gereformeerd leven in nederland

18 oktober 2018

De kerk is geen kerker

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Tot voor kort was de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Gert Zomer ‘gewoon’ gemeentepredikant.
Nu is hij een zzp’er.

Het Nederlands Dagblad publiceerde op zaterdag 29 september jl. een interview met de dominee.

Daaruit citeer ik:
“Hij was nog maar anderhalf jaar dominee van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt in Houten, toen hij psychisch aan de grond raakte. Compleet burn-out, voor de derde keer in zijn leven. Een arbo-arts had al eens gezegd: ‘ga nou buiten die kerkelijke wereld werk zoeken’. Nu heeft hij geluisterd. Zomer is zzp’er, een zelfstandig ondernemer, dominee zonder gemeente”.
En:
“‘Die arts zei dat de kerk voor mij een gevangenis was. Daarmee sloeg hij de spijker op zijn kop. Ik ben iemand die graag buiten de lijntjes kleurt, die zich afvraagt hoe we loskomen van vastgeroeste gedachtegangen. Paulus schrijft dat hij vrij is om te dienen. Ik heb ervaren dat dat belangrijk is: niet gebonden zijn. Terwijl je als predikant met handen en voeten gebonden bent aan de kerk: voor je geld, voor je huis – meestal woon je in een pastorie – en voor je sociale contacten, ben je op je gemeente aangewezen. Bijbelstudie, je kring, alles speelt zich af binnen de gemeente die je dient”[1].

De dominee heeft het ongetwijfeld bijzonder zwaar gehad.
Compleet burn-out… Dan ben je leeg. Ongelukkig. Je kunt amper meer denken. Je energieniveau staat op nul. Dat moet verschrikkelijk zijn.

Het mag bekend zijn dat schrijver dezes zelf ook een kerkmens is.
De kerk is voor hem echter geen gevangenis.
Werkelijk niet.

Natuurlijk – kerkmensen zijn allemaal wel eens kortzichtig. Waarschijnlijk is de schrijver van dit artikel ook wel eens te kort door de bocht.
En ja, wij ergeren ons allemaal wel eens aan regeltjes. En laten wij maar eerlijk zijn: wij kleuren allen geregeld buiten de lijntjes.

Maar er is, naar ik meen, ook een andere kant aan de zaak.
Stel je voor dat de kerk regelloos was.
Een ieder begrijpt: de hele boel loopt binnen de kortste keren vast. Want in een regelloze samenleving maakt elke burger zijn eigen regels. De regel van Meneer Eén staat diametraal op de regel van Meneer Twee. Mevrouw Drie staat er genuanceerd in; zij kiest een tussenweg. Zo gaat het verder. Op de lange duur is er geen houden meer aan. Het is gewoon geen doen meer.
Ziet u het probleem?
Een kerk zonder regels kan niet bestaan.
Een kerk zonder functionerende kerkorde wordt een chaos.

In de kerk komen we heel wat gedachtegangen tegen.
Sommige denkkaders zijn misschien vastgeroest. Dat zou best kunnen.
In dat geval wordt het tijd dat we die kaders gaan oppoetsen. Waarom doen we het zoals we het doen? Moet het in 2018 anders dan in – pak ‘m beet – 1978? Er is niets tegen om je dat af te vragen.
De belangrijkste kwestie daarbij is: wat zegt het Woord van God over onze manier van doen?

Over dat Woord gesproken –
In 1 Corinthiërs 9 schrijft Paulus: “Want terwijl ik vrij ben van allen, heb ik mijzelf toch voor allen tot ​slaaf​ gemaakt om meer mensen te winnen. En ik ben voor de ​Joden​ geworden als een ​Jood, om ​Joden​ te winnen. Voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet, om hen die onder de wet zijn te winnen. Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van ​Christus​ – om hen te winnen die zonder de wet zijn. Ik ben voor de zwakken geworden als een zwakke, om de zwakken te winnen. Voor allen ben ik alles geworden, om in ieder geval enigen te behouden. En dit doe ik ter wille van het ​Evangelie, opdat ik daarvan ook zelf deelgenoot zou worden”[2].

Het valt op hoe Paulus steeds zijn best doet om zich aan te passen aan zijn doelgroep. Joden en zwakken – zij krijgen Evangelische aandacht die aansluit bij hun eigen leefwereld, bij hun eigen geloofsniveau.

Zegt Paulus intussen dat de kerk niet belangrijk is?
Zeker niet.
Sterker nog – de apostel Paulus begint er zijn brief mee. Kijkt u maar: “Paulus, een geroepen ​apostel​ van ​Jezus​ ​Christus​ door de wil van God, en Sosthenes, de broeder, aan de ​gemeente​ van God die in Korinthe is, aan de ​geheiligden​ in ​Christus​ ​Jezus, geroepen ​heiligen, met allen die de Naam van onze Heere ​Jezus​ ​Christus​ aanroepen, in elke plaats, zowel hun als onze Heere…”[3].
Paulus wijst op de kerk.
En die kerk is overal.
Je zit, om zo te zeggen, niet gevangen op één plek. Je mag verder kijken dan je neus lang is!

