gereformeerd leven in nederland

6 februari 2020

De vredige kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Efeziërs 2 – dat is een Bijbelhoofdstuk dat ons midden in de kerk zet[1]. Dat zien wij al snel als wij naar de volgende indeling kijken. Die indeling komt uit de christelijke internetencyclopedie Christipedia.
Citaat:
“De brief aan Efeze valt naar de inhoud duidelijk uiteen in twee hoofdgedeelten:
I. Een leerstellig gedeelte
* Zegeningen voor gelovigen, 1:3-14
* Gebeden ten behoeve van de gelovigen, 1:15-21
* Het hoofdschap van Christus over zijn gemeente, 1:22+23
* Hoe de gelovigen als leden passen in zijn lichaam, 2:1-10
* De eenheid van de gemeente, 2:11-22
* De plaats van gelovigen uit de heidenen in de gemeente, 3:1-21
II. Een praktisch gedeelte
* Eenheid en verscheidenheid van de gemeenteleden, 4:1-3
* De eenmakende krachten van de gemeente, 4:4-16
* De plichten van de leden van het lichaam, 4:17-6:8
* De geestelijke wapenrusting, 6:10-20”[2].

De kerk stimuleert persoonlijk geloof
Efeziërs 2 leert ons dus wat de kerk is, en van Wie de kerk is. Men zou het kunnen samenvatten met woorden uit de Heidelbergse Catechismus: “Dat de Zoon van God uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof. En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven”[3].
Die laatste zin is opmerkelijk. In de Catechismus gaat het over de gemeente, over de mensen die bij elkaar gezet zijn. Maar de laatste zestien woorden uit dat citaat bepalen ons nadrukkelijk bij ons persoonlijk geloof.
Het is belangrijk om dat helder voor ogen te hebben. Wij zeggen vaak tegen elkaar: wij moeten in de kerk met elkaar meeleven. En dat is waar. Maar dat meeleven tonen we niet simpelweg omdat wij – modern gezegd – lid zijn van een sociaal netwerk dat ‘kerk’ heet. Wij zijn eerst en vooral actief in de kerk om ons persoonlijke geloof te stimuleren. Dat stimuleren we door elkaar mee te nemen. Dat stimuleren we door met elkaar te praten. Dat stimuleren we door van elkaar te leren. Maar alles begint bij ons persóónlijke geloof.

De kerk is het middelpunt van de strijd
Lid zijn van de kerk is niet altijd makkelijk. Er is vaak herrie en geharrewar. In de kerk is nogal eens onmin. Ruzie. Strijd zelfs.
Bij dat alles mogen wij echter nooit vergeten dat er voor de kerk gestreden wordt.
De apostel Paulus heeft in Efeziërs 1 al geschreven: “En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de ​gemeente”[4].
Die formulering brengt ons bij Psalm 110:
“De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
tot een voetbank voor Uw voeten”[5].
En:
“De Heere is aan Uw rechterhand,
Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult het slagveld met dode lichamen
en verplettert hem die het hoofd is over een groot land”[6].
Die Koning regeert de kerk. Die rechter brengt het recht in de kerk. Zo kan het gebeuren dat de kerk eeuwig blijft bestaan.
En de kerk is niet alleen maar een goedbedoeld gezelschap in Bedum, in de Nederlandse provincie Groningen. Of een groep in Amsterdam. Of mensen die, bijvoorbeeld, in de Verenigde Staten bijeen komen. Welnee. De kerk van over de hele wereld wordt klaar gemaakt om de Koning van alle tijden voor eeuwig te laten gloriëren.
Voordat het zover is moet er nog een hoop gebeuren. Er is daarom veel in beweging. Er wordt immers voor de kerk gestreden? Nou dan! Geen wonder dat de kerk niet altijd niet altijd vredig en volledig in evenwicht is. Geen wonder dat we ons soms afvragen: welke kant gaat het op met de kerk? Er wordt aan de kerk getrokken – vaak en hard.
Hoe dat zij – dankzij de Here Jezus Christus, onze Heiland, staat de kerk op winst.
Wij moeten ons zeker niet van de wijs laten brengen!

