gereformeerd leven in nederland

27 juni 2019

Gods trouw omsloten door onze lof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

De samenleving holt achteruit. In de ogen van Gereformeerde mensen althans. In kabinetsmaatregelen wordt steeds minder rekening gehouden met Gods Woord. De samenleving wordt steeds onchristelijker.
Waar gaat het heen?

Dat ligt, zoals dat dan heet, in de schoot van de toekomst verborgen.
Wat we wel weten is dat het vroeger weinig beter was.

Israël denkt er bij de Schelfzee niet aan dat de Here het volk kan redden en dat het heel goed mogelijk is dat de Egyptische farao het onderspit delft.
De Here grijpt in. Hij zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat Zijn volk niet in de pan gehakt wordt.

Natuurlijk is Israël dankbaar.
Dat is logisch.
Wie is er niet blij als zijn leven, om zo te zeggen, opnieuw begint?
Maar ach… hoe gaat dat?
De dankbaarheid slaat al gauw om in ongerustheid, en in revolutie.

Het volk denkt collectief: in de woestijn komen we om!
Het volk denkt: God is afwezig; komaan, laten we een gouden kalf maken – zo zorgen we er zelf voor dat God weer dichtbij komt.
Op enig moment komt het zover dat God zo woedend is op Zijn volk dat Hij Zich voorneemt om al die Israëlieten in vredesnaam maar uit te roeien. Dat dat voorkómen wordt, komt omdat Mozes voor Zijn volksgenoten in de bres springt.

En als we dat allemaal hebben gehad, blijkt het ganse volk ontevreden over Kanaän – het land dat God voor Zijn volk vrij gaat maken.
Bovendien blijkt Baäl-Peor, de afgod van de Moabieten, reuze aantrekkelijk. Baäl-Peor, dat betekent: heer van de bres[1]. Een bres is een opening in een muur. Het lijkt wel of de Israëlieten een opening naar een andersoortige toekomst zien!

Israël klaagt bij Meriba over gebrek aan water. Alsof de Here niet bij machte is om daar in een oogwenk iets aan te doen!

Israël trekt Kanaän binnen. En kijk nu toch eens, wat wonen daar veel vriendelijke en heel lieve mensen! Zij zijn zo lief dat je gerust met hen trouwen kunt…
Alleen maar – dat is niet de dienstorder van God. Want Hij heeft gezegd: roei dat volk uit! Waarom? Omdat het belangrijk is dat de dienst aan God alle aandacht krijgt; het heeft geen zin om je daarbij te laten afleiden door de leuke ‘godsdienst’ van de buren.

Dat alles laat God beslist niet over Zijn kant gaan. Het volk wordt gestraft. En niet zo’n klein beetje ook. Er volgen vele jaren in ballingschap.

Men zou denken: dit is het dan. En misschien ook: wat zijn die Israëlieten toch hardleers. Of ook: dat Oudtestamentische volk leert het nooit!
Maar er is meer.
Want God is trouw aan Zijn verbond. Hij laat Zijn volk nooit in de steek.

Daarom blijft voor Gods volk van alle tijden en plaatsen maar één ding over: God loven en prijzen om Zijn trouw.

Wellicht denkt u: waar haalt die weblogscribent dat toch allemaal vandaan?
Welnu, wij kunnen het bovenstaande terugvinden in Psalm 106.
Al die geschiedenissen staan beschreven in Gods Woord.

Wie – met een schuin oog op het kerkelijk leven in Nederland – Psalm 106 leest, vat hopelijk weer enige moed.

Er zijn veel gelovigen in Nederland. Maar zij vinden op verschillende plaatsen onderdak.
Van baptisten tot Gereformeerde Gemeenten in Nederland: gelovigen gaan op heel veel verschillende plaatsen naar de kerk.
Er zijn vele discussies in Nederland. Over de doop, over belijdenis doen, over de vrouw in het ambt…
Er wordt gefuseerd. Tussen Gereformeerd-vrijgemaakten en Nederlands Gereformeerden. En wellicht op termijn ook tussen De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken Nederland. Maar is dat naar Gods wil? Is het verantwoord?

Laten we nog eens terugkeren naar Psalm 106.
Het was professor drs. H.J. Schilder (1916-1984) die over dit kerklied eens opmerkte: “Evenwel, die Psalm 106 met zijn droef relaas kan ons toch ook al voorzichtig maken. Immers, dat lied kent — al die sombere herinneringen ten spijt — wel degelijk zijn roem en lof. Met lóf vangt het aan: Halleluja, looft de Heere, want Hij is goed. En het einde is dienovereenkomstig. Niet slechts als een liturgisch slot, maar ook als conclusie en doel van de gehele psalm, wanneer verlossing uit actuele ellende (verstrooiing, ballingschap) wordt begeerd ‘opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof’ (…). Het één sluit het ander toch blijkbaar niet uit, het zondenregister verhindert niet de roem op Gods goedertierenheid in de voortgang der historie”[2].

