. Jan en alleman kijkt toe om te zien hoe Gods kinderen kiezen, en wat dat dan voor gevolgen heeft.
Vandaag lijkt er op dat punt weinig te zijn veranderd. Gereformeerde mensen zijn er weinig meer. Maar er wordt nog steeds naar hen gekeken. Ach ja – als die Gereformeerden zo strikt willen leven, vooruit dan maar. Maar ja, wat kun je er nou mee? En we zien het de mensen bijna denken: heeft het nog wel zin om zo rechtlijnig Gereformeerd te doen?
Zeker, dat heeft zin.
Want Christus is gekomen. Hij heeft voor ons aan het kruis geleden.
De Here God heeft ons Zijn Woord gegeven. En Hij zegt ook op vrijdag 14 mei 2021: mensen, kies het leven!

Vroeger waren er de profeten en de Oudtestamentische middelaars.
Vandaag zijn er ambtsdragers die tot taak hebben om het Woord uit te leggen en in de huizen tot gelding te brengen.
En we mogen elkaar verder helpen, het leven in.
Het is, wat dit betreft, van belang om Openbaring 2 scherp voor ogen te houden: “Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat“8.

De beloften die in dat Schriftgedeelte worden gedaan zijn nog altijd geldig.
Zelfs voor ootmoedige gelovigen in kleine kerkjes in de lage landen bij de zee.

Noten:
1 Dit artikel is gebaseerd op (het laatste deel van) de lezing ’Van reformatie tot overwinning‘. De lezing werd door mij te Emmen gehouden op vrijdag 19 september 2008.
2 Ds. H. Knoop, “Om den voortgang der Reformatie”; openingsartikel in het Maandblad van de Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag, jaargang 1, oktober 1946. Opgenomen in: “Er staat geschreven… er is geschied – jubileumbundel van de Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag, uitgegeven ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Bond”, © 1986. – p. 10.
3 J. Kamphuis, “Voortgaande reformatie”. In: D. Deddens en M. te Velde (red.), “Vrijmaking – Wederkeer; vijftig jaar Vrijmaking in beeld gebracht 1944-1994”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1994. – p. 117-127. Citaten van p. 121.
4 Deuteronomium 30:5 b.
5 Hebreeën 9:27 en 28.
6 Deuteronomium 30:6.
7 Deuteronomium 30:19.
8 Openbaring 2:7.

28 mei 2019

Kerk en kerkverband genegeerd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Er komt een nieuw verbond. Van achtendertig kerken protestantse kerken in Nederland namelijk. Zij vinden elkaar in Jezus Christus.

Het Nederlands Dagblad meldt: “De ondertekening van de ‘Verklaring van Verbondenheid’ gebeurt woensdag tijdens de slotzitting van de Nationale Synode in de Grote Kerk in Dordrecht.
Tot de kerken die tekenen behoren de Protestantse Kerk in Nederland, de drie kleinere gereformeerde kerken en verder baptisten, evangelische en pinksterkerken, remonstranten en migrantenkerken. Grote afwezigen vormen reformatorische kerken, zoals de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk. Binnen het verbond beloven de 38 kerken en geloofsgemeenschappen elkaar de komende vijf jaar te erkennen en te helpen, van elkaar te leren en samen te getuigen naar de samenleving”.
En:
“Christenen die er woensdag in Dor­drecht bij zijn, mogen op persoonlijke titel de Verklaring van Verbondenheid ondertekenen, in een apart register. Op die manier verwacht de stuurgroep persoonlijke steun uit kerken die officieel niet meedoen”[1].

Dat klinkt prachtig.
Niettemin is het niet allemaal rozengeur en maneschijn.
Want: “…aan de institutionele vorming van één protestantse koepelkerk zijn de meeste kerken nog echt niet toe”.
En:
“Het moet niet alleen gaan over persoonlijk geloof, maar ook over de bereidheid om je eigen kerkelijke traditie te willen opgeven”.
En dat ligt niet zo makkelijk. De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee T. Dijkema zegt: “‘De weidse perspectieven en mooie dromen over één kerk, dat is op dit moment niet realistisch. Al vind ik wel dat je die droom moet hebben. Als we elkaar de komende vijf jaar geregeld ontmoeten en aan de basis het geloofsgesprek voeren, vind ik dat al heel wat’.”[2].

In een samenleving die bijkans geheel geseculariseerd is, mogen we blij zijn dat de naam van Jezus Christus nog beleden wordt.

Maar moeten wij juichend achter de dranghekken staan?
De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Corinthe: “Maar ik roep u ertoe op, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen eensgezind bent in uw spreken, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen”[3].
En aan Gods kinderen in Philippi schrijft hij: “…maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen”[4].
Dat noteert de apostel in brieven aan mensen die, respectievelijk in Corinthe en in Philippi, in één kerk zitten!
Het is wel erg makkelijk om daar overheen te lezen.

