gereformeerd leven in nederland

23 juli 2019

Geloofsvervolging is gebruikelijk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Er is te lang te weinig aandacht geweest voor het geweld tegen en de vervolging van gelovigen”. We moeten elkaar ertoe oproepen “om ‘het ijzeren gordijn’ van stilte rond dit onderwerp neer te halen”.
Dat werd gezegd tijdens een drukbezochte meerdaagse bijeenkomst van het Amerikaanse ­ministerie van Buitenlandse Zaken voor het bevorderen van godsdienstvrijheid. Ruim duizend geestelijk leiders kwamen onlangs in Washington bijeen. Tijdens die conferentie waren ook heel wat afgevaardigden aanwezig namens organisaties die zich op een of andere wijze met godsdienstvrijheid bezighouden[1].

Wie in iets, iemand of Iemand gelooft, kan op steeds meer commentaar rekenen. En op meer smaad en laster.
Het is goed dat daar aandacht voor gevraagd wordt.
Maar laten we ons niet vergissen: zo’n conferentie is in feite niet meer dan een signaal. Het is een attentiesein. Wat er op de vierkante kilometer gebeurt blijft uit het zicht. Lang niet alle vervolging komt in de openbaarheid. Mensen worden achternagezeten en achtervolgd door mensen met een kwade bedoeling. Soms gebeurt dat in stilte. Venijnig en stekelig, maar niet minder pijnlijk. Zeker ook als het om het christelijk geloof gaat.

Dat begint al in het Oude Testament[2].
Eigenlijk meteen al in het begin.
Leest u maar mee in Genesis 4: “En ​Kaïn​ sprak met zijn broer ​Abel. En het gebeurde, toen zij op het veld waren, dat ​Kaïn​ zijn broer ​Abel​ aanviel en hem doodde”[3].
Denkt u ook maar aan Exodus 14: “Want de HEERE verhardde het ​hart​ van de ​farao, de ​koning​ van ​Egypte, zodat hij de Israëlieten achtervolgde. Maar de Israëlieten waren door een opgeheven hand geleid. De ​Egyptenaren, met al de paarden en ​strijdwagens​ van de ​farao, en zijn ruiters, en zijn ​leger​ achtervolgden hen en haalden hen in waar zij hun kamp hadden opgeslagen, bij de zee, bij Pi-Hachiroth, voor ​Baäl-Zefon. Toen de ​farao​ dichtbij gekomen was, sloegen de Israëlieten hun ogen op, en zie, de ​Egyptenaren​ trokken achter hen aan”[4].
De Egyptische farao doet al heel vroeg aan geloofsvervolging!
Denk ook maar aan Psalm 7, waar David God smeekt:
“HEERE, mijn God, tot U neem ik de toevlucht,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij”[5].
David wordt beschuldigd van verkeerde praktijken. Zo doen alle geloofsvervolgers dat. De troost van David, en van ons, is dat God uiteindelijk rechtvaardig zal oordelen over kwaden en goeden.

Jezus zegt in Johannes 15: “Een dienaar is niet meer dan zijn ​heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen; als zij Mijn woord in acht genomen hebben, zullen zij ook het uwe in acht nemen”[6].
De komst van Jezus Christus op aarde zorgt al voor een scheiding van de geesten. Datzelfde maken christenen in alle eeuwen en op alle plaatsen mee. Dat is vandaag heus niet anders.
Als we tegenstand voelen en oppositie krijgen mogen we er altijd bij denken: dat heeft Jezus ook meegemaakt. De Heiland zegt dat zelf ook: “Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u gehaat heeft”[7].
Maar als die haat en vervolging er zijn, moeten we ook beseffen dat er altijd een kerk is. In alle tijden zet de Heer van de wereld ook mensen bij elkaar die Zijn Woord eerbiedigen. In alle eeuwen zijn er mensen die met een gewillig oor naar Schriftuurlijke prediking luisteren, en genegen zijn om zich door Gods Woord en wet te laten corrigeren.
Gods Woord brengt scheiding – inderdaad.

De apostel Paulus ondervindt dat aan den lijve. In 1 Corinthiërs 4 schrijft hij daarover: “Tot op dit moment lijden wij én honger én dorst, én zijn wij naakt, én worden wij met vuisten geslagen, én hebben wij geen vaste woonplaats, én spannen wij ons in door met onze eigen handen te werken. Worden wij uitgescholden, dan ​zegenen​ wij. Worden wij vervolgd, dan verdragen wij. Worden wij belasterd, dan ​bidden​ wij. Wij zijn geworden als het uitvaagsel van de wereld en het afschraapsel van allen tot nu toe”[8].

Johannes heeft er in Openbaring 1 ook mee te maken: “Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding van ​Jezus​ ​Christus, was op het eiland genaamd Patmos, omwille van het Woord van God en het getuigenis van ​Jezus​ ​Christus”[9].

Geloofsvervolging is in deze wereld gewoon. Sterker – sinds de zondeval is het gebruikelijk. En ja, wij dienen ertegen te strijden. Wij moeten dus in beweging komen. Maar het uitbannen van vervolging is een illusie.

Kinderen van God zullen vervolging moeten beschouwen als een beproeving.
Paulus schrijft in 1 Thessalonicenzen 3 dat wij ons door geloofsvervolging niet in de war moeten laten brengen: “Want u weet zelf dat wij hiertoe bestemd zijn”[10].
De apostel Petrus schrijft in zijn eerste algemene brief, dat kinderen van God op weg zijn naar een luisterrijk eeuwig leven: “De God nu van alle ​genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in ​Christus​ Jezus, Hij Zelf moge u – na een korte tijd van lijden – toerusten, bevestigen, versterken en funderen”[11].

