gereformeerd leven in nederland

11 maart 2019

Blije kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Juda en Israël waren met velen, zo talrijk als het zand dat aan de zee is. Zij aten en dronken en waren blij”[1].
Dat is de typering van Salomo’s regering in 1 Koningen 4.

Betere karakteristiek van een land bestaat er toch niet? Kom daar vandaag eens om! Goed, de mensen in Nederland zijn, over het algemeen, gelukkig. Maar echt blij met het leven? Nee, dat niet.

In Juda en Israël is dat heel anders.
En dat terwijl er een tamelijk ingrijpende staatshervorming plaatsvindt.
Een exegeet noteert: “Salomo hervormt de staatkundige indeling van Israël grondig. Het rijk wordt verdeeld in twaalf districten die elk een maand lang inkomsten moeten leveren aan het hof (…) Zo moet heel Israël Salomo’s bestuursapparaat ondersteunen. Door het gezag in Jeruzalem te concentreren beperkt hij de autonomie van de stammen zelf”[2].
En nee, er komen geen protesten.
Iedereen is blij en tevree.
We schrijven ongeveer 972-932 vóór Christus[3]. En iedereen is blij. Bij Salomo, daar moet je wezen. Daar heb je een mooi leven. Daar zijn welvaart en welzijn aan de orde van de dag.

Echter, bij nader inzien ebt dat gevoel vrij snel weg.
Dat blijkt bijvoorbeeld wel in 1 Koningen 12: “Toen kwam Jerobeam, met heel de ​gemeente​ van Israël, en zij spraken tot Rehabeam: Uw vader heeft ons ​juk​ hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware ​juk, dat hij ons heeft opgelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.
Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg. Koning​ Rehabeam pleegde overleg met de ​oudsten​ die bij zijn vader ​Salomo​ in dienst waren geweest, toen die nog leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?”[4].

Zeker, ongeveer in het midden van Salomo’s regeerperiode is er geen vuiltje aan de lucht.
Tenminste, zo lijkt het.
Maar de werkelijkheid is anders.

Want wie Gods Woord goed leest, merkt al snel dat Salomo zich niet in alles aan Gods wetten en regels houdt[5].
Leest u eerst maar mee in Deuteronomium 17: “Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar ​Egypte​ om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren. Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn ​hart​ afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen”[6].
Vervolgens staat in 1 Koningen 4: “Salomo​ had ook veertigduizend paardenstallen voor zijn wagens, en twaalfduizend ruiters. Die opzichters verzorgden, ieder in zijn maand, het levensonderhoud van ​koning​ ​Salomo​ en van iedereen die tot de tafel van ​koning​ ​Salomo​ naderde. Aan niets lieten zij het ontbreken”[7].
In 1 Koningen 10 staat een uitgebreid verhaal over Salomo’s vermogen. Puissant rijk is hij! Vele strijdwagens heeft hij. En duizenden ruiters bovendien[8].
En tenslotte 1 Koningen 11. Dat Schriftgedeelte tilt Salomo echt van zijn voetstuk: “Koning​ ​Salomo​ had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de ​farao: ​Moabitische, ​Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische vrouwen, uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw ​hart​ doen afwijken, achter hun ​goden​ aan. Aan hen hechtte ​Salomo​ zich in ​liefde. Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn ​hart​ afwijken. Het was in de tijd van ​Salomo’s ouderdom dat zijn vrouwen zijn ​hart​ deden afwijken, achter ​andere ​goden​ aan, zodat zijn ​hart​ niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het ​hart​ van zijn vader ​David”[9].

Die luisterrijke Salomo is niet zo magnifiek als hij er uitziet!
Die sterke Salomo grossiert toch in zwaktes.
Wat een tegenvaller!
Juda en Israël zijn in 1 Koningen 4 reuze blij. Er is vrede. Hoogconjunctuur geeft de toon aan.
Het lijkt allemaal zo prachtig.
Maar de buitenkant is voos. Breekbaar. Frêle. Fragiel.
Wat blijft er over van de vreugde van 1 Koningen 4?

Anno Domini 2019 hoeft die blijdschap niet zachtjes weg te spoelen[10].
Dat wordt duidelijk als wij Micha 5 erbij nemen. Ik citeer: “En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af. Daarom zal Hij hen overgeven tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren, met de Israëlieten. Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE, in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God. Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde[11].

Met andere woorden: dat koninkrijk van Salomo ziet er van buiten mooi uit, maar het is slechts een tijdelijk rijk.

Het eeuwige Koninkrijk wordt opgericht en ingericht door Jezus Christus, onze Heiland.
Het is dat Koninkrijk waarover het – bijvoorbeeld – in Mattheüs 12 gaat. Jezus zegt: “Maar als Ik door de ​Geest van God​ de demonen uitdrijf, dan is het ​Koninkrijk van God​ bij u gekomen”[12].
Het is dat Koninkrijk waarover het – bijvoorbeeld – in Marcus 1 gaat: “En nadat Johannes overgeleverd was, ging ​Jezus​ naar Galilea en predikte het ​Evangelie​ van het ​Koninkrijk van God, en Hij zei: De tijd is vervuld en het ​Koninkrijk van God​ is nabijgekomen; bekeer u en geloof het ​Evangelie”[13].

