gereformeerd leven in nederland

20 september 2018

De afgod van de weet-wel-kunde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Leviticus: dat is een Bijbelboek met lessen over de omgang met God.
Iemand typeert dat als volgt: “Hoe dat gaat en de voorwaarden die daarbij door God worden gesteld, wordt voorgesteld in de verschillende offers en de daarmee verbonden priesterdienst. Voor nieuwtestamentische gelovigen wordt in zinnebeelden getoond dat zij gemeenschap mogen hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus”[1].

Het is goed om het bovenstaande in het achterhoofd te houden als wij in het begin van Leviticus 20 lezen: “Iedereen uit de Israëlieten en uit de ​vreemdelingen​ die in Israël verblijven, die iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen ​stenigen. En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven, waardoor Mijn ​heiligdom​ ​verontreinigd​ en Mijn ​heilige​ Naam​ ontheiligd is”[2][3].

Moloch – wie is dat?
Een uitlegger noteert: “Via deze god werden ook kinderen gewijd aan hun voorouders. Deze wijding kan zowel inhouden dat ze in leven bleven en in dienst van de godheid stonden, maar misschien ook dat ze voor het aangezicht van deze god werden verbrand. Deze laatste opvatting, dat kinderen voor Moloch werden verbrand, staat momenteel ter discussie”[4].
Moloch heet in de Bijbel soms ook Milkom.

Hoe dat zij: het offeren van mensen gaat rechtstreeks in tegen Gods gebod. Hij zegt immers: eer Mij met heel uw hebben en houden. Geen wonder dat God dat zo streng verbiedt!
In de toenmalige wereld wordt Moloch wijd en zijd vereerd. Uit 1 Koningen 11 blijkt dat zelfs Salomo niet aan de aantrekkingskracht van Moloch ontkomt[5]!

Waarom vindt God het dienen van afgoden zo verschrikkelijk en afschuwelijk?
Omdat Hij bezig is met de uitvoering van een groots verlossingsplan. In dat plan heeft de Here Jezus Christus, de Heiland, de meest centrale plaats.
In de eerste algemene brief van de apostel Johannes vinden we een adequate omschrijving van dat plan: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon ​Jezus​ ​Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt”[6].

In het boek Leviticus wordt, om zo te zeggen, al naar Hem toe gewerkt.
De wereld moet er op rekenen: de Verlosser komt!

Wij weten het: de Verlosser is gekomen. Maar in Leviticus is het nog lang niet zo ver. Het zal nog zo’n 1450 jaar duren voordat Hij naar de aarde komt.
Maar het boek Leviticus roept de mensen er al toe op: bereid u voor op Zijn komst!

De God van hemel en aarde legt er de nadruk op: men mag Gods heiligdom niet verontreinigen. Gods heilige naam mag niet worden besmeurd.

Waar is het heiligdom vandaag? Waar moeten wij dat zoeken?[7]
Antwoord: in de kerk.

Paulus schrijft aan de christenen in Corinthe: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de ​Geest van God​ in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is ​heilig, en deze tempel bent u”[8].
Die gemeente is wellicht heel klein. Niettemin is zelfs dat kleine onbetekenende kerkje zeer de moeite waard! Want Jezus zegt in Mattheüs 18: “Verder zeg Ik u dat, als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden”[9].

Terug nu naar Leviticus 20.
Het begin van dat hoofdstuk is niet bepaald rustgevend.
Dood.
Steniging.
Uitroeiing.
Verontreiniging.
Ontheiliging.
Dat past, zou je zeggen, op geen enkele manier bij de eenentwintigste eeuw. Daar kun je nu toch niet meer mee aankomen?

Inderdaad – Leviticus 20 is een deel van het Oude Testament.
Steniging en uitroeiing: dat is niet meer aan de orde.
Maar het is wel duidelijk: kinderen van God moeten hun leven aan Hem wijden.

Maar wat moeten wij verder met Leviticus 20 aanvangen?
Het is, als u het mij vraagt, goed om te bedenken: de afgod slokt je op!

Wat voor afgoden hebben wij vandaag?
Ik noem vandaag de afgod van het alles weten. Oftewel: de afgod van de weet-wel-kunde.

Vandaag de dag kunnen wij alles opzoeken.
Wie iets niet weet, raadpleegt het internet. De zoeker komt geheid een stukje verder.
Maar juist omdat dat kan, worden wij allemaal geacht alles te weten.
En juist omdat dat kan, kunnen wij ook snel bekijken welke rechten wij hebben.
Wie iets niet weet, is eigenlijk een beetje dom.
Wie geen gebruik maakt van al zijn rechten, is een beetje onnozel. Een tikje suf. Om niet te zeggen: bekrompen en boers.

Hierboven wordt Salomo genoemd.
Hij is typisch zo’n man die verder kijkt dan zijn neus lang is.
Hij is groots. Wijs. Kundig. Hij weet hoe de zaken staan in de wereld.
En Moloch, oftewel Milkom, vereert hij ook. Niet dat hij zijn God vergeet. Welnee. God en Moloch staan naast elkaar.
Ach ja, waarom niet?
Hij staat midden in de wereld, nietwaar?

Leviticus 20 waarschuwt ons ervoor om er een afgod op na te houden.
In 2018 kan dat zomaar de afgod van de weet-wel-kunde zijn.
Je bent een beetje sullig als je de boel niet bijhoudt.
Je staat midden in de wereld, nietwaar?