Gelovige christenen worden weggedrukt. Alle eeuwen door. Niettemin komen zij goed terecht; dat is zeker. Want in Openbaring 7 wordt de eindsituatie volstrekt duidelijk. Leest u maar mee: “Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hen geleiden naar de levende ​waterbronnen. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen”[12].

Noten:
[1] Zie hiervoor: “Doorbreek ‘ijzeren gordijn’ geloofsvervolging”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 19 juli 2019, p. 2.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van https://docplayer.nl/19111362-Geloofsvervolging-in-de-bijbel.html ; geraadpleegd op vrijdag 19 juli 2019. Dit betreft een lezing, getiteld ‘Geloofsvervolging in de Bijbel’, van professor dr. W. Verboom, gedateerd op vrijdag 6 november 2015. De lezing werd gehouden tijdens een predikantensymposium van Stichting De Ondergrondse Kerk.
[3] Genesis 4:8.
[4] Exodus 14:8, 9 en 10.
[5] Psalm 7:2.
[6] Johannes 15:20 b.
[7] Johannes 15:18.
[8] 1 Corinthiërs 4:11, 12 en 13.
[9] Openbaring 1:9.
[10] 1 Thessalonicenzen 3:3 b.
[11] 1 Petrus 5:10.
[12] Openbaring 7:17.

19 december 2013

Psalm 120: Gods kind te midden van bedriegers

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Vandaag publiceer ik een stuk over Psalm 120[1].
De tekst van die psalm luidt:
Een bedevaartslied.
In mijn angst heb ik tot de HERE geroepen
en Hij heeft mij geantwoord.
HERE, red mij van de leugenlippen,
van de bedrieglijke tong.
Wat zal Hij u geven, en wat zal Hij u toevoegen,
gij bedrieglijke tong?
Gescherpte pijlen van een held,
benevens gloeiende kolen van brem.
Wee mij, dat ik in Mesech moet vertoeven,
dat ik moet wonen bij de tenten van Kedar.
Te lang reeds woon ik
bij wie de vrede haten;
ik ben een en al vrede, maar als ik spreek,
dan zijn zij uit op strijd
”.

De dichter klaagt over roddel. Er wordt over hem gepráát. De mensen strooien lasterpraatjes over hem rond.
En dat terwijl deze Psalm een pelgrimslied is[2]. De Israëlieten zingen onder andere dit lied als zij onderweg zijn naar Jeruzalem. Daar vieren zij dan het Pascha. Of de Grote Verzoendag. Of het Loofhuttenfeest.
Al wandelend zingen Gods kinderen dus onder meer over lastertaal. Over leugens. En over ruziezoekers.
Dat is een opvallend punt. Blijkbaar zingen Gods kinderen niet alleen maar over blije en mooie dingen. Het leven is niet alleen maar vrolijkheid en licht. En dat mag ook in de te zingen liederen naar voren komen.

Dit is het eerste bedevaartslied. Gods kinderen zingen dit bij het begin van hun reis naar de tempel.
De gelovigen stappen even uit de tredmolen van het gewone leven. Terwijl ze richting Jeruzalem lopen, zingen zij een lied dat uit het leven gegrepen is.
De Israëlieten leren ons om, ook in moeilijke situaties, onze toevlucht tot God te nemen.
In de kerk zitten geen wereldvreemde types. In de kerk wonen geen mensen die net doen alsof het leven een en al zonneschijn is. Dat is ook niet zo.

De psalmist heeft de Here aangeroepen. En toen heeft hij ook een antwoord ontvangen.
Dat klinkt hoopvol. Het lijkt wel alsof er een lofzang aankomt. Maar dat is niet het geval.

De psalmschrijver stort z’n hart voor de Here uit.
Hij heeft te maken met mensen die Hem in een kwaad daglicht stellen.
Maar de dichter weet blijkbaar ook dat de Here zal ingrijpen. Hoe dat precies zal gaan, dat weet de schrijver van dit lied niet. Maar hij weet ’t zeker: God laat hem niet zitten!

Er staan een paar uitdrukkingen in deze psalm die om verduidelijking roepen.
1. gloeiende kolen van brem
En exegeet legt uit: “De toevoeging ‘met kolen van de brem’ wil aangeven dat de pijlen brandend zijn. Men gebruikte het hout van de brem om houtskool te maken. Het hout kon bijzonder fel branden en behield lange tijd zijn hitte. Die eigenschappen maakte het hout bij uitstek geschikt om te gebruiken voor brandende pijlen bij het belegeren van een stad”.
Er brandt, om zo te zeggen, een onheilig vuur. Een vuur dat afschuwelijke wonden veroorzaakt. Wonden die levenslang te zien zijn.
2. Mesech
Mesech, dat is een natie die in Turkije leefde, ten noorden van Israël.
3. Kedar
Kedar is een nomadische herdersstam die rondtrok in de Arabische woestijn, ten zuidoosten van Israël.
Hoe zit dat nou? De dichter van de honderdtwintigste Psalm kan toch niet op twee plaatsen tegelijk zijn? Betreft het beeldspraak, wellicht?
Waarschijnlijk bedoelt de psalmist dat hij onder eigen volk niet beter af is dan wanneer hij in een heidens land zou wonen.
U begrijpt wel: dat is een ernstige zaak. Als het volk van God zo ver weggezakt is dat je ’t verschil tussen agressieve heidenen en kinderen van God niet meer kunt zien, is er iets heel erg verkeerd. Dan is er bekering nodig. Een totale ommekeer. Zeg maar gerust: een reformatie.
De dichter formuleert hier in feite een aanklacht tegen zijn eigen volksgenoten!

Zodra de dichter zijn mond open doet, krijgt hij te maken met tegenspraak. Met agressieve aanvallen. Met vijandschap.
Het lijkt wel alsof er niemand in zijn omgeving ooit van vrede heeft gehoord. Men haat vrede zelfs. Het is klaarblijkelijk een levensstijl geworden om alles te doen wat God verboden heeft.

