gereformeerd leven in nederland

5 december 2016

De vrouw in het ambt?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Over de plaats van de vrouw in de kerk wordt de laatste jaren veel geschreven. Er wordt gediscussieerd over de vrouw in het ambt. De plek die zij heeft in de kerk moet, zo lijken velen te menen, sprekend lijken op de plaats van de vrouw in de wereld. Want aan de cultuur moet recht worden gedaan, nietwaar?

Maar wat moeten u en ik dan aanvangen met 1 Timotheüs 2? Ik citeer:
“Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid”[1].

Het woord ‘rustig’ duidt hier op rust van binnenuit. Onderwijs dat gegeven wordt moet met gepaste onderdanigheid worden aanvaard.

Dat een vrouw geen onderwijs mag geven, wil niet zeggen dat zij zich in stilzwijgen moet hullen. Zij mag wel bidden. En zij mag ook profeteren.
Leest u maar mee 1 Corinthiërs 11: “Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen”[2].

Mag een vrouw helemaal niet onderwijzen?
Jawel, zij moet namelijk kinderen opvoeden. De Spreukenleraar zegt: “Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet”[3].
Zij mag andere vrouwen onderwijzen. Paulus schrijft immers in Titus 2: “Oude mannen moeten nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding. Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende”[4].
Privéonderwijs geven mag ook. Dat blijkt uit Handelingen 18: “En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Efeze. Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit”[5]. In dat privéonderwijs heeft blijkbaar ook een vrouw een aandeel.

Maar wat is dan het punt dat Paulus in 1 Timotheüs 2 maken wil?
Dat is dit: een vrouw mag niet gezaghebbend spreken in de gemeente.

Die beperking heeft te maken met de scheppingsvolgorde. Daarnaast ook met het feit dat Eva zich door de slang heeft laten verleiden, en daarna ook haar man heeft overgehaald om te gaan zondigen.
De vrouw is zo geschapen dat zij makkelijker te beïnvloeden is. Dat kan heel positief uitwerken, maar ook heel negatief. Juist die gemakkelijke beïnvloeding maakt een vrouw ongeschikt om in een gemeente leiding te geven.

Is een vrouw daarom minderwaardig? Welnee. Niets is minder waar.
De vrouw heeft een andere hoofdtaak in het aardse leven. Het baren en groot brengen van kinderen is haar eerste taak[6].

Terecht zei dominee J.R. Visser, momenteel predikant binnen de Gereformeerde Kerken Nederland, eens in een preek over 1 Timotheüs 2: “…de Geest laat hier zien dat de vrouw in het algemeen een bijzondere taak heeft in het moeder zijn. Zij baart kinderen. Zij mag in de verzorging en opvoeding van de kinderen dan als moeder een heel bijzondere plaats innemen. Dat is Gods orde. Dat laat ook zien dat het verzorgen en veel tijd doorbrengen met de kinderen een heel belangrijke taak is als de HERE jou kinderen geeft. Dat mag en moet dan ook vorm krijgen in de manier waarop je jouw leven inricht. Laat je dan ook niet meenemen als mensen tegen je zeggen: Ben jij zo vaak thuis voor je kinderen, dat is toch zonde, je doet jezelf tekort. We zien nu in de samenleving wat de negatieve effecten zijn dat moeders, dat ouders zo weinig thuis zijn en kinderen zichzelf moeten redden. Ook hier is Gods gebod goed en genezend ook als dat betekent dat je financieel minder kunt doen. Er zijn heel wat belangrijkere dingen dan geld en wat de wereld jouw ontplooiing noemt”[7].

Men zegt dat jonge carrièrevrouwen tegenwoordig snel leidinggevende functies bereiken.
“Er wordt gesteld dat jongere vrouwen in “de ideale positie” verkeren om het voortouw te nemen als het gaat om leiderschap.
Deze generatie vrouwen brengt als leider andere vaardigheden in een zakelijke omgeving. Ze zouden meer sociaal vertrouwen hebben en behulpzamer, georganiseerder en zorgvuldiger zijn dan hun mannelijke leeftijdsgenoten.
In vergelijking met mannelijke babyboomers zijn deze verschillen nog groter. Zo hebben vrouwen meer ambitie en sociale vaardigheden. Aan de andere kant scoren mannen tussen de vijftig en zeventig jaar, babyboomers, hoger op beslissingen nemen en motiveren”[8].

Dat klinkt allemaal prachtig.
Maar de vraag is: zijn vrouwen opeens tien keer energieker geworden, of leunen de mannen steeds sneller achterover? Oftewel: is er sprake van mannelijke slapte, zodat vrouwen sneller omhoog komen?

