gereformeerd leven in nederland

8 maart 2018

Over Gods wil

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Volgelingen van Christus hebben de diepe wens om Gods wil te doen[1]. Het wordt vandaag de dag ook wel expliciet gezegd: het is Gods wil dat ik dit of dat doe. In mijn brein zwerft dan meestentijds een vraagteken: hoe weet die spreker nu zo zeker dat hij met zijn besluit werkelijk Gods wil uitvoert?

Wellicht kent u het onderscheid tussen de verborgen wil van God en Zijn geopenbaarde wil.
In de Bijbel heeft God geopenbaard wat Hij wil: gehoorzaamheid.
De Here heeft een plan met de wereld. Hij gaat iets nieuws met de wereld doen. Zijn wil kennen wij niet. Die is verborgen. Maar die is er wel. De Here heeft de leiding in de wereld. Hij werkt aan een plan dat nog verborgen is.

In verband daarmee vraagt de Here:
* geloof: de beloften die de God aan Zijn kinderen heeft gedaan worden realiteit
* gebed: daarin spreken wij de hoop uit dat wij hoe langer hoe beter leren gehoorzame kinderen te zijn.
Wat dit betreft is Gods Zoon, Jezus Christus, ons voorbeeld.
In Marcus 1 kunnen we lezen: “En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats, en bad daar”[2]. Hoeveel bezigheden er ook waren, altijd had Hij tijd om te bidden. Het belang van bidden stond voor onze Heiland gelijk aan het voedsel van de dag. Kijkt u maar in Johannes 4. Daar zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng”[3].

Nee, het is niet altijd meteen duidelijk wat de wil van God is.
Neem nu de volgende situatie.
Een meisje komt een lieve jongen tegen. De jongen is ongelovig. Even zo goed vindt het meisje hem heel lief. Mogen zij een relatie aangaan? We weten het: een ongelijk span is geen goede zaak. Maar stel nu eens dat de lieve jongen niet geheel afwijzend tegenover geloof en kerk staat. Moet men het aangaan van die relatie dan helemaal afwijzen? Het kan immers best gebeuren dat de betreffende jongeman een heel gelovig mens wordt. Welnu, in een dergelijk geval zeg ik: laten we even afwachten. Maar ik zeg ook: laat er spoedig meer duidelijkheid komen; want hoe langer de verkering duurt, hoe moeilijker het wordt om, indien nodig, de relatie te verbreken.

Ach, wij vragen ons – denk ik – allemaal wel eens af wat de wil van God in een concrete situatie is. Als het een beetje tegenzit kunt u, geachte lezer, zonder veel moeite omstandigheden bedenken die nogal wat gecompliceerder zijn dan de hierboven genoemde.
De wil van God is niet altijd meteen duidelijk.
Sterker nog: twee mensen kunnen met betrekking tot eenzelfde kwestie verschillende beslissingen nemen, en vervolgens allebei menen dat zij Gods wil doen. Iets dergelijks komt al in de Bijbel voor. In Jeremia 28 zien we twee profeten, Jeremia en Hananja, die beiden claimen het Woord van God te brengen. Ik wijs ook op Handelingen 21. Paulus krijgt via een profeet te horen wat hem in Jeruzalem te wachten staat. Mensen om hem heen proberen Paulus te bewegen om níet naar Jeruzalem te reizen. Maar Paulus besluit toch te gaan. Het slot van de betreffende perikoop is bijna dramatisch: “En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden: Laat de wil van de Heere geschieden”[4].
Soms duurt het even voordat duidelijk is welke weg wij moeten lopen om in ons leven metterdaad met God te wandelen.
Het wordt er, kortom, niet makkelijker op.

Moeten we nu slachtofferig zeggen dat we het allemaal niet kunnen overzien? Moeten we maar mompelen dat we enigszins gedupeerde mensen zijn die wel zullen zien waar het schip strandt?
Het lijkt me dat ware gelovigen niet het aureool van geteisterde onwetenden moeten hebben.
We mogen best blij zijn met de predestinatie, met de voorbeschikking dus. De Here laat daarin Zijn bijzondere zorg zien. Hij is vlakbij ons. Hij bemoeit Zich heel intensief met ons. De Here heeft een verbond met Zijn kinderen. Hij is, om zo te zeggen, rechtstreeks met ons verbonden.
Maar die voorbeschikking hoort bij God. Wij kunnen daar maar weinig over zeggen. Laat ik het maar populair zeggen: we hoeven ons er niet druk over te maken. Wij hebben al meer dan genoeg te doen als we onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Dominee E. Brink vatte die verantwoordelijkheid eens in vier woorden samen:
* “overwegen
* beraadslagen
* bezinnen
* beslissen”[5].
Wij moeten de Here God alle eer geven die Hem toekomt.
Maar daarmee is niet gezegd dat de mens niets meer te vertellen heeft. Wij mogen best vragen stellen aan de hemelse God. Maar van een volledig vrije wil kunnen we niet spreken. Zonder God kunnen we niets doen. Helemaal niets. En bovendien: we moeten Gods eer altijd in beeld blijven houden.
God buigt Zich naar ons over. Wij bewegen ons steeds meer naar Hem toe. De verbondsrelatie is er dus één waar beweging in zit. Er gebeurt van alles in. De bovengenoemde dominee Brink schreef: “We gaan uit van een persoonlijke en levende relatie, en niet van een filosofische of dogmatische speculatie”.

