gereformeerd leven in nederland

18 juni 2019

Meer gedachten over de tweede kerkdienst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Waarom gaan Gereformeerden in de regel twee kerk per zondag naar de kerk?
Die vraag komt aan de orde in een interview met de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee Kornelis Harmannij en de Nederlands Gereformeerde Jan van Dijk. Het interview staat in de editie van het Nederlands Dagblad, die verschijnt op donderdag 13 juni 2019.
Op deze plaats is aan dat interview reeds eerder aandacht besteed[1].

Er komt een nieuwe kerkorde voor de herenigde kerk van Nederlands Gereformeerden en Gereformeerde kerken vrijgemaakt. Zodoende kwam het fenomeen ‘tweede kerkdienst’ ter sprake.
In het interview stellen Harmannij en Van Dijk: “Een gemeente met maar één dienst per zondag kan bloeien, met oprecht geloof”.

De tweede kerkdienst geeft veel te denken.
Men kan er uitgebreide verhandelingen over schrijven.
In het verleden is dat ook al vaak gedaan.

Het is de moeite waard om iets van dat geschrevene tot ons te nemen.
Niet om de tweede kerkdienst te verheerlijken.
Maar wel om ons te doen beseffen wat mensen verliezen als men de tweede kerkdienst op zondag inlevert.

Ter oriëntatie eerst het volgende.
1.
Als het om ‘vrije stof’ en geloofsleer gaat, mogen wij elkaar wijzen op een woord uit Mattheüs 4: “En ​Jezus​ trok rond in heel Galilea, gaf onderwijs in hun ​synagogen​ en predikte het ​Evangelie​ van het Koninkrijk”[2].
En ook op een tekst uit Mattheüs 9: “En ​Jezus​ trok rond in al de steden en dorpen en gaf onderwijs in hun ​synagogen, en Hij predikte het ​Evangelie​ van het Koninkrijk en genas iedere ​ziekte​ en elke kwaal onder het volk”[3].
Ook in de Bijbel wordt dus onderscheid gemaakt tussen prediking en onderwijs!
2.
Bij de prediking van ‘vrije stof’ uit Gods Woord komt de betekenis van één Schriftgedeelte uitgebreid aan de orde. Er wordt meestal een link gelegd naar de actualiteit.
In de Catechismusprediking is er aandacht voor geloofsleer: er worden lijnen getrokken die een overzicht geven van de leer.
En juist dat overzicht is belangrijk. Voor we ’t weten wordt de Bijbel een verzameling van losse teksten en apart staande boodschappen. Laten we ons realiseren dat Gods Woord één geheel is!

Nu dan eerst het woord aan de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. A.N. Hendriks.
Hij laat zien hoe Godvrezende mensen in voorbije eeuwen reeds nadachten over vormgeving en inhoud van de tweede zondagse kerkdienst. Als volgt.
“K. Dijk heeft gelijk, wanneer hij stelt dat het in de catechismuspreek met name gaat om ‘de vermeerdering van de kennis der waarheid van de ganse gemeente’. Ons historisch onderzoek bewijst dat onze vaderen de namiddaggodsdienstoefening in het teken van een nader onderwijs van de gemeente hebben zien staan.
Van oudsher is de middagdienst niet een doublure van de morgendienst. Opvallend is dat wij bij Calvijn, in de Kerkorde van de Paltz en bij Datheen wel duidelijke aanwijzingen vinden voor de orde van dienst op de zondagmorgen, maar geen uitgewerkte liturgie voor de middagdienst). De oude synoden uit de 16e eeuw spreken zich ook niet uit over de inrichting van de middagdienst. Slechts bepaalde de provinciale synode van Dordrecht 1574 dat in de middagdienst de Tien Geboden gelezen moesten worden. Een aanwijzing voor het catechetisch karakter van deze dienst?
Wij mogen wel concluderen dat de dienst, waarin de catechismusprediking plaats vond, een zeer sober karakter heeft gehad. Onze vaderen hebben de twééde kerkdienst wel onderscheiden van de eerste!”[4].

Laten we vervolgens kennis nemen van de sfeer waarin massa’s christenen denken als het in de jaren ’70 van de vorige eeuw over de tweede kerkdienst gaat.
De eveneens Gereformeerd-vrijgemaakte dominee M.J.C. Blok heeft die sfeer eens geschetst: “De kerk zou maar bezig zijn verouderde strukturen te verlengen tot in onze tijd. De kerkgang, zeggen velen, is maar één vorm van godsdienstoefening en misschien wel de minst geslaagde. Want er is een bepaalde vervreemding aan de gang: kerk en samenleving schuiven hoe langer hoe meer langs elkaar heen. En dat niet alleen. Maar de kerkmensen van zondag schuiven ook hoe langer hoe meer langs diezelfde kerkmensen van maandag heen. Er is, juist in de kerk, een vervreemding van God, van het evangelie en van elkaar. De kerkdienst is op een eiland komen te staan, buiten de stroom van het leven. Er komt een vreemde man binnen, die zich dominee laat noemen, en hij heeft ook nog een toga aan. Er komt een kerkeraad binnen, in het zwart, via een aparte, vreemde deur. De man op de preekstoel komt met een vreemde boodschap, noem het desnoods een vreemde vrijspraak, maar een vrijspraak waarvan? De preek wordt in een monoloog, via een ‘eenmansbediening’ over het vreemde publiek uitgegoten wel een half uur lang, misschien wel drie kwartier, maar de boodschap komt niet meer over, de preken landen niet meer, of het moest een noodlanding zijn. De preek blijft een vreemd ding, en wordt niet meer geïntegreerd in het leven van maandag tot zaterdag. De gemeente is niet wezenlijk meer betrokken bij wat zich afspeelt rondom de kansel, doopvont en tafel.
Vandaar dat velen op zoek zijn naar communicatie-herstel.
In elk geval staat vast, dat onze eredienst het niet meer doet. Wij kunnen dan ook zonder al te veel schuldgevoel op zondagmorgen thuis blijven. Over de tweede kerkdienst wordt niet eens meer gesproken: die is alleen voor degenen, die anders een slecht geweten zouden krijgen. Maar er zijn andere en betere vormen van godsdienstoefening: aktiegroepen, bijbelkringen, politieke werkgroepen enz. En zo is de kerk bezig een gespreks- en discussiegemeenschap te worden. We kunnen ook zeggen: een vereniging tot nut van het algemeen”[5].

