gereformeerd leven in nederland

12 maart 2019

De trouw belicht

In dit artikel worden enkele Schriftgedeelten belicht waarin de trouw van God en de trouw aan elkaar aan de orde komen[1].
Drie ervan komen uit het Oude Testament; één uit het Nieuwe Testament.

En het zal alras duidelijk wezen – wie de trouw van God in zijn eigen leven niet ziet, levert op slag heel wat levensvreugde in!

Laten wij voorin de Bijbel beginnen.

“Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer ​Abraham, Die mijn heer Zijn goedertierenheid en Zijn trouw niet onthouden heeft. Wat mij aangaat, de HEERE heeft mij op deze weg geleid naar het ​huis​ van de broeders van mijn heer”.
Deze woorden lezen wij in Genesis 24[2].
Het zijn woorden van een vertrouwd personeelslid van Abraham. De dienaar spreekt zijn dankbaarheid uit omdat de Here trouw gebleven is. Hij heeft de vertrouweling van Abraham op het spoor gezet van Rebekka. Rebekka is een vrouw uit Haran, het vaderland van Abrahams familie – zie Genesis 12.
Het wordt duidelijk: de Here is in Genesis 24 aan het werk. En ook wij mogen zeggen: Hij leidt ons in onze keuzes.

Maar dat moeten vooral ook consequente keuzes zijn.
Jozua formuleert dat in Jozua 24 zo: “Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de ​goden​ weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in ​Egypte, en dien de HEERE. Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de ​goden​ die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de ​goden​ van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn ​huis​ betreft, wij zullen de HEERE dienen!”[3].
Dat is een gerichte keuze. Iemand heeft in verband met Jozua 24 eens gezegd: “het stembiljet geeft maar één mogelijkheid”[4].
Is de Here dan een dictator? Zoals die in Rusland, of die in Venezuela? Nee. Immers – Wie heeft zich, door de tijden heen, zó ingezet om van een heel klein iets groots te maken: een volk dat Kanaän helemaal ter beschikking krijgt? Wie heeft er zoveel geduld gehad met dat vaak mopperend en revolutie plegend volk? Dat is de Here, en niemand anders!

Ook in Psalm 40 wordt van Gods trouw getuigd. In dat profetische kerklied staan twee zaken centraal:
* het getuigenis van Gods grote daden
* een schreeuw om redding.
De dichter zegt:
“Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart,
Uw waarheid en Uw heil verkondig ik.
Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet
in de grote gemeente”[5].
Gods ingrijpen in het verleden geeft garanties voor de toekomst. Het werk dat God in het verleden heeft gedaan, geeft de dichter zekerheid: in de toekomst zal het met mij ook wel goed komen.
Het zingen van een psalm als deze is, ook anno Domini 2019, een oefening in vertrouwen. Daarbij gaat het uiteraard eerst om vertrouwen op God. En omdat wij vertrouwen op Hem, kunnen we in de kerk ook vertrouwen op elkaar.

Nu bladeren we even door naar het Nieuwe Testament. Laten we nog een ogenblik in het laatste Bijbelboek lezen.

In Openbaring 2 lezen we: “Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de ​duivel​ zal sommigen van u in de ​gevangenis​ werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de ​kroon​ van het leven geven”[6].
De gelovigen worden getest. Juist omdat zij op de proef worden gesteld, blijkt wie de echte gelovigen zijn.
Paulus wijst daar ook op in 1 Corinthiërs 11: “Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen”[7].
Mensen die de test doorstaan krijgen de kroon van het leven.
Die kroon, of krans, bedoelt de apostel Paulus ook in 1 Corinthiërs 9: “En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen”[8].
Petrus schrijft in 1 Petrus 5: “En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[9].

Laten wij nog een blik werpen op de praktijk van alledag in 2019.

Niet zo lang geleden zei een vader in het Nederlands Dagblad ook iets over trouw.
Hij formuleerde: “Spreken over mijn geloof in God vind ik niet altijd gemakkelijk, dus ik breng mijn geloof vooral in de praktijk. Dat doe ik onder meer door aanwezig te zijn in de erediensten, daarin trouw te zijn. Hierin wil ik een voorbeeld zijn voor mijn kinderen. Zij moeten leren dat de kerkgang niet vrijblijvend is. ’s Middags is de kerk soms bijna leeg, dat vind ik moeilijk om te zien. Vanaf het moment dat onze kinderen acht jaar zijn, moeten ze beide diensten mee gaan. Het grappige is dat de jongere kinderen nu al graag mee willen. Ik leer ook van hen. Zo bidden zij aan tafel voor specifieke dingen, terwijl ik sneller een algemeen gebed uitspreek. Hun houding stimuleert mij ook weer”[10].
Met het bovenstaande is eens te meer bewezen: trouw is niet alleen iets voor denkers, maar zeker ook iets voor doeners!

Tenslotte nog dit.
Wie de reikwijdte van Gods trouw ziet, kan opgelucht en verheugd de toekomst in gaan. Want de God van hemel en aarde is tot in eeuwigheid trouw.