Het bovenstaande overziende constateer ik allereerst dat bescheidenheid op zijn plaats is.
Want in deze zaken schieten menselijke gedachtespinsels en verklaringen ernstig tekort.
Verder trek ik de conclusie dat we dankbaar mogen zijn.
De hemelse God betrekt zondige mensen in Zijn planmatige werk. Dat is, op de keper beschouwd, verbazingwekkend!
Onze levensroeping is: Hem dienen op de plek waar de Here ons heeft neergezet.
Laten we maar gewoon aan het werk gaan.
Gelovig.
Biddend.
En eerbiedig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 3 maart 2009.
[2] Marcus 1:35.
[3] Johannes 4:34.
[4] Handelingen 21:14.
[5] Ds. E. Brink, “Leefruimte: Gods beschikking en onze bewegingsvrijheid”. In: Nader Bekeken, jg. 16 nr 2 (februari 2009), p. 41-43. Citaten van p. 41 en p. 42.

5 februari 2018

Niet betrokken

Op vrijdag 26 januari jongstleden meldde het Reformatorisch Dagblad: “De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) hebben zich donderdag officieel aangesloten bij het Interkerkelijk Dovenpastoraat (IDP). Het IDP wordt nu door vier kerkgenootschappen gedragen”.

Dat binnen de GKv momenteel heel interkerkelijk wordt gedacht is geen nieuws.

Maar er stond iets bij dat aan het denken zette.
Dat was dit.
“Ds. J. Oosterhuis, voorzitter van het deputaatschap pastorale zorg aan doven en slechthorenden van de GKV, memoreerde de afgelegde weg van ‘moeite en pijn’ voordat de GKV bereid waren tot aansluiting bij het IDP. ‘Het besluit om de pastorale zorg binnen eigen kerkelijke organisaties te regelen, paste destijds in het denken binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt’, verduidelijkte de predikant uit Hasselt. ‘Maar de tijden zijn veranderd. In de kring van de GKV nam de kerkelijke betrokkenheid af, zowel onder dove en slechthorende gemeenteleden als onder de andere gemeenteleden, waardoor het steeds moeilijker wordt vrijwilligers te vinden. De noodzaak tot samenwerking met andere kerken in de zorg voor doven werd binnen de GKV steeds meer gevoeld’”[1].

De kerkelijke betrokkenheid neemt af.
Het vinden van vrijwilligers is moeilijk geworden.
De betrokkenheid is verdwenen.
De motivatie is weg.

Wat doet gij in een dergelijk geval?
Laten we eens in de Bijbel lezen.

Het woord ‘betrokkenheid’ komt in Gods Woord niet voor.
Het woord ‘betrokken’ wel. Maar dan in de betekenis van: onwelwillend, geërgerd.

Zo komen we het tegen in Jeremia 3.
Maar de Here is in Jeremia 3 niet onwelwillend. In Zijn spreken is Hij een en al genade. Leest u maar mee: “Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg: Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE, Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE, Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig. Alleen, erken uw ongerechtigheid, want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen, en u hebt zich in alle richtingen verspreid op zoek naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom, maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE”[2].

Hierboven staat een oproep tot bekering:
* ga weer naar Mij luisteren
want:
* Ik blijf niet eeuwig toornig
* Mijn goedertierenheid en genade voeren de boventoon.

Laat ik het meteen maar zeggen: als kerkmensen zich dagelijks tot God bekeren keert de motivatie elke dag terug. Zonder mankeren. Dan golft de Geestdrift steeds weer door de ziel. Het elan van de Heilige Geest is dan voortdurend aanwezig.
Ziet u wat er ten diepste bij de GKv aan schort?

In Jeremia 3 en het begin van hoofdstuk 4 wordt een vergelijking gemaakt.
Israël heeft een harde les geleerd. Israël, de bruid van God, is namelijk ontrouw geweest. Nee, niet één keer maar zelfs bij herhaling. De dienst aan afgoden was aan de orde van de dag. En de leiders gingen erin voor. Israël wordt gevonnist. Veroordeeld. En verstoten.
En hoe gaat het nu met Juda?
Wij zouden kunnen zeggen: Juda heeft wel wat verder gekeken dan de neus lang is. Ze hebben over de grens met het noordelijke tienstammenrijk gekeken, en gedacht: ‘Nou, nou, wat gaat het daar tekeer! Dat moeten wij maar niet beleven!’.
Dat hoeven wij niet te zeggen. Wij hoeven dat niet te denken.
Welnee.
Niets van dat alles.
Integendeel.
Ja, Juda heeft wel gezien en gehoord wat er bij de buren gebeurde. Maar in reactie daarop heeft men een hardere opstelling gekozen. Juda vermeerdert schuld!