De kerk is niettemin bolwerk van vrede
In de kerk moet één woord centraal staan.
Vrede.
Dat kan – dankzij de Heiland!
Wie de vrede in de kerk goed wil belichten moet niet in Efeziërs 2 blijven steken. Wie wil weten hoe de vrede van Christus eruit ziet moet lezen in Efeziërs 2, in Efeziërs 4 en in Efeziërs 6. Dat zal hieronder blijken.
Paulus schrijft: “Want Hij is onze ​vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo ​vrede​ zou maken, en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het ​kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij Zijn komst heeft Hij door het ​Evangelie​ ​vrede​ verkondigd aan u die veraf was, en aan hen die dichtbij waren”[7].
De wet van Mozes stond indertijd tussen Joden en niet-Joden in. Maar die muur is afgebroken. Jezus Christus is gestorven om voor de zonden te betalen. Nu gaat het niet meer om Mozaïsche wetten en bepalingen. Alles draait nu om het geloof in Jezus Christus, de Redder van de wereld.
Laten wij het kortweg zo zeggen. Er waren twee soorten volken: 1. zonder Gods wet; 2. met Gods wet. Door Christus’ lijden en sterven zijn die twee soorten volken één natie geworden. Alle vijandschap is verdwenen. Er is één volk ontstaan dat ten diepste één grote taak in de wereld heeft: God eren.
Daarom moeten wij ons – om met Efeziërs 4 te spreken – “beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de ​vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is”[8].
Zo kunnen we vooruit in de wereld. Paulus schrijft in Efeziërs 6 dat onze manier van werken in de wereld voortdurend aan vrede moet doen denken. Hoe moeten wij in de wereld staan? Antwoord: “de voeten geschoeid met bereidheid van het ​Evangelie​ van de ​vrede”[9].
Geen wonder eigenlijk dat Paulus zijn brief aan de Efeziërs zo eindigt: “Vrede​ zij de broeders, en ​liefde​ met geloof, van God de Vader en van de Heere Jezus ​Christus. De ​genade​ zij met allen die onze Heere Jezus ​Christus​ in onvergankelijkheid ​liefhebben. ​Amen”[10].
Laten wij maar zorgen dat het in de kerk vredig blijft. Niet omdat het dan zo gezellig is. Maar omdat de Heiland in de kerk centraal staat!

De kerk is de tempel van God
In het Oude Testament was de kerk beperkt tot de Joden. Maar in de Nieuwtestamentische tijd staan de zaken anders. De Efeziërs zijn, zo maakt Paulus duidelijk “ondanks hun heidense achtergrond, dankzij het werk van Christus geen ‘tweederangs’-volksgenoten, maar horen er helemaal bij, samen met hun medegelovigen met een Joodse achtergrond”[11].
Ook de kerkleden van 2020 zijn eersterangs-burgers van Gods koninkrijk.
Met Gods kinderen van alle tijden vormen zij de tempel van God. Dat is veelbetekenend. Uiteindelijk blijkt dat zelfs allesbetekenend. Zie Openbaring 21: “Ik zag geen ​tempel​ in haar, want de Heere, de almachtige God, is haar ​tempel, en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar ​lamp”[12].
Wie Efeziërs 2 goed leest, krijgt ook zicht op het nieuwe Jeruzalem!

Noten:
[1] Dit Schriftgedeelte is onder meer gekozen omdat de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vanavond, donderdagavond 6 februari 2020, een avond wijdt aan Efeziërs 2. Van de genoemde vereniging is mijn vrouw lid. Met het schrijven van dit artikel hielp ik mijn echtgenote bij de voorbereiding op die avond.
[2] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/E/Efeziërs_(brief_van_Paulus) ; geraadpleegd op dinsdag 4 februari 2020.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[4] Efeziërs 1:22.
[5] Psalm 110:1.
[6] Psalm 110:5 en 6.
[7] Efeziërs 2:14-17.
[8] Efeziërs 4:3-6.
[9] Efeziërs 6:15.
[10] Efeziërs 6:23 en 24.
[11] Geciteerd van de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Efeziërs 2:19.
[12] Openbaring 21:22 en 23.

29 januari 2020

Doop en kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Waar word je gedoopt? Antwoord: in de kerk. Natuurlijk. Waar anders? Doop en kerk – die zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

In het Gereformeerde formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen wordt gezegd: “Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Zoon, verzekert de Zoon ons ervan, dat Hij ons in zijn bloed wast en reinigt van al onze zonden. Hij maakt ons één met Zichzelf in zijn dood en opstanding, zodat wij van onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden”[1].
Vanaf het begin wordt ons voorgehouden: jij wordt gereinigd.
Vanaf het begin wordt ons voorgehouden: jij wordt vrijgesproken van schuld.