Zo wordt de kerk een buurthuis. Een huis waar ieder zijn eigen mening hebben mag. Een huis waar het Evangelie om de lieve vrede maar een beetje weggemoffeld wordt!

Aan de bekende predikant dr. W. Verboom (Protestantse Kerk; Gereformeerde Bond) werd eens gevraagd: “Het aantal bezoekers van de tweede kerkdienst neemt in veel gemeenten af. Hoe ziet u de toekomst van de leerdienst?”.
De predikant antwoordde: “Daar spreek ik genuanceerd over. De tweede dienst raakt vaak in het slop. Tegelijkertijd zijn er ook gemeenten waar werkgroepjes bewust nadenken over de planning en structuur van de leerdienst. In gemeenten waar ik als gastpredikant voorga in een leerdienst, gebruik ik zo mogelijk een beamer. Dan laat ik de kinderen na de preek het antwoord uit de catechismus voor kinderen opzeggen. Wanneer er niet veel kinderen in de kerk zitten, vraag ik de volwassenen om mee te doen. Met die structuur van vraag en antwoord is het in Heidelberg ook begonnen. Interactie tijdens de prediking zelf past, volgens mij, echter niet bij de bediening van het Woord. Ga na de dienst maar met elkaar in gesprek”[6].

Enkele jaren geleden uitte de Christelijke Gereformeerde predikant A.Th. van Olst zijn dankbaarheid over de tweede kerkdienst op zondag.
“Het besef dat de kerkdienst een eredienst is, is een goed medicijn tegen de gedachte dat ik naar de kerk ga omdat de dienst mij aanspreekt of omdat ik kan overzien waarom het goed of belangrijk voor mij zou zijn. De dienst is ook meer dan de preek alleen, hoe belangrijk die ook is. De beide diensten op zondag zijn erediensten. Het is worship in de zuiverste vorm. Het gaat om de eer van God en om het heil dat Hij geeft en waarvoor wij de Heere prijzen.
Daarom dank ik iedere zondagmiddag dat ik het voorrecht heb om naar de kerk te gaan. Ook als ik het verlangen nog niet zo had. Het is goed om dicht bij God te zijn (Psalm 73:28)”[7].
Waarvan akte!

Noten:
[1] Zie mijn artikel ‘Gedachten over de tweede kerkdienst’, hier gepubliceerd op maandag 17 juni 2019. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2019/06/17/gedachten-over-de-2e-kerkdienst/ .
[2] Mattheüs 4:23.
[3] Mattheüs 9:35.
[4] Dr. A.N. Hendriks, “Om de bediening van de Geest; bijdragen over de prediking, het ambt en het pastoraat”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1983. – p. 70 en 71.
[5] M.J.C. Blok v.d.m., “Op weg… waarheen? De verkondiging in deze tijd”. – Groningen: De Vuurbaak, 1973. – tweede druk. – p. 33 en 34.
[6] “Het verbond is relationeel”. In: Kruispunt, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, donderdag 19 april 2018, p. 4 en 5.
[7] A.Th. van Olst, “Dankbaar voor de tweede dienst”. In: De Wekker – officieel landelijk blad van de Christelijke Gereformeerde Kerken –, vrijdag 7 juli 2017, p. 4 en 5.

17 juni 2019

Gedachten over de tweede kerkdienst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Waarom gaan we op zondag eigenlijk twee keer naar de kerk?
Kan men niet volstaan met één keer?

Die vraag komt aan de orde in een interview met de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee Kornelis Harmannij en de Nederlands Gereformeerde Jan van Dijk. Het interview staat in de editie van het Nederlands Dagblad, die verschijnt op donderdag 13 juni 2019.

U moet weten: er komt een nieuwe kerkorde voor de herenigde kerk van Nederlands Gereformeerden en Gereformeerde kerken vrijgemaakt.