Noten:
[1] Een bewerking van dit artikel zal de inleiding zijn die mijn vrouw D.V. houdt tijdens een vergadering van de vrouwenvereniging ‘Bouwen en bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die avond, die wordt gehouden op donderdag 21 maart, zal worden gesproken over het onderwerp ‘Trouw aan God, trouw aan elkaar’.
[2] Genesis 24:27.
[3] Jozua 24:14 en 15.
[4] Professor H.J. Schilder in een preek over Jozua 24:15. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
Jozua stelt kiezend Gods volk voor de keuze op de overgang van verleden naar toekomst.
1. Hij stelt het volk voor de gerichte keuze;
2. hij stelt het volk voor de gemeenschapskeuze;
3. hij stelt het volk voor de geloofskeuze.
[5] Psalm 40:11.
[6] Openbaring 2:10.
[7] 1 Corinthiërs 11:19.
[8] 1 Corinthiërs 9:25.
[9] 1 Petrus 5:4.
[10] “Wij leven in een sociaal land” – portret van Dirk Malda uit Arnhem. In: ND7, bijlage bij het Nederlands Dagblad, zaterdag 2 maart 2019, p. 24.

8 juni 2018

Vreemdelingen tellen mee

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Mensen van buitenlandse afkomst: daar zijn er in ons land heel veel van[1]. Wat zijn er in heden en verleden veel discussies geweest over asielzoekers!
Met name de Partij van de Vrijheid praat, als het maar even kan, over de islamisering van Nederland die gestopt moet worden.

Laten wij intussen niet net doen alsof vreemdelingen en vluchtelingen alleen maar in de eenentwintigste eeuw voorkomen.
Dat is namelijk niet waar.

Dat blijkt in Gods Woord. Bijvoorbeeld in Jozua 8.
Ik citeer: “Heel Israël met zijn ​oudsten, beambten en rechters stond aan deze en aan de andere zijde van de ​ark, vóór de Levitische ​priesters, die de ​ark​ van het ​verbond​ van de HEERE droegen, zowel vreemdelingen als ingezetenen. Eén helft daarvan stond tegenover de berg Gerizim en één helft daarvan stond tegenover de berg Ebal, zoals ​Mozes, de dienaar van de HEERE, vroeger geboden had om het volk Israël te ​zegenen.
Daarna las hij al de woorden van de wet voor, de ​zegen​ en de ​vloek, in overeenstemming met alles wat in het wetboek geschreven staat.
Er was niet één woord van alles wat ​Mozes​ geboden had, dat ​Jozua​ niet voorlas voor heel de ​gemeente​ van Israël, de vrouwen, de kleine ​kinderen​ en de vreemdelingen die in hun midden meetrokken[2].

Vreemdelingen horen dus ook over Gods liefde.
Zij horen welke regels er in Israël gelden. En zij kunnen in de praktijk ontdekken hoe heilzaam Gods wetten zijn.
In Israël telt iedereen mee.
In de kerk van het Oude Testament hebben vreemdelingen een volwaardige plaats.

In de kerk van het Nieuwe Testament is dat niet anders.
En ja, in de kerk van 2018 is die situatie heus niet plotsklaps gewijzigd.

Heel veel mensen in de wereld kijken wat argwanend naar vluchtelingen.
Wat moet je met die mensen?
Komen er niet teveel?
Wat moeten we aanvangen met de taalbarrières en met al die vreemde gewoontes?
En trouwens, behouden wij onze eigen identiteit wel?
Wat mij geldt in de kerk de regel van Efeziërs 4: “Maar u hebt ​Christus​ zo niet leren kennen, als u Hem tenminste gehoord hebt en door Hem bent onderwezen, zoals de waarheid in ​Jezus​ is”[3].
Jezus Christus brengt Zijn Evangelie aan alles en iedereen die het maar horen wil!

Nu ziet het bovenstaande er prachtig uit.

Maar het zou niet juist zijn om het tekstverband van Jozua 8 te negeren.

Want waar gaat het in Jozua 8 om?
Israël moet het beloofde land gaan veroveren. De kwestie is niet dat de volken die nu in het aan Israël beloofde land wonen moeten worden verjaagd.
Nee, er is iets anders aan de orde.
Dat is dit.
God heeft het volk uitgekozen om volk van de Here te zijn. De God van hemel en aarde zorgt er zelf voor dat Hij door Zijn volk geëerd wordt. Hijzelf geeft Zijn volk een plaats om Hem te eren.
Daarom schuift Hij heidense volken aan de kant. Dat doet de Here Zelf. Er is namelijk maar één God in de wereld. En dat is Hij. Al die goden van de heidenen? Die zijn stuk voor stuk nep. Door mensen bedacht.
De hemelse God is de Enige die de macht heeft in de wereld!
Die verovering in Jozua 8 is in feite een strijd die de Here voert. Het betreft een gevecht dat de Here levert.

Jazeker, Hij rekent af met heidenvolken.
En waarom?
Omdat Hij het volk dat Hijzelf uitgekozen heeft genadig is!

Waarom is Hij zo genadig voor Israël?
Omdat dat zo’n braaf en keurig volk is? Nou nee. Wie de Bijbel nauwkeurig leest ziet wel: Israëlieten zijn geen haar beter dan andere wereldburgers. De Here was heel rechtvaardig geweest als Hij hen in hun zonden had laten zitten.
Maar dat deed Hij niet.
In de Dordtse Leerregels staat het zo: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is”[4].
We kunnen dus niet analyseren waarom God zo genadig is voor Israël.
We kunnen niet precies uitzoeken waarom onze God zoveel liefde heeft voor de kerk van toen en nu.
Maar feit is dat het zo is.
Laten we van die oneindige liefde genieten!