Te midden van die afkerigheid klinkt de proclamatie van de Here: “Keer terug, afkerige ​kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen. Ik zal u ​herders​ geven naar Mijn ​hart, die u zullen weiden met kennis en verstand”[3].

Het is de Here Zelf die hier een ommekeer geeft.
Er zal een overblijfsel, een rest van het volk zijn dat wel naar de Here luisteren wil.
Er zullen goede herders komen die de natie de goede kant op sturen!

Wat moeten wij van deze dingen zeggen?

Misschien zijn er wel lezers die mompelen: zie je wel, de vrijgemaakten hebben het weer gedaan… Intussen kunnen we er niet omheen: de GKv zakt in elkaar en uit elkaar. Als de hemelse Heer het niet verhoedt, is er binnenkort weinig meer te zien dan een mislukte plumpudding.
Er is bekering nodig. En allen die zich omkeren mogen weten: de Here is de goede God. De trouwe God. De vergevende God. De genadige God. De eeuwige God die het verbond nimmer verbreken zal.
Laat niemand roepen dat deze weblogscribent de pik heeft op vrijgemaakten. Laat niemand geïrriteerd mompelen dat schrijver dezes donder en bliksem preekt.
Maar wij moeten wel zonder omwegen constateren wat er in de GKv gaande is: afname van betrokkenheid, gelatenheid, vrijblijvendheid op bijna alle fronten. En dat komt natuurlijk wél ergens van. Of men het nu zien wil, of niet.

Overigens is Jeremia 3 voor gelovige mensen een hoofdstuk vol troost. In een situatie waar de goddeloosheid hoogtij viert komt de Here met een Verbondsboodschap. Hij troont op Sion.
”Laat niet varen de werken uwer handen”, zeiden we vroeger. Tegenwoordig bidden we: “…laat de werken van Uw handen niet los”[4]. De God van het verbond is in Christus altijd benaderbaar. In het gebed mogen gelovigen altijd naar God toe gaan. Godvruchtigen mogen, iedere dag opnieuw, met het gezicht naar God toe gaan staan.
Kerkmensen mogen en moeten ook anno Domini 2018 naar God luisteren. En nee, dat valt niet altijd mee. Massa’s mensen praten door elkaar heen. Luidkeels. Bij tijd en wijle zonder punten of komma’s, naar het lijkt. Men komt, om zo te zeggen, oren tekort.
Maar het is zeker, ook nu is het Woord van God te lezen en te horen.

Bijvoorbeeld in Jeremia 3.
En nog altijd gaat het Evangelie de wereld door: “Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken, want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE, Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig”.

Noten:
[1] “GKV sluiten zich als vierde kerk aan bij Interkerkelijk Dovenpastoraat”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 26 januari 2018, p. 16.
[2] Jeremia 3:12 en 13.
[3] Jeremia 3:14 en 15.
[4] Psalm 138:8 c.

22 augustus 2017

Verwarming

Zondag 1 is een troostvol begin van de Heidelbergse Catechismus, een allerwegen bekend leerboek voor de kerk.
U kent die Zondag vast wel:
“Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord:
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[1].

Dat zijn zeer bekende woorden.
Een beetje uitgesleten misschien zelfs.
Niettemin zijn die woorden ook vandaag reuze actueel

Dat blijkt als wij Jeremia 10 er even bij nemen.

Waar spreekt Jeremia in hoofdstuk 10 over?

Gods volk mag geen vertrouwen stellen op astrologie. In Egypte en Babylonië was die pseudowetenschap indertijd zeer ‘in de mode’. Die gebruiken zijn voor Gods kinderen echter totaal nutteloos!

Dat wordt des te duidelijk als je eens goed kijkt hoe het maken van zo’n afgodsbeeld gaat.
Jeremia zegt daarover: “Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig: het is immers een stuk hout, iemand heeft het uit het bos gekapt, vakwerk met de bijl. Met zilver en met goud maken ze het mooi, met spijkers en met hamers zetten ze het vast, zodat het niet kan wiebelen. Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet”[2].
Afgoden zijn dood.
Ze doen niets.
Wat vormt de Goddelijke almacht daarmee een schrille tegenstelling!

Wie Jeremia 10 eens goed leest, beseft dat Gods volk door de eeuwen heen maar al te vaak naar afgoden toe gelopen is. In onze tijd is dat niet anders. In de eenentwintigste eeuw hebben wij ook onze afgoden. Bijvoorbeeld:
* het internet: we willen alles weten, alles meemaken en wel meteen
* de cultuur: de boodschap van de kerk moet aansluiten bij het hedendaagse levensgevoel
* de voedselveiligheid: zodra ergens een yoctogram – 0,000000000000000000000001 gram – verkeerde stof in zit, lijken we te vrezen voor ons leven[3].
Afgoden zijn schitterend van uiterlijk. Dat wordt een keer of drie herhaald. Maar de Verbondsgod krijgt ook drie kwalificaties: “De HEERE God is echter de Waarheid, Hij is de levende God, een eeuwig ​Koning”[4].