Hoe dat zij: ik ken heel veel vrouwen die met liefde moeder zijn, en dat ook heel belangrijk vinden.
Laten we ‘t maar zuiver stellen: Schriftuurlijk bezien is het moederschap de hoofdtaak van de vrouw; als zij gezond is, althans.
En laten we er maar niet omheen draaien: heel veel vrouwen willen liever geen leidinggeven. En dat is heel natuurlijk, heus waar.

De plek die de vrouw heeft in de kerk moet, zo vinden velen, sprekend lijken op de plaats van de vrouw in de wereld.
Op grond van 1 Timotheüs 2 zeg ik: dat is een onjuiste voorstelling van zaken.

Noten:
[1] 1 Timotheüs 2:11-15.
[2] 1 Corinthiërs 11:4, 5 en 6.
[3] Spreuken 1:8.
[4] Titus 2:2 en 3.
[5] Handelingen 18:24, 25 en 26.
[6] In het bovenstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Timotheüs 2:11-15.
[7] Zie http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/products/vrouw-in-alle-ambten-/ ; geraadpleegd op maandag 28 november 2016.
[8] Zie http://www.nu.nl/carriere/3921253/jonge-vrouwen-bereiken-sneller-leidinggevende-functie.html ; geraadpleegd op maandag 28 november 2016.

28 december 2015

Dominee J.R. Visser en Gods navolgers

In het Reformatorisch Dagblad van donderdag 17 december 2015 staat een vraaggesprek met dominee J.R. Visser. “Ds. J.R. Visser zag geen andere mogelijkheid dan GKV verlaten”; aldus luidt de kop[1].

In het bericht is te lezen: “Hij staat bekend als een kritisch volger van de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Ds. Visser, tot begin november predikant in Dronten-Noord, roert zich al jaren in discussies over Schriftgezag, hermeneutiek en verschuivingen in de ethiek. Als representant van een groep behoudende vrijgemaakt gereformeerden wierp hij meer dan eens de vraag op of het nog langer mogelijk is om lid te blijven van de GKV, een veranderende kerk”.

Dominee Visser zegt onder meer: “Kort gezegd komt het erop neer dat in discussies over bijvoorbeeld echtscheiding, de vrouw in het ambt en homorelaties steeds vaker wordt gesteld: op grond van de Bijbel kunnen die dingen niet door de beugel, maar kijkend naar de situatie van nu kan het worden toegelaten, mits je redeneert vanuit de principes van de Bijbel.
Die principes zijn dan bijvoorbeeld zaken als rechtvaardigheid en liefde. Dat zijn natuurlijk op zichzelf goede zaken, maar we moeten ook willen buigen voor het Woord als het ons dingen ge- of verbiedt die juist haaks staan op wat maatschappelijk geaccepteerd wordt in onze geseculariseerde samenleving. Het Evangelie is tegendraads, dat was het al in de tijd van het Nieuwe Testament, en dat is het nog steeds”.

Het komt mij voor dat dominee Visser hier de vinger op een zere plek legt.
In het kerkverband van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wil men nog wel vanuit Gods Woord redeneren. Maar daarbij is bij de voortduur het motto ‘blijf positief’! Zodra het over negatieve dingen gaat, haakt men af. Oordeel, toorn van God, vermaning, tucht: dat zijn woorden en termen die men liefst zo weinig mogelijk gebruikt. En de toepassing ervan is al helemaal een moeizame zaak.

En dat, geachte lezer, is ten diepste een ramp voor de kerk.
Want de zonde is in onze wereld een grote macht. Ook kerkmensen zijn er behept mee. Daar mogen we dus niet aan voorbij kijken. En dat laatste gebeurt in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) steeds vaker. Vanwege die positiviteit. Als we niet positief blijven, kunnen we de boodschap van de kerk ‘niet goed verkopen’.
Onder dat motto worden allerlei dingen goed gepraat die op basis van Gods Woord tuchtwaardig moeten worden geacht.
Als men zich eenmaal op het hellend vlak bevindt, gaat de neergang steeds sneller!

Uit het bericht in het Reformatorisch Dagblad blijkt dat er voor dominee Visser weinig anders op zat dan de GKv te verlaten.
“Het werd moeilijk voor me om te functioneren in de GKV. Ik was al vaker gevraagd door de GKN om een beroep te overwegen, maar had de boot altijd afgehouden. Op het moment dat duidelijk werd dat ik niet in Dronten kon blijven, bleek ook dat een beroep vanuit een andere GKV-gemeente er voorlopig niet in zat. Toen ik opnieuw benaderd werd door de GKN-gemeente in Zwolle, heb ik daarom aangegeven een beroep in overweging te willen nemen. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat ik de overstap heb gemaakt”.