Die achtendertig kerkgenootschappen zeggen: “onze eenheid gaat boven organisatorische of institutionele eenheid uit. Tegelijk roept deze eenheid in Christus ons op om zo veel mogelijk concreet onze verbondenheid vorm te geven”.
Dat kunnen we lezen als: we zitten niet in één kerk, maar eigenlijk moet dat wel. Men zegt: we zitten in een proces, dat komt allemaal wel goed.
Wat schrijver dezes betreft klinkt dat niet erg overtuigend.

Kerkelijk samenleven – dat kan men karakteriseren als ‘saamhorigheid’.
De Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar J. Kamphuis (1921-2011) schreef in verband daarmee eens: “Nu heeft het werkwoord ‘horen’, dat in het zelfstandig naamwoord ‘saamhorigheid’ zit de betekenis van: be-horen. Maar het bij elkaar be-horen, de saamhorigheid, moet nu ook uitkomen in het feit, dat de kerken sámen willen horen en sámen willen gehoorzaam zijn, zoals het daar ook op gegrond is. Iedere gemeente, één voor één, moet willen horen naar evangelische vertroosting en vermaan, maar omdat we allen samen door één Woord geroepen zijn, moet aan het samen horen ons ook veel gelegen zijn, opdat de saamhorigheid geen farce, geen lege vertoning zal worden.
Daarom zien wij bij de apostel Paulus, dat hij juist tegenover de kerk van Korinthe, die de saamhorigheid in een valse vrijheidswaan zo gauw vergat, aparte nadruk op de noodzaak van het samen horen legt en daarvan zelfs een drangreden maakt om de gemeente aldaar haar vrijheid te doen beleven in heuse gemeenschap met de zusterkerken”[5].

Niet voor niets schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 4: “Ik roep u er dus toe op: word mijn navolgers. Daarom heb ik Timotheüs naar u toe gestuurd, die mijn geliefde en trouwe zoon is in de Heere. Hij zal u in herinnering brengen mijn wegen, die in ​Christus​ zijn, zoals ik overal in elke gemeente onderwijs[6].
Een paar hoofdstukken verder, in hoofdstuk 7, schrijft hij: “Maar zoals God aan ieder heeft toebedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, zó moet hij wandelen. En zo schrijf ik het in alle gemeenten voor[7].
En in hoofdstuk 14 zet de Godsgezant de zaak echt op scherp: “Of is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?[8].
Vanaf het begin van de Nieuwtestamentische kerk doet het kerkverband er wel degelijk toe!

Achtendertig kerken protestantse kerken in Nederland sluiten een verdrag. Zij zijn verdragzaam, pardon: verdraagzaam. Oftewel: over de bandbreedte doen zij niet kinderachtig.
Even zo goed schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 11: “Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen”[9].
Het kerkverbond wordt prominent op het schouwtoneel gezet; het kerkverband wordt zachtkens in de vrieskist gelegd.
Afwijkingen in de leer worden in het protestantse verbond weggemoffeld.
Van Paulus leren we: dat is nadrukkelijk niet de bedoeling!

Achtendertig genootschappen die zich als kerk presenteren gaan samenwerken en samen getuigen. Samen voelen zij zich sterk.
Maar wij kunnen niet zondermeer zeggen dat dit alles tot eer van de Heer in de hemel is. Zeker niet.

Noten:
[1] Protestants ‘verbond’ voor eenheid van 38 kerken”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 mei 2019, p. 1.
[2] “Tien jaar Nationale Synode: zoeken naar tastbare eenheid”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 mei 2019, p. 6 en 7.
[3] 1 Corinthiërs 1:10.
[4] Philippenzen 2:2.
[5] Geciteerd uit: J. Kamphuis, “Verkenningen III: Opstellen over Kerk en Kerkrecht”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1966. – p. 123 en 124.
[6] 1 Corinthiërs 4:16 en 17.
[7] 1 Corinthiërs 7:17.
[8] 1 Corinthiërs 14:36.
[9] 1 Corinthiërs 11:19.

13 juli 2018

Permanente troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Want alle vlees is als gras en al de heerlijkheid van de mens is als een bloem in het gras. Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is”.

Hierboven staan woorden uit 1 Petrus 1[1].

Het kost u, mag ik aannemen, weinig moeite om u daar iets bij voor te stellen. Sterke mensen worden zo maar zwak. Leidinggevende figuren worden soms in korte tijd afhankelijke types. Bijvoorbeeld omdat hun lichamelijke krachten afnemen. Of omdat zij dementeren.
Maar het Woord van God is nimmer aan slijtage onderhevig!

Vandaag vestig ik graag uw en mijn aandacht op de manier waarop deze woorden ons kunnen troosten.

Wat is 1 Petrus eigenlijk voor een brief?
Een internetencyclopedie leert ons: “De eerste brief van Petrus (vaak kortweg 1 Petrus genoemd) behoort tot de algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Traditioneel wordt aangenomen dat de brief rond 60 na Christus werd geschreven door de apostel Petrus vanuit Rome. Anderen dateren de brief later; zij beschouwen de inhoud niet zozeer als een weerspiegeling van het begin van de vroegchristelijke traditie, maar veelmeer als verdere uitwerking ervan en menen dat hij geschreven is aan het einde van de eerste of het begin van de tweede eeuw”[2].
Hoe dat zij: het is dus al een heel oud geschrift.