Uit het lange ND-verhaal citeer ik het volgende.
“Harmannij: ‘We hebben jarenlang geprobeerd elkaar de kerkorde onder de neus te drukken: je moet op zondag twee keer naar de kerk. Maar dat joeg juist mensen de kerk uit. Het werkt veel beter om uit te zoeken hoe je de middagdienst zo aantrekkelijk maakt dat er weer mensen naartoe komen. Omdat ze ernaar verlangen’.
Zijn deze veranderingen in de kerkorde geen schop tegen het zere been van verontruste vrijgemaakten? Zij hebben moeite met het feit dat vrouwen nu ook diaken, ouderling en dominee kunnen worden. Voor een aantal van hen ligt ook de eenwording met de Nederlands-gereformeerden gevoelig. Is het dan wel verstandig om op punten als avondmaal, tweede dienst en catechismus de teugels te laten vieren?
Harmannij: ‘Vroeger hielden we elkaar de regels voor, maar dat werkt niet. Wat wel werkt, is elkaar enthousiast maken voor de liefde van God en het geloof in Christus. We hebben ervoor gekozen wel te spreken van “kerkdiensten”, in meervoud. Om in enkelvoud te schrijven zou voor ons een stap te ver zijn.’ Van Dijk: ‘Als je het niet vertrouwt, kom dan eens kijken in een kerk waar dit de praktijk is. Dan kun je zomaar een bloeiende gemeente treffen, met oprecht geloof, die nieuwe mensen trekt’”[1].

Nu is de discussie over de tweede kerkdienst al decennialang gaande.

Ten bewijze daarvan citeer ik iets uit het Gereformeerd Gezinsblad van maandag 5 oktober 1964. Het citaat zal leerzaam blijken te zijn.
“In de kroniek van het syn.-gereformeerd theologisch tijdschrift klaagt de thans aan de syn. theol. hogeschool te Kampen opgetreden dr. Rothuizen over de zondagsviering in het algemeen, doch zeer bijzonder over de tweede kerkdienst. Het is duidelijk, zegt hij dat deze aan het verbloeden is. Het eenmaal ter kerke gaan wordt meer en meer mode. De tweede kerkdienst is vanouds gewijd aan de behandeling van de catechismus. Ontbreekt daartoe de belangstelling, hoe zinkt dan ook de kennis der ware gereformeerde leer. Trouwens heel deze droeve gang van zaken moet, zegt prof. Rothuizen, leiden tot pure onkerkelijkheid. En hij roept in het bijzonder de thans in vele grote gemeenten verblijfhoudende psychologen, paedagogen en sociologen op om hun hand- en spandiensten te verlenen. Wij betwijfelen, gezien de houding van vele zich noemende intellectuelen, of deze hulp zou baten. Daar is al de eeuwen door maar één weg waarin een getrouwe opgang ter kerke blijft gehandhaafd. En die weg is de Gods Woord gehoorzame prediking ook. En de deugdelijke prediking inzake de goede belijdenis. Zodra prediking en onderwijs verzwakken, daalt ook de belangstelling voor het werk der kerk”[2].
Professor Rothuizen omschrijft enkele kernpunten van het christelijk leven:
* trouwe kerkgang
* Schriftuurlijke prediking
* degelijk onderwijs over de belijdenisgeschriften.
Die drieslag mag anno Domini 2019 niet worden vergeten!

Voor ons aller beeld – professor G.Th. Rothuizen (1926-1988) was van 1964 tot 1987 hoogleraar Ethiek, Evangelistiek en Encyclopedie aan de synodaal-Gereformeerde Theologische Universiteit te Kampen[3].

Hoe ontwikkelde de geschiedenis zich in de bovengenoemde synodaal-gereformeerde kerken, het kerkverband waar Rothuizen actief was?
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant C.G. Bos (1909-1988) schrijft daarover het een en ander in een boek over de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1945. Uit zijn beschrijving citeer ik het volgende.
“Uiteraard heeft de invloed van de moderne theologie, het loslaten van de Bijbel als absolute norm voor geloof en leven, ook grote betekenis voor de hele levensstijl. Zo is het ongehuwd samenleven vooral ook in de studentenwereld reeds een heel gewone zaak geworden. Voor de beleving van de homoseksualiteit wordt gemakkelijk met Schriftgegevens afgerekend. Men zegt dan dat de oorzaak van Paulus’ veroordeling van de homoseksualiteit in Romeinen 1 is, dat Paulus nog niets van de psychologie en dergelijke afwist. Hij was nog niet zover als wij. Deze hele ontwikkeling kan niet dienstbaar zijn aan de opbouw van het geestelijke en kerkelijke leven. De prediking verschraalt. In veel kerken wordt niet meer aan de hand van de Heidelbergse Catechismus gepreekt. Vooral de tweede kerkdienst wordt vaak slecht tot zeer slecht bezocht. In de classis Maastricht hebben zes van de acht kerken de tweede kerkdienst reeds afgeschaft. Het vanouds gereformeerde kerkvolk is en wordt door prediking, catechese en andere ambtelijke bearbeiding, door voorlichting in boeken en tijdschriften, door de radio en televisie geleidelijk aan omgeturnd. De gestadige drup holt ook de hardste steen uit”[4].
Dominee Bos wijst het zonder terughoudendheid aan: men moet een brede blik hebben om te begrijpen wat er in het kerkelijk leven gaande is!

Het bovenstaande maakt zonder omwegen duidelijk wat er gebeurt als men de teugels wat laat vieren.
Wij moeten concluderen dat, als God het niet verhoedt, kerkmensen zomaar bij God en Zijn Woord wegdrijven.
En wij hoeven er niet omheen te draaien: het afschaffen van de tweede zondagse kerkdienst is, in verreweg de meeste gevallen, een grote stap bij God vandaan!
En zeg dan, met een schuin oog op het bovenstaande, niet dat vandaag alles beter gaat. Zeg niet dat wij vandaag meer inzicht en doorzicht hebben. Zeg niet dat wij niet dat wij in 2019 standvastiger zijn dan de mensen in ons voorgeslacht. Want dat is onzin.