Dat lezende vraag ik mij af of dominee Visser de leden van zijn vorige gemeente heeft opgeroepen om zich van de GKv af te scheiden.
In het Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords lees ik onder meer: “Zij verzorgen deze schapen van Christus door de verkondiging van het Woord, door de bediening van de sacramenten en door de dienst der gebeden. Zo wordt de kudde gevoed en op de rechte weg geleid”.
En:
“In de eerste plaats moeten zij het Woord van God zuiver en onverkort aan hun gemeente verkondigen.
En om niet meer te noemen:
“Zij zullen alle dwalingen en ketterijen met Gods Woord weerleggen, de onvruchtbare werken van de duisternis ontmaskeren en de gemeenteleden oproepen Gods navolgers te zijn en in het licht te wandelen[2].
Ja, ik weet wel dat een oproep tot reformatie in een individualistische tijd soms bijna misplaatst lijkt te zijn. Maar naar mijn inzicht moet een Gereformeerde predikant die oproep wel doen; luidkeels en zonder terughoudendheid!

Wederom citeer ik het Reformatorisch Dagblad.
“De predikant hoopt dat de GKN en de andere afsplitsing van de GKV, De Gereformeerde Kerken hersteld (DGK), op termijn nader tot elkaar komen. ‘Daarnaast gaat in de GKN de aandacht uit naar het opbouwen van een geordend kerkverband. In de begintijd ging de aandacht noodgedwongen vooral uit naar het leiden van de eigen gemeente. Nu er meer predikanten zijn en de gemeenten groeien, ontstaat de mogelijkheid om de zaken ook kerkordelijk beter te regelen. We willen ons wat dat betreft zo veel mogelijk aan de Dordtse Kerkorde houden’”.

Als het hierom gaat, sluit ik mij graag bij dominee Visser aan.
Het is bekend dat De Gereformeerde Kerken (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) juist op het punt van de kerkordelijkheid nogal van elkaar verschillen. Het is heel hard nodig dat DGK en GKN samen optrekken, juist ook om elkaar op dit punt te versterken en – waar nodig – te corrigeren. En nee, dat corrigeren van elkaar is geen schande. We hebben het allemaal nodig om steeds weer op de rechte weg geleid te worden. Laat daarbij dan eerst en vooral Gods Woord open gaan!

Het is niet moeilijk om ons voor te stellen hoe zwaar dominee Visser het in de afgelopen tijd heeft gehad.
En we horen niet zelden van gelovige broeders en zusters die aarzelend op de grens staan. Voor een kerkelijke overgang is moed nodig. Heel veel moed.
Maar het moet helder wezen: die moed wordt door de God van hemel en aarde gegeven. Laten wij bidden dat velen, gedreven door kracht van de God die een verbond met Zijn kinderen sloot, moedige navolgers van God zullen blijven. Laten wij bidden dat nog velen tot het besef komen dat de kerk de werkelijk Gereformeerd is, steeds weer Gereformeerd moet worden.

Noten:
[1] “Ds. J.R. Visser zag geen andere mogelijkheid dan GKV verlaten”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 17 december 2015, p. 2.
[2] “Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords”; Gereformeerd Kerkboek, p. 541-545. Citaten van p. 541 en 542.

14 augustus 2015

Hoogmoed of ootmoed

De Free Reformed Churches of Australia – de zusterkerken van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in Australië – hebben hun relatie met de GKv opgeschort.
Dat betekent:
* attestaties van broeders en zusters afkomstig uit de GKv zullen niet zonder onderzoek worden geaccepteerd.
* predikanten uit de GKv zijn niet langer bevoegd om te preken in de FRCA.
De Australische synode heeft ook verklaard dat “de zusterkerkrelatie van de FRCA met de GKv onhoudbaar zal worden als de volgende synode van de GKv in 2017 geen bewijs van bekering aantoont van de afwijkingen zoals genoemd in de brief van de Synode van Armadale 2012 naar de Synode van Ede 2014”. Dit is, om zo te zeggen, een laatste waarschuwing[1].