Wat is de actualiteit van deze psalm?
Misschien weten wij niet zo goed wat wij met dit lied aan moeten.

Laten wij in dat geval eerst maar eens bedenken dat ons psalmboek een boek van de kerk van alle eeuwen is. Jaco van der Knijf – muziekredacteur bij het Reformatorisch Dagblad – zei daarover een paar maanden geleden: “Het is me opgevallen dat ten tijde van de Reformatie in ons land psalmen geliefd waren die wij nu als onbekend betitelen. In het jaar van de Beeldenstorm en de hagenpreken werd een liedboekje uitgegeven met 38 psalmen en een aantal gezangen. Psalmen die bekend moeten zijn geweest, want een melodie werd er niet bij afgedrukt. Naast 3, 23, 43 en 103 zijn het ook Psalm 2, 13, 15, 44, 50, 82, 112, 115, 126, 128 en 148. En: de tweede berijming van de artikelen des geloofs. De mensen van toen, die de rook van de brandstapels in hun neus hadden, herkenden zich in een psalm als Psalm 44 (…) Ik denk tot slot ook aan de vervolgde kerk anno 2013. Zouden psalmen waarin de roep om recht klinkt en de bede om bevrijding en vergelding wordt opgezonden, niet heel actueel zijn in landen als Noord-Korea, China of Syrië?”[3].

Wij moeten ons ook realiseren dat – door de eeuwen heen – kinderen van God heel veel angst hebben gekend, juist omdat zij in de dienst van de Here stonden.
De profeet Jona zegt in hoofdstuk 2: “Ik riep uit mijn nood tot de HERE en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem”[4]. Dat motief uit Jona’s profetie herkennen wij ook in Psalm 120:
“In mijn angst heb ik tot de HERE geroepen
en Hij heeft mij geantwoord”.

In Sint-Maartensdijk – een klein stadje op het eiland Tholen – werkte in de hervormde gemeente dominee Jan Keller; dat was in de jaren 1920 tot 1923. Hij zal er vast niet zo’n aangename tijd gehad hebben. Toen de predikant na drie jaar vertrok hield hij niet eens een afscheidspreek. Als laatste vers in zijn laatste dienst liet hij Psalm 120:3 uit de berijming-1773 zingen:
“Wee mij, die rust en hulp moet derven,
in Mesech als een vreemd’ling zwerven,
en steeds in Kedars tenten wonen,
bij mensen die mij bitter honen”[5]….
Zo moeten wij de Psalmen maar nooit gebruiken.
We moeten wel beseffen dat kinderen van God altijd onbegrip en weerzin ontmoeten. Of hoon en smaad. Sarcasme en cynisme. Of zelfs vervolging.
De dichter van Psalm 120 leert ons waar we met al die haat en nijd naar toe moeten. Naar de Here!
Laten we het voorbeeld van de dichter maar volgen. Eenvoudig, en zonder te protesteren.

Dominee G.J. van Aalst, een dominee uit de Gereformeerde Gemeenten, noemde Psalm 120 eens een psalm voor de binnenkamer. Voor openbare vergaderingen vond hij ‘m blijkbaar niet zo bruikbaar[6]. Dat is wel begrijpelijk. Maar de honderdtwintigste Psalm is natuurlijk wel een bedevaartslied. God legde dit lied in de mond van Zijn volk; de Israëlieten zongen het terwijl zij op pad waren naar Jeruzalem.
De Here zegt vandaag ook tegen ons: al zingend mag u uw problemen bij Mij neerleggen. Dat mag u thuis doen. Maar ook in de kerk.

Noten:
[1]
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik in januari 2014 in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin Psalm 120:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) kort hoop toe te lichten. Dat gebeurt in de rubriek ‘Psalm van de Week’. Vandaag tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[2] In het onderstaande alinea maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel, zie https://web.studiebijbel.nl/ .
[3] “Onbekende psalmen zingen in Tholen”. In: Reformatorisch Dagblad, 10 juni 2013, p. 2 en 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] Jona 2:2.
[5] J. Mastenbroek, “Veritas odium parit”. In: Reformatorisch Dagblad, 22 oktober 2009, p. 16 (rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’). Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Zie: Ds. G.J. van Aalst, “Onbekende psalmen”. In: De Saambinder – kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten -, 16 mei 2013, p. 11. Ook te vinden op www.digibron.nl .

5 februari 2013

De antithese in het negende gebod

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In de Bijbel staan veel dingen die wij niet kunnen rijmen met de huidige gang van zaken in onze maatschappij.
Neem nou Spreuken 19:
“Een vals getuige blijft niet ongestraft,
wie leugens uitblaast, ontkomt niet”[1].
Dat klinkt prachtig. Even goed zijn er heel wat mensen die met laster, kwaadsprekerij en leugens wegkomen.
Is het negende gebod – ‘Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste’ – eigenlijk niet een léég gebod?

Nee.
Het is geen loos gebod.
Dat blijkt reeds als wij kijken naar het doel van het Spreukenboek. Dat staat omschreven in Spreuken 1: “De Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, om wijsheid en tucht te verkrijgen, om verstandige woorden te verstaan, om de tucht aan te nemen, die verstandig maakt, gerechtigheid en recht en rechtschapenheid; om de onverstandigen schranderheid, de jongeling kennis en bedachtzaamheid te geven”[2].
Spreuken maken wijs. Ze brengen orde en regel. Ze zorgen ervoor dat kerkmensen verstandig met hun naasten omgaan. Ze bevorderen eerlijkheid. Ze leren fatsoen. En oprechtheid. Ze maken wereldwijs. Ze dragen ertoe bij dat Gods kinderen in de wereld weloverwogen hun gang gaan.
Alleen dáárom al is het goed om Spreuken 19 in de Bijbel te laten staan.
Alleen dáárom al is het goed om met Zondag 43 te blijven belijden dat de Here wil “dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg, niemands woorden verdraai en geen kwaadspreker of lasteraar ben. Dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen. Maar dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijd, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil. Verder dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder”[3].