Daar hangt de vraag boven de markt: is de kerk een gevangenis?
Feit is dat er veel regels in de kerk zijn.
Ongeschreven regels, ook.
Maar een gevangenis – nee, dat zeker niet. Een gevangenis is een instelling die jou van je vrijheid berooft. Zo word jij gestraft omdat je een misdaad hebt begaan.
Nee, de kerk berooft je niet van jouw vrijheid.

Een gevangene – zo heeft dominee Gert Zomer zich wel gevoeld.
Beknot.
Beperkt.
Eindeloos ronddraaiend in een cirkeltje.
Ten langen leste kwam dominee Zomer er achter dat hij op dit moment niet zo geschikt is om een gemeente te dienen.
Dat wil ik best geloven.
En het is alleszins pijnlijk dat dominee Zomer tot die overtuiging is gekomen. Je vraagt je af of hij in het verleden wellicht de verkeerde keuzes heeft gemaakt.
De ontdekking die hij deed lijkt mij buitengewoon onaangenaam.

Laten wij ons onderwijl niet laten aanpraten dat de kerk een gevangenis is. Een besloten maatschappij die bol staat van de regels. Een samenleving waarin alles en iedereen wordt ingedamd en gekortwiekt.
Dat is een modieus praatje dat onder massa’s mensen opgeld doet.
De waarheid is echter dat we in en vanuit de kerk Christus, de Heiland, volgen.

Waar zij ook gaan…
wat zij ook uitvoeren…
altijd staan Gods kinderen in dienst van God!

Zij leven en werken in de wereld van 2018.
En met Psalm 122 zeggen zij misschien tegen vele anderen:
“Ik was verheugd, toen men mij zei:
Laat ons naar ’t huis des HEREN gaan,
om voor God aangezicht te staan.
Kom ga, met ons en doe als wij”[4].

Dominee Zomer zegt: “Ik heb geleerd om mijn identiteit niet uit mijn werk te halen, maar om vanuit mijn identiteit werk te zoeken dat bij me past”.
Het komt mij voor dat de predikant een goede les heeft geleerd. Het kan geen kwaad om die les aan elkaar door te geven.

Laten wij maar nooit vergeten dat de Here de verschillende leden van de kerk met zeer gevarieerde gaven heeft gesierd.
Om tenslotte met 1 Corinthiërs 12 te spreken: “…aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest; en aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest; en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander ​profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen. Al deze dingen echter werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil”[5].

Noten:
[1] “Niet langer gevangen in de kerk”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 29 september 2018, p. 7.
[2] 1 Corinthiërs 9:19-23.
[3] 1 Corinthiërs 1:1 en 2.
[4] Dit zijn de eerste regels van Psalm 122:1 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[5] 1 Corinthiërs 12:8-11.

10 januari 2018

Kerkorde, verbond, heiliging

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Vanavond gaat het, tijdens de vergadering van de Bijbelstudievereniging waar schrijver dezes lid van is, over Exodus 18 en 19.

Eigenlijk heb ik Exodus 18 altijd al een opmerkelijk Schriftgedeelte gevonden.
Dat is namelijk het hoofdstuk van de Schriftuurlijke organisatiekunde.
Jethro leert zijn schoonzoon dat hij de rechtspraak anders moet organiseren. Het is niet de bedoeling dat Mozes alles in zijn eentje doet. IJver voor de Here is, op zichzelf genomen, heel goed. Maar je hoeft er niet onderdoor te gaan.
Wat betekent het bovenstaande voor vandaag?
In de eerste plaats: efficiënt werken is in de kerk niet verkeerd. Natuurlijk is de kerk geen bedrijf. Maar het is zeker niet verboden om in de kerk moderne middelen te gebruiken. Het is bovendien prima om de kerkelijke zaken handig aan te pakken.
In de tweede plaats: er zijn wel mensen die zeggen dat (bijna) alle kerkelijke regels onmiddellijk moeten worden afgeschaft.
Maar dat is onzin.
Van Zacharias wordt in Lucas 1 gezegd: “Terwijl hij het priesterambt bediende voor God, toen het de beurt van zijn afdeling was, gebeurde het dat hij, volgens de gewoonte van de priesterdienst, door loting werd aangewezen om de tempel van de Heere binnen te gaan en het ​reukoffer​ te brengen”[1]. Ook in de priesterdienst waren regels en gewoontes!
Paulus schrijft in Philippenzen 3: “Laten wij dan, die geestelijk volwassen zijn, deze gezindheid hebben; en als u iets anders gezind bent, ook dat zal God u openbaren. Maar tot zover wij gekomen zijn, laten wij naar dezelfde regel wandelen, laten wij eensgezind zijn”[2]. Het is niet zo dat christenen zo maar wat doen. Zij leven naar de regels die God geeft.
In Galaten 6 noteert Paulus: “Want in ​Christus​ ​Jezus​ heeft niet het ​besneden​ zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn. En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: ​vrede​ en ​barmhartigheid​ zij over hen en over het Israël van God”. Kinderen van God leven niet maar wat voor zich uit!
In de derde plaats kunnen we vandaag met recht zeggen: kerk en kerkorde horen echt bij elkaar. Dat wil niet zeggen dat we elkaar zodanig moeten vastbinden, dat we amper meer kunnen bewegen. Maar het betekent wel dat er duidelijke grenzen en kaders zijn.

