gereformeerd leven in nederland

1 juli 2019

Spiritualiteit centraal?

Spiritualiteit is in. Wij moeten op het geestelijke gericht zijn. Beter nog: op de Geest van God.
De van oorsprong Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen maakt er werk van.
Het Nederlands Dagblad meldt op donderdag 27 juni 2019: “De Theologische Universiteit Kampen begint in 2020 een nieuwe eenjarige master spiritualiteit, samen met twee vernieuwingsbewegingen op het gereformeerde erf, het charismatische New Wine en het monastieke Contemplatio.
Dat maakt de vrijgemaakt-gereformeerde theologieopleiding vandaag bekend. Hoogleraar Ad de Bruijne, verantwoordelijk voor de vakgebieden ethiek en spiritualiteit, gaat de master leiden. Hij wordt daarin ondersteund door universitair docent Hans Burger, de Zwolse dominee Jos Douma, die betrokken is bij Contemplatio en veel schrijft over (monastieke) spiritualiteit, en Ronald Westerbeek, de huistheoloog van New Wine. Er worden ook gastdocenten aangetrokken.
De master is bedoeld voor dominees, studenten en allen, bijvoorbeeld geestelijk verzorgers of therapeuten, die in de dagelijkse praktijk te maken hebben met christelijke of juist moderne vormen van spiritualiteit, zegt De Bruijne”.
Er wordt gezegd: “Hoe lees je meer geestelijk de bijbel? Hoe pas je de Bijbel op jezelf toe? Hoe ontmoet je God door de woorden van de Schrift heen? Dat komt ons niet aanwaaien”[1].

Dat laatste is zonder twijfel waar.
Maar wie God wil ontmoeten, door de woorden van de Schrift heen, moet eerst en vooral Zijn Woord lezen. Hij moet geloven wat God zegt. Hij moet in het leven met Hem optrekken. Hij moet, om een Schriftuurlijke term te gebruiken, wandelen met zijn God[2].
Om spiritueel te zijn hoeft men echt niet academisch geschoold te wezen. Iedereen kan het. Ook Jan met de pet.

Spiritualiteit is een vaag woord.
Het is niet in lijn met de Heidelbergse Catechismus. Met Zondag 1 bedoel ik. Leest u maar mee: “Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[3].
Daar is niks vaags aan.
Dat betekent: garanties voor een heerlijk leven, en vervolgens blijmoedig-christelijk aan het werk. Dat betekent: er is een hoop te doen in de wereld – aanpakken!

Is vervolgens alles rozengeur en maneschijn?
Nee. Zeker niet. Integendeel.
Want mensen hebben altijd weer de neiging om bij God weg te lopen. Dat gaat een tijd lang goed; zo lijkt het althans.
Maar de Here ziet heus wel wat er gebeurt. En na verloop van tijd, lange tijd soms, wordt Gods toorn merkbaar. Heel duidelijk merkbaar, soms.

Dat zien wij bijvoorbeeld in Jeremia 9.
Nee, dat is geen opgewekt kapittel in de Bijbel.
Jeremia spreekt over bedrog en trouweloosheid van Gods volk. “Zij gaan voort van slechtheid naar slechtheid”[4]. In het land is niemand meer te vertrouwen. Zelfs vrienden laten elkaar keihard vallen. Onrecht is aan de orde van de dag. De mensen willen God niet eens meer kennen.
Dat kan de Here niet over Zijn kant laten gaan!

Jeremia heft, als woordvoerder van de Here, een klaagzang aan.
Het land is kaal, zegt hij. En onherbergzaam. Je zou het gebied het liefst willen mijden. Voor de vogels is nergens voedsel; zij vertrekken dus ook maar.
Welnu, Jeruzalem zal eenzelfde lot treffen. Het wordt een puinhoop. Niet meer dan onafzienbare rijen ruïnes. Het is duidelijk – daar wil geen kip meer wonen.

En door de ziel prangt een vraag. Eén grote vraag. Waarom?

Jeremia geeft het antwoord.
Gods volk is bij zijn Leider weggelopen. Men heeft niet meer naar Hem geluisterd. Men heeft eigen wetten ontworpen. Men leefde naar eigen inzicht. Alhoewel – echt eigen inzicht was het ten diepste niet. Men heeft het namelijk van vaders en moeders afgekeken. ‘Zo zijn wij opgevoed’, zeggen de mensen in koor.
‘Ik zal u mores leren’, zegt God. Het voedsel zal bestaan uit alsem – niet te eten, zo bitter is het – en galwater. Dat is vieze troep; laten wij dat maar ronduit tegen elkaar zeggen.
Het volk wordt uiteen geslagen; Gods volksgenoten wonen overal en nergens. Zij zijn, als het erop aan komt, nergens thuis. Vreemdelingen zijn ze – allemaal. Inburgeringscursussen zijn er niet. Die helpen trouwens ook niet veel.
Gods volk moet, door toedoen van de almachtige Heer, voortdurend bang zijn voor oorlog en dood. Roep de klaagvrouwen maar gauw, zegt God; dan kunnen de dames zich rap gaan voorbereiden op het droevige werk dat zij moeten gaan doen. Laten zij zo snel mogelijk komen; er is haast bij!
De kerkstad Sion – Jeruzalem – is een metropool van rouw en verdriet. En, zegt de Here, geef het klaaglied maar aan elkaar door. Laten alle vrouwen maar met de klaagliederen meezingen. De dood is vlakbij![5]

Maar daarmee is niet alles gezegd.

