gereformeerd leven in nederland

13 juli 2018

Permanente troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Want alle vlees is als gras en al de heerlijkheid van de mens is als een bloem in het gras. Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is”.

Hierboven staan woorden uit 1 Petrus 1[1].

Het kost u, mag ik aannemen, weinig moeite om u daar iets bij voor te stellen. Sterke mensen worden zo maar zwak. Leidinggevende figuren worden soms in korte tijd afhankelijke types. Bijvoorbeeld omdat hun lichamelijke krachten afnemen. Of omdat zij dementeren.
Maar het Woord van God is nimmer aan slijtage onderhevig!

Vandaag vestig ik graag uw en mijn aandacht op de manier waarop deze woorden ons kunnen troosten.

Wat is 1 Petrus eigenlijk voor een brief?
Een internetencyclopedie leert ons: “De eerste brief van Petrus (vaak kortweg 1 Petrus genoemd) behoort tot de algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Traditioneel wordt aangenomen dat de brief rond 60 na Christus werd geschreven door de apostel Petrus vanuit Rome. Anderen dateren de brief later; zij beschouwen de inhoud niet zozeer als een weerspiegeling van het begin van de vroegchristelijke traditie, maar veelmeer als verdere uitwerking ervan en menen dat hij geschreven is aan het einde van de eerste of het begin van de tweede eeuw”[2].
Hoe dat zij: het is dus al een heel oud geschrift.

En wat gebeurt er in de woorden waarmee dit artikel begint?
De boodschap is daar: kijk vooral niet naar mensen. Voordat je ’t weet zijn zij oud en verzwakt. Lees daarentegen maar veel in de Bijbel. De inhoud daarvan is altijd toepasbaar in de wereld waarin jij leeft. Gods Woord is oud, maar altijd modern.

In de kerk moet altijd de Bijbel open[3].
En één ding is zeker: de kerk is er altijd.

In de Heidelbergse Catechismus belijden wij “dat de Zoon van God uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt”.
Kerkmensen spreken, ieder voor zich, onomwonden uit “dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven”[4].
Ziet u dat? Of u nu op de aarde leeft, of in de hemel – een kerkmens blijft u altijd.

Met de Nederlandse Geloofsbelijdenis komen we er rond voor uit dat “deze kerk er is geweest vanaf het begin van de wereld en er zal zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[5].

Nee, dat is geen grootspraak.
Want onze Heiland heeft in Mattheüs 16 over Zijn gemeente zelf gezegd: “…en de ​poorten​ van de hel zullen haar niet overweldigen”[6].

Die woorden uit 1 Petrus 1 zeggen iets over kerkgeschiedenis.
Wie onsympathiek wil doen, kan natuurlijk zeggen: bestudering van de geschiedenis van de kerk heeft, op de keper beschouwd, niet zo heel veel zin. Immers: Gereformeerde wetenschappers komen toch altijd op hetzelfde punt uit. En trouwens: zijn bovenbedoelde wetenschappers niet vooral zelfbevestigend bezig? Zo van: zie je wel, wij hebben gelijk? Oftewel: wij zitten goed, dat dachten wij al…
Wie zo denkt gaat de verkeerde kant op.
Want de vragen moeten wezen:
* op welke manier heeft Jezus Christus aan Zijn kerk gewerkt?
* en wat kunnen wij daar vandaag van leren?

Als wij naar het doen en laten van de kerk kijken, zien wij weinig luisterrijks.
Ach, ik wijs slechts op 2 Samuël 11. Dat is dat hoofdstuk waarin wij lezen over de gemene manier waarop koning David zorgt dat Uria de dood vindt, zodat David er zelf met de weduwe, Bathseba, vandoor kan gaan.
Wie de kerkgeschiedenis bestudeert, oefent zichzelf in bescheidenheid. Als het goed is, tenminste.

Wij leven in een tijd waarin de Nederlandse kerkgeschiedenis niet al te overzichtelijk is. Zeker in orthodox-Gereformeerd Nederland hangt de zaak, om het zo maar te zeggen, met een heleboel dunne draadjes aan elkaar.

En toch is er hoop.
Want Gods Woord wordt altijd verkondigd, zolang de wereld bestaat.
Kinderen van God mogen in gebed gaan. Paulus deed dat vroeger ook. Hij deed dat – in de woorden van Efeziërs 3 – “opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle ​heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en u de ​liefde​ van ​Christus​ zou kennen, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God”[7].
Laten wij maar niet teveel kijken naar de mensen in de kerk.

Laten we ons maar concentreren op de Heiland.
Een Gereformeerde theoloog zei over onze Redder eens: “Christus kocht zich door zijn lijden en sterven aan het kruis zijn kerk tegen de prijs van zijn bloed. Zo is Hij onze Eigenaar geworden. Van ons persoonlijk. En van de gemeenschap der heiligen. Eigenaar van die gemeente, die niet een ongrijpbare, nevelachtige grootheid is, maar van die gemeente zoals ze op de eerste nieuwtestamentische pinksterdag bijeen was in Jeruzalem en zoals zij bijeenkwamen in Antiochië en in Alexandrië, en later weer in Genève en in Dordrecht, in Ulrum en in Amsterdam en zoals ze nóg bijeenkomt”[8].