In de kerk moeten en mogen wij op God vertrouwen.
We mogen en moeten een schuilplaats zoeken bij de Heiland.
Ook vandaag mogen wij weten: wij zullen – om met 1 Thessalonicenzen 4 te spreken – “opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn”.
De Verlosser komt!

Wij hoeven niet alles bij te houden.
Wij hoeven niet altijd van onze rechten gebruik te maken.
Er komt een moment dat de weet-wel-kunde geen redding meer biedt.
Dat zal het ogenblik zijn waarop God alles zal zijn in allen!

Noten:
[1] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/L/Leviticus ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[2] Leviticus 20:2,3.
[3] De Herziene Statenvertaling noemt de afgod Molech. Ik gebruik de meer gangbare naam Moloch.
[4] Geciteerd van http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?1658 ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[5] Zie 1 Koningen 11:5: “want ​Salomo​ ging achter ​Astarte​ aan, de god van de Sidoniërs, en achter ​Milkom, de afschuwelijke afgod van de ​Ammonieten”.
[6] 1 Johannes 1:1-4.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1006.pdf ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[8] 1 Corinthiërs 3:16 en 17.
[9] Mattheüs 18:19 en 20.

18 september 2018

Haal obstakels weg

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

In deze wereld hebben wij veel onderscheidingsvermogen nodig. Dat wil zeggen: wij moeten weten wat belangrijk is in het leven. En we moeten goed weten wat bovenaan onze prioriteitenlijst staat.

In de kerk is zorgvuldig met elkaar omgaan van bijzonder groot belang. Natuurlijk – buiten de kerk moeten wij ook fatsoenlijk zijn. Maar in de kerk is voorzichtigheid nog belangrijker.
Daar gaat het namelijk om de eer van God.

Laat ik, in verband daarmee, wijzen op woorden uit Spreuken 18. Ik bedoel deze woorden:
“Een broeder wie ​onrecht​ is aangedaan, is erger dan een sterke stad,
en ruzies zijn als een grendel van een vesting”[1].

Een uitlegger noteert hier bij: “Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een versterkte stad en twisten zijn als een grendel van een burcht (…). De poort is de meest kwetsbare plek in een burcht en de vergrendelingen zijn hierin van groot belang. Wanneer een situatie escaleert, zetten de beide partijen de hakken diep in het zand en valt er weinig aan de situatie te veranderen. Daarom is het belangrijk dergelijke conflicten te voorkomen”[2].

Dat geldt in de familie.
En – bij wijze van spreken – driedúbbel in de Familie met een hoofdletter F.

Die uitdrukking ‘versterkte stad’ brengt ons onder meer bij Psalm 31.
In die psalm zien we een achtbaan van emoties voor ons. Er wordt gesmeekt om verlossing. Maar er is ook een geweldig vertrouwen op God. In Psalm 31 wisselt dat elkaar af.
Het is warempel net het echte leven.
Want zegt u nou zelf: het is niet voortdurend holadieee en hoempapa. Er is ook wel eens enige treurnis en een traan.
Maar juist als het leven, zoals dat heet, op een rollercoaster lijkt mogen we met de psalmschrijver zeggen:
“Geloofd zij de HEERE,
want Hij heeft wonderen aan mij gedaan,
wonderen van Zijn goedertierenheid:
Hij bracht mij in een versterkte stad”[3].

Wanneer is een stad sterk?
Als er dynamiek is. Als er activiteit is. Als er geleefd wordt. Een stad is nooit statisch, er gebeurt altijd wel wát. Als een gebouw wordt afgebroken, start men zo snel mogelijk met de bouw van iets anders.
Als het goed is tonen stedelingen, als er in hun woonplaats een ramp plaatsvindt, een zekere veerkracht. Zij maken front. Er is eensgezindheid. Zij gáán er voor. Net als in Efeziërs 4: daar gaat het over de “opbouw van het lichaam van ​Christus, totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de ​Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van ​Christus”[4].
Een stad is echter pas echt afdoende beschermd als de God van hemel en aarde daar actief is. Om het met de woorden van Psalm 60 te formuleren:
“Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in ​Edom?
Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?”[5].

De mensen spreken de laatste jaren wel eens over een rubbertegelgeneratie.
Enkele jaren geleden schreef iemand daarover: we zijn “altijd ijverig in de weer met gevaar en bedreiging, terwijl de zelfmoordterroristen, tsunami’s en klodders lava ons toch niet direct om de oren vliegen. De rubbertegelgeneratie, noemen ze ons ook wel. Op de flats staan luchtalarmen terwijl het laatste vijandelijke vliegtuig al bijna zeventig jaar geleden achter de horizon verdween en van alle mensen die vorig jaar overleden, stierf 95,7 procent een natuurlijke dood, in plaats van door geweld of letsel”[6].
Er heerst, kortom, relatieve rust. Intussen lijkt het anno Domini 2018 bijna ondoenlijk een gezin of familie te vinden waarin geen frictie, onmin of ruzie voorkomt.
In de Familie met een hoofdletter F is het al net zo. Want tot hun schaamte moeten gelovigen toegeven dat de situatie op het kerkplein en in de diverse kerkgenootschappen weinig beter is.
In die omstandigheden is de vraag: laten Gods kinderen zich echt nog versterken door de Heer van hemel en aarde? Of willen zij op hun éigen rubberen tegels blijven lopen?