Want de Here zegt tegen Zijn woordvoerder: “Spreek: Zo spreekt de HEERE: De dode lichamen van de mensen liggen als mest op het open veld, als een graanschoof achter de maaier, die niemand verzamelt.
Zo zegt de HEERE: Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte, laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom. Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen dat hij begrijpt en Mij kent dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs, recht en ​gerechtigheid​ op de aarde doe, want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE”[6].

Laten wij thans opnieuw de wereld van 2019 binnenwandelen.

Academisch redeneren over spiritualiteit? Dat klinkt reuze deftig.
Echter – Gereformeerden moeten zich – met een schuin oog op Jeremia 9 – realiseren dat alles van God afhangt. Hij moet ons vasthouden. Hij moet ons, om zo te zeggen, steeds weer aan de gang maken.

Spiritualiteit heeft iets vaags.
Er is een verbinding met iets bovenaards.
En als je die verbinding kwijt bent, moet je ‘m snel weer herstellen.

Laten Gereformeerden zich maar spiegelen aan de positieve taal van de Heidelbergse Catechismus.
Waar geloof is onder meer “een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus”[7].

Laten we ’t nooit vergeten: als wij God maar een beetje laten praten, maken we van ons leven uiteindelijk een puinhoop. En vaak slepen we dan mensen uit onze omgeving in onze afgang mee.
Jeremia leert ons: als u zich dan per se ergens op wilt laten voorstaan, laat het dan maar zijn op het vreugdevolle feit dat u de God van hemel en aarde kent.

Dan schrompelt spiritualiteit ineen.
Dan kunnen allerlei publicaties over menselijke zoektochten in de kast blijven.
Dan wordt spiritualiteit iets uit een wereld waar wij niet bij horen.

Noten:
[1] Geciteerd uit: “Kampen: master spiritualiteit met New Wine en Contemplatio”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 juni 2019, p. 3. En: “Academisch nadenken over een leven met God”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 juni 2019, p. 6 en 7.
[2] Zie bijvoorbeeld Micha 6:8: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God”.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[4] Jeremia 9:3 b.
[5] Zie voor het bovenstaande Jeremia 9:1-21.
[6] Jeremia 9:22, 23 en 24.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.

15 april 2019

Rust bij code rood

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Wij leven, zegt men, in een onrustige tijd.
Dat klinkt heel actueel. Maar het is van alle eeuwen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit Jeremia 4. Ik citeer: “Mijn binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen, wanden van mijn ​hart! Mijn ​hart​ is onrustig in mij, ik kan niet zwijgen, want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal en krijgsgeschreeuw”[1].

Jeremia is dus ook onrustig.
Waarom?

Wie een ogenblik naar Jeremia 4 als geheel kijkt, ziet dat God Zijn volk oproept om de afgoden weg te doen. ‘Kom bij Mij terug!’.
Spreek de waarheid, zegt God. Zorg voor eerlijke rechtspraak.
Dat trekt ook mensen uit het buitenland aan. Want zij zullen zeggen: wij willen dat ook wel; wij willen ook door de Here gezegend worden!
Maar de God van hemel en aarde spreekt vooral tegen Zijn volk, rechtstreeks en zonder meel in de mond: Begin maar helemaal opnieuw! Ga Mij weer gehoorzamen. Niet alleen met woorden; zorg dat je er met hoofd en hart bij bent.
Maar nee, de boodschap vanuit de hemel is niet alleen maar vreedzaam. In Jeremia 4 heerst geen rustig sfeertje, waarbij je lekker rustig in je stoel achterover kunt leunen.
Het is namelijk code rood!
Alarm!
Wegwezen – en snel!
Want er komt een ramp aan!
Er is een vijand in aantocht, vanuit het noorden. Het land wordt verwoest. Er blijft niets meer van over. In feite wordt het land één grote ruïne. Eén enorme troep – kilometers lang en onafzienbaar breed.
Hé?
Wat is dat nou?
Jeremia begrijpt er niets meer van. Helemaal niets.
De Here had notabene vrede beloofd. En dan krijg je oorlogsdreiging en rampzaligheid!
Maar de Here is onverbiddelijk.
Er komt een verwoestende storm. Want Zijn volk heeft straf verdiend. En niet zo’n klein beetje ook!
De schrik slaat Jeremia om het hart. Zijn geestesoog ziet de vijand met een enorme krijgsmacht oprukken! De mensen in zijn omgeving moeten echt rap zorgen dat ze het veld ruimen!
Welnu, zegt de Here, in feite is het gedrag van Mijn volk de oorzaak van de straf. ’t Is gewoon eigen schuld! Dan had Mijn volk maar beter moeten luisteren, en gehoorzamer moeten wezen.

Het is daarom dat Jeremia zegt: ik ben zo verschrikkelijk onrustig!