Psalm 106 is een gebed.
De dichter vraagt zijn God om in te grijpen.
“Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;
zie naar mij om met Uw heil,
zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,
mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,
mij mag beroemen met Uw eigendom”[3].
En:
“Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw ​heilige​ Naam​ loven
en ons beroemen in Uw lof”[4].
De dichter vraagt zijn God om Israël weer terug te brengen uit de ballingschap.
De psalmschrijver kijkt naar de geschiedenis van Israël. En hij ziet het scherp – wij hebben er met z’n allen een rommeltje van gemaakt. En de psalmist beseft ook: de zaak komt pas weer op orde, als de Here ons – om zo te zeggen – oppakt en weer op onze plaats zet.

Als het gaat om kerkelijke verdeeldheid, houden we ons vaak om de lieve vrede stil. Je kunt niet altijd maar op het scherpst van de snede opereren.
Als het op fuseren aankomt, vragen rechtgeaarde Gereformeerden zich af: brengt dit alles ons dichter bij God, of niet? Er wordt getelefoneerd, ge-e-maild, gepraat en vergaderd. En de één is nog bezorgder dan de ander.

En misschien zeggen we wel zachtjes tegen onszelf: geloven is mooi, maar wat zit er soms een hoop gedoe omheen!
In een dergelijke situatie moeten we maar naar Psalm 106 kijken. Laten we de kerkgeschiedenis in herinnering brengen en Gods trouw zien. En de trouw van onze Verbondsgod mogen wij omsluiten met onze lof!

Noten:
[1] Zie https://christipedia.miraheze.org/wiki/Baäl-Peor ; geraadpleegd op zaterdag 22 juni 2019.
[2] H.J. Schilder, “Het schrift dat niet verslijt – opstellen over het Oude Testament”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1983. – p. 143.
[3] Psalm 106:4 en 5.
[4] Psalm 106:47.

3 juni 2019

Herkennen en erkennen

Dit artikel cirkelt rond het streven naar kerkelijke eenheid. Dat is, in sommige opzichten, een wat ongemakkelijk onderwerp. Zeker als het gaat om hernieuwde kerkelijke eenheid. Wat zo’n hernieuwing betekent dat er eertijds een splitsing is geweest. Dat levert pijn op. Er zijn de verdrietige herinneringen aan allerlei emotionele gebeurtenissen.
Niettemin mogen wij dat thema niet altijd ontwijken.

In dit stuk gaat het over de door velen zo vurig gewenste eenheid van twee kerkverbanden:
* De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK)
* Gereformeerde Kerken Nederland (GKN)
Die beide kerkverbanden komen voort uit de verontrusting over de koers van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
DGK vindt haar beginpunt in 2003. GKN heeft haar startpunt in 2009.

Meer precies draait het om het ‘Tussentijds rapport met betrekking tot werkzaamheden in de contacten met de GKN’, gedateerd op vrijdag 24 mei 2019[1]. Dat rapport is afkomstig van Deputaten Adresvoering/Contacten Overheid/Binnenlandse Betrekkingen van De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK)[2].

In dat rapport staat onder meer de volgende zin: “T.a.v. de scheuringen en schorsingen die er in het verleden hebben plaatsgevonden menen wij dat het beste op plaatselijk niveau besproken kunnen worden nadat wij elkaar op kerkverbandelijk niveau herkend/erkend hebben als kerken van Christus”.

In dit artikel staat het woordenduo ‘herkennen/erkennen’ centraal.
Herkennen betekent: u weet weer wie iemand is. Oftewel: iemand die u vroeger vaak tegenkwam, komt opnieuw in uw leven.
Erkennen houdt in: als wettig beschouwen. Soms betekent het ook: zijn ongelijk toegeven.

Dat woordenduo geeft te denken.
Zeven denklijnen noteer ik hieronder.

Gedachte 1
Veel leden van de beide kerkverbanden herkennen elkaar nog van vroeger. Zij hebben, in het algemeen genomen, dezelfde levensstijl. Zij hebben dezelfde Schrift, dezelfde belijdenisgeschriften. Zij herkennen veel van elkaar.

Gedachte 2
Met die herkenning zit het dus wel goed. Men kent elkaar wellicht nog van vroeger. Grosso modo ziet men dezelfde kenmerken in levensstijl. Men weet van elkaar: wij hebben hetzelfde levensdoel.

Gedachte 3
Is het woord ‘herkend’ bedoelt als een verzachting, een eufemisme? Is het de bedoeling dat het woord ‘erkend’ niet al te hard klinkt? Het zou duidelijker zijn als dat woord ‘herkend’ niet meer wordt gebruikt.
Ten diepste gaat het namelijk om de erkenning van Gods Woord als norm voor het leven in kerk en maatschappij.

