gereformeerd leven in nederland

19 januari 2022

Prediker stuurt ons naar de kerk

Het is niet altijd eenvoudig om alleen door het leven te gaan. Beslissingen moet men zelf nemen. Keuzes moet men zelf maken. Snel overleggen – dat is er niet bij. Natuurlijk, het kan ook handig zijn om met niemand te hoeven samenwerken en gewoon je eigen plan te kunnen trekken. Maar wie alleen door het leven gaat moet ook zelf boodschappen doen, koken, afwassen enzovoort. In de directe omgeving is geen helper.
De Prediker leert ons in het gelijknamige Bijbelboek om daar oog voor te hebben. In hoofdstuk 4 wijst hij daar met nadruk op.
Gelet op die alleengaande uit Prediker 4 is de les uit Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus van des te meer belang: de gelovigen leven allen samen en ieder persoonlijk in een leefgemeenschap met Jezus Christus; Zijn schatten en gaven staan tot hun aller beschikking. Het spreekt daarom welhaast vanzelf dat iedereen blijmoedig met elkaar omgaat en elkaar verder helpt in het leven!
Zeker, overal is wel eens wat. Maar dit moet in de kerk toch een gulden regel wezen![1]

Alleen daarom al mag het in de kerk bijna nooit om macht gaan. De Heiland is de enige die werkelijk macht heeft. In Mattheüs 28 is Christus heel duidelijk: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen”.
Christus’ macht staat bol van genade. Wij worden gereinigd van al onze zonden. De Heilige Geest zorgt ervoor dat wij altijd in de buurt van de Heiland blijven. Bij Jezus Christus is geluk en vrede. Bij Hem is rust.
Een aardse koning misbruikt nogal eens. Een aardse machthebber kan zomaar het gevoel hebben dat hij onder en boven de wet is. Er is immers niemand die hem corrigeren kan? In Prediker 4 lezen wij over een “dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten”.
Welnu, zo’n koning is Jezus Christus niet
Zeker, in onze wereld is Hij de Alleenheerser. Maar Hij is een barmhartige Alleenheerser. Hij geeft ons een plaats in de kerk: de vergadering van mensen die door Hem bijeengebracht zijn. Die mensen zijn, samen met Hem, op weg naar de toekomst. Dat samen optrekken doen die mensen, als het goed, met Geestdrift. Zij doen dat in de stijl van Psalm 110:
“Uw volk is zeer gewillig om te strijden.
Zij treden aan in heilig feestgewaad”.
Met die almachtige Alleenheerser aan onze zijde zijn we zeker van de goede afloop van de strijd![2]

De Prediker zegt daarom: beste mensen, u moet in de kerk wezen! Waarom? Omdat de heilige God geen machtswellusteling is. God geeft rust op een woelige aarde. God geeft stilte te midden van allerlei gedruis.
De Prediker formuleert het in hoofdstuk 5 zo: “Wees niet te snel met uw mond, en laat uw hart zich niet haasten een woord te uiten voor het aangezicht van God. Want God is in de hemel en u bent op de aarde. Laat daarom uw woorden weinig in aantal zijn. Want zoals de droom komt door veel bezigheid, zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden”. En even verder: “Want zoals er in een veelheid aan dromen veel vluchtigs is, zo is het ook met de veelheid van woorden. Daarom: vrees God!”.
De Prediker zoekt ijverig naar een oplossing voor de cirkelgang van werk, vrijetijdsbesteding en nachtrust. Hij zoekt een manier om uit de dagelijkse sleur te komen. Hij zoekt verlossing. En Hij laat het onomwonden weten: voor verlossing moeten wij bij God wezen. In de kerk dus!
Wat is het pijnpunt van de Prediker? Professor dr. K. Schilder (1890-1952) omschrijft dat zo: “Een masjaal, een raadselspreuk, zonder Christus, ach ja, dàt is de pijn van den Prediker, dien laten schrijver van het Oude Testament. Een doodelijke smart, een ruwe aanstoot op mijn rondgang over de terreinen van de kermis der ijdelheid”.  
De wereld is zogezegd één grote kermis van ijdelheid. Gebakken lucht, zeggen we vandaag vaak. Als er even in geblazen wordt, is alles als bij toverslag verdwenen[3].

