gereformeerd leven in nederland

29 december 2014

Psalm 3: geloofsbelijdenis in een dramatische tijd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Ergens is Psalm 3 een heel moderne Psalm[1]. Want in het berijmde vers 1 staat:
“Door velen wordt gespot:
Hij vindt geen hulp bij God,
die heeft hem nu begeven”[2].
Er zijn heel wat mensen die zeggen dat God toch niet helpt. Ze hebben weinig met Hem. Ze kunnen weinig met Hem. En het zou, zeggen ze er soms bij, heel goed zo kunnen zijn dat er een andere hogere macht in het spel is; wat dat dan ook maar wezen moge.
Psalm 3 lijkt naadloos in de eenentwintigste eeuw te passen.

Maar de dichter van Psalm 3 is, als het over zijn geloof gaat, helemaal niet eigentijds.
Want hij zegt:
“Maar toch bent U mijn eer,
U bent mijn schild o HEER.
U wilt mijn hoofd verheffen”.
Dat is een geloofsbelijdenis die David uitspreekt in de tijd dat Davids zoon Absalom een opstand tegen zijn vader organiseert.
Daarover kunnen wij in 2 Samuël 15 lezen: “Na vier jaren vroeg Absalom de koning: Laat mij toch gaan, opdat ik te Hebron de gelofte betale, die ik de Here gedaan heb. Want uw knecht heeft, toen ik in Gesur, in Aram, woonde, de gelofte gedaan: indien de Here mij werkelijk naar Jeruzalem terugbrengt, dan zal ik de Here vereren. Daarop antwoordde hem de koning: Ga in vrede. Toen stond hij op en ging naar Hebron. En Absalom zond spionnen onder alle stammen van Israël met de opdracht: Zodra gij het hoorngeschal hoort, zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron! Met Absalom gingen tweehonderd mannen uit Jeruzalem mee, genodigden die zonder argwaan meegingen en van de zaak niets afwisten. Ook ontbood Absalom, toen hij de offers zou brengen, de Giloniet Achitofel, Davids raadsman, uit zijn stad Gilo. Zo werd het een machtige samenzwering, en voortdurend kwam er meer volk bij Absalom”[3].

Op dit punt maak ik een kanttekening.
Want hierboven gaat het over een machtige samenzwering. En daar gaat het in Psalm 2 ook over:
“De groten staan gewapend tot de slag,
de machtigen der wereld spannen samen
’t Is tegen het gezag van God den HERE
En tegen zijn gezalfde vorst gericht”[4].
Die samenzwering is wereldwijd. De staatsgreep in Psalm 3 is aanzienlijk kleiner van formaat. Maar die is wel tegen een gezalfde vorst gericht; een koning die door de Here uitgekozen is. Leest u maar mee in 1 Samuël 16: “Hierop zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongens? Deze antwoordde: De jongste ontbreekt nog; zie, hij weidt de schapen. Toen zeide Samuël tot Isaï: Laat hem halen, want wij zullen niet gaan aanzitten, voordat hij hier gekomen is. Daarop liet hij hem halen. Hij nu was rossig, ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen. Toen zeide de Here: Sta op, zalf hem, want deze is het. Samuël nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des Heren David aan”[5].
In Psalm 3 zien we dus een samenzwering in het klein. Het is, om zo te zeggen, een treffende illustratie bij de tweede Psalm. En ook hier is de boodschap: bewonder het werk dat God doet. Oftewel: kijk maar goed naar de prachtige dingen die de Here in het leven van Zijn kinderen doet!

David slaat op de vlucht.
In de hoofdstukken 16, 17 en 18 gaat de geschiedenis verder. In 2 Samuël 18 horen velen David zeggen: “Behandelt de jongeling, Absalom, met zachtheid”[6]. Dat gebeurt echter niet. Want wij kunnen lezen: “Toen nam hij (dat is de legeraanvoerder Joab, een neef van David) drie werpspiesen in zijn hand en stiet ze in het hart van Absalom, terwijl deze nog levend in de terebint hing. En tien knechten, wapendragers van Joab, omringden Absalom en sloegen hem dood”[7].
In die dramatische tijd wordt de derde Psalm geschreven.
In die dramatische tijd behoudt David zijn geloof. Dat ligt niet aan hemzelf. Want er staat: “U bent mijn schild”en “U wilt mijn hoofd verheffen” – het gaat hier om een actie van de Here. Het gaat hier om Zijn wil; en Zijn wil wordt altijd realiteit.

Goed voorbeeld doet goed volgen. Dat geldt hier ook. Ook wij moeten, ook al zijn de omstandigheden moeilijk, ons geloof behouden. Nee, dat is niet eigentijds. Nee, daarmee zijn we – om het maar eens duidelijk te zeggen – tegen de draad in. Maar het moet toch. En het kan ook. Want de Here wil ons hoofd verheffen. Dat betekent dat Hij ons hoofd optilt. We worden in staat gesteld om frank en vrij de wereld in te kijken. Niet omdat wij zo zelfbewust zijn. En al helemaal niet omdat wij arrogant zouden wezen. Maar omdat we in ons leven doen wat de Here wil!