Wie zich wil laten versterken dient de grendel van zijn vesting open te laten doen.
Bij grote ruzies zijn bijkans alle harten gebarricadeerd. Er is geen doorkomen meer aan.
In zo’n situatie moeten wij in gebed tot God gaan: ‘wilt u reddend ingrijpen?’.
Die macht heeft Hij.
Die macht gebruikt Hij ook.
In de heilshistorie is dat al wel gebleken. Denkt u maar aan Jesaja 45: “Zelf zal Ik voor u uit gaan, het oneffene zal Ik rechtmaken, bronzen​ deuren zal Ik openbreken, en ijzeren grendels stukbreken”[7]. Die woorden worden gesproken in het kader van de herbouw van Jeruzalem, ten tijde van koning Kores[8].

Conflicten in de kerk?
Tegenwoordig lijken ze niet te voorkomen.
Maar als zulk gekrakeel vóórkomt moeten wij maar denken aan een metropool waar het verkeer totaal vastgelopen is; je komt niet door de stad heen.
Als er diepe verdeeldheid is, moeten we maar denken aan een stad waarvan alle toegangen geblokkeerd zijn; er is geen doorkomen aan.
Laten wij het elkaar maar voorhouden: in de kerk moeten de wegen zoveel mogelijk vrijblijven.
Haal obstakels weg!

Noten:
[1] Spreuken 18:19.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Spreuken 18:1-21.
[3] Psalm 31:22.
[4] Efeziërs 4:12.
[5] Psalm 60:11 en 12.
[6] Geciteerd van https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/het-rijk-der-rubbertegels~b2f582bf/ ; geraadpleegd op vrijdag 7 september 2018.
[7] Jesaja 45:2.
[8] We kennen Kores tegenwoordig beter als Cyrus II de Grote. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Cyrus_II_de_Grote ; geraadpleegd op vrijdag 7 september 2018,

30 augustus 2018

Geloof geeft rust

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wat zou je het geloof gaarne gunnen aan je medemensen!
Immers, dat geloof opent de weg naar de toekomst.
Immers, dat geloof biedt zoveel troost.
Immers, dat geloof biedt zoveel zekerheid.

Zulk een geloof gunt schrijver dezes gaarne aan de dichter en journaliste Marjoleine de Vos[1].

In maart 2018 publiceerde Marjoleine onder de titel ‘Doe je best’ een aantal persoonlijke essays[2].
De uitgever schreef blijmoedig: “Deze schitterende verzameling persoonlijke essays tonen een wereldbeschouwing van deze tijd die meervoudig is, nooit absoluut. In tintelende zinnen legt De Vos de vraagstukken van ons bestaan bloot en beantwoordt ze met een bijna laconieke en aan de journalistiek ontstegen kennis van onze wereld”[3].

Mede naar aanleiding van de verschijning van die bundel essays zei Marjoleine in het Nederlands Dagblad: “…een heleboel dingen worden een stuk dragelijker als je weet dat het ooit wordt goedgemaakt. Hoe die wereld er dan ook uitziet. Maar ik geloof het niet. Ik kan het gewoon niet geloven. Kon ik het maar, dat zou me echt helpen”[4].

Kon ik het maar’, zegt Marjoleine.
Hoort u het ook – dat verlangen naar rust?

De dichter van Psalm 25 leert ons:
“Goed en waarachtig is de HEERE
daarom onderwijst Hij zondaars in de weg.
Hij leidt zachtmoedigen in het recht,
Hij leert zachtmoedigen Zijn weg.
Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw
voor wie Zijn ​verbond​ en Zijn getuigenissen in acht nemen”[5].

De God van hemel en aarde weet hoe mensen in elkaar zitten. Hij heeft hen Zelf gemaakt! Daarom geeft hij onderwijs over de weg. Dat betekent: Hij laat hen zien wat echte waarheid is. Hij toont waar de redding voor deze wereld te vinden is.

Dat onderwijs is er voor zachtmoedigen.
Het is er niet voor betweters.
Die lessen zijn er voor mensen die een zacht hart hebben, en die toegankelijk willen blijven voor het Goddelijk onderricht.

Gods barmhartigheid, genade en mildheid zijn er voor hen die Gods geboden naleven.
Het kader van Gods wet geeft in het leven rust.
Altijd weer kun je zeggen: ik ga rustig mijn gang, want God stuurt mij altijd de goede kant op. En ook: het is mijn diepste wens dat mijn activiteiten passen in de voorbereiding op een leven in de hemel.

Kon ik het maar’, zegt Marjoleine.

Wat kan een adequate reactie zijn?
Geloven, dat is: loslaten. Je hoeft het zelf niet te kunnen. Het is voldoende om te erkennen dat God de grote Bestuurder en Redder is van jouw leven. Niet meer en niet minder.

Marjoleine wil graag geloven.
Het Evangelie moet je “op de een of andere manier toch een geloofwaardige voorstelling van zaken vinden. Ik vind het als verhaal zinvol, maar als iemand aan me vraagt: geloof je het ook? Nee, dat niet”.

De Bijbel moet een geloofwaardige voorstelling van zaken geven.
De Bijbel moet aannemelijk wezen.
De Bijbel moet acceptabel zijn.
Zegt Marjoleine de Vos.

Laten wij elkaar wijzen op 1 Johannes 5: “Als wij het getuigenis van de mensen aannemen, het getuigenis van God is groter; want dit is het getuigenis van God dat Hij van Zijn Zoon getuigd heeft”[6].
Het verhaal van mensen geloven we in de regel ook. Zeker als dat verhaal ook nog door een man of twee bevestigd wordt. Waarom geloven onze medemensen God dan niet?