Zo wordt de stemming in de kerk op slag een stuk beter. Want zij weet: wij genieten speciale bescherming van de machtigste Man in hemel en op aarde

Zo wordt de kerk getroost.
Zo kan de kerk verder. Zelfs in 2018.

Noten:
[1] 1 Petrus 1:24 en 25.
[2] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_brief_van_Petrus ; geraadpleegd op vrijdag 29 juni 2018.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer: J. Kamphuis, “Een uitgemaakte zaak; een keuze uit de artikelen van Prof. J. Kamphuis aangeboden bij zijn afscheid als hoogleraar door het Studentencorps Fides Quadrat Intellectum”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1987. – p. 7-13. Uit die publicatie gebruik ik een toespraak die J. Kamphuis hield op een Schooldag in 1974.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, antwoord 54.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[6] Mattheüs 16:18 b.
[7] Efeziërs 3:18 en 19.
[8] Dit zijn woorden van professor dr. J. Kamphuis. In: “Een uitgemaakte zaak”, p. 13.

29 juni 2018

Liefdevolle waarheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In Zondag 43 van de Heidelbergse Catechismus wordt beslist niet voor een zachte aanpak gekozen.
Kijkt u maar even mee.
Ik moet alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijden, “als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil”.
Verder eist God “dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder”[1].

Bij dat oprechte spreken en belijden wordt verwezen naar 1 Corinthiërs 13[2].
En wel naar deze tekst:
De liefde “verblijdt zich niet over de ongerechtigheid,
maar verheugt zich over de waarheid”[3].

Die tekst houdt, zo schrijft iemand, in dat “de door liefde gedreven gelovige zich verheugt wanneer hij het Evangelie verkondigt en de waarheid ervan uitwerkt in het dagelijks leven.
Tegenover ‘de waarheid’ staat hier ‘de ongerechtigheid’ (…). Zij omvat niet alleen de zonde en het onrecht dat door elk mens persoonlijk wordt gedaan, maar tevens alles wat aan het Evangelie tegengesteld is, zoals bv. heidendom, oorlogen en onderdrukking. Een gelovige die door de liefde wordt gemotiveerd, heeft verdriet over al deze liefdeloze dingen”[4].

Verdriet hebben over liefdeloze dingen – daar kun je je nog iets bij voorstellen.
Maar blij worden van zending en evangelisatie? Is dat niet wat overdreven? Is dat niet wat al te godsdienstig? Klinkt dat niet een beetje te vroom?
Toch niet.
Want een rechtgeaard christen is blij als hij de Bijbelse boodschap in de praktijk van zijn eigen leven kan tonen.

Graag wijs ik er graag nogmaals op dat een christen de waarheid liefheeft.
Er is dus liefde in ’t spel.
Een rechtschapen christen wil zijn bestaan vullen met liefde. Van daaruit wil hij blijmoedig en eerlijk omgaan met de mensen om hem heen.
Nee, dat wil niet zeggen dat die christen voortdurend glimlacht. Maar wel dat er uit zijn levensstijl zo vaak mogelijk een zeker optimisme spreekt.

Maar ach – soms is de waarheid hard. Dan is de vraag: wanneer en hoe breng je de waarheid naar voren? De toon maakt immers de muziek. En je wilt er – als het goed is – alles voor doen om de reputatie van jouw broeder in de kerk, je zuster, jouw vrienden en vriendinnen hoog te houden.

Dat bekende hoofdstuk over de liefde – 1 Corinthiërs 13 – is in de Bijbel overigens niet los verkrijgbaar.
Het wordt namelijk voorafgegaan door een uiteenzetting over de kerk. Over de verschillende gaven die we in de kerk vinden. Over de manier waarop alles naadloos in elkaar past. Net zoals dat het geval is in het lijf van een man en het lichaam van een vrouw.
Natuurlijk – misschien zijn er wel lichaamsdelen waarover u en jij minder tevreden bent: u had een beetje meer van dit, en een beetje minder van dat willen hebben. Niettemin verzorgt u uw lichaam helemaal, alles wat erop en eraan zit. Zorgvuldig en met liefde.
Welnu, zo doen kinderen van God dat ook met de mensen om hen heen. Gelovige mensen doen permanent hun best om voorzichtig en liefderijk met de mensen in hun omgeving om te gaan. In de kerk, en daarbuiten.
In de kerk zou dat vanzelf moeten spreken.
Maar ook kerkmensen is niets menselijks vreemd.
Zo kan het gebeuren dat meningsverschillen worden uitvergroot. Er worden verkeerde accenten gelegd, waardoor zo nu en dan nog meer karikaturen ontstaan. Soms werkt dat alles zelfs kerkscheidend terwijl dat, gelet op de problematiek, niet nodig zou moeten wezen.
Weet u wat er in 1 Corinthiërs 13 ook staat?
Dit:
de liefde “handelt niet ongepast,
zij zoekt niet haar eigen belang,
zij wordt niet verbitterd,
zij denkt geen kwaad”[5].