Het formulier voor de doop verwijst daarbij naar 1 Johannes 1. En wel naar deze woorden: “…Als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van ​Jezus​ ​Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle ​zonde. Als wij zeggen dat wij geen ​zonde​ hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze ​zonden​ belijden: Hij is getrouw en ​rechtvaardig​ om ons de ​zonden​ te ​vergeven​ en ons te ​reinigen​ van alle ongerechtigheid”[2].

Een exegeet noteert daarbij: “Men kan zich afkeren, maar ook besluiten in het licht te blijven (…). Blijft de gelovige bij het laatste, dan ontdekt hij dat zijn zonde verdwijnt. Het bloed van Jezus reinigt en zuivert hem daarvan (…). Dat reinigen is een voortdurend proces gezien de praesensvorm van het werkwoord katharizo. Christenen mogen leven binnen de werkingssfeer van het reinigende bloed van Jezus, de Zoon van God. Bloed is een symbolische aanduiding van Jezus’ heilbrengende offerdood aan het kruis”[3].

In 1 Johannes 1 worden Gods kinderen er dus toe opgeroepen om een keus te maken.
Nee, dat is geen keus die wij slechts één keer in ons leven maken. Integendeel. Het betreft een keus die steeds ionieuw gemaakt moet worden. Het is een proces dat voortdurend voortgaat. Steeds weer moeten wij ons naar God toe keren. Wij moeten ons bekeren
Gereformeerd-zijn is dus niet iets statisch. Het is voortdurend in beweging. Gereformeerden zijn geen fauteuilkerkmensen.

Nee, u bent niet de enige die zulk een keuze maakt. En schrijver dezes is niet de enige die door Gods genade steeds weer bij de Here komt. Heel veel mensen komen in alle oprechtheid bij God om Hem te dienen. En ja, al die mensen horen in de kerk thuis!

Het is belangrijk om dat ook vandaag vast te stellen.
Want kerklid-zijn lijkt steeds vaker uit de mode te raken.
Een jonge vrouw zegt in het Nederlands Dagblad: “In mijn opvoeding kreeg ik mee dat je een kerk nodig hebt om je geloof op de voorgrond te houden. Daar zal zeker een kern van waarheid in zitten, maar ook zonder kerk ben ik met het geloof bezig en ik zoek daar mijn eigen weg in”[4].
Laten wij aannemen dat dat waar is. Niettemin is het merkwaardig. Want de verbinding met elkaar en met Jezus Christus is blijkens 1 Johannes 1 onverbrekelijk.
Dat is een stimulans om naar de kerk te gaan.
Sterker nog: het is een aansporing voor alle Gereformeerden om elkaar op te zoeken, en samen naar de kerk te gaan!

En wat is het Evangelie dat wij in de kerk horen?
Johannes draait er niet omheen. Als iemand zijn zonden voor God belijdt, zal Hij die zonden altijd vergeven. Hoe groot die zonden ook zijn.

David wijst daar trouwens ook op in Psalm 32:
“Welzalig is hij van wie de ​overtreding​ ​vergeven,
van wie de ​zonde​ bedekt is.
Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is”[5].
En:
“U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid,
U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding”[6].
En waarom weten we dat zo zeker? Omdat Jezus Christus, onze Heiland, voor ons geleden heeft.
Dat Evangelie is volstrekt betrouwbaar!
De heilige God verklaart dat Zijn kinderen volkomen schuldeloos zijn. De rekening is vereffend![7]

Het Evangelie dat in de kerk te horen is, kunnen we daar ook zien. In de doop dus.
Het Evangelie is bestemd voor Bijbellezers. Maar zeker ook voor beelddenkers.
Het Evangelie is er voor ieder die het horen wil. En voor ieder die het zien wil.

Waar horen gedoopte kinderen van God thuis?
Antwoord: in de kerk. Natuurlijk! Waar anders?

Noten:
[1] Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 513.
[2] 1 Johannes 1:7, 8 en 9.
[3] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Johannes 1:7.
[4] Dat is Tabita Roodselaar. Zij wordt op zaterdag 18 januari 2020 in het Nederlands Dagblad geïnterviewd; Nd7, pagina 24 (rubriek ‘Dertigers’).
[5] Psalm 32:1 en 2.
[6] Psalm 32:7.
[7] In het bovenstaande gebruik ik onder meer https://www.oudesporen.nl/Download/OS1735.pdf ; geraadpleegd op donderdag 23 januari 2020.

20 januari 2020

Vechten of verlaten

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Je mag de kerk niet verlaten. Dat hoor je vaak zeggen. Soms voegt men er aan toe: je moet blijven vechten.
Dat klinkt prachtig. Maar wat moet men dan doen als de kerk op steeds meer punten van Gods Woord weg dwaalt? Moet je dan blijven vechten, tot je er bij neervalt?