In een Amerikaans psychiatrisch onderzoek werd eens geconcludeerd dat een gemiddelde volwassene zo’n dertien keer per week, al dan niet om bestwil, een leugen vertelt[4]. Vooralsnog is er geen goede reden om aan te nemen dat dat Nederland anders ligt.

Wij weten allen dat er in de wereld heel wat afgeroddeld wordt.
Uit jaloezie bijvoorbeeld. Of om eigen gebreken te verbergen. Of misschien uit sensatiezucht.
Ooit ontdekte het Nederlandse opinieonderzoeksbureau NIPO – het betreffende bureau heet nu TNS NIPO – dat roddelen ook een manier kan zijn om erbij te horen. In die zin bevordert dat dus saamhorigheid. Mede daarom lijkt het erop dat een meerderheid van de Nederlanders roddelen in feite niet eens zo’n slechte eigenschap vindt.
Hoe men het ook wenden of keren wil: met een ‘goeie’ roddel trekken mensen vaak wél de aandacht. Iemand noemde dergelijke roddels eens “melodramatische leugens”: vertellers zijn hopeloos op zoek naar genegenheid.
En dan zijn er nog de roddels uit wraak of woede. Voor mensen die gekwetst zijn is roddel niet zelden een uitlaatklep.

Intussen grijnst de tekst uit Spreuken 19, waarmee dit artikel begon, ons nog aan.
De geciteerde woorden komen uit een Schriftgedeelte waarin de tegenstelling tussen rijk en arm een grote rol speelt. Leest u maar mee in de verzen die daar omheen staan:
“Rijkdom brengt veel vrienden aan,
maar een arme wordt door zijn vriend verlaten”.
“Velen dingen naar de gunst van de aanzienlijke,
ieder is vriend van wie geschenken geeft”[5].
Daar staat die tekst omtrent het negende gebod dus tússen geklemd. De Spreukenleraar wil klaarblijkelijk duidelijk maken dat valse getuigenissen, roddel en laster met gééstelijke armoede te maken hebben. Misschien mogen wij zelfs zeggen: dat heeft te maken met Geestelijke armoede, met een hoofdletter G. De invloed van Gods Heilige Geest wordt genegeerd. Gods Geest wóónt wel bij ons, maar we doen net of Hij tijdelijk afwezig is.
U en ik begrijpen alras: dat is een toestand van niks. Dat hóórt niet bij Gereformeerde mensen. Dat past niet bij Gods kinderen.

Laster en roddel: dat moet ook in de tijd van de Spreuken een wijdverbreid probleem zijn geweest[6]. We lezen er bijvoorbeeld over in hoofdstuk 12:
“De woorden der goddelozen loeren op bloed,
maar de mond der oprechten redt hen uit”.
En in hoofdstuk 14:
“Een betrouwbaar getuige liegt niet,
maar wie leugens uitblaast, is een vals getuige”.
En:
“Een betrouwbaar getuige is een redder van levens,
maar wie leugens blaast, is een en al bedrog”.
En in hoofdstuk 15:
“Zachtheid van tong is een boom des levens,
maar valsheid in haar is een verderf in de geest”.
In hoofdstuk 18 maakt de Spreukenleraar duidelijk dat het hier een zeer principiële zaak betreft:
“Dood en leven zijn in de macht der tong,
wie aan haar toegeeft, zal haar vrucht eten”[7].
Aldus wordt het duidelijk: de feiten vertellen, dat is één; maar de manier waarop u en ik met die feiten ómgaan, dat is twee. Voor Gereformeerde mensen geldt: de waarheid mag best gezegd worden, maar de vraag is óók of onze broeder en zuster daar bij gebaat is.
Professor C. Veenhof (1902-1983), die tussen 1946 en 1968 hoogleraar homiletiek aan de toenmalige Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Hogeschool was, heeft ooit gezegd: er is een eerlijkheid, die uit de duivel is[8].
Een Gereformeerd mens dient de échte Waarheid. Het opkomen voor het welzijn van een broeder kan betekenen dat er ook iemand moet worden terechtgewezen. Dáár weet de Spreukenleraar ook al van. In hoofdstuk 28 zegt hij:
“Wie een ander vermaant, zal later meer dank oogsten
dan wie vleit met gladde tong”[9].

In Johannes 18 zei Pilatus: “Wat is waarheid?”[10]. De Romeinse stadhouder van de provincie Judea had het kunnen weten. Want in Johannes 14 had Jezus al geproclameerd: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”[11].
Jezus is de waarheid. De antithetische waarheid. De waarheid van Mattheüs 12 en Lucas 11 namelijk: “Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit”[12].

Een vals getuige blijft niet ongestraft, zegt de Spreukenleraar in hoofdstuk 19.
En wij doorzien het nu: dat adagium heeft alles te maken met de vraag van Jezus: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”[13].
Wie de Heiland negeert gaat levenslange treurnis en verdriet tegemoet. En dat is óók zo, als wij net doen alsof het negende gebod niet bestaat.
Maar voor Gods kinderen hebben de woorden van Psalm 12 eeuwigheidswaarde:
“Gods mond alleen spreekt woorden die niet falen,
zuivere woorden, onvervalst en klaar,
als zilver dat de smeltkroes zeven malen
gelouterd heeft. Al wat God spreekt is waar.

Laat de geweldenaars op aarde woeden.
Al neemt steeds meer hun valsheid overhand,
Gij HEER, houdt ons voor immer in uw hoede.
Gij zijt getrouw, uw woord doet Gij gestand”[14].