Het tekstverband in Jozua 8 vertelt ons dat de Here Zich niet tegen laat houden door allerlei heidens gedoe. Hij zet Zijn plannen door. De satan slaagt er niet in om de uitvoering van die plannen te vertragen. Als het gaat over Gods gang met de wereld moeten wij met twee woorden spreken:
* liefde: Vader zond Zijn Zoon om de wereld te redden
* ernst: het Evangelie heeft ook een oordeel in zich.
Vreemdelingen zijn bij Gereformeerde mensen zeer welkom. Maar dan horen ze, als het goed is, wél dat Gods blijde Boodschap twee kanten heeft.

Tegenwoordig wordt er naar je geluisterd als je een evenwichtig verhaal hebt.
Welnu, de kerk brengt een heel evenwichtig Evangelie. Een boodschap van liefde en van ernst.

En nu begrijpen we wel wat ons te doen staat. Laten we naar God toe gaan, en bij Hem blijven!
Om met Psalm 32 te spreken:
“Laat toch geen dwang voor u ooit nodig wezen,
wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt,
omringt Hij met zijn goedertierenheid”[5].

Noten:
[1] Dit artikel is gebaseerd op een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 8 juni 2009.
[2] Jozua 8:33, 34 en 35.
[3] Efeziërs 4:20 en 21.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[5] Psalm 32:5; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

12 juli 2017

Een code en onze toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Niet zo lang geleden hoorde ik een radioreclame van NRC Handelsblad.
Daarin werd gewezen op de NRC-Code.

Die code werpt enig licht op de handelwijze van NRC-journalisten.
Schrijver dezes heeft wat in die code zitten grasduinen[1].
Die omschrijving van de NRC-gedragslijn gaf hem te denken.

In die code staat onder meer in te lezen: “NRC-publicaties worden geredigeerd vanuit een liberale geesteshouding met eerbied voor het individu en de beginselen van verdraagzaamheid, redelijkheid en openheid.’ Deze zin uit het NRC-redactiestatuut raakt de kern van ons werk. Het is de kortst mogelijke weergave van ‘Onze beginselen’, die zijn vastgelegd in het allereerste nummer van NRC Handelsblad (1 oktober 1970, …). Ze zijn moderner verwoord in de eerste editie van nrc.next”.

Uit die moderne versie citeer ik: “Deze krant hanteert het verantwoordelijke burgerschap als maatstaf. Ze verdedigt de democratische samenleving, waarin rechten en plichten met elkaar in evenwicht zijn. nrc.next komt op voor vrijheid: het recht ongemoeid te worden gelaten, onbelemmerd te kunnen spreken, denken en geloven, te kunnen gaan en staan waar de vrije burger wil”.
En:
“nrc.next wil onderzoek doen, gaat niet bij voorbaat uit van vertrouwde gewoonten of gegroeide opvattingen en staat kritisch tegenover de macht”.

Om kort te gaan: NRC Handelsblad is een liberale krant.
Wat is liberalisme? “Het liberalisme heeft als uitgangspunt zo veel mogelijk vrijheid van het individu zolang hij de vrijheid van anderen niet beperkt. Liberalen streven naar een samenleving waarin burgers grote vrijheden genieten, zoals de burgerrechten die het individu beschermen en de macht van de staat en de kerk beperken[2].
U ziet dat het laatste deel van het bovenstaande citaat gecursiveerd is. Dat deed ik zelf; liberalisme, vrijheid en openheid zijn niet zo vriendelijk zijn als ze eruit zien.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat NRC Handelsblad een flutkrant is.
Maar wel dat een liberale krant door rechtgeaarde kerkmensen van 2017 kritisch gelezen moet worden.

NRC Handelsblad wil een redelijke krant zijn.
Maar betekent dat dat de journalistieke redeneringen altijd verstandig zijn? Antwoord: in Schriftuurlijke zin niet, nee.

Nu het hierom gaat, is het – dunkt mij – goed om een paar woorden uit Jozua 1 te lezen. Ik bedoel deze: “Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die ​Mozes, Mijn dienaar, u geboden heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat.
Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat. Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen”[3].

In dat hoofdstuk wordt Jozua geroepen om Gods volk naar Kanaän te leiden. De Here geeft een duidelijke instructie. De boodschap is: u bent verstandig als Gods wet uw norm is.
Die maakt sterk.
Die maakt moedig.

NRC Handelsblad wil christenen – Gereformeerden incluis – ongetwijfeld respecteren. Vrijheid, blijheid nietwaar?
Maar men moet, suggereert men bij NRC, niet al te diep op het geloof ingaan. Er zijn namelijk heel veel levensovertuigingen. En die hebben allen recht van bestaan…
In Jozua 1 zien we iets anders. Dat is dit: “Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken…”. Dus:
* praat erover
* zing erover
* denk erover.
Wie over Gods Woord spreekt, laat horen wat zijn identiteit is.
Wie Gods wet overpeinst, zal uiteindelijk duidelijk laten blijken dat zijn denklijn gefundeerd is op de Bijbel.
Ziet u de verschillen?