En wat gebeurt er in de woorden waarmee dit artikel begint?
De boodschap is daar: kijk vooral niet naar mensen. Voordat je ’t weet zijn zij oud en verzwakt. Lees daarentegen maar veel in de Bijbel. De inhoud daarvan is altijd toepasbaar in de wereld waarin jij leeft. Gods Woord is oud, maar altijd modern.

In de kerk moet altijd de Bijbel open[3].
En één ding is zeker: de kerk is er altijd.

In de Heidelbergse Catechismus belijden wij “dat de Zoon van God uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt”.
Kerkmensen spreken, ieder voor zich, onomwonden uit “dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven”[4].
Ziet u dat? Of u nu op de aarde leeft, of in de hemel – een kerkmens blijft u altijd.

Met de Nederlandse Geloofsbelijdenis komen we er rond voor uit dat “deze kerk er is geweest vanaf het begin van de wereld en er zal zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[5].

Nee, dat is geen grootspraak.
Want onze Heiland heeft in Mattheüs 16 over Zijn gemeente zelf gezegd: “…en de ​poorten​ van de hel zullen haar niet overweldigen”[6].

Die woorden uit 1 Petrus 1 zeggen iets over kerkgeschiedenis.
Wie onsympathiek wil doen, kan natuurlijk zeggen: bestudering van de geschiedenis van de kerk heeft, op de keper beschouwd, niet zo heel veel zin. Immers: Gereformeerde wetenschappers komen toch altijd op hetzelfde punt uit. En trouwens: zijn bovenbedoelde wetenschappers niet vooral zelfbevestigend bezig? Zo van: zie je wel, wij hebben gelijk? Oftewel: wij zitten goed, dat dachten wij al…
Wie zo denkt gaat de verkeerde kant op.
Want de vragen moeten wezen:
* op welke manier heeft Jezus Christus aan Zijn kerk gewerkt?
* en wat kunnen wij daar vandaag van leren?

Als wij naar het doen en laten van de kerk kijken, zien wij weinig luisterrijks.
Ach, ik wijs slechts op 2 Samuël 11. Dat is dat hoofdstuk waarin wij lezen over de gemene manier waarop koning David zorgt dat Uria de dood vindt, zodat David er zelf met de weduwe, Bathseba, vandoor kan gaan.
Wie de kerkgeschiedenis bestudeert, oefent zichzelf in bescheidenheid. Als het goed is, tenminste.

Wij leven in een tijd waarin de Nederlandse kerkgeschiedenis niet al te overzichtelijk is. Zeker in orthodox-Gereformeerd Nederland hangt de zaak, om het zo maar te zeggen, met een heleboel dunne draadjes aan elkaar.

En toch is er hoop.
Want Gods Woord wordt altijd verkondigd, zolang de wereld bestaat.
Kinderen van God mogen in gebed gaan. Paulus deed dat vroeger ook. Hij deed dat – in de woorden van Efeziërs 3 – “opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle ​heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en u de ​liefde​ van ​Christus​ zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God”[7].
Laten wij maar niet teveel kijken naar de mensen in de kerk.

Laten we ons maar concentreren op de Heiland.
Een Gereformeerde theoloog zei over onze Redder eens: “Christus kocht zich door zijn lijden en sterven aan het kruis zijn kerk tegen de prijs van zijn bloed. Zo is Hij onze Eigenaar geworden. Van ons persoonlijk. En van de gemeenschap der heiligen. Eigenaar van die gemeente, die niet een ongrijpbare, nevelachtige grootheid is, maar van die gemeente zoals ze op de eerste nieuwtestamentische pinksterdag bijeen was in Jeruzalem en zoals zij bijeenkwamen in Antiochië en in Alexandrië, en later weer in Genève en in Dordrecht, in Ulrum en in Amsterdam en zoals ze nóg bijeenkomt”[8].

Zo wordt de stemming in de kerk op slag een stuk beter. Want zij weet: wij genieten speciale bescherming van de machtigste Man in hemel en op aarde

Zo wordt de kerk getroost.
Zo kan de kerk verder. Zelfs in 2018.

Noten:
[1] 1 Petrus 1:24 en 25.
[2] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_brief_van_Petrus ; geraadpleegd op vrijdag 29 juni 2018.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer: J. Kamphuis, “Een uitgemaakte zaak; een keuze uit de artikelen van Prof. J. Kamphuis aangeboden bij zijn afscheid als hoogleraar door het Studentencorps Fides Quadrat Intellectum”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1987. – p. 7-13. Uit die publicatie gebruik ik een toespraak die J. Kamphuis hield op een Schooldag in 1974.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[6] Mattheüs 16:18 b.
[7] Efeziërs 3:18 en 19.
[8] Dit zijn woorden van professor dr. J. Kamphuis. In: “Een uitgemaakte zaak”, p. 13.

16 maart 2018

In alle geslachten

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

De God van het verbond werkt door alle geslachten heen.
Paulus wijst daar in het slot van Efeziërs 3 op: “Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij ​bidden​ of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, Hem zij de heerlijkheid in de ​gemeente, door ​Christus​ ​Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. ​Amen”[1].