Dat klinkt prachtig.
Intussen is de realiteit echter soms zo anders.
Zelfs in de kerk kan het soms zo donker zijn. Door onenigheid, ruzies, vetes. Mensen kunnen niet meer door één deur. Velen van u kennen daar, neem ik aan, wel voorbeelden van.
Hoe moet het in dergelijke omstandigheden verder?
Laten wij het oog richten op de Heiland, onze Here Jezus Christus.
Paulus doet ons voor hoe je dat doet. Want meteen in het begin van zijn eerste brief aan de christenen in Corinthe wijst hij op de Redder van het leven: “genade​ zij u en ​vrede​ van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus[6].

Die genade mogen we doorgeven.
Die vrede moeten we in praktijk brengen.
Elke dag.
In de kerk.
In de samenleving.
In Nederland.
En in heel de wereld.

Daarom blijft het voor kerkmensen belangrijk om zich te trainen in het spreken van liefdevolle waarheid. Daarbij is het van belang dat we ervoor zorgen dat ons hart zacht blijft. Open. Toegankelijk. Benaderbaar.
Laten we altijd op ons gedrag aanspreekbaar blijven!
Als dat in de kerk lukt, lukt dat buiten de kerk vast nog beter.

Om het tenslotte met 1 Corinthiërs 16 te zeggen: “Wees waakzaam, sta vast in het geloof, wees manmoedig, wees sterk. Laat alles bij u in liefde gebeuren”[7].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 43, antwoord 112.
[2] In dit artikel komt het Bijbelboek 1 Corinthiërs aan de orde. Die keuze is mede ingegeven door het feit dat ik op woensdag 12 september 2018 tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen een korte inleiding hoop te houden over schets 1 van: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 5-14.
[3] 1 Corinthiërs 13:6.
[4] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 13:6.
[5] 1 Corinthiërs 13:5.
[6] 1 Corinthiërs 1:3.
[7] 1 Corinthiërs 16:13 en 14.

27 juni 2018

Verdeeldheid

Over kerkelijke verdeeldheid kunnen we in Nederland vandaag wel meepraten. Alle christenen zitten lang niet allemaal in één kerk. Dat weten we allemaal. En eigenlijk is dat heel verdrietig.

Maar in de kerk te Corinthe komt het ook al voor[1].
Het is dus geen zaak van vandaag of gisteren.

In 1 Corinthiërs 1 lezen we: “Maar ik roep u ertoe op, broeders, door de Naam van onze Heere ​Jezus​ ​Christus, dat u allen eensgezind bent in uw spreken, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen”[2].
De gemeente moet vast aaneengesloten zijn.
De kerkleden moeten vlakbij elkaar gaan staan. Het moet duidelijk zijn dat zij bij elkaar horen. Preciezer: het moet helder zijn dat ze door God bij elkaar gebracht zijn. De kerkleden zijn aan Jezus Christus verbonden.
De kerk heet het lichaam van Christus. Zo sterk is de kerk met Hem verbonden. De kerk is daar waar Hij werkt. Dat is logisch. In de regel komen we geen losliggende armen en benen tegen. Als er iets luguber is, dan is het dat wel. Daarom: de kerk is aan Jezus Christus verbonden. En dat verandert niet!

In 1 Corinthiërs 12 schrijft Paulus: “God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekortkomt, groter eer gaf, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. Samen bent u namelijk het lichaam van ​Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden”[3].

De kerk is niet vergelijkbaar met een broodje van de bakker.
Zo’n broodje eet je op. De volgende dag ga je opnieuw naar de winkel.
Soms lijkt het wel alsof mensen makkelijk van kerk wisselen. Opeens zijn zij verdwenen. Jaren heb je met elkaar opgetrokken. En daarna zijn ze weg. De deur uit. Je ziet hen, als het tegenzit, nooit meer terug.
Zo zou dat zeker niet moeten gaan.

Dat wordt ook wel duidelijk als we Handelingen 5 ernaast leggen: “En er gebeurden door de handen van de ​apostelen​ veel tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eensgezind bijeen in de zuilengang van ​Salomo. En van de anderen durfde niemand zich daar bij hen aan te sluiten, maar het volk had grote achting voor hen. En er werden er steeds meer toegevoegd die in de Heere geloofden, menigten van zowel mannen als vrouwen”[4].
Wat betekent dat?
Joden die geen geloof hechten aan het evangelie van Jezus Christus zijn wellicht bang voor de reactie van de kerkleiders: worden ze opgepakt als ze zich reformeren?
Trouwens – Ananias en Saffira zijn zojuist door de Here met de dood gestraft, omdat ze de discipelen hebben bedrogen[5]. Dat verhaal gaat in de omgeving ongetwijfeld als een lopend vuurtje rond. De omstanders realiseren zich: als je kerklid wordt, hoort daar een christelijke levensstijl bij.