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.R. Visser schreef naar aanleiding daarvan een vakantiemijmering.
Hij ziet bij de Australische broeders echte liefde. Hij noteert onder meer: “Je hoeft het niet met alle bezwaren helemaal eens te zijn maar toch zien ze heel goed dat wij in Nederland bezig zijn de Bijbel aan te passen aan de geest van de tijd. Ik zie en voel een diepe liefde bij deze kerken. Ze redeneren niet vanuit de gedachte: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ Nee, ze zijn in liefde bezorgd om de kerken in Nederland waar ze uit voortgekomen zijn. Ze bidden en spreken om ons te laten zien dat het evangelie niet naar de mens is, ook niet de mens van de eenentwintigste eeuw. Ik erger mij er echt aan als mensen dan wat neerbuigend doen over deze kerken. Dat lees je dan ook in het Nederlands Dagblad. Ach die vrije gereformeerden in Australië zijn een wat geïsoleerde groep. Het zijn ook vooral emigranten. Ze zijn nogal dogmatisch en kijken daarom niet meer als mensen van onze tijd naar de situatie. Dit soort gedachten en gevoelens is niets anders dan hoogmoed. Een soort superioriteitsgevoel dat ik haat. Wij zouden het allemaal zo goed weten. Wij in Nederland. Laten we daar toch eens mee ophouden en heel eenvoudig buigen voor wat de HERE, de God van alle tijden ons zegt in Zijn onfeilbare Woord; de Bijbel”.
Dominee Visser is blij met broeders “die met liefde vanuit de liefde voor de HERE en Zijn Woord hun stem verheffen. Laten we dat niet hoogmoedig afdoen maar bij een open Bijbel luisteren. Om te buigen voor de HERE”[2].

Met dominee Visser ben ik het op dit punt van harte eens.

Christenen, en zeker ook Gereformeerden, moeten ervoor oppassen om parmantig te worden. We kunnen niet zonder meer zeggen dat onze uitleg van Gods Woord de juiste is. Bij de uitleg van de Bijbel mogen we er altijd van uitgaan dat de Heilige Schrift zichzelf uitlegt. Dat betekent dus dat we, bij alle argumentatie van ons denken en doen, Gods Woord open moeten leggen.

Wel wordt dapperheid van ons gevraagd. Wij moeten het Evangelie uitdragen. Wij mogen aan het werk gaan, gewoon in de situatie van alledag; met de mogelijkheden die we hebben. Daarbij breng ik graag een woord uit 1 Samuël 16 in herinnering. Het is dit: “Toen antwoordde een van de knechten: Ik heb een zoon van de Betlehemiet Isaï gezien, die spelen kan; en hij is een dapper held, een krijgsman, wel ter tale, schoon van gestalte; en de Here is met hem”[3].
Die knecht spreekt over David.
David is muzikaal. Hij is een moedig man. Hij heeft strategisch inzicht. Hij heeft taalgevoel. Hij ziet er knap uit. Maar eerst en vooral geldt: de Here is met Hem.
Als de God van hemel en aarde Zijn zegen onthoudt, gaat het niet goed met de kerk. Ware gelovigen leven met de Here. Zij wandelen met Hem. Bij iedere stap hebben kinderen van God een Metgezel.
Iedere dag moeten kerkmensen vragen: Here, wilt u met ons wezen?

In kringen van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) wordt ongetwijfeld gezegd: dat gebed uit de vorige zin bidden wij ook regelmatig. Wij willen ook met de Here leven.
Dat wil ik best geloven.
Er is ook niemand die in andermans brein kan kijken. We kunnen niet zien wat er in de harten van anderen leeft.
Maar de Bijbel is er duidelijk over dat er heel wat mensen zijn die voor de schijn de Here dienen.
Zie bijvoorbeeld Jeremia 3: “En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des Heren”[4].
En Mattheüs 23: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt. Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen”[5]. Jezus Christus spreekt hier kerkleiders aan!
En 2 Timotheüs 3: “Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand”[6].
Kerkmensen moeten zich met regelmaat afvragen: dienen we de Here met ons hele hart, of zit er ook veel schijnvroomheid in ons leven?
De GKv krijgen van veel kanten waarschuwingen en aanmaningen. Maar als ik het goed zie, zeggen veel reacties op die alarmsignalen en berispingen niet veel meer dan:
* onze omstandigheden wijken nogal af van die van de rest van de wereld
* dat begrijpt men nu nog niet zo goed, maar uiteindelijk zal het licht doorbreken
* met ons is weinig aan de hand; wij zijn kerken in de westerse wereld van de eenentwintigste eeuw, en dat moet ook.
Zulk een reactie is in onze woelige wereld naïef. En onwelwillend, bovendien.
Het is hoog tijd voor zelfbeproeving. En voor bekering, tevens.

In 1 Johannes 4 kunnen we lezen: “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan”[7].
Elke geest kan op twee manieren geïnspireerd worden: door God of door satan[8].
De kerk staat midden in een antithetische wereld.
Als die tegenstelling vervaagt seculariseert de kerk in snel tempo.

Die antithese wordt in Psalm 11 bezongen.
In die psalm zit een waarschuwing. Maar er is ook troost.
Dat door God gegeven kerklied wil ik tenslotte citeren:
“De HERE toetst rechtvaardigen en bozen.
Hij haat hartgrondig wie geweld bemint.
Met vuur en zwavel treft Hij goddelozen
en zendt als straf een schroeiend hete wind.
Rechtvaardig is de HEER, mijn vast vertrouwen,
die in gerechtigheid zijn vreugde vindt.
Oprechten zullen zijn gelaat aanschouwen”[9].