Een exegeet tekent hierbij aan: “Met ‘tot alle geslachten (of generaties) van de eeuw der eeuwen’ duidt Paulus de eeuwigheid aan, die enerzijds voor de gelovigen al is begonnen, maar anderzijds pas ten volle aanbreekt bij de komst van Christus. De gestapelde verwoording illustreert hoe oneindig die eeuwigheid duurt. Zo komt God tot in de oneindige eeuwigheid alle lof, eer en verheerlijking toe”[2].

De vraag zou kunnen rijzen: maakt de weblogschrijver het vandaag niet wat al te bont?
Immers, er zijn in onze tijd soms hele geslachten die het geloof vaarwel zeggen. En als zij dat niet doen, resideren zij niet zelden in alle kerken en sekten. Het geloof van hun vaderen vertalen zij naar vandaag. En vervolgens zwerven zij, kerkelijk gezien, overal en nergens.
Zelfs bij de meest orthodoxe kerken horen we van scheuringen.

In alle geslachten – is dat eigenlijk wel realiteit?

Niet zo lang geleden kwam ik een verslag tegen van de feestavond die gehouden werd ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van professor J. Kamphuis[3].
De professor zei daar: “’Grootvader sprak ons over de dagen der Afscheiding en vader vertelde over de vereniging van 1892. Hij wees op de noodzaak dat de kerken gereformeerd zouden blijven’. ‘Ik heb veel aan mijn vader gehad, vooral ook in de eerste jaren van het professoraat’, aldus prof. Kamphuis, die de Heere openlijk dankte voor de godvruchtige opvoeding van zijn vader en zijn moeder, ‘die ons de dienst des Heeren onderwezen hebben en die ons als kinderen geleerd hebben de kerk lief te krijgen’. ‘Moeder liet het ons zien hoe goed het is als het hart brandt voor de HEERE en Zijn dienst’. ‘Daar kom ik vandaan. Van de weelde der schepping (de bloemen) en de weelde van de herschepping (liefde tot de kerk). Zó is de weg naar de gemeenten gegaan’, aldus de jubilaris. Spreker uitte er zijn dankbaarheid over dat zijn moeder en zijn schoonmoeder aanwezig konden zijn”.

Dat verslag bepaalt ons bij de waarde van gelovige ouders en grootouders.
Natuurlijk, genade is geen erfgoed. Maar ouders en grootouders kunnen het geloof wel vóór-leven. Dat is een belangrijke taak in hun leven. Meer kunnen zij niet doen. Meer hoeven zij ook niet te doen.
Want daarna komt het aan op de keuzes die de kinderen maken.
Het komt aan op de manier waarop zij, alle dagen van hun leven, met de Verbondsgod optrekken.
Het komt eropaan hoe zij over het geloof spreken.

Met het oog op dat laatste geef ik graag nog eens het woord aan professor Kamphuis, via dat krantenverslag.
“Wat heeft me het meest bewogen, het meest voortgestuwd? Het is vertolkt in de naam van de kerk te Spakenburg: Maran-atha. Die naam drukt de troost uit dat de zonden gewassen zijn door het bloed van Christus. Het is alles in den Christus geweest. Hij die komt. De Heere komt! Heere kom! Hij komt door Ferwerd en Hallum, door Bunschoten-Spakenburg en door Rotterdam-Delfshaven heen tot Zijn heerlijkheid. Dat is geen stichtelijkheid (…) neen: Hij komt! Hij is bezig te komen. Hij de Christus van de Schriften is nog in Nederland. Jongeling en Verbrugh zeggen het in de Tweede Kamer, dat Zijn troon op sterren Is gesticht. Ze kunnen dat zeggen omdat ze het in de kerk hebben gehoord. Gereformeerde politiek wordt in de kerk geleerd, omdat Christus, Zijn evangelie, de bron is waaruit de volkeren kunnen putten. Het is een kracht gereformeerd te zijn. De Heere komt, Maranatha! Dat verdiept de blijdschap. Het is niets mooiers dan wat het oude psalmvers zegt over hetgeen kind en knecht mogen zijn:
‘Och HEER, ik ben, o ja, ik ben Uw knecht,
Uw dienstmaagd’s zoon. Gij slaaktet mijne banden,
dies doe ik U gewillig offerande van lof en dank,
U plechtig toegezeid’.
En dan ook de verzen 10 en 11 van psalm 116:
‘Ik zal met vreugd in ’t huis des HEEREN gaan’
en:
‘Ik zal Uw naam, met dankerkentenis verheffen’”.

Nogmaals stel ik die vraag die ik hierboven reeds neerzette.
In alle geslachten – is dat eigenlijk wel realiteit?

Misschien zijn we geneigd om te zeggen: nee, de werkelijkheid is anders. Het komt mij echter voor dat wij die neiging maar snel moeten onderdrukken. Onze twijfels en vragen komen voort uit onze kortzichtigheid. De wereldwijde kerk is voor ons niet te overzien. Het werk van onze Heiland is, hier op aarde, voor ons niet te omvatten.