Word je er minder Gereformeerd van als je een tweede kerkdienst niet bijwoont?
Nee, dat niet.
Er zijn massa’s vaders en moeders die op zondag maar één ter kerke gaan omdat zij ’s zondags moeten oppassen.
Maar in deze tijd hebben we, via internet, extra mogelijkheden gekregen om, op de momenten dat ons dat uitkomt, kerkdiensten te volgen. Het is belangrijk om daar de hand aan te houden. Voordat je ’t weet houd je je alleen maar meer bezig met je eigen manier van doen. Dan zakt Godsdienst rap weg.

Tenslotte nog dit.
Schrijver dezes en zijn vrouw gaan in de regel op zondag twee keer naar de kerk.
Zodoende wordt de zondag, zeker fysiek bezien, een vrij drukke dag.
Maar zolang het kan zullen zij het doen.
Want Schrift en belijdenis zijn hen veel waard!

Noten:
[1] “Kerkorde vertelt niet hoe het moet”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 13 juni 2019, p. 6.
[2] Geciteerd uit de rubriek ‘Van Binnenlands Gebeuren’. In: Gereformeerd Gezinsblad, maandag 5 oktober 1964, p. 3.
[3] Zie voor meer informatie over professor Rothuizen https://nl.wikipedia.org/wiki/Gerard_Rothuizen ; geraadpleegd op donderdag 13 juni 2019.
[4] C.G. Bos, “Nederlandse kerkgeschiedenis na 1945”. – Groningen: De Vuurbaak, 1980. – p. 78 en 79.

12 maart 2018

De wet op de priesterwijding

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

In Exodus 29 is de wet met betrekking de priesterwijding vermeld. Het is de moeite waard om die wet wat nader te bekijken.
Hieronder zal dat alras blijken[1].

De priesters moeten gewassen worden[2]. Dat mogen de priesters blijkbaar niet zelf doen. Nee, Mozes moet hen wassen.
Een paar jaar geleden – het was in 2014 – schreef een dominee hierover: “In onze gedachten zien we hen bij het koperen wasvat staan. Mozes wast hun hele lichaam, trekt hen vervolgens de priesterkleren aan, en zalft hen tot het priesterambt.
Door deze handelingen werden zij overtuigd dat de Heere hen had afgezonderd tot Zijn heilig dienstwerk. Nadat zij geheiligd en afgezonderd waren tot deze dienst, moesten zij hun handen en voeten wassen alvorens zij hun ambt konden uitoefenen. Zij werden dus eerst door Mozes gewassen en moesten daarna voor elke ambtelijke arbeid zichzelf wassen!”[3].

Mozes is in Exodus 29 de vertegenwoordiger van de God van het verbond[4].
Mozes is daar, in zekere zin, middelaar tussen God en Zijn volk. Maar het is daarnaast duidelijk dat Aäron en zijn zonen een belangrijk deel van Mozes’ taken zullen overnemen.

De wijding van de priesters heeft drie aspecten: wassen, kleden en zalven.

Dat wassen vindt u terug in Hebreeën 10: “…laten wij tot Hem naderen met een waarachtig ​hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons ​hart​ gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met ​rein​ water”[5]. Dat laatste is een verwijzing naar de doop. Om met Titus 3 te spreken, naar “het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de ​Heilige​ Geest”[6].

De informatie over de kleding staat in Exodus 28[7].
Wat moeten wij met die informatie beginnen?
Wij mogen er vandaag van verzekerd zijn dat de God van hemel en aarde ons in zijn nabijheid aanvaardt. Denkt u hierbij maar aan Psalm 132:
“Laat Uw ​priesters​ bekleed worden met ​gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen”[8].
En:
“Want de HEERE heeft Sion ​verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
Haar voedsel zal Ik rijk ​zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
Haar ​priesters​ zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen”[9].
De apostel Paulus noteert in Efeziërs 1: “Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn ​kinderen​ aangenomen te worden, door ​Jezus​ ​Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn ​genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde”[10].
De Verbondsgod maakt in Exodus 29 duidelijk dat Hij alleen maar gewijde mensen aanvaardt, die gekleed zijn volgens Zijn normen.
In onze tijd hebben die normen een Nieuwtestamentische lading: wij zijn door onze Heiland tot Zijn kinderen aangenomen. Dat mag en moet de kerk geloven. En ja, daar hoort een levenshouding, een attitude bij!

De zalving is een beeld van de aanstelling van en de toerusting door de Heilige Geest.
Die zalving komen we tegen in Psalm 133. U weet wel:
“Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.
Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdruipt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdruipt op de zoom van zijn priesterkleed”[11].
Priesters dragen, om zo te zeggen, de geur van God. Die geur is vandaag de dag in de kerk te ruiken. Daar moeten we althans steeds ons best voor blijven doen!