Er staat in 1 Johannes 5 nog het een en ander bij. Onder meer dit: “wie God niet gelooft, heeft Hem tot leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God van Zijn Zoon getuigd heeft”[7].
Die woorden leiden ons tot de onvermijdelijke conclusie dat mensen die zeggen niet te kunnen geloven God voor een leugenaar uitmaken. Wie niet gelooft, zegt in feite: God liegt!
Nu hoor ik Marjoleine, en velen met haar, protesteren: ‘Als ik niet kan geloven, wil dat toch niet zeggen dat ik beweer dat God liegt?’.
Welnu, zo staat het toch echt in 1 Johannes 5. En dat is, bij nader inzien, ook wel logisch. De Bijbel is niet een beetje waar. Het is geen Boek waarvan men zeggen kan: er zit wel wat in.
Het is ja of nee.
Wel of niet.
Daar zit niks tussen.
Geloven in beloften over vergeving der zonden en een eeuwig leven, dat vraagt beslistheid.

Marjoleine de Vos zegt: “Als er een God is die ooit de wereld heeft geschapen en als dat koninkrijk van die God ooit komt, heeft alles in het leven betekenis. Dat vind ik heel aantrekkelijk. Maar dat keurslijf aan dogma’s en regels maakt het weer onaantrekkelijk. Ja, je kunt zeggen: dat zijn de instituties. Maar ik denk niet dat je geloof kunt loskoppelen van tradities, dogma’s en instituties. (…) Maar ik kan dat niet geloven”.

Feit is dat in de kerk allerlei geschreven en ongeschreven regels gelden.
Maar laat niemand zeggen dat de kerk onleefbaar is. Dat is onzin.
Trouwens – wie zich aan regels ergert, moet Lucas 10 maar even lezen.
Daarin staat een stukje over Maria en Martha. Maria zit aan de voeten van Jezus. Martha heeft het druk. Zij moet de gasten van al het nodige voorzien. En eigenlijk vindt Martha de rollen wat ongelijk verdeeld zijn. Waarom helpt Maria niet een handje mee? Als Jezus nou eens een dienstorder geeft, dan gaat Maria vast wel aan het werk…
Maar wat zegt Jezus? Dit: “Slechts één ding is nodig. ​Maria​ heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden afgenomen”[8].
Uiteindelijk gaat het om het onderwijs van de Heiland. En natuurlijk moet je dan ook dingen regelen, in de kerk. Net als, bijvoorbeeld, bij een voetbalclub. Maar het blijft gaan om het onderwijs van Jezus Christus. En om het geloof in de beloften die Hij doet.
De rest is, strikt genomen, bijzaak.
Een belangrijke bijzaak, daar doe ik niets van af.
Maar toch – een bijzaak.

Marjoleine de Vos zegt: “Ik kom hier in de buurt nog steeds weleens in de kerk. Dan merk ik dat ik geen origineel soort twijfel heb. Ik vind de mensen in de kerk vaak in het verlangen dat de wereld op een bepaalde, goede manier zou kúnnen zijn. Dat zit hem vooral in de formuleringen, zoals de zegen aan het einde van de dienst. Ik ben eigenlijk altijd weer in tranen als ik die hoor uitspreken. Ik vind het heel mooi om mensen in het openbaar zoiets toe te wensen. Maar dan moet na de kerkdienst niemand tegen mij zeggen: geloof je dat nu ook? Dat God vrede geeft, zijn aangezicht over ons doet lichten? De ontroering om die wens, die ken ik. Zo blijft er ruimte, net als bij poëzie”.

De zegen van de Here heeft inderdaad iets poëtisch.
Maar we moeten nooit vergeten dat die zegen eerst en vooral een concrete inhoud heeft. Die zegen rust op ons in het leven van alledag.
Zondag aan zondag klinkt het in vele, vele kerkgebouwen: “De HEERE zegene u en behoede u! De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u ​genadig! De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u ​vrede!”[9].
Gods kinderen gaan elke zondag gezegend de week in.
Nee, zij hebben niet alleen een dichterlijk leven.
Soms hebben zij een leven waarin commercie een grote rol speelt.
Soms werken Gods kinderen in de bouw.
Of in de accountancy.
Of op de boerderij.
In al die situaties is de heerlijke presentie van God gegarandeerd. Gods kinderen ontvangen speciale bescherming. Het leven van Gods kinderen staat in het licht van de toekomst met God. De Here is voortdurend vlakbij. Er is permanent contact mogelijk.
Zo wordt het leven werkelijk vredig.
Dat is heel concreet.

Marjoleine spreekt onomwonden uit: “We nemen allemaal stappen en daarvoor kun je jezelf verantwoordelijk houden. Maar hoe het uitpakt, dat weet je niet. Je kunt je best doen, meer niet. Dat zul je moeten aanvaarden”.

Wij moeten ons best doen, zegt Marjoleine. En dat is waar.
Maar wie in geloof op weg gaat, die vindt rust.
Dat geloof opent de weg naar de toekomst.
Dat geloof gun ik gaarne aan al mijn medemensen. Marjoleine de Vos inbegrepen.