We leven in 2019 ook in onrustige tijden, zegt men.
Een paar jaar geleden – het was in 2016 – schreef een Belgische filosoof een boek met de titel ‘Rusteloosheid’[2].
Die filosoof – Ignaas Devisch heet hij – is zelf trouwens ook geen stilzitter. Hij is hoogleraar filosofie in Gent en onderwijst aan de medische faculteit van de Universiteit Gent en de Gentse Arteveldehogeschool[3].
Wat staat er in dat boek? Onder meer dit.
Het leven is uiterst gejaagd. Velen, zeer velen zijn overspannen of zelfs volledig burn-out.
Helemaal niets doen? Daar heeft niemand tijd meer voor…  Echt rondlummelen – nee, dat gaat niet meer werken.
Maar dat verhaal over eindeloze drukte doet eigenlijk al eeuwen de ronde.
Zou het, zo vraagt de Belgische filosoof zich af, zo kunnen wezen dat passie, creativiteit en verlangen bevorderd worden omdat we met z’n allen zo ongedurig zijn?
De schrijver stelt: het is juist goed om het mateloos druk te hebben![4]

Dat klinkt best plausibel.
Maar de vraag is gerechtvaardigd: zou veel van die verterende drukte en een aantal van die (bijna-)overspanningen veroorzaakt kunnen worden doordat men, om het maar eens klassiek uit te drukken, de weg van de Here verlaat?
Wij moeten dat niet uitsluiten. Het is ook niet overdreven om het waarschijnlijk te achten. We mogen er zelfs gerust van uit gaan dat het zo is.

In dat geval is de boodschap voor de kerk duidelijk: luister naar Gods Woord en gehoorzaam Hem. Dat geeft namelijk rust in de ziel.
Niet dat de drukte in het leven er minder groot door wordt. Dat niet. Maar we moeten goed bedenken dat men van werken op zichzelf veelal niet overspannen wordt. Burnout-klachten en dergelijke worden eerst en vooral veroorzaakt door de spanning rond al die arbeid.

Misschien zegt iemand: Jeremia 4 maakt het er allemaal niet vrolijker op. Het is immers allemaal oorlog en verderf? Is dit nu Evangelie?
Maar wie dat mompelt, moet Jeremia 4 nog eens goed lezen.
Want daar staat ook: “Was het kwaad van uw ​hart​ af, ​Jeruzalem, opdat u verlost wordt[5]. En ook: “Want zo zegt de HEERE: Heel het land zal een woestenij worden – toch zal Ik er geen vernietigend einde aan maken[6]. De Heer van hemel en aarde gooit niet voor altijd de hele boel plat.
Er is hoop.
De Here is trouw aan Zijn eens gegeven woord.

Wie dat beseft, ziet dat de vreugde in zijn leven weer opvlamt. Wie zijn leven aan de Here overgeeft, mag en moet het zich realiseren: bij God is het veilig. Overal en altijd!

Noten:
[1] Jeremia 4:19.
[2] De gegevens van dat boek zijn: Ignaas Devisch, “Rusteloosheid – pleidooi voor een mateloos leven”. – Amsterdam: De Bezige Bij b.v., 2016. – 320 p.
[3] Zie https://www.filosofie.nl/nl/artikel/45455/ignaas-devisch-onze-rusteloosheid-hoort-bij-ons.html . Zie over hem ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Ignaas_Devisch . De internetpagina’s zijn geraadpleegd op vrijdag 12 april 2019.
[4] Zie voor een samenvatting van het boek https://www.youbedo.com/boeken/rusteloosheid-9789023494188 ; geraadpleegd op vrijdag 12 april 2019.
[5] Jeremia 4:14 a.
[6] Jeremia 4:27.

25 februari 2019

Licht schijnt in een schijnwereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Misdaadorganisaties dreigen onze samenleving te ondermijnen met hun nietsontziende criminele activiteiten. Deze zware vorm van georganiseerde criminaliteit is weliswaar niet altijd direct even zichtbaar, maar is bezig zich sluipenderwijs in te vreten in de fundamenten van onze samenleving”.
Zo staat dat in de krant[1].
Dat is de situatie van 2019.

De gewone burger voelt zich wellicht machteloos. Wat moet je tegen zo’n onzichtbare macht doen?
De Gereformeerde kerkmens heeft misschien het gevoel dat hij in een andere wereld leeft. En dat is ook zo. Hij is immers toegetreden tot het koninkrijk van God?
En ja, misschien heeft die kerkmens ook wel het idee: laat maar, je kunt er toch niets meer tegen uitrichten.

Verandert er fundamenteel eigenlijk wel iets in de wereld?
Je zou denken van niet.

Sterker – in Jeremia 7 is het nog een graadje erger.
Want daar blijkt het gros van het kerkvolk bedorven te wezen: “Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit! een, als gij werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, ​wees​ en ​weduwe​ niet verdrukt, geen onschuldig ​bloed​ vergiet op deze plaats en ​andere ​goden​ niet achternaloopt, u tot onheil, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt uw vertrouwen op bedrieglijke woorden, zonder bate. Wat? Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren, voor de ​Baäl​ ​offers​ ontsteken en ​andere ​goden​ achternalopen, die gij niet gekend hebt – en komt gij dan staan voor mijn aangezicht in dit ​huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn geborgen! ten einde al deze gruwelen te bedrijven? Is dit ​huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik – zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des Heren”[2].

Die proclamatie richt Jeremia aan het adres van mensen die naar de tempel gaan.
De vraag hangt in de lucht: kunt u zo wel naar de kerk gaan?
De kwestie die de profeet aan de orde stelt is deze: je komt er niet met keurige ritueeltjes, met nette kerkgang, met kerkelijke gewoontes die er mooi uit zien.
God prikt moeiteloos door een schijnwereld heen.

Het gaat niet om een schijnwereld, maar om een wereld waarin een licht schijnt.
Het licht van Mattheüs 5 bedoel ik: “U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. En ook steekt men geen ​lamp​ aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken”[3].
De mensen moeten het licht zien. In huis. En als het een beetje wil, schijnt het licht ook nog een beetje naar buiten.