Wij moeten wij ons steeds bekeren.
Wij moeten voortdurend reformeren.
Een dominee zei eens in een preek over Prediker 4:17-5:6: “En nu er pas een reformatie geweest is, nu moeten we weer hard strijden en worstelen en waken tegen de deformatie en afval.
En in het leven van de mensen onder elkaar is het precies hetzelfde: rivaliteit en concurrentie, hebzucht en machtswellust, corruptie en bedrog, werken met de ellebogen – u ziet het toch dagelijks? De kranten staan er vol van! De één drukt de ander dood; winst boeken, resultaat bereiken, van succes verzekerd zijn, daar gaat het om, zegt men.
En hoe is het met de volkerenwereld, in de politiek? De ene conferentie na de andere mislukt; het communisme komt nader, (…) er hoeft maar even iets te gebeuren, of de vlammen slaan er uit. U denkt aan uw kinderen, die geboeid worden en bekoord misschien door de verleiding van de wereld; u kijkt naar die hele kleintjes: wat voor zin heeft het (…) om een wieg klaar te zetten? Is het niet ijdelheid der ijdelheden? Maar vandaag, gemeente, mag ik u bedienen het woord der vertroosting: er is een tempel! En er is nog steeds een sprekende God!”.
Wat een actuele preek, is het niet? Ach, de preek werd ergens tussen 1956 en 1961 geschreven; zo’n 60 jaar geleden dus. De door dominee K. Deddens uitgesproken predicatie blijkt opnieuw modern![4]

Kom naar de kerk!
Dat is de oproep van Prediker.
Wie dat niet doet weet zeker dat dienst aan God langzaam aan wegzakt. Voor wij ’t weten staan wij een beetje aan de rand van de leefgemeenschap met Jezus Christus. Nou ja, er is nog zoveel moois te beleven in de wereld… Maar ach, op de lange duur bevredigt de wereld toch niet. Want daar is het zo leeg. Zo vluchtig. Iedereen praat door elkaar. En wat hebben we aan al dat gezwets?
De Prediker geeft ons een welgemeende raad: “Zoals er in een veelheid aan dromen veel vluchtigs is, zo is het ook met de veelheid van woorden. Daarom: vrees God!”[5][6].

Noten:
[1] In deze alinea gebruik ik Prediker 4:7-12. En verder uit de Heidelbergse Catechismus: Zondag 21, antwoord 55.
[2] In deze alinea gebruik ik het Gereformeerde formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen. Uit Gods Woord citeer ik Prediker 4:13b en Mattheüs 28:18-20. En verder enkele regels uit Psalm 110:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] In deze alinea citeer ik Prediker 5:1, 2 en 6. Ook citeer ik uit: K. Schilder, “Christus in zijn lijden. Deel 2: Christus in den doorgang van zijn lijden”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, Kampen, 1930. – p. 67. Te vinden op https://dbnl.nl/tekst/schi008chri02_01/schi008chri02_01_0004.php ; geraadpleegd op dinsdag 11 januari 2022.
[4] De preek van K. Deddens (1924-2005) is gedateerd tussen 1956 en 1961. Dat is de periode waarin de predikant verbonden was aan de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) te Leerdam.
[5] Prediker 5:6.
[6] In dit artikel wordt aandacht gegeven aan Prediker 4 en 5. De keuze daarvoor hangt samen met het feit dat de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, woensdagavond 19 januari 2022, bijeen hoopt te komen om een bespreking te wijden aan Prediker 4:7-5:6.

29 maart 2019

Op zoek naar de wijsheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“De uil van Minerva spreidt zijn vleugels bij het vallen van de avond”.
Aldus sprak de heer Baudet van het Forum voor Democratie.
Het was de openingszin van zijn speech op de avond van de verkiezingsdag voor Provinciale Staten en de Eerste Kamer; op 20 maart jongstleden.

Minerva is de Romeinse godin van het verstand, van de vindingrijkheid, van de wijsheid. Dat laatste leidde er indertijd toe dat de uil het symbool van Minerva werd.
Welnu, suggereert Baudet, die uil is nu weer opgestegen.
Het gaat, zo wordt impliciet verkondigd, om het voortbestaan van de westerse beschaving. Met veel theater manifesteert de partijleider van het Forum voor Democratie zich als de redder van die beschaving.
Baudet pakt de boel aan!
Baudet gaat er wat aan doen![1]

Dat spreekt aan. De hoop in de samenleving flakkert op. Is deze man, die zowat in elke zin laat blijken hoe erudiet hij is, de redder van de Westerse samenleving? Brengt de heer Baudet de maatschappij weer terug op het niveau waar zij thuishoort?

Als we die vraag beantwoorden is het nuttig kennis te nemen van een metafoor van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Hij noteerde eens: “Die Eule der Minerva beginnt erst mit der einbrechenden Dämmerung ihren Flug”; de uil van Minerva begint pas bij het aanbreken van de avondschemering haar vlucht. Hegel bedoelde: men kan pas inzichtelijke kennis van een gebeurtenis krijgen als die geschiedenis is geworden[2].
Alleen al de beeldspraak van Hegel geeft ons alle reden om de heer Baudet en de zijnen niet al te snel op het schild te heffen.

Trouwens, al sinds mensenheugenis zoeken mensen naar wijsheid.
Menselijke wijsheid kan van groot belang zijn. De ontwikkelingen worden dan op een goede manier gestuurd. Maar in feite hebben mensen slechts een zeer beperkt denkraam. Het overzicht dat mensen hebben is, als het erop aan komt, begrensd en bekrompen. En er is geen mens die alles weet.
En ja – Job kwam tot een conclusie die ligt in het verlengde van het bovenstaande. Uit hoofdstuk 28 citeer ik:
“De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen”[3].

Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 1 in dezelfde lijn: “Immers, de ​Joden​ vragen om een teken en de Grieken zoeken wijsheid; wij echter prediken ​Christus, de Gekruisigde, voor de ​Joden​ een struikelblok en voor de Grieken een dwaasheid. Maar voor hen die geroepen zijn, zowel ​Joden​ als Grieken, prediken wij ​Christus, de kracht van God en de wijsheid van God. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen”[4].

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant en hoogleraar K. Deddens (1924-2005) zei over 1 Corinthiërs 1 in een preek eens: de apostel Paulus wil het “van alle kanten laten zien aan de Corinthiërs dat de prediking van het kruis van de Here Jezus Christus de grootste kracht en de hoogste wijsheid van God is.
En hij voegt er dan meteen antithetisch aan toe, dat in heel de wereld van zijn dagen deze prediking van Christus’ kruis niet anders gezien wordt dan als zwakheid en dwaasheid.
De prediking van dat kruis, zegt de apostel, is voor de Joden een aanstoot en voor de Grieken een dwaasheid.
En hij wil dat met nadruk vooropstellen in zijn brief aan de hoogmoedige gemeente van Corinthe: de prediking van het kruis van de Christus ligt niet in de lijn van het menselijk zoeken.
Integendeel: het menselijk zoeken beweegt zich hoe langer hoe verder van het kruis van Christus af, omdat de Joden een teken begeren en de Grieken wijsheid zoeken.
Maar in die weg van het menselijk zoeken, door Joden en Grieken, wordt dan ook nooit het uitgangspunt en de oplossing gevonden, maar blijft het leven altijd weifelend zoeken.
Waar de hoogmoedige levenshouding niet gebroken is, daar zal ook nooit de hoogste wijsheid van het leven ontdekt worden, want alleen daar, waar de erkenning is dat Jezus Christus geworden is wijsheid van God, en dat God door de dwaasheid der prediking beschaamd heeft de wijsheid der wereld, alleen daar is het leven, en kan het leven opbloeien”[5].

Terug nu naar de heer Baudet.
Op 20 maart sprak hij: “Net als al die andere landen van onze boreale wereld, worden we kapotgemaakt door de mensen die ons juist zouden moeten beschermen. We worden ondermijnd door onze universiteiten, onze journalisten. Door de mensen die onze kunstsubsidies ontvangen en die onze gebouwen ontwerpen. En vooral worden we ondermijnd door onze bestuurders”[6].
De boreale wereld – dat betekent: de noordelijke wereld. Boreas is de Griekse god van de noordenwind – vandaar.
Maar dat woord ‘boreaal’ heeft, om zo te zeggen, een geschiedenis met een vuiltje.
Heinrich Himmler, een vooraanstaand oorlogsmisdadiger in de Tweede Wereldoorlog, was van mening dat het arische ras uit een mythische noordelijke provincie afkomstig was: Hyperborea[7].
Die term komt ook terug in het werk van de Franse extreemrechtse historicus Dominique Venner[8].
Het gebruik van het woord ‘boreaal’ getuigt niet bepaald van grote wijsheid!

Voor Gereformeerde mensen is het ondertussen wel duidelijk: bij de Heiland is oneindige wijsheid te vinden.
Laten we het Paulus in 1 Corinthiërs 1 maar nazeggen: “Maar uit Hem bent u in ​Christus​ ​Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en ​gerechtigheid, ​heiliging​ en verlossing, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heere”[9].

Noten:
[1] Zie hierover ook https://www.telegraaf.nl/nieuws/3328038/dit-bedoelt-baudet-met-zijn-uil-van-minerva ; geraadpleegd op donderdag 28 maart 2019.
[2] Zie hierover https://nl.wikipedia.org/wiki/Georg_Wilhelm_Friedrich_Hegel ; geraadpleegd op donderdag 28 maart 2019.
[3] Job 28:20 en 21.
[4] 1 Corinthiërs 1:22-25.
[5] De betreffende preek is gedateerd op zondag 19 mei 1974, en heeft als tekst Prediker 10:8-11. Thema en verdeling van de preek luiden als volgt:
“De bescherming van de arbeid door de wijsheid
Wij zien achtereenvolgens:
1. de wijsheid verwerkt het lijden in de arbeid,
2. de wijsheid verlicht de strijd van de arbeid,
3. de wijsheid bezweert het kwaad bij de arbeid”.
[6] Geciteerd van https://www.trouw.nl/democratie/de-uil-van-minerva-en-de-boreale-wereld-wat-zei-baudet-nou-eigenlijk-~ac79ea83/ ; geraadpleegd op donderdag 28 maart 2019.
[7] Zie over Heinrich Himmler https://nl.wikipedia.org/wiki/Heinrich_Himmler ; geraadpleegd op donderdag 28 maart 2019.
[8] Zie over Dominique Venner https://nl.wikipedia.org/wiki/Dominique_Venner ; geraadpleegd op donderdag 28 maart 2019.
[9] 1 Corinthiërs 1:30 en 31.