Zij aten en dronken en waren blij – zo ging dat in Juda en Israël.
De kerk in Nederland heeft ook alle reden om blij te zijn. Laten wij niet vergeten om dat met regelmaat te tonen!

Noten:
[1] 1 Koningen 4:20.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Koningen 4:1-20.
[3] Zie voor deze datering Prof. dr. C. van Gelderen, “De boeken der Koningen; opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard”, eerste deel. – Kampen: J.H. Kok, 1926. – p. 19.
[4] 1 Koningen 12:3 b-6.
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.bijbelgemeente.be/wp-content/uploads/2016/01/Koningen-Les-3-God-straft-Salomo.pdf ; geraadpleegd op donderdag 7 maart 2019.
[6] Deuteronomium 17:16 en 17.
[7] 1 Koningen 4:26 en 27.
[8] 1 Koningen 10:26.
[9] 1 Koningen 11:1-4.
[10] In het onderstaande gebruik ik onder meer https://www.holyhome.nl/de%20theocratie%20in%20het%20oude%20testament.pdf ; geraadpleegd op donderdag 7 maart 2019.
[11] Micha 5:1, 2 en 3.
[12] Mattheüs 12:28.
[13] Marcus 1:14 en 15.

7 augustus 2018

Met ongekende kracht

De krachten van de hemel zijn enorm groot.
Als wij ons daar iets bij voorstellen, moeten we altijd bedenken: het is groter… nog luisterrijker… nóg magnifieker!

God – onze God – is fenomenaal en majestueus. Moeiteloos slaagt Hij er in om alle wereldburgers, hoofd voor hoofd, aan te sturen. Iedere minuut van de dag. En ja, ook ’s nachts.
Aldus gebeuren er goede, christelijke dingen in de wereld. God geeft ons er de gaven voor. Hij creëert de omstandigheden. Hij geeft de mogelijkheden.
En toch komt al dat werk op onze naam te staan. Wonderlijk maar waar!

Leest u maar mee in Hebreeën 6: “Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de ​heiligen​ gediend hebt en nog dient. Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven”[1].
Laat ik, in verband hiermee, enkele zinnen uit de Dordtse Leerregels in herinnering brengen: “En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”[2].
Met andere woorden:
als we – na een groots Goddelijk werk – op gang zijn gebracht, willen we ook niet meer anders.

Als wij ons dat realiseren gaan we – bijvoorbeeld – Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus beter begrijpen.

De bede ‘Uw koninkrijk kome’ betekent: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[3].
Dus:
de God van hemel en aarde buigt onze wil om. En daarna worden we ook zelf actief. Als lid van de militia Christi gaan wij de strijd aan!

Vervolgens is het wel zaak om vol te houden. Wij moeten volharden zolang wij adem hebben.

Bij de formulering van de vorenstaande zin heb ik gedacht aan een boek waarin ervaringen van een longarts beschreven staan[4]. Deze arts behandelt veel patiënten met longkanker. Van de honderd patiënten blijven er slechts vijftien in leven. De dokter heeft afgeleerd om ‘Het valt wel mee’ te zeggen; dat doet het namelijk meestal niet. De dokter doet buitengewoon moeilijk werk!
De Engelse arts Cicely Saunders, één van de grondleggers van hospices en palliatieve zorg zei over haar werk eens: ‘Leven toevoegen aan de dagen, niet dagen aan het leven’[5].
Wie dat leest, beseft: wat liggen troost en verdriet soms dicht bij elkaar![6]

Als wij dat tot ons laten doordringen worden wij bepaald bij het antwoord op de vraag: wat is nu echt leven?
Het antwoord daarop luidt: wij weten zeker dat Jezus Christus terugkomt! Het Koninkrijk Gods breekt in alle volheid aan, schrijft iemand[7]. Kijk, dat is echt leven. Dan vangt het nieuwe leven aan.

Geloof en geduld: die twee zaken moeten Gereformeerde mensen vastgrijpen, zo lang als zij dat kunnen. En zij kunnen die beide dingen steeds in gedachten houden. Ook als zij zwakker worden. Ook als zij misschien wel snakken naar adem!

In Hebreeën 10 staat geschreven: “Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven”[8].
Dat woord ‘vrijmoedigheid’ heeft daar de kleur van: innerlijke zekerheid, vertrouwen[9].
Daar horen we, om zo te zeggen, de echo van Hebreeën 6.