De Here is de Verbondsgod. En één ding is zeker: de Verbondsgod is ook rechtvaardig. Jeremia moet als woordvoerder van God de ballingschap aanzeggen.
Die aanzegging komt bij Israël binnen. Het volk wordt er hard door geraakt.
Opeens begrijpt het volk waarom God deze harde maatregel treft: “Want de ​herders​ zijn dom geweest en hebben de HEERE niet geraadpleegd. Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld en is heel de kudde van hun weide verspreid”[5].

Jeremia zegt het hardop: “Ik weet, HEERE, dat het niet aan de mens is zijn weg, dat het niet aan een man is zijn gang te bepalen en zijn voetstappen te richten”[6].
En zo komen wij weer terug bij Zondag 1.

Daarin lezen wij immers: “Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen”. Iedere komma en punt van ons leven staat onder regie van de God van hemel en aarde.

Dat belijden wij in een wereld die in een diepe crisis verkeert.
Die diepe crisis bedenk ik niet zelf.

Onlangs las ik: “De westerse cultuur verkeert in een diepe crisis. Er is sprake van innerlijke leegte, manipulatie door een van het volk vervreemde elite, oprukkende islam, massale immigratie, een doorgeslagen seksuele revolutie en agressief neoliberalisme die traditionele gemeenschappen om zeep helpen”[7].
‘Permafrost’, noemt de filosoof Tom Zwitser dat in een niet zo lang geleden verschenen boek[8].
Permafrost – dat betekent eigenlijk: in bepaalde gebieden ontdooit de ondergrond nooit. De westerse maatschappij is zogezegd permanent bevroren.
Permafrost: daarmee doelt Zwitser op de ‘afkoeling’ van de beschaving. Het sociale klimaat wordt bijkans vernietigd. Families en gemeenschappen worden steeds vaker individuen. Men spreekt over vrijheid, gelijkheid, democratie en vrije markt. Maar eigenlijk gaat het gewoon om macht. En de kerk? Ach, die wordt gaandeweg minder belangrijk.

In die ijskoude omgeving klinkt het hartverwarmende Evangelie.
Wij worden bewaard. Wij worden beschermd.
Wij krijgen de kracht om het Woord te bewaren. Wij laten dat Woord niet beschadigen of belachelijk maken.
De Here God zegt in Openbaring 3 ook tegen ons: “Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken”[9].
De wereld maakt een scheiding mee die door heel veel mensen niet wordt opgemerkt. Een scheiding die door velen niet wordt geëerbiedigd. De kwestie is: voor of tegen God!

Dat was in Jeremia 10 zo.
Dat was zo in de tijd dat de Heidelbergse Catechismus geschreven werd.
En in 2017 is dat niet anders.

“Ik weet, HEERE, dat het niet aan de mens is zijn weg, dat het niet aan een man is zijn gang te bepalen en zijn voetstappen te richten”, zegt Jeremia 10.
In dat Schriftgedeelte klinkt de impliciete vraag: waar vertrouwt u op?
Waar stelt u uw vertrouwen op?
Zondag 1 stimuleert ons: stel uw vertrouwen op uw trouwe Heiland Jezus Christus! En: laat u naar de kerk leiden; de plaats waar de Heiland Zijn duurgekochte kinderen verzamelt.
Buiten heerst de kilte van de permafrost, van de wereld zonder God.
Maar in de kerk is het warm. Niet voor niets schrijft Paulus in Romeinen 12: “Laat de ​liefde​ ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke ​liefde”[10].

Maar voor wie Zondag 1 kent, gaat dat laatste bijna als vanzelf.
Immers, de Heilige Geest van Jezus Christus maakt ons “van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”.
Dat is, op de keper beschouwd, een hoogst belangwekkende klimaatverandering!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[2] Jeremia 10:3, 4 en 5.
[3] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Yoctogram ; geraadpleegd op dinsdag 8 augustus 2017.
[4] Jeremia 10:10 a.
[5] Jeremia 10:21.
[6] Jeremia 10:23.
[7] Zie https://www.rd.nl/boeken/conservatieve-kritiek-op-stuurloze-westerse-cultuur-1.1421225 ; geraadpleegd op woensdag 9 augustus 2017.
[8] De gegevens van dit boek zijn: Tom Zwitser, “Permafrost. Een filosofisch essay over de westerse geopolitiek van 1914 tot heden”; deel I: Oppervlaktes. – Groningen: De Blauwe Tijger, 2017. – 509 p.
[9] Openbaring 3:10.
[10] Romeinen 12:9 en 10 a.

1 augustus 2017

Het brood en onze keuzes

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen”. Dat is de laatste zin van Zondag 50 van de Heidelbergse Catechismus.
In die Zondag wordt de vierde bede van het ‘Onze Vader’ uitgelegd: “Geef ons heden ons dagelijks brood”[1].

Daarbij wordt onder meer verwezen naar woorden uit Jeremia 17. Die woorden citeer ik in hun context:
“Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en die een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn ​hart​ van de HEERE afwijkt.
Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn,
in zilt en onbewoond land.
Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is”[2].

Wij moeten dus op de Here vertrouwen. Wie het van mensen verwacht, wordt altijd beschaamd.

