gereformeerd leven in nederland

27 november 2014

Hemelse genade

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het woord ‘genade’ komt in Gods Woord, bij mijn weten, voor de eerste keer voor in Genesis 6: “Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN”[1]. In de meeste Bijbels staat die tekst volgens mij op pagina 11 of 12[2].

Even zo goed wordt er, zo zei een predikant eens, onder Gereformeerden te weinig uit genade geleefd.
Hij sprak: “Veel gereformeerden leven niet meer uit ‘genade alleen’ (…) ‘De uiterlijke kenmerken zijn een belangrijke rol gaan spelen. De reformatorische cultuur is op instandhouding gericht, met eigen voorschriften over kleding en een eigen taal. De preken zijn voorspelbaar geworden, predikanten bedienen zich van een hopeloos verbalisme’”[3].
Dat laatste betekent: de genade verdwijnt in een woordenstroom. Als we geluk hebben kunnen we die genade in de verte nog net zien drijven. Neemt u wel een verrekijker mee?

We zien die genade in de kerk nog wel.
In de doop, bijvoorbeeld. Denkt u maar aan de Heidelbergse Catechismus: “Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben”. “Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn? Antwoord: Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus…”[4].

Het valt op dat er in de Gereformeerde gezindte juist over de doop zoveel te doen is.
Vele, vele jongeren – en ook ouderen trouwens… – laten zich overdopen in baptistische gemeenten. Al die mensen willen zichzelf aan Jezus geven. Maar ze vergeten dat Gods genade er eerder is. En dat echt niet alleen omdat het woord ‘genade’ eerder in het alfabet komt als ‘geven’.

Genade: dat is het moeilijkste woord dat de duivel kent.
Hij wil het eigenlijk niet meer spellen.
Sterker nog: eigenlijk wil hij het nooit meer horen. Het is een woord dat volgens hem met een verbijsterende onmiddellijkheid op de zwarte lijst zou moeten komen.

De strijd tussen God en Satan: daar heeft de verdwijning van die genade ten diepste mee te maken. Eerst probeert de Satan het wóórd ‘genade’ de kerk uit te krijgen.
Dat lukt ‘m aardig. Overdopen, opdragen: dat zijn woorden die in de christelijke wereld inmiddels wel zijn ingeburgerd. We zijn gewend geraakt aan het feit dat christenen verschillende visies op de doop hebben. En zo lang we nog samen door één deur kunnen is er weinig aan de hand.

De tekens van de genade – zeg maar even: doop en avondmaal – zouden, wat Satan betreft, eigenlijk nergens meer te zien moeten zijn.
Maar de duivel is slim. Hij beseft heel goed dat de zo fel begeerde onzichtbaarheid van die tekens voor massa’s gewone kerkgangers een paar stappen te ver is.
Geen nood.
Voor Gods tegenstander is betekenisverlies ook nog een optie. In gewoon Nederlands: als doop en avondmaal worden gerelativeerd, is dat een eerste schrede op weg naar een sacramentsvrije toekomst.
Doop en Avondmaal: twee sacramenten waar over gepraat wordt, soms tot op generale synodes toe. Het wordt hoog tijd dat we de waarde ervan weer eens wat vaker onder ogen zien!

Dit alles is geen nieuws. Ds. J.W. Tunderman (1904-1942) zei in een preek al eens: “Daarom is dan ook de Satan zonder ophouden bezig om de prediking van het Evangelie onmogelijk te maken, opdat de reddende stem van Gods genade door de mensen niet meer gehoord wordt”[5].

De grote vraag is: hoeveel willen Gereformeerden eigenlijk zelf doen?
Of ook: wanneer horen we eigenlijk bij God?
Er zijn wel mensen die zeggen: je hoort erbij als je een goed geloof hebt. Of: je hoort erbij als je voelt dat de Geest in je werkt.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant wees er eens op dat wij oog moeten hebben voor de imperfectie van ons leven op aarde. Hij schreef: “Een volmaakte kerk is niet die kerk waarin alle mensen in het gareel van de op zich goede regels van de traditie lopen. Een volmaakte kerk is ook niet daar waar je geloof eerst perfect moet zijn voor je wonderen van God of gaven van de Geest kunt opmerken in je leven. Een volmaakte kerk, daar zijn we naar op weg. En de weg daarheen is geplaveid met genade” (cursivering van mij, BdR)[6].

