gereformeerd leven in nederland

13 januari 2020

De kamers van Jacobine Geel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Hoe lezen wij de Bijbel? En waarom doen we dat?
De theologe Jacobine Geel heeft daar wel een antwoord op. Zij heeft het bij haar leeservaringen over kamers. Men hoort daarin Johannes 14: “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen”[1].
Jacobine zegt in het Nederlands Dagblad: “Vooralsnog zie ik vijf kamers, ruimtes, voor me. De eerste is de kamer van het woord – een ruimte waar creativiteit, scheppingskracht en nieuwsgierigheid een plek hebben. In een andere kamer staat het verlangen centraal, de beweging naar voren, de hoop.
En er is een vertrek van angst en vertrouwen. Een zinnetje uit de Bijbel dat als kind al heel belangrijk voor me was is ‘wees niet bevreesd, want ik ben met u’. Als ik iets heel spannend vond, zei ik dat soms hardop, als een mantra. Toen ik belijdenis deed kreeg ik juist deze tekst mee. Heel raak en ontroerend. In weer een andere ruimte – en misschien is dit wel de centrale hal – staat het geweten centraal, de keus voor het leven, de compassie. Iedere keer kom ik er lezend in dat bijzondere boek achter dat het puntje bij paaltje misschien wel hier om draait: dat we ons als mensen bekommeren om elkaar. Tenslotte is er een kamer voor de ongemakkelijke verhalen, waarin God lijkt te zwijgen. En hoe angstwekkend dat is”[2].

Inderdaad, er staan heel verschillende dingen in Gods Woord. Het lezen van de Bijbel kan ook zeer verschillende gevoelens oproepen.
Maar het relaas van die kamers vormt toch wel een heel bijzondere beeldspraak in verband met de manier waarop de Bijbel óver kan komen. In die kamers ebt het thuis-gevoel snel weg. Sterker nog: in die kamers kan men heel gauw een ongemakkelijk gevoel krijgen.

Waarom?

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreken wij Zijn Woord als volgt na: “Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt -2 Petrus 1:21-. Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften”[3].
Die formulering uit de N.G.B. attendeert ons er in ieder geval op dat het in de Bijbel niet in de eerste plaats om onze leeservaringen gaat. Natuurlijk spelen die ervaringen wel een rol. En jazeker, Bijbellezen kan ook met emotie gepaard gaan. Maar de kwestie is: vanuit de Bijbel spreekt God ons aan; Zijn Boodschap gaat over de wereld. Onze eerste vraag behoort vervolgens niet te zijn: hoe ervaren wij het blijde Bericht dat God aan de wereld zendt? De eerste vraag moet luiden: wat zegt God tegen ons? En de tweede vraag is: hoe zorgt Hij voor de kerk? En de derde vraag zou kunnen zijn: hoe kunnen gelovige mensen de God die hen zo genadig is hun dankbaarheid tonen?
Het beantwoorden van die vragen zorgt er al voor dat men niet neutraal over kamers kan spreken.

Laten wij elkaar, deze dingen overpeinzend, wijzen op woorden uit Psalm 102:
“Dit wordt beschreven voor de volgende generatie.
Het volk dat geschapen wordt, zal de HEERE loven.
Want Hij heeft uit Zijn ​heilige​ hoogte neergezien,
de HEERE heeft uit de hemel op de aarde neergekeken,
om het gekerm van de gevangenen te horen,
om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven,
zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te ​Sion
en Zijn lof in ​Jeruzalem,
wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen,
en de koninkrijken, om de HEERE te dienen”[4].
Wij lezen dus dat mensen God zullen loven. Dat is geen vraag. Het is een constatering: dat zal gebeuren.
En waarom zijn mensen zo blij met God? Antwoord: vanwege het verlossingswerk dat de Here heeft gedaan.
Daarom gaan mensen God eren. Zij gaan God prijzen. In de kerk gaan mensen zeggen: wat is het toch mooi dat wij bij die reddende God mogen horen; met Zijn almacht geeft Hij ons een nieuwe toekomst!
Uit alle windstreken van deze wereld komen mensen naar de kerk. En het is duidelijk: zij willen zo dicht mogelijk bij hun Redder blijven. Het staat bovendien buiten kijf: zij willen heel hun leven wijden aan echte Gods-dienst!

“Vooralsnog zie ik vijf kamers”, zegt Jacobine Geel.
Schrijver dezes ziet ze niet.
Zo’n indeling in kamers levert, als het een beetje wil, wellicht wel een fraaie plattegrond op. Maar die doet geen recht aan het kerkmenselijk bestaan als levend dankoffer.
En dat mag best zonder omwegen worden opgeschreven.

Noten:
[1] Johannes 14:2 a.
[2] Geciteerd uit ‘De Bijbel is niet zo zwart-wit’. In: Nederlands Dagblad, maandag 6 januari 2020, p. 7.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3.
[4] Psalm 102:19-23.