Exodus 19 is het hoofdstuk dat voorafgaat aan de uitnodiging tot het verbond, en de aanvaarding van dat verbond.
De Here manifesteert Zich met groot vertoon van macht. Om dat nog eens helder te maken citeer ik een paar verzen: “En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde. Mozes​ leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg. De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig. Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. ​Mozes​ sprak en God antwoordde hem met een stem”[3].
De grote God toont dat Hij wil zorgen voor nietige mensen.
Wat een troost!

De Here zet Zijn volk apart.
Dat blijkt de hele Bijbel door. In dit verband wijs ik u graag op Numeri 33: “Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de ​Jordaan​ oversteekt naar het land Kanaän, dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen. En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen”[4].
Van de Kanaänitische afgodendienst mag niets overblijven. Israël mag niet in de verleiding komen om ook maar iets van de afgodendienst van Kanaän over te nemen.
Dit betekent niet dat Gods volk zich in het geheel niets aan broedervolken en buurvolken gelegen moet laten liggen.
De adviezen over de organisatie van de rechtspraak komen in Exodus 18 notabene van Jethro, een Midianiet.
Die Midianieten stammen af van Midian, een zoon van Abraham en Ketura.
Ketura was, na de dood van Sara, de tweede vrouw van Abraham.
Maar Ketura wordt in 1 Kronieken 1 een bijvrouw genoemd[5]. De kinderen van Ketura worden in Genesis 25 bovendien weggestuurd[6]. Zij horen niet bij het verbond. De Midianieten dus ook niet. Die Midianieten worden in Richteren 7 en 8 door Gideon en de zijnen weggevaagd.
Dit alles zo zijnde, blijft overeind: Jethro’s adviezen zijn in Exodus 18 heel wijs. En daar mag Israël gebruik van maken!
De conclusie is gewettigd: heiliging wil niet zeggen dat je wereldvreemd bent, maar dat je geen wereldse afgoden hebt.

In Exodus 19 wordt met name benadrukt hoe heilig God is. Israël kan niet zomaar tot hem naderen.
Dat kunnen wij wel.
Sterker nog: ons zicht wordt steeds beter. Paulus noteert in 2 Corinthiërs 3: “Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt”[7]. Het is God Zelf die ervoor zorgt dat wij Hem steeds beter kunnen zien.
En ja, het begin is er al. Want in 2 Corinthiërs 4 schrijft de apostel: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene Die in onze ​harten​ geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van ​Jezus​ ​Christus”[8].
Dat begin belooft wat!

Vanavond gaat het, tijdens de vergadering van de Bijbelstudievereniging waar schrijver dezes lid van is, over Exodus 18 en 19.
Gelet op het bovenstaande kunnen tenminste drie thema’s aan de orde komen:
* kerkorde
* verbond
* heiliging.
Er is veel te doen, vanavond!

Noten:
[1] Lucas 1:8 en 9.
[2] Philippenzen 3:15 en 16.
[3] Exodus 19:16-19.
[4] Numeri 33:51, 52 en 53.
[5] 1 Kronieken 1:32: “De zonen van Ketura, de ​bijvrouw​ van ​Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. De zonen van Joksan waren Scheba en Dedan”.
[6] Genesis 25:6: “Abraham​ gaf alles wat hij had aan Izak, maar aan de zonen van de bijvrouwen die ​Abraham​ had, gaf ​Abraham​ geschenken. Hij stuurde hen, toen hij nog leefde, bij zijn zoon Izak vandaan in oostelijke richting, naar het Oosterland”.
[7] 2 Corinthiërs 3:18.
[8] 2 Corinthiërs 4:6.

6 november 2017

Warme gemeenschap

Niet zo lang geleden – het was op dinsdag 31 oktober jongstleden – ging het tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen over de buitenverbandkwestie.
Die zaak is, zoals een aantal lezers van deze internetpagina wel zal weten, de oorzaak van het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken.

In dit artikel geef ik graag nog een korte nabetrachting op die vergadering.

U weet het vast wel: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken omarmen elkaar momenteel weer.
Alles is zo ongeveer weer koek en ei. De ruzie is wel zo’n beetje uit de wereld.

Hoeven wij nu nergens meer op te letten?
Jawel, wij moeten de ogen open houden.

Dat blijkt eens te meer als we een artikel uit 2002 erbij nemen. Het werd indertijd geschreven door de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant P. Niemeijer[1].
Ik geef daar een paar citaten uit.

1
“In de gereformeerde kerkorde (KO) wordt de toegang tot het avondmaal afhankelijk gemaakt van de belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer (art. 26 en 60 KO). In het Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken (AKS) is geen sprake van een dergelijke binding van gemeenteleden c.q. avondmaalgangers aan de gereformeerde leer”.

2
“In de gereformeerde kerkorde wordt er tucht geoefend over hem die tegen alle broederlijk vermaan in ‘afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt’ (art. 73 KO). In het AKS wordt het afwijken van de zuivere leer niet genoemd en is alleen sprake van ‘zondigen’ (art. 25 AKS). Pas bij ambtsdragers is sprake van tucht bij ‘onschriftuurlijke leer’ (art. 30 AKS)”.