Als het om deze dingen gaat mogen wij elkaar wijzen op woorden uit Richteren 2: “Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de ​Baäls. Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit het land ​Egypte​ had geleid, en gingen achter ​andere ​goden​ aan, ​goden​ van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten de HEERE tot toorn. Want zij verlieten de HEERE en dienden de ​Baäl​ en de ​Astartes. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij gaf hen over in de hand van plunderaars, die hen plunderden. Hij leverde hen over in de hand van hun vijanden van rondom, zodat zij niet meer konden standhouden tegen hun vijanden”[1].

Een exegeet noteert hierbij: “De tijd van de richters wordt gekarakteriseerd door een sombere cyclus van afgoderij, verdrukking, bekering, verlossing en opnieuw afgoderij (…). De cyclus wordt hier in algemene bewoordingen beschreven, maar in het tweede hoofddeel van het boek (…) komt deze telkens terug in concrete voorbeelden, die zo geordend zijn dat de cyclus uiteindelijk een neerwaartse spiraal blijkt”[2].
Een christelijke internetencyclopedie vermeldt: “Richteren handelt over trieste periode in het bestaan van Israël. We lezen over het optreden van veertien richters -bevrijders- die in diverse stamgebieden optraden ten gunste van het volk. Het boek gaat over de herhaalde afdwalingen van Israël, van zijn God, en de gevolgen daarvan voor land en volk. Als het boek Numeri de veertig jaren van ronddolen in de woestijn weergeeft, beschrijft het boek Richteren het afdwalen van Israël over een periode van maar liefst meer dan 10 x 40 jaar.

Het boek is een voortdurend refrein van ongehoorzaamheid van Israël en het verlaten van God, het daarop volgende oordeel door aanvallen en overmeestering door omringende volken, het berouw van het volk en het roepen tot God, de verlossing die God hen geeft door de hand van een bevrijder, waarna het na een korte tijd van rust en vrede opnieuw begint af te dwalen van God”[3].
In Richteren 2 zien wij dus dat de Israëlieten de God van hemel en aarde verlaten. Daar toornt God over. En Hij neemt maatregelen. Rigoureuze maatregelen.

Als de kerk vandaag van God weg dwaalt, moeten wij dan wachten op een uitbarsting van Gods toorn? Nee, natuurlijk niet. Wij moeten bij Hem terugkomen.
Maar hoe zien we in deze tijd Gods toorn dan? Die zien wij bijvoorbeeld in het feit dat de duivel – Gods tegenstander – steeds meer ruimte krijgt. Die zien wij bijvoorbeeld in het feit dat de afwijkingen van de geloofsleer steeds groter, steeds ernstiger worden. Die zien wij bijvoorbeeld in het feit dat waarschuwingen om niet van Gods Woord af te wijken in de wind worden geslagen.
Een dergelijke ontwikkeling zien wij bijvoorbeeld in het verband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Maar laten wij ons niet vergissen: als God het niet verhoedt, gaan nog vele anderen zo’n proces tegemoet.

Je mag de kerk niet verlaten, zeggen veel mensen. Je moet blijven vechten, zegt men ook.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: “De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt; dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen. Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand heeft het recht zich van haar af te scheiden”[4].
Daaruit volgt:
* als de kerk de zuivere bediening van de sacramenten niet onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld…
* als de kerkelijke tucht niet geoefend wordt om de zonden te bestraffen…
* als men zich niet richt naar het zuivere Woord van God…
* als men alles wat daarmee in strijd is niet verwerpt…
dan heeft men alle recht om zich van haar af te scheiden. Sterker nog: dan heeft men de plicht om zich van haar af te scheiden.
Want dan is de kerk geen kerk meer.

Je mag de kerk niet verlaten. Dat hoor je vaak zeggen. Soms voegt men er aan toe: je moet blijven vechten.
Dat klinkt prachtig. Strijdbaar ook.
Maar er zit toch echt wel een ‘ho’ in!

Wanneer moet je de kerk verlaten? Hoe erg moet het worden voordat je de kerk verlaat?
Gods Woord is geen handboek. Alleen daarom al is een exacte tijdsbepaling niet te geven.
Het is God Zelf die duidelijk maakt wanneer het tijd is om te vertrekken. Soms doordat omstandigheden in het leven veranderen. Soms door een gebeurtenis in de kerk. Of door nóg wat anders.