6 november 2019

Dankdag 2019: de kerk zingt Gods lof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd
en de hongerige ziel met het goede vervuld”
– Psalm 107:9 –

Vandaag is het Dankdag voor gewas en arbeid.
Wij gaan God danken.
En we horen het de mensen al vragen: ‘Zou u dat nou wel doen? Er is zoveel ellende in de wereld. Beste weblogschrijver, u ziet toch ook wel dat er van alles fout gaat in de wereld? Beste scribent, u bent toch niet blind?’.
Jawel, schrijver dezes heeft zijn ogen open. U en ik, wij allen horen het nieuws en lezen de krant, het dagelijkse blad dat meestentijds bol staat van onheil.
Vandaag is het Dankdag. De kerk dankt in een zeer onrustige tijd. De kerk gaat danken in een tijd van demonstraties.

Ja – protestmanifestaties zijn er momenteel te over.
Laat ons de wereld een ogenblik aanschouwen.
Eerst maar Nederland: “Dit jaar zijn er tot nu toe ruim 3000 demonstraties aangemeld bij 14 grote steden in Nederland, 500 meer dan twee jaar geleden”[1].
Er werd bericht over demonstraties in Barcelona. “Ze zijn woedend over de celstraffen die separatistische leiders kregen opgelegd voor opruiing rond het onafhankelijkheidsreferendum in 2017”[2].
Men maakte melding van protesten in Chili.
En van onvrede en verzet in Libanon, vanwege belastingverhogingen. De plannen daarvoor werden overigens later weer ingetrokken[3].

En toch is er reden om God te danken. Dat zal u alras duidelijk worden.

Over Psalm 107 schreef ik al eens: “Wat is Psalm 107 voor een psalm?
In dat lied komt een scala aan onderwerpen langs.
Het gaat daarin over mensen die verlost zijn uit ballingschap. Over mensen die gered zijn uit woestijn en wildernis. Over mensen die uit de gevangenis zijn vrijgelaten. Over mensen die genazen van een ziekte die dodelijk leek te zijn. Over mensen die een heel gevaarlijke storm op zee hebben overleefd. Over zegen en straf die God geeft.
Hoe moet je die psalm uitleggen?
Beschrijft dit lied een periode uit de geschiedenis van Israël? Waarschijnlijk wel, zegt een aantal exegeten.
Nee, zeggen anderen. Hier worden stukken uit de geschiedenis in beelden weergegeven.
De geleerde uitleggers komen er samen niet uit.
Israëls geschiedenis komt inderdaad aan bod. De psalm begint immers met een passage over verlossing uit de ballingschap.
Maar het lijkt mij dat we hier eerst en vooral te maken hebben met een psalm die bewijst dat God redt uit allerlei benauwende situaties. Psalm 107 leert ons dat we in alle omstandigheden naar God kunnen gaan”[4].

Ook als het in de wereld stormt, kunnen we Dankdag houden. De Here maant ons, om zo te zeggen, tot rust. Hij maakt duidelijk: Ik ben er bij! Hij draait er niet omheen: kinderen, Ik ben volop actief!

Een exegeet schrijft over Psalm 107: “Het eerste tafereel is dat van menschen, die buiten de bewoonde wereld ronddwalen, in de woestijn alle gevaren van het bedoeïenleven doormaken en eten hebben noch drinken, zoodat zij den dood door uitputting nabij zijn (vers 4 en volgende). Hoe veler lot was het niet reeds in de duisternis om te komen! Wanneer zij echter uit dien nood tot den Heere roepen, toont deze hun den weg, dien ze zelf niet konden vinden, en laat Hij hen weder de bescherming van een ‘bewoonde stad’ met haar muren en verdedigingsmiddelen genieten. Wie nu zoo des Heeren reddende macht in eigen leven heeft ervaren, die heeft dan ook den duren plicht om dankend te loven en zijn wonderteekenen als evenzoovele mijlpalen op den levensweg te zien, te grooter waar ze aan ‘menschenkinderen’ zijn bewezen, en nooit te vergeten op welk een wondere wijze de dorst werd gelescht en de honger gestild (vers 6-9)”[5].

In deze wereld zijn miljoenen mensen op de vlucht. Vanwege oorlog en ernstige politieke spanningen. Of vanwege hongersnood.
In die wereld houden wij Dankdag.
Natuurlijk hebben we onze vragen: waarom gaat het in de wereldgeschiedenis niet een beetje anders, een beetje makkelijker, een beetje rustiger? Echte antwoorden op die vragen hebben wij niet. Wij kunnen niet meer doen dan dat alles voorleggen aan de God van hemel en aarde, vertrouwend op Zijn Woord en werk.

Ondertussen mogen en moeten wij Hem ook danken voor alles wat Hij in de afgelopen periode aan ons heeft gegeven.
Het is een refrein in Psalm 107:
* God redde ons uit angst en nood
* laat ons de Here loven

Leest u maar even mee:
“Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
redde Hij hen uit hun angsten”[6].
“Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen”[7].
“Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten”[8].
“Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen”[9].
“Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten”[10].
“Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen”[11].
“Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
leidde Hij hen uit hun angsten”[12].
“Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen”[13].