3
“In de gereformeerde tuchtoefening en bewaring van de heiligheid van het avondmaal heeft de gemeente een duidelijke taak. Zij wordt ingeschakeld niet alleen aan het begin (Mat. 18), maar ook in de voortgang van een tuchtprocedure (eerste, tweede en derde ‘trap’; art. 77 KO). In het AKS lezen we van die inbreng van de gemeente in ‘eerste, tweede en derde trap’ niets”.

4
“In de gereformeerde kerkorde kan een gemeentelid zich beroepen op een meerdere vergadering. De daardoor genomen beslissing zal als bindend worden aanvaard, tenzij er strijdigheid is met Gods Woord of de kerkorde (art. 31 KO). In het AKS ligt dat anders. Volgens art. 34 AKS kan een kerkenraad een besluit van een meerdere vergadering om hem moverende redenen naast zich neerleggen. In elk geding is slechts één beroep mogelijk, behalve als het de leer van de kerk of de tucht over een predikant betreft (art. 35 AKS). In geschillen over de toegang tot het avondmaal is dus slechts beperkte mogelijkheid van appèl en ook nog de mogelijkheid dat een kerkenraad zich niet voegt naar de uitspraak van de regionale vergadering”.

De binding aan de Gereformeerde leer is dus niet zo strak meer.
De tucht raakt een beetje uit het zicht.
De gewone kerkleden worden, als het over tucht gaat, omzichtig naar de zijlijn gedirigeerd.
Besluiten van meerdere vergaderingen kunnen zo ongeveer worden genegeerd.

Het is belangrijk om die dingen goed in het oog te houden.

Waarom? Onder meer vanwege het volgende.
a.
Als het gaat om de Gereformeerde leer past geen vrijblijvendheid. Voordat we ’t weten zijn we eigenzinnig en egoïstisch bezig.
b.
Als het over de tucht gaat, zullen we in de gaten moeten houden dat dat een liefdesmaatregel is. Het gaat er helemaal niet om kerkleden eens flink achterna te zitten. Integendeel! Wij willen al onze broeders en zusters meenemen, achter de Heiland aan.
c.
Gemeenteleden zijn geen leken. Zij tellen bij de God van het Verbond net zo mee als mensen die theologisch geschoold zijn. Als je elkaar meeneemt, praat je toch met elkaar? Nou dan!
d.
In de kerk maken kerkelijke vergaderingen gebruik van elkaars wijsheid. Het is daarom ronduit ongeestelijk om kerkenraden de gelegenheid te geven om uitspraken van meerdere vergaderingen al of niet weloverwogen terzijde te leggen.

Graag attendeer ik vandaag ook op een artikel dat de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Wesseling niet zo lang geleden in het blad Nader Bekeken publiceerde.
Hij schrijft onder meer over gesprekken die hij had met professor dr. J. Kamphuis.

Ik geef twee citaten:
1
“Al in het eerste semester kreeg ik college van docent J. Kamphuis. De ‘kwaaie pier’ in de jaren ’60, volgens velen. Met enige regelmaat stond ik tijdens colleges op om een (vaak kritische) vraag te stellen.
Om mijn beeld van wat er toch gebeurd was scherp te krijgen, vroeg ik na enkele maanden als eerstejaarsstudent een gesprek met hem aan.
Kamphuis honoreerde dat welwillend en pastoraal. Het liep uit op minstens drie gespreksavonden. Uitvoerig nam hij de tijd om mij opening van zaken te geven. Ook met de hoogleraren Douma, Trimp en Ohmann sprak ik.
Uit die gesprekken bleek mij dat er heel wat meer was gepasseerd dan in notulen is vastgelegd. De gereformeerde belijdenis werd door voorgangers openlijk in twijfel getrokken, de belofte aan de kerken middels het ondertekeningsformulier zo nauw niet genomen en de kerkelijke orde als akkoord van kerkelijk samenleven welbewust ontregeld.
Mij werd duidelijk dat het ten diepste draaide om hoe je confessioneel betrouwbaar kerk wilt zijn”.
2
“Ik heb moeten leren om door de kruitdampen en persoonlijke emoties heen te kijken en de vraag te stellen: waar ging het ten diepste om? Om de vraag: hoe ben je confessioneel betrouwbaar kerk? En wil je dat ook echt?”[2].

Tegenwoordig heerst er op het kerkplein veelal een sfeer van: laten we niet te ingewikkeld doen. Dat geldt zeker in de verhouding GKv-NGK.
Wie die sfeer niet doorbreekt komt in Laodicea terecht. Laodicea naar Openbaring 3 bedoel ik: “Ik ken uw werken, en weet dat u niet koud en niet heet bent. Was u maar koud of heet! Maar omdat u ​lauw​ bent en niet koud en ook niet heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen. Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek, maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, ​blind​ en naakt bent. Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt, en witte ​kleren, opdat u bekleed bent en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt. En ​zalf​ uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien. Ieder die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik. Wees dan ijverig en bekeer u”[3].

Laat de kerk vooral een warme gemeenschap blijven.
Als u het bovenstaande heeft gelezen, begrijpt u vast wel wat ik daarmee bedoel.