Hoe dat zij – Richteren 2 vermeldt het expliciet: “En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden”[5].
Laten wij in deze tijd ons bestaan dus maar in handen van de Here geven. Dan loopt het altijd goed af!

Noten:
[1] Richteren 2:11-14.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Richteren 2:11-19; geraadpleegd op maandag 13 januari 2020.
[3] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/R/Richteren_(bijbelboek)#Inhoud ; geraadpleegd op maandag 13 januari 2020.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[5] Richteren 2:16.

30 december 2019

De nauwkeurigheid van Efeziërs 5

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Zolang je in de kerk ruimte krijgt, blijf je”.
Aldus een grote kop in het Nederlands Dagblad van maandag 23 december 2019. Daaronder staat een vraaggesprek met de historicus Harm Veldman. De in de gereformeerde wereld bekende geschiedkundige schreef het boek ‘De Vrijmaking van 1944. Hoe de start in Den Haag doorwerkte in Noord-Nederland’[1].
In het artikel zegt Veldman: “Ik zou mezelf nu omschrijven als een verontruste vrijgemaakte. Maar ik stap er toch niet uit, juist met de geschiedenis van de Vrijmaking in gedachten. Beter is het op je post te blijven, en je stem te laten horen. Mijn motto is: als je gedwongen wordt, moet je wel. Maar zolang men je ruimte laat, blijf je. Daarin sluit ik me aan bij Schilder en mijn andere favoriet, Hendrik de Cock”.
En:
“Zolang er geen vrijzinnigheid is, moet er een zekere elastische ruimte zijn om niet allemaal hetzelfde te laten denken. Door Gods Geest heeft de kerk ook zoiets als een zelfherstellend vermogen: samen kerk zijn, met alle zwakheden. Maar ik wil met dit kerkgeschiedenisboek tegelijk een signaal afgeven: mensen, vergeet het niet, dáár ging het toen om voluit kerk-zijn binnen de elastische bandbreedte van de confessie’”[2].

Dit alles geeft te denken.
Zijn al die mensen die de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in de afgelopen jaren hebben verlaten te kortaangebonden geweest? Waren zij te kort voor de kop? Te kortzichtig?
Nee.
Waarom niet?
Omdat de satan, de tegenstander van God, in onze tijd een andere verleiding aanbiedt als eerder in de geschiedenis. Het gaat in onze tijd niet om binding, maar om vrijheid. Iedereen krijgt de ruimte. Die ruimte is zo groot dat men in alle rust en met het grootste gemak bij Gods Woord kan wegdwalen. Vrijheid blijheid nietwaar?

In verband met het bovenstaande kunnen wij elkaar wijzen op Efeziërs 5. Meer precies op deze woorden: “Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en ​Christus​ zal over u lichten. Let er dan op dat u nauwgezet wandelt, niet als dwazen, maar als wijzen, en buit de geschikte tijd uit, omdat de dagen vol kwaad zijn. Wees daarom niet onverstandig, maar begrijp wat de wil van de Heere is”[3].
Paulus zegt tegen de christenen in Efeze: val niet terug in allerlei gewoontes en filosofietjes, maar wandel nauwkeurig als kinderen van het licht. Akribos staat er. Dat betekent: precies, zorgvuldig, op nauwgezette wijze, met aandacht voor of inachtneming van details.
Dat woord geldt ook aan het eind van 2019. En dus zwabberen wij niet zomaar overal heen. Nee, wij blijven zo dicht mogelijk bij het Woord van God. Dat is toch logisch?

Wij leven in het laatste deel van de wereldgeschiedenis. In deze tijd zet de satan alle middelen in die hij ter beschikking heeft. En hij pakt natuurlijk de mensen aan waar hij steeds minder grip op heeft.
Denkt u maar aan Colossenzen 1: “Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn ​liefde”[4].
En aan 1 Petrus 5: “Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de ​duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden”[5].
Doe het goede, zegt Paulus. Leef als wijze mensen[6]!

Veldman stelt: ‘zolang je in de kerk ruimte krijgt, blijf je’.
Daartegenover stelt schrijver dezes: dan blijf je dus ook als de kerk ver van Gods Woord afdwaalt; en alle kerkleden bivakkeren daar dan ook.
Laten wij er niet omheen draaien: dat valt maar moeilijk te rijmen met Efeziërs 5.