9 april 2018

Gehoorzaam en onderdanig

In deze tijd zijn er heel wat jonge mensen die zich voorbereiden op het in het openbaar belijdenis doen van hun geloof.
Eén van de vragen die zij moeten beantwoorden luidt volgens het Gereformeerd Kerkboek-1986: “Belooft u zich te onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en tucht, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”[1].

Bij die vraag staat een Schriftverwijzing naar Hebreeën 13. Er wordt gewezen op deze woorden: “Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut”[2].

Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig… – dat is voorwaar geen aangename binnenkomer.
De dominee gehoorzaam zijn!
Ja, onderdanig zelfs!
Dat past, naar het lijkt, op geen enkele manier in deze tijd.
Immers, veel predikanten die zich Gereformeerd noemen brengen een leer die op bepaalde punten niet overeenstemt met de Heilige Schrift.
Bovendien: veel kerkleden wandelen links en rechts de kerk uit. Soms shoppen ze, om ergens een ‘Schriftuurlijk vitaminesupplement’ te kunnen innemen.
Gehoorzamen aan de predikant…: het mocht wat!

De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant M.J.C. Blok – geb. 1949, thans wonend te Bunschoten-Spakenburg – schreef daar in 1976 het volgende over.
“Ambtsdrager zijn in de kerk is geen erebaantje. Daar geneest Christus ons direkt wel van: de ambtsdragers worden immers aangesteld in zware tijden, in de tijd van de nieuw-testamentische bedeling. De tijd waarin alles gaat gisten, de tijd van revolutie en afval. We lezen daar in de Hebreeënbrief uitgebreid van.
Die brief is één grote waarschuwing tegen afval en één klemmende oproep om bij Jezus Christus alleen te blijven, de Hogepriester van het nieuwe verbond. En via de ambtsdragers wil de Here Zijn volk bij Zijn Woord houden. Vandaar dat bevel in de tekst: Gehoorzaamt uw voorgangers. Je moet je laten overtuigen en voor hen wijken. Dat betekent: laat ze niet maar praten, maar laat je gezeggen.
Het is duidelijk dat de schrijver van deze brief alleen de trouwe ambtsdragers op het oog heeft, niet de ongehoorzame. De trouwe ambtsdragers zijn door God aangesteld. En daarom buig je ook niet voor mensen, maar je buigt voor het ambt, voor het Woord van God, voor Jezus Christus. Ambtsdragers geven Gods Woord vaak in gebrekkigheid door, maar het is het Woord van God”[3].

Ambtsdragers zijn instrumenten in de hand van de Here. Zij geven het Woord van de Here door. Niets anders dan dat. Als zij al een ‘eigen’ mening doorgeven, is die – als het goed is – steeds weer terug te voeren op Gods Woord. En nergens anders op.
Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn niet belangrijk omdat ze invloedrijk zijn, of iets dergelijks. Ze wijzen op de Bijbel, en op de toepassing daarvan in het dagelijks leven.
Die gehoorzaamheid en onderdanigheid hebben te maken met het zich schikken naar de inhoud van het Woord van God.
Dat blijkt trouwens ook Hebreeën 13. Want vlak vóór het citaat van hierboven lezen we: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. En vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen”[4].
De Hebreeënschrijver maakt volstrekt helder waar onze aandacht naar toe moet gaan: naar de God van hemel en aarde!

Misschien kijken we wel eens tegen ambtsdragers op.
Omdat zij zo wijs zijn.
Of omdat zij zo ijverig zijn.
Laten wij dan in gedachten houden wat de Gereformeerd-vrijgemaakte nieuwtestamenticus J. van Bruggen eens schreef: “Wij concluderen dat de apostelen één soort oudsten in elke gemeente hebben aangesteld met als taak de gemeente te weiden door woord en leer. Het feit dat sommigen daarmee intenser bezig konden zijn dan anderen en dat zij mogelijk ook met speciale, tijdeisende, opdrachten werden belast, wettigt niet het invoeren van twee ambten. Wanneer sommigen in de dienst van de oudsten meer belast worden dan anderen, blijft het één ambt en taak. Intensiever werken leidt alleen tot intensievere eer en waar nodig ook tot materiële steun. Dit onderscheid tussen oudsten en oudsten is gradueel en bijkomstig, het is niet structureel of wezenlijk”[5].