De zonde is in uw harten gegraveerd, zegt Jeremia[3]. De Tien Geboden waren indertijd op twee stenen tafels gegraveerd. Maar die geboden hebben de harten niet bereikt. Want de zonde is in onze harten gegraveerd.
Graveren: dat doet u met zorg. U kerft niet zomaar wat in een wand. Welnee. U maakt een mooie afbeelding. U schrijft mooie letters. Het moet duidelijk zijn wat u wilt overbrengen. Zo wordt, zo zegt Jeremia impliciet, zorg aan de zonde besteed.

Vaders en moeders zorgen goed voor hun kinderen[4]. Zij zorgen er, als het even kan, voor dat er kleding en voedsel is. Vaders en moeders stoppen daar heel wat energie in. Zo nodig gaan zij voor hun kinderen door het vuur.
Welnu, zo wordt de zonde gekoesterd.

Gods volk heeft zich, zo blijkt uit Jeremia 17, geheel en al aan de afgoderij overgegeven[5].
Zelfs de tempelberg zal buit worden. Het wordt door anderen geannexeerd, veroverd.
De vrijheid is weg, de slavernij is terug. Het volk gaat in ballingschap!

Als dat alles gezegd is, worden in Jeremia 17 twee wegen getekend:
* vertrouwen op mensen
* vertrouwen op de God van het verbond.

In Jeremia 17 wordt gesproken over een kale struik in de vlakte.
Een uitlegger noteert daarbij: “De mens die verkeerd handelt, wordt vergeleken met een kale struik in de steppe (…). Deze struik is waarschijnlijk een jeneverbesachtige, die geen bladeren, maar naalden heeft en op de droge plaatsen in en rond Israël gevonden wordt. Met ‘het goede’ in de beeldspraak zal de regen bedoeld zijn, maar de struik ‘ziet’ het niet, dat wil zeggen: merkt er niets van, maar blijft kaal en droog. De plaats van de struik is namelijk in de droge plaatsen die onbewoond zijn en zout. Zout in de grond is een vloek omdat het landbouw onmogelijk maakt”[6].

Dit alles overpeinzend, kom ik uit bij de verontrusting op het kerkplein. In verband met mensen in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), met name. Maar ook bij alle andere verontrusting die er in het kerkelijk leven vaak is.

Men kan zich voorstellen dat u vraagt: hoor eens, is dat niet wat overdreven? En ook: we kunnen, anno 2017, toch niet alles zo maar afgoderij noemen?

Welnu, volgens de Heidelbergse Catechismus is afgoderij: “in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt”[7]. De cultuur, bijvoorbeeld. Of: de eigen beleving, bijvoorbeeld.

Aan zulke afgoderij kunnen we zomaar, ongewild, meedoen.
Soms is het nodig om heel duidelijk te zeggen: wij willen hier vrij van blijven! En dat geldt vandaag niet minder dan vroeger.

Laat ik van dat laatste een voorbeeld geven.

Ik denk aan de Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant H.G. Gunnink. Hij was één van de initiatiefnemers van een enkele weken gehouden bijeenkomst in het Groningse Bedum. Aldaar kwamen mensen bijeen die verontrust zijn over de besluiten die door de recent gesloten generale synode van de GKv genomen zijn ten aanzien van de vrouw in het ambt[8].
Op die avond kwam het begrip ‘vrijmaken’ nadrukkelijk aan de orde.
In een interview met een verslaggever van het Reformatorisch Dagblad legt dominee Gunnink uit wat hij met ‘vrijmaken’ bedoelt: “Met vrijmaken bedoel ik dat de kerkenraden heel nadrukkelijk, en vooral aan de eigen gemeente, bekend maken dat zij niet instemmen met deze besluiten. En dat dat dan consequenties zal hebben… – ja, maar elke kerkenraad zal ook weer voor zichzelf moeten bekijken hoe dat consequenties heeft en welke consequenties er zullen zijn”. Er is voor kerkenraden heel veel werk te doen, zegt dominee Gunnink. Aan de gemeenteleden moet duidelijk gemaakt worden wat er op het spel staat en waar het om draait[9].
Ziet u?
Op momenten als deze moeten gelovige mensen zeggen: hier wil ik vrij van blijven! Oftewel: hier wil ik niet bij horen!

Nu ga ik weer terug naar Zondag 50, en naar de bede “geef ons heden ons dagelijks brood”.
Die bede betekent eigenlijk: geef ons, door het voedsel uit Uw hand, de rust en de kalmte om de juiste keuzes te maken.
Die bede betekent, als ik het goed zie, eigenlijk: geef ons, door het voedsel uit Uw hand, de energie om achter U aan te gaan, en niet onze eigen zin te doen. Wie dat laatste doet, zal uiteindelijk geestelijk verdrogen en kaal worden; dat kan even duren, maar toch.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat betekent ook: geef ons dagelijks het levende brood. U weet wel – dat brood dat in Johannes 6 bedoeld wordt: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld”[10].
Van dat brood moeten we blijven eten. De voedende kracht van dat brood kan ons redden.

Van zelfgebakken brood blijven wij honger houden.
Begrijpt u wel?