Het is vakantietijd.
Na een druk kerkelijk seizoen ademen wij nu rustig in en uit.
Wij herademen, zogezegd.
Wij recreëren met diepe overgave en grote vreugd.
En dan kan ons, in een strandstoel, opeens de gedachte bekruipen: volgend seizoen moet ik het maar wat rustiger aan doen; dat is beter voor mij.
Laten wij, als wij zulke dingen denken, ook beseffen dat de Heilige Geest ons aanstuurt en dat God krachten geeft: laten wij vooral niet bang worden dat wij op een bepaald moment moe zullen wezen!
En trouwens: onze God werkt altijd.
Hij leidt ons door Zijn Woord en Geest.
Hij beschermt en vermeerdert Zijn kerk.
Het werk van de duivel maakt Hij uiteindelijk kapot.
Alle andere machten zullen ook stuk gemaakt worden.
De planning van iedereen die zich bezighoudt met het ondermijnen van Gods Woord en van het geloof wordt uiteindelijk totaal in de war geschopt.
Zo komt Gods Koninkrijk eraan, in al zijn glorie en volmaaktheid. Inderdaad, met ongekende kracht. Ongelooflijk, maar waar!

Noten:
[1] Hebreeën 6:10, 11 en 12.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123.
[4] De gegevens van dit boek zijn: Sander de Hosson, “Slotcouplet. Ervaringen van een longarts”. – Amsterdam: De Arbeiderspers, 2018. – 215 p.
[5] Zie over Cicely Saunders https://nl.wikipedia.org/wiki/Cicely_Saunders ; geraadpleegd op dinsdag 24 juli 2018.
[6] Zie hierover ook: Willy Wouters-Maljaars, “In stille kamers, achter dichte deuren”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 20 juli 2018, p. 11.
[7] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 6:11: “d.w.z. de zekerheid dat bij de wederkomst van Christus het Koninkrijk Gods in alle volheid aanbreekt en zij in de heerlijkheid van Christus zullen delen”.
[8] Hebreeën 10:35, 36 en 37.
[9] Zie de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 10:35.

17 juli 2018

Voorbij de horizon

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

De Bijbel is het meest waardevolle boek dat er bestaat.
Niettemin is het vaak zo dat de Bijbel met name wordt gepakt op speciale momenten. De wereld staat, om zo te zeggen, even stil. Wij sluiten de wereld een ogenblik buiten.

Op zichzelf genomen is dat heel begrijpelijk. Als wij daarbij dan maar niet vergeten dat Gods Woord midden in ons dagelijks leven staat. In die zin is de Bijbel een gebruiksvoorwerp.

Dat merken we bijvoorbeeld als we Spreuken 22 gaan lezen.

Daar wordt geschreven over de reputatie die je hebt[1].
En over het feit dat arme en rijke mensen met elkaar om moeten gaan. Of je nu veel geld bezit, of geen cent te makken hebt – je komt elkaar voortdurend tegen. Je bent, om zo te zeggen, tot elkaar veroordeeld[2].
En over mensen die inzicht hebben in het leven; u kent ze wel, de mensen die precies weten hoe de wereld in elkaar zit. Ze zien de moeilijkheden op tijd aankomen.
En over mensen met oogkleppen op; u weet wel, die mensen die steeds weer in allerlei problematische situaties verzeild raken[3].

De opmerkingen daarover zijn in Spreuken 22 de opstap naar de volgende woorden:
“Het loon van nederigheid – de vreze des HEEREN –
is rijkdom, ​eer​ en leven”[4].

Dus: wie de Here eerbiedigt is rijk. Hij heeft inzicht. Hij leeft echt.
Niet precies op de manier die de wereld ambieert: maak er vandaag wat van, want je weet niet wat je morgen overkomt.
Maar op de wijze die in het koninkrijk van God gangbaar is: we kijken de horizon voorbij en zien ons nieuwe vaderland.

Dat geldt voor kinderen.
Voor jongeren.
Voor mensen van middelbare leeftijd.
Voor senioren.
En voor bejaarden.

Overigens zou je kunnen zeggen: in het koninkrijk van God ben je nooit te oud of over datum. Daar doet leeftijd er niet zoveel toe. Daar leef je namelijk eeuwig. Daar is permanent geluk. Voortdurende vrede.

Wie de Here eerbiedigt, gaat eerlijk en recht door zee zijn gang.

Het is belangrijk dat ouders hun kinderen in die betrouwbaarheid en oprechtheid trainen.
Dan wordt het, naarmate zij ouder worden, makkelijker om rechtschapen en welvoeglijk te leven.

Ziet u, Gods Woord heeft alles te maken met ons leven op deze doorsnee-dinsdag!

De God van hemel en aarde dwingt eerbied af[5].
Dat zien wij bijvoorbeeld in Jesaja 6. De profeet zag “de Heere zitten op een hoge en verheven ​troon, en de zomen van Zijn gewaad vulden de tempel. Serafs​ stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte ieder zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. De een riep tot de ander: Heilig, ​heilig, ​heilig​ is de HEERE van de legermachten; heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid! De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook. Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de ​Koning, de HEERE van de legermachten, gezien”[6].
In Ezechiël 3 zien we een reactie van dezelfde soort: “Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken. Ik stond op en vertrok naar de vallei, en zie, daar stond de heerlijkheid van de HEERE, zoals de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier de Kebar. En ik wierp mij met mijn gezicht ter aarde. Toen kwam de Geest in mij en deed mij op mijn voeten staan”[7].