Op dit punt citeer ik met instemming dr. J.J.C. Dee die, in verband met onze kijk op de kerk, eens wees op het onderwijs van K.Schilder. Ik citeer: “Na de normen van Artikel 29 genoemd te hebben, wijst Schilder op het gebruik van de werkwoorden die gebruikt worden, namelijk ’gebruiken’ en ’handhaven’. ’Het moet ons niet ontgaan, dat hier een gewoonte, een regel wordt geëist en niet een incidenteel voldoen aan deze normen. Bovendien moet dit een kerkelijke regel zijn.’ Tenslotte maakt Schilder duidelijk, dat de kenmerken van de kerk, waarover Artikel 29 spreekt, niet losgemaakt mogen worden van hetgeen in Artikel 27 en 28 over de kerk gezegd wordt. ’Men mag de ’kenmerken’ der kerk (statische gegevenheden, zodra ze geïsoleerd zouden zijn) niet isoleren van de levende, presente, actuele, uit de hemel tot de aarde komende, dagelijks zich vernieuwende dynamische daad van de verhoogde Christus”[4].

De verhoogde Christus gaat door met Zijn werk.
Hoe Hij dat precies doet, is voor ons niet altijd duidelijk.
Maar we mogen geloven dat Hij nog altijd werkt. Dat heeft Hij toch in heel de wereldgeschiedenis gedaan? Nou dan!

Nee, de precieze oorzaak van afval en secularisatie zal ik in dit korte artikel niet omschrijven.
Maar ik weet wel: “Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus , gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe”[5].
In die belijdenis moeten wij volharden!

Laten wij dit alles maar rustig in Gods handen leggen. Want wij overzien de wereld niet. Kortzichtigheid is een overheersend kenmerk van ons leven.

Wij doen er goed aan om, desnoods tegen de verdrukking in, in te stemmen met de woorden van Psalm 40:
“Ik breng de blijde boodschap van uw recht
aan al wie U zijn toegedaan,
dat zij uw wonderen verstaan
in ’t woord dat Gij mij op de lippen legt”[6].
Ons geloofsgetuigenis is uiterst belangrijk!

Eén ding nog.
Het is schrijver dezes bekend dat niet zo lang geleden iemand zich afvroeg: zou er in De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) wel gelachen worden?
Mijn antwoord is – naar ik hoop – kort doch duidelijk: jazeker, Gereformeerden zijn blijmoedige mensen; en dat is ook vaak te zien!

Dit artikel eindigt daarom zoals het begonnen is.
“Hem zij de heerlijkheid in de ​gemeente, door ​Christus​ ​Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. ​Amen”.

Noten:
[1] Efeziërs 3:20 en 21.
[2] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Efeziërs 3:21.
[3] “Ambtsjubileum prof. J. Kamphuis herdacht”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 13 maart 1973, p. 2. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[4] Dr. J.J.C. Dee, “K. Schilder – oecumenicus; K. Schilder over het ‘kerkelijk vraagstuk’. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1995. – citaat van p. 131.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[6] Psalm 40:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

1 december 2016

Geheiligde gemeente

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Kerklid zijn: dat is voor Gereformeerde mensen de gewoonste zaak van de wereld[1]. Daar is, voor ons gevoel althans, niets aparts aan.
Dat gevoel is echter zeer bedrieglijk.
In Exodus 19 zegt de Here immers reeds tegen de Israëlieten: “En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk”[2] .
Ook in het Nieuwe Testament wordt de noodzaak van die heiligheid benadrukt. Denkt u maar aan 1 Petrus 1: “… gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig”[3].

Dat weten wij wel.
Maar de ernst van die woorden blijft boven de markt hangen. We zijn geneigd om de zaak zo nuchter mogelijk te bekijken. We blijven maar gewone mensen, nietwaar?
En er overkomt ons niets van als we een beetje minder heilig zijn. De wereld draait er wel om door.

Welnu, in de Heilige Schrift wordt ons dat anders geleerd.

Ik wijs, nu het hierom gaat, eerst op Jozua 6 en 7. Daar lees ik over de verovering van Jericho. En ook over de misdaad van Achan.

Jozua heeft afgekondigd: “Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de HERE gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen. Gij echter, neemt u in acht voor het gebannene, opdat gij niet, terwijl gij met de ban slaat, van het gebannene neemt en de legerplaats van Israël onder de ban brengt en in het ongeluk stort. Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de HERE heilig zijn: het zal bij de schat des HEREN komen”[4].

Achan houdt zich daar echter niet aan. Bij hem is het leven sterker dan de leer. Hij eigent zichzelf een mooie mantel toe, en zilver en goud.

Die misdaad heeft grote gevolgen.
De Israëlieten lijden bij Ai een gevoelige nederlaag.
Achan, heel zijn familie, al zijn huisraad en de gestolen goederen – alles wat maar enigszins aan de misdaad herinnert – wordt weggedaan.
Achan wordt gestenigd. Alles en iedereen wordt verbrand.
Uitgeroeid.
Compleet van de wereld af.
Verschrikkelijk is dat!