Gedachte 4
Het woord ‘erkennen’ betekent onder meer: zijn ongelijk toegeven. Wij mogen echter aannemen dat de bovenbedoelde deputaten vooral het oog hebben op die eerste betekenis van dat begrip: wettigheid van de kerk.

Gedachte 5
Als de kerken elkaar als wettig beschouwen, is het zaak dat zij zich door het Hoofd van de kerk bij elkander laten brengen. En wel zo snel mogelijk.

Gedachte 6
Waar het dus om gaat is: de wettige kerk.
Die wettige kerk wil zich buigen onder het juk van Jezus Christus.
Schrijver dezes stemt in met de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee C.G. Bos (1909-1988) die in verband hiermee schreef: “Het rechte zicht op het kerkvergaderend werk van Christus sluit elk gevoel van ’gearriveerdheid’ uit. Nooit heeft Christus Zich voor altijd gebonden aan enig kerkinstituut, maar Hij heeft zijn kerkinstituut voor altijd gebonden aan Zich en zijn Woord. Een kerkinstituut dat vandaag de ware kerk is, houdt op dat te zijn zodra het Woord van de HERE niet meer wordt aanvaard als het enige en absolute richtsnoer voor geloof en leven. Een kerk houdt niet direct op ware kerk te zijn wanneer misstanden insluipen, maar wel wanneer die misstanden worden gelegaliseerd”[3].

Gedachte 7
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H.J. Nijenhuis (1924-1994) sprak in een preek over woorden uit 1 Johannes 5 eens over nuances in geloofsopvattingen. “De één bindt het een beetje strakker aan dan de ander. De één is wat ruimer van inzicht dan zijn gespreksgenoot. En zo langzamerhand krijg je ook onder degenen die zich niet hebben afgescheiden de verschillen van inzicht en opvatting. De gemeenschap van de kerk gaat scheuren en barsten vertonen.
Stop — zegt Johannes — wij weten toch! Wij baseren ons geloof toch op het Woord van God! We spreken toch maar niet onze eigen woorden en verkondigen toch maar niet onze eigen inzichten? Nu dan, houdt u aan dat Woord!”[4].
Als wij op die basis blijven staan, komt de ware oecumene in zicht.
Laten wij daarbij nooit vergeten: de Here brengt bijeen wat bij elkaar hoort – zeker weten!

Noten:
[1] Dat rapport is te vinden op https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/files/Deputatenrapport_ACOBB,_mei_2019.pdf ; geraadpleegd op vrijdag 31 mei 2019.
[2] In dat generaal-synodale deputaatschap hebben zitting: ds. M.A. Sneep, B. Lourens (secretaris/penningmeester), ds. H.W. van Egmond, ds. M. Dijkstra, ds. E. Heres, ds. C. Koster en ds. S. de Marie.
[3] C.G. Bos, “Nederlandse kerkgeschiedenis na 1945”. – Groningen: De Vuurbaak, 1980. – p. 99 en 100.
[4] De preek van ds. Nijenhuis gaat over 1 Johannes 5:20 en 21. De preek heeft als thema en verdeling:
“De apostel Johannes roemt in onze nieuwe levensgemeenschap met de ware God in zijn Zoon Jezus Christus. In deze nieuwe levensgemeenschap
1. hebben wij de ware God leren kennen,
2. zijn wij in de ware God geborgen,
3. moeten wij de ware God nooit meer kwijtraken”.

28 mei 2019

Kerk en kerkverband genegeerd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Er komt een nieuw verbond. Van achtendertig kerken protestantse kerken in Nederland namelijk. Zij vinden elkaar in Jezus Christus.

Het Nederlands Dagblad meldt: “De ondertekening van de ‘Verklaring van Verbondenheid’ gebeurt woensdag tijdens de slotzitting van de Nationale Synode in de Grote Kerk in Dordrecht.
Tot de kerken die tekenen behoren de Protestantse Kerk in Nederland, de drie kleinere gereformeerde kerken en verder baptisten, evangelische en pinksterkerken, remonstranten en migrantenkerken. Grote afwezigen vormen reformatorische kerken, zoals de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk. Binnen het verbond beloven de 38 kerken en geloofsgemeenschappen elkaar de komende vijf jaar te erkennen en te helpen, van elkaar te leren en samen te getuigen naar de samenleving”.
En:
“Christenen die er woensdag in Dor­drecht bij zijn, mogen op persoonlijke titel de Verklaring van Verbondenheid ondertekenen, in een apart register. Op die manier verwacht de stuurgroep persoonlijke steun uit kerken die officieel niet meedoen”[1].