Bij NRC Handelsblad is vrijheid: een reeks van zelf gemaakte privileges. Oftewel: u creëert uw eigen geluk, voor de tijd dat u op aarde leeft.
In Gods Woord is voorspoed niet mens-afhankelijk. Daar tintelt geluk door heel de geschiedenis van de mensheid. Want de Here God wil vrede geven, die verder gaat dan aardse rust.
Menselijke vrijheid levert altijd botsingen op. Want de vrijheid van Persoon Eén eindigt waar de vrijheid van Persoon Twee begint.
Gereformeerden gebruiken de vrijheid om zich voor te bereiden op hemelse rust. Rust zoals die in Hebreeën 4 bedoeld is: “Want als ​Jozua​ hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag.
Er blijft dus nog een ​sabbatsrust​ over voor het volk van God,
want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne”[4].
De Bijbel in Gewone Taal-2014 heeft op deze plaats: “De echte rust moet dus nog komen voor het volk van God. Want als je ​Gods nieuwe wereld​ binnengaat, dan mag je uitrusten van al je werk. Net zoals God uitrustte van zijn werk”.

Het klinkt prachtig: eerbied voor het individu en de beginselen van verdraagzaamheid.
Gereformeerden hebben echter eerst en vooral eerbied voor God.
Van daaruit hebben zij respect voor alle leven dat Hij geschapen heeft.
Vanuit die positie kijken zij uit naar de toekomst die de Schepper voor Zijn kinderen creëert.
Gereformeerden kijken verder dan liberalen. Veel verder.

Er zullen tijden komen waarin zal blijken dat de gelovige verwachting van die toekomst heel verstandig is geweest!

Noten:
[1] Die code is te vinden op https://www.nrc.nl/static/front/pdf/NRC%20Gedragscode%20HR%20(006).pdf ; geraadpleegd op donderdag 1 juni 2017.
[2] Citaat van https://nl.wikipedia.org/wiki/Liberalisme ; geraadpleegd op donderdag 1 juni 2017.
[3] Jozua 1:7 en 8.
[4] Hebreeën 4:8, 9 en 10.

1 december 2016

Geheiligde gemeente

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Kerklid zijn: dat is voor Gereformeerde mensen de gewoonste zaak van de wereld[1]. Daar is, voor ons gevoel althans, niets aparts aan.
Dat gevoel is echter zeer bedrieglijk.
In Exodus 19 zegt de Here immers reeds tegen de Israëlieten: “En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk”[2] .
Ook in het Nieuwe Testament wordt de noodzaak van die heiligheid benadrukt. Denkt u maar aan 1 Petrus 1: “… gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig”[3].

Dat weten wij wel.
Maar de ernst van die woorden blijft boven de markt hangen. We zijn geneigd om de zaak zo nuchter mogelijk te bekijken. We blijven maar gewone mensen, nietwaar?
En er overkomt ons niets van als we een beetje minder heilig zijn. De wereld draait er wel om door.

Welnu, in de Heilige Schrift wordt ons dat anders geleerd.

Ik wijs, nu het hierom gaat, eerst op Jozua 6 en 7. Daar lees ik over de verovering van Jericho. En ook over de misdaad van Achan.

Jozua heeft afgekondigd: “Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de HERE gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen. Gij echter, neemt u in acht voor het gebannene, opdat gij niet, terwijl gij met de ban slaat, van het gebannene neemt en de legerplaats van Israël onder de ban brengt en in het ongeluk stort. Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de HERE heilig zijn: het zal bij de schat des HEREN komen”[4].

Achan houdt zich daar echter niet aan. Bij hem is het leven sterker dan de leer. Hij eigent zichzelf een mooie mantel toe, en zilver en goud.

Die misdaad heeft grote gevolgen.
De Israëlieten lijden bij Ai een gevoelige nederlaag.
Achan, heel zijn familie, al zijn huisraad en de gestolen goederen – alles wat maar enigszins aan de misdaad herinnert – wordt weggedaan.
Achan wordt gestenigd. Alles en iedereen wordt verbrand.
Uitgeroeid.
Compleet van de wereld af.
Verschrikkelijk is dat!

Er blijft een hoop stenen liggen: een stille getuige van het drama dat zich op de executieplaats voltrokken heeft.

We zijn wellicht geneigd om te zeggen: nu ja, zo gaat dat in het oude verbond.
In het nieuwe verbond gaat het allemaal niet meer zo ruig toe.
Daar is het wat beschaafder.
Maar dat moeten wij maar niet te hard zeggen.

In de Handelingen der apostelen komen wij in hoofdstuk 5 Ananias en Saffira tegen[5].
Zij maken deel uit van een mooie gemeente. De leden hebben alles gemeenschappelijk, de apostelen houden prachtige preken en de diaconie heeft geen geldgebrek.
Het mooiste voorbeeld van die vrijgevigheid is wel de bijdrage van Jozef uit Cyprus: hij brengt de opbrengst van een verkochte akker bij de apostelen. Hij genoot al een goede reputatie. Hij heeft namelijk de bijnaam Barnabas gekregen; ‘zoon der vertroosting’ betekent dat[6].
Ananias en Saffira denken blijkbaar: dat kunnen wij ook wel.
Maar uiteindelijk valt hun vrijgevigheid erg tegen. Ananias brengt een deel van de opbrengst van de verkoop van zijn akker bij de apostelen. Dat is mooi. Maar hij doet het voorkomen dat dat de hele opbrengst is.
Hoe Petrus weet dat Ananias en Saffira met geld sjoemelen weten we niet.
Wel weten we hoe het afloopt.
Als Ananias volhoudt dat hij het hele verkoopbedrag bij de apostelen heeft gebracht, wordt hij onmiddellijk gestraft. Hij valt dood neer. Zijn vrouw ondergaat als medeplichtige het zelfde lot.