De continuïteit van de eredienst moet steeds gewaarborgd blijven. Dat is in Exodus 29 al zo.
Die voortgang wordt door de wereldhistorie heen regelmatig bedreigd.
In Gods Woord ziet u daar zo nu en dan iets van.
In Daniël 11 bijvoorbeeld: “Dan zullen er uit hem krachtige armen voortkomen. Die zullen het ​heiligdom​ en de vesting ​ontheiligen​ en het steeds terugkerende ​offer wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen”[12]. De legers van de koning van het noorden maken een einde aan de geregelde tempeldienst.
Welnu – vandaag de dag, anno Domini 2018, is de aanval op de doorgang van het kerkelijk leven en van erediensten heel erg geniepig. Soms hebben we niet eens door op welke manier de satan zijn instrumenten precies inzet. Maar wie goed kijkt, kan het toch zien. Bijvoorbeeld in:
* het ongeloof van de mensen en de spot over het gedrag van gelovigen
* de relativering van de waarde van kerkdiensten
* de invoering van de koopzondag
enzovoort.
Laat de eredienst ons maar heilig zijn!

Waar gaat het in Exodus 29 om?
Over het brandoffer lezen we: “Het moet een voortdurend ​brandoffer​ zijn, al uw generaties door, bij de ingang van de ​tent​ van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal Ik u ontmoeten om daar met u te spreken. Daar zal Ik dan de Israëlieten ontmoeten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid ​geheiligd​ worden. Dan zal Ik de ​tent​ van ontmoeting en het ​altaar​ ​heiligen. Ik zal Aäron en zijn zonen ​heiligen​ om voor Mij als ​priester​ te dienen. Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn”[13].
Dat betekent: God moet Zijn kinderen heiligen.
Zo spreekt ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de heiliging: “Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt. Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde”[14].
Laat het maar tot ons allen doordringen: de heiliging is niet in de eerste plaats een activiteit van onszelf; nee, het is eerst en vooral een Goddelijke activiteit waar wij de vruchten van mogen plukken!

Noten:
[1] Voor dit Schriftgedeelte kies ik omdat Exodus 29:1-31:18 centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt volgende week, woensdagavond 21 maart 2018, plaats. Tijdens die vergadering hoop ik een korte inleiding te verzorgen. Deze is onder meer gebaseerd op de schetsen 29, 30 en 31 van Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 96-105. Een bewerkte versie van dit artikel zal het eerste deel van de inleiding zijn.
[2] Exodus 29:4.
[3] Ds. J. Roos, “De tabernakeldienst (107)”. In: De Wachter Sions, donderdag 10 juli 2014, p. 355. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Exodus 29.
[5] Hebreeën 10:22.
[6] Titus 3:5.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1005.pdf ; geraadpleegd op woensdag 27 december 2017.
[8] Psalm 132:9.
[9] Psalm 132:13-16.
[10] Efeziërs 1:5 en 6.
[11] Psalm 133:1 en 2.
[12] Daniël 11:31.
[13] Exodus 29:42-45.
[14] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24.

1 december 2017

Feestelijk abcd van de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Ja ja, die Israëlieten in de Bijbel weten wel wat feestvieren is!
Leest u maar mee in het slot van 1 Koningen 8: “In die tijd hield ​Salomo​ ook het feest, en heel Israël met hem, een grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen: veertien dagen”[1].

Die tijd is de periode van de inwijding van de tempel.
Het gebedshuis ter ere van de Here is gereed. Het gebed dat Salomo bij die gelegenheid uitspreekt is in extenso in de Heilige Schrift opgenomen[2].

Daarna zegent Salomo het volk. Die zegen is feitelijk een lofprijzing en een lijst van vrome wensen in één. Het volk heeft rust gekregen. De Here is actief aanwezig. En dan wordt de situatie als vanzelf vredig. De wereld wordt in alle opzichten harmonieus.
Salomo spreekt de wens uit dat de God van het verbond Zijn volk nimmer verlaten zal.
Salomo hoopt vurig dat de Here in harten blijft werken. Dan zullen de Israëlieten op de wegen van de Here wandelen.
Dan zal het recht zegevieren. In heel het land zullen billijkheid en eerlijkheid de toon aangeven.
Voor de Israëlieten is het daarom zaak om naar Gods geboden te leven.
Heel het bestaan moet een offer voor de Here wezen: een dankoffer voor Hem!
Dat staat het volk scherp voor ogen.
De capaciteit van de offerplaats schiet tekort. Er is gewoon te weinig ruimte.

En dan is het feest.
Veertien dagen feest.
Wij, westerlingen van 2017, vragen ons af: hebben die Israëlieten niets anders te doen? Kunnen zij zomaar twee weken vrij nemen? Moet er geen geld verdiend worden? Behoort de economie niet ordentelijk te blijven draaien?

In 1 Koningen 8 lezen we daarover niets.
Blijkbaar worden Bijbellezers van 2017 dringend verzocht om zich over dat soort dingen niet druk te maken.

Er is echter een ander punt dat ik vandaag wil aanstippen.

Dat is dit: in dit Schriftgedeelte leren we wat een christelijk feest is.
Sommige mensen zeggen dat kerkdiensten feestelijker zouden moeten vormgegeven. Het is, zeggen sommigen, in de kerk zo stijf. Bij het saaie af. Hoezo feestelijk?
Welnu, in 1 Koningen 8 leren we dat feestvieren in de kerk betekent:
* genieten van Gods presentie
* biddend contact hebben met de God van het verbond
* gelovig leven, geheel toegewijd aan de God van hemel en aarde.