De dichter van Psalm 107 wil het er wel bij ons in pompen: als u de hemelse God aanroept is er redding! Als u de almachtige God zoekt, is er – hier op aarde – altijd reden om Hem alle lof te brengen!
Daarentegen vinden wij altijd wel een reden om te mopperen en te murmureren. Welnu, zegt de dichter van Psalm 107, hou maar op met al dat sombere gepraat. Concentreer u maar op het feit dat u gered bent. Bedenk maar dat er alle reden is om de Here te loven. Daartoe bent u immers op aarde?

Het is Dankdag vandaag.
In de samenleving is het een drukte van belang. Dezen komen op voor hun rechten. Anderen zijn het met allerlei dingen niet eens.
In de christelijke wereld gaan velen naar de kerk. Nee, de christenen kruipen niet weg voor de moeilijkheden. Zij schuilen bij hun Redder. Zij loven God om Zijn verlossing.
Zo eenvoudig ligt dat.

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/op3/artikel/2307693-steeds-meer-demonstraties-in-nederland-maar-hoeveel-zin-hebben-die-eigenlijk.html ; geraadpleegd op woensdag 30 oktober 2019.
[2] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2306295-protest-catalanen-tegen-celstraffen-separatistenleiders-uit-de-hand-gelopen.html ; geraadpleegd op woensdag 30 oktober 2019.
[3] Zie https://nos.nl/artikel/2307391-al-dagen-onrust-en-geweld-in-chili-mijn-broer-en-zus-protesteren-elke-dag.html en https://nos.nl/artikel/2306839-libanon-schrapt-belastingverhogingen-na-drie-dagen-van-demonstraties.html ; geraadpleegd op woensdag 30 oktober 2019.
[4] Geciteerd uit mijn artikel ‘God maakt de geschiedenis’ , hier gepubliceerd op dinsdag 3 juli 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/07/03/god-maakt-de-geschiedenis/ .
[5] Professor dr. A. Noordtzij, “De Psalmen opnieuw uit de grondtekst vertaald en verklaard”. – derde deel, Psalm 61-150. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1973. – p. 144.
[6] Psalm 107:6.
[7] Psalm 107:8.
[8] Psalm 107:13.
[9] Psalm 107:15.
[10] Psalm 107:19.
[11] Psalm 107:21.
[12] Psalm 107:28.
[13] Psalm 107:31.

27 juni 2019

Gods trouw omsloten door onze lof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

De samenleving holt achteruit. In de ogen van Gereformeerde mensen althans. In kabinetsmaatregelen wordt steeds minder rekening gehouden met Gods Woord. De samenleving wordt steeds onchristelijker.
Waar gaat het heen?

Dat ligt, zoals dat dan heet, in de schoot van de toekomst verborgen.
Wat we wel weten is dat het vroeger weinig beter was.

Israël denkt er bij de Schelfzee niet aan dat de Here het volk kan redden en dat het heel goed mogelijk is dat de Egyptische farao het onderspit delft.
De Here grijpt in. Hij zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat Zijn volk niet in de pan gehakt wordt.

Natuurlijk is Israël dankbaar.
Dat is logisch.
Wie is er niet blij als zijn leven, om zo te zeggen, opnieuw begint?
Maar ach… hoe gaat dat?
De dankbaarheid slaat al gauw om in ongerustheid, en in revolutie.

Het volk denkt collectief: in de woestijn komen we om!
Het volk denkt: God is afwezig; komaan, laten we een gouden kalf maken – zo zorgen we er zelf voor dat God weer dichtbij komt.
Op enig moment komt het zover dat God zo woedend is op Zijn volk dat Hij Zich voorneemt om al die Israëlieten in vredesnaam maar uit te roeien. Dat dat voorkómen wordt, komt omdat Mozes voor Zijn volksgenoten in de bres springt.

En als we dat allemaal hebben gehad, blijkt het ganse volk ontevreden over Kanaän – het land dat God voor Zijn volk vrij gaat maken.
Bovendien blijkt Baäl-Peor, de afgod van de Moabieten, reuze aantrekkelijk. Baäl-Peor, dat betekent: heer van de bres[1]. Een bres is een opening in een muur. Het lijkt wel of de Israëlieten een opening naar een andersoortige toekomst zien!

Israël klaagt bij Meriba over gebrek aan water. Alsof de Here niet bij machte is om daar in een oogwenk iets aan te doen!

Israël trekt Kanaän binnen. En kijk nu toch eens, wat wonen daar veel vriendelijke en heel lieve mensen! Zij zijn zo lief dat je gerust met hen trouwen kunt…
Alleen maar – dat is niet de dienstorder van God. Want Hij heeft gezegd: roei dat volk uit! Waarom? Omdat het belangrijk is dat de dienst aan God alle aandacht krijgt; het heeft geen zin om je daarbij te laten afleiden door de leuke ‘godsdienst’ van de buren.