Hebreeën 11 begint met bekende zinnen: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. Want door dit geloof is aan de ouden een getuigenis gegeven”[7]. Onze voorvaders hebben gehoord dat ze door God waren uitgekozen. En dat heeft ook Noach vernomen.
In de Statenvertaling staat: “Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. Ze hebben dus iets gekregen. Ze hebben zogezegd van genade geleefd.
In de Nieuwe Bijbelvertaling-2004 lezen we: “Om hun geloof werden de mensen uit vroeger tijden geprezen”. De Bijbel in Gewone Taal-2014 heeft: “In de heilige boeken vertelt God over het grote geloof van onze voorouders”. De ontvangst van Gods geschenken is zo wegvertaald. De genade drijft daar weg op de stroom van moderne woorden. Heel veel moderne woorden.

Er was eens iemand – als ik me niet vergis was het een Amerikaanse voorganger – die zei: “De wereld kan alles net zo goed als, of zelfs beter dan de kerk. Je hoeft geen christen te zijn om huizen te kunnen bouwen, hongerigen te voeden of zieken te genezen. Er is slechts één ding wat de wereld niet kan doen. De wereld kan geen genade aanbieden”[8].
Als de kerk de genade laat wegdrijven rest de koster niets anders dan het licht uit te doen, de kerkdeuren te sluiten, de sleutels in zijn zak te steken en huiswaarts te tijgen. Want dan wordt het koud in de kerk.

Trouwens, weet u wanneer dat woord ‘genade’ voor de láátste keer in de Bijbel voorkomt? Dat is in het laatste vers van Gods Woord. In Openbaring 22 dus: “De genade van de Here Jezus zij met allen”[9].
Een commentator tekent daarbij aan: “De brief gold in de Oudheid als de helft van een gesprek. Daarom klinkt aan het begin en aan het eind ervan een groet. Deze heeft de functie van handtekening en waarmerk”[10].
Met genade moeten we dus niet nonchalant omgaan. Het is namelijk officiële genade, met een hemelse status.
Slordigheid past hier niet. Want Goddelijke genade is gegarandeerde genade.

Noten:
[1] Genesis 6:8.
[2] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef; dat stuk is gedateerd op 10 november 2005.
[3] Citaat uit het Nederlands Dagblad van 9 november 2005.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 26.
[5] Zie http://www.jw.tunderman.net/zondag26.html .
[6] Zie http://www.nd.nl/artikelen/2003/november/20/weg-naar-volmaakte-kerk-is-geplaveid-met-genade . De betreffende predikant is Th.J. Havinga.
[7] Hebreeën 11:1 en 2.
[8] Als ik het goed weet, werd dat gezegd door Philip Yancey, en wel in zijn boek ‘Genade, wat een wonder!’.
[9] Openbaring 22:21.
[10] Dr. H.R. van de Kamp, “Openbaring – Profetie vanaf Patmos”. – Kampen: Kok, © 2000. – p. 492 en 493.

21 oktober 2014

Zondag 20 en onze kortzichtigheid

De ik-cultuur speelt ons parten[1]. Dat is een bekend feit.
Christenen strijden daar tegen. Zelfrealisatie is, als het goed is, bij hen nimmer aan de orde.
Dominee M. Golverdingen – predikant binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten – gaf eens de volgende omschrijving van een opvoedingsdoel: “De vorming van de mens, in afhankelijkheid van de zegen des Heeren, tot zelfstandige, God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid, geschikt en bereid om al de gaven die hij van Hem ontving, te besteden tot Zijn eer en tot heil van het schepsel, in alle levensverbanden waarin God hem plaatst. Alleen bij een leven in de vreze des Heeren is er ten volle sprake van een Bijbelse volwassenheid, die in zelfstandig handelen gestalte krijgt”[2].
Daar hebt u het beste resultaat van die strijd: een ware christen gebruikt de hem geschonken gaven tot eer van God. Dat principe moeten wij steeds in de praktijk blijven toepassen.