Noten:
[1] P. Niemeijer, “Plaatselijk contact met NGK”. In: Nader Bekeken, december 2002 (rubriek ‘Gemeentebreed’). Te vinden op www.woordenwereld.nl , zoekwoord: NGK.
[2] J. Wesseling, “De koers van het schip”. In: Nader Bekeken, oktober 2017, p. 273 en 274 (Kroniek 1). Ook te vinden op http://woordenwereld.nl/files/openbaar/nader_bekeken/artikelen/2017/oktAVM.pdf ; geraadpleegd op maandag 23 oktober 2017.
[3] Openbaring 3:15-19.

12 oktober 2016

Kerkgrenzen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er is een tijd geweest dat Gereformeerden het woord ‘kerkgrensperforatie’ niet in de mond wensten te nemen[1]. Want, zo redeneerden zij, de Here heeft ons aan elkaar gegeven. Daarom mogen we elkaar in de stad opzoeken. Daarom mogen we in de regio andere kinderen van God opsporen.
Tegenwoordig redeneren heel wat zich Gereformeerd noemende mensen niet meer zo.

Dat stelt mij teleur.
Dat stemt mij enigermate droevig.

Waarom hechten Gereformeerde mensen aan kerkgrenzen?
Omdat we elkaar willen herkennen als kinderen van God. We hopen steeds dat wij kunnen zeggen: kijk, hij hoort er ook bij.
Maar dat kunnen wij niet zo makkelijk vaststellen als zo iemand na diverse omzwervingen zuchtend neerstrijkt in de gemeente van zijn eigen keuze. Want laten we eerlijk zijn: je kunt een nieuw gemeentelid niet als eerste vraag stellen: hallo beste kerel, hoe is het met je levenswandel? De aangesprokene zal waarschijnlijk iets zeggen als: man, ik ben net binnen.

In de kerk gaat het ordelijk toe.
Het is geen kwestie van: even binnen kijken en als het niet bevalt weer naar buiten huppelen.
“De kerkenraden zullen kerkelijke registers bijhouden waarin de namen van de kerkleden en de data van hun geboorte, doop, openbare belijdenis en huwelijksbevestiging nauwkeurig worden aangetekend”[2]. Dat lees ik in de kerkorde.
Er zijn registers.
En er is nauwkeurigheid.
De kerk is geen kwestie van persoonlijke smaak.

In de kerk is het Avondmaal heilig.
Daarom staat in de kerkorde voor de Gereformeerde kerken in Nederland: “Tot het avondmaal van de Here zal de kerkenraad alleen hen toelaten die belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer hebben gedaan en godvrezend leven. Zij die uit zusterkerken komen, zullen op grond van een goede attestatie inzake leer en leven toegelaten worden”[3].
Misschien zegt iemand dat dit alleen maar een kerkelijke regel is.
Maar dat is niet waar.

Want in Efeziërs 4 lees ik: “Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen”[4]. De kerk is dus verplicht om er op te letten dat mensen echt Godvrezend leven. Paulus schreef erbij: “Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander”[5].
Dus kan het nooit zo zijn dat men in de Avondmaalsvieringen maar een beetje aanrommelt.
En het is trouwens ook onverklaarbaar dat in veel zich Gereformeerd noemende kerken  de avondmaalstafels zo open geworden zijn.

Ik lees nog meer in de kerkorde. Daar staat dit: “Wanneer iemand afwijkt van de zuivere leer of in zijn leven zich misdraagt, en dit een geheime zaak is die geen openbare aanstoot geeft, zal de regel worden nageleefd die Christus duidelijk voorschrijft in Mattheüs 18”[6].
Het leven volgens vorenstaande regel wordt, dunkt mij, ietwat lastig als de leden van de kerk – om het zo maar te zeggen – overal en nergens wonen.

Anno Domini 2016 verandert een kerklid rap van plaats of kerkgenootschap als hij op zijn doen en laten aangesproken wordt. Dat geeft namelijk veel minder heisa. En intussen kan het betreffende kerklid in alle rust op zijn zondige weg verder lopen.
Voelt u dat hier van alles wringt?
Laten we vooral niet zeggen dat de kerk dit allemaal zélf heeft bedacht. Want de regel van Mattheüs 18 is erg helder: “Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar. Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel”[7].

Vandaag de dag doen veel Gereformeerden niet meer zo moeilijk over kerkgrenzen.
Ik vind dat merkwaardig.
Misschien vindt iemand mij een territoriumbewaker van een nogal vervelend soort. Dat zij dan zo. Maar de kerk is van de Here. Als Zijn instrumenten mogen wij het kerkelijk terrein bewaken en verdedigen.

Dat, geachte lezer, zouden wij eens wat vaker moeten doen.
Want in de kerk zien we heilig geloof. Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Het [geloof] beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn”[8].
In de kerk heerst geen territoriumdrift.
In de kerk ontdekken we de liefde van God. Die stelt ons in staat om correct en liefdevol met elkaar om te gaan.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 16 oktober 2007.
[2] Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, artikel 62.
[3] Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, artikel 60.
[4] Efeziërs 4:17 a.
[5] Efeziërs 4:25.
[6] Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, artikel 73.
[7] Mattheüs 18:15-18.
[8] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24.

