gereformeerd leven in nederland

13 januari 2020

De kamers van Jacobine Geel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Hoe lezen wij de Bijbel? En waarom doen we dat?
De theologe Jacobine Geel heeft daar wel een antwoord op. Zij heeft het bij haar leeservaringen over kamers. Men hoort daarin Johannes 14: “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen”[1].
Jacobine zegt in het Nederlands Dagblad: “Vooralsnog zie ik vijf kamers, ruimtes, voor me. De eerste is de kamer van het woord – een ruimte waar creativiteit, scheppingskracht en nieuwsgierigheid een plek hebben. In een andere kamer staat het verlangen centraal, de beweging naar voren, de hoop.
En er is een vertrek van angst en vertrouwen. Een zinnetje uit de Bijbel dat als kind al heel belangrijk voor me was is ‘wees niet bevreesd, want ik ben met u’. Als ik iets heel spannend vond, zei ik dat soms hardop, als een mantra. Toen ik belijdenis deed kreeg ik juist deze tekst mee. Heel raak en ontroerend. In weer een andere ruimte – en misschien is dit wel de centrale hal – staat het geweten centraal, de keus voor het leven, de compassie. Iedere keer kom ik er lezend in dat bijzondere boek achter dat het puntje bij paaltje misschien wel hier om draait: dat we ons als mensen bekommeren om elkaar. Tenslotte is er een kamer voor de ongemakkelijke verhalen, waarin God lijkt te zwijgen. En hoe angstwekkend dat is”[2].

Inderdaad, er staan heel verschillende dingen in Gods Woord. Het lezen van de Bijbel kan ook zeer verschillende gevoelens oproepen.
Maar het relaas van die kamers vormt toch wel een heel bijzondere beeldspraak in verband met de manier waarop de Bijbel óver kan komen. In die kamers ebt het thuis-gevoel snel weg. Sterker nog: in die kamers kan men heel gauw een ongemakkelijk gevoel krijgen.

Waarom?

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreken wij Zijn Woord als volgt na: “Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt -2 Petrus 1:21-. Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften”[3].
Die formulering uit de N.G.B. attendeert ons er in ieder geval op dat het in de Bijbel niet in de eerste plaats om onze leeservaringen gaat. Natuurlijk spelen die ervaringen wel een rol. En jazeker, Bijbellezen kan ook met emotie gepaard gaan. Maar de kwestie is: vanuit de Bijbel spreekt God ons aan; Zijn Boodschap gaat over de wereld. Onze eerste vraag behoort vervolgens niet te zijn: hoe ervaren wij het blijde Bericht dat God aan de wereld zendt? De eerste vraag moet luiden: wat zegt God tegen ons? En de tweede vraag is: hoe zorgt Hij voor de kerk? En de derde vraag zou kunnen zijn: hoe kunnen gelovige mensen de God die hen zo genadig is hun dankbaarheid tonen?
Het beantwoorden van die vragen zorgt er al voor dat men niet neutraal over kamers kan spreken.

Laten wij elkaar, deze dingen overpeinzend, wijzen op woorden uit Psalm 102:
“Dit wordt beschreven voor de volgende generatie.
Het volk dat geschapen wordt, zal de HEERE loven.
Want Hij heeft uit Zijn ​heilige​ hoogte neergezien,
de HEERE heeft uit de hemel op de aarde neergekeken,
om het gekerm van de gevangenen te horen,
om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven,
zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te ​Sion
en Zijn lof in ​Jeruzalem,
wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen,
en de koninkrijken, om de HEERE te dienen”[4].
Wij lezen dus dat mensen God zullen loven. Dat is geen vraag. Het is een constatering: dat zal gebeuren.
En waarom zijn mensen zo blij met God? Antwoord: vanwege het verlossingswerk dat de Here heeft gedaan.
Daarom gaan mensen God eren. Zij gaan God prijzen. In de kerk gaan mensen zeggen: wat is het toch mooi dat wij bij die reddende God mogen horen; met Zijn almacht geeft Hij ons een nieuwe toekomst!
Uit alle windstreken van deze wereld komen mensen naar de kerk. En het is duidelijk: zij willen zo dicht mogelijk bij hun Redder blijven. Het staat bovendien buiten kijf: zij willen heel hun leven wijden aan echte Gods-dienst!