Kerkmensen hebben, als het goed is, diepe eerbied voor hun God.
Maar moeten we vandaag bang zijn?
Moeten we dagelijks bevreesd en verbijsterd in de Bijbel lezen?

Nee, toch niet.
Leest u maar mee in 1 Petrus 1: “En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw ​vreemdelingschap, in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van ​Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam”[8].
Nee, Gods kinderen staan niet bibberend langs de zijlijn. Ze lopen door de wereld. En ze zijn, ook in onze tijd, bezig met van alles en nog wat.
Wat is er veranderd?
Antwoord: Jezus Christus, onze Heiland, heeft voor onze zonden betaald. En toen Hij dat deed, ging er een weg open. De weg naar Gods troon, namelijk. Een prachtige weg, zonder obstakels en valkuilen. Wij kunnen elke dag op die weg wandelen. Onze God zit op Zijn troon. Hij hoort en ziet Zijn kinderen, als zij bidden!

De hemelse God luistert naar Zijn volk. Of het nu dag of nacht is. Het maakt niet uit waar zij zich bevinden. Hij hoort hen allemaal.
De kinderen.
De jongeren.
De mensen van middelbare leeftijd.
De senioren.
En de bejaarden.

Intussen doen heel wat wetenschappers vandaag de dag ijverig onderzoek naar de manier waarop zij het aardse leven kunnen verlengen.
Iemand schrijft: “Al die onderzoeken en ontwikkelingen “roepen de vraag op hoe een christen hiermee hoort om te gaan. Techniek inzetten voor een langer leven klinkt wel aantrekkelijk, maar heeft ook iets bedenkelijks in zich. Proberen we hierdoor niet als God te zijn? In de Bijbel wordt een lang leven beloofd aan wie het vijfde gebod gehoorzaamt en aan wie God vreest (Spreuken 22:4). Ook hecht de Bijbel aan respect voor de ouderdom (Leviticus 19:32). Het is dus niet on-Bijbels om een lang leven te waarderen, maar hoe ver mogen we gaan in het nastreven daarvan?”[9].
U hebt het waarschijnlijk reeds gezien: die scribent van hierboven verwijst naar Spreuken 22. Het is heus niet verkeerd om rijkdom, eer en leven na te streven.

Wij mogen met z’n ons best doen om het aardse leven comfortabel te houden en waar mogelijk te verlengen.
Echter: altijd en overal moeten kinderen van God bedenken dat hun leven in Gods hand is. Zij moeten zich realiseren dat er een moment komt waarop menselijke mogelijkheden uitgeput zijn. Op dat moment zijn zij vrij om te zeggen: dit leven mag in de hemel verder gaan.

In Mattheüs 6 kunnen wij lezen: “Verzamel geen schatten voor u op de aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar ​dieven​ inbreken en stelen; maar verzamel schatten voor u in de hemel, waar geen mot of roest ze verderft, en waar ​dieven​ niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw ​hart​ zijn”[10].
Rijkdom, eer en een mooi leven op aarde: het zij u allen gegund.

Maar daarmee is niet alles gezegd.
Want wij zijn, vanuit de realiteit van deze wereld, op weg naar ons tweede vaderland: de hemel. Daar kunnen we ons geluk niet op!
Alle kinderen in de kerk, alle jongeren, alle mensen van middelbare leeftijd, alle senioren en alle bejaarden doen er goed aan om dat weer eens goed tot zich door te laten dringen.

Noten:
[1] Spreuken 22:1.
[2] Spreuken 22:2.
[3] Spreuken 22:3.
[4] Spreuken 22:4.
[5] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van https://www.dirkvangenderen.nl/2014/10/23/de-vreze-des-heeren/ ; geraadpleegd op woensdag 4 juli 2018.
[6] Jesaja 6:3, 4 en 5.
[7] Ezechiël 3:22, 23 en 24.
[8] 1 Petrus 1:17, 18 en 19.
[9] Geciteerd uit: Arjen Mol, “Onderzoek dat verjonging beoogt, vraagt Bijbelse reactie”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 30 juni 2018, p. 14 en 15.
[10] Mattheüs 6:19, 20 en 21.

13 november 2017

Rust, reinheid, regelmaat

“Toen onze Heer en Meester Jezus Christus zei: ‘Doet boete’ enz. (Mattheüs 4:17), wilde Hij dat het hele leven van zijn gelovigen een voortdurende boete zou zijn”.
Dat is de eerste van vijfennegentig stellingen die Maarten Luther in 1517 poneerde[1].