Er blijft een hoop stenen liggen: een stille getuige van het drama dat zich op de executieplaats voltrokken heeft.

We zijn wellicht geneigd om te zeggen: nu ja, zo gaat dat in het oude verbond.
In het nieuwe verbond gaat het allemaal niet meer zo ruig toe.
Daar is het wat beschaafder.
Maar dat moeten wij maar niet te hard zeggen.

In de Handelingen der apostelen komen wij in hoofdstuk 5 Ananias en Saffira tegen[5].
Zij maken deel uit van een mooie gemeente. De leden hebben alles gemeenschappelijk, de apostelen houden prachtige preken en de diaconie heeft geen geldgebrek.
Het mooiste voorbeeld van die vrijgevigheid is wel de bijdrage van Jozef uit Cyprus: hij brengt de opbrengst van een verkochte akker bij de apostelen. Hij genoot al een goede reputatie. Hij heeft namelijk de bijnaam Barnabas gekregen; ‘zoon der vertroosting’ betekent dat[6].
Ananias en Saffira denken blijkbaar: dat kunnen wij ook wel.
Maar uiteindelijk valt hun vrijgevigheid erg tegen. Ananias brengt een deel van de opbrengst van de verkoop van zijn akker bij de apostelen. Dat is mooi. Maar hij doet het voorkomen dat dat de hele opbrengst is.
Hoe Petrus weet dat Ananias en Saffira met geld sjoemelen weten we niet.
Wel weten we hoe het afloopt.
Als Ananias volhoudt dat hij het hele verkoopbedrag bij de apostelen heeft gebracht, wordt hij onmiddellijk gestraft. Hij valt dood neer. Zijn vrouw ondergaat als medeplichtige het zelfde lot.

Het is een historie die buitengewoon merkwaardige trekken heeft.
Blijkbaar vindt er een gemeentevergadering plaats. En tijdens die bijeenkomst overlijdt er een gemeentelid. Zeer plotseling. Je zou toch zeggen dat er, gezien de omstandigheden, alle reden is om de vergadering op een later tijdstip voort te zetten. Maar daar lees ik niets over. Het lijkt erop dat de vergadering gewoon wordt voortgezet.
Drie uur later overlijdt er nog een gemeentelid, uit hetzelfde gezin notabene. Dat is toch tragisch?
Het is ronduit schokkend.
Goed beschouwd is het geen wonder dat heel veel mensen van de gebeurtenissen onder de indruk zijn. Er staat: “En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden”[7].

Jozua 7 en Handelingen 5 beschrijven gebeurtenissen waarvan wij wellicht zeggen: nou ja, het is wel erg; maar er zijn veel ernstiger zonden.

Want uiteindelijk willen wij allemaal graag handig zijn met geld.
Wij zijn blij met onze mooie huizen.
Als u een koophuis hebt, is het prettig als u de verkoopprijzen van huizen ziet stijgen; dat is mijn spaarpot, zegt u dan.
Een mooie auto voor de deur is meegenomen.
Een tweede huis? Of een caravan? Graag natuurlijk.
En als u zulke grote aankopen doet, dan wilt u graag een beetje handig zijn. Het moet wel zakelijk blijven, roepen wij in koor.
Maar dat is het punt ook niet.
Want zowel in Jozua 7 als in Handelingen 5 is de heiligheid van de gemeente in het geding. De kerk is niet meer helemaal aan de Here gewijd. In de gemeente zijn de mensen ook een beetje belangrijk geworden. Denkt men. In de kerk spreekt niet alles meer van Hem.
En dat neemt de Here niet.
Hij is er boos over.
Toornig.
Die heiligheid van de kerk is een zaak van het oude verbond. Maar in het nieuwe verbond is die zaak nog net zo actueel.

Een echt heilige gemeente, dat is prachtig.
Maar als we dat afzetten tegen de situatie van vandaag dan sijpelt het enthousiasme al gauw weg. Sterker nog, de geestdrift is al snel bijkans geheel verdwenen.
Want hoe heilig zijn we eigenlijk? Hoe Godgewijd zijn wij zelf?

Ach, u weet hoe dat gaat. We grenzen keurig af: dat doen we wel, en dat doen we niet. Want onze agenda is blauw van de activiteiten. U en ik moeten in deze wereld goed voor onszelf zorgen. Want anders gaan we er met z’n allen onder door. En dat kan toch niet de bedoeling wezen?
Intussen weten we het best: afgrenzen is noodzakelijk; maar we schieten te kort. Wat wij hier op aarde presteren is verre van volmaakt. Het is stukwerk, zei men vroeger. Het is maar een klein stukje van al datgene dat er eigenlijk komen moet.

Dat is de waarheid. En dat erkennen we volmondig.
Het is de keiharde werkelijkheid.
Als het op ons zelf aan komt, dan wordt het niks met deze wereld.

Als u het mij vraagt, brengen deze Schriftgedeelten ons dicht bij Advent en Kerst.
Ze brengen ons tot het besef dat de komst van onze Here Jezus Christus de enige is waar Gods kinderen het van kunnen verwachten.
Laat ik het met Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus mogen zeggen: “De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen uit het vlees en bloed van de maagd Maria, om het ware zaad van David te zijn, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde”[8]. Zonder zonde: dat is de crux.
Met andere woorden: de heiligheid van de gemeente hangt niet van ons zelf af. Wij zijn heilig in Christus. Wij rusten in Zijn werk.