Misschien… heel misschien schijnt het licht dan ook in de schijnwereld.

Dat samengestroomde volk uit Jeremia 7 ziet Jeremia wel aankomen.

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H. Bouma (1917-2000) omschreef de situatie in een preek eens zo.
Juda weet zich “zich veilig binnen de tempel, die als het ware een asiel vormt in de internationale ellende en spanningen. En men heeft daarvan zelfs z’n feestlied gemaakt. Een kort maar krachtig lied dat zo luid: Des HEREN  tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!
In de oorspronkelijke taal staat: des HEREN  tempel zijn deze. Daarbij denkt men aan al die gebouwen, er staat namelijk een heel tempelcomplex.
In dat simpele lied, waarin tot drie keer toe wordt genoemd des HEREN tempel, wil men blijkbaar, krachtens die herhaling, de grootst mogelijke nadruk er op leggen, dat deze gebouwen van niemand minder dan van God ZELF zijn. Het is, alsof ze het Hem, die hier tussen de cherubs woont, krachtig en overluid willen toeroepen: HERE, dit alles is toch van U? Daarom moet U maar over uw eigen huis en over uw volk, dat tot eer van U z’n psalmen zingt, de wacht houden. Dit is toch UW huis. U zult het sparen, o God.
Het is alsof men de HERE wil bezweren. Alsof men het Hem wil duidelijk maken: HERE, zie toch eens hoe druk wij bezig zijn met Uw dienst. Laat dit eens te meer reden voor U zijn, ons te sparen. Want als de Egyptische farao komt, of als Nebukadnezar de stad veroverd en het volk zal wegvoeren in ballingschap, wie zal er dan nog zijn om uw eredienst te vervullen? Wij zijn er toch? Houdt dat dan in stand. En als òf de één òf de ander, farao Necho òf Nebukadnezar, uw tempel zal verwoesten, HERE, waar zult U dan nog een plaats op aarde overhouden om er te wonen? Daarom zingen de Judeeërs uit volle borst hun psalm: des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!
En dan in één keer, terwijl het feest zijn hoogtepunt bereikt, verschijnt daar in de tempelpoort,  die toegang geeft tot het voorplein, de gestalte van de profeet Jeremia.
En hoor, hij heeft een boodschap van de HERE, voor hen allemaal.
O ja, ze verwachtten inderdaad een godswoord van de profeet.  Een antwoord op hun eredienst, op hun psalm. Ze rekenen erop dat de HERE  nu toch zou zeggen: stil maar mensen, Ik heb het wel gehoord hoor, Ik heb het wel gezien, Ik zal uw lot wenden en Ik zal u doen gaan op wegen van zegen.
Ik zal aan priesters bevelen, dat ze u die heerlijke zegen meegeven naar uw huizen toe. Dat u vrede krijgt.
Ja, ze rekenden stellig op zo’n goddelijke boodschap. En daar menen ze temeer reden voor te hebben als ze bedenken, dat lang niet alle Judeeërs aan dit feest zijn gaan meedoen.
Ondanks de hervorming die koning Josia heeft doorgevoerd zijn veel Israëlieten opnieuw vervallen in de diensten van andere goden, in de goden van deze eeuw.
Als de HERE dat ziet, dat zij het zijn dan zal Hij toch wel erg blij zijn, dat er toch nog mensen zijn overgebleven die Hem dienen. Dat er nog een ware kerk is, die in zijn heilige tempel samenkomt. Ja, de HERE zal stellig heel blij zijn met dit feest, in zijn tempel. Daarom verwacht men nu een blijde boodschap van de profeet. Men rekent op niet minder dan de vervulling van Gods zegen over het leven. Men rekent op niet minder dan: nu zal het vrede worden.
Maar dan opent de profeet zijn mond: Hoort het Woord des HEREN, o, gans Juda. Gij die door deze poorten binnenkomt om u neder  te buigen voor de HERE; zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden. Bedrieglijke woorden.
Zo noemt de profeet in Gods naam het mooie psalmliedje, dat men zong over de tempel van de HERE.
Bedrieglijke woorden”[4].

Wat een tegenvaller zal dat in Jeremia 7 geweest zijn!

Maar hoe zou het gaan als iets dergelijks in 2019 gebeurde?
Wat zouden wij zeggen als een woordvoerder namens God zei: u doet als paar Gereformeerden wel uw best, maar het is voornamelijk buitenkant…?

Wat het antwoord ook zijn moge – in Jeremia 7 klinken waarschuwingen:
* laat u niet meeslepen in een wereld vol misdaad en criminaliteit
* blijf niet hangen in de gedachte dat deze wereld niet meer te redden is
* blijf zo dicht mogelijk in de buurt van uw Redder!

Dit artikel begint met de strijd tegen synthetische drugs: middelen als efedrine, amfetamine, XTC.
Verdovende middelen dus. Middelen die je in een roes brengen. Bewustzijnsverruimende middelen.

Dergelijke middelen hebben we in de kerk niet nodig.

Door Gods Woord hebben we al zicht op een andere wereld.
Een wereld waar alle schijn heeft afgedaan. Een wereld die voor eeuwig blijft bestaan.
Het is die wereld waarover Jezus het in Mattheüs 5 heeft: “Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn”[5].