Noten:
[1] Meer informatie over Marjoleine de Vos is te vinden op https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/v/vos_marjoleine.html ; geraadpleegd op woensdag 15 augustus 2018.
[2] De gegevens van die publicatie zijn: Marjoleine de Vos, “Doe je best. Lof van het ongrijpbare leven”. – Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2018. – 144 p.
[3] Geciteerd van www.vanoorschot.nl ; geraadpleegd op woensdag 15 augustus 2018.
[4] “Meer dan je best kun je niet doen” – vraaggesprek met Marjoleine de Vos. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 11 mei 2018, p. 8 en 9.
[5] Psalm 25:8, 9 en 10.
[6] 1 Johannes 5:9.
[7] 1 Johannes 5:10 b.
[8] Lucas 10:42.
[9] Numeri 6:24, 25 en 26.

29 augustus 2018

Bij God beginnen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Een paar maanden geleden publiceerde het Nederlands Dagblad een vraaggesprek met Alain Verheij.
Verheij – geboren in 1989 – studeerde theologie aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie.
Hij is vooral bekend van nogal stekelige en venijnige tweets.

In het Nederlands Dagblad sprak hij onder meer over commitment aan de kerk. “Dat heeft te maken met commitment, denk ik. Daar heeft mijn generatie moeite mee. Je ziet dat bij alle instanties, politieke partijen, kranten, sportverenigingen … Alles is zo overvloedig beschikbaar, dat wij het moeilijk vinden om ons trouw aan een plek te verbinden, of aan een gemeenschap. En het heeft ook met focus te maken. Alleen al het aantal kerken waar je tussen kunt kiezen, nu je goede wegen hebt, en openbaar vervoer”.
De dominee op Youtube preekt soms beter dan de predikant in de kerk. Voor muziek en zang geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Verheij zelf is inmiddels randkerkelijk. Daarover zegt hij: “Ik ben zelf ook randkerkelijk. Ik heb wel het voornemen om mezelf ergens te settelen, maar ik merk toch dat, in welke kerk ik ook kom, ik ook dingen heb aan te merken. Dat is echt problematisch’”[1].

De problemen van Verheij zijn zeker herkenbaar.
Probleem één:
Informatie- en communicatietechnologie versnelt onze wereld. Op allerlei gebied hebben we keuze te over. Wie snel contact wil hebben kiest Skype of chat.
Probleem twee:
In bijna alle kerken is gerommel en gedoe. Volmaakt is het bijna nooit.
Het is, kortom, niet moeilijk om enige sympathie voor Verheij te tonen.

Laten wij echter, om te beginnen, zonder omwegen vaststellen dat de ideale kerk niet bestaat.

Wij zien dat bijvoorbeeld in Handelingen 11. Daar lezen we onder meer: “Zij nu die, door de verdrukking die in verband met ​Stefanus​ plaatsgevonden had, overal verspreid waren, gingen het land door”[2].
De kerk is in Handelingen 11 uit elkaar geslagen. De kerkleden zijn, populair gezegd, overal en nergens.

In Handelingen 11 praten de kerkleden wel over het Evangelie.
Tegen de Joden.
Tegen de mensen die Grieks spreken. Zeg maar even: de heidenen.

Je zou zeggen: wat voor zin heeft dat? Die gesprekken zijn evenzovele druppels op die overbekende gloeiende plaat.
Maar er is meer te zeggen.
Want in Handelingen 11 staat vermeld: “En de hand van de Heere was met hen en een groot aantal geloofde en bekeerde zich tot de Heere”[3].
De God van het verbond is present. Hij verbindt Zijn zegen aan de activiteiten die door de kerkleden worden ontplooid. Hij geeft kracht aan hun woorden. Hij zorgt ervoor dat de gloedvolle evangelisatie harten raakt.
Dat is, dunkt mij, een belangrijke les voor christenen in alle eeuwen: de Here verbindt mensen aan Hem, en daarom bestaat de kerk.
Het gaat er niet om dat mensen zin hebben om zich aan elkaar te verbinden; of juist niet. De Here verzamelt de gelovige mensen. En Hij brengt ze naar de kerk.

De verhalen over Gods zegen gaan rond. Vanuit Jeruzalem gaat een evangelist op pad. Barnabas heet hij.
Uiteindelijk komt Barnabas – ‘zoon van de vertroosting’ – ook in Antiochië.
In Handelingen 11 blijkt wel dat dat Barnabas daar geweldig veel pastoraal werk doet. De gemeente groeit, om zo te zeggen, waar je bij staat: “En toen hij daar gekomen was en de ​genade​ van God zag, werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan om met een hartelijk voornemen bij de Heere te blijven. Want hij was een goed man en vol van de ​Heilige​ Geest​ en van geloof; en er werd een grote menigte aan de Heere toegevoegd”[4].
Wat ziet Barnabas zoal?
Hij ziet eerst en vooral genade van God.
Hij geeft stimulansen om bij de Here te blijven.
Er worden heel veel gelovigen aan de Heere toegevoegd.
Zo kom ik bij een belangrijk bezwaar dat ik tegen het betoog van Verheij heb: Alain moet bij God beginnen en niet bij mensen.

De ICT kan de kerk zeker helpen bij het uitvoeren van de opdrachten die God geeft.
Maar lang niet alles is met computers en smartphones oplosbaar.