Noten:
[1] Spreuken 19:5.
[2] Spreuken 1:1-4.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 43, antwoord 112.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Ellen Bouman, “Waarom liegen en roddelen wij?”. In: Terdege, jg. 23, nr 6/7, 21 december 2005 (rubriek: Mensen onder elkaar), p. 70 en 71. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012f9726bd31aec22d0e85a4/waarom-liegen-en-roddelen-wij/0 .
[5] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 4 en 6 van Spreuken 19.
[6] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van: H.M. Ohmann, “Spreuken; Boek van de bijbel, spiegel van de werkelijkheid”. – Bedum: Uitgeverij Woord en Wereld, 2001 (Woord & Wereld; 50). – p. 28-31.
[7] Achtereenvolgens citeer ik Spreuken 12:6, 14:5 en 25, 15:4 en 18:21.
[8] Meer informatie over professor Veenhof is te vinden op http://www.historici.nl/retroboeken/blnp/#source=5&page=522&accessor=accessor_index&accessor_href=accessor_index%2Findex_html%3FSearchSource%253Autf-8%253Austring%3Dcornelis%2520veenhof&size=800 .
[9] Spreuken 28:23.
[10] Johannes 18:38.
[11] Johannes 14:6.
[12] Zie Mattheüs 12:30 en Lucas 11:23.
[13] Johannes 11:25 en 26.
[14] Psalm 12:4 en 5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

21 december 2012

Gereformeerde zede

Wat is eigenlijk de Gereformeerde zede?
Die vraag kwam laatstelijk langs op een vrouwenvereniging.
Dat was een goede vraag. Het ijverig zoeken van een antwoord daarop getuigt van de ernst waarmee men het christelijk leven wil vorm geven.

Even zo goed is het niet gemakkelijk een eendúidig antwoord op die vraag te formuleren.
De Gereformeerde zede bestaat namelijk niet.
Gereformeerde zeden – gewoontes dus – veranderen door de tijd heen. Wat in 1970 misschien heel gewoon was, is in 2012 wellicht helemaal niet meer aan de orde.

Overigens is over die gereformeerde zede in het verleden nogal wat te doen geweest.
In “De Reformatie”, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, stond op 10 januari 1948 (!) te lezen: “Indien we ons niet vergissen is onder ons Gereformeerde volk het respect voor de Gereformeerde zede aan ‘’t wankelen”. En: “…bij hen, die thans met de Gereformeerde zede breken, mist men elk profetisch élan. En dat profetisch élan, beter gezegd de profetie alleen leidt tot reformatie van het leven”[1].
De Gereformeerd-synodale ethicus G.Th. Rothuizen liet in 1980 een boek het licht zien dat de volgende veelzeggende titel droeg: “Een bezige bij, of de gereformeerde zede bestaat niet meer”[2]. En dat terwijl zijn leermeester, R. Schippers, in 1955 nog een boek had gepubliceerd met de titel “De Gereformeerde zede”[3]. U ziet het: ’t kan snel gaan…

De Gereformeerde zede: we hebben het er zelden meer over.
Misschien ligt de reden daarvoor in het feit dat de Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar J. Douma niet zo gelukkig is met die term. Die is hem te oppervlakkig, te wazig en te statisch.
Liever spreekt hij over ‘christelijke levensstijl’. Die uitdrukking heeft meer diepte. Die term laat ook zien dat er sprake is van één stijl, waarop voortdurend gevarieerd wordt[4].

Hoe dat zij: het is goed om onze levensstijl zo nu en dan tegen het licht te houden.
Als onze zeden slijten, en wij ons dagelijkse doen en laten wijzigen, behoort daar ook een eerlijke verantwoording bij.
Als we in de Gereformeerde wereld geen periodiek onderhoud plegen aan onze zeden, wordt voor nieuwe verschijnselen onvoldoende gemeenschappelijk gedrag ontwikkeld.
In de jaren ’80 van de vorige eeuw schreef professor dr. J. van Bruggen over dit thema: “De combinatie van slijtage en gebrek aan on­derhoud leidt tot inconsequenties. Niet mee­doen aan zondagsport en toch wel kijken er­naar voor de T.V. Niet aansluiten bij het FNV, maar wel lid zijn van de algemene per­soneelsvereniging enz.
In de plaats van de gereformeerde zede komt nu het steeds vaker herhaalde motto dat de mondige christen zijn eigen vrijheid en ver­antwoordelijkheid heeft en dat wij daarin toch vooral ieder zijn eigen beslissing moeten laten. Binnen het collectieve kader (de kerk­gemeenschap) wordt dan snel overgescha­keld op de individuele ontwikkeling van le­venspatronen”[5].
Het is een goede zaak om, als het over onze gewoontes gaat, onszelf bij tijd en wijle eens met een zekere nauwgezetheid te onderzoeken.

Vandaag wil ik de Gereformeerde zede belichten. En wel op een zestal punten.
Dat doe ik om mijzelf op te scherpen. Nee, ik doe het niet om alle lezers van deze internetpagina te dwingen om hun manier van doen aan mij aan te passen; natuurlijk niet. Ik geef mijn gedachten slechts door om u een kapstok aan te reiken; daar kunt u uw eigen Schriftuurlijke gedachtevorming vervolgens aan ophangen.
Hieronder vindt u slechts enkele opmerkingen. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat over het onderwerp nog veel meer te zeggen zou zijn. In die zin schiet dit stukje zonder twijfel schromelijk tekort. Ik troost mij echter met de gedachte dat, als niemand iets over Gereformeerde zede zegt, de stilte ongemakkelijk wordt.