Het is een historie die buitengewoon merkwaardige trekken heeft.
Blijkbaar vindt er een gemeentevergadering plaats. En tijdens die bijeenkomst overlijdt er een gemeentelid. Zeer plotseling. Je zou toch zeggen dat er, gezien de omstandigheden, alle reden is om de vergadering op een later tijdstip voort te zetten. Maar daar lees ik niets over. Het lijkt erop dat de vergadering gewoon wordt voortgezet.
Drie uur later overlijdt er nog een gemeentelid, uit hetzelfde gezin notabene. Dat is toch tragisch?
Het is ronduit schokkend.
Goed beschouwd is het geen wonder dat heel veel mensen van de gebeurtenissen onder de indruk zijn. Er staat: “En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden”[7].

Jozua 7 en Handelingen 5 beschrijven gebeurtenissen waarvan wij wellicht zeggen: nou ja, het is wel erg; maar er zijn veel ernstiger zonden.

Want uiteindelijk willen wij allemaal graag handig zijn met geld.
Wij zijn blij met onze mooie huizen.
Als u een koophuis hebt, is het prettig als u de verkoopprijzen van huizen ziet stijgen; dat is mijn spaarpot, zegt u dan.
Een mooie auto voor de deur is meegenomen.
Een tweede huis? Of een caravan? Graag natuurlijk.
En als u zulke grote aankopen doet, dan wilt u graag een beetje handig zijn. Het moet wel zakelijk blijven, roepen wij in koor.
Maar dat is het punt ook niet.
Want zowel in Jozua 7 als in Handelingen 5 is de heiligheid van de gemeente in het geding. De kerk is niet meer helemaal aan de Here gewijd. In de gemeente zijn de mensen ook een beetje belangrijk geworden. Denkt men. In de kerk spreekt niet alles meer van Hem.
En dat neemt de Here niet.
Hij is er boos over.
Toornig.
Die heiligheid van de kerk is een zaak van het oude verbond. Maar in het nieuwe verbond is die zaak nog net zo actueel.

Een echt heilige gemeente, dat is prachtig.
Maar als we dat afzetten tegen de situatie van vandaag dan sijpelt het enthousiasme al gauw weg. Sterker nog, de geestdrift is al snel bijkans geheel verdwenen.
Want hoe heilig zijn we eigenlijk? Hoe Godgewijd zijn wij zelf?

Ach, u weet hoe dat gaat. We grenzen keurig af: dat doen we wel, en dat doen we niet. Want onze agenda is blauw van de activiteiten. U en ik moeten in deze wereld goed voor onszelf zorgen. Want anders gaan we er met z’n allen onder door. En dat kan toch niet de bedoeling wezen?
Intussen weten we het best: afgrenzen is noodzakelijk; maar we schieten te kort. Wat wij hier op aarde presteren is verre van volmaakt. Het is stukwerk, zei men vroeger. Het is maar een klein stukje van al datgene dat er eigenlijk komen moet.

Dat is de waarheid. En dat erkennen we volmondig.
Het is de keiharde werkelijkheid.
Als het op ons zelf aan komt, dan wordt het niks met deze wereld.

Als u het mij vraagt, brengen deze Schriftgedeelten ons dicht bij Advent en Kerst.
Ze brengen ons tot het besef dat de komst van onze Here Jezus Christus de enige is waar Gods kinderen het van kunnen verwachten.
Laat ik het met Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus mogen zeggen: “De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen uit het vlees en bloed van de maagd Maria, om het ware zaad van David te zijn, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde”[8]. Zonder zonde: dat is de crux.
Met andere woorden: de heiligheid van de gemeente hangt niet van ons zelf af. Wij zijn heilig in Christus. Wij rusten in Zijn werk.

Nu het hierom gaat, wil ik u ook graag wijzen op woorden van de Gereformeerd-vrijgemaakte professor doctor J. Kamphuis (1921-2011).
Over de heiligheid van de gemeente schreef hij onder meer dit: “Men kán op een doperse wijze de heiligheid van de gemeente misverstaan. Dan wordt die heiligheid een kwaliteit, een hoedanigheid van de gemeente van de wedergeborenen die ze als het ware als hun eigen bezit moeten verdedigen tegenover de aanslagen van buiten. Dan wordt de tucht een middel van zélfverdediging. Dan verwordt de tucht tot het instrument, waarmee de geestelijke élite zich afgezonderd houdt. Juist wanneer wij ook in deze tijd het pleit willen én moeten voeren voor de kerkelijke tucht, dan zullen we voor dit misverstand, voor deze corruptie van de tucht op onze hoede zijn: er is een scherpe antithese tussen de doperse ‘ban’ én de gereformeerde tucht. Het is een tegenstelling in de aard van die beide. Het is ook een tegenstelling die zich in de praktijk steeds weer laat merken. We zullen dus altijd weer de Schrift zelf moeten gebruiken als de lamp die ons ook voorlicht op het pad van de tucht en bij het licht waarvan we kunnen zien door het geloof, wat het betekent dat de gemeente heilig is en heeft te zijn”.
En:
“De gemeente is heilig, niet uit zichzelf, maar uit kracht van het Verbond van God. Zij is ‘gemeente des HEREN’”[9].