Het is, zegt Verheij, moeilijk om te focussen op één plek en één kerk.
Dat klinkt redelijk. Logisch, ook.
Maar bij nader inzien valt dat tegen.
Mensen die een baan hebben moeten focussen op de winst van hun bedrijf. Of op, bijvoorbeeld, het efficiënt werken van een overheidsinstelling. Of op het geven van goede zorg aan mensen die dat nodig hebben.
Waarom kunnen mensen vervolgens niet focussen op de kerk?
Er is heel wat aan te merken op de kerk, zegt de geachte theoloog Verheij. Nou en of, dat is waar. Maar op het bedrijf waar u werkt, bij de overheidsinstelling waar u uw werkkring hebt en op het management van ‘uw’ zorginstelling is ook heel wat aan te merken. Niemand is z’n hele leven volkomen tevreden in zijn werkkring. Waar mensen bij elkander zijn, zijn evenzovele tekortkomingen.
Focussen op de kerk? Dat moet kunnen! En ja, dat kan ook. Namelijk als de Here daaraan Zijn zegen geeft.

Barnabas zegt niet: tjonge, wat gaan jullie goed met elkaar om.
Barnabas zegt niet: denk erom dat jullie, koste wat het kost, bij elkaar blijven.
Barnabas zegt niet: wat fijn dat de kerk zo groeit.
Hij ziet genade van God.
Hij geeft stimulansen om bij de Here te blijven.
Er worden heel veel gelovigen aan de Heere toegevoegd.
Dat accentverschil is van het hoogste belang!

Is de kerk de moeite waard?
Het is maar van welke kant je ’t bekijkt.

Alain Verheij moet, als u het mij vraagt, leren om anders naar de kerk te kijken.
En trouwens: bij tijd en wijle moeten we ons daar allemaal in trainen.
Commitment van de kerkleden? Ja, dat gaat zeker lukken als wij wandelen met God!

Noten:
[1] “Internet vergeeft niet en vergeet niet”. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 4 mei 2018, p. 8 en 9.
[2] Handelingen 11:19.
[3] Handelingen 11:21.
[4] Handelingen 11:23 en 24.

15 augustus 2018

Vol vertrouwen in een onvoorspelbare wereld

Er zijn aardig wat mensen die vinden dat het leven een uitdaging moet zijn. Je moet je grenzen verleggen. Zo blijft het leven een avontuur.

Twee filosofen, Arjen Kleinherenbrink en Simon Gusman, publiceerden niet zo lang geleden echter een boek met de titel ‘Avonturen bestaan niet’[1].

Hieronder zet ik vijf citaten uit een vraaggesprek dat het Nederlands Dagblad met de auteurs van dat boek had.

1.
“In zekere zin is onze verslaving aan avonturen (…) een mechanisme waarmee we ontkennen hoe onvoorspelbaar de wereld eigenlijk is”.
2.
“Kennelijk kunnen wij het dus niet laten problemen in een avontuurlijker toonsoort te formuleren. We zijn er erg goed in om dingen heel bombastisch te laten klinken”.
3.
“Betekenis geef je zelf aan het leven. Een heleboel mensen denken dat betekenis op de een of andere manier ergens is te vinden. Je ziet het veel in zelfhulpboeken: er zijn zes stappen die je moet volgen om succes te hebben, alsof de werkelijkheid zich wel even aanpast. (…) Zelfhulpboeken zijn sowieso walgelijk. Want wat steevast gebeurt, is dat het leven van iemand die toevallig succesvol is, wordt samengevat in zes stappen die iedereen kan volgen. Wat een onzin, die persoon had echt niet van tevoren een stappenplan klaarliggen, dat zie je pas achteraf”.
4.
“Het hele idee dat je de alledaagsheid doorbreekt door naar een andere plaats te gaan moet je dus vooral als metafoor zien. Je kunt ook gewoon op je plaats blijven zitten, het gaat om veranderingen in je psyche. Sommige mensen zien juist in meditatieoefeningen een avontuur dat het alledaagse doorbreekt. Het idee hierbij is dat je het gewone avontuurlijk maakt door het van een andere betekenis te voorzien, terwijl de wereld om je heen dezelfde blijft”[2].
5.
“Het punt is ook dat je gebeurtenissen in je leven pas achteraf een bepaalde structuur innemen die je vooraf niet kent. Als je dat beseft, kun je goed over je eigen leven vertellen zonder dat je daarbij garanties voor de toekomst gaat koesteren. Het is ook niet zo dat een levensles of persoonlijke groei niet bestaat, het ligt alleen niet zonder meer vast. Het kan dus best zo zijn dat alle vorige mislukkingen in de liefde lessen waren om de ware te ontmoeten. Maar dat weet je pas achteraf”.

Het leven is zeer onvoorspelbaar.
De betekenis van de gebeurtenissen in het leven zien we pas achteraf.
En die betekenis moeten we er, als ik het goed begrijp, vooral zelf aan geven. Je moet het gewone leven zelf avontuurlijk maken.
Aldus twee wijsgerige wetenschappers.

Schrijvend over het bovenstaande neem ik mijn uitgangspunt in Prediker 9.
En wel in deze woorden: “Voorzeker, dit alles heb ik ter harte genomen, zodat ik dit alles zou kunnen verklaren: hoe de rechtvaardigen en de wijzen en hun werken in de hand van God zijn. Ook ​liefde, ook haat kent de mens niet: alles ligt vóór hem”[3].

Wie is de Prediker?
Er is eigenlijk maar één persoon die in aanmerking komt: koning Salomo. Hij regeert over Israël in de tiende eeuw voor Christus. Hij is beroemd om zijn wijsheid en rijkdom.