Dat alles laat God beslist niet over Zijn kant gaan. Het volk wordt gestraft. En niet zo’n klein beetje ook. Er volgen vele jaren in ballingschap.

Men zou denken: dit is het dan. En misschien ook: wat zijn die Israëlieten toch hardleers. Of ook: dat Oudtestamentische volk leert het nooit!
Maar er is meer.
Want God is trouw aan Zijn verbond. Hij laat Zijn volk nooit in de steek.

Daarom blijft voor Gods volk van alle tijden en plaatsen maar één ding over: God loven en prijzen om Zijn trouw.

Wellicht denkt u: waar haalt die weblogscribent dat toch allemaal vandaan?
Welnu, wij kunnen het bovenstaande terugvinden in Psalm 106.
Al die geschiedenissen staan beschreven in Gods Woord.

Wie – met een schuin oog op het kerkelijk leven in Nederland – Psalm 106 leest, vat hopelijk weer enige moed.

Er zijn veel gelovigen in Nederland. Maar zij vinden op verschillende plaatsen onderdak.
Van baptisten tot Gereformeerde Gemeenten in Nederland: gelovigen gaan op heel veel verschillende plaatsen naar de kerk.
Er zijn vele discussies in Nederland. Over de doop, over belijdenis doen, over de vrouw in het ambt…
Er wordt gefuseerd. Tussen Gereformeerd-vrijgemaakten en Nederlands Gereformeerden. En wellicht op termijn ook tussen De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken Nederland. Maar is dat naar Gods wil? Is het verantwoord?

Laten we nog eens terugkeren naar Psalm 106.
Het was professor drs. H.J. Schilder (1916-1984) die over dit kerklied eens opmerkte: “Evenwel, die Psalm 106 met zijn droef relaas kan ons toch ook al voorzichtig maken. Immers, dat lied kent — al die sombere herinneringen ten spijt — wel degelijk zijn roem en lof. Met lóf vangt het aan: Halleluja, looft de Heere, want Hij is goed. En het einde is dienovereenkomstig. Niet slechts als een liturgisch slot, maar ook als conclusie en doel van de gehele psalm, wanneer verlossing uit actuele ellende (verstrooiing, ballingschap) wordt begeerd ‘opdat wij uw heilige naam loven, ons beroemen in uw lof’ (…). Het één sluit het ander toch blijkbaar niet uit, het zondenregister verhindert niet de roem op Gods goedertierenheid in de voortgang der historie”[2].

Psalm 106 is een gebed.
De dichter vraagt zijn God om in te grijpen.
“Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;
zie naar mij om met Uw heil,
zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,
mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,
mij mag beroemen met Uw eigendom”[3].
En:
“Verlos ons, HEERE, onze God,
breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
opdat wij Uw ​heilige​ Naam​ loven
en ons beroemen in Uw lof”[4].
De dichter vraagt zijn God om Israël weer terug te brengen uit de ballingschap.
De psalmschrijver kijkt naar de geschiedenis van Israël. En hij ziet het scherp – wij hebben er met z’n allen een rommeltje van gemaakt. En de psalmist beseft ook: de zaak komt pas weer op orde, als de Here ons – om zo te zeggen – oppakt en weer op onze plaats zet.

Als het gaat om kerkelijke verdeeldheid, houden we ons vaak om de lieve vrede stil. Je kunt niet altijd maar op het scherpst van de snede opereren.
Als het op fuseren aankomt, vragen rechtgeaarde Gereformeerden zich af: brengt dit alles ons dichter bij God, of niet? Er wordt getelefoneerd, ge-e-maild, gepraat en vergaderd. En de één is nog bezorgder dan de ander.

En misschien zeggen we wel zachtjes tegen onszelf: geloven is mooi, maar wat zit er soms een hoop gedoe omheen!
In een dergelijke situatie moeten we maar naar Psalm 106 kijken. Laten we de kerkgeschiedenis in herinnering brengen en Gods trouw zien. En de trouw van onze Verbondsgod mogen wij omsluiten met onze lof!

Noten:
[1] Zie https://christipedia.miraheze.org/wiki/Baäl-Peor ; geraadpleegd op zaterdag 22 juni 2019.
[2] H.J. Schilder, “Het schrift dat niet verslijt – opstellen over het Oude Testament”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1983. – p. 143.
[3] Psalm 106:4 en 5.
[4] Psalm 106:47.

7 december 2018

Gevraagd: gehoorzaamheid en lof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Onlangs hoorde ik iemand die ‘kerks opgevoed’ is, in onvervalst Gronings een treffende opmerking maken. Hij sprak: “Als ik zai wat er apmoal in wereld gebeurt, din denk ik van nou, Hai het toch ’n foutje mokt”. In vertaling luidt zijn statement: “Als ik zie wat er in de wereld gebeurt, dan denk ik: nou, Hij heeft toch een foutje gemaakt”[1].
De vraag die achter de stellingname van de spreker ligt is kraakhelder: als God zo machtig is, kan Hij toch ook wel zorgen dat de wereld er anders uitziet?
De heilige God krijgt, kortom, de schuld van het menselijk leed. En dat terwijl mensen er zelf een zootje van maken!