In Psalm 3 zingen we:
“Van Sion klinkt zijn stem,
wanneer ik roep tot Hem.
Geen onheil zal mij treffen”.
Over die naam Sion schreef ik al eens: “In de Bijbel heeft de aanduiding ‘Sion’ vier betekenissen:
* een heuvel ten zuiden van Jeruzalem
* een breder gebied; de tempel en het paleis van Sion worden het centrum van Sion
* de hele stad Jeruzalem
* de inwoners van Jeruzalem en ook van heel Israël worden ‘dochters van Sion’ genoemd.
Wij zouden kunnen zeggen dat Gods macht gaandeweg steeds zichtbaarder wordt. En die macht blijft altijd bestaan”[8].
Bidders krijgen, zo blijkt in de derde Psalm, antwoord uit Sion. Dat is dus een antwoord vanuit het machtscentrum van de wereld. En dat belooft wat!

Want als de Here in actie komt, zien we binnen de kortst mogelijke tijd allerlei veranderingen in de wereld.
U begrijpt het vast al wel: Jezus Christus en Zijn reddingswerk komen nu in zicht.
Als wij Psalm 3 zingen, moeten wij ons realiseren dat we de Zoon moeten volgen. Net als in Psalm 2.

David ging in zijn nood naar de Here toe.
Dat mogen wij ook doen.
We mogen het David nazeggen: U bent mijn eer.
Oftewel: mijn reputatie dank ik, als het erop aan komt, helemaal aan U.
Onze goede naam danken danken we, als ‘t puntje bij ’t paaltje komt, volledig aan de God die spreekt in Sion; de magistrale Machthebber die altijd naar ons luistert!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik binnenkort Psalm 3:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt, zo de Here wil, in januari 2015 in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Dit zijn regels uit Psalm 3:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[3] 2 Samuël 15:7-12.
[4] Psalm 2:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[5] 1 Samuël 16:11-13 a.
[6] 2 Samuël 18:5.
[7] 2 Samuël 18:14 en 15. Zie over Joab http://nl.wikipedia.org/wiki/Joab .
[8] Zie mijn artikel ‘Helper in de praktijk’, hier gepubliceerd op woensdag 8 oktober 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/10/08/helper-in-de-praktijk/ .

15 november 2012

Het monument van Absalom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Wij, mensen van 2012, willen graag geliefd zijn. Diep in ons hart willen wij allemaal graag iets belangrijks doen. Wij hopen dat, als wij niet meer op aarde leven, de achtergeblevenen een aangename herinnering aan ons koesteren.
Dat wilde Absalom ook graag.

Leest u maar mee in 2 Samuël 18: “Absalom nu had bij zijn leven de steenzuil die in het Koningsdal staat, genomen en die voor zichzelf opgericht, want hij zeide: Ik heb geen zoon om de gedachtenis van mijn naam te bewaren. En hij had die opgerichte steen naar zijn eigen naam genoemd; daarom heet hij tot op deze dag: gedenkteken van Absalom”[1].

In 2 Samuël 18 strijden de legers van David en Absalom met elkaar. Dat doen zij in het zogenaamde veld van Efraïm.
Absalom raakt verward in de takken van een terebint. Het muildier waar hij op rijdt, loopt uiteindelijk onder hem vandaan. Zo treft een niet bij naam genoemde krijgsman de koningszoon aan. De betreffende soldaat vindt het àl te dol om de zoon des konings zonder vorm van proces te doden. De militair vervoegt zich daarom bij leidinggevenden. Generaal Joab maakt echter korte metten. Hij neemt, om het zo maar te zeggen, een executiepeloton mee. Absalom wordt doodgeslagen. Roemloos komt hij aan zijn einde[2].

Dat alles gezegd zijnde, lezen we die mededeling over dat Absalom-monument.
De schrijver van het Bijbelboek 2 Samuël wijst ons er fijntjes op dat er voor Absalom nog wel een steenzuil is. Er staat nog wél een gedenkpaal. Maar aan dat gedenkteken zijn geen mooie verhalen verbonden. In 2 Samuël 18 is het geen kwestie van eeuwige roem.
De Bijbelschrijver lijkt te willen zeggen: zó loopt het af met mensen die de Here niet dienen. Dat is het laag-bij-de-grondse einde van mensen die er zelf voor willen zorgen dat hun naam in latere eeuwen in allerlei stoere verhalen voorbij komt. Dat is het einde van mensen die op eigen kracht hun prestaties voor het verre nageslacht willen bewaren.