Trouwens, de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant en hoogleraar K. Deddens noteerde ooit: “Mensvergoding en mensverguizing liggen heel dicht bij elkaar, en het een kan heel makkelijk overslaan in het ander. Dat overkwam ook Paulus en Bamabas in Lystra. Het ene moment werden zij voor góden aangezien, maar het andere moment werd Paulus gestenigd en de stad uitgesleept (Handelingen 14:11, 12, 19). Maar men verstond niets van het ambt en de ambtelijke boodschap die zij brachten. Gehoorzaamheid en onderwerping waarvan in Hebreeën 13 sprake is, moet dan ook gezien worden als gehoorzaamheid en onderwerping aan het Woord der waarheid. Dat dwingt enerzijds de voorgangers, aan niets anders te binden dan aan Gods Woord, dat zij mogen ver­kondigen. Anderzijds verplicht het de hoorders, zich volledig aan dat gepredikte Woord te onderwerpen. Als zo wordt voorgegaan in de gemeente en als van haar kant de gemeente zo leeft, hoeven de voorgangers niet gebukt te gaan onder een zware last die zij niet kunnen tillen, maar kunnen zij hun werk met vreugde doen”[6].

De dominee gehoorzaam zijn…
Onderdanig zelfs…
Gewoon luisteren naar ambtsdragers…
Ja, dat past toch in deze tijd.
Zo lang ambtsdragers en gemeenteleden maar buigen voor het Woord dat God ook vandaag nog tot ons spreekt.

Noten:
[1] Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 521.
[2] Hebreeën 13:17.
[3] M.J.C. Blok, “Gehoorzaamt uw voorgangers”. In: De Reformatie jg. 51, nr 29 (24 april 1976), p. 499 en 500.
[4] Hebreeën 13:15 en 16.
[5] J. van Bruggen, “Ambten in de apostolische kerk: een exegetisch mozaïek”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1984. – p. 105 en 106.
[6] Prof. dr. K. Deddens, “Een voortreffelijke taak: profielschets van de pastor”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1989. – p. 28.

5 maart 2018

Levenslange wedloop

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo’n menigte van getuigen omringd worden, afleggen alle last en de ​zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij het oog gericht houden op ​Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het ​kruis​ verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God”.

Dat zijn bekende woorden uit Hebreeën 12[1].

Hoeveel predikanten hebben op de kansel al niet gewezen op dat stadion vol mensen dat ons aanmoedigt? Het zijn er heel wat, kan ik u verzekeren. Trouwens, daar kunt u waarschijnlijk ook zelf wel over meepraten.

Die wedloop lopen wij gedurende ons hele leven.

En niet alleen gedurende de Olympische Winterspelen. U hebt het waarschijnlijk wel mee gekregen: van 9 tot 25 februari vonden de Olympische Winterspelen plaats in het Zuid-Koreaanse Pyeongchang.
De televisie zat er boven op. Uren en uren werd er geanalyseerd en gebatteerd.
Ach, ik wilde best een poosje naar het schaatsen kijken. Maar het geheel stond mij al snel een beetje tegen. En waarom dan precies? Al dat gepraat over de medaillespiegel – de ranglijst van deelnemers, geordend naar behaalde medailles –, de fantastische prestaties, de hooggestemde verwachtingen die soms niet werden waargemaakt, de onverwachte huzarenstukjes waarover urenlang werd nagepraat… het was allemaal zo aards. Zo mensgericht. Zo’n sfeer van: wat zijn wij, mensen, toch sterk en knap; en als dat onverhoopt niet zo is, dan maken we er toch een leuke tv-uitzending van. En als het dan leuk wórdt, dan zijn in ieder geval de tv-presentatoren nog knap… Een hele opluchting, dat begrijpt u.

Er lijkt tenminste één overeenkomst tussen die Olympische sporters en de kerkmensen. Zij zijn allen gericht op de overwinning.
Alleen maar, de sporters gaan voor hun eigen overwinning. Kerkmensen letten op de triomf van een Ander: Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij zit nu aan de rechterhand van God.

Er is nog een kenmerkend verschil tussen die Olympische sporters en de kerkmensen.
Olympische sporters zitten een dag of veertien in een cocon. Zij wonen in een Olympisch dorp. Zij concentreren zich op hun sport en de resultaten daarin.
Kerkmensen letten op de geloofsgetuigen die hen zijn voorgegaan. Op Abel. Op Henoch. Op Noach. Op Abraham. En op heel veel anderen die in Hebreeën 11 genoemd worden.
Kerkmensen letten op hun aardse vaders[2]. En op de wereld om hen heen.

Jaag de vrede na, zegt Paulus.
En: neem elkaar mee in de kerk, en zorg ervoor dat niemand achterblijft[3].
En: zorg ervoor dat er geen ruzie of onrust komt.
Verder: blijf ver van onkuisheid en losbandigheid[4].
Kortom: kijk goed om u heen, en ga christelijk met uw naasten om.

Gelovige kinderen van God letten op de overwinning van hun Heiland. Maar zij kijken ook om zich heen. Echte wereldburgers zijn zij, die volop actief in deze wereld staan.