In deze wereld is dat niet altijd vanzelfsprekend.
Ook niet voor kinderen van God.
Laten wij onszelf goed bewaken!

Wie ben ikzelf?
Dat is dus een centrale vraag vandaag. In een dergelijke sfeer spelen zich vaak ook de gedachtewisselingen rond de Heilige Geest af.
Wie is Hij?
Dat staat keurig in de Heidelbergse Catechismus vermeld. In Zondag 20 staat “dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is”[3]. We weten dus best Wie Hij is. Het probleem zit ‘m erin dat hij God is. Hij is niet zichtbaar. Zijn stem is niet auditief waarneembaar. Hij is niet grijpbaar.
Iemand zei eens: “We weten niet half hoe de Heilige Geest met en in ons bezig is, en we zullen het niet leren ook, als we Hem niet leren zien als de Geest die samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is. Als we Hem wel zo leren zien zullen we het nooit overzien, maar je leven met God wordt er wel veel boeiender van”[4].

Vandaag beweren we graag dat iedereen uniek is. Je hebt iets eigens, roept men vandaag. ‘Eigenheid’ is zelfs een Nederlands woord geworden[5]. Maar zo’n aardse eigenheid heeft de Heilige Geest niet. De Heilige Geest is niet los te koppelen van de Vader en de Zoon.
En wat weten we nog meer over de Heilige Geest? Niet zoveel.
Niet zelden heb ik het gevoel dat een heleboel mensen dat eigenlijk niet kunnen uitstaan. En daarom zetten velen één Persoon van de Drieënige God in de schijnwerpers: de Heilige Geest, of de Zoon. Ik kan mij vergissen. Maar ik denk dat heel wat van die schijnwerper-acties te maken hebben met een gebrek aan geloof. En als men dan toch met die schijnwerper aan de haal gaat, hoopt men zelf ook nog een beetje verlicht te worden.

Als ik het goed begrijp, speelt in al dat discussiëren over de Heilige Geest nog een probleem mee.
We willen de Heilige Geest vandaag een hand geven. Hoe het later allemaal gaan zal, interesseert ons feitelijk maar matig. We willen vandaag aanvoelen wat Gods Geest voor ons betekenen kan.
Echter: Gods Geest bereidt ons voor op het eeuwige leven. Hij heiligt ons in het kader van een oneindig bestaan. In een preek omschreef dominee J.W. Tunderman (1904-1942) het zo: “De Geest leidt ons tot onze uiteindelijke bestemming. En onze uiteindelijke bestemming is dat wij onze oorspronkelijke roeping vervullen, nu dieper geworteld in de eeuwige gemeenschap van Gods liefde dan in het eerste paradijs het geval was”[6].
De Heilige Geest maakt ons dus klaar voor het eeuwige leven. Maar de stappen die daarin gemaakt worden zijn lang niet altijd waarneembaar. De uitwerking van die Geestelijke arbeid is niet tastbaar. Zeker: in de belijdenis spreken wij er over. Maar wij kunnen het heerlijke effect van dat Geestelijke werk nu nog niet precies zien.
Zou het kunnen zijn dat we met heel veel gedebatteer onze onzekerheid daarover wegpraten?

Wij wensen, om zo te zeggen, religieuze topmomenten beleven. Wij willen, al was het maar voor even, geloofstriomfen vieren. Wij kicken op ogenblikken van geloofsblijdschap.
Maar het werk van de Heilige Geest geschiedt niet puntsgewijs. Gods Geest trekt een lijn. Hij maakt, om zo te zeggen, de belijning van de weg naar onze hemelse toekomst.

Onze hemelse toekomst – inderdaad. Zo staat het in 1 Corinthiërs 12. Er zijn, zo staat daar, allerlei gaven in de gemeente. Wijsheid, kennis, een groot geloof… en nog veel meer. Die gaven hebben we in de kerk gezamenlijk. En Paulus zet erbij: “…want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt”[7].
Zodra de Heilige Geest een andere werkplaats kiest, kunt u het gemeentelijk leven wel op uw buik schrijven.
Dat wordt niks meer.
Dat leven bloedt dood.
Als de Heilige Geest wel aanwezig is komt er een heleboel energie los. En dat betreft dan veelal geen krachten waarmee op aarde macht getoond kan worden. Het is vanuit de hemel gegeven werkvermogen, dat ook op de woonplaats van God gericht is. Daarmee doorbreken we dus de grenzen van deze wereld.