Had Absalom geen kinderen?
Zeker wel. Vier had hij er: drie zonen, en een dochter. Van die dochter is bekend dat zij een heel knappe vrouw was[3].
Klaarblijkelijk waren al die kinderen reeds overleden.
In het leven van Absalom was dat zonder twijfel een groot verdriet.
Sommigen van ons weten wat het is om een kind te moeten verliezen. Wel, denk u eens in hoe erg het dan is om vier kinderen naar het graf te moeten brengen! Er gaat geen dag voorbij of je denkt er wel even aan. Natuurlijk, de droefenis slijt wel. Maar vergeten doe je zoiets nooit.
Het verlies van zijn kinderen is voor Absalom ongetwijfeld een deuk in zijn bestaan geweest. Die droeve gebeurtenissen gaven een dreun die levenslang te horen was. Menselijkerwijs gesproken kunnen wij dan ook zeggen: het is heel begrijpelijk dat Absalom voor zichzelf een steenzuil opricht. Dan is er tenminste nog iets, nietwaar?
En toch is dat gedenkteken een reden tot schande. Absalom wilde er zélf voor zorgen dat zijn naam voortleven zou. Niet zelden komen daar schandalen van.

In 2 Samuël 18 staat het zo treffend: “Ik heb geen zoon om de gedachtenis van mijn naam te bewaren. En hij had die opgerichte steen naar zijn eigen naam genoemd…”.
U zag het al: dat woord ‘bewaren’ heb ik gecursiveerd.
In de kerk spreken wij nog wel eens over ‘bouwen en bewaren’. De kerk moet worden gebouwd. En wij moeten het Woord bewaren[4].
Maar als het gaat om het voortleven van onze náám, dan geldt daar voor: dat zal de Here wel regelen. De organisatie daarvan is bij de Here in goede handen.

In dit verband is het, dunkt mij, goed om attent te zijn op het einde van de perikoop waar deze geschiedenis deel van uitmaakt.
Dit Schriftgedeelte eindigt in 2 Samuël 19:8.
Wij lezen dat de koning ten prooi is aan diepe rouw. En eigenlijk vergeet David alles en iedereen, behalve zichzelf. Hij vergeet zijn ambt. En hij vergeet het volk. Totdat generaal Joab daar resoluut een eind aan maakt. ‘Absalom koesterde een diepe haat tegen zijn vader’, zegt Joab. ‘En juist om hém rouwt u nu zo. Maar de manschappen die zich voor u hebben ingezet, horen niets van u’. Het oordeel van Joab is stevig. ‘Zo werkt dat niet’, maakt de legerleider duidelijk. ‘Als u nu niet uw manschappen toe spreekt, hoeft u er niet op te rekenen dat er nog íemand bij u blijft’, verzekert hij zonder omwegen aan de koning[5]. Dat standpunt is hard. Keihard. En het is hinderlijk duidelijk, bovendien.  Maar zo breekt Joab wel door Davids diepe verdriet heen. Wij lezen: “Toen stond de koning op en ging in de poort zitten. En men deelde aan al het volk mee: Zie, de koning zit in de poort”.
Deze mededeling betekent dus dat koning David zijn ambt weer aanvaardt. De Bijbelschrijver vertelt ons impliciet dat de Here de door Hem aangestelde koning weer aan het werk zet. De kwestie is niet alleen dat de wereldhistorie verder gaat. Er is méér aan de hand. Want de kerkgeschiedenis gaat verder!

In 2 Samuël 18 krijgen wij, naar het mij voorkomt, een belangrijke les.
Wij hoeven niet heel ons vermogen in te zetten om op deze aarde een monument op te richten voor onszelf. Of een bouwwerk voor allen die ons geliefd zijn, of waren.
Zeker, een mooie grafsteen kan zeer de moeite waard zijn. En wie die kan betalen, moet vooral niet nalaten om ‘m te laten plaatsen.
Maar onze namen worden bewaard door de Here Zelf.
Hij bewaart Zijn kerk.
Hij bewaart de namen van alle uitverkorenen. Zorgvuldig. Tot in lengte van dagen.
De Here garandeert ons: Ik zal geen enkele naam vergeten. Alle uitverkorenen zijn in Mijn hand.
Daarom citeer ik tenslotte nog enkele woorden uit Openbaring 3: “Wie overwint, zal (…) bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[6].

Noten:
[1] 2 Samuël 18:18.
[2] 2 Samuël 18:14-17: “Maar Joab zeide: Ik wil mij op deze wijze niet door u laten ophouden. Toen nam hij drie werpspiesen in zijn hand en stiet ze in het hart van Absalom, terwijl deze nog levend in de terebint hing. En tien knechten, wapendragers van Joab, omringden Absalom en sloegen hem dood. Daarop blies Joab op de hoorn, zodat het volk terugkeerde van de achtervolging van Israël; want Joab wilde het volk sparen. Toen namen zij Absalom en wierpen hem in een grote kuil in het woud en richtten boven hem een zeer grote steenhoop op. Geheel Israël echter vluchtte, ieder naar zijn tent”.
[3] 2 Samuël 14:27: “Aan Absalom werden drie zonen geboren en een dochter, Tamar geheten. Zij werd een vrouw, schoon van uiterlijk”.
[4] Op deze internetpagina is over dat thema in de afgelopen tijd al wel vaker geschreven. Zie bijvoorbeeld mijn artikel ‘Bewaring vereist’, hier gepubliceerd op donderdag 1 november 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/11/01/bewaring-vereist/ .
[5] 2 Samuël 19:1-7.
[6] Openbaring 3:5 en 6.

Blog op WordPress.com.