Terug naar 2018.
In de huidige samenleving is er niet alleen verdeeldheid op het kerkelijke terrein.

Een voorbeeld.
Half juni werd in de media gemeld: “Het aantal wethouders is de afgelopen jaren flink gestegen. Sinds 2010 nam het aantal gemeentebestuurders met zo’n 10 procent toe, meldt het AD op basis van onderzoek naar de 294 gemeenten waar de coalities rond zijn.
De toename komt vooral door politieke versplintering. Coalities bestaan uit steeds meer partijen en om al die partijen tevreden te houden, worden meer wethoudersposten ingesteld. Zo nam bijvoorbeeld in Barendrecht het aantal coalitiepartijen sinds de laatste gemeenteraadsverkiezingen toe van drie naar zes en het aantal wethouders groeide mede daardoor van vier naar zes”[6].
Er is dus, behalve verdeeldheid in de kerk, ook sprake van versplintering in politiek en maatschappij.

We kunnen zeggen: kerkelijke verdeeldheid past in de maatschappelijke trend; dat geeft echter tegelijk aan hoezeer de kerk verwereldlijkt is. Christenen leveren, over het algemeen genomen, het Evangelie in en passen de boodschap aan bij de sfeer in de omgeving. Zou dat een oordeel van God kunnen zijn?

Dit overpeinsd hebbende, moeten we ook bedenken dat in het bovenstaande een oproep zit. Namelijk deze: kinderen van God moeten weer hecht aaneengesmeed worden. Zij moeten leren hun eigen wil opzij te zetten en terug te gaan naar het Woord Gods. Dat Woord is de enige echte basis waarop eenheid tot stand kan worden gebracht.

In een wereld als de onze moeten we ons erin trainen om in de kerk blijmoedig en barmhartig voor elkaar te blijven zorgen. Dat is geheel in lijn met 1 Corinthiërs 12: “God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekortkomt, groter eer gaf, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen”[7].
Als we in alle rust voor elkaar blijven zorgen zal het aantal geschillen vast en zeker afnemen.

Noten:
[1] In dit artikel neem ik mijn uitgangspunt in het Bijbelboek 1 Corinthiërs. Die keuze is mede ingegeven door het feit dat ik op woensdag 12 september 2018 tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen een korte inleiding hoop te houden over schets 1 van: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 5-14.
[2] 1 Corinthiërs 1:10.
[3] 1 Corinthiërs 12:24 b-27.
[4] Handelingen 5:12, 13 en 14.
[5] In Handelingen 5:1, 2 en 3 staat het bedrog genoteerd: “En een zekere man, van wie de naam Ananias was, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een eigendom, en hield een deel van de opbrengst achter, ook met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een bepaald gedeelte en legde dat aan de voeten van de ​apostelen. En ​Petrus​ zei: Ananias, waarom heeft de ​satan​ uw ​hart​ vervuld, zodat u gelogen hebt tegen de ​Heilige​ Geest​ en een deel achtergehouden hebt van de opbrengst van het stuk grond?”. Zowel Ananias en Saffira komen ter plaatse om!
[6] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2236585-aantal-wethouders-gestegen-nog-altijd-is-70-procent-man.html ; geraadpleegd op vrijdag 15 juni 2018.
[7] 1 Corinthiërs 12:24 en 25.

21 juni 2018

Laten wij niet trots zijn op onszelf

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Vaak, heel vaak wordt overpeinsd hoe wij heden ten dage kerk moeten zijn. Laten wij aansluiting zoeken bij de maatschappij!, roepen de mensen. Laten wij toegankelijke taal gebruiken!, proclameren anderen. Blijf jezelf!, prediken sommigen.
Met al dat geroep om ons heen is de neiging om mismoedig in de stoel te zakken bijna onbedwingbaar.
Wat zal men thans nog over al deze dingen zeggen?

Wij moeten, als u het mij vraagt, vooral niet teveel met onszelf bezig zijn.
Zo van: bij ons moet je wezen.
Of ook: hier is ’t goed, wat de rest van de kerkgenootschappen doet moet u maar negeren.
Of: wij zijn de ware kerk.

Dit is de ware kerk’.
Laten wij met een dergelijk statement voorzichtig wezen.
Dat noteer ik met een schuin oog op 1 Corinthiërs 1[1].

Met name heb ik het oog op deze woorden: “En het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God ​uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, opdat geen vlees voor Hem zou roemen. Maar uit Hem bent u in ​Christus​ ​Jezus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en ​gerechtigheid, ​heiliging​ en verlossing, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: Wie roemt, laat hij roemen in de Heere”[2].

We moeten ons niet laten voorstaan op onze eigen prestaties.
Er zijn kerken waar dominees werken die mensen trekken. Er komen gasten in de kerk die de dominee graag eens willen horen. De kerk groeit, tegen de maatschappelijke tendens in.
In zo’n situatie kan er heel snel een sfeer ontstaan van: wij doen het goed, want onze kerk groeit.
Ziet u waar het fout gaat?