Noten:
[1] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.werkenaaneenheid.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=1337:wat-heeft-de-australische-synode-precies-besloten-over-schorsing-van-zusterkerkrelatie-met-gkv&catid=94:uit-de-media&Itemid=690 .
[2] Zie http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/products/vakantiemijmering-24-juli-2015/ .
[3] 1 Samuël 16:18.
[4] Jeremia 3:10.
[5] Mattheüs 23:14.
[6] 2 Timotheüs 3:1-5.
[7] 1 Johannes 4:1.
[8] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 1 Johannes 4:1.
[9] Psalm 11:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

16 april 2013

Vervuld van vertrouwen

Waarom bidden wij?
Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus formuleert daar een antwoord op.
Ik citeer:
“Waarmee beëindigt u uw gebed?
Antwoord: Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Dat wil zeggen: dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht. Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”[1].
Wij weten dat de Here almachtig is. Hij houdt alles in de hand. Hij houdt ons op de goede weg.
Nu willen wij niets liever dan de Here eren. Hij leidt ons naar de toekomst met Hem. De kernactiviteit van de kerk is: God loven en prijzen.

Zondag 52 is een zondag die een bede van het Onze Vader behandelt.
Dat gebed bidden we ook wel eens als we alleen zijn. Maar als we dat doen, zullen we altijd moeten bedenken dat dat gebed door heel veel mensen wordt opgezonden. Ónze Vader: de naam zegt het al – dat gebed bidden wij sámen. Dat gebed bidden wij samen met gelovigen uit alle tijden en plaatsen. Dat gebed bidden we ook samen met ware gelovigen van onze tijd. We bidden het in de kerk.
In gezamenlijkheid laten wij blijken dat wij de Gever van alle goeds hélemaal vertrouwen. We geven ons volledig aan Hem over. Dat durven wij best doen. Want wij weten dat alles goed komt.
Wij realiseren ons dat alle mensen in de kerk bij de Here horen. Samen staan we op hetzelfde fundament. En daarom vertrouwen we elkaar ook.

In de kerk, en op het kerkplein vertrouwen wij elkaar.
Als het goed is, tenminste.
Wantrouwen: dat is een woord dat eigenlijk niet in kerkelijke woordenboeken voor behoort te komen. Maar helaas, het staat er wel in.
Hieronder geef ik een voorbeeld van wantrouwen.

Ik ga met u naar de internetpagina gereformeerdblijven.nl.
Daar schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.R. Visser – Rob voor mensen die hem beter kennen – een open brief aan zijn collega W. van der Schee.
Dominee Visser schrijft: “Collega van der Schee heeft op de open brief van mij aan hem op zijn eigen site gereageerd. (…) Op deze reactie hoop ik nu in te gaan. Ik wil wel vooraf een bepaald misverstand wegnemen dat naar aanleiding van zijn reactie kan ontstaan.
Toen ik namelijk zijn reactie op zijn eigen site zag, heb ik daarop gereageerd. Met het verzoek ook deze reactie op zijn site te plaatsen. Collega van der Schee weigerde dit en zag het alleen als een persoonlijke reactie. Wat ik schreef en door hem geweigerd is, vind je hieronder”.
Even verder schrijft Visser aan het adres van Van der Schee:
Het is jammer dat jij niet bereid bent tot een open briefwisseling. Waarbij iedereen met ons kan meelezen. Juist dan kunnen we een gesprek krijgen waarbij duidelijk wordt of we elkaar goed begrijpen en ook corrigeren als duidelijk wordt dat we elkaar verkeerd begrepen hebben. Juist zo´n gesprek is volgens mij in de kerkelijke situatie van nu hard nodig”[2].
Echte communicatie tussen de domini Visser en Van der Schee lijkt, op z’n zachtst gezegd, op dit moment buitengewoon moeizaam. We kunnen zeggen: dominee Van der Schee mijdt het conflict. Of ook: de aangesprokene wil het conflict niet op de spits drijven.
Maar ikzelf kan mij maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat hier ook van wantrouwen sprake is. Van enige argwaan, dus. Van achterdocht, zo u wilt[3].
Dat is volgens mij niet te rijmen met Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus.

Natuurlijk is het niet mijn intentie om een paar Gereformeerd-vrijgemaakte dominees eens flink te kapittelen. Erg veel positieve energie gaat er van zo’n terechtwijzing niet uit.
Bovendien ben ik slechts een buitenstaander. En ik wil me niet mengen in de artikelen van polemiserende predikanten.
Maar als u het mij vraagt is het voor alle ware gelovigen belangrijk om te zien dat wantrouwen een calamiteit voor de kerk is. Met zekere regelmaat krijg ik signalen dat, bijvoorbeeld, ook binnen het kerkverband van De Gereformeerde Kerken (DGK; hersteld) sprake is van enig wantrouwen. En dat, geachte lezer, lijkt mij een ramp voor Gods volk van deze tijd.