Met het bovenstaande wil natuurlijk niet gezegd zijn dat preken saai moeten wezen.
Een psalmvers extra, een gezang meer – dat is heus geen bezwaar.
Maar laat niemand denken dat het in de kerk pas feest is bij veel toeters en tetters, bij massa’s bloemen en guirlandes, en bij dansjes en verheven handen.

Het is, dunkt mij, goed om dit alles te benadrukken op de eerste dag van de maand waarin, zo de Here wil, het Kerstfeest zal worden gevierd.

Daarover belijden wij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij belijden dus dat God de belofte die Hij aan de vaderen gegeven had bij monde van zijn heilige profeten, vervuld heeft door zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem bepaalde tijd. Deze heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden (…) door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar zwakheden, uitgezonderd de zonde. Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden”[3].
Dat is een statige tekst.
Een hele mond vol, zeggen we dan tegenwoordig.

Maar laten we nu niet gaan zeggen: het Kerstfeest is in de kerk te ingetogen. Hang de vlag uit! Huur de fanfare in!
Feestvieren in de kerk is een zaak van abcd: aanbidding, bewondering, concentratie op God, dienst aan Hem.
Niet meer. Maar ook niet minder.

Noten:
[1] 1 Koningen 8:65.
[2] 1 Koningen 8:22-53.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 18.

24 januari 2017

Versterkende sacramenten

Wat zijn de sacramenten in de kerk prachtig!
De heilige doop is het beginpunt van ieder kind dat uit gelovige ouders geboren wordt: de Here bezegelt Zijn verbond.
In het heilig avondmaal proclameren wij de dood van Jezus Christus. Hij stierf aan het kruis en betaalde zo de schuld voor onze zonden.
Twee sacramenten: twee tekens van Gods onwrikbare trouw!

In Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus belijden wij dan ook:
“Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan?
Antwoord:
Van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het versterkt door het gebruik van de sacramenten”[1].

De sacramenten versterken ons geloof.

U ziet wel dat ik dat woord ‘versterken’ hierboven cursief heb gezet.
Ons geloof, dat door de Heilige Geest bewerkt wordt, krijgt een extra fundament.

Graag leg ik daar vandaag de nadruk op.

Als er een kindje gedoopt wordt, is de kerkzaal vaak voller dan anders. Er komen familieleden, soms van heinde en ver.
Als het Heilig Avondmaal wordt gevierd zien we dat kerkleden, wat vaker dan anders, in de kerkdienst aanwezig zijn. Mensen doen daar extra hun best voor. Er zijn kerken waar, na een Avondmaalsdienst, ouderlingen bij elkaar gaan zitten om de presentie door te nemen.
Waarom zou dat eigenlijk zo wezen?

Begrijpt u mij goed: die familieleden zijn van harte welkom. Maar dat zijn zij ook als er ‘gewone’ kerkdiensten worden belegd.
Het spreekt vanzelf dat ieder kerklid in een Avondmaalsdienst van harte welkom is, en daar geroepen wordt.
En nee, op zichzelf genomen heb ik niets tegen het doornemen van een presentielijst na een kerkdienst waarin het Heilig Avondmaal gevierd is.

Waar het mij om gaat is, dat in de praktijk van het kerkelijke leven een kerkdienst met sacramentsbediening door veel kerkleden belangrijker lijkt te worden geacht als een ‘gewone’ kerkdienst.
Dat acht ik niet juist.

De Heidelbergse Catechismus geeft als Schriftbewijs woorden uit Mattheüs 28. Namelijk de volgende: “Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen”[2].
De doop is het begin.
In de jaren daarna wordt er onderwijs gegeven. Dat gebeurt in huiselijke kring. Tijdens de lessen in het catechisatielokaal. En hopelijk ook op de scholen. Dat onderwijs genieten wij feitelijk levenslang. Immers, iedere zondag wordt ons het Woord van God verkondigd; twee keer, als het even kan.
Welnu, die gewone ‘onderwijsdiensten’ zijn minstens net zo belangrijk als diensten waarin een sacrament wordt bediend.

Versterking van het geloof: dat is, om zo te zeggen, de verzamelaanduiding voor stimulansen om te volharden in het geloof.
Over zulke versterking lezen we ook wel in Gods Woord.
In Handelingen 14 bijvoorbeeld: “En nadat zij aan die stad het Evangelie verkondigd hadden en veel discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië,
en zij versterkten de zielen van de discipelen, spoorden hen aan in het geloof te blijven en zeiden dat wij door veel verdrukkingen in het Koninkrijk van God moeten ingaan”[3].
En in Romeinen 1 bijvoorbeeld. Daar schrijft de apostel Paulus: “Want ik verlang er vurig naar u te zien, om u in enige geestelijke genadegave te laten delen, waardoor u versterkt zou worden,
dat is te zeggen, om in uw midden samen bemoedigd te worden door het onderlinge geloof, zowel dat van u als dat van mij”[4].
En in 2 Petrus 1 bijvoorbeeld: “Daarom, broeders, beijver u des te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want als u dat doet, zult u nooit meer struikelen.
Want zo zal u in rijke mate de toegang worden verleend tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.
Daarom zal ik niet nalaten u altijd aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt bent”[5].
De God van het verbond zorgt op allerlei manieren voor versterking van ons geloof. Zijn zorgzaamheid blijkt door alle tijden heen!