Nu het om deze dingen gaat, wijs ik graag op een oude predicatie van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant K. Deddens (1924-2005). Zo’n zestig jaar geleden – het was omtrent 1959 – zei hij in een preek over Hebreeën 12:1 en 2: “…Als men vandaag allerwegen gaat leren, dat het er niet toe doet wat wij geloven, maar dat het alles aan komt op de vraag hoe wij geloven; als men ons zeggen wil, dat alleen dit van betekenis is, dat wij hetzelfde enthousiasme zullen opbrengen als eertijds de vaderen deden, maar dat het niet zo belangrijk is, om precies hun geloofsinhouden te weten – nu gemeente, dan zullen wij het volhouden, dat het wel van de grootste en eerste betekenis is, wat wij geloven zullen. Want daar zet de strijd van de kerk zich voort, waar de geloofsinhouden bewaard blijven”.
Wie dat citaat tot zich door laat dringen, beseft dat er vandaag de dag niet zoveel nieuws onder de zon is. Want ook in 2018 zeggen velen: als je maar bezield bent, dan kom je er wel in de kerk.
Laten wij, als wij zulk gepraat horen, niet vergeten dat het in de kerk nooit in de eerste plaats om ons gaat. Altijd staat Jezus Christus, de Heiland, op de eerste plaats!

De Olympische Winterspelen zijn achter de rug.
Maar de taak van Gods kinderen zit er nog lang niet op.
Van kerkmensen wordt uithoudingsvermogen gevraagd.
Zij moeten volhouden. Tot aan hun sterfdag.
Laten zij Hebreeën 12 daarbij nooit vergeten: “Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van ​engelen, tot een feestelijke vergadering en de ​gemeente​ van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen”[5].

Noten:
[1] Hebreeën 12:1 en 2.
[2] Zie bijvoorbeeld Hebreeën 12:9: “En verder hadden wij onze aardse vaders als opvoeders, en wij hadden ontzag voor hen. Zullen wij ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader van de geesten, en leven?”.
[3] Hebreeën 12:14: “Jaag de ​vrede​ na met allen, en de ​heiliging, zonder welke niemand de Heere zal zien”.
[4] Hebreeën 12:15: “Zie erop toe dat niemand achteropraakt in de ​genade​ van God, en dat er geen enkele wortel van bitterheid opschiet en onrust veroorzaakt zodat daardoor velen bezoedeld worden”.
[5] Hebreeën 12:22 en 23.

22 februari 2018

Opdat wij het luisteren niet verleren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Het is vandaag precies vijfenveertig jaar geleden.
Op donderdag 22 februari 1973 staat in het Nederlands Dagblad een nieuwsbericht waar de volgende kop boven prijkt: “Kern eredienst is: Spreek Here, want uw knecht hoort!”[1].
En daaronder staat: “Wie de prediking wegneemt, snijdt de kern uit de eredienst. Daarom mag het ‘Spreek Here, want uw knecht hoort’, nooit worden vervangen door ‘Hoor Here, want uw knecht spreekt’”.

Dat statement is afkomstig van drs. K. Deddens. Hij spreekt op de Friese ouderlingenconferentie te Leeuwarden over ‘De liturgie in onze kerken’. Voor een goed begrip der lezers: dat zijn de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

Wie het bovenstaande beziet, zit – wat mij betreft – meteen in de moderne maatschappij van 2018.
Luisteren naar een preek is voor heel veel mensen heden ten dage reuze ingewikkeld geworden. Want ach, zo’n preek is zo eenzijdig nietwaar? Mensen willen graag meepraten. Mensen willen direct reageren op wat zij horen, of hun reacties nu doordacht zijn of niet.
Luisteren – dat werkwoord schrijven wij tegenwoordig het liefst met kleine lettertjes.

Dominee Deddens keert zich in zijn lezing “tegen de opvatting dat de waarde van de kerkdienst niet afhangt van de preek, maar dat de liturgie het fundament van de kerkdienst vormt (…).
Ook de liturgische beweging denkt in deze richting en wil zelfs het altaar weer in de kerk halen.
Maar wie dat wil, zet de klok terug.
Immers de cultus van het oude Testament werd tot een einde gebracht door onze Here Jezus Christus en Zijn Kerk heeft naar Hebreeën 8:6 een altaar in de hemel waar Hij liturg is. Die liturgie gaat niet buiten ons om (Hebreeën 12). In de kerkdienst is de Here de eerste. Hij roept!”.

Daar valt de term ‘liturgische beweging’.
Die beweging komt van oorsprong uit de Rooms-katholieke kerk. Het beginpunt ligt zo rond 1903. Paus Pius X pleit in dat jaar voor een meer actieve deelname van kerkgangers aan de kerkmuziek.
Later komen ook in andere kerken liturgische bewegingen op gang. Onder meer in de Nederlands Hervormde Kerk komt veel aandacht voor vormgeving en rituelen. De doorwerking van dat gedachtegoed kunt u terugzien in het Liedboek voor de Kerken.

Nu is attentie voor liturgie in het geheel niet verkeerd. En zingen ter ere van God is prachtig werk. Maar bij dat nadenken over de vormgeving daarvan dient Gods Woord immer het uitgangspunt te blijven.
Als dat startpunt verandert, gaan de kerkdeuren ten langen leste dicht. Gaat u maar na: de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt): dat zijn allen kerken waar het Woord Gods steeds minder vaak klinkt.