Noten:
[1] “Extra agenten voor strijd tegen synthetische drugs”. In: Nederlands Dagblad, maandag 18 februari 2019, p. 1.
[2] Jeremia 7:4-11.
[3] Mattheüs 5:14, 15 en 16.
[4] De preek van ds. H. Bouma gaat over Jeremia 7:1-15 en is gedateerd op zondag 14 augustus 1983. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
Jeremia’s profetie tegen Juda’s vals vertrouwen op zijn tempel.
Jeremia predikt hierin:
1. de voorwaarde die de HERE verbindt aan zijn tempelzegen (de verzen 1 tot en met 7).
2. de schending van Gods tempelwet door Juda (vers 8 tot en met 11 a).
3. de onafwendbare komst van het tempelgericht (vers 11 b tot en met 15).
[5] Mattheüs 5:11 en 12.

31 januari 2019

Vooruitzicht in de verzuchtingen

Klaagliederen – de naam van dat Bijbelboek zegt al veel. Er wordt in geklaagd. En niet zo’n klein beetje ook.
De profeet Jeremia componeert de liederen naar aanleiding van het feit dat Juda wordt veroverd door koning Nebukadnezar II. De ‘bovenlaag’ van de bevolking wordt in ballingschap weggevoerd naar Babel. De tempel van Salomo wordt verwoest[1].

Het Bijbelboek Klaagliederen verwoordt een zwaar lijden. Er is sprake van diepe rouw.
Er wordt echter ook schuld beleden. Er kan, zo blijkt, worden gesproken van collectieve schuld; bijkans heel het volk is ontrouw geworden aan God.

Maar in die deplorabele omstandigheden is toch ook Gods genade zichtbaar.
En nee, de Here stoot Zijn volk niet voor altijd weg.
Nee, de Here straft Zijn kinderen niet voor Zijn plezier. Integendeel! Maar de Here is beslist geen goedzak die alles maar goed vindt.

Het zijn echt klaagliederen.
Ze zijn heel poëtisch opgebouwd. Een exegeet schrijft: “Elk klaaglied bevat 22 verzen, naar de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet (Aleph, Beth, enz.), behalve hoofdstuk 3, dat 66 verzen heeft. Oorspronkelijk begint ieder vers met een Hebreeuwse letter in de volgorde van het alfabet, zoals ook sommige Psalmen, behalve het vijfde en laatste hoofdstuk. Hoofdstuk 3 bevat 66 verzen, beginnend met 3x A, dan 3x B, enz. Voor deze acrostische vorm is gekozen om aan te duiden dat het gaat om een allesomvattend verdriet (van A tot Z)”[2].

In Klaaglied 3 beschrijft Jeremia het diepe leed dat hij heeft doorstaan en zijn indringend gebed. Verder geeft hij duidelijk aan dat hij het nu van God verwacht.
Als er nu wat gaat veranderen, moet dat van Gods kant komen.

En er is één ding dat Jeremia heel zeker weet: de Here is de grote Eigenaar van zijn leven; de redding komt van Hem!
In Schriftuurlijke taal klinkt dat zo:
“Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel,
daarom zal ik op Hem hopen”[3].

Concentreert Jeremia zich vooral op zichzelf?
Nee.
Want in Klaaglied 3 zegt hij ook:
“Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn,
dat Zijn ​barmhartigheid​ niet opgehouden is!”[4].
En:
“Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht,
voor de ziel die Hem zoekt”[5].
Dat geldt dus voor iedereen.
Nee, Jeremia voert in de Klaagliederen beslist geen onemanshow op. In de Klaagliederen zien we geen eenzame sterveling die wanhopig een spandoek omhoog houdt. Jeremia heeft het oog op al zijn volksgenoten!

Waarom heeft Jeremia zo’n brede blik?
Antwoord: omdat hij zicht heeft op Gods trouw.
David, de dichter van Psalm 16 noemt de Here “mijn enig deel en mijn ​beker”[6].
De Here is mijn deel – dat zegt de dichter van Psalm 119 ook:
“De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd
dat ik Uw woorden in acht zal nemen”[7].
Mijn deel is de Here – die belijdenis betekent: de Here heeft, met mij en met heel Zijn volk, een verbond gesloten. Daarom zal Hij mij trouw zijn. En nee, Hij laat ons niet zitten. Nee, Hij laat ons niet zakken.
Dat is een zekerheid.
Nee, niet omdat God zo nu en dan een oogje dichtknijpt.
Die garantie is er omdat de Heer van hemel en aarde Zijn Verbondsvolk een toekomst biedt. Een toekomst voor Jeremia. En – bijvoorbeeld – voor Paulus, voor Timotheüs, voor Titus en… ja ook voor gelovige mensen van 2019.

Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte professor drs. H.J. Schilder (1916-1984) die op zondag 24 september 1972 te Langeslag preekte over Klaagliederen 3:22, 23 en 24[8].
Het thema van zijn preek was: “In het verbond van het verleden ligt het heden en de toekomst”.
Schilder verdeelde zijn preek in drie bijna poëtisch klinkende punten:
“1. Het verleden is niet voorbij
2. Het heden is meer dan nu
3. De toekomst is begonnen”.
In de formuleringen klinkt door dat de Here met Zijn werk doorgaat. Het leven is één, het hangt niet van stukjes aan elkaar. Van de eerste tot de laatste dag op aarde werkt de Here aan het heil van Zijn kinderen. Hij brengt hen bijeen. Hij leidt hen naar een nieuwe volmaakte wereld!