Wat zijn de sacramenten in de kerk prachtig!
Die sacramenten zijn door onze Here Jezus Christus ingesteld, om ons bij de voortduur op Zijn grote genade te wijzen. Juist omdat Hij die sacramenten Zelf instelde, mogen we er veel waarde aan hechten. Ja, misschien moeten we er wel meer waarde aan geven dan aan sommige bemoedigingen die van ‘gewone’ mensen komen.

Maar laten we erediensten waarin Doop en Avondmaal worden bediend vooral niet veel belangrijker gaan vinden als ‘gewone’ kerkdiensten!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 25, vraag en antwoord 65.
[2] Mattheüs 28:19.
[3] Handelingen 14:11.
[4] Romeinen 1:11 en 12.
[5] 2 Petrus 1:10, 11 en 12.

28 december 2016

Het hoge niveau van de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Dr. Jos Douma, een spraakmakende predikant binnen het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), verlangt naar het goede leven. Hij schreef er een boek over[1].

De flaptekst van dat boek luidt: “Kerk zijn in de eenentwintigste eeuw. Hoe doen we dat? Dit boek kiest voor een vernieuwende insteek die tegelijk vertrouwd is omdat Woordverkondiging, doop en avondmaal er de basis van vormen. Samen lezen – samen delen – samen eten: dat is de kern van kerk-zijn. En dat kan op alle mogelijke plaatsen en in alle mogelijke vormen gestalte krijgen. Heel praktisch. Dicht bij mensen. Dicht bij God. Jos Douma laat in dit boek zien hoe we op zoek zijn naar het goede leven – en vooral hoe we dat kunnen leven – en hoe gemeenten dit goede leven kunnen vormgeven”[2].

Hoe voelt dominee Douma zich?
Het Reformatorisch Dagblad interviewde hem.
“Hij is niet langer een traditionele dominee, concludeert Jos Douma. Zo introduceert hij zichzelf, en onder die naam publiceert hij ook op zijn website josdouma.nl. ‘Ik heb wel geprobeerd om dat te zijn. In Haarlem, een stadsgemeente in een geseculariseerde omgeving, ben ik veranderd. Ik realiseerde me dat ik als dominee geen aansluiting had bij de wereld om me heen’”.

Dominee Douma zegt: “Kijk om je heen en je ziet hoe de cultuur verandert. Dan kun je vasthouden aan hoe je het altijd hebt gedaan, maar daar geloof ik niet meer in. Anderhalf jaar geleden heb ik m’n stropdas definitief afgedaan. Sinds een paar maanden preek ik vanaf het podium. Dat heeft voor mij te maken met behoefte aan nabijheid, echtheid en authenticiteit”.

“Gereformeerden kunnen meer de alledaagsheid van het kerk-zijn omarmen. Ik heb het niet zo op theologie die gefocust is op de zondagse kerkdienst. Laat Woordverkondiging, doop en avondmaal op meer plaatsen terugkomen. Dat kan in verschillende vormen van samen lezen, delen en eten. Ik zoek knooppunten en kruispunten om zeven dagen per week met anderen samen God te kunnen dienen. Een prachtige oude kerk heb je niet nodig om bij God te komen. Gereformeerden hielden het vroeger al bij schuurkerken”.

De kerkdienst boet, als ik het goed zie, bij Douma aan belangrijkheid in.
In Zwolle, de plaats waar de predikant momenteel werkt, gaat dat als volgt.
“’s Ochtends zitten hier in de Plantagekerk zo’n 400 tot 500 mensen. ’s Middags halen we de 100 meestal niet. Zolang de tweede dienst een functie heeft, vind ik het prima om daaraan mee te werken. Maar er is tussen eredienst en gebedstrio nog zo veel meer ruimte om Woord en sacramenten te laten spreken. Christen-zijn is ons hart delen met anderen. We kunnen elkaar steunen bij het geopende Woord. En wat is er nu mooier dan om dat te doen rond eetmomenten?”[3].

Veel van wat de hierboven geciteerde predikant zegt, herken ik.
De samenleving wordt gaandeweg informeler.
Samen delen is prachtig.
Samen eten werkt samenbindend, en is vaak heel gezellig.

En toch voel ik mij niet zo thuis bij de boven omschreven redenering.

De Woordverkondiging op zondag lijkt in het gedrang te komen. En niets is erger dan dat.

Zeker, de Woordverkondiging is voor dominee Douma de basis.
Hij is ijverig op zoek naar verbreding. Het platform wordt, om zo te zeggen, uitgebreid en komt dichter bij de wereld te liggen.
’t Zit ‘m niet meer voornamelijk in de zondagse kerkdienst.
Ergens in mijn hoofd klingelt een belletje. Mijn vraag is: worden de zondagse kerkdiensten een beetje aan de kant geduwd?

De kerkdienst is de samenkomst van de heilige vergadering, zoals die door Jezus Christus is ingesteld.