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: H. Veldman, “De Vrijmaking van 1944. Hoe de start in Den Haag doorwerkte in Noord-Nederland”. Bedum: Uitgeverij Profiel, 2019. – 240 p.
[2] “Zolang je in de kerk ruimte krijgt, blijf je”. In: Nederlands Dagblad, maandag 23 december 2019, p. 14 en 15.
[3] Efeziërs 5:14, 15 en 16.
[4] Colossenzen 1:13.
[5] 1 Petrus 5:8.
[6] In het onderstaande gebruik ik onder meer de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Efeziërs 5:14-16.

24 december 2019

Boodschap voor onhandelbare kinderen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Er zijn tegenwoordig heel wat kinderen met een rugzakje.
Er zijn kinderen met een onverwerkt verleden. Niet zelden worden zij op school onhandelbaar. Als het nog een beetje tegenzit praten de ouders, de school, de psycholoog en de therapeut tegen elkaar in. Gescheiden ouders hebben het dan niet zelden nog wat moeilijker. Met zoveel experts om hen heen wordt hun stem soms bijna niet meer gehoord.

Omstanders voelen zich machteloos. Wat zullen zij van al die dingen zeggen? Die omstanders hebben vaak ook nog hun eigen verhaal. Immers – misstanden zijn overal. Onbarmhartigheid komen u en ik overal tegen.

In die wereld komt het Evangelie van Mattheüs 1 tot ons: “…en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de Naam ​Jezus​ geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun ​zonden”[1].

Zij – dat is Maria. Zij is het die in Lucas 1 zingt: “Hij Die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en ​heilig​ is Zijn Naam. En Zijn ​barmhartigheid​ is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen”[2].
En:
“Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn ​barmhartigheid​ te denken, zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, tot ​Abraham​ en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid”[3].
Barmhartig – dat is een overheersende eigenschap van het Redder van het leven!

Die Zoon – dat is dus Jezus. ‘Verlosser’, betekent dat. Waarom heet Hij zo? Laten wij het de Heidelbergse Catechismus maar nazeggen: “Omdat Hij ons verlost van al onze zonden, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is”[4].

Zalig – gelukkig te prijzen! Dat zijn de mensen die arm van geest zijn; de mensen die als een bedelaar voor God staan. De mensen die niet meer weten hoe het hier op aarde verder moet en die hun hand ophouden bij God.
Dat zijn de mensen die treuren over de macht van Gods tegenstander, de satan. De mensen die het hier, vanwege die satanische macht, soms op aarde diep treurig vinden en die er misschien om moeten huilen.
Dat zijn de mensen die zachtmoedig zijn en veel onrecht verdragen.
Dat zijn de mensen die de aarde zullen beërven. Een door Gods ingrijpen volledig vernieuwde aarde.
Dat zijn de mensen die verlangen naar een Goddelijke orde. Een hemelse orde. Laten we de term ‘nieuwe orde’ hier vermijden. Bejaarde broeders en zusters kennen die term ongetwijfeld nog uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog; ‘nieuwe orde’: de staatsindeling die de nazi’s overal in het door hun veroverde gebied wilden introduceren. Nee, hier gaat het over de hemelse orde: de orde die domineert wordt door Gods glorie. Een orde die van bovenaf gegeven wordt!
Dat zijn de mensen die op aarde liefdevolle hulp bieden aan hen die dat nodig hebben. Mensen die medelijden hebben op plekken waar anderen dat nodig hebben.
Dat zijn de mensen die goed oprecht dienen. Het zijn zij bij wie het leven met God geen hapsnap-actie is. Het zijn godsdienstigen die de grote lijn van hun leven door het geloof doortrekken naar de eeuwigheid. Het zijn de mensen die Zijn aangezicht zullen zien, “en Zijn Naam zal op hun voorhoofd zijn”[5].
Dat zijn de mensen die in vrede willen leven met hun vijanden en zich zo snel mogelijk met hen willen verzoenen.
Dat zijn de mensen die vervolgd worden omdat zij het christelijk geloof belijden en praktiseren. Zij die worden weggehoond omdat zij de Bijbel de eerste plaats in hun leven blijven geven.
Herkent u de motieven van Mattheüs 5?[6]

Terug nu naar de kinderen met een rugzakje. En naar de onhandelbare kinderen. En naar hun ouders. Er zijn momenten waarop zij het uitstrálen: het leven is geen doen meer!
Er zijn momenten waarop zij zich vertwijfeld afvragen: wat moeten wij hier nou toch aan doen?
Al die mensen mogen naar de kerk komen.
Nee, dan zijn niet onmiddellijk alle problemen opgelost. Maar in de kerk leer je wel om volhardend verder te kijken dan de horizon van de rampzaligheid. De God van het verbond zegt, juist ook met het oog op het naderende Kerstfeest: schuif de problemen maar aan de kant en concentreer u maar op Immanuel – God met ons!