Wantrouwen. Argwaan. Achterdocht.
Dat past niet bij Zondag 52, schreef ik al.
Waarom niet?
Wij belijden dat de Here Zijn kinderen bijeen brengt. Altijd weer – door het hele Oude Testament heen – zijn er regeringsleiders en profeten geweest die het volk bijeen riepen. Men verootmoedigde zich. Men bad tot de Here. Men smeekte Hem om genade. En dat deed men gezamenlijk.
Ik vraag: hoe kan men – anno 2013 – samen in Gods troonzaal komen, terwijl men elkaar niet vertrouwt?
U kunt antwoorden: kerkmensen komen bij elkaar om tot God te bidden; maar zij hoeven elkáár niet te vertrouwen.
Dan repliceer ik: dat is een mooi verhaal; maar als God in onze harten werkt staan wij op dezelfde basis. Met andere woorden: kerkmensen zijn, voor wat betreft al hun doen en laten, aanspreekbaar op wat de Here hen in Zijn Woord zegt.

Over Gods Woord gesproken: het eerste Schriftbewijs onder Zondag 52, antwoord 128 is 1 Kronieken 29:10, 11 en 12. Die woorden citeer ik.
“Toen prees David de HERE ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zeide: Geprezen zijt Gij, HERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, o HERE, is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, o HERE, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven. Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles; in uw hand is sterkte en kracht, en Gij hebt het in uw macht een ieder groot en sterk te maken”.
In 1 Kronieken 29 spreekt David de hele gemeente toe. Niet maar een paar mensen, dus. Nee, de Israëlieten zijn allemaal opgetrommeld. Er komt een toespraak van de regerend vorst!… Koning David deelt mee dat hij een hele voorraad kostbare stenen heeft klaargelegd. Die stenen kunnen in de te bouwen tempel verwerkt worden. En naast die stenen, die David alvast heeft laten aanrukken, komt er nu ook een flink stuk van het privévermogen van de koning vrij: goud en zilver in grote hoeveelheden. De koning heeft nog een vraag aan de inwoners van zijn land. Het is deze: kunnen we niet een fonds oprichten om de bouw van de tempel te bekostigen?… Davids onderdanen vinden dat een goed idee. En het volk blijkt reuze vrijgevig. Een nieuw elan golft door heel het land. Opeens heeft iedereen weer vertrouwen in de toekomst. En waarom? Omdat men in gezamenlijkheid op de Here vertrouwt. Het staat er 1 Kronieken 29 expliciet bij: “Het volk verheugde zich over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de HERE[4].
Waar komt die toewijding vandaan?
Antwoord: van de Here! De macht van de Heer van hemel en aarde is door de hele kosmos merkbaar; altijd en overal. Niets en niemand kan zich aan Zijn gezag onttrekken. Alles wat Gods kinderen bezitten, komt uit de hand van de Here. Als Gods kinderen groot en sterk zijn, heeft de Hére daarvoor gezorgd.

Kerkmensen zijn aanspreekbaar op wat de Here hen in Zijn Woord zegt. Dat geldt voor iedereen. Niemand uitgezonderd.
En waarom?
Omdat de Here hen vertrouwen geeft in Zijn werk. Omdat de Here hen perspectief geeft op een nieuwe toekomst. Omdat de Here hen licht geeft op het pad waarop zij lopen; achter Jezus Christus aan.

De kernactiviteit van de kerk is: God loven en prijzen.
Maar als wantrouwen in de kerk een te grote plaats heeft, dan wordt het met dat loven en prijzen niks.

Ware gelovigen bidden: want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Dat betekent: ons leven is vervuld van vertrouwen in u.
Dat betekent: wij gaan samen achter Jezus Christus aan. Vol vertrouwen. Want het is God Zelf die gelovigen bij elkaar brengt!

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, vraag en antwoord 128.
[2] Zie http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=6 .
[3] Ik ben niet de enige die die indruk heeft. Uit een e-mail van br. S. van Ackooij te Amersfoort blijkt dat ook hij het gevoel heeft dat wantrouwen een niet te onderschatten rol speelt.
[4] 1 Kronieken 29:9.

18 april 2012

Romeinen 16: Paulinisch appassionato

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De Bijbel is Gods heilig Woord. Wat God zegt, dat is ons heilig.

Moeten wij vervolgens zeggen dat in Romeinen 16 een hele reeks heilige groeten staan[1]?