Terecht schreef dr. J.A. van den Berg, predikant uit de Gereformeerde Bond: “Het eigene van de protestantse eredienst wordt vooral zichtbaar in vergelijking met een middeleeuwse Rooms-Katholieke manier van doen. Rituele bemiddeling van het heil(ige) door een priester aan min of meer passieve kerkgangers was kenmerkend in de middeleeuwse vorm van eredienst. De kerkganger was toeschouwer, of alleen ontvanger van een de genade in de sacramenten. In de reformatie wordt de automatische werking van het sacrament door het ritueel vervangen door de opvatting dat de Heilige Geest werkelijkheid maakt wat er in de dienst gebeurt, door geloof te werken in de kerkganger. De kerkganger verandert hiermee in iemand die actief participeert in de ontmoeting met God”.
En:
“Het gaat op zondagmorgen niet in de eerste plaats om het ons in herinnering brengen wat de historische Jezus gedaan heeft, of gedaan zou hebben. Veeleer gaat het om de ontmoeting met de Levende nu.
In het ons opnieuw toe-eigenen van deze geloofswerkelijkheid als veronderstelling voor de eredienst ligt naar mijn mening de grootste opdracht voor het protestantisme, van welke snit dan ook”[4].

In de eredienst is de Heilige Geest druk aan het werk. Hij draagt er zorg voor dat God en Zijn volk elkaar kunnen gaan ontmoeten.
Het komt mij voor dat wij dat punt goed vast moeten houden.

Je kunt zeggen: de Heilige Geest werkt overal in de wereld. Ook in informele gesprekken, bijvoorbeeld. En tijdens gezamenlijke maaltijden in een dorpshuis of een buurtcentrum.

Maar wat is nu het specifieke van de kerkdienst? Van de eredienst?
Laat ik, wat dit betreft, Mattheüs 18 citeren: “Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel. Wederom, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden”[5].
De kerk heeft de vrijmacht om iemand schuldig te verklaren of vrij te spreken.
De kerk ontvangt die volmacht van God, op het gebed.
De kerk heeft de roeping om het Evangelie van de opgestane Christus te verkondigen.
De kerk is de belangrijkste werkplek van Gods Geest.

Zeker, in alledaagse dingen kunnen kerkmensen tonen wat de consequenties van het Evangelie zijn.
Maar dat laat onverlet dat dat Evangelie iedere zondag weer geproclameerd moet worden.
Iedere zondag moet die Verbondsontmoeting plaats hebben.
Laat ik het eens zo zeggen: Gods kinderen moeten op niveau blijven, en daarom moet de gemeente wekelijks naar Gods Woord luisteren. Anders is kerk-zijn binnen niet al te lange tijd niet veel meer dan een oefening in solidariteit en wellevendheid. En dat terwijl de kern van kerk-zijn is: de God van hemel en aarde aan het Woord laten, en Hem de eer geven die Hem toekomt.

Dominee Douma zegt: ik heb het niet zo op theologie die gefocust is op de zondagse kerkdienst. En ook: ik zoek knooppunten en kruispunten om zeven dagen per week met anderen samen God te kunnen dienen.
Dat klinkt sympathiek.
Maar ik heb het hinderlijke gevoel dat de zondagse kerkdiensten gaandeweg minder belangrijk worden, ten gunste van allerlei contacten met de moderne wereld. Daar ontspoort volgens mij iets. En voor wij het weten is de schade groot. Zeer groot.

In een oud nummer van het Gereformeerd Weekblad – weekblad voor leden van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlands Hervormde Kerk – schreef iemand eens: “Predikanten die ambtelijk het Woord Gods bedienen, staan niet op een zeepkistje op de markt te evangeliseren (hoe zinvol ook dat kan zijn) en ze houden ook niet een toespraak voor één of andere godsdienstige vereniging. Neen, in opdracht van de grote Herder der schapen weiden ze de kudde Gods.
We moeten goed zien dat de eredienst niets minder is dan de ontmoeting tussen God en Zijn volk op aarde, tussen Christus en Zijn bruidsgemeente. De kerk is de plaats waar Jezus met zondaren samen woont. Aan het begin van de dienst wordt eerst het votum uitgesproken (Onze hulp…), waarmee wordt aangegeven dat het hier maar niet een menselijke samenkomst betreft, maar een ontmoeting op het hoogste niveau”[6].
Het hoogste niveau!
Terwijl er heel gewone, zondige mensen in de kerk zitten!
Is het niet een wonder?

Wellicht ongewild gaat dr. Douma dat wonder verkleinen.
Het niveau van de kerk wordt naar beneden gehaald.
Maar in de kerk mag en moet dat nooit de bedoeling wezen!

Noten:
[1] Dr. Jos Douma, “Verlangen naar het goede leven – samen lezen, samen delen, samen eten”. – Uitgeverij Boekencentrum, 2016. – 128 p.
[2] Geciteerd via http://www.literatuurplein.nl/boekdetail.jsp?boekId=1118633 ; geraadpleegd op donderdag 8 december 2016.
[3] “Het DNA van de kerk”. In: katern Kruispunt, onderdeel van het Reformatorisch Dagblad, donderdag 24 november 2016. p. 4 en 5. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[4] Deze formulering is van dr. J.A. van den Berg, predikant binnen de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland. Zie http://www.izb.nl/verdieping/artikelen/het-heilige-gebeurt ; geraadpleegd op donderdag 8 december 2016.
[5] Mattheüs 18:18, 19 en 20.
[6] “De aanspraak ‘gemeente des Heeren’”. In: Gereformeerd Weekblad, vrijdag 18 maart 1994, p. 181 en 182. Ook te vinden via www.digibron.nl . Het artikel waar dit citaat uit komt is ondertekend met “V.  J.H.”. Mijn vermoeden is dat dat dr. J. Hoek is. Hoek woonde en werkte indertijd te Veenendaal. Hij was jarenlang redacteur van het inmiddels niet meer bestaande Gereformeerd Weekblad.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.