De tekst waar Luther naar verwijst luidt in de Herziene Statenvertaling: “Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”.

Jezus is verzocht in de woestijn. De satan wil proberen om Jezus zover te krijgen dat Hij niet alleen naar Zijn Vader zou luisteren. De satan wil feitelijk de macht van God de Vader overnemen.
Des satans poging mislukt ten enenmale.
Jezus vestigt Zich in Kapernaüm, een plaats aan het Meer van Tiberias. Daarmee wordt een oude profetie van Jesaja vervuld[2].

En dan gaat Jezus prediken.
De tekst die hierboven geciteerd is, is in zekere zin een nieuw begin.

Die 95 stellingen markeren ook een nieuw begin. Het begin van een hervorming die veel ingrijpender is dan Maarten Luther voor ogen heeft.

Over die eerste stelling van Luther over voortdurende boete heb ik in de afgelopen weken – bij de herdenking van 500 jaar reformatie – weinig gehoord. Het besef dat we door en door zondig zijn blijkt vandaag bij veel mensen niet aan de orde.
Trouwens, in de kerk zie je die boete weinig terug.

Mogelijk hebt u nu de neiging om tegen te sputteren. Er wordt in De Gereformeerde Kerken toch regelmatig gepreekt over de Zondagen 2, 3 en 4? Ontegenzeglijk is dat waar.
Maar hoe ziet onze praktijk eruit?

‘Bekeer u’ – dat begint bij het besef dat wij het dagelijks helemaal fout doen. Wij realiseren ons dat wij van nature geen gelegenheid onbenut laten om tegen Gods Woord in te gaan.
Welnu, dat inzicht wordt in de kerk nog maar weinig in praktijk gebracht.
Voor je ’t weet is er onenigheid, ruzie en verwijdering.

Eén van de eerste standpunten die in dergelijke situaties niet zelden naar voren wordt gebracht is: hier moet recht worden gesproken.
Nu zal ik dat niet ontkennen. Maar daar begint het niet. Het startpunt ligt bij de nederigheid. En vervolgens kan het gebed geformuleerd worden: Here, grijp ons vast en leer ons wat wij in deze situatie moeten doen. En ook: leer ons om hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden. Leer ons om bij elkaar te blijven, en niet boos weg te lopen!

Intussen moeten wij goed zien wat de kerk is. En ook waar die is.

Het Koninkrijk van God is heel dichtbij gekomen, zegt Jezus in Mattheüs 4.
Waar moet je wezen om dat koninkrijk te vinden? Antwoord: in de kerk. Voor die kerk legt Jezus al snel het fundament. Dat is feitelijk het eerste wat Hij doet: “En ​Jezus​ liep langs de zee van Galilea en zag twee broers, namelijk ​Simon, die ​Petrus​ genoemd wordt, en zijn broer ​Andreas, het ​net​ in de zee werpen, want zij waren ​vissers. En Hij zei tegen hen: Kom achter Mij, en Ik zal u ​vissers​ van mensen maken. Zij lieten meteen de netten achter en volgden Hem.
Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk ​Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en ​Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen. Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem”[3].
Door de proclamatie van het Evangelie komt het koninkrijk dichtbij. Het Woord van God klinkt in de kerk!

Daarom is het van groot belang om in de kerk ruzies te voorkomen. En als er wel onenigheid ontstaat, moet die zo snel mogelijk weer worden bijgelegd.
Mijn stelling is: mensen die steeds gereformeerd willen worden door de Heer van hemel en aarde, kunnen altijd met elkaar door één deur.
Het is zeer bedenkelijk als dat niet meer mogelijk blijkt te zijn. Dan spelen er te veel menselijke factoren mee.
Rust is in de kerk een must!

Behalve die rust is ook reinheid erg belangrijk. Daarmee bedoel ik het volgende.
Het is niet van  belang ontbloot om ons af te keren van genootschappen die zich ‘kerk’ noemen, maar Gods Woord op diverse punten maar half verkondigen.
Natuurlijk kunnen we zeggen: niemand verplicht mij om het met een bepaalde kerkleer of kerkpraktijk eens te zijn; zolang dat niet het geval is, blijf ik gewoon waar ik ben.
In de tussentijd wennen we echter maar al te vaak aan allerlei vreemde leringen en al of niet theatrale gekkigheden in erediensten en op het kerkplein.
Dat kan de bedoeling toch niet wezen?

Dan komen wij, als vanzelf, bij de regelmaat terecht.
Ik heb het oog op de regelmaat van de Schriftuurlijke prediking; dat had u wellicht reeds begrepen. Als er steeds naar de Schrift gepreekt wordt, slijt die er bij ons in. Het Woord van God wordt zo in onze harten gelegd. Laten we het belang daarvan niet onderschatten!