Nu het hierom gaat, wil ik u ook graag wijzen op woorden van de Gereformeerd-vrijgemaakte professor doctor J. Kamphuis (1921-2011).
Over de heiligheid van de gemeente schreef hij onder meer dit: “Men kán op een doperse wijze de heiligheid van de gemeente misverstaan. Dan wordt die heiligheid een kwaliteit, een hoedanigheid van de gemeente van de wedergeborenen die ze als het ware als hun eigen bezit moeten verdedigen tegenover de aanslagen van buiten. Dan wordt de tucht een middel van zélfverdediging. Dan verwordt de tucht tot het instrument, waarmee de geestelijke élite zich afgezonderd houdt. Juist wanneer wij ook in deze tijd het pleit willen én moeten voeren voor de kerkelijke tucht, dan zullen we voor dit misverstand, voor deze corruptie van de tucht op onze hoede zijn: er is een scherpe antithese tussen de doperse ‘ban’ én de gereformeerde tucht. Het is een tegenstelling in de aard van die beide. Het is ook een tegenstelling die zich in de praktijk steeds weer laat merken. We zullen dus altijd weer de Schrift zelf moeten gebruiken als de lamp die ons ook voorlicht op het pad van de tucht en bij het licht waarvan we kunnen zien door het geloof, wat het betekent dat de gemeente heilig is en heeft te zijn”.
En:
“De gemeente is heilig, niet uit zichzelf, maar uit kracht van het Verbond van God. Zij is ‘gemeente des HEREN’”[9].

Het wordt nog wel eens wat met de kerk.
Het is al heel veel met de kerk.
En het wordt nog veel mooier.
Denkt u maar aan Openbaring 21: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw”[10].
Dat restauratieproces zal worden voltooid.
Want Hij laat niet varen wat Zijn hand begon.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 4 december 2007.
[2] Exodus 19:6.
[3] 1 Petrus 1:15 en 16.
[4] Jozua 6:17, 18 en 19.
[5] Handelingen 5:1-11.
[6] Zie Handelingen 4:32-37.
[7] Handelingen 5:11.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 14, antwoord 35.
[9] J. Kamphuis, “Om de heiligheid van de gemeente”. – Kampen: Copiëerinrichting van den Berg, 1982. – Citaat van p. 31 en 32. Ook te vinden via www.kerkrecht.nl ; geraadpleegd op vrijdag 18 november 2016.
[10] Openbaring 21:5 a.

9 mei 2016

Vroom vooruitzicht?

In ‘De Wekker’ – orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken – schrijft dominee P.L.D. Visser dat het goed zou zijn als er een nota “CGK 2034” kwam.

“Ds. Visser noemt zijn bijdrage een ‘vingeroefening’: ‘CGK 2034, met een knipoog naar 1834, het jaar van de Afscheiding’. Hij stemt in met de analyse in de PKN-nota dat de kerken zich in een overgangstijd bevinden, met als kenmerken een seculiere samenleving, individuele keuze, netwerksamenleving, digitale revolutie en globalisering.
Ds. Visser werpt de vraag op welke zaken voor de CGK van belang zijn richting het jaar 2034. Hij constateert dat mensen zich niet meer langdurig binden aan een instituut en de nadruk leggen op individuele keuzes. ‘Ik zie hier een spanning optreden: in de kerkelijke vergaderingen is het eigene van de CGK bepalend, terwijl dat eigene op het grondvlak weinig gewicht in de schaal legt’.
Ds. Visser pleit voor een CGK-nota die een richting wijst voor de kerken om Christus te volgen in deze eeuw. ‘Een richting die katholiek is, reformatorisch, missionair, trouw aan het verbond en met aandacht voor hedendaagse vormen van catechetische toerusting voor groot en klein’”[1].

Katholiek, dat betekent: algemeen, over heel de wereld.

Wat is de betekenis van het woord ‘reformatorisch’?
“Iemand formuleerde als centrale uitgangspunten voor de reformatorische wereld:
* “De mens is zondig en heeft verzoening nodig
* Verzoening krijg je door geloof in Jezus Christus
* Dit geloof is een gave van God, 100% genade
* De wereld is het gebied van satan: mijding”.
Maar dat woord ‘reformatorisch’ heeft ook iets vaags. Er zijn heel bevindelijke mensen, maar ook mensen die wat verder van die bevindelijkheid af staan. Het kerkbesef is bij reformatorischen vaak niet al te groot.
Reformatorisch: dat is feitelijk een containerbegrip. Het is een paraplu waar van alles onder staat[2].