Opmerking 1
Er zijn nogal wat tv-uitzendingen waarin op een of andere manier contact wordt opgenomen met overledenen.
Ook in gesprekken met mensen ‘uit de wereld’ komt dat thema nogal eens langs: hij of zij is nu ergens daarboven. En waarschijnlijk kijkt hij of zij mee…
Men loopt naar het graf van vader, moeder, zoon of dochter. Peinzend kijkt men naar de grafsteen. Soms worden dingen gezegd die heel troostvol lijken. Hij of zij is vast en zeker in de hemel; heel hoog en heel veilig. Hij of zij zweeft boven ons, ergens bij de sterren.
Gereformeerde mensen moeten zich met zulke dingen maar niet bemoeien. De plaats waar de overledene zich bevindt is aan de Here bekend; daar gaan wíj niet over.
Dat is voor heel wat onkerkelijke mensen een buitengewoon schrale troost. Maar des te dringender is de boodschap aan alle mensen op aarde: kom naar de kerk, vertrouw u toe aan Christus!

Opmerking 2
Het wordt in onze wereld steeds ingewikkelder om bij het misbruik van Gods naam en het gebruik van vloeken vandaan te blijven. De naam van God wordt te pas, en vooral te onpas, gebruikt.
In die wereld is het belangrijk om te tonen dat ik gereformeerd ben.
Mijn Bijbels staan zichtbaar in de huiskamer.
In de conversatie met mensen die bij mij over de vloer komen – en dat zijn heus niet allemaal christenen! – wordt onderwerpen als ‘geloof’ en ‘kerk’ niet gemeden.
Op de planken in mijn werkkamer staan heel wat boeken die over kerk en theologie gaan.
De omgang met naasten past bij de regels die de Here in de Schrift geeft. Natuurlijk gaat daarin wel eens iets mis. Maar de grote lijn is duidelijk zichtbaar.
Het merendeel der cabaretiers op tv en radio wordt het zwijgen opgelegd. Geloof en kerk zijn namelijk geliefde onderwerpen, waarover in bijna honderd procent van de gevallen nogal laconiek en te cynisch gedaan wordt.
Ik zou willen zeggen: laten wij niet verbergen dat wij gereforméérd leven.

Opmerking 3
De zondag wordt hoe langer hoe meer een dag om iets sociaals te doen.
Het wordt – bijvoorbeeld – een dag om samen te wandelen, te fietsen of te joggen.
Daarbij is het, zo weet ik uit eigen ervaring, steeds belangrijker om duidelijk te zeggen dat ik op zondag twee keer naar de kerk ga. Als dat door omstandigheden niet kan, staat thuis de kerkontvanger aan.
Op zondag staan, kortom, de kerkdiensten centraal.
Op zondagavond kijken mijn vrouw en ik vaak naar de ’s morgens opgenomen tv-uitzending van Nederland Zingt; het bekende programma van de Evangelische Omroep.
De ervaring leert dat het steeds moeilijker wordt om het reizen op zondag te voorkomen. In dit verband pleit ik er voor om als algemene regel te blijven stellen: de kerkdiensten en de grote aandacht voor Gods Woord mogen beslist niet in de knel komen.
Wat doen we op zondag wél, en wat doen wij niet? Eén van de regels die bij mij geldt, is: zodra ergens voor moet worden betaald, doe ik het niet.

Opmerking 4
In gereformeerde gezinnen is het niet altijd pais en vree. Sterker nog: tussen echtelieden botert het lang niet altijd.
De sfeer in de westerse wereld is bovendien individualistisch. Je moet jezelf redden. Je moet voor jezelf opkomen. Je moet je eigen zin doorzetten. De wereld wil het er wel bij ons in timmeren: een beetje tegendraadsheid kan nooit kwaad.
En hoe vaker de mensen dit soort opinies de wereld in slingeren, des te negatiever wordt de atmosfeer.
Nu het hierom gaat wijs ik op de Zondagen 39 en 41 van de Heidelbergse Catechismus. Daarin gaat het over “alle eer, liefde en trouw”. En over het “heilig huwelijk”[6].
Het huwelijk is, zo leren wij in Efeziërs 5, een beeld van de band tussen Christus en Zijn gemeente[7]. Die kennis alléén al kan er voor zorgen dat we in huwelijk en gezin goed voor elkaar zorgen. Ach, dan is er wel eens kortsluiting. Misschien knalt het zelfs regelmatig. Maar met het uitzicht op onze Here Jezus Christus is er altijd een weg terug.

Opmerking 5
Heden ten dage maken gereformeerde mensen niet zelden deel uit van tamelijk kleine kerken. Dat brengt vaak met zich mee dat men elkaar heel goed kent.
In dergelijke omstandigheden is het, meen ik, van het hoogste belang dat we niet op alle slakjes zout leggen. Misschien ergeren we ons wel eens aan het gedrag van een broeder of zuster. Dat kan best gebeuren. En stel u gerust: dat gebeurt overal.
Gereformeerde mensen moeten zich echter niet te snel opwinden. In een omgeving waarin een groot deel van onze medemensen een kort lontje heeft, is het van belang dat ware gelovigen laten zien dat zij zich pas druk gaan maken als dat de moeite werkelijk wáárd is. Bijvoorbeeld als de eer van God ermee gemoeid is.

Opmerking 6
Wij moeten ons inspannen om de volmaaktheid te bereiken. Zo staat dat in Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus[8].
Maar daarbij zullen we altijd moeten blijven bedenken dat wij die volmaaktheid niet zelf kunnen bereiken. Wij moeten de gerechtigheid in Christus zoeken.
De bovenstaande constatering helpt ons van onze kerkelijke prestatiedrang af. En van onze gejaagdheid. Van ons haantjesgedrag. En van onze stress.
Perfecte mensen worden wij hier op aarde niet.
Maar gereformeerd blijven we wel. Daarom is het goed om onze zeden helder te benoemen en, bij tijd en wijle, zorgvuldig te doordenken.