Even tussendoor –
wij leven in een tijd waarin mensen graag zelf kerkelijke keuzes maken. De één blijft Gereformeerd, nummer twee gaat naar een gemeente in de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk en een derde wordt baptist.
Welnu – de Klaagliederen doen ons weer eens beseffen dat onze God één volk formeert. Niet twee, of drie!

Wat moeten wij met de Klaagliederen beginnen in de eenentwintigste eeuw?
Meer precies: wat moeten wij in 2019 aanvangen met het derde Klaaglied?

Wij hebben de neiging om veel te klagen.
Over de maatschappij bijvoorbeeld, waarin de verdorvenheid soms de standaard lijkt te worden.
Over de kerk bijvoorbeeld. Want die is Gereformeerd, doch nog lang niet ideaal.
Over onze familie bijvoorbeeld. Want we zijn weinig meer dan los zand. De levensstijlen en levensovertuigingen staan mijlenver uit elkaar. En onze keuzes worden heel vaak niet begrepen.
Over onszelf bijvoorbeeld. Want wie herkent onze kwaliteiten eigenlijk nog? Kijkt iedereen en alles over ons heen?
Laten we ’t maar ronduit zeggen: klagen mag best; als we dat maar aan het goede adres doen!

Het derde Klaaglied stimuleert ons om, ondanks alles, te letten op Gods genade.
Want we mogen dan wel klagen, maar feit is dat we nog leven. En er zit perspectief in ons bestaan; het is immers volstrekt helder dat de Heer van hemel en aarde zijn verbond nimmer vergeten zal!

Het derde Klaaglied laat ons zien hoe nuttig het is om eens van een afstandje naar ons leven te kijken en de zaken vervolgens nuchter op een rijtje te zetten.
En wat zien en horen wij dan?
Wij merken veel irritaties, ergernissen en voelen diepe teleurstellingen. En is dat onterecht? Nee, vaak niet.
Maar laten wij bij al ongemak, al die gramschap en ons misnoegen nimmer Gods verbond vergeten. Hij gaat door met Zijn kerkvergaderend werk!

Zing dus maar mee met Psalm 44:
“Wij moesten al dit leed ervaren,
maar bleven uw verbond bewaren.
Geen ontrouw heeft ons hart bekoord,
wij gingen in uw wegen voort”[9].
En:
“Wij zijn in stof terneergedrukt;
sla ons in uw ontferming gade.
Naar lijf en ziel gaan wij gebukt.
Sta op, verlos ons uit genade”[10].

Noten:
[1] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/586_v.Chr. ; geraadpleegd op donderdag 24 januari 2019.
[2] Geciteerd van http://www.christipedia.nl/Artikelen/K/Klaagliederen ; geraadpleegd op donderdag 24 januari 2019.
[3] Klaagliederen 3:24.
[4] Klaagliederen 3:22.
[5] Klaagliederen 3:25.
[6] Psalm 16:5.
[7] Psalm 119:57.
[8] In die dienst werd kandidaat Cl. Stam als predikant bevestigd. Het bericht daarover stond op woensdag 27 september 1972 op pagina 2 van het Nederlands Dagblad.
[9] Psalm 44:5 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[10] Psalm 44:8 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

28 januari 2019

Niets is te wonderlijk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees. Zou ook maar iets voor Mij te wonderlijk zijn?”.

Die vraag wordt gesteld in Jeremia 32[1].
En het antwoord op die vraag ligt voor de hand: nee, voor de Here is niets te gek; zelfs voor het grootste wonder draait Hij Zijn hand niet om!

Wanneer zegt de Here dat?

In Jeremia 32 moet Jeremia in opdracht van de Here een akker kopen. Zijn neef Hanameël komt naar Jeremia toe om de akker te koop aan te bieden. Jeremia krijgt het eerste recht van koop.
Dat gebeurt in tamelijk bijzondere omstandigheden. Want waar bevindt Jeremia zich? Antwoord: in de gevangenis.
Koning Zedekia heeft Jeremia laten arresteren, omdat hij geprofeteerd heeft over de inname van Jeruzalem. En, had Jeremia gezegd, Zedekia wordt ook naar Babel gedeporteerd. Welnu – dat soort boodschappen wenst Zedekia niet te horen. Dat pessimistische gepraat… de koning heeft er zijn buik vol van! Al die berichten uit de hemel… Zedekia wil er niet meer naar luisteren!
Als Hanameël het aanbod van de akker komt doen, begrijpt Jeremia het: dit is echt een dienstorder van de Here!
Gehoorzaam koopt hij het bouwland dat te koop staat. Er komt een officieel document, waarin de aankoop wordt bevestigd – keurig in tweevoud, zoals de Israëlitische wet dat voorschrijft. De koopbrieven worden netjes en zeer zorgvuldig bewaard.
Al met al is het, vanuit de mens bezien, echter een buitengewoon merkwaardige gang van zaken.
Een akker kopen in oorlogstijd? En dat terwijl de Babylonische legers al voor de stad staan om de macht over te nemen! Dat is hoogst opmerkelijk. In zo’n onzekere tijd ga je toch niet uitgebreid zaken zitten doen?