Christelijk leven – dat is heus niet simpel.
Dat is werkend luisteren en luisterend werken. Aldus komt Gods koninkrijk gaandeweg dichterbij en blijft het vlakbij.
Als er zich iets in Mattheüs 4 aftekent, dan is het wel de antithese. Die antithese is ten diepste: de strijd tussen God en satan.
Daarop aansluitend is mijn slotwoord: ‘bekeer u!’ is een boodschap voor iedere dag.
Dat slotwoord noteer ik niet om ons depressief te maken. Zeker niet. Integendeel. Wij worden getroost omdat de Evangelieverkondiging doorgaat. Ondanks ruziënde kerkmensen. Is het niet een wonder?

Noten:
[1] Geciteerd van http://www.elg-stadskanaal.nl/95stellingen.html ; geraadpleegd op maandag 30 oktober 2017.
[2] Zie Jesaja 8:23-9:1.
[3] Mattheüs 4:18-22.

18 juli 2017

Gods koninkrijk kome

Zondag 48 uit de Heidelbergse Catechismus is een zondag waarin de kloof tussen kerk en wereld duidelijk wordt uitgetekend.
En ons wordt, op de keper beschouwd, geleerd om te bidden om de voortgang van heel dramatische processen.

Leest u maar mee: “…verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden”[1].
Daarbij wordt dan verwezen naar woorden uit Romeinen 16: “En de God van de ​vrede​ zal de ​satan​ spoedig onder uw voeten verpletteren. De ​genade​ van onze Heere ​Jezus​ ​Christus​ zij met u. ​Amen”[2].

Er worden mensen en dingen kapot gemaakt.
Alle tegenstand wordt tot de grond toe afgebroken.
Dat alles wordt uitgeroeid.
Weggeveegd!

Hoe ziet dat er uit?
Ach, wij kennen allen wel de foto’s uit oorlogsgebieden. Met kapotgeschoten huizen. Van straten die er vroeger wel waren maar die nu getransformeerd zijn tot, laten we zeggen, tien hopen puin.
Welnu, dat verbreken en verijdelen uit Zondag 48 is nog vele malen erger!

Maar voor Gods kinderen blijft er vervolgens nog heel veel over.
Vrede.
Genade.
Een opgeruimde wereld waarin de mensen opgewekt zijn, waarin alles mooi is. Perfect.

Voor ons is dat onvoorstelbaar.
Zoiets hebben we nog nooit gezien.
We zien er in deze wereld maar een heel klein beginnetje van. Een paar flarden misschien.

Die flarden brengen mij vandaag bij de schrijver, journalist en televisiepersoonlijkheid Adriaan van Dis[3].
Niet zo lang geleden zei hij in het Nederlands Dagblad: “De oorlog duurde bij ons thuis tien jaar langer. Mijn vader stierf toen hij 41 jaar was; een kapot hart. Ik ben opgegroeid in een huis met ruzie en een wrede vader. Ik kan niet leven met bitterheid en haat en zoek de schoonheid op om die te verdrijven. In mij zit er ook drift, maar die laat ik niet toe. Ja, ik breek weleens een bord, maar ik sla nooit iemand.
Als ik het moeilijk heb, grijp ik naar poëzie, literatuur, muziek. Een mooi landschap kan mij ook troosten. Als ik in Bergen aan Zee ben, word ik door de prachtige omgeving opgetild, schoongeblazen. Geluk, dat zijn flarden in je leven. Een gedicht, een schilderij, mooi licht. Kijk, deze foto heb ik laatst in mijn tuin gemaakt. Wat een licht, hè?”[4].

Daar hebt u het: geluk, dat zijn flarden in je leven.

Gods kinderen mogen echter geloven dat het leven gaat bestaan uit één grote blok geluk.

Geloven?
Dat kan Adriaan niet, meent hij.
Hij zegt: “Sommigen hebben het geluk dat ze in God geloven als een vaste burcht, zonder te twijfelen. Mij lukt dat intellectueel niet. Als ik hoor over een bepaalde ster die wetenschappers hebben ontdekt, ver buiten de Melkweg, dan kan ik niet geloven dat dit hele universum het werk zou zijn van die ene God die onze gebeden verhoort. Het verlangen om in God te geloven begrijp ik wel. Laatst sprak ik een heel verstandig iemand die zijn dochter had verloren. Hij wist zeker dat hij haar zou weerzien. Ik probeer dat te accepteren, dat anderen zoiets geloven, maar ik vind het lastig. Ik denk dat wij mensen een uit de hand gelopen chemisch proces zijn. Maar we zijn er, en we moeten er het beste van maken”.

Het bovenstaande heeft een zekere tragiek in zich.
Laat ik het zo typeren: Adriaan is ijverig op zoek naar schoonheid, maar het mooiste accepteert hij niet.
Oftewel: Adriaan speurt naar vrede, maar de God van de vrede laat hij maar praten.

Wat moeten we daarmee?
Wat kunnen wij daarvan zeggen?
Moeten wij volstaan met een gelaten: nou ja, Adriaan kan er ook niks aan doen…?