Het wordt nog wel eens wat met de kerk.
Het is al heel veel met de kerk.
En het wordt nog veel mooier.
Denkt u maar aan Openbaring 21: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw”[10].
Dat restauratieproces zal worden voltooid.
Want Hij laat niet varen wat Zijn hand begon.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 4 december 2007.
[2] Exodus 19:6.
[3] 1 Petrus 1:15 en 16.
[4] Jozua 6:17, 18 en 19.
[5] Handelingen 5:1-11.
[6] Zie Handelingen 4:32-37.
[7] Handelingen 5:11.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 14, antwoord 35.
[9] J. Kamphuis, “Om de heiligheid van de gemeente”. – Kampen: Copiëerinrichting van den Berg, 1982. – Citaat van p. 31 en 32. Ook te vinden via www.kerkrecht.nl ; geraadpleegd op vrijdag 18 november 2016.
[10] Openbaring 21:5 a.

17 juni 2016

De kerk moet kiezen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“Jeugd in confrontatie met deze tijd”.
Dat klinkt als een actueel onderwerp.
Welnu, dat is het in 1971 ook al.
Dominee W.G. de Vries spreekt er over op de 26ste Bondsdag van de Bond van Verenigingen van Gereformeerde Vrouwen, die op woensdag 9 juni van dat jaar te Rotterdam gehouden wordt.

Op vrijdag 11 juni van dat jaar doet het Nederlands Dagblad er uitgebreid verslag van[1].

Hoe komt het toch, zo vraagt dominee de Vries zich af, dat we na de tweede wereldoorlog te overal in de wereld te maken hebben met protesterende en rebellerende jeugd?

“Als antwoord daarop gaf hij, dat er langzaam maar zeker een nieuwe klasse is ontstaan, die van de teenagers, die een grote afnemer vormt van allerlei producten. Mede daardoor wordt er in het politieke, en maatschappelijk leven, in de muziekwereld en de vermaaksector terdege gerekend met de wensen en meningen van de jeugd.
Dat is niet de God die de kerken prediken, maar de god van de vereniging van de tegenstellingen. Opvallend is de toenemende invloed van oud-oosterse godsdiensten.
Deze mystiek is weer verwant met de van de Dopersen, die in hun bloeitijd ook allerlei extatische verschijnselen kenden. We staan hierbij, zo zette ds. De Vries uiteen, voor het verschijnsel van nieuw heidendom, dat zoals het oude zeer religieus geladen is.
De naoorlogse jeugd – de nozems, provo’s en hippies – leeft in opstand tegen de wereld van de volwassenen, van de gevestigde maatschappij. [De jongeren] zoeken de leegte op te vullen door de betovering van drank, verdovende middelen, vrije liefde en beatmuziek. Een ontzaglijke werking heeft LSD, zodat al gesproken is van een psychische atoombom. Landen als communistisch China importeren deze middelen op grote schaal naar het Westen. De conclusie ligt voor de hand, dat deze ‘atoombom’ wel eens de ondergang van de hele westerse wereld kan veroorzaken. Kritische leraren in ons land hebben via het ‘Rode boekje’ al duizenden scholieren rijp gemaakt voor het gebruik van deze middelen. Het meest opmerkelijke, zo noemde ds. De Vries dit, is dat al deze verschijnselen religieus geladen zijn. Er is een nieuwe religie bezig te ontstaan, de godsdienst van het mediteren. Men dient de god van de kracht, van de sex, van de roes. Wie zijn Bijbel kent ziet al bij voorbaat de eigen tijd weerspiegeld. Hij weet dat er maar één middel is om weerstand te bieden aan dit massale verschijnsel, aan deze verzoeking die ook een greep doet naar het hart van de jeugd der kerk”.

Tot zover het eerste deel van de weergave in het Nederlands Dagblad.

In de eerste plaats maak ik bij het bovenstaande de aantekening dat het internet – waarvan begin jaren ’70 nog geen sprake was – zaken als drank, drugs en vrije liefde heel snel dichterbij hebben gebracht.

In de tweede plaats: de psychische atoombom heeft nog niet tot de ondergang der maatschappij geleid. We mogen nuchter vaststellen dat we er nog zijn.
Maar de zogeheten westerse beschaving is natuurlijk maar een dun vernisje. Daaronder zit veel besluiteloosheid, ellebogenwerk en corruptie.
Bijna paradoxaal is het feit dat hoe meer communicatiemiddelen wij ontwikkelen, er des te slechter wordt gecommuniceerd. U ziet dat bijvoorbeeld in de zorg; maar ook in andere bedrijfstakken kan men er wat van.
De wereld is een dorp geworden. Een global village. De wereldburgers worden geacht zoveel bij te houden, dat het voor de gemiddelde burger bijkans niet meer te doen is.