De apostel Paulus kent Gods Woord. Hij preludeert op woorden uit Jeremia 9: “Zo zegt de HEERE: Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte, laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom. Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen dat hij begrijpt en Mij kent dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs, recht en ​gerechtigheid​ op de aarde doe, want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE”[3].

Jeremia profeteert tegen een volk dat God de rug toekeert.
Een exegeet schrijft: “Zij worden vermaand zich niet te beroemen op hun wijsheid, kracht en rijkdom (…). Laat degene die wil roemen, daarin roemen inzicht te hebben en de HERE te kennen, die trouw, recht en gerechtigheid doet op aarde (…). Dat zijn de zaken waarin God behagen schept en die ook door de mens nagevolgd moeten worden. Deze kennis ontbreekt echter bij het volk, dat het woord van de HERE verworpen heeft”[4].

Op basis van dat Oudtestamentische onderwijs zegt Paulus tegen de Corinthiërs: laat het met u niet dezelfde kant op gaan!

De hierboven reeds geciteerde exegeet schrijft over de woorden ‘Wie roemt, laat hij roemen in de Heere’: het gaat hier “om het met nederige blijdschap belijden en verkondigen van Gods genade”. Die genade blijkt met name in het reddingswerk van Jezus Christus.

De vermaning in hoofdstuk 3 zit in dezelfde sfeer: “Laat daarom niemand roemen in mensen, want alles is van u (…) U echter bent van ​Christus​ en ​Christus​ is van God”[5].

Laat u niet voorstaan op kennis van Gods Woord. Die boodschap keert in de eerste brief aan de Corinthiërs regelmatig terug. Bijvoorbeeld in de volgende teksten.

Hoofdstuk 4: “En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?”[6].

Zelfs een beetje opgeblazenheid is al niet oké: “Uw roem is niet goed. Weet u niet dat een klein beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn. U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: ​Christus”[7].

Paulus – notabene de brenger van het Evangelie; een man die echt in Gods Woord thuis is! – laat zich er ook niet op voorstaan. Want hij schrijft in hoofdstuk 9: “Als ik het ​Evangelie​ verkondig, is er voor mij (…) geen reden tot roem. De noodzaak daarvan is mij immers opgelegd. En wee mij, als ik het ​Evangelie​ niet verkondig!”[8].
Dat schrijft Paulus aan de pas ontstane kerk in de havenstad Corinthe.

In het verleden is vaak geschreven en gesproken over de ware kerk[9]. En dat is terecht. Want die term ‘ware kerk’ komen we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis tegen.
Bijvoorbeeld in artikel 9: “…de Vader wordt genoemd onze Schepper door zijn kracht; de Zoon is onze Heiland en Verlosser door zijn bloed; de Heilige Geest is onze Heiligmaker, doordat Hij woont in ons hart. Deze leer van de Heilige Drie-eenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd…”.
En in artikel 29: “Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid, vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen” en: “……wij bedoelen dat men het lichaam en de gemeenschap van de ware kerk moet onderscheiden van alle sekten, die beweren dat zij de kerk zijn”.
De term ‘ware kerk’ mag niet in onbruik raken.

Uit 1 Corinthiërs 1 leren we echter dat het ware kerk-zijn geen prestatie van mensen is. Het is geen resultaat van noeste arbeid.
Alles wat wij in de kerk hebben is gekregen. Wie lid is van de kerk, is dat omdat hij daarvoor de kracht van Jezus Christus heeft ontvangen. Sterker nog: hij is door Gods genade uitgekozen!

De echte kerk weet zich geheel afhankelijk van de Redder van het leven.
In de kerk is het leven daarom kostbaar.
Met die stelling staan we recht tegenover de Rooms-katholieke kerk. Over dat kerkgenootschap schrijft iemand: “De R.K.K. beweert de enige ‘ware’ kerk op aarde te zijn. Zij heeft haar begin in de dagen van de Here Jezus met de apostel Petrus als haar eerste paus en vertegenwoordiger van Christus op aarde. In werkelijkheid werd de Rooms-katholieke kerk pas georganiseerd rond 313 na Christus. In de eerste drie eeuwen werd de ware kerk bijna uitgeroeid door de vervolgingen van het heidense Rome. Deze vervolgingen namen in hevigheid toe onder de regeringen van de heidense keizers vanaf Nero tot aan Diocletianus. In 303 na Christus besloot Diocletianus de christelijke kerk uit te roeien door een rij van edicten uit te vaardigen, de één nog zwaarder dan de andere. Bij duizenden werden de christenen gemarteld, met pek overwogen of voor de leeuwen geworpen”[10].

Wie de bovenstaande passage over de Rooms-katholieke kerk in voorbije eeuwen bekijkt, beseft eens te meer hoe belangrijk het is dat mensen hun eigen kracht in de kerk vooral niet naar voren schuiven.

‘Laat niemand roemen in mensen’, schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 3.
Dat moeten wij in de kerk maar weer eens goed tot ons door laten dringen!