29 augustus 2016

Rustgevende regels

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In iedere samenleving zijn regels[1]. Die zijn nodig om het leven leefbaar te houden. In de kerk is dat net zo.
In Gods Woord worden ook dingen geregeld.
In 2 Kronieken 35 zien wij dat gebeuren. Ik citeer:
“Toen werd de dienst geregeld: de priesters gingen op hun plaats staan, evenzo de Levieten, overeenkomstig hun afdelingen, naar het gebod van de koning”[2].
En:
“Zo was de gehele dienst des Heren op die dag voor de viering van het Pascha en het offeren van de brandoffers op het altaar des Heren geregeld, overeenkomstig het gebod van koning Josia”[3].

Met het citeren van die verzen vallen wij midden in de activiteiten van koning Josia.
En Josia kan er wat van!
Zijn reformerende bezigheden worden breed uitgemeten.

Daarbij valt op hoe vaak Josia op het verleden teruggrijpt. Salomo, David, Mozes… Leest u maar even mee.
“Ook zeide hij tot de Levieten, die aan geheel Israël onderwijs gaven en de Here heilig waren: Zet de heilige ark in de tempel die Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft”[4].
En: “maakt u gereed naar uw families, overeenkomstig uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en volgens het voorschrift van zijn zoon Salomo[5].
En:
“…slacht het Pascha, heiligt u en maakt het gereed voor uw broeders en handelt overeenkomstig het woord des Heren door de dienst van Mozes[6].
Het is goed voorstelbaar dat jongeren in een Gereformeerde kerk zich een beetje ergeren aan het feit dat er in de kerk zo vaak naar het verleden gekeken wordt.
De hele maatschappij vertelt ons dat we vooruit moeten kijken. En in de kerk kijken ze om. Is dat niet verschrikkelijk ouderwets?
Toch niet.
Want steeds weer steekt de zonde de kop op. Steeds weer overheersen in mensenlevens de verkeerde dingen, de zaken die tegen Gods geboden in gaan. In dergelijke gevallen zorgt de God van het verbond dat wij op onze schreden terugkeren. Het is de Here Zelf die er voor zorgt dat het weer wordt… als vroeger!

Gaandeweg wordt ook duidelijk welk accent de Kroniekenschrijver legt: Christus komt voort uit het volk dat de Here dient. Het geslachtsregister in 1 Kronieken noemt Adam en vervolgens… Seth[7]. Het is alsof de schrijver het er bij ons wil inhameren: de lijn naar Christus loopt, ondanks alles, dóór.
Vandaag loopt de lijn van de heilsgeschiedenis nog steeds verder. We wachten immers nog op Christus’ wederkomst? Daarom is het van belang om ons te realiseren dat wij instrumenten van de Here behoren te wezen.
In de kerk mogen wij niet zomaar onze eigen zin doen. Er zal steeds weer ge-reformeerd moeten worden. Het verleden geeft voorbeelden voor de toekomst; het geloof van onze voorgeslachten kan een stimulans voor ons wezen.

Dat laatste komt ons nog wat helderder voor ogen te staan als wij verder lezen in 2 Kronieken 35.
“De Israëlieten die zich daar bevonden, vierden toen het Pascha benevens het feest der ongezuurde broden, zeven dagen lang. Zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël; geen der koningen van Israël heeft het Pascha gevierd zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond, en met de inwoners van Jeruzalem”[8].
Josia heeft begrepen dat het Pascha een feest is van heiliging en bevrijding: afgezonderd door de Here, leven voor de Here!

Josia heeft in 2 Kronieken 36 het feest zorgvuldig georganiseerd.
Maar mensen bekeren kan hij niet.
En nee, genade is geen erfgoed.
Als Josia overleden is, gaat het in razend tempo bergafwaarts[9].

Wat zullen wij van deze dingen zeggen?

Als in 2 Kronieken 35 één ding duidelijk wordt, dan is dat wel: ook in de kerk moeten regels wezen.
Als we die regels willen aanpassen, moeten wij zorgvuldig bekijken hoe die regels zijn ontstaan. Dat is niet in de mode. Maar nodig is het wel.

Wij moeten constateren dat – ook op het kerkplein! – regels soms niet meer functioneren. Een kerkorde lijkt voor vele gelovigen bij tijd en wijle alleen maar hinderlijk en irrelevant.
Wij moeten constateren dat – ook op het kerkplein – regels soms voorzichtig ontdoken worden.
En ja, soms worden op het kerkplein regels gewoonweg aan de laars gelapt.
Als wij dat zien, mogen we gerust zeggen dat het hard nodig is dat Christus terugkomt op de wolken. Wij mogen er om bidden: kom, Here Jezus!

Maar dan blijven er nog prangende vragen over.
Bijvoorbeeld:
* Wij kunnen ons wel reformeren, maar hoe gaat dat met ons nageslacht?
* Onze kinderen en kleinkinderen kunnen toch bij God weg zwerven, en waar gaat het dan naar toe?