De woorden van dominee Deddens blijken ook vandaag nog zeer behartenswaardig.

Nee, het is heel vaak niet zo dat men het geloof loslaat.
Welnee.
Men richt zich op Jezus en op de omgeving, heet het. Men is vol van Jezus en omarmt de omgeving[2].
Dat klinkt modern. Bij de tijd. Solide. Sociaal. Alleen maar: het Evangelie klinkt in de kerk. Daar verzamelt de God van hemel en aarde Zijn kinderen.
Aandacht voor de buurt is prachtig. Een open oog voor de omgeving is een alleszins goede zaak. Maar mét dat al mag de kerk nooit een buurthuis-plus worden. De kerk mag nooit een warme gemeenschap-met-de-Bijbel-als-toegevoegde-waarde worden.
En dat kan zomaar gebeuren als men aan de liturgie in de kerk gaat morrelen. Voordat wij ’t weten is menselijke inbreng reuze belangrijk geworden!

Het bovenstaande heeft alles te maken met de manier waarop u en ik tegen Gods volk aan kijken. Wat is het eigene van de kerk?
Dominee Deddens wijst daar ook op. Ik citeer: “Zijn verbondsvolk verschijnt op het appèl. Het komt samen om dienst – de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord leitourgia is: dienst, het volk ten baat – te verrichten. Die verbondsdienst betekent gemeenschapsdienst, want de gemeente is de bruid van Christus. Wie de samenkomsten der gemeente dus ziet als een godsdienstig samenzijn van een aantal mensen, komt terecht bij het conventikel en de sekte. Christus roept samen door middel van ambtsdragers en al hun handelen zal steeds weer getoetst moeten worden aan de lastbrief van de Schrift. Daarom is het dwaas om te zeggen, dat er meer liturgie moet komen en minder preek. De Vader spreekt immers in Christus”.

De zo vaak gezongen Psalm 105 wijst ons op onze taak:
“Vraagt naar de HEER en naar zijn sterkte
naar Hem die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt al wat Hij heeft verricht.
Slaat acht op ’t oordeel van zijn mond
en vreest Hem, volk van Gods verbond”[3].
In die laatste versregel leren wij van het karakter van de kerk is: Verbondsvolk.

Nog één citaat uit het onderwijs van dominee Deddens.
“Uit Handelingen 2 blijkt, dat men bijeen kwam om te blijven bij de leer der apostelen, het breken van het brood, de dienst der gebeden, en de dienst der barmhartigheid. Maar in de loop der eeuwen werd de Woorddienst vervangen door de offerdienst, waarbij de ambtsdrager — die niet mag worden miskend — werd overschat. Het altaar kwam centraal te staan en de prediking ging zwijgen. Dit vond zijn dieptepunt in 1215, toen de leer van de transsubstantiatie officieel werd vastgesteld. Christus geeft dus, volgens Rome, elke dag een onbloedige herhaling van Zijn offer.
Door de Reformatie ging men echter weer zien, dat er maar één Middelaar Gods en der mensen is. Het Woord des Heren kreeg weer de centrale plaats en de sacramenten zijn tekenen en zegelen. De sacramenten werden dan ook bediend na de Woorddienst en het zogenaamde ‘grote gebed’ werd ook op dat tijdstip uitgesproken. Calvijn heeft steeds de volle aandacht gevraagd voor het Woord.
Ook in later eeuwen is men niet ontkomen aan sacramentalisme zoals bijvoorbeeld in de 18e eeuw toen de prediking ontaardde in het ‘verhelderen van het verstand’ en de kerk een ‘volksvergadering zonder tucht’ werd. Bij het liturgisch réveil van plusminus 1850 in Engeland, Frankrijk en Duitsland keerde men niet terug tot het hart van de eredienst. En elke reformatie van de eredienst zal steeds weer moeten beginnen bij de reformatie van de prediking. Het Woord des levens vraagt levende woorden”.

De Gereformeerde kerk is een lezende kerk: de Schrift ligt telkenmale open.
De Gereformeerde kerk is daarnaast een kerk met een scherp gehoor. Om met Psalm 85 te spreken:
“Toon ons uw heil en goedertierenheid;
ik ben o God tot luisteren bereid”[4]!

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, donderdag 22 februari 1973, p. 4.
[2] Zie hierover bijvoorbeeld: “Afscheid van een kerkherplanter”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 17 februari 2018, p. 11. In dat artikel gaat het over de Gereformeerd-vrijgemaakte Veenhartkerk te Mijdrecht.
[3] Psalm 105:3, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Psalm 85:2, Gereformeerd Kerkboek-1986.

20 juni 2017

Moed voor de toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Van jongsaf is schrijver dezes lid van de kerk.

Van den beginne vond ik het daar heel interessant. Er was altijd van alles te zien. De dominee. Het orgel. En heel veel kerkgangers.
Als kleine jongen keek ik zoveel rond, dat mijn moeder zich wel eens heeft afgevraagd of ik wel wat van de preek hoorde. Maar alras bleek dat ik ook wel het een en ander uit de predicatie meenam. Dat viel dus mee.