In de derde plaats dit.
Wat staat Gereformeerde mensen in zo’n maatschappij te doen?
Er moeten keuzes worden gemaakt. Wat doen wij wel, en wat niet? Wat volgen wij wel, en wat laten wij liggen?
Geachte lezers, wij moeten niet denken dat keuzes maken iets nieuws is.
Dat thema staat immers prominent in onze Bijbels.
Neem nou Jozua 24.
Ik citeer: “Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen!
Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, de Here te verlaten en andere goden te dienen. Want de Here is onze God. Hij is het, die ons en onze vaderen uit het land Egypte heeft gevoerd, uit het diensthuis, en die voor onze eigen ogen deze grote tekenen gedaan heeft, en ons behoed heeft op heel de weg die wij gingen, en onder alle volken door wier midden wij trokken. De Here dreef alle volken en de Amorieten, de bewoners van dit land, voor ons uit. Ook wij zullen de Here dienen, want Hij is onze God.
Doch Jozua zeide tot het volk: Gij zult niet in staat zijn de Here te dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een naijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven. Wanneer gij de Here verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omwenden, u kwaad doen en verdelgen, nadat Hij u heeft welgedaan. Het volk zeide echter tot Jozua: Neen, maar de Here zullen wij dienen. Daarop zeide Jozua tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de Here verkoren hebt, om Hem te dienen. Toen zeiden zij: Wij zijn getuigen!
Nu dan, doet de vreemde goden weg, die in uw midden zijn, en neigt uw harten tot de Here, de God van Israël. En het volk zeide tot Jozua: De Here, onze God, zullen wij dienen, en naar zijn stem zullen wij horen.
Te dien dage sloot Jozua een verbond met het volk en stelde inzetting en recht voor hen vast te Sichem. Jozua schreef deze dingen in het wetboek Gods, en hij nam een grote steen en richtte die aldaar op, onder de terebint, op de heilige plaats des Heren”[2].
Wat gebeurt daar?
* Jozua roept Israël op om te kiezen voor de dienst aan de Here
* Het volk zegt: jazeker, wij zullen de Here dienen
* Jozua repliceert uitdagend: u houdt dat nooit vol; want God is een heilig God, die afgoden niet naast Zich duldt
* Het volk zweert nog eens dat zij de Here zal dienen; ja, dat zullen zij werkelijk doen.
* Wel, zegt Jozua, dan moet uw keuze ook radicaal zijn; want dan is het de Here, en de Here alleen. Als u nu de afgoden nog een blik waardig keurt, is dat regelrecht verraad aan u zelf.
Dat alles is voor de kerk van 2016 van groot belang.
Want in feite geeft de God van het verbond ons in Jozua 24 een cursus Keuzes Maken.

Laten wij nog wat verder lezen in die oude editie van het Nederlands Dagblad.

“Wat de oorzaak van deze ontwikkeling is? Natuurlijk, zo zei ds. De Vries, ligt op de bodem altijd het verwerpen van het heilzaam Woord van God. Maar ook is er opstand bij de jeugd omdat er geen gezag meer is, geen leiding, geen weg die gewezen wordt. Als de ouders alles laten lopen, alles goed vinden, geen koers meer uitzetten, geen maatstaven meer hanteren, dan voelen de jongeren zich verloren, eenzaam en leeg. Autoriteitsverlies bij de vader betekent tegelijk autoriteitsverlies van elke overheid”.
En:
“De ouders mogen hun kinderen niet weerloos laten of weerloos maken door eigen gemakzucht. Zij. de nieuwe generatie zal mee door de hulp en de dienst van de oudere generatie de strijd moeten leren, de goede strijd van het geloof”.

Einde citaat.

Ware gelovigen moeten leren om keuzes te maken. Het maken van de goede keuzes begint bij de erkenning van het gezag van de Verbondsgod!

Laat ik tenslotte enkele verzen uit 1 Timotheüs 6 aanhalen. In dat hoofdstuk gaat het over de goede strijd van het geloof.
“Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen. Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen”[3].

Noten:
[1] “De beste opvoeding die de jeugd kan krijgen is een gezond normaal gezin”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 11 juni 1971, p. 5. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[2] Jozua 24:15-26.
[3] 1 Timotheüs 6:12-16.

2 februari 2016

Manna

“Waarom noemt Christus dan het brood zijn lichaam, en de beker zijn bloed, of het nieuwe verbond in zijn bloed, en spreekt Paulus van een gemeenschap met het lichaam en het bloed van Christus?
Antwoord:
Christus zegt dat niet zonder dringende reden. Want Hij wil ons daarmee leren, dat zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed de echte spijs en drank zijn, waardoor onze ziel tot het eeuwige leven gevoed wordt, evenals brood en wijn ons tijdelijk leven onderhouden”.

De bovenstaande formulering komt u, naar ik hoop, bekend voor. Hij staat in Zondag 29 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Eten en drinken: dat moeten wij, als het even kan, dagelijks hebben. Dat is – om het met een oude term te zeggen – noodzakelijk voor de instandhouding van ons lichaam. Maar de spijs en drank die in Zondag 29 bedoeld wordt, betreft de instandhouding van Christus’ lichaam; de kerk dus. Denkt u in dit verband maar aan Efeziërs 5: “niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam[2].

Dat lichaam moet gevoed worden worden met het manna dat de Here geeft.
Wat is eigenlijk de reden van de gave van dat manna?
Als u het mij vraagt, werpt dat manna helder licht op Zondag 29.

Nogmaals: wat is de reden voor dat manna?