Weet u nog hoe de laatste koning van Juda heette[10]?
Zijn naam was Zedekia. Dat betekent: mijn gerechtigheid is de Here.
Die naam nodigt ons uit om, samen met de Kroniekenschrijver, te kijken naar de andere Koning, die onze gerechtigheid is.
Jezus Christus is onze Heiland. Hij proclameert Gods gerechtigheid. Hij onderging het oordeel over onze zonden. En daarom zijn wij toch vrij.
Op de vragen die hierboven staan is eigenlijk maar één antwoord: Christus.

Zolang de regels in de kerk in alles op Gods Woord gebaseerd zijn, geven die regels rust!

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een notitie die ik op woensdag 24 juni 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 570 en is getiteld ‘Christenen en regelgeving’.
[2] 2 Kronieken 35:10.
[3] 2 Kronieken 35:16.
[4] 2 Kronieken 35:3 a.
[5] 2 Kronieken 35:4.
[6] 2 Kronieken 35:6.
[7] 1 Kronieken 1:1-42. De naam Seth staat meteen in vers 1.
[8] 2 Kronieken 35:17 en 18.
[9] Zie 2 Kronieken 36. Ik citeer hier de verzen 1-8: ”Daarop nam het volk des lands Joahaz, de zoon van Josia, en maakte hem koning in Jeruzalem, in de plaats van zijn vader. Joahaz was drieëntwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De koning van Egypte zette hem af in Jeruzalem, en legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. Toen maakte de koning van Egypte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en veranderde zijn naam in Jojakim. En Necho nam zijn broeder Joahaz mee en bracht hem naar Egypte.
Jojakim was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Here, zijn God. Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op en boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren. Een deel van het gerei van het huis des Heren bracht Nebukadnezar naar Babel en hij plaatste het in zijn paleis te Babel. Het overige van de geschiedenis van Jojakim, de gruwelen die hij bedreven heeft, en het kwaad dat in hem gevonden werd, zie, dit is beschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats”.
[10] In het onderstaande gebruik de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 2 Kronieken 36:23.

4 juli 2016

Gereformeerd gedrag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Er is een groot verschil tussen medemenselijkheid en de Gereformeerde handelwijze[1].
Dat begint reeds bij het uitgangspunt van Gereformeerden: het werk van hun Heiland, de Here Jezus Christus.
Wij kunnen het soms ook ontdekken in het gedrag van Gereformeerde mensen. Dergelijk gedrag wordt al van jongsaf aangeleerd. En sommigen leren dat moeilijk af; ook als zij van de kerk niets meer weten willen…

De eertijds bekende columnist A.J. Klei schreef eens: “Van Den Uyl wist iedereen dat hij uit een goed-Gereformeerd nest kwam en als we hem op de televisie zagen betogen, stootten we elkaar aan en stelden we vergenoegd vast: ‘’t Is precies een Gereformeerde ouderling!’. Maar als Wim Kok het woord voert veert geen mens op met de uitroep: ‘Dat is typisch hervormd’!, hoewel de heer Kok toch hervormd is gedoopt…”[2].
Gereformeerd gedrag is blijkbaar moeilijk af te leren!

Onze manier van doen wordt, als het goed is, iedere dag Ge-re-formeerd. En dat is voor omstanders te zien.
De Here vraagt van ons wijs gedrag.
Leest u maar mee in Colossenzen 4: “Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte”[3].
We moeten telkens weer proberen te doorzien wat Gods wil is in de praktijk van alledag. Wij moeten – om met Colossenzen 1 te spreken – vervuld worden met de rechte kennis van zijn wil, “in alle wijsheid en geestelijk inzicht”[4].

In de brief aan de Colossenzen wordt het belang van die kennis sterk geaccentueerd.

Laat ik u mogen wijzen op Colossenzen 1: “Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn”[5].
Die wijsheid staat diametraal tegenover de philosophia: de wetenschappelijke belangstelling, de wijsbegeerte van de wijsheidsleraren. Nee, het Evangelie van Jezus Christus is niet iets voor ingewijden; Het mag verkondigd worden aan iedereen!
In Colossenzen 2 schrijft Paulus over de christenen in Laodicea en over “allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn[6].
Het Griekse werkwoord sumbibazo kan ‘onderrichten’ betekenen, maar ook ‘samenvoegen’, ‘verenigen’.
Zeker, Gods kinderen worden verenigd in de liefde. Maar op de achtergrond speelt ook mee dat we in die liefde onderwezen worden. Vanuit het Evangelie. Door Jezus Christus kan iedereen een kind van God worden. Mensen in Nederland, in Canada, in Brazilië of waar dan ook ter wereld!
Een exegeet noteert hierbij: “Wijsheid’ en ‘kennis’ – gnosis… – waren termen, die gebruikt werden door de aanhangers van de gnostisch getinte dwaalleringen in Colosse. Zij zochten naar ‘verborgen kennis’, maar buiten Christus om (…), langs de weg van ascese”[7].
Ziet u dat Paulus zich in de brief aan de christenen in Colosse confronteert met de cultuur waarin hij leeft? Dat mogen wij in de eenentwintigste eeuw niet verleren. Schriftkennis is een bruikbaar wapen in een verloederende samenleving!
In Colossenzen 3 kunnen wij lezen: “Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus[8].
Nieuwe mensen zijn met Christus omkleed.
Alle gelovigen mogen steeds meer doorzien van het werk dat hun Schepper doet. Zij begrijpen steeds beter wat het plan van de almachtige God is. Zij beseffen wat het doel van hun leven is.