In dat hoofdstuk worden Prisca en Aquila gegroet. En Epenetus. En een zekere Maria. En nog veel méér mensen.
Tientallen namen passeren de revue. Die namen zeggen ons meestal niet zoveel.
Zeker is echter dat áchter die namen mensen met een verhaal schuil gaan. Prisca en Aquila waagden bijvoorbeeld hun leven voor Paulus[2].  En Apelles is blijkbaar door de Here nader onderzocht; nu is het zeker dat de Here blij met hem is en hem aanbeveelt. Aristobulus wordt óók in Romeinen 16 genoemd. Zelf lijkt deze man reeds te zijn gestorven; Paulus verwijst waarschijnlijk naar de slaven die in het huis van Aristobulus’ huis werkzaam waren[3].
Kortom: achter iedere naam gaat een leven schuil. Over al die mensen valt wel iets te vertellen[4].
De Here vindt het blijkbaar belangrijk dat wij die namen kennen.
Het lijkt mij dat het geen kwaad kan om dat te benadrukken.

Men zegt wel dat de kerk vroeger te weinig aandacht voor mensen had.
Mede daarom koketteren kerkgenootschappen tegenwoordig graag met het feit dat ze gezellig en gastvrij zijn. En met het het feit dat in de kerk veel aandacht is voor beeldende kunst, en voor allerlei muzikale invloeden[5]. Op de website van een protestantse kerk las ik: “Elke zondag laten we ons inspireren in de kerkdienst. Afwisselende, stijlvolle diensten met veel muziek, liederen in soorten en maten, ruimte voor kinderen en zinrijke gedachten en handreikingen (…) Vrijwilligers helpen mensen in de buurt met bezoek en bijvoorbeeld een tweewekelijkse maaltijd. Persoonlijke aandacht voor mensen in hun omstandigheden staat daarbij centraal”[6]. Dat ziet er dynamisch uit. Mensen worden in de kerk niet over het hoofd gezien.
Maar laten we niet denken dat de kerk in de tijd van Paulus slechts één enorme bonk ondoordringbare dogmatiek was. Romeinen 16 bewijst het ons: Paulus kende z’n mensen óók. Hij kon het levensverhaal van die jonge christenen navertellen. Hij had áándacht voor hen.
En de kerk van 2012 mag en moet het zich realiseren: aandacht voor mensen, en voor hun levenshistorie, is zeker niet verkeerd. Zulke attentie mag er best wezen. Dat is een goede zaak!

Maar daarbij moet dan direct worden aangetekend dat die belangstelling niet het belangrijkste is. Interesse voor elkaar is in de kerk niet het één en het al. Met consideratie houdt het niet op.
In Romeinen 16 blijkt dat zonneklaar.
Paulus schrijft: mensen, ruziënde kerkleden moet u zoveel mogelijk mijden. Maar ook: mensen, loop niet achter dwaalleraars aan.
Er is een goede reden om op dit punt extra attent te zijn.
Het zeventiende vers van dit hoofdstuk luidt in de NBV-vertaling uit 2004: “Ik spoor u aan, broeders en zusters, op te passen voor degenen die tweedracht zaaien en anderen in de weg staan, en die daarmee ingaan tegen alles wat u hebt geleerd. Ga hun uit de weg”. De Nieuwe Bijbelvertaling is op dit punt niet zo duidelijk; het gaat hier namelijk niet zomaar over een stelletje lastige lieden dat even niet goed heeft opgelet. Er zijn mensen die zich keren tegen het onderwijs dat in Rome gegeven is. Paulus schrijft, zo blijkt uit de N.B.G.-vertaling 1951, heel expliciet over “het onderwijs, dat gij hebt ontvangen”. De Herziene Statenvertaling uit 2010 spreekt van onderricht[7].
Opeens is de apostel Paulus verrassend duidelijk: “Want zulke lieden dienen niet onze Here Christus”[8]. Daar stáát het dan toch maar. Glashelder, en zonder omwegen. Niemand kan er omheen. Er is geen sterveling die daar overheen mag kijken.
Paulus schrijft niet: denk om het korte lontje. En ook niet: mensen, doe ês wat minder irritant. Paulus noteert: “Want uw gehoorzaamheid is bij allen bekend geworden”[9]. Hij schrijft ook over de gehoorzaamheid van het geloof[10].
Het gaat niet over gekibbel. Of over een onaangename sfeer. Laten we ons niet op Romeinen 16 verkijken!