Adriaan heeft thuis geleerd om goed rond te kijken en zelf te kiezen.
Hij formuleert het zo: “Ik heb een grote belangstelling voor godsdienst als fenomeen. Mijn vader is katholiek opgevoed, mijn moeder Nederlands hervormd. Beiden lieten na de oorlog hun traditionele geloof achter zich. Mijn vader werd antroposofisch, mijn moeder theosofisch. Met Kerst las ze een stukje voor uit de Bijbel, de Koran, de Thora, iets van Confucius enzovoorts, en dan liet ze ons zien dat er in elke godsdienst een ware kern zit. Van mij mocht ze alles geloven”.

In zo’n situatie moeten wij Gods Woord open doen.
In Romeinen 16 schrijft Paulus: “ik roep u ertoe op, broeders, hen in het oog te houden die onenigheden teweegbrengen en struikelblokken opwerpen tegen het onderricht dat u hebt ontvangen, en keer u van hen af.
Want zulke mensen dienen niet onze Heere ​Jezus​ ​Christus, maar hun eigen buik, en door fraaie woorden en mooie praat bedriegen zij de ​harten​ van de argeloze mensen.
Want uw gehoorzaamheid is tot allen doorgedrongen. Ik verblijd mij dan ook over u en ik wil dat u wijs bent wat het goede betreft, maar ook oprecht wat het kwade betreft”[5].
Dat betekent in ieder geval:
* houdt de verkeerde filosofieën goed in de gaten
* en als die wijsgerigheid te dicht bij komt, gooi ‘m dan maar gauw de deur uit!
Het gaat er niet om dat we honderdduizend details en achtergronden kennen van vele duizenden religies en miljoenen levensdeviezen.
In de kerk is de kwestie: maak een duidelijke keuze voor de Here, want Hij heeft u uitgekozen!

Adriaan van Dis weet heel goed hoe de wereld in elkaar zit, en waar de bron van het kwaad zit; in de mens zelf namelijk. Maar hij maakt ook een heldere keuze.
Want hij zegt: “…mijn tweede levensdevies is: de mens is de mens een wolf. In het repatriantenhuis waarin ik opgroeide, hoorde ik al tig verhalen over de verraderlijke mens. Beschaving is een dun laagje vernis. Als het erop aankomt, willen we onszelf redden.
In andere mensen vind ik geen houvast. Nu je het vraagt, schrik ik ervan, maar het is zo”.

Zeker – als het erop aankomt, willen wij onszelf redden.
Daarom moeten Gods kinderen blijven bidden om de komst van Gods koninkrijk. Want de Verbondsgod is de Enige die ons werkelijk redden kan!
En wij moeten ons afkeren van allerlei zogenaamde totaalvisies en denksystemen.

Laten de kerk zichzelf maar blijven bemoedigen met de woorden van Psalm 93:
“Getrouw en waar is uw getuigenis,
het woord dat door U zelf gesproken is.
De heiligheid is voor uw huis, o HEER,
de eeuwen door tot sieraad en tot eer”[6].

Als wij om de komst van Gods Koninkrijk blijven bidden bevordert ons gebed dramatische gebeurtenissen. Maar ons gebed strekt evenzeer tot grote troost.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123.
[2] Romeinen 16:20.
[3] Zie voor informatie over Adriaan van Dis https://nl.wikipedia.org/wiki/Adriaan_van_Dis ; geraadpleegd op donderdag 29 juni 2017.
[4] In: Nederlands Dagblad, donderdag 29 juni 2017, p. 24.
[5] Romeinen 16:17, 18 en 19.
[6] Psalm 93:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

9 maart 2017

Zalig zij die treuren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In dit leven hebben wij allen te maken met gebrokenheid[1].
Elk leven heeft, voor kortere of langere tijd, een donkere plek.
Hoevelen van ons kunnen niet meepraten over, al of niet kort durende, ziekenhuisopnames?
Er zijn massa’s mensen die ervaringen hebben met, soms langdurige en intensieve, lichamelijke of psychische hulp.
Het zal u, naar ik aanneem, weinig moeite kosten om het bovenstaande een eigen invulling te geven.

Vandaag wil ik een enkel woord schrijven over treurenden die zalig verklaard worden.
U kent dat woord van Jezus wel:
“Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”.
U kunt dat vinden in Mattheüs 5[2].

Mensen die bedroefd zijn over hun eigen ellende zullen vertroost worden.
Mensen die het niet meer zien zitten in de wereld, zullen een lichtpunt zien.
Mensen die leven in de kerk teleurstellend vinden krijgen soelaas.

Die troost was en is Jezus Christus zelf.
Daarom zegt Simeon in Lucas 2: “Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord,
want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
die U bereid hebt voor de ogen van alle volken,
een licht om de heidenen te verlichten en om Uw volk Israël te verheerlijken”[3].
Dat licht mogen ook wij zien.
Die bemoediging mogen wij elkaar voorhouden, ook in moeilijke dagen.