Er is echter meer dan die onhandelbare kinderen.
Want eigenlijk is heel Gods volk onhandelbaar. En dat is al van den beginne zo geweest. Laten wij elkaar wijzen op Exodus 32: “Ook zei de HEERE tegen ​Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk”[7].
Denkt u ook maar aan Mozes die in Exodus 34 zegt: “Heere, als ik nu ​genade​ in Uw ogen gevonden heb, laat de Heere dan toch in ons midden meegaan. Zeker, het is een halsstarrig volk, maar ​vergeef​ onze ongerechtigheid en onze ​zonde, en neem ons aan als Uw erfelijk bezit”[8].
Of aan Deuteronomium 9 waar de Here zegt: “Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk”[9].
Of aan Jesaja 30: “Wee de opstandige ​kinderen, spreekt de HEERE, om een plan te maken, maar niet van Mij uit; om een ​verdrag​ te sluiten, maar niet vanuit Mijn Geest; het is om ​zonde​ op ​zonde te hopen”[10].
En: “Want het is een ​opstandig​ volk, het zijn leugenachtige ​kinderen, kinderen​ die niet willen luisteren naar de wet van de HEERE”[11].
Om kort te gaan – wij hebben allemaal een rugzakje. Oftewel: wij zijn allemaal onhandelbaar.

Welnu, de Here Jezus Christus onze Heiland, redt ons uit die impasse. Hij is het die tegen Zijn Vader zegt: “En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt”[12].

Onze Heiland zegt: lieve kinderen, geef dat rugzakje nou maar aan mij; “want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”[13].

Voor alle onhandelbare kinderen van God – en wie is dat van nature niet? – klinkt ook anno Domini 2019 het Kerstevangelie: “…en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de Naam ​Jezus​ geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun ​zonden”.

Noten:
[1] Mattheüs 1:21.
[2] Lucas 1:49 en 50.
[3] Lucas 1:54 en 55.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, antwoord 29.
[5] Openbaring 22:4.
[6] Zie voor het bovenstaande Mattheüs 5:1-12.
[7] Exodus 32:9.
[8] Exodus 34:9.
[9] Deuteronomium 9:13.
[10] Jesaja 30:1.
[11] Jesaja 30:9.
[12] Mattheüs 26:39.
[13] Mattheüs 11:30.

25 november 2019

Doe maar gewoon

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“In de ​gemeente​ echter wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een andere taal”.
Dat schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 14[1]. Hij noteert dat in verband met de tongentaal, de glossolalie.
Tongentaal – wat is dat? Iemand omschrijft het zo: “Het is geen taal die je kunt leren zoals Nederlands of Engels, maar het is een klanktaal die je spreekt door de Heilige Geest. Toch gaat het niet geheel buiten je eigen controle om, het is niet de Geest die door jou heen spreekt – je spreekt zelf, door de kracht van God die in je is (…). Tongentaal wordt vaak door de meeste aanwezigen niet verstaan, vaak zelfs ook door de tongenspreker zelf niet”[2].
Welnu – de apostel Paulus schrijft: met tongentaal dient u de gemeente niet. Daarmee bevordert u andermans geloofskracht niet. Wie spreekt in de gemeente, moet dat doen tot opbouw. Broeders en zusters moeten er wat aan hébben.
Om weer met 1 Corinthiërs 14 te spreken: “Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft, zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de ​gemeente”[3].

De waarde van tongentaal is dus maar betrekkelijk. Voor buitenstaanders is het niet veel meer dan gebrabbel. Zeg maar gewoon: tamelijk onverstaanbaar gestamel. Alsof een klein kind geluiden maakt, waarvan eigenlijk niemand weet wat ze precies betekenen.
Een commentator schrijft erbij: “Kleine kinderen babbelen maar door in onverstaanbare klanken. Laat de Korintiërs maar baby’s blijven in het kwade, maar volwassenen in hun verstand”[4].