Prediker trekt in zijn boek tenminste vier lijnen:
* alles is ijdelheid
* de zoektocht naar de zin van het leven is vergeefs
* het is goed om voorzichtig, weldoordacht en ingetogen te leven
* richt je op God en luister naar Hem[4].

Prediker heeft de innerlijke overtuiging dat alles en iedereen in Gods hand is.
Voor ons is het leven onvoorspelbaar: je weet nooit wat er gebeuren kan. Je weet ook niet hoe de Here Zijn schepping bestuurt. Maar onze God weet precies wat Hij doet!

De filosofen zeggen: je kunt veel over jouw eigen leven vertellen; maar garanties voor de toekomst geeft zo’n vertelling niet.

Het Woord van God leert ons dat gelovige christenen nog wel wat meer te zeggen hebben. Laat ik enkele trefwoorden noemen.

* liefdevolle God
en
* luisterende kerk
Mozes heeft het daar in Deuteronomium 33 over. De Here “heeft de volken lief! Al Zijn ​heiligen​ zijn in Uw hand, Zíj zitten aan Uw voeten en vangen iets op van Uw woorden”[5].
In die wereld zitten dus veel luisterende kerkmensen.
Zij blijven bij hun God in de buurt. Zij willen zoveel mogelijk van en over Hem leren. Want zij weten dat Hij hun toekomst bepaalt. Het eindpunt staat vast. En tijdens het bewandelen van de route genieten Gods kinderen speciale bescherming van bovenaf.

* kroon en tulband
In Jesaja 62 wordt gezegd: “U zult een sierlijke ​kroon​ zijn in de hand van de HEERE en een koninklijke ​tulband​ in de hand van uw God”[6].
Dat vers maakt deel uit van een beschrijving van de toekomst van Gods volk. Er komt een heerlijke tijd aan. Dat weten kinderen van God heel zeker! Zij zullen voor altijd dicht bij God leven. Daar komt niemand, helemaal niemand, meer tussen.
Kinderen van God vullen te Zijner tijd Zijn troonzaal. En hun aanwezigheid maakt het hemelse feest alleen maar volmaakter en luisterrijker.

* eeuwigheid
De Here zegt tegen Zijn volk: u hoeft zelf geen betekenis aan uw leven te geven, want die geef Ik eraan.
Dat begint nu al, en het wordt nog veel mooier. Jezus geeft de garantie daarvan in Johannes 10: “Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken”[7].

* voorbereiding vol genade
In Efeziërs 2 maakt de apostel Paulus duidelijk dat de goede voorbereiding op die eeuwigheid al begonnen is. Daar heeft de God van hemel en aarde alles mee te maken.
Paulus schrijft: “Want uit ​genade​ bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in ​Christus​ ​Jezus​ om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”[8].
Gods genade is een kernpunt in het Evangelie.
De Here zegt: nee, u hoeft het niet zelf uit te zoeken.
Het is God Zelf die Zijn kinderen klaarmaakt voor een nieuw begin!

Die twee filosofen van hierboven lijken onder meer te zeggen: maak er wat moois van en geef jezelf een betekenisvol leven; en bedenk daarbij dat het vooral gaat om veranderingen in je psyche.
Wie er zo tegenaan kijkt, beseft vervolgens al snel dat er in zijn leven nog heel veel te doen is; je bent per slot van rekening niet zómaar klaar voor de toekomst.
Maar onze God zegt iets heel anders. Zijn Evangelie luidt: u hoeft het gewone niet avontuurlijk te maken door allerlei gebeurtenissen van een andere betekenis te voorzien; want Ik zorg voor u.
De vernieuwing is al begonnen.
En er komt een heerlijk vervolg!

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: Arjen Kleinherenbrink en Simon Gusman, “Avonturen bestaan niet”. – Amsterdam: Boom Uitgevers, 2018. – 244 p.
[2] “Laat je niet misleiden door het avontuur” – vraaggesprek met Arjen Kleinherenbrink en Simon Gusman. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 23 februari 2018, p. 6 en 7.
[3] Prediker 9:1.
[4] Zie hiervoor http://christipedia.nl/Artikelen/P/Prediker ; geraadpleegd op woensdag 1 augustus 2018.
[5] Deuteronomium 33:3.
[6] Jesaja 62:3.
[7] Johannes 10:27 en 28.
[8] Efeziërs 2:8, 9 en 10.

25 juli 2018

De Herder kent Zijn schapen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Hij kan ons zomaar bespringen. Die prangende vraag: doe ik het wel goed in het leven? Oftewel: maak ik wel de juiste keuzes?
Jongeren kennen die vraag heel goed. Maar laten wij er niet omheen draaien: ouderen kennen ‘m heus ook wel.
Wat moet je met zo’n vraag beginnen?
Is er eigenlijk wel een goed antwoord op?
Wat moet je doen als je je zo vaak onzeker voelt? Is dat gevoel eigenlijk wel te bestrijden?

Laten wij, met die vragen in het achterhoofd, kijken naar Johannes 10.
Ik citeer:
“De ​Joden​ dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere? Als U de ​Christus​ bent, zeg het ons vrijuit. Jezus​ antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij. Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken”[1].