Met een schuin oog op het bovenstaande wijs ik nu op woorden uit Deuteronomium 8. Het zijn deze: “Weet dan in uw ​hart​ dat de HEERE, uw God, u gehoorzaamheid bijbrengt zoals een man zijn zoon gehoorzaamheid bijbrengt, en neem de geboden van de HEERE, uw God, in acht door in Zijn wegen te gaan en door Hem te vrezen”[2].

Over Deuteronomium 8 schreef ik al eens: “In dat hoofdstuk wordt er op gewezen dat de tocht door de woestijn nodig is geweest om de Israëlieten te leren dat zij volledig afhankelijk zijn van God. (…) Lijden moet dus tot verootmoediging leiden.
In de woestijn leert Israël dat er meer is dan het brood der aarde. Uiteindelijk leeft iedereen van Gods Woord. Die levensles mogen ook wij ons eigen maken”[3].

Het is makkelijk om te zeggen: wij komen niet uit de woestijn.
Wij kunnen vervolgens simpelweg zeggen: in de supermarkt kunnen wij alles kopen wat wij van node hebben.
Wij kunnen daaraanvolgend mompelen: Deuteronomium 8 geldt derhalve niet meer voor ons; met die oude tekst kunnen wij niets meer aanvangen.
Maar dat gaat te snel. Veel te snel.

Want Deuteronomium 8 staat niet voor niets in onze Bijbels. Ook wij moeten leren dat we van God afhankelijk zijn.
In deze Nieuwtestamentische tijd behoren wij ons terdege te realiseren dat we onze Heiland in afhankelijkheid behoren te aanbidden. Want Hij heeft voor onze zonden betaald. Er was en is geen enkel ander schepsel op deze aarde dat die betaling kon verrichten.
Zelfs de sterkste mens kan dat niet. Zelfs de meeste intelligente mens kan dat niet.
De Enige die voor onze zonden betalen kon was de Here Jezus Christus. En dat deed Hij, in Zijn tijd op aarde en aan het kruis op Golgotha.
Zo zorgde Hij ervoor dat er in het aardse leven van Zijn kinderen altijd perspectief is. De weg naar Gods troon is open. De weg naar de hemel is geplaveid.
Daarom zegt Hij in Johannes 6: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet ​Mozes​ heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel. Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft”[4].
En:
“Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben”.

Terug nu naar Deuteronomium 8.
In dat hoofdstuk staat het volk Israël op het punt het land Kanaän binnen te trekken. Dat is – om Deuteronomium 8 te citeren – “een land met waterbeken, ​bronnen​ en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte; een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en ​granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing; een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en waarin u uit zijn bergen koper kunt hakken”[5].
Israël gaat eindelijk de rust vinden.
Israël gaat de welvaart tegemoet!

Wat zien wij als we overschakelen van Deuteronomium 8 naar de maatschappij van 2018?
We zien een samenleving die gaandeweg harder lijkt te worden. Men komt in actie tegen hoge brandstofprijzen, de verlaging van accijnzen, ontevredenheid over het zorgstelsel, de wens omtrent een ander migratiebeleid, de diepe wens om de pensioenleeftijd te verlagen, de wens van een basisinkomen voor iedereen alsmede het vertrek van de Neêrlandse minister-president.
De protestbeweging van de gele hesjes is heden ten dage een bekend fenomeen. Dood en verderf gaan bij de acties niet zelden hand in hand.
In die wereld leert de kerk “dat de HEERE, uw God, u gehoorzaamheid bijbrengt zoals een man zijn zoon gehoorzaamheid bijbrengt”.
Gehoorzaamheid?
Het mocht wat!
Je moet voor je rechten opkomen, anders raak je binnen de kortste keren ondergesneeuwd!

Deuteronomium 8 roept de kerk niettemin op tot gehoorzaamheid.
En tot de lof op God, tevens.
Ik citeer: “Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft”[6].

De waarheid is in Jezus, het Brood des levens van Johannes 6.
Het is – om met Efeziërs 4 te spreken – de bedoeling “dat u, wat betreft de vroegere levenswandel, de oude mens aflegt, die te gronde gaat door de misleidende begeerten, en dat u vernieuwd wordt in de geest van uw denken, en u bekleedt met de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is, in ware ​rechtvaardigheid​ en ​heiligheid”[7].

In Deuteronomium 8 is zogezegd sprake van het nieuwe land.
Ach, het is nog maar het begin.
In 2 Corinthiërs 5 zegt Paulus: alles wordt nieuw! Dat gaat zo: “als iemand in ​Christus​ is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden. En dit alles is uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door ​Jezus​ ​Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. God was het namelijk Die in ​Christus​ de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd”[8].

Om tenslotte Deuteronomium 8 nog eens te citeren: “…u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn ​verbond​ zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is”[9].

Bij het verbond dat Hij met Zijn kinderen gesloten heeft, steken die gele hesjes schril af.