Daarover lezen we in Exodus 16 het volgende.
“Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet”[3].
Voeding geeft de Here om Zijn volk op de proef te stellen. Het komt mij voor dat het belangrijk is om dat goed te zien. Mijn conclusie is: als de Verbondsgod ons in de kerk voedt, is één van Zijn drijfveren dat Hij ons wil testen. Hij wil zien dat wij Hem in alle ernst dienen. Hij wil merken dat wij, in bidden en danken, contact met Hem maken. Hij wil weten of wij dagelijks met Hem wandelen.
Eerlijk gezegd denk ik dat we ons daar lang niet altijd van bewust zijn.
In Exodus 16 instrueert Mozes: “Neem een kruik, doe daarin een volle gomer manna en leg dit voor het aangezicht des Heren, om het voor de toekomende geslachten te bewaren”[4].
De manna zorgt veertig jaar lang voor de energie van de Oudtestamentische kerk. Vooral dankzij de manna overleeft de kerk die woestijntijd.
En ook voor ons geldt vandaag dat wij ons ervan bewust moeten wezen dat de God van het verbond Zijn kinderen mee laat lopen in een permanent testprogramma.

In Deuteronomium 8 lezen we dat de kerk moet leven van al datgene dat de hemelse Heer zegt. Wij lezen: “Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des Heren uitgaat”[5].
Wil het bovenstaande zeggen dat Gereformeerden thans de wereld geheel moeten mijden, een doperse levenswijze moeten aanleren en netjes moeten wachten tot de Here spreekt?
Nee. Dat staat er niet.
De mens leeft van alles wat de Here geeft.
Daarnaast zijn er op de maatschappelijke markt nog veel meer producten te krijgen. Producten van allerlei soort en kwaliteit. Alleen geven die producten geen echt leven. Anno 2016 lijkt dat wel zo, maar het is niet zo.

In Deuteronomium 8 staat nog meer.
Ik citeer: dat manna is bedoeld geweest “om u te verootmoedigen, u op de proef te stellen en u ten laatste wèl te doen”[6].
De Here stelt de kerk op de proef. Jazeker. Maar daarmee is niet alles gezegd.  Hij zal ons wèl doen.

Wat betekent dat?
Dat wordt wat duidelijker als wij Jozua 5 erbij nemen. Uit dat Schriftgedeelte citeer ik: “En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde”[7].
De Here geeft Zijn volk een land Kanaän.
Ook wij krijgen een land. Een wereldwijd land. Een eeuwig land. Gelukkig is dat land.
Kerkmensen mogen zich verheugen op een toekomst waarin zij een hoge en heerlijke positie zullen bekleden. Heerlijk is dat!

Nehemia brengt het manna ter sprake in een gebed dat hij uitspreekt op een dag van boete en bede: “En Gij hebt hun uw goede Geest gegeven, om hen te onderrichten, en uw manna hebt Gij aan hun mond niet onthouden, en Gij hebt hun water gegeven voor hun dorst”[8]. En Nehemia zegt ook dat het volk Gods wet niet heeft nageleefd. Integendeel! Er is heel goddeloos gehandeld.
Er wordt, daar in Nehemia 9, een vast verbond gesloten: Gods wet zal worden geëerbiedigd.
Wij kunnen lezen: “Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond en stellen het op schrift, en onze oversten, onze Levieten, onze priesters zetten hun zegel eronder”[9]. En: “het overige volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelhorigen en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden om de wet Gods te onderhouden, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie tot de jaren des onderscheids gekomen was, sloten zich aan bij hun broeders, hun voornaamsten, en verplichtten zich onder zelfvervloeking en onder ede, om te wandelen naar de wet van God”[10].
Het manna is Verbondsvoedsel. Gegeven door de Here, om Zijn volk in staat te stellen om zich te ontplooien binnen de kaders van het verbond.

Nu wil ik nog één tekst uit het Nieuwe Testament aanhalen.
Hij staat in Openbaring 2: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt”[11].
Het verborgen manna is, als ik het goed weet, symbool voor het eeuwige leven. De manna die de Here schenkt is het begin van een nieuw leven. Een nieuw leven, met een nieuwe naam.

Nu ga ik weer terug naar Zondag 29.
Men zou de boodschap van die Zondag als volgt kunnen samenvatten:
* het lijden van Christus is de garantie voor de instandhouding van de kerk
of ook:
* Christus is voor de kerk het manna dat kracht geeft om zich voor te bereiden op en te leven in eeuwigheid.

Het verbond dat onze God met Zijn kinderen heeft gesloten, dat is een eeuwig verbond. Dat verbond is nooit aftands. Dat verbond is altijd actueel.
Als we in de kerk het Heilig Avondmaal vieren, moeten we ons realiseren dat de Here ons beproeft. We moeten beseffen dat in het lichaam van Christus echt leven zit. Maar we mogen bedenken: wat aan de Avondmaalstafel begint, is slechts een klein begin. Ons leven wordt een bestaan vol geluk en overvloed!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 29, antwoord 79.
[2] Efeziërs 5:29 en 30.
[3] Exodus 16:4.
[4] Exodus 16:33.
[5] Deuteronomium 8:3.
[6] Deuteronomium 8:16.
[7] Jozua 5:12.
[8] Nehemia 9:20.
[9] Nehemia 9:38.
[10] Nehemia 10:28 en 29 a.
[11] Openbaring 2:17.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.