Jeremia begrijpt het ook niet. Natuurlijk, hij heeft gedaan wat de Here zei. Maar de logica van de gang van zaken ontgaat Jeremia volledig. Daarom gaat hij in gebed naar de Here toe.
Jazeker, Jeremia erkent het –
De God van hemel en aarde is machtig en wijs
De God van hemel en aarde ziet alles; Hij houdt het doen en laten van alle wereldburgers zorgvuldig in het oog
De God van hemel en aarde heeft indertijd in Egypte grote dingen gedaan: een heel volk bevrijdde Hij van slavernij en onderdrukking.
De God van hemel en aarde doet in de hele wereldgeschiedenis, en ook in de tijd van Jeremia geweldige dingen
Maar dit? –
De Here straft Zijn volk. En, meent Jeremia, de almachtige God heeft groot gelijk. Want heel het gepeupel loopt voortdurend bij de Here vandaan.
De Here heeft er Zelf voor gezorgd dat Jeruzalem ingenomen gaat worden. Oorlogstuig is er in overvloed. Voedsel wordt niet meer aangevoerd. Er breken ziektes uit; de pest bijvoorbeeld.
Kortom – Jeruzalem gaat plat.
En nu is er die aankoop van de akker.
Dat slaat toch nergens op?
Dat is toch het domste wat je kunt doen?

Hoe reageert de God van hemel en aarde op deze menselijke logica?
Ik citeer:
“Welnu, daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van deze stad, waar u van zegt: Zij is door het ​zwaard, door de honger en door de pest in de hand van de ​koning​ van ​Babel​ gegeven: Zie, Ik ga hen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen in Mijn toorn, in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en Ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen. Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn. Ik zal hun één ​hart​ en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun ​kinderen​ na hen. Ik zal een eeuwig ​verbond​ met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun ​hart​ geven, zodat zij niet van Mij afwijken. Ik zal Mij over hen verblijden en hun goeddoen. En Ik zal hen in getrouwheid in dit land planten, met heel Mijn ​hart​ en met heel Mijn ziel”[2].

De Here geeft een ommekeer.
De God van hemel en aarde begint helemaal opnieuw.
De God van het verbond maakt Zijn naam waar.

Er zijn heel wat mensen die het vandaag de dag niet meer zo zien zitten. Zelfs de meest orthodoxe gelovigen worden bevangen door twijfels.
Wat zie je nou van de kerk?
Wat heb je in de dagelijkse praktijk aan je geloof?
De invloed van God en geloof is vrijwel nihil. Het lijkt er op dat een fenomeen als Blue Monday – deprimaandag – in Nederland nog het meest samenbindend werkt[3]. Toegegeven – schaatsmarathons helpen ook. Maar verder?
De wereld dendert van onrecht.
Het zogeheten kinderpardon, bedoeld voor kinderen die voor hun achttiende langer dan 5 jaar in Nederland verblijven en niet langer dan drie maanden buiten het toezicht van de overheid hebben gestaan, levert bij tijd en wijle verhitte discussies op; de vonken spatten er zo’n beetje af. Intussen komen vele kinderen in het nauw.
De mensen raken zo nu en dan verstrikt in hun eigen redeneringen. Vromen die eertijds diepgelovig waren zien het niet meer zitten.

Jeremia 32 pepert het ons weer eens in: de God van hemel en aarde is in staat de situatie van de wereld 180 graden te draaien!

Kent u Zondag 21 nog?
Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus bedoel ik.
Daarin belijden we “dat de Zoon van God uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof. En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben9 en eeuwig zal blijven”[4].
En:
“Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden, ook niet aan mijn zondige aard, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word”[5].
Dus –
door Christus’ werk is het leven van Gods kinderen 180 graden gedraaid
door Christus’ werk kent het leven van Gods kinderen een revolutionaire ommekeer
door Christus’ werk komt het leven tot rust.

Jeremia predikt in Juda.
De heersers van zijn tijd ergeren zich bont en blauw aan zijn prediking.
Maar het blijkt nog maar een begin. Immers – “… zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”[6].

Dat Evangelie proclameert de kerk. Ook in 2019.
Nee, in Nederland luisteren velen niet meer naar die blijde Boodschap.
Maar dat kan best weer veranderen.
Zou voor God ook maar iets te wonderlijk zijn? De vraag stellen is haar beantwoorden!

Noten:
[1] Jeremia 32:27.
[2] Jeremia 32:36-41.
[3] Zie over Blue Monday https://nl.wikipedia.org/wiki/Blue_Monday_(dag) ; geraadpleegd op dinsdag 22 januari 2019.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 56.
[6] Johannes 3:16.

8 maart 2018

Over Gods wil

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Volgelingen van Christus hebben de diepe wens om Gods wil te doen[1]. Het wordt vandaag de dag ook wel expliciet gezegd: het is Gods wil dat ik dit of dat doe. In mijn brein zwerft dan meestentijds een vraagteken: hoe weet die spreker nu zo zeker dat hij met zijn besluit werkelijk Gods wil uitvoert?

Wellicht kent u het onderscheid tussen de verborgen wil van God en Zijn geopenbaarde wil.
In de Bijbel heeft God geopenbaard wat Hij wil: gehoorzaamheid.
De Here heeft een plan met de wereld. Hij gaat iets nieuws met de wereld doen. Zijn wil kennen wij niet. Die is verborgen. Maar die is er wel. De Here heeft de leiding in de wereld. Hij werkt aan een plan dat nog verborgen is.