De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J.R. Visser zei in een preek over Romeinen 16 eens: “Wie zijn dus de mensen die tweedracht zaaien? Wie zijn de mensen die anderen in de weg staan en de echte onderlinge verbondenheid verbreken?
Dat zijn de mensen die van leer van Gods eigen Woord afwijken. Dat zijn de mensen die zeggen dat je ook wel op een andere manier kunt leven dan volgens de normen die de HERE in de Bijbel geeft. Dat zijn de mensen die ongehuwd samenwonen, die homoseksuele omgang, abortus en euthanasie met allerlei mooie woorden  de mensen en ook een christen toch wel willen toestaan. Die zeggen dat je daar in onze tijd en cultuur niet zo stellig over moet zijn. Dat zijn de mensen die zeggen dat het niet zo belangrijk is om te belijden dat Jezus echt God is. Die zeggen dat als iemand van Jezus houdt het niet erg is als hij niet kan geloven dat de Here Jezus uit een maagd geboren is. Dat zijn de mensen die zeggen dat je als christen in onze tijd echt niet hoeft te geloven dat de muren van Jericho zomaar gevallen zijn en het niet nodig is om te geloven dat Jona drie dagen in de vis was. Als je maar van Jezus houdt. Dat zijn de mensen die zeggen dat je als kerken er niet moeilijk over moet doen dat in de ene kerk voorgangers vanaf de preekstoel kritiek op de Bijbel kunnen hebben. Dat in die kerken voorgangers kunnen uitdragen dat de Here Jezus niet echt voor onze zonden betaald heeft maar ons voorbeeld is. Dat in kerken gezegd kan worden dat Vader in de hemel echt niet over alles regeert. Als je dat wel zegt maak je het mensen van onze tijd erg moeilijk om nog in God te kunnen geloven wordt dan gezegd.
Dat zijn de mensen waarvan Heilige Geest in onze tekst zegt: “want zulke mensen dienen niet Christus, onze Heer, maar alleen hun eigen lusten,  en door fraaie en welluidende woorden misleiden zij argeloze mensen”[11].
Waarvan akte!

De conclusie van Romeinen 16 is, naar ik meen, onontkoombaar.
Zodra belangstelling voor mensen prioriteit krijgt bóven het dienen van God moeten in de kerk de alarmbellen rinkelen. Zodra de kerk een buurthuiskarakter krijgt is het oppassen geblazen. Altijd weer is de vraag of wij Jezus Christus in álles willen volgen.
De vraag is of wij ál Zijn wetten eerbiedigen.
Het moet maar weer eens gezegd: wij hebben allen de neiging om Zijn regels te handhaven, maar alleen voor zover die ons goed uit komen.

Romeinen 16 lijkt het ontspannen postludium – het naspel – van een muziekstuk waarin veel emoties klonken in een palet van klankkleuren[12].
Zo van: nog een paar groeten om de sfeer goed te houden, en dat was dan dat.
Niets is minder waar.
Het is een Paulinisch appassionato. U moet weten dat die Italiaanse muziekterm ‘hartstochtelijk’ betekent[13]. Paulus voert een vurig pleidooi om op Gods wegen te blijven wandelen. In aandacht voor elkaar, maar vooral in gehoorzaamheid aan God.
Romeinen 16 is, als u het mij vraagt, een apostolisch slotoffensief in het geloof.

Noten:
[1] Op woensdag 4 april jongstleden publiceerde ik op deze internetpagina een artikel over Romeinen 15. Wie dat nog eens lezen wil kan terecht op https://bderoos.wordpress.com/2012/04/04/rom-15-wereld-zingt-gods-lof/ .
Vandaag, woensdag 18 april, vergadert de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Vanavond wordt Romeinen 16 besproken. Dit artikel is één van de resultaten van mijn voorstudie.
[2] Romeinen 16:3, 4 en 5.
[3] Romeinen 16:10: “Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus”.
[4] Zie hiervoor http://www.deltacursus.nl/romans/studies/romeinen-16-overzicht.pdf .
[5] Zie bijvoorbeeld http://www.oosterkerkhaarlem.nl/ .
[6] Zie http://www.willemdezwijgerkerk.nl/ .
[7] In de N.B.G.-vertaling uit 1951 luidt dit vers: “Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen”. De Herziene Statenvertaling uit 2010 heeft: “En ik roep u ertoe op, broeders, hen in het oog te houden die onenigheden teweegbrengen en struikelblokken opwerpen tegen het onderricht dat u hebt ontvangen, en keer u van hen af”.
[8] Romeinen 16:18: “Want zulke lieden dienen niet onze Here Christus, maar hun eigen buik, en misleiden door hun schoonklinkende en vrome  taal de harten der argelozen”.
[9] Romeinen 16:19.
[10] Romeinen 16:26: de prediking van Jezus Christus is “volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken”.
[11] Zie http://dronten-noord.gkv.nl/preken_database/Romeinen%2016,16,17%20%207%20februari%202010.html .
[12] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Postludium .
[13] Zie http://www.opusklassiek.nl/muziek_algemeen/muziektermen.htm .

Blog op WordPress.com.