Dat klinkt prachtig.
Niettemin is het niet allemaal rozengeur en maneschijn.
Want: “…aan de institutionele vorming van één protestantse koepelkerk zijn de meeste kerken nog echt niet toe”.
En:
“Het moet niet alleen gaan over persoonlijk geloof, maar ook over de bereidheid om je eigen kerkelijke traditie te willen opgeven”.
En dat ligt niet zo makkelijk. De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee T. Dijkema zegt: “‘De weidse perspectieven en mooie dromen over één kerk, dat is op dit moment niet realistisch. Al vind ik wel dat je die droom moet hebben. Als we elkaar de komende vijf jaar geregeld ontmoeten en aan de basis het geloofsgesprek voeren, vind ik dat al heel wat’.”[2].

In een samenleving die bijkans geheel geseculariseerd is, mogen we blij zijn dat de naam van Jezus Christus nog beleden wordt.

Maar moeten wij juichend achter de dranghekken staan?
De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Corinthe: “Maar ik roep u ertoe op, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen eensgezind bent in uw spreken, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen”[3].
En aan Gods kinderen in Philippi schrijft hij: “…maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen”[4].
Dat noteert de apostel in brieven aan mensen die, respectievelijk in Corinthe en in Philippi, in één kerk zitten!
Het is wel erg makkelijk om daar overheen te lezen.

Die achtendertig kerkgenootschappen zeggen: “onze eenheid gaat boven organisatorische of institutionele eenheid uit. Tegelijk roept deze eenheid in Christus ons op om zo veel mogelijk concreet onze verbondenheid vorm te geven”.
Dat kunnen we lezen als: we zitten niet in één kerk, maar eigenlijk moet dat wel. Men zegt: we zitten in een proces, dat komt allemaal wel goed.
Wat schrijver dezes betreft klinkt dat niet erg overtuigend.

Kerkelijk samenleven – dat kan men karakteriseren als ‘saamhorigheid’.
De Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar J. Kamphuis (1921-2011) schreef in verband daarmee eens: “Nu heeft het werkwoord ‘horen’, dat in het zelfstandig naamwoord ‘saamhorigheid’ zit de betekenis van: be-horen. Maar het bij elkaar be-horen, de saamhorigheid, moet nu ook uitkomen in het feit, dat de kerken sámen willen horen en sámen willen gehoorzaam zijn, zoals het daar ook op gegrond is. Iedere gemeente, één voor één, moet willen horen naar evangelische vertroosting en vermaan, maar omdat we allen samen door één Woord geroepen zijn, moet aan het samen horen ons ook veel gelegen zijn, opdat de saamhorigheid geen farce, geen lege vertoning zal worden.
Daarom zien wij bij de apostel Paulus, dat hij juist tegenover de kerk van Korinthe, die de saamhorigheid in een valse vrijheidswaan zo gauw vergat, aparte nadruk op de noodzaak van het samen horen legt en daarvan zelfs een drangreden maakt om de gemeente aldaar haar vrijheid te doen beleven in heuse gemeenschap met de zusterkerken”[5].

Niet voor niets schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 4: “Ik roep u er dus toe op: word mijn navolgers. Daarom heb ik Timotheüs naar u toe gestuurd, die mijn geliefde en trouwe zoon is in de Heere. Hij zal u in herinnering brengen mijn wegen, die in ​Christus​ zijn, zoals ik overal in elke gemeente onderwijs[6].
Een paar hoofdstukken verder, in hoofdstuk 7, schrijft hij: “Maar zoals God aan ieder heeft toebedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, zó moet hij wandelen. En zo schrijf ik het in alle gemeenten voor[7].
En in hoofdstuk 14 zet de Godsgezant de zaak echt op scherp: “Of is het Woord van God van ú uitgegaan? Of heeft het alleen ú bereikt?[8].
Vanaf het begin van de Nieuwtestamentische kerk doet het kerkverband er wel degelijk toe!

Achtendertig kerken protestantse kerken in Nederland sluiten een verdrag. Zij zijn verdragzaam, pardon: verdraagzaam. Oftewel: over de bandbreedte doen zij niet kinderachtig.
Even zo goed schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 11: “Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen”[9].
Het kerkverbond wordt prominent op het schouwtoneel gezet; het kerkverband wordt zachtkens in de vrieskist gelegd.
Afwijkingen in de leer worden in het protestantse verbond weggemoffeld.
Van Paulus leren we: dat is nadrukkelijk niet de bedoeling!

Achtendertig genootschappen die zich als kerk presenteren gaan samenwerken en samen getuigen. Samen voelen zij zich sterk.
Maar wij kunnen niet zondermeer zeggen dat dit alles tot eer van de Heer in de hemel is. Zeker niet.