Hoe staan de zaken in Johannes 10?
Welnu, de sfeer is daar nogal gespannen.
De kernvraag luidt: is deze Jezus de Man die in Israël al eeuwen verwacht wordt? Op die spannende vraag willen de omstanders heel graag een antwoord.
Eigenlijk is die ingehouden onrust een beetje overbodig.
Want Jezus heeft al verschillende keren gezegd: Ik ben de Herder die mijn schapen met al Mijn kracht bescherm.
Jezus zegt: “Ik ben de goede ​Herder; de goede ​herder​ geeft zijn leven voor de schapen”[2].
En:
“Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend”[3].

Die term ‘herder’ als aanduiding van God was in Israël trouwens al eeuwen bekend. Denkt u bijvoorbeeld maar aan Psalm 23:
“De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets”[4].
En aan Psalm 80:
Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt”[5].
En aan Jeremia 31: “Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken, verkondig het in de kustlanden van ver weg, en zeg: Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het weer bijeenbrengen en het hoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt”[6].
Dat woord ‘herder’ zou de Joden dus attent en wakker moeten maken. Want dat woord kennen ze. Uit de Psalmen. En uit de profetieën die woordvoerders van God in vroegere eeuwen uitgesproken hebben.

De Joden in Johannes 10 geloven niet dat Jezus de Redder van het leven is.
En waarom geloven ze dat niet?
Jezus zegt het zelf: “Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij”.

U gelooft niet.
Dat is een heldere constatering.

Maar daarmee is lang niet alles gezegd.
Want Jezus Christus heeft zeker wel volgelingen!

En één ding is zeker: wie gelooft dat Jezus Christus de Zaligmaker is, hoort bij Hem; dat verandert nooit!
Als u gelooft dat de Heiland uw zonden vergeeft, gaat u Hem volgen.
Als jij gelooft dat de Heiland jouw Redder is, ga je leven binnen de wettelijke kaders die Hij geeft.
En wie bij Jezus hoort, kan niet bij Hem weg worden gerukt!
En ja, dat geldt ook in 2018.

Misschien zijn er lezers die zeggen: dit is een mooi verhaal, maar er klopt niets van. Er zijn immers massa’s mensen die vroeger naar de kerk gingen, maar voor wie het geloof nu weinig meer betekent? Er zijn massa’s gezinnen waarin ouders en kinderen kerkelijk gezien zeer verschillende wegen gaan.
Vanuit menselijk oogpunt lijkt het alsof je moet vaststellen: gelovigen lopen overal en nergens; en eigenlijk weet bijna niemand waar ze zich precies bevinden…

Maar dat is gezichtsbedrog.
Want wij moeten niet over het hoofd zien dat in Johannes 10 niet eerst staat:
* de schapen volgen Mij
maar
* Ik ken ze.
Als de hemelse God je kent, dan is geborgenheid gegarandeerd. Dan kom je goed terecht!
Als God u kent, loopt u als vanzelf op de wegen die Hij wijst.
De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Galatië dat zij God kennen en – wat meer is – door God gekend worden[7]. Dat laatste gaat blijkbaar boven alles uit!
Een uitlegger schrijft erbij: “Zijn kennen van hen is volmaakt en in volkomen liefde. Hij kent hen met al hun gedachten en gevoelens, hun woorden en wegen, hun gevaren en moeiten, hun verleden, heden en toekomst”[8].

De Herder kent Zijn schapen. Daar begint het.
Uit de Dordtse Leerregels – het bekende belijdenisgeschrift waar veel Gereformeerden mee instemmen – leren we: God besloot de uitverkorenen “het geloof in Christus te schenken, hen te rechtvaardigen en te heiligen en hen, nadat zij in de gemeenschap van zijn Zoon met kracht bewaard zijn, uiteindelijk te verheerlijken”[9].
Menigten medemensen lopen op zelfgekozen wegen. Zij redden zichzelf wel, denken ze.
Maar “van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld ervan, evenals van alle andere zonden”[10].
De verleiding is soms groot om God de schuld te geven van klerikale puinhopen. Maar zulke puinhopen ontstaan door het verbijsterende wangedrag van mensen zelf!

Dit artikel begint met de vraag: doe ik het wel goed in het leven?
Johannes 10 maakt duidelijk wat wij moeten doen: God eren om al het werk dat Hij doet.
Jezus zegt in Johannes 10: “De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij”.
En nog altijd is het zo “dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft, ze door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert”. Daar heeft Jezus Christus Hoogstpersoonlijk de hand in.
Zo belijden we dat in de kerk. In de Heidelbergse Catechismus namelijk[11].
Je doet het goed in het leven als je nauwkeurig bekijkt waar de God van hemel en aarde aan het werk is.
Je doet het goed als je luistert naar de stem van de Herder. ‘Kom naar de kerk, want daar breng Ik mijn schapen bij elkaar; er is geen enkele macht die de schapen bij Mij weg kan houden!’.

Jezus Christus brengt in hemel en op aarde de rust terug.
Geloof dat maar!
Hij maakt de wereld weer mooi. Paradijselijk mooi!

Noten:
[1] Johannes 10:24-28.
[2] Johannes 10:11.
[3] Johannes 10:14.
[4] Psalm 23:1.
[5] Psalm 80:2.
[6] Jeremia 31:10.
[7] Galaten 4:9: “…en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen?”.
[8] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1536.pdf , p. 192 en 193; geraadpleegd op donderdag 12 juli 2018.
[9] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 7.
[10] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 5.
[11] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 26. Het citaat is vanwege de zinsbouw enigszins aangepast.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.