Een dominee uit de Gereformeerde Bond schrijft: “Paulus lijkt klanktaal vooral te relativeren, en de betekenis van profetie sterker te beklemtonen. Het lijkt net alsof hij zich een beetje geneert voor een gemeente waar iedereen maar aan het bidden is in klanktaal. Ze zullen denken dat jullie krankzinnig zijn, schrijft hij -1 Corinthiërs 14:23-. Paulus wekt niemand op om de gaven van de Geest, vooral naar die van profetie -14:1-.
Ten slotte: als Paulus wenst dat iedereen in klanktaal spreekt, kun je daaruit aflezen dat hij het geen onmisbaar element van het christelijk geloof acht.
Met zoveel woorden noemt hij het een van de gaven van de Geest -1 Corinthiërs 12:10-, waarbij het duidelijk is dat niemand alle gaven heeft, en dat er geen enkele gave aan allen gegeven is. Klanktaal is dus geen must. Het is niet typisch christelijk. Maar het is wel een gave van de Geest. Het is daarom absurd om tongentaal in de ban te doen. ‘Verhinder niet dat er klanktaal gesproken wordt’ -14:39-. Deze gave wordt gegeven door de Geest, ‘die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil’ -12:11-. Als de Geest het wil, gebeurt het ook. Of de Geest het altijd wil is een tweede. Maar wie is bevoegd de Geest in de kaart te kijken? Wie is bevoegd de Geest aan banden te leggen?”[5].

Een voorganger uit de Pinksterbeweging schrijft bij 1 Corinthiërs 14: “Het mag ons nooit te doen zijn om een soort van ‘geestelijke kick’ door het spreken in nieuwe tongen te krijgen”[6].
Het is van belang om dat laatste ook vandaag te accentueren.
Voor Gereformeerden uit 2019 ’t weten, vinden zij diep in hun hart ook dat er in de kerk iets te beleven moet zijn. Een gewone preek is dan zomaar  saai. De predicatie zegt ons dan ook niks meer. Laten wij daar alert op blijven! We moeten ons erin trainen om naar de preek te blijven luisteren, en ons erdoor te laten aanspreken.
Nee, een kick is beslist niet nodig.
In de kerk leven wij niet van mooie redevoeringen. In de kerk hoeven wij ons niet met hoogmoed en ijdelheid overeind te houden. In de kerk zijn wij, hoofd voor hoofd, in dienst van onze Heiland.

Nu het om die geestelijke kick gaat, mogen wij elkaar ook wijzen op de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten. Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn[7].
Hierboven zijn enkele woorden gecursiveerd. Wat wordt daarmee aangeduid? Dit:
* er is veel meer dan tongentaal, wij hebben heel de Bijbel
* Gods Heilige Geest brengt ons steeds weer de dringende boodschap: de Bijbel is waar; helemaal waar.

Het bovenstaande heeft onder meer betekenis voor het werk op Bijbelstudieverenigingen.
Tijdens de vergaderingen van die verenigingen hoeven we niet aan te komen met allerlei geleerdheid en ingewikkelde theorieën. Wij behoren elkaars geloof op te bouwen. Wij mogen bevorderen dat het geloof van anderen en van onszelf sterk blijft. Wij behoren te stimuleren dat wij Gods Woord toepassen op alle terreinen van het leven.
Inderdaad – daar zullen we nooit perfect in worden. Maar op die manier bereiden wij ons uiteindelijk wel voor op een leven in heerlijkheid: een bestaan dat zijn weerga niet kent en dat nimmer eindigt!

We leven in een tijd die vol is van stakingen. Van demonstraties en protesten. Men moet tegenwoordig een oproerkraaier wezen om gehoord te worden.
Welnu – in 1 Corinthiërs 14 zegt de God van het verbond: doe maar gewoon; dan horen uw broeders, uw zusters en Ik u ook wel[8].

Noten:
[1] 1 Corinthiërs 14:19.
[2] Geciteerd van https://bijbel.eo.nl/geloofsvragen/tongentaal-wat-is-tongentaal-en-kan-iedereen-het-spreken ; geraadpleegd op woensdag 20 november 2019.
[3] 1 Corinthiërs 14:12.
[4] Dr. R. Dean Anderson, “1 Korintiërs: orde op zaken in een jonge stadskerk”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 2008. – p. 207.
[5] J. Maasland, “Tongentaal”. In: De Waarheidsvriend – huisorgaan van de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk Nederland – donderdag 2 oktober 2008, p. 16 en 17.
[6] Geciteerd van http://www.tjderuiter.nl/1Cor14.htm ; geraadpleegd op woensdag 20 november 2019.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 5.
[8] Dit artikel werd geschreven op woensdag 20 november 2019. Die avond woonde de schrijver een vergadering bij van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Aldaar werd gesproken over 1 Corinthiërs 14. Het schrijven van dit stuk was een deel van de voorbereiding op die vergadering.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.