Noten:
[1] Protestants ‘verbond’ voor eenheid van 38 kerken”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 mei 2019, p. 1.
[2] “Tien jaar Nationale Synode: zoeken naar tastbare eenheid”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 25 mei 2019, p. 6 en 7.
[3] 1 Corinthiërs 1:10.
[4] Philippenzen 2:2.
[5] Geciteerd uit: J. Kamphuis, “Verkenningen III: Opstellen over Kerk en Kerkrecht”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1966. – p. 123 en 124.
[6] 1 Corinthiërs 4:16 en 17.
[7] 1 Corinthiërs 7:17.
[8] 1 Corinthiërs 14:36.
[9] 1 Corinthiërs 11:19.

1 november 2018

Gedachten bij Hebreeën 5

Melk is goed voor elk, zei men sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw. De laatste jaren denkt men daar echter nogal wat genuanceerder over.
Wie de Bijbel leest, begrijpt alras dat in de kerk zeker niet alleen melk moet worden gedronken.

Vandaag publiceer ik enkele gedachten naar aanleiding van een passage uit Hebreeën 5.
“Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer iemand nodig die u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God. U bent geworden als mensen die melk nodig hebben en niet vast voedsel. Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de ​gerechtigheid, want hij is een ​kind. Maar voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad”[1].

Wat is het probleem in Hebreeën 5?
Antwoord: er is wel kennis van het Woord. Men heeft echter grote moeite om die kennis toe te passen.
Door het offer van Christus ontvangt de gelovige gerechtigheid. Zijn leven wordt vernieuwd. Het leven van de gelovige past steeds beter op de typering van Psalm 15:
“Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.
In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot zijn schade,
zijn eed verandert hij evenwel niet.
Zijn ​geld​ leent hij niet uit tegen ​rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet”[2].
Met andere woorden: voor de gelovige vormen Gods wetten en regels het kader van zijn leven.

Kerkmensen herkennen de vernieuwende gaven van God.
En zij erkennen dat zij met die gaven aan het werk moeten wezen.
Gelovigen gebruiken daarbij voortdurend hun zintuigen: zien, horen, proeven, ruiken en voelen[3].
Je kunt aan het gedrag van kerkmensen zien dat zij de God van hemel en aarde dienen.
Je kunt aan kerkmensen merken dat zij regelmatig preken horen; het gehoorde passen zij toe in de dagelijkse praktijk.
Kerkmensen proeven met regelmaat het brood en de wijn. Zij gedenken het verlossingswerk van de Heiland.
Kerkmensen verspreiden een geur van Christus. De apostel Paulus legt in 2 Corinthiërs 2 uit wat dat betekent: “Want wij zijn voor God een aangename geur van ​Christus, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan; voor de laatsten een doodsgeur, die leidt tot de dood, maar voor de eersten een levensgeur, die leidt tot het leven”[4]. Dus:
* het leven van kerkmensen ruikt voor God aangenaam
* kinderen van God genieten van die geur.
* mensen die God negeren hebben een afkeer van die geur; zij moeten er niets van hebben.
Tegenwoordig zeggen we wel: het voelt goed. Welnu, in de kerk voelt het vertrouwd. Daar hangt, als het goed is, de sfeer van Spreuken 28:
“Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is,
maar een rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw”[5].
We kunnen ook vertalen: een rechtvaardige zal vertrouwen hebben[6].
Rechtvaardigen vertrouwen op God. Zij hebben vervolgens ook vertrouwen in elkaar. Dat zit aan elkaar vast. Dat spreekt vanzelf.
Zien, horen, proeven, ruiken en voelen – op die manier krijg je onderscheidingsvermogen: wat is goed? wat is zonde? En ook: wie hoort er bij de kerk, en wie niet?

Die laatste vraag is, als ik het goed zie, in verband met Hebreeën 5 van enig belang.

Laten wij, mede in verband met het bovenstaande, elkaar in gedachten meenemen naar een restaurantkeuken.

Aldaar zien wij vóór ons twee pannen op het vuur staan. In die beide pannen blijkt precies hetzelfde te zitten: een uiterst smakelijk gerecht. Met dezelfde kleur. Vanuit beide pannen stijgt, tot genoegen van de chefkok, dezelfde heerlijke geur op.
Als de kok het eten klaar heeft, worden de identieke gerechten in het restaurant opgediend. De ene pan gaat naar Tafel 1. De andere pan gaat naar Tafel 53 aan de andere kant van de zaal. Het is duidelijk dat de gasten aan beide tafels familie van elkaar zijn. Ze hebben klaarblijkelijk allen ongeveer dezelfde smaak. Ze converseren op luide toon met elkaar; andere gasten in de restaurantzaal kunnen meegenieten.
En de kok? Hij vraagt zich in stilte af waarom de gasten aan die tafels niet bij elkaar gaan zitten.
De gasten aan Tafel 1 en Tafel 53 herkennen elkaar.
Alle gasten erkennen dat het eten erg lekker is.
Waarom zitten die mensen eigenlijk zo ver uit elkaar?