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 50, antwoord 125.
[2] Jeremia 17:5, 6 en 7.
[3] Jeremia 17:1: “De ​zonde​ van Juda is opgeschreven / met een ​stift​ van ijzer, / met een punt van diamant / ingegrift op de schrijftafel van hun ​hart / en op de ​horens​ van uw ​altaren”.
[4] Jeremia 17:2: “Zoals zij aan hun ​kinderen​ denken, / denken zij aan hun ​altaren​ en hun gewijde palen, / bij bladerrijke bomen, op de hoge heuvels”.
[5] Jeremia 17:3 en 4: “Mijn berg in het veld, / uw vermogen, al uw schatten, / zal Ik als buit geven – uw hoogten vanwege de ​zonde / in heel uw gebied. Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb, / met rust moeten laten, / want Ik zal u uw vijanden doen dienen / in een land dat u niet kent. / U hebt immers in Mijn toorn een vuur aangestoken, / dat tot in eeuwigheid zal branden”.
[6] Geciteerd uit de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Jeremia 17:5-13.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 95.
[8] Die bijeenkomst vond plaats op woensdagavond 12 juli 2017 in de Maranathakerk te Bedum.
[9] Geciteerd van de video behorend bij https://www.rd.nl/kerk-religie/bezinningsavond-bedum-synodebesluiten-gkv-gaan-in-tegen-het-woord-1.1415921 ; geraadpleegd op vrijdag 14 juli 2017.
[10] Johannes 6:51.

14 juli 2016

Geduld gevraagd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De grondwet van God laat altijd een duidelijke ondertoon horen[1]. Zelfs sociologen hebben dat in voorbije tijden toegegeven. Over opvoeders in de Gereformeerde gezindte schreven twee van hen eens in een boek: “Ouders weten hun waarden in grote trekken op hun kinderen over te dragen, zonder dat dit bij de meeste van hen op veel verzet lijkt te stuiten”. Het boek waaruit dat citaat komt, verscheen in 1997. Bijna twintig jaar geleden dus[2].

Sinds 1997 is er wel het een en ander veranderd.
De werkelijkheid van vandaag is dat de grondwet van God maar al te vaak op eigenmachtige wijze wordt uitgelegd.
Veel rijkdom uit het verleden wordt in het archief gezet. Al die zaken uit voorbije tijden worden nu niet meer zo belangrijk gevonden. De tijden zijn veranderd, nietwaar?
Henk Hagoort, momenteel nog bestuursvoorzitter van de Nederlandse Publieke Omroep, zei onlangs in het Nederlands Dagblad: in de evangelische, charismatische traditie “gaan dingen verloren die mij kostbaar zijn. De woordrijkdom van het lied, bijvoorbeeld. Waarom kan het niet wat poëtischer, waarom moet ik zes keer dezelfde regel zingen? Verder: de vormen van de klassieke liturgie, de diepte van de exegese — ik kan erom rouwen als dat allemaal verdwijnt”[3].
Daar ziet u er iets van. Wat gaat er, bijna ongemerkt en gaandeweg, veel verloren!
Het moet gezegd: de geloofsoverdracht heeft in veel gezinnen die zich Gereformeerd noemen geen al te hoge prioriteit. ‘Wat mijn kinderen geloven, dat moeten ze later zelf weten’.
Wij zien dan ook dat kinderen uit Gereformeerde gezinnen zich overal en nergens bevinden. Met name evangelische gemeenschappen oefenen een grote aantrekkingskracht uit. De spreker van hierboven liet het al blijken.

Is dit alles nog te keren?
Menselijkerwijs kan men zeggen dat dat niet het geval is.
De mensen zeggen:
* Gereformeerde kerken raken uit de tijd.
* Gereformeerde kerken zijn hopeloos ouderwets
enzovoort.
Maar dan zijn we nog niet uitgepraat.

Laten wij eerst zonder omwegen uitspreken: de oplossing komt van God, en de verlossing wordt bewerkt door Hem.

Nu het hier om gaat, neem ik u vandaag mee naar Jeremia 27.

Ik citeer eerst enkele teksten uit dat hoofdstuk.
“Gij dan, geeft geen gehoor aan uw profeten, uw waarzeggers, uw dromers, uw toekomstvoorspellers en uw tovenaars, die tot u zeggen: Gij zult de koning van Babel niet dienstbaar blijven”[4].
“Geeft dus geen gehoor aan de woorden der profeten die tot u zeggen: Gij zult de koning van Babel niet dienstbaar blijven, – want leugen profeteren zij u”[5].
“Ook tot de priesters en dit gehele volk heb ik gesproken: Zo zegt de Here: Geeft geen gehoor aan de woorden der profeten die u profeteren: Zie, het vaatwerk van het huis des Heren zal uit Babel teruggebracht worden, nu, met spoed! Want leugen profeteren zij u. Geeft hun geen gehoor, blijft de koning van Babel dienstbaar, dan zult gij het leven behouden. Waarom zou deze stad een puinhoop worden?”[6].