En dan gaan we, gaandeweg en als vanzelf, elkaar leren wat de goede weg is.
We wijzen elkaar op onze taak.
Om opnieuw met Colossenzen 3 te spreken: “Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten”[9].
Mensen met veel geestelijk inzicht spreken en zingen heel graag over hun Heiland!

In Colosse lopen allerlei goed geschoolde mensen rond die allerlei wereldse kennis willen overbrengen.
Kennis van filosofie.
Kennis van theorieën ten aanzien van eten en drinken.
Kennis van engelenverering.
Kennis van zelfkastijding[10].
Welnu, noteert Paulus zonder omwegen, met het verspreiden van die kennis moet het snel afgelopen wezen; het gaat om Christus’ werk.
Bijbellezers van vandaag leren en passant iets over de prioritering van hun bezigheden anno Domini 2016!

Ons houding wordt, als het goed is, iedere dag Gereformeerd.
Maar er zijn natuurlijk wel regels.
Er is een kerkorde.
En laat het duidelijk wezen: regels en al of niet geschreven wetten zijn prima: zolang ze maar gebaseerd zijn op de toepassing van de regels die Christus ons gegeven heeft. We hebben het hier zogezegd over richtlijnen van na het jaar nul.
Daarom moeten wij blijven bedenken waarom wij die regels toepassen:
* vanwege de beschaafde sfeer
of
* vanwege Christus’ eer?

Als de eer van Christus het uitgangspunt is van datgene dat u en ik doen, dan valt dat op. Mensen die niets van de Bijbel willen weten, zien het voor hun ogen. Of zij dat nu willen of niet.
De ongelovigen: dat zijn de mensen die in 1 Corinthiërs 5 worden getypeerd met de term ‘hen die buiten zijn’[11]. Die term gebruiken Joodse rabbijnen in Paulus’ tijd overigens ook voor mensen die niet naar hun onderwijs willen luisteren[12] . In Gods Woord zijn het de mensen die niet bij de kerk horen; zeg maar: de heidenen. Jezus gebruikt de term in Marcus 4 Zelf ook[13].
Gereformeerden zijn in de maatschappij vaak nogal markante mensen. Sommigen vinden Gereformeerde mensen enigszins wonderlijk. Zonderling, zelfs.
Ach, wat doet het ertoe? Als Christus maar geëerd wordt!

Ons gedrag wordt iedere dag Gereformeerd.
En dat valt op.
Het zit er soms zo ‘ingebakken’ dat u ’t nog kunt terugvinden bij mensen die zich al lang van de kerk hebben afgekeerd. Eertijds viel het dus op bij minister-president Den Uyl.

Laten wij ons er maar in blijven oefenen.
Tot steun van elkaar.
Getuigend in kerk en wereld.
Tot eer van God.

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 2 augustus 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 532 en is getiteld ‘Gereformeerd gedrag’.
[2] Het citaat staat in: A.J. Klei, “Wandelen in je blootje”. – Zoetermeer: Uitgeverij Meinema, 1996. – 96 p. Zie over A.J. Klei https://nl.wikipedia.org/wiki/Bert_Klei ; over J.M. den Uyl https://nl.wikipedia.org/wiki/Joop_den_Uyl en over W. Kok https://nl.wikipedia.org/wiki/Wim_Kok . Geraadpleegd op woensdag 22 juni 2016.
[3] Colossenzen 4:5.
[4] Colossenzen 1:9.
[5] Colossenzen 1:28.
[6] Colossenzen 2:1, 2 en 3.
[7] Zie de webversie van de Studiebijbel, commentaar bij Colossenzen 2:3.
[8] Colossenzen 3:9, 10 en 11.
[9] Colossenzen 3:16.
[10] Zie Colossenzen 2:8: “Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus”; 2:16: “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat”; 2:18: “Laat niemand u de prijs doen missen door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijde in wat hij heeft aanschouwd, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken”; 2:20-23: “Indien gij met Christus afgestorven zijt aan de wereldgeesten, waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen: raak niet, smaak niet, roer niet aan; dat alles zijn dingen, die door het gebruik teloorgaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen. Dit toch is, al staat het in een roep van wijsheid met zijn eigendunkelijke godsdienst, zijn nederigheid en zijn kastijding van het lichaam, zonder enige waarde en dient slechts tot bevrediging van het vlees”.
[11] 1 Corinthiërs 5:12 en 13 a: “Staat het soms aan mij, hen te oordelen, die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet alleen hen, die in uw kring zijn? Hen, die buiten zijn, zal God oordelen”.
[12] “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v. – deel 8, p. 155: kanttekening 26 bij 1 Corinthiërs 5:12.
[13] Marcus 4:10, 11 en 12: “En toen Hij met hen alleen was, vroegen zij die in zijn omgeving waren met de twaalven, Hem naar de gelijkenissen. En Hij zeide tot hen: U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen, die buiten staan, komt alles in gelijkenissen, dat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan, opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde”.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.