Dit ietwat merkwaardige beeld rijst op als wij kijken naar de DGK – De Gereformeerde Kerken in Nederland – en de GKN – de Gereformeerde Kerken Nederland.

In een brief aan de synode van De Gereformeerde Kerken (DGK), gedateerd op zaterdag 6 oktober 2018, wordt namens de generale synode GKN geschreven: “Allereerst is uitgesproken om u te herkennen als kerken van Christus, staande op het fundament van apostelen en profeten. Niet in ieder opzicht denken we helemaal gelijk, maar het is ook niet het fundament van de kerk dat we het in alles eens zijn. Wij verheugen ons zeer dat wij deze dingen in het huidige geestelijke klimaat mogen opmerken en we verwonderen ons”[7].
Laten we de zaken even op een rij zetten:
* alle gasten herkennen elkaar.
* alle gasten hebben ongeveer dezelfde smaak
* alle gasten erkennen dat het eten – zeg maar even: het geestelijk voedsel – erg lekker is.
* waarom zitten die mensen eigenlijk zo ver uit elkaar?

De vraag dringt zich vandaag weer eens aan ons op: horen DGK en GKN echt bij elkaar?
Ik vraag het met een schuin oog op Hebreeën 5.
Duidt het mij niet euvel.

Noten:
[1] Hebreeën 5:12, 13 en 14.
[2] Psalm 15:3, 4 en 5.
[3] Zie over zintuigen onder meer https://nl.wikipedia.org/wiki/Zintuig ; geraadpleegd op woensdag 31 oktober 2018.
[4] 2 Corinthiërs 2:15 en 16 a.
[5] Spreuken 28:1.
[6] Zie hiervoor de onlineversie van de Studiebijbel; de vertaling van Spreuken 28:1.
[7] De brief is te vinden via https://www.gereformeerdekerkennederland.nl/2018/10/09/besluit-t-a-v-dgk/ ; geraadpleegd op woensdag 31 oktober 2018.

3 september 2018

Kern van kerkelijk leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Er zijn, alleen al in Nederland, veel kerkgenootschappen. Heel veel.

Een jongere schreef een paar maanden geleden in het Reformatorisch Dagblad: “Het is mijn ervaring dat in de gereformeerde gezindte de verschillen tussen kerken en christenen meer nadruk krijgen dan de dingen die ons samenbinden.
Het doet me pijn dat hierbij met de vinger naar andere reformatorische kerken wordt gewezen, zo van: ‘wat daar geleerd wordt, is niet goed, alleen bij ons wordt de ware leer gepreekt’ – ook al wordt dat laatste vaak niet met zoveel woorden gezegd. Ik weet hierdoor niet waar ik met mijn geloofsvragen terechtkan.
Om antwoorden te vinden, las ik veel boeken, zowel oudvaders als nieuwere literatuur. Ook sprak ik veel mensen uit verschillende hoeken van het reformatorische spectrum, maar zij gaven verschillende antwoorden op mijn vragen. Het verwart mij dat er zo veel verschillende opvattingen zijn over onderwerpen als de toe-eigening van het heil, of over wanneer je mag aangaan aan het heilig avondmaal. De verschillende kerken baseren allemaal hun theologische gedachtegoed op de Bijbel, terwijl we dezelfde Bijbel hebben. Dat maakt de vragen voor mij alleen maar groter”[1].

De vraagtekens van hierboven zijn, naar ik aanneem, heel herkenbaar.

We moeten uitgaan van elkaars integriteit, zei iemand in reactie op die jongere[2].
Zeker, het is goed om oprechtheid als uitgangspunt te nemen.

Over de boven omschreven zaak valt natuurlijk nog wel veel meer te zeggen.
In het onderstaande worden een viertal punten aangestipt.
Het gaat er daarbij niet om het onderwerp van de kerkkeuze helder neer te zetten.
In dit artikel draait het met name om de vraag: waar moet het in de kerkdienst en in het kerkelijk leven om gaan?

Gods Woord heeft altijd voorrang
In 1 Koningen 13 zien we wat er gebeurt als mensen hun godsdienst zelf vorm gaan geven.
Jerobeam, koning van het tienstammenrijk, vindt het niet goed dat zijn volk voor het brengen van offers naar Jeruzalem. Jeruzalem ligt in het tweestammenrijk, in het buurland.
Daarom maakt hij twee gouden kalveren.
Dat zijn dure beelden.
En dat terwijl God helemaal niet via beelden gediend wil worden. Het staat zo duidelijk in Zijn wet: “U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God…”[3].
Trouwens, in Exodus 32 heeft Israël ook al een gouden kalf gemaakt. Wat was de Here God daar toornig over geweest!
Maar Jerobeam trekt zich van dat alles niets aan.
Hij wil niet dat zijn onderdanen teveel binding met het buurland krijgen. En bovendien: het is veel makkelijker om twee offerplaatsen in eigen land te hebben…
Het staat er in 1 Koningen 13 bij: “Dit werd aanleiding tot ​zonde”[4]. De zonde van Jerobeam vermenigvuldigt zich, om zo te zeggen. De onderdanen van Jerobeam gaan ook zondigen.
Als mensen zich in de kerk op de voorgrond dringen is het oppassen geblazen!