Noten:
[1] De keuze voor een tekst uit 1 Corinthiërs is mede ingegeven door het feit dat ik op woensdag 12 september 2018 tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen een korte inleiding hoop te houden over schets 1 van: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 5-14.
[2] 1 Corinthiërs 1:28-31.
[3] Jeremia 9:23 en 24.
[4] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Jeremia 9:22 en volgende.
[5] 1 Corinthiërs 3:21 en 23.
[6] 1 Corinthiërs 4:7 b.
[7] 1 Corinthiërs 5:6 en 7.
[8] 1 Corinthiërs 9:16.
[9] Ikzelf heb ook al wel vaker over het begrip ‘ware kerk’ geschreven. Zie bijvoorbeeld mijn artikel ‘Ware kerk’, hier gepubliceerd op vrijdag 5 september 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/09/05/ware-kerk/ .
[10] Geciteerd van https://www.levendwater.org/brochures/lw18/de%20Rooms%20Katholieke%20Kerk.htm ; geraadpleegd op maandag 11 juni 2018.

5 juni 2018

Gehoorzaam en eendrachtig

* Racisme
* Discriminatie
* Haat zaaien
dat zijn drie termen in het nieuws van onze tijd regelmatig langskomen.
Weldenkende mensen worden daar een beetje narrig van. En een beetje verdrietig, ook. Waar is de voorkómendheid van vroeger gebleven?
De beleefdheid?
De hoffelijkheid?

Ik citeer drie zinnen uit een recent nieuwsbericht:
1.
“Het kabinet gaat de aanpak van discriminatie uitbreiden. Volgens coördinerend minister Ollongren van Binnenlandse Zaken blijft een krachtige aanpak nodig, ondanks een teruglopend aantal meldingen”.
2.
“De straf voor het aanzetten tot haat en discriminatie van mensen om ras, geloof of seksuele voorkeur wordt dan verdubbeld van maximaal een naar twee jaar”.
3.
“Daarnaast verkent het kabinet de mogelijkheid om ‘hate crime’ in de wet op te nemen”[1].

Hate crime, dat betekent: de misdadiger kiest een slachtoffer uit omdat hij of zij bij een bepaalde groep hoort, bepaalde geslachtskenmerken heeft of vanwege afkomst en ras.

Misschien dat u nu gerustgesteld uw schouders ophaalt. Zo van: in de kerk komt dat niet voor. Wij hoeven het daar dus niet over te hebben. Valt dát even mee!
Maar dat gaat te snel.
Als het in de wereld regent, druppelt het immers in de kerk.

En laten we er maar niet omheen draaien: kerkmensen staan soms scherp tegenover elkaar. We zingen in Psalm 122:
“Vraagt vrede voor Jeruzalem.
Dat wie u liefheeft en bemint,
binnen uw muren vrede vindt”,
maar in sommige situaties is het tegendeel het geval[2]. Rond kerkscheuringen zijn er soms scherpe tegenstellingen, die niet zelden naar buiten komen in een ronduit onfatsoenlijke behandeling van elkaar. Hoe begrijpelijk dat soms ook is, het kan zeker niet worden goedgepraat!

Het repeteren van Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus is, ook in de kerk van vandaag, geen overbodige luxe.
U weet wel: in het zesde gebod eist God “dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen of moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren”[3].
Daar wordt bij aangetekend:
“Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is”[4].

Dat zesde gebod – “U zult niet doodslaan” – gaat nog meer spreken als wij Leviticus 19 er even bij halen: “U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE.
U mag in uw ​hart​ uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen ​zonde​ op hem laadt.
U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste ​liefhebben​ als uzelf. Ik ben de HEERE”[5].

Over bovengenoemd Schriftgedeelte schreef ik een paar jaar geleden:
“Leviticus 19: daarin wordt ons de heiligheid in heel het bestaan getekend.
Leviticus 19: dat is een Schriftgedeelte dat midden in het leven staat.
Leviticus 19: dat is niet bepaald een hoofdstuk voor mensen met een boekje in een hoekje. Het is geen kapittel voor zijlijnfiguren.
In Leviticus 19 gaat het over toverij.
En over rouwgebruiken.
En over perversiteit.
En over occultisme.
En dan… opeens gaat het over de sabbat. En over de tempel. Over de kerk, dus. En over de kerkdienst. Midden tussen de perversiteit en het occultisme!
“Mijn sabbatten zult gij houden en voor mijn heiligdom eerbied hebben: Ik ben de HERE”
Vanuit onze wilde werkelijkheid komen wij, om zo te zeggen, in één stap bij de levensheiliging”[6].

Heiliging van het leven, dat betekent: het leven is gewijd aan God. Alles wat we doen staat in het teken van leven met de Heer.
Ambtsdragers in de kerk hebben daarin een speciale taak In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat die als volgt omschreven: “Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God”[7].
Eendracht gezocht, dus.
Eenheid gevraagd.
Iedereen moet doen wat God vraagt. Eenvoudig. En zonder mopperen.
Als er discussies zijn, is de vraag: wat wil God dat wij in deze situatie gaan doen? Als het goed is geven ambtsdragers leiding bij het zoeken naar antwoorden op die vraag.