Nog altijd ga ik, net als heel veel andere mensen, ’s zondags naar de kerk.
Wat gaan wij daar doen? Antwoord: wij gaan daar weer genieten van Gods liefde, en van elkaars genegenheid.

Wij moeten ervoor oppassen om op de automatische piloot kerklid te wezen.
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. K. Deddens (1924-2005) heeft in een preek over Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus eens gezegd: “…dit is de prediking van het tiende ge­bod, dat wij zullen voortvaren tot de volmaaktheid, niet pas straks, na de overgang in het eeuwige leven, maar hier en nu, in het leven van deze tijd, van deze tijdelij­ke bedeling. En ik wil het wel zo zeggen: wie hier niet naar de volmaaktheid jaagt, die zal ook nooit volmaakt worden”[1].
Wij moeten, met andere woorden, actief wezen. Liefde is een werkwoord, zeggen de mensen. Welnu, in de kerk zijn we altijd bezig. Dat wil niet zeggen dat wij het immer druk hebben. Onrust is, naar wij allen mogen hopen, niet altijd aan de orde. Het is niet altijd maar rumoerig om ons heen. Nee, wij zijn bezig. Wij zijn aan het werk. Wij zitten niet stil.

Zo leven wij naar de wet van God.

De vraag is daarbij: wat streven wij na?
Oftewel: waar willen wij naar toe?
“U zult niet begeren het ​huis​ van uw naaste”, zegt de Here in Exodus 20. Dat is wat anders dan: u zult niet stelen. In de context van het Woord van God betekent het ook niet dat alle begeerten uit den boze zijn.
Het tiende gebod betekent: u zult het bezit van uw naast niet begeren, maar u behoort er wel hoe langer hoe feller naar te verlangen om met en voor God te leven; tot Zijn eer.

De vraag is: waar richten wij ons leven op?
Dat is heus geen nieuwe vraag. De Spreukenleraar gaf reeds de volgende raadgeving:
“Bescherm je ​hart​ boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven”[2].

Aan het begin van deze maand vierden wij het Pinksterfeest.
Dat moeten wij, zeker in dit verband, niet vergeten. Want het is Gods Heilige Geest die de wet van God in onze harten schrijven wil. Die wet is, om zo te zeggen, in de wanden van onze harten gegraveerd. Als we in onze harten rondkijken, komen we die wet voortdurend tegen. De Heilige Geest vraagt onze attentie voor Gods verbondsregels. Hij verandert ons leven zo dat leven met God onze passie wordt. De Geest verlegt onze aandachtsgebieden.

In Zondag 44 gaat het over de allerheiligsten. Dominee Deddens typeert hen als “mensen, die vooraan gestaan hebben in de strijd; mensen, die hun leven verteerd hebben in de dienst van God”.
Zelfs van die mensen moeten we zeggen: hun inzet voor God en de kerk vormde eigenlijk nog maar een klein beginnetje.
Gods kinderen hebben een enorme drive. Hun leven wordt, om zo te zeggen, voortgestuwd. Gods kinderen zeggen niet: nu ja, er is verder weinig aan te doen.
Gods kinderen zeggen niet: eigenlijk willen wij met z’n allen een poosje uitrusten; wij hebben het zo druk gehad!
Gods kinderen zeggen wel: wij blijven ernstige pogingen doen om God te dienen op alle levensterreinen waarop wij actief zijn. Zij zeggen: dat is onze voorbereiding op het volmaakte leven in de hemel.

Wij zijn, om het maar eens modern te zeggen, in de kerk goed bezig.
Maar op zondag zetten we onze bezigheden stop. Dan zetten we ons tot luisteren. Tot scherp luisteren. Want Gods wet wordt ons indringend en prikkelend gepredikt.
Dat gebeurt niet om ons te ontmoedigen.
Dat gebeurt omdat wij in alle drukte van maandag tot en met zaterdag zomaar wij ons eigen ding gaan doen.
Zondag is koerscorrectiedag. Op die dag komen wij, als het goed is, steeds weer tot het besef dat we er, als het gaat over onze dienst aan God, gewoonweg niets van bakken.

Maar die indringende prediking geeft ons, ondanks alles, rust.
Want Gods Heilige Geest is in onze harten aan het werk.
En daarom gaat het met ons leven de goede kant op. Wij zien al iets van de volmaaktheid die komt. Dat geeft moed voor de toekomst!

Noten:
[1] Thema en verdeling van de betreffende preek luiden als volgt:
De volmaakte levensdienst voor het aangezicht van de Here.
Wij gaan daarbij na:
1. de Wetgever vordert ons levenscentrum,
2. de wetgetrouwen hebben het levensbegin,
3. de wetsprediking tekent het levensdoel.
Van de inhoud van de betreffende preek maak ik ook in het onderstaande dankbaar gebruik.
[2] Spreuken 4:23.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.