Woordverkondiging gaat voor variatie
Paulus schrijft in 2 Timotheüs 4: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten. Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels”[5].
In de tijd van Timotheüs waren er voorgangers die heel wat misstanden in de gemeente – seksueel misbruik bij voorbeeld, maar lieten lopen. Ze traden er niet tegen op.
Een exegeet noteert: er staat “letterlijk, dat ‘het oor jeukt’ men heeft dus voortdurend behoefte iets godsdienstigs te horen om deze ‘jeuk’ te bevredigen (…). Daartoe heeft men aan één leraar – Timotheüs – niet genoeg”[6].
Wat gebeurt hier?
De leden van de kerk hebben voortdurend behoefte aan iets nieuws. Waarom? Omdat, menen zij, de boodschap van de Bijbel op meerdere manieren kan worden geïnterpreteerd en geformuleerd. Die variatie is reuze aantrekkelijk.
Van de weeromstuit doen de sprekers verwoede pogingen hun uiterste best om het hunkerend gepeupel tevreden te stellen. De sprekers en voorgangers moeten niet al te streng zijn; anders lopen de luisteraars weg…
Intussen wordt aan Gods Woord afbreuk gedaan. In de praktijk heeft de Bijbel niet zoveel meer te zeggen. ‘De preken zijn nog goed’, zeggen de mensen misschien. Maar het dagelijkse leven sluit er vaak in het geheel niet meer bij aan.
Laten we vaststellen: Woordverkondiging gaat voor variatie.
Laten Gereformeerde mensen maar bij de les blijven.

Gods kinderen blijven in Christus
In de tweede algemene brief van de apostel Johannes lezen we: “Ieder die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; wie in de leer van Christus blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon”[7].
Dat betekent in ieder geval dit: het evangelie van vergeving van zonden en beloften over eeuwig leven moeten wij goed vasthouden.
Soms hebben wij wellicht de neiging om te zeggen: ja, dat weten wij nu wel. En meteen daarna stellen wij de vraag: wat kun je ermee in de praktijk van 2018?
Het is de taak van predikanten om te tonen dat het verlossingswerk van Jezus Christus ook gevolgen heeft voor de manier waarop je je dagelijks werk doet. Wie weet dat hij of zij verlost is van de zondeschuld en dat er ná dit leven in de hemel nog een heerlijk vervolg is, beseft dat het dagelijks werk geen sleur is. Het is geen tredmolen – iedere dag hetzelfde rondje.
Als de prediking een slap verhaal wordt, moet je opletten.
Als de prediking een woordenvloed met veel herhalingen is, wordt het hoog tijd om attent te worden.
Als de prediking voornamelijk over de belevenissen van – laten we zeggen – Janet en Janny gaat, is het tijd om alarmfase één af te kondigen.
In de preken moet centraal staan hoe het Hoofd van de Kerk, Jezus Christus, werkt; in verleden, heden en toekomst.

Een oude regel
Lees wat er staat, laat staan wat je leest en probeer te begrijpen wat je leest.
Dat is een oude doch zeer waardevolle regel.
Voor Bijbellezers zullen er altijd vragen overblijven.
Maar wie zich aan die oude regel houdt, krijgt zeker meer inzicht in Gods Woord.

Noten:
[1] “Verdwaald in kerkenland”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 30 juni 2018, p. 12 en 13.
[2] Dat was professor dr. M.J. de Vries, lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk.
[3] Exodus 20:4 en 5 a.
[4] 1 Koningen 13:30.
[5] 2 Timotheüs 4:3 en 4.
[6] Zie de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 2 Timotheüs 4:3.
[7] 2 Johannes, vers 9.

31 augustus 2018

Zondag 52, DGK en GKN

Dit artikel begint met woorden uit het laatste deel van de Heidelbergse Catechismus:
“Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Dat wil zeggen: Dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht. Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”.

Kenners hebben het bovenstaande mogelijk al wel herkend. Het zijn woorden uit Zondag 52[1].

Wij hoeven niet zo nodig gelijk te hebben. Alles draait om Gods heilige naam.
Zo staat dat in de laatste zin in het citaat: “Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”.

Van daaruit is het maar een kleine stap naar de officiële contacten tussen De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN)[2].
Dat zijn kerkverbanden die heel dicht bij elkaar staan.
Kerkleden uit beide kerkverbanden willen God loven. Met alles wat zij hebben.
Zowel DGK-ers als GKN-ers willen, als het goed is, niets liever dan God eren. Zij zelf zijn niet zo belangrijk. Hun status en reputatie doen er uiteindelijk niet zoveel toe.