En nee, de Verbondsgod maakt geen fouten.
Heus niet!

Noten:
[1] Geciteerd van https://www.rtvnoord.nl/tv/programma/10250/Expeditie-Grunnen/aflevering/20351 ; geraadpleegd op maandag 3 december 2018.
[2] Deuteronomium 8:5 en 6.
[3] Geciteerd uit mijn artikel ‘Smart maakt soms sterk’, hier gepubliceerd op maandag 14 november 2016. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2016/11/14/smart-maakt-soms-sterk/ .
[4] Johannes 6:32 b en 33.
[5] Deuteronomium 8:7 b, 8 en 9.
[6] Deuteronomium 8:10.
[7] Efeziërs 4:22, 23 en 24.
[8] 2 Corinthiërs 5:17, 18 en 19.
[9] Deuteronomium 8:18.

20 december 2017

Adventswetenschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

De kloof in Nederland wordt groter.
De scheiding tussen rijk en arm, bedoel ik.

Onlangs was op de website van een bekend dagblad te lezen: “De afgelopen twee jaar zijn hoger opgeleiden en gezonde mensen er meer op vooruitgegaan dan laagopgeleiden en mensen met een ziekte of handicap. Ook de verschillen in leefsituatie van werkenden ten opzichte van niet werkenden en hoge ten opzichte van lage inkomens, werd groter. Dat blijkt uit het tweejaarlijkse rapport De sociale staat van Nederland 2017 van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), dat dinsdag is gepubliceerd.

Volgens de onderzoekers tonen de resultaten aan dat er in Nederland sprake is van ‘groeiende scheidslijnen in de samenleving’. Opvallend noemt het bureau dat mensen met een slechte leefsituatie ook minder tevreden zijn over hun leven. Deze groep mensen gaf zijn eigen leven in 2008 nog een 7,2, vorig jaar was dat gedaald naar 6,6”[1].

In het algemeen zijn Nederlanders overigens best tevreden.
“Volgens het SCP is de kwaliteit van leven van Nederlanders in de afgelopen vijfentwintig jaar beter geworden. Sinds 1990 is de levensverwachting sterk toegenomen, evenals het opleidingsniveau, de arbeidsparticipatie en het besteedbaar inkomen. De criminaliteit is afgenomen, de woningen zijn van een betere kwaliteit, meer Nederlanders sporten en we gaan vaker op vakantie”.
Kortom: in Nederland gaat het goed – dank u.

Intussen ligt daar nog steeds de kloof tussen rijk en arm. Die gapende kloof waar niemand blij van wordt.
Als het daarom gaat, is het zaak dat de broeders diakenen alert blijven. Zij moeten zich ontfermen over mensen die in financiële problemen verkeren. En dat kan zomaar gebeuren.
Wilt u een voorbeeld? Mensen die maandelijks een goede uitkering ontvangen hebben vaak te maken met eigen bijdragen die aan de hoge kant zijn. Dat komt omdat die bijdragen inkomensafhankelijk zijn. In zo’n situatie geldt: aan het eind van uw geld is er nog een stukje maand over. Oftewel: het geld is zomaar op.

Rijkdom en armoede worden ons door de Here toebedeeld.
Dat leren we onder meer uit de beschrijving van het leven van Job. Als hem in hoofdstuk 1 schier alles ontnomen wordt, zegt hij: “De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!”[2].
De Here geeft ons wat wij nodig hebben. Iedere minuut, iedere seconde van de dag. Dat is geen kwestie van verdienste. Want verdienen doen wij niets. Het is wel een zaak van de Here. Want Hij weet precies hoe wij Hem in deze wereld het best kunnen dienen. Hij weet Hij ons het best kan inzetten. Met armoede, in Job 1. Of met nieuwe rijkdom, zoals in Job 42: “En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij ​gebeden​ had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job bezeten had tot het dubbele toe”[3].

Echter – in de kerk moeten wij, wat mij betreft, die berichten over de kloof tussen arm en rijk eerst en vooral verbinden aan Adventswetenschap.
Laten wij elkaar, nu het hierom gaat, wijzen op 1 Samuël 2: “De HEERE maakt arm en maakt rijk, Hij vernedert, ook verhoogt Hij”[4].
Die woorden komen uit de lofzang van Hanna. Namelijk uit de lofzang die zij aanheft nadat Samuël in de tempel is gebracht.

Wat is dat bijzonder!
Hanna is een tijd lang kinderloos geweest. En nu zij eindelijk een zoon mocht ontvangen, staat zij hem al vrij snel weer aan de God van het verbond af.
Hanna brengt een ode aan haar God. Wat een kracht spreekt daar uit! Je zou zeggen: wat een sterk geloof heeft deze vrouw!