Het komt mij voor dat orthodox Gereformeerden in Nederland zich die vraag veel vaker moeten stellen.
Nee, ik heb niet speciaal het oog op een of meerdere kerkverbanden.
Maar wij weten allemaal dat boosheid over allerlei gebeurtenissen in het kerkelijk leven soms leidt tot evenzovele intochten als uittochten van kerkleden.
En ja, wij weten allen dat teksten die als bemoediging bedoeld waren, soms zomaar als opruiing kunnen worden bestempeld.

Als u het mij vraagt zijn wij postmodernistischer als wij denken.
U weet het misschien: postmoderne mensen koesteren wantrouwen tegen grote verhalen die de waarheid claimen[8]. Er is sprake van twijfel en relativering. En vooral: iedereen leeft op zijn eigen stukje grond en in zijn persoonlijke werkelijkheid[9].
Wat is het gevolg daarvan?
Antwoord: je vertrouwt alleen maar meer op jezelf. En ach, misschien ook wel op een paar andere mensen om jou heen. Maar daarmee houdt het dan wel op.

Iemand schreef eens in een publicatie over het postmodernisme: ”Het zoeken van waarheid is niet alleen een zaak van correct observeren en verstandelijk redeneren, maar ook van het hart, van gewoonten en karakter, van gehoorzaamheid aan de hele wet van Christus”.
En ook: “Waarheid moet dus niet alleen verkondigd, maar ook uitgebeeld worden door hen die haar belijden. En dit houdt de noodzaak van nederigheid in, een nederigheid die gefundeerd is in de erkenning dat we niet beter zijn dan onze ongelovige naasten. We delen in de schuld en zonde van de wereld; we vallen allen onder Gods oordeel en zijn allen afhankelijk van zijn genade”[10].

Wij moeten nederig zijn.
Wij zijn allen afhankelijk van Gods genade.
Dat zouden gelovige mensen van 2018 eens wat vaker moeten bedenken.

Wij moeten ons ook realiseren dat wij zondig zijn.
En ja, dat gaat gedurende ons aardse leven niet veranderen.
Wij mogen en moeten vertrouwen op Jezus Christus. En op Zijn verlossingswerk.

Het voltooien van dat werk is een zeer zware taak geweest.
Jezus Christus is gelasterd.
Gehoond.
Bespot.
Wij lezen daar iets over in Mattheüs 26: “…ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de ​tempel​ van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen. En de ​hogepriester​ stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U? Maar ​Jezus​ zweeg. En de ​hogepriester​ antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de ​Christus​ bent, de ​Zoon van God. Jezus​ zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel”[11].

Jezus Christus heeft Zijn verlossingswerk op aarde inmiddels geheel afgerond.
En in Mattheüs 26 sprak Hij er al over: in de hemel werkt Hij verder, ten bate van al Zijn kinderen.

Wie dit alles beseft, zal ook al gauw bedenken hoe belangrijk het is om zachtmoedig te blijven, en broeders en zusters in alle rust tegemoet te treden.

Natuurlijk, meningsverschillen zullen altijd blijven bestaan.
Maar het aantal ‘ontploffingen’ kan worden beperkt.
En laten wij wel wezen: zo hóórt dat, in de kerk.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2229215-kabinet-breidt-aanpak-van-discriminatie-uit.html ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[2] Het citaat komt uit Psalm 122:3 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 105.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 106.
[5] Leviticus 19:16, 17 en 18.
[6] Geciteerd uit mijn artikel ‘Eerbiedige eredienst’, hier gepubliceerd op 16 juni 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/06/16/eerbiedige-eredienst/
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 32.
[8] Zie hierover bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Postmodernisme ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[9] Zie hierover ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_filosofie ; geraadpleegd op maandag 21 mei 2018.
[10] Geciteerd uit: Frederika Oosterhoff, ”Het Postmodernisme in bijbels licht” (Woord & Wereld nr. 62). – Uitgeverij Woord en Wereld, © 2004. – p. 97.
[11] Mattheüs 26:61-64.

1 juni 2018

Actuele belijdenis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , , ,

Hoe kun je de Bijbel samenvatten?[1]
Dat hebben al heel wat mensen zich afgevraagd. Zij schreven belijdenissen. Zo komen we aan onze belijdenisgeschriften.
In de kerk sluiten we ons bij die belijdenissen aan. Op die manier zoeken wij heel bewust verbinding met ware gelovigen uit alle tijden en op alle plaatsen.

Als wij nu, in 2018, een nieuwe belijdenis zouden moeten schrijven… wat zou daar dan in geaccentueerd worden?

Laat ik een paar zaken noemen.
Maar ik waarschuw u van te voren: een compleet lijstje is dit zeker niet.