Laten wij teruggaan naar Mattheüs 5.

Daar vinden wij de Nieuwtestamentische echo van Jesaja 61:
“De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken”.
De tegenstellingen buitelen, daar in Jesaja 61, over elkaar heen. Dat blijkt zelfs in woordkeus en woordspeling:
pe’er: tulband, hoofdsieraad
‘eper: as[4].

Mattheüs 5 lijkt wat minder geestdriftig dan dat uitbundige Jesaja 61. Maar dat is gezichtsbedrog.
Want de Here Jezus heeft het ook over reinen van hart die God zullen zien. Hij spreekt over vredestichters die kinderen van God zullen heten; zij zullen naar hun Vader genoemd worden.
Jezus predikt de Zaligmaker.
Jezus predikt Zichzelf.
Dat is, op de keper beschouwd, de meest blijde Boodschap die er bestaat.

Het is belangrijk om bij dit alles te noteren dat het bovenstaande een boodschap voor de kerk is.
In Jesaja 61 gaat het over Sion.
In Mattheüs 5 gaat het over het Koninkrijk der hemelen.
De toegang tot die hemelse monarchie verkrijgen we via de prediking van het Evangelie. De deur gaat open en dicht via de kerkelijke tucht[5].
Treurende mensen die in hun omgeving zoeken naar iets dat hen helpen kan, komen uiteindelijk bedrogen uit. Mensen die op aarde hun vrienden en buren behulpzaam zijn vallen op een zeker moment weg.
Maar de kerk verkondigt vergeving van de zonden. De kerk proclameert Gods beloften over een leven tot in eeuwigheid. En ja, die vergeving is er ook voor kerkmensen die het leven bij tijd en wijle treurig vinden. Die beloften gelden ook voor kerkmensen die zich akelig voelen en bedrukt door het leven gaan. Om met Paulus te spreken: “Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden”.

De Here spreekt de kerk aan.
In Mattheüs 5 staat dan ook: “Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem.
En Hij opende Zijn mond en onderwees hen[6].
In Mattheüs 5 geeft Jezus les aan de mensen die samen het fundament van de kerk gaan vormen.
En Hij debiteert niet een stel losse spreuken. Hij geeft een schets van het koninkrijk der hemelen.
Welk profiel hebben de burgers van dat koninkrijk?
Wel, die mensen treuren over hun zonden.
Met de gevolgen van die zonden hebben we allemaal te maken. Soms is het aardedonker op onze levensweg. Dat maakt ons dan verdrietig. En laten we maar eerlijk wezen: er zijn mensen die het leven maar een trieste bedoening vinden.
Maar als het goed is treuren álle kerkmensen over hun zonden. Alle ware christenen hebben berouw over de zonden die ze elke dag weer doen.
In Mattheüs 5 staat dus niet: alle mensen die klagen over hun moeilijke leven komen in de hemel.
Er staat niet: zalig zijn zij die zeuren.
Wij lezen: zalig zijn zij die treuren.

Mattheüs 5 is dus niet alleen bedoeld voor kerkmensen die een triest leven hebben.
‘Zalig zijn zij die treuren’: die bemoediging is niet slechts geadresseerd aan kerkmensen die op veelal duistere wegen enkele lichtpuntjes zien.
Zeker, mensen met een moeilijk leven worden op een heel specifieke wijze geconfronteerd met de gevolgen van de zonde.
Maar Mattheüs 5 bevat zaligsprekingen voor heel de kerk.

Wij moeten dus over onze zonden treuren.
Wij moeten, om met Klaagliederen 3 te spreken, klagen:
“Wat klaagt dan een mens die leeft?
Laat ieder klagen over zijn zonden!
Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken,
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen,
tot God in de hemel!”[7].
Paulus noemt dat: droefheid tot bekering. En: droefheid overeenkomstig de wil van God. Dat doet hij in 2 Corinthiërs 7. Ik citeer: “Nu verblijd ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering. Want u bent bedroefd geweest overeenkomstig de wil van God, zodat u in geen enkel opzicht door ons schade hebt geleden”[8].

Zalig die treuren.
Dat is een woord voor mensen in het donker.
Dat is een woord voor ons allemaal.
Het is een woord dat ons troost biedt.
Gods Woord zet ons in Zijn licht.
Het donker kan het niet winnen.
Zijn levenslicht geeft ons uitzicht op eeuwig geluk.
“Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”.

[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 6 maart 2008.
[2] Mattheüs 5:4.
[3] Lucas 2:29-32.
[4] Zie hierover: “Tekst voor tekst: De Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht”. – Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum. – vijfde druk, 2001. – p. 456.
[5] Zie hierover ook: Heidelbergse Catechismus – Zondag 31, antwoord 83.
[6] Mattheüs 5:1 en 2.
[7] Klaagliederen 3:39, 40 en 41.
[8] 2 Corinthiërs 7:9.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.