Wij moeten echter verder kijken.
De Verbondsgod geeft Zijn kind Hanna profetische gaven.
Zonder het te weten wijst zij al naar Jezus Christus, de Heiland.
In Lucas 1 neemt Maria die woorden van Hanna ook in de mond: “Hij heeft machtigen van de troon gestoten en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden”[5].
Wat is het doel daarvan? Een uitlegger zegt het zo: “…doordat God – en wel door middel van de Messias – de armen ‘met goederen vervult’, neemt Hij bij hen de zorg voor het dagelijks brood – waardoor iemand compleet in beslag genomen kan worden – én hun afhankelijkheid van rijke uitbuiters weg en ontstaat er ruimte om Hem in alle vrijheid te dienen. Anderzijds wordt de rijke, die zich ten koste van de arme verrijkt heeft, ‘met lege handen weggezonden’, dat wil zeggen zonder dat ze iets gekregen hebben, mogelijk ook: beroofd van wat ze al hadden”[6].
De komst van de Zaligmaker op deze aarde maakt heel veel goed. Want dan wordt het leven op de hemelse toekomst gericht.

In de Adventswetenschap staat het vast: onze zonden zijn vergeven.
In de Adventswetenschap staat het vast: wij zijn gekocht en betaald.
In de Adventswetenschap staat het vast: wij zijn op weg naar een heerlijke hemelse plaats!

Ja, in de Adventswetenschap staat het vast: wij voeren hier op aarde een taak uit, waarvoor de God van het verbond ons geschikt maakt.
In de kerk voeren we die taak samen uit.

Dit zo zijnde wijs ik graag nog eens op de taak van de diaconie.
Ik citeer: “Het is daarom de taak van de diakenen te zorgen voor de goede voortgang van dit dienstbetoon in de gemeente. Zij zullen zich door huisbezoek van de moeiten op de hoogte stellen en de gemeente tot hulpbetoon opwekken. Bovendoen moeten zij de gaven inzamelen, beheren en in Christus’ naam uitdelen. De diakenen behoren de gemeenteleden die Christus’ liefdegaven ontvangen, met Gods Woord te bemoedigen en te vertroosten”[7].

Samen voeren we de taak uit die de Here ons geeft.
Als ambassadeurs van Hem.
Misschien lijkt onze taak maar klein. En ietwat onbetekenend. Amper de moeite waard om over te praten.
Maar de Here zegt: wees trouw en blijmoedig; ook in het kleine.

De scheiding tussen rijk en arm wordt in Nederland gaandeweg groter.
In de Adventswetenschap valt dat onderscheid echter weg.
In de kerk helpen we elkaar vooruit.
En dan weten we het: “De HEERE maakt arm en maakt rijk”.
Maar hoe dat zij: er komt een schitterende toekomst aan!

Hanna doet ons onderweg voor wat biddend werken inhoudt.
De kerk zingt daarom uit volle borst:
“Looft, looft verheugd de HEER der heren,
aanbidt zijn naam en wilt Hem eren.
Laat alle volken nu verstaan
de wond’ren, die Hij heeft gedaan.
En spreekt met eerbied en ontzag
van al zijn werken dag aan dag”[8].

Noten:
[1] Zie https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/scp-rapport-groeiende-scheidslijn-in-samenleving-1.1452892 ; geraadpleegd op dinsdag 12 december 2017.
[2] Job 1:21 b.
[3] Job 42:10.
[4] 1 Samuël 2:7.
[5] Lucas 1:52 en 53.
[6] Geciteerd van de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij Lucas 1:53.
[7] Formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen. Gereformeerd Kerkboek, p. 550-555. Citaat van p. 552.
[8] Psalm 105:1; Gereformeerd Kerkboek-1986.

29 november 2017

Lessen uit Massa en Meriba

Massa en Meriba: die plaats kennen we uit Exodus 17.
Ik citeer:
“Het volk smachtte daar naar water en het volk morde tegen ​Mozes​ en het zei: Waarom hebt u ons toch uit Egypte laten vertrekken? Om mij, mijn ​kinderen​ en mijn ​vee​ van dorst te laten omkomen? Toen riep ​Mozes​ tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij ​stenigen. De HEERE zei tegen ​Mozes: Trek vóór het volk uit, en neem enkelen van de ​oudsten​ van Israël met u mee. Neem uw staf, waarmee u de ​Nijl​ sloeg, in uw hand en ga op ​weg. Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de ​Horeb​ staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En ​Mozes​ deed dit voor de ogen van de ​oudsten​ van Israël. Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE nu in ons midden of niet?”[1][2].

Er is flinke ruzie in Israël. Er dreigen zelfs doden te vallen.
Het volk heeft dorst. Uitgedroogd is het!
Toch is die uitdroging niet het meest principiële probleem. Het punt is: is de Here in ons midden of niet?
De bovenstaande vraag formuleert een probleem van alle tijden.
Wie naar De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) kijkt, kan zomaar denken: wat stelt dit kleine groepje nou voor?
Wie een blik werpt op de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) kan zich afvragen: hoe moet dit eigenlijk verder, en waar komen we terecht?
In Exodus 17 is de Verbondsgod er wel degelijk bij. De Here zegt het expliciet: “Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de ​Horeb​ staan”. De Here is vlakbij het water. Hij is present.
Wie tot de Here roept, zal gehoor vinden. Toegegeven: zo voelt het niet altijd. Wie denkt er soms niet: waar doe ik het allemaal voor? Laten we echter vasthouden dat het geloof een stellig weten en een vast vertrouwen is[3].
Massa en Meriba leren ons: ook al lijkt het christelijk leven hopeloos, de Here is aanwezig en Hij is volop actief!