Daarom kan Paulus ook schrijven: “Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert”[8].
Er zou, denk ik, al heel wat gewonnen zijn als we eens wat minder kortzichtig waren.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef; dat stuk is gedateerd op vrijdag 3 maart 2006.
[2] Geciteerd via: Dr. W. Fieret, “Leven in de ik-cultuur”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (1 juni 2013), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 20, antwoord 53.
[4] Zie http://wvdschee.home.xs4all.nl/prkhc/zondag2004.html .
[5] Zie bijvoorbeeld http://www.encyclo.nl/zoek.php?woord=eigenheid .
[6] Zie http://www.jw.tunderman.net/zondag20.html .
[7] 1 Corinthiërs 12:13.
[8] 1 Corinthiërs 12:31.

4 juli 2013

Het Evangelie in het gewone leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Als u de zending in wilt, hoeft u geen moeilijke opleiding te volgen. U hoeft ook geen speciale kwaliteiten te hebben. Als u gewoon elektro-monteur bent, of huismoeder, dan kunt u ook wel zending bedrijven. Als gemeentelijk beleidsmedewerker kunt u in de zending óók het Evangelie verkondigen.
“Zendingswerk vraagt om gewone mensen”, meldde het Nederlands Dagblad afgelopen maandag, 1 juli. En daaronder stonden verhalen van mensen die zich erop voorbereiden om een taak in het zendingswerk uit te voeren.

Het hierboven bedoelde verhaal ging onder meer over het ‘knipogen van God’.
Ik citeer: “Richard en Irene bezochten tweeëneenhalf jaar geleden een trainingsweekend om te kijken of een reis met het zendingsschip Logos wat voor hen zou zijn. ‘Dat doen we als de kinderen de deur uit zijn, besloten we na afloop. Maar het vuurtje, het verlangen om de zending in te gaan, bleef branden’, zegt Irene. Haar man: ‘We zochten ook naar een ander spoor in ons leven: hoe kunnen we evangelisatie een plek geven, en onze kinderen daar op een goede manier in voorgaan? Het was een zoektocht waarbij we de God vroegen: “Wat is de plek waar U ons wilt hebben?” Toen kwam er weer een folder waarin opnieuw gevraagd werd om elektriciens. Dat zagen wij als een signaal om het gesprek met OM aan te gaan’”[1].
U moet weten: Richard is een leidinggevende elektromonteur in de utiliteitsbouw.

Wat zijn signalen van God?
Daar is in deze wereld geen eenduidig antwoord op te geven. Denk ik.
Zeker, het is heel goed mogelijk dat het ons in een ondeelbaar ogenblik duidelijk wordt welke keuzes wij moeten maken. Maar het kan óók zo zijn dat we er gedurende een lange periode mee worstelen.
Feit is wel dat de Here heel ons leven leidt. Hij heeft de hand in alle keuzes die wij maken.
In die keuzes hoeft het helemaal niet om zendingswerk te gaan. Soms gaat het om de manier waarop wij met alledaagse dingen omgaan.
In alle dingen van het leven is het parool: wat wil de Here dat ik hiermee doe?

Dat wil vervolgens zeggen dat niet iedereen zendingswerk moet gaan doen. Niet iedereen hoeft op reis te gaan naar een ver land. Niet iedereen hoeft zich om te laten scholen tot een moderne ontwikkelingswerker. Niet iedereen hoeft zich voor te bereiden op een enkele reis Afrika of Azië.
De Here maakt gebruik van onze talenten. Van onze aanleg. En van onze belangstelling. Dat blijkt trouwens ook wel uit bovenstaand citaat. Er wordt gezegd: “Toen kwam er weer een folder waarin opnieuw gevraagd werd om elektriciens. Dat zagen wij als een signaal…”.
Iedere gelovige wordt, op zijn of haar eigen plaats, geroepen om iets te laten zien van de blijde Boodschap die de Here voor deze wereld heeft. Dat kan ook in Nederland. Achter uw bureau, op het kantoor waar u werkt. In het bedrijf waar u uw beroep uitoefent. Of in de winkel, waar u spullen van degelijke kwaliteit aan de man brengt.
U laat het zien in uw rechtvaardige en eerlijke manier van doen. In de degelijke manier waarop u een karwei klaart.  In de wijze waarop u de klanten bejegent.
Gods Woord: dat is typisch iets voor gewone mensen.