In verband daarmee vraagt de Here:
* geloof: de beloften die de God aan Zijn kinderen heeft gedaan worden realiteit
* gebed: daarin spreken wij de hoop uit dat wij hoe langer hoe beter leren gehoorzame kinderen te zijn.
Wat dit betreft is Gods Zoon, Jezus Christus, ons voorbeeld.
In Marcus 1 kunnen we lezen: “En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats, en bad daar”[2]. Hoeveel bezigheden er ook waren, altijd had Hij tijd om te bidden. Het belang van bidden stond voor onze Heiland gelijk aan het voedsel van de dag. Kijkt u maar in Johannes 4. Daar zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng”[3].

Nee, het is niet altijd meteen duidelijk wat de wil van God is.
Neem nu de volgende situatie.
Een meisje komt een lieve jongen tegen. De jongen is ongelovig. Even zo goed vindt het meisje hem heel lief. Mogen zij een relatie aangaan? We weten het: een ongelijk span is geen goede zaak. Maar stel nu eens dat de lieve jongen niet geheel afwijzend tegenover geloof en kerk staat. Moet men het aangaan van die relatie dan helemaal afwijzen? Het kan immers best gebeuren dat de betreffende jongeman een heel gelovig mens wordt. Welnu, in een dergelijk geval zeg ik: laten we even afwachten. Maar ik zeg ook: laat er spoedig meer duidelijkheid komen; want hoe langer de verkering duurt, hoe moeilijker het wordt om, indien nodig, de relatie te verbreken.

Ach, wij vragen ons – denk ik – allemaal wel eens af wat de wil van God in een concrete situatie is. Als het een beetje tegenzit kunt u, geachte lezer, zonder veel moeite omstandigheden bedenken die nogal wat gecompliceerder zijn dan de hierboven genoemde.
De wil van God is niet altijd meteen duidelijk.
Sterker nog: twee mensen kunnen met betrekking tot eenzelfde kwestie verschillende beslissingen nemen, en vervolgens allebei menen dat zij Gods wil doen. Iets dergelijks komt al in de Bijbel voor. In Jeremia 28 zien we twee profeten, Jeremia en Hananja, die beiden claimen het Woord van God te brengen. Ik wijs ook op Handelingen 21. Paulus krijgt via een profeet te horen wat hem in Jeruzalem te wachten staat. Mensen om hem heen proberen Paulus te bewegen om níet naar Jeruzalem te reizen. Maar Paulus besluit toch te gaan. Het slot van de betreffende perikoop is bijna dramatisch: “En toen hij zich niet liet overtuigen, deden wij er het zwijgen toe, en zeiden: Laat de wil van de Heere geschieden”[4].
Soms duurt het even voordat duidelijk is welke weg wij moeten lopen om in ons leven metterdaad met God te wandelen.
Het wordt er, kortom, niet makkelijker op.

Moeten we nu slachtofferig zeggen dat we het allemaal niet kunnen overzien? Moeten we maar mompelen dat we enigszins gedupeerde mensen zijn die wel zullen zien waar het schip strandt?
Het lijkt me dat ware gelovigen niet het aureool van geteisterde onwetenden moeten hebben.
We mogen best blij zijn met de predestinatie, met de voorbeschikking dus. De Here laat daarin Zijn bijzondere zorg zien. Hij is vlakbij ons. Hij bemoeit Zich heel intensief met ons. De Here heeft een verbond met Zijn kinderen. Hij is, om zo te zeggen, rechtstreeks met ons verbonden.
Maar die voorbeschikking hoort bij God. Wij kunnen daar maar weinig over zeggen. Laat ik het maar populair zeggen: we hoeven ons er niet druk over te maken. Wij hebben al meer dan genoeg te doen als we onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Dominee E. Brink vatte die verantwoordelijkheid eens in vier woorden samen:
* “overwegen
* beraadslagen
* bezinnen
* beslissen”[5].
Wij moeten de Here God alle eer geven die Hem toekomt.
Maar daarmee is niet gezegd dat de mens niets meer te vertellen heeft. Wij mogen best vragen stellen aan de hemelse God. Maar van een volledig vrije wil kunnen we niet spreken. Zonder God kunnen we niets doen. Helemaal niets. En bovendien: we moeten Gods eer altijd in beeld blijven houden.
God buigt Zich naar ons over. Wij bewegen ons steeds meer naar Hem toe. De verbondsrelatie is er dus één waar beweging in zit. Er gebeurt van alles in. De bovengenoemde dominee Brink schreef: “We gaan uit van een persoonlijke en levende relatie, en niet van een filosofische of dogmatische speculatie”.

Het bovenstaande overziende constateer ik allereerst dat bescheidenheid op zijn plaats is.
Want in deze zaken schieten menselijke gedachtespinsels en verklaringen ernstig tekort.
Verder trek ik de conclusie dat we dankbaar mogen zijn.
De hemelse God betrekt zondige mensen in Zijn planmatige werk. Dat is, op de keper beschouwd, verbazingwekkend!
Onze levensroeping is: Hem dienen op de plek waar de Here ons heeft neergezet.
Laten we maar gewoon aan het werk gaan.
Gelovig.
Biddend.
En eerbiedig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 3 maart 2009.
[2] Marcus 1:35.
[3] Johannes 4:34.
[4] Handelingen 21:14.
[5] Ds. E. Brink, “Leefruimte: Gods beschikking en onze bewegingsvrijheid”. In: Nader Bekeken, jg. 16 nr 2 (februari 2009), p. 41-43. Citaten van p. 41 en p. 42.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.