In Jeremia 27 zijn toekomstvoorspellers aan het woord.
Die sprekers voorspellen een blijde toekomst.
Wat?
Een mooie toekomst?
Maar dat past toch niet bij Jeremia?
Nee, inderdaad.
Somberheid – dat is typisch iets in zijn profetieën.
Maar waarom zijn Jeremia’s uitspraken zo donker en zo zwart? Antwoord: omdat hij het Woord van de Here door moet geven.

De mensen hebben er een rommeltje van gemaakt.
En wat is hun grondfout? Ze beginnen in hun eigen belevingswereld. De vraag is voortdurend: wat kunnen wij er aan doen?
In Jeremia 27 bereiden afgezanten van Edom, Ammon, Tyrus en Sidon een opstand voor. Een opstand tegen Babel is het. En Zedekia, de koning van Juda, wordt uitgenodigd met die opstand mee te doen.
Het motto is: wij moeten iets aan die Babylonische macht doen.
Oftewel: wij moeten samen strijd leveren.
En let op: dan zullen wij overwinnen.
De opdracht van God is echter zich te schikken naar de wil van Babels koning, Nebukadnezar.
“Naar Babel zal het gebracht worden en daar zal het zijn tot de dag dat Ik ernaar omzie, luidt het woord des Heren, en het haal en terugbreng naar deze plaats”[7].
In Jeremia 27 hebben we te maken met een straf van God.
En de toestand gaat pas veranderen als de hemelse God een keer in de situatie gaat brengen.
De kwestie is dus: God heeft alle macht; Hij deelt de lakens uit.

Ziet u hoe vers 9 begint?
Gij dan” – dat is een attentiesein. Jeremia zegt: mensen, hier volgt een uiterst belangrijk bericht! Een bericht waarmee de profeet van God plaatsneemt tegenover ’s lands profeten, tovenaars en waarzeggers.
Zeg maar maar gerust: Jeremia in z’n eentje tegenover een heel regiment toekomstvisie. En dat hele regiment profeteert ook nog vals. De Here had het in Jeremia 23 al gezegd: “Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in mijn naam vals profeteren: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd!”[8].

Jeremia zegt:
* mensen, luister niet naar die leugenaars
* mensen, negeer al die praatjesmakers
* mensen, geef gehoor aan de dingen die God zegt
* mensen, de verlossing komt van God
* mensen, wacht Gods grote daden af.

Die boodschap is, als u het mij vraagt, ook vandaag hoogst actueel.

De evangelische gemeenschappen winnen in Nederland steeds meer terrein. De mensen zeggen:
* ik voel…
* ik heb mijn hart opengesteld…
* ik heb mijn keuze gemaakt.
Een heel klein groepje Gereformeerden roept: maar alles begint bij God. De grote massa evangelischen overstemt hen echter steeds meer.

Wie heeft er gelijk?
Gelet op Jeremia 27 zeg ik: de Gereformeerden.
Alles begint bij God. Dat is in Jeremia 27 zo. In 2016 is dat heus niet anders.

Van Gereformeerde mensen wordt een keuze gevraagd.
Een keuze ten bate van onze eigen generatie.
Een keuze voor vele generaties na ons, als de Here die geeft.
Jeremia laat het zien: de Here biedt een echte, een blijvende, een gegarandeerde toekomst.
Vele mensen die eertijds Gereformeerd waren, zijn nu een beetje onzeker. Want ach, alles verandert. Gereformeerd blijven, dat raakt zoetjes aan uit de tijd.
Wat kunnen we nog met onze vroegere overtuigingen?

De God van Jeremia 27 toont ons dat wij geduldig op Hem moeten wachten.
Wij mogen weten: de God van het verbond zal te Zijner tijd ingrijpen.

Voor wie dat gelooft, worden onzekere periodes mooie tijden.
Wij weten dat Gods Woord in de handbagage van het leven werkelijk onontbeerlijk is!

Gereformeerden moeten dat blijven verkondigen.
Wat anderen ook zeggen.
Hoeveel protest er ook klinkt.
Want de Waarheid mag en moet geproclameerd worden!

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 6 september 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 537 en is getiteld ‘Onontbeerlijke handbagage’.
[2] Het citaat komt uit Christien Brinkgreve/Bram van Stolk, “Van huis uit; Wat ouders aan hun kinderen willen meegeven – een onderzoek naar sociale erfenissen”. – Amsterdam: Meulenhoff, 1997. – 200 p. Geciteerd via het Nederlands Dagblad, zaterdag 28 juni 1997.
[3] Dick Schinkelshoek, “Zet dominees niet in talkshow” – vraaggesprek met Henk Hagoort. In: Nederlands Dagblad, maandag 4 juli 2016, p. 15.
[4] Jeremia 27:9.
[5] Jeremia 27:14.
[6] Jeremia 27:16 en 17.
[7] Jeremia 27:22.
[8] Jeremia 23:25.