1.
Het feit dat God de Schepper is van hemel en aarde. Hij creëerde de wereld in zes dagen.
Hoe dat precies is gegaan? Niemand van ons was erbij. En omdat de mensen dat gebrek aan kennis wilden opvullen, ontwierpen zij de evolutietheorie. In die theorie steekt het niet op een miljoentje of een miljardje. Die theorie staat diametraal tegenover het christelijk geloof.
2.
Het feit dat de mens van nature diep in de zonde weggezonken is. Hij is, om zo te zeggen, één grote brok zonde. Dat de mens toch tot iets goeds in staat is, is aan God te danken. Hij heeft deze wereld niet in de ellende laten zitten. Wat is God genadig!
3.
Het feit dat Jezus Christus onze enige Verlosser is. Wij verwachten het niet van intermenselijkheid. En ook niet van Allah. En ook niet van het Boeddhisme.
Bij dit alles komt nog dat wij Allah, Boeddha – of welke andere god ook – niet op één hoop vegen met onze God. De eenvoudige reden daarvoor is dat er feitelijk maar één God is. Andere goden zijn er niet.
4.
De troost dat onze Here Jezus Christus ons van zonde en schuld verlost. Als ergens Zijn grote liefde voor het menselijk leven uitkomt, dan is het wel daarin. Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden”[2]. Daarin liet Hij Zijn volmaakte liefde zien.
Het is die liefde die in het menselijk leven weerspiegeld mag en moet worden. Daarom is het leven het alleszins waard om uit alle macht beschermd te worden. Van de conceptie tot aan de dood. Van eigenmachtig ingrijpen – door bijvoorbeeld abortus, euthanasie of moord in het criminele circuit – mag geen sprake zijn.
5.
Het feit dat volgelingen van Christus die liefde tonen in het gewone leven. Christenen staan, als het goed is, bekend om hun vriendelijkheid.
Daarnaast zijn christenen eerlijk en betrouwbaar. Bedrog is niet aan de orde. Met christenen kun je, om het zo maar te zeggen, zaken doen!
6.
Het feit dat volgelingen van Christus trouw zijn.
Trouw aan God en Zijn geboden.
Trouw aan de mensen om hen heen.
Huwelijkstrouw is daarom een groot goed.
Seksueel misbruik is uit den boze.
7.
Het feit dat de kerk een groots werk van God is. Tegenwoordig lijkt de algemene regel te zijn: iedereen kan een eigen kerkgenootschap beginnen. Maar dat is, goed beschouwd, nonsens.
De Dordtse Leerregels leren ons: “De uitverkorenen zullen – ieder op zijn tijd – bijeen vergaderd worden en zal er altijd een kerk van gelovigen zijn, die gefundeerd is in Christus’ bloed. Zij heeft Christus, haar verlosser, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven gegeven heeft, standvastig lief, zij dient Hem met volharding en prijst Hem nu en in alle eeuwigheid. Amen”[3].
8.
Het feit dat de burgers van deze wereld in twee kampen verdeeld zijn: voor of tegen Christus. Het is van tweeën één: hemel of hel. Een grijs gebied is er niet.
Verhalen dat mensen als sterren in een heelal zweven zijn aantrekkelijke fantasieën. Die verhalen kloppen echter niet.
We zeggen wel eens: zij was een goed mens. Of: hij was een slecht mens. Ten diepste is de tegenstelling echter niet ‘goed of slecht’, maar ‘voor of tegen Christus’.

Wie het bovenstaande overziet, ontdekt ongetwijfeld elementen uit de apostolische geloofsbelijdenis. Ook andere belijdenisgeschriften komen langs.
En dat is de bedoeling ook. Want de kerk van nu staat op de schouders van het voorgeslacht. Zij gaat het wiel heus niet opnieuw uitvinden!

Er is wel eens geopperd dat er een belijdenistekst moet komen “die boven culturen uitgaat, breed gedragen wordt en niet tijdgebonden is”[4].

Ik kan u vertellen dat dat niets wordt.
Dat klinkt flauw en vervelend. Maar het lijkt mij toch een realistische kijk op het gelovig belijden in de eenentwintigste eeuw.
Immers, in de kerk moet iedere generatie in de context van zijn tijd het geloof belijden.
En: in de kerk moet iedere generatie de consequenties daarvan in de praktijk van alledag tonen.

Maar kan de belijdenis anno Domini 2018 niet heel kort zijn?
Bijvoorbeeld: ‘Jezus Christus, ja Hij alleen’?
Dat klinkt prima.
En inderdaad – de Heiland staat in de Bijbel centraal. Maar er staat toch nog veel meer in Gods Woord; dat mogen we niet vergeten. Laten we niet net doen alsof de kern van de Heilige Schrift op een geel Post It-plakkertje past.

Belijdenis doen van je geloof: dat is een kwestie van alle tijden.
De consequenties van het geloof laten zien: dat is, als het eropaan komt, een taak voor iedere dag.

Noten:
[1] In dit artikel is deels gebaseerd op een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 18 juni 2009.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 20.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 9.
[4] Dat pleidooi werd gehouden door de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee R.C. Janssen. Zie: “Pleidooi voor een nieuwe belijdenis”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 17 juni 2009, p. 2.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.