Dat woord ‘missionair’ is een tijd lang heel erg in geweest.
Een protestantse theoloog zei eens: “In deze tijd van neergang is er voor gemeenten alle reden na te denken over wat het betekent getuige van Jezus te zijn. Kerken hebben de roeping wegen te vinden om het getuigenis te vernieuwen.
Daarom verbind ik het thema van kerksluiting ook uitdrukkelijk met de missionaire opdracht van de kerk. Je moet niet wachten tot het moment dat de laatste het licht uitdoet.
Al in een vroeg stadium, als de financiële middelen teruglopen en het potentieel aan leidinggevenden minder wordt, moet je als kerk nadenken over je toekomst. De opheffing van een kerk biedt missionaire kansen”.
Het getuigenis moet dus vernieuwd worden.
Het klinkt een beetje flauw, maar daar is weinig nieuws aan. Want in Ezechiël 18 kunnen wij lezen: “Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls?”[3].
Vernieuwing heeft alles te maken met bekering.
Moderne bewoordingen zijn natuurlijk toegestaan. Maar de kwestie is dat wij, om zo te zeggen, met ons gezicht naar God toe gaan staan. Ons leven moet aan Hem toegewijd wezen.
Wanneer zijn wij werkelijk missionair? Antwoord: als wij een heilig volk zijn[4]!

Dominee Visser spreekt over ‘trouw aan het verbond’.
Die uitdrukking brengt ons bij Jozua 24. Jozua zegt daar: “Welnu, vreest dan de Here en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient de Here. Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen!”[5]. Jozua roept dus op tot een keuze. En hij doet in het openbaar geloofsbelijdenis. Dat is wat de Here van ons vraagt, ook vandaag.
Die uitdrukking brengt ons ook bij 1 Samuël 12. In dat hoofdstuk staan de woorden waarmee de richter en profeet Samuël afscheid neemt van het volk Israël: ” …De Here zal zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn grote naam. De Here heeft immers verkozen u tot zijn volk te maken. Wat mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen de Here zou zondigen door op te houden voor u te bidden; ik zal u de goede en rechte weg leren. Vreest slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart, want ziet, welke grote dingen Hij onder u gedaan heeft. Maar indien gij toch kwaad doet, zult gij zowel als uw koning weggevaagd worden”[6]. Samuël maakt duidelijk dat de Here trouw is. En ook dat het gebed een uitgelezen manier is om in nauw contact met God te blijven. Dan wordt de levensweg niet kronkelig, hoeveel hobbels er ook in de weg blijken te zitten. Het is belangrijk, zegt Samuël, om de historie te kennen; enige kennis van de kerkgeschiedenis is zeker geen luxe. En als u kwaad doet? Dan blijft er niets van u over! Wellicht denken wij dat het, anno Domini 2016, zo’n vaart niet lopen zal. Maar de Bijbel leert ons van alles over de antithese: de kloof tussen kerk en wereld. Het is dus zaak om attent te zijn.
Het gaat, kort samenvattend, om
* de keuze voor God, omdat Hij ons eerst uitverkoren heeft
* het openbaar belijden van Gods trouw
* het blijven bidden
* het doorzien van de kerkgeschiedenis
* ons permanente vertrouwen op de presentie en werkzaamheid van God.

Dat alles moet ook aan de jeugd worden doorgegeven. In de catechisatielessen. En tijdens verenigingsavonden.
En ja, dat mag gewoon in hedendaags Nederlands.

Tenslotte nog dit.
Dominee Visser knipoogt naar 1834. Dat vind ik heel goed.
Als de dominee en wij allen dan maar beseffen dat daarmee de tegenstellingen verscherpt worden.
Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte professor J. Kamphuis die naar aanleiding van de Acte van Afscheiding eens schreef over “een uiterst scherpe antithese (…), die van ‘waar’ òf ‘vals’. Die scherpe tegenstelling is typerend voor de Afscheiding van ’34! We hebben hier niet met een terloopse opmerking te maken. De hele Acte wordt er in feite door beheerst.
Voor velen, die overigens graag hun sympathie voor of ook hun geloofsverbondenheid met de broeders van de Afscheiding betuigen, ligt hier het struikelblok!”[7].

De vingeroefening van de Christelijke Gereformeerde dominee Visser is zeker interessant.
Maar eerlijk gezegd twijfel ik er aan of er in een nota over de CGK richting 2034 veel nieuws zal staan.
En àls er al nieuws in staat, ben ik benieuwd hoe antithetisch dat nieuws zal wezen.

Noten:
[1] “CGK hebben richtingwijzer tot 2034 nodig”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 29 april 2016, p. 1.
[2] Zie mijn artikel ‘Evangelisch-reformatorisch’; hier gepubliceerd op woensdag 27 juni 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/06/27/evangelisch-reformatorisch/ .
[3] Ezechiël 18:31.
[4] Zie mijn artikel ‘Bekering of missionaire bombarie?’; hier gepubliceerd op donderdag 22 september 2011. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/09/22/bekering-of-missionaire-bombarie/ .
[5] Jozua 24:14 en 15.
[6] 1 Samuël 12:22-25.
[7] D. Deddens en J. Kamphuis (red.), “Afscheiding-Wederkeer; Opstellen over de Afscheiding van 1834”. – Haarlem: Vijlbrief, 1984. – derde druk. – p. 96. De cursiveringen zijn van professor Kamphuis zelf.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.