10 mei 2016

Woord, werk en verwachting

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het gebod ‘Gij zult niet stelen’ heeft, als u het mij vraagt, alles te maken met het niveau waarop wij leven.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant C. van Dijk zei in een preek over Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus eens: “Hij wil dat wij, dat jij en ik, deugen als mensen. Dat we tot ons recht komen, dat we doen waarvoor we bestemd zijn. En dat is: Gods evenbeeld zijn.
Daarom geniet ons leven bijzondere bescherming. Pleeg geen moord.
Daarom zijn onze relaties bedoeld voor topkwaliteit. Pleeg geen overspel.
En daarom hebben we een taak. Kunnen we niet door te stelen aan de kost komen. Steel niet”[1].
De hemelse God brengt ons leven op een hoger peil!

Laten we elkaar geen mietje noemen. Wij kunnen in ons godsdienstig leven heel goed de schijn op houden.

Dat is ook in het Oude Testament al zo.

In Jeremia 7 draait de Here er niet omheen.
Jeremia zegt: “Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de Baäl offers ontsteken en andere goden achternalopen, die gij niet gekend hebt – en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik – zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren”[2].

Wat betekent dat voor ons, in deze tijd?
Naar mijn overtuiging houdt dat onder meer het volgende in.
1.
Wij moeten eerlijk met onze broeders en zusters omgaan. Rechtvaardig en zachtmoedig. Verborgen agenda’s zijn uit den boze.
2.
Wij moeten aandacht hebben voor vreemdelingen. Als er één ding in onze tijd actueel is, dat is het dat toch wel? Vreemdelingen zijn geen getallen. Het zijn mensen die onze God geschapen heeft!
3.
Wezen, weduwen en weduwnaars mogen wij niet vergeten. Heel vaak kunnen zij wel wat steun gebruiken. In financieel opzicht. Maar ook in geestelijk opzicht. Want het voelt zo vaak alsof je gekortwiekt bent. Voor weduwnaars en weduwen is de glans meestal van het leven af. Het was zo mooi, maar nu
4.
Mensen die zeggen gelovig te zijn, hebben soms ook boeddhabeeldjes in huis staan. En ach, zien die mensen die huisaltaartjes in huis hebben er niet aandoenlijk uit? Welnu, via Jeremia zegt de Here tegen ons: mensen, trap er niet in! En Hij laat ons ook weten: doe vooral niet net alsof je Mij hier echt mee dient; want Ik gruw ervan!

Diefstal is niet zelden een symptoom van de sfeer in een land.
Denkt u in dit verband maar aan Hosea 4: “Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad. Daarom treurt het land, en al wat erin woont verkwijnt, zowel het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om.
Laat maar niemand een aanklacht inbrengen en laat maar niemand een terechtwijzing uiten, aangezien mijn aanklacht u geldt, o priester! Gij zult struikelen bij dag, en met u zal ook de profeet struikelen bij nacht, en verdelgen zal Ik uw moeder. Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten”[3].
Hosea koppelt het dagelijks leven in zijn land met de gang van zaken in de kerk. Dat doet hij zonder terughoudendheid.
Het volk kent God niet meer. Het volk negeert Hem.
Dat wil niet zeggen dat het volk niet weet wie God is. Natuurlijk hebben ze van Hem gehoord. Maar het leven is er niet naar. De priesters, die het volk Godskennis moeten bijbrengen, doen hun werk niet goed.
Als wij dat tot ons laten doordringen, beseffen we eens te meer hoe belangrijk het is dat het Evangelie luidkeels verkondigd wordt. En we realiseren ons weer dat we moeten doen wat we zeggen.
In de wereld geldt: geen woorden maar daden.
In de kerk geldt: het Woord, het werk en de verwachting.

Ja, ook die verwachting.
Want in Mattheüs 6 staat niet voor niets: “Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”[4].
In Jezus’ tijd waren pronkgewaden populair. Maar de mot maakte veel kapot.
Ook houten kisten en meubels waren erg geliefd. Het is de vraag of het hier over roest gaat. Wellicht moeten we aan houtworm denken[5].
Hoe dat zij – laten wij ons maar niet al te zeer hechten aan aardse goederen. Die zijn onderhevig aan slijtage; ze gaan naar verloop van tijd zomaar kapot. Als we ons niet al te strak verbinden met aardse spullen wordt vrijgevigheid trouwens ook een stuk makkelijker.
Maar bovendien hebben we hier toch geen definitief domicilie.
Gods kinderen krijgen een vaste verblijfplaats in de hemel. Daar moet onze verwachting op gericht zijn.

Hoe behandelen wij onze naasten?
In Zondag 42 leren wij dat wij het welzijn van onze naaste, waar dat kan, moeten bevorderen. Wij moeten zo met hen doen, als wijzelf willen dat men met ons doet[6].
Als wij bedenken wat God met ons doet, wordt die instructie ineens veel begrijpelijker!

Noten:
[1] Zie https://www.gkvcapelle.nl/index.php/zondag-42/item/528-zondag-42 . Geraadpleegd op maandag 2 mei 2016.
[2] Jeremia 7:4-11.
[3] Hosea 4:2-6.
[4] Mattheüs 6:19, 20 en 21.
[5] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij de Mattheüs 6:19.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, vraag en antwoord 111 luiden:
“Wat gebiedt God u in dit gebod?
Antwoord:
Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet. Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen”.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.