Noten:
[1] Zie: De Reformatie, jg. 23, nr 15 (10 januari 1948), p. 119. Ook te vinden op  http://www.digibron.nl/search/detail/012f103659f9dba18f35774a/de-gereformeerde-zede .
[2] Dat boek werd uitgegeven door Uitgeverij J.H. Kok te Kampen, en telt 186 pagina’s.
[3] Ook dit boek werd door Kok in Kampen op de markt gebracht. Het heeft 270 pagina’s.
[4] Zie “Ten geleide”. In: Radix 9 (1983), p. 135. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013098fce155787adfd62170/ten-geleide/0 .
[5] Prof. dr. J. van Bruggen, ‘Het christelijk karakter van een gereformeerde school’ . In: “Het Gereformeerd Onderwijs; identiteitsbezinning 1968-1983”. – pagina 51-54.
[6] Heidelbergse Catechismus; Zondag 39, vraag en antwoord 104: “Wat eist God in het vijfde gebod? Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb, omdat God ons door hun hand wil regeren”. En: Heidelbergse Catechismus; Zondag 41, vraag en antwoord 108: “Wat leert ons het zevende gebod? Dat alle onkuisheid door God vervloekt is. Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”.
[7] Uit Efeziërs 5 citeer ik de verzen 25, 26 en 27: “Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”. En de verzen 29, 30, 31 en 32: “… want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente”.
[8] Heidelbergse Catechismus; Zondag 44, antwoord 115: God wil “dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken”.

24 januari 2012

De gordijnen worden open gedaan

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Gij zult geen vals getuigenis spreken”.
Het komt mij voor dat dit gebod – het negende in de rij van de tien die de Here eertijds gaf – vandaag de dag vaker overtreden wordt dan vroeger. Wij leven immers in een tijd waarin, mede dankzij de sociale media, woord en geschrift met fabuleuze snelheid wereldkundig gemaakt kunnen worden.
In die wereld is het de bedoeling dat Gereformeerden in alle handelingen de waarheid liefhebben, oprecht spreken en belijden en ook de eer en goede naam van hun naasten waar zij kunnen verdedigen en bevorderen[1].
Deze eis van God is, meen ik, vandaag reuze actueel.

Nadenkend over dat negende gebod is het van belang om de antithese te zien.
Paulus wijst daar in Romeinen 1 op.

Het lijkt mij goed om, nu het over de brief aan de Romeinen gaat, eerst wat langere lijnen te trekken.
Waar gaat het in die brief over?
Paulus geeft in Romeinen 1 tot en met 8, om zo te zeggen, een college dogmatiek. Zijn onderwerp is: Gods gerechtigheid uit het geloof.
Na een inleiding expliceert Paulus de noodzaak van de rechtvaardiging; zijn betoog daarover loopt door tot 3:20.
In dat kader schrijft de apostel over goddeloze heidenen en de straf die zij krijgen.
En over Joden die ten principale geen haar beter zijn dan die heidenen van hierboven. Natuurlijk: de Joden hebben Gods wet gehoord. De vraag is of die Joden naar de regels van die wet gelééfd hebben. De apostel Paulus draait er niet omheen: maar al te vaak gebeurde dat niet.
Echter: als die Joden óók al niet deugen, hoe moet het dan verder? Antwoord: wat overblijft is de trouw van God.
Met het doen van allerlei nuttige dingen voor de mensheid komen wij niet in de hemel. Wij kunnen de hemel niet verdienen door netjes te leven en goede werken te doen. Alle mensen zijn zondig. Slechts Gods trouw kan ons redden[2]!

Het evangelie is, zo schrijft Paulus in Romeinen 1, een kracht tot behoud voor ieder die gelooft[3].
Er zijn echter ook goddeloze mensen. Vúile mensen. Die zijn zo dominant dat ze niets liever doen dan de waarheid wegdrukken.
Er zijn mensen die het buitengewoon druk hebben met hun eigen gedachten. Zij danken God nooit voor Zijn gaven. Zodoende wordt het donker in hun hart; het licht van God gaat uit. Zij denken dat ze heel erg veel weten; ze vinden zichzelf reuze wijsgerig. Op de keper beschouwd zijn zij echter heel onverstandig.
Hun spiritualiteit uit zich in overdreven aandacht voor de natuur, in adoratie en aanbidding van mensen en dieren.
Als mensen die praktijk er op na houden, laat God de teugels verder vieren. Hij geeft hen over aan hun eigen zondige denkbeelden. Aan hun eigen niveauverlaging. En aan hun eigen seksuele uitspattingen. Dan komt ook het praktiseren van homoseksualiteit in beeld.
De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee G. Gunnink typeerde dat alles eens zó: “Iemand kan zijn boosheid laten blijken door zich terug te trekken. Zo kan God ook doen; in zijn toorn kan Hij mensen aan hun eigen slechte gedachten en slechte daden overgeven”[4].
En u begrijpt: gaandeweg gaat dat van kwaad tot erger. Het denken wordt vergiftigd. Sterker: de gedachtewereld wordt ronduit verwerpelijk.
In dat kader schrijft Paulus dan over mensen zonder God; zij zijn “vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid”[5].
Welnu, in de hierboven omschreven sfeer leven kerkmensen in de regel niet. Met dat soort zaken houden kerkmensen zich, als het goed is, nimmer bezig. Daar blijven zij ver vandaan.
Goed beschouwd gaapt er een diepe kloof tussen adspirant-hemelingen en goddeloze mensen. Ook al zijn het buren, hier geldt: zij staan op grote afstand van elkaar. Als het om levensovertuiging gaat, is er vervreemding.