Wij moeten ons blijven realiseren dat Gód onze levensgeschiedenissen aanstuurt[2].
Ik denk aan 1 Corinthiërs 1: “Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God. Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here”.

De Here Jezus Christus heeft door Zijn lijden, sterven en opstanding de weg naar God geopend voor Joden én voor heidenen. En juist ín die lijdensweg, juist dóór die opstanding, bleek dat Christus’ werk werkelijk de enige manier was om kinderen van God echt toekomst te geven.
Waar kwam Paulus terecht toen hij dat evangelie verkondigde?
Niet bij leidinggevenden. Niet bij de baronnen, of bij de gravinnen. Hij kwam terecht bij de gewone mensen die netjes meeliepen in de tredmolen van elke dag.

We moeten, naar het mij voorkomt, terug naar het welbehagen van God.
Dat welbehagen komt niet altijd uit in grote dingen die mensen klaar krijgen. U ziet het niet in de eerste plaats terug in wereldwijde organisaties die verbazingwekkende dingen presteren. Het zit ook niet per se in kleine groepjes. Of in gezinnen die zo graag de zending in willen.
De vraag is eenvoudigweg: waar worden Gods keuzes geëerbiedigd? En u begrijpt het al: hier komen wij op een terrein waar wij niets meer zelf regelen. Helemaal niets.
Het antwoord op de vraag naar dat welbehagen ontvangen wij in het leven van alledag.

Ik citeer, nu het hierom gaat, graag woorden van Ds. J.W. Tunderman (1904-1942). Ooit zei hij in een preek: “Aan de ene kant is er een werken in het geloof en de onderwerping van het leven aan Gods genade en de leiding van de Heilige Geest. En aan de andere kant is er een optreden in het maatschappelijk verkeer, in geld en goed, dat zich ontwikkelt in een steeds scherpere tegenstelling met die Geest. In het eerste wordt de zegen van God genoten ook op maatschappelijk terrein, in het tweede wordt het leven al meer onder de vloek van God gelegd. Zo is er ook in het sociale en maatschappelijke leven ontwikkeling naar twee kanten: er is een voorbereiding op het leven voor de opneming in het nieuwe Jeruzalem en een tegemoet werken naar de dingen van het Babylon, waarvan het boek Openbaring spreekt. Zo is ook in het verkeer met onze goederen dit de allesbeslissende vraag: waarvoor leef je met je geld, je zaak, je arbeid, je positie, voor Jeruzalem of voor Babylon?”. Dat alles, zo zei de dominee, staat “in het grotere verband van het eeuwige welbehagen van God”[3].
Wij hoeven, naar mijn inzicht, niet allemaal op reis. En wij hoeven ons ook niet voortdurend te bezinnen op nieuwe zendingsmethodieken of grappige evangelisatietrucjes.
De vraag is: eerbiedigen wij op onze eigen plaats Gods welbehagen? De dingen die God ons geschonken heeft, die staan in het kader van ons leven voor Jeruzalem!

Leven met en voor het Evangelie…
Wandelen met God…
– dat is niet alleen maar een zaak voor heel bijzondere mensen. Het is ook een actuele kwestie voor de mensen uit flatgebouwen en rijtjeshuizen!

Noten:
[1]
“Zendingswerk vraagt om gewone mensen”. In: Nederlands Dagblad, maandag 1 juli 2013, p. 2.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van een artikel dat ik in juli 2007 schreef, en dat als titel draagt: ‘Gods reddend welbehagen’.
[3] Zie http://www.jw.tunderman.net/zondag42.html .

Blog op WordPress.com.