Een artikel waarin het gaat over de contacten tussen DGK en GKN maakt niet zelden nogal wat los. Er wordt gepraat. Men raakt niet zelden ontstemd. Er worden grote woorden gebruikt: sekte, scheurkerk… Dat soort termen moeten wij per onmiddellijk gaan vermijden. Zulke uitdrukkingen maken gedachtewisselingen vruchteloos.

God moet de eer krijgen die Hem toekomt.
Daar moet het om gaan als DGK en GKN contact met elkaar hebben.

Die contacten kunnen zomaar worden bemoeilijkt.
Bijvoorbeeld door een artikel in een landelijk kerkblad. Niet zo lang geleden is dat nog gebleken. Er werd tijdens een zitting van de generale synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland gesproken over een artikel in De Bazuin – het landelijk kerkblad van De Gereformeerde Kerken in Nederland – dat bij heel wat lezers nogal onaangenaam overkwam en tamelijk ruw landde.
In zulke situaties speelt van alles mee. De formulering van één of twee zinnen, bijvoorbeeld. En de timing van het publiceren van zo’n artikel, bijvoorbeeld.
Laten we maar eerlijk zijn: zulke gebeurtenissen blijven lang in het geheugen zwerven.
En steeds zijn daar die prangende vragen: wat is er precies verkeerd gegaan? En: hoe kunnen we ons leven beteren?
Feit is dat dergelijke zaken buitengewoon pijnlijk kunnen wezen. Laten we, als het daarom gaat, begrip voor elkaar opbrengen. Laten we het vooral ook aan de Here voorleggen. En laten we Hem maar dringend vragen: wilt u ons naar elkaar toe leiden, zodat wij u samen kunnen loven?

Die contacten worden ook bemoeilijkt door andere gebeurtenissen in het verleden. Door dingen die zijn gesuggereerd. Door dingen die zijn gezegd. Door daden die zijn gesteld.
Met het oog daarop worden soms voorwaarden geformuleerd. Dat is niet goed.
Waarom niet?
Vanwege Romeinen 8. Ik citeer: “Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de ​zonde, en de ​zonde​ veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Immers, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest”[3].
Onze Heiland heeft voor de zonden betaald.
De zonden werden weggedaan.
Zo werd de weg vrijgemaakt voor de Heilige Geest. De apostel Paulus noteert: “De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij ​kinderen​ van God zijn”[4].
Daarom mag in de gesprekken tussen DGK en GKN steeds weer een nieuw begin worden gemaakt. Voor verkeerde en zondige dingen uit het recente verleden wordt, mogen wij aannemen, altijd vergeving gevraagd.
En dan geldt Psalm 103:
“Zo ver verwijderd ’t westen is van ’t oosten,
zo ver doet Hij van hen die Hij wil troosten
de zonden weg, ja Hij heeft ons bevrijd”[5].

Opnieuw ga ik naar Zondag 52.
K. Schilder heeft in een preek over die Zondag eens gezegd: “Ware dankbaarheid is: gebruiken, wat de ander schenkt; de ander als het ware inademen in zijn geschenken, en dus hemzelf begeren en vlijtig het verkeer met hem zoeken. (…) En wanneer deze zesde bede vóór ons ligt, kunt u zien, hoe mooi de Heiland ons heeft leren bidden en vragen. Want in de zesde bede staat het zo, dat de kerk vraagt: Mijn God, wil alles in het leven zo schikken en de wegen zo effenen, dat wij in het leven van de heiligmaking Uw Geest nooit bedroeven; en waar U helemaal onze God bent, niet maar geschenken geeft, maar U-zelf, laat ons helemaal van U zijn…”[6].

De preek van K. Schilder is gedateerd op zondag 28 december 1941. Dat is nu, op een paar maanden na, zevenenzeventig jaar geleden.
Maar de innige wens die in het bovenstaande verwoord is mag en moet ook anno Domini 2018 de onze zijn.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 128.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van een brief d.d. 2 juni 2018 die door de Generale Synode Lansingerland 2017-2018 van De Gereformeerde Kerken in Nederland is verzonden aan de Gereformeerde Kerken Nederland. Te vinden op https://gereformeerde-kerken-hersteld.nl/generale-synode/lansingerland-2018 , doorklikken naar Brief aan GKN, Brief van synode DGK aan synode GKN, 2 juni 2018 ; geraadpleegd op donderdag 16 augustus 2018.
[3] Romeinen 8:3, 4 en 5.
[4] Romeinen 8:16.
[5] Psalm 103:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).
[6] De betreffende preek is te vinden via http://www.reformata.nl/ ; geraadpleegd op donderdag 16 augustus 2018.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.