In Numeri 20 staat deze geschiedenis nog eens beschreven. En daar staat dan bij: “Maar de HEERE zei tegen ​Mozes​ en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten niet ​geheiligd​ hebt, zult u deze ​gemeente​ niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb. Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEERE ter verantwoording riepen, en waar Hij onder hen ​geheiligd​ werd”[4].
De Here heiligen – wat betekent dat? Dat wil zeggen dat Hij als Heilige erkend dient te worden. We moeten Hem loven. En eren. En prijzen.
In Numeri 20 verzorgt de God van het verbond klaarblijkelijk Zijn eigen heiliging. En dat is beslist niet de bedoeling.
Het is, dunkt mij, belangrijk het bovenstaande tot ons door te laten dringen. Ons kerklidmaatschap kan zomaar iets zakelijks krijgen. We weten wel dat we gered zijn; maar we zeggen het niet meer. We erkennen wel dat we God dankbaar moeten wezen, maar dat is vooral iets van het hart; stel je voor dat we te evangelisch klinken… Laten we daar maar niet te bang voor wezen!

Psalm 81 herinnert ons er aan:
“In de benauwdheid riep u en Ik redde u,
Ik antwoordde u uit de schuilplaats van de donder;
Ik beproefde u bij het water van Meriba.
Mijn volk, zei Ik, luister, en Ik zal onder u getuigen;
Israël, als u naar Mij luisterde!
Er mag onder u geen andere god zijn,
u mag zich voor geen vreemde god neerbuigen.
Ik ben de HEERE, uw God,
Die u uit het land Egypte leidde.
Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen”[5].
In deze wereld is er weinig waar we werkelijk op kunnen vertrouwen. Soms doen we wel alsóf. Maar altijd komt er een moment dat blijkt dat we bedrogen uit komen. Daarop is één uitzondering: op onze God kunnen we altijd rekenen!
Ja maar, zeggen sommigen, het lijkt wel alsof ik nimmer antwoord krijg. Is het niet logisch dat ik teleurgesteld ben?
Nee, dat is het niet. Alleen al het feit dat wij voor Gods aangezicht leven is een blijk van Zijn zegen. En wij moeten geloven dat Hij alles wat we meemaken en alles wat we niet ontvangen, ten goede zal laten meewerken!

Het is van groot belang dat ons hart zacht blijft. Toegankelijk voor het Evangelie, bedoel ik.
Nee, het is geen luxe om dat nog maar eens vast te stellen.
Voordat we ’t weten zijn we in de kerk geïrriteerd. Geërgerd. Boos. Gedesillusioneerd. En soms zijn we zodanig gefrustreerd dat we niet meer voor rede vatbaar zijn. Wij zijn voor niets of niemand meer bereikbaar.
Voor zo’n harde houding moeten we oppassen. Niet voor niets leert Psalm 95 ons:
“Heden, indien u Zijn stem hoort,
verhard uw ​hart​ niet, zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
daar stelden uw vaderen Mij op de proef,
daar beproefden zij Mij, hoewel zij Mijn werk zagen”[6].

Trouwens, het kan zomaar gebeuren dat zulke frustratie, om zo te zeggen, als een onzichtbare golf door de kerk gaat. Dan wordt het gefrustreerden gaandeweg groter, totdat hun aantal zeer groot geworden is.
Leest u maar mee in Psalm 106:
“Zij maakten Hem zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging ​Mozes​ slecht omwille van hen.
Want zij tergden zijn geest,
zodat hij met zijn lippen ondoordachte woorden sprak”[7].
Kerkmensen kunnen, zonder dat zij dat zelf beseffen, voor de mensen om hen heen stenen des aanstoots zijn!

Laten we de Here, onze God, maar loven en prijzen.
Laten we de belofte die we in Psalm 145 uitzingen, maar waar maken:
“Mijn God en Koning, alle vorsten Heer,
ik zing verheugd uw heil’ge naam ter eer.
Uw naam zo groot en vol van majesteit
zal ik verheffen tot in eeuwigheid”[8].

Noten:
[1]
Exodus 17:3-7.
[2] Deze keuze houdt verband met het feit dat vanavond de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergadert; die vergadering hoop ik bij te wonen. Tijdens die bijeenkomst wordt Exodus 15:22-17:16 besproken. Dat zal gebeuren aan de hand van: Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – schetsen 17 en 18, p. 60-66.
[3] De uitdrukking komt uit: Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.
[4] Numeri 20:12 en 13.
[5] Psalmen 81:8-11.
[6] Psalm 95:7 b, 8 en 9.
[7] Psalm 106:32 en 33.
[8] Dit is het eerste deel van Psalm 145:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.