De tegenstelling is scherp:
* als God niet wordt erkend, verpulvert het fundament van het geloof
* als zijn verbondseisen uit het leven worden weggestreept valt de grondslag voor de moraal weg[6].

Even zo goed is het, dunkt mij, niet voor niets dat de Spreukenleraar opmerkt:
“De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen;
zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart”.
Die leraar vindt het nodig om dat twee keer te zeggen[7]!
Roddels komen bij ons binnen. Ze zakken snel weer weg in d’een of and’re hoek van ons hart. Maar daar blijven ze nog lang zitten…

Nu keer ik weer terug in Romeinen 1.

Professor dr. A.F.A. Korsten, emeritushoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit, somde eens de navolgende kenmerken van roddel op.
Het gaat om negatieve uitlatingen in woord of geschrift,
*over een derde buiten diens aanwezigheid,
* met genoegen gebracht,
* in overdreven vorm voorgesteld,
* ongecontroleerd en lichtvaardig[8].
Wie tegenwicht aan lasterpraat wil bieden, kan terecht in Romeinen 1.
Tegenover slap gewauwel stelt de Here Zijn kracht tot behoud.
Tegenover roddel buiten aanwezigheid van het slachtoffer stelt de Here Zijn openbaring. Hij laat Zich zien. Hij is erbij. En in Zijn Woord laat Hij zien hoe een samenleving heilzaam wordt als Zijn geboden worden geëerbiedigd.
Tegenover kleinmenselijk genoegen stelt de Here Zijn gerechtigheid.
Tegenover de overdreven vorm van roddel stelt de Here de realiteit van Zijn reddingsplan.
Tegenover ongecontroleerdheid en lichtvaardigheid stelt de Here de verkondiging van Zijn evangelie.

Het negende gebod is – zo merkte de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Holtland eens op – “ook de weg naar elkaar via de spraak. De taal is een bescherming voor elkaar: de taal als een mantel om elkaar heengeslagen. Christus wil ons heiligen tot en met het puntje van onze tong”[9].
Wij worden heilige mensen.
En dat móet ook.
In ons leven vinden werkzaamheden plaats; in ons hart is werk in uitvoering. Gééstelijk werk.
Alleen zo kunnen en mogen wij bij de Here Jezus Christus komen.

Wij moeten verstándig worden, legt Paulus in Romeinen 1 uit.
Over welke personen heeft Paulus het eigenlijk als hij over verstandige mensen schrijft?
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Joh. Francke (1908-1990) noteerde daaromtrent: “De mens heeft de gelegenheid en de verantwoordelijkheid om [op Gods werk] te reageren. Dat bedoelt Paulus met ‘verstand’. Het is meer dan ons woordbegrip verstand inhoudt. Het is het kennend vermogen van de mens, maar tegelijk de mens in zijn diepste zelfbewustzijn, zoals hij tegenover God staat en dit in zijn levenswijze openbaart. Het ‘verstand’ is dus het venster waardoor het licht van Gods openbaring naar binnen treedt en waardoor de mens in zijn verantwoordelijkheid wordt aangesproken”[10].
Wij zeggen wel eens tegen elkaar: de Here is er elke morgen.
En dat is ook zo.
Telkens als wij de gordijnen in onze slaapkamer open trekken, valt het licht van de nieuwe dag naar binnen.
Zo trekt Gods Heilige Geest elke dag de gordijnen van onze ziel open; dan kan het licht van Gods Woord in ons leven schijnen.

In Romeinen 1 nodigt Paulus Gods kinderen met graagte uit om, midden in hun dolgedraaide wereld, blijmoedig het raam uit te kijken. Dat kán ook: de Heilige Geest doet iedere dag bij de kinderen van God de gordijnen open.
Het moet gezegd: het uitzicht is niet altijd even prettig. Via het open raam drijft namelijk de stank van leugen, bedrog, onoprechtheid en laster binnen.
Maar één ding is zeker: als de gordijnen open zijn, is eerst en vooral het licht van Gods Woord te zien.
Anno Domini 2012 blijkt het woord van Romeinen 13 nog altijd geldig: “De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!”[11].

Noten:
[1] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 43, antwoord 112: God eist “dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg, niemands woorden verdraai en geen kwaadspreker of lasteraar ben. Dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen. Maar dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijd, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil. Verder dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder”.
[2] Zie voor een indeling van Paulus’ brief aan de Romeinen ook http://www.oudesporen.nl/Download/OS1014.pdf .
[3] Romeinen 1:16 en 17: “Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven”.
[4] Drs. G. Gunnink, “Vrede door vrijspraak: Bijbelstudie over de brief van Paulus aan de christenen te Rome”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1992. – p. 15.
[5] Romeinen 1:18-30.
[6] Prof. dr. J.A.C. van Leeuwen merkt met betrekking tot Romeinen 1:28-31 onder meer op: “Ook hier wordt als reden voor het zedelijk verval genoemd de miskenning van God en zijn eisen: “zij hebben goed gevonden de erkenning Gods niet te bewaren”; en met de gezonde religieuze basis moest ook de grondslag voor de moraal wegvallen”. Zie: Dr. J.A.C. van Leeuwen, dr. D. Jacobs, “Korte verklaring der Heilige Schrift – de brief aan de Romeinen”. – Kampen: Kok, [ca. 1932]. – zevende druk. – p. 44 en 45.
[7] Namelijk in Spreuken 18:8 en in Spreuken 26:22.
[8] Zie http://www.arnokorsten.nl/PDF/Organiseren%20en%20mgmt/Roddelen%20voor%20managers%20verklaard.pdf .
[9] Zie http://www.kerken.com/afdelingen/printpreach.php?Pr eachId=83 .
[10] Joh. Francke, “Gerechtigheid uit het geloof”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1974. – p. 32.
[11] Romeinen 13:12.

Blog op WordPress.com.