“Vooralsnog zie ik vijf kamers”, zegt Jacobine Geel.
Schrijver dezes ziet ze niet.
Zo’n indeling in kamers levert, als het een beetje wil, wellicht wel een fraaie plattegrond op. Maar die doet geen recht aan het kerkmenselijk bestaan als levend dankoffer.
En dat mag best zonder omwegen worden opgeschreven.

Noten:
[1] Johannes 14:2 a.
[2] Geciteerd uit ‘De Bijbel is niet zo zwart-wit’. In: Nederlands Dagblad, maandag 6 januari 2020, p. 7.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3.
[4] Psalm 102:19-23.

19 juli 2019

Dwalend en ziek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Wat is de ware kerk?
Dat is een heilige vergadering waar Jezus Christus het voor het zeggen heeft. Christus schrijft daar de wet voor.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis leert het ons zo: “De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt; dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen. Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand heeft het recht zich van haar af te scheiden. Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heer Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem”.
Dat is dus de echte kerk.

Wat is de valse kerk?
De Nederlandse Geloofsbelijdenis omschrijft dat als volgt: “Wat de valse kerk betreft, deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich niet aan het juk van Christus onderwerpen. Zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in zijn Woord geboden heeft, maar naar eigen goedvinden voegt zij eraan toe en laat zij eruit weg. Zij grondt zich meer op mensen dan op Christus. Zij vervolgt hen die heilig leven naar Gods Woord en die haar bestraffen over haar zonden, hebzucht en afgoderij”[1].
Dat is dus de onechte kerk.

Hierboven staan bekende formuleringen.
Wij moeten erop letten dat in die volzinnen maar twee ‘soorten’ kerken benoemd worden. Waar en vals. Meer smaken zijn er niet.

De Gereformeerd-vrijgemaakte dr. A.N. Hendriks kent meer onderscheidingen. Namelijk:
* de dwalende kerk
en
* de zieke kerk.
Uit het Reformatorisch Dagblad citeer ik: “Zolang het Woord en de sacramenten recht worden bediend, stelde Calvijn, is er sprake van een kerk van Christus. Een dwalende of zieke kerk is nog geen valse kerk. Wat een valse kerk is, zegt artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In de Afscheiding van 1834 en de Vrijmaking van 1944 verlieten mensen pas de kerk toen ze er niet meer welkom waren. Voor trouwe dienaren was geen plaats”[2].
“Een dwalende of zieke kerk is nog geen valse kerk”. Zo zegt dr. Hendriks dat.
Dwalen, dat is: op een verkeerde weg zijn. En ook: zonder doel rondlopen.
Ziek, dat is: lichamelijk of geestelijk niet in orde zijn.
Kennelijk redeneert dr. Hendriks als volgt: als de kerk op een verkeerde weg zit, kun je altijd terugkeren; en een zieke kerk kan nog beter worden.

Die onderscheidingen ‘dwalend’ en ‘ziek’ zijn door de jaren heen veel gebruikt. Men kan ze in preken en boeken nog vaak tegenkomen.
Maar hoe spreekt Gods Woord over de kerk?

In Johannes 16 zegt Jezus zelf: “Ze zullen u uit de ​synagoge​ werpen; ja, de tijd komt dat ieder die u doodt, denkt God een dienst te bewijzen”[3].
Er komt een tijd dat de mensen zeggen zullen: eruit met die Evangelieverkondigers! In die tijd wordt er niet meer rustig gediscussieerd. Dat zijn geen momenten waarop men aandacht vraagt voor allerlei nuanceringen.

Laten we elkaar wijzen op Handelingen 4. Daar wordt een bevel gegeven: “En na hen – dat zijn de apostelen – geroepen te hebben, gaven zij – dat zijn de Schriftgeleerden – hun het bevel helemaal niet meer te spreken of te onderwijzen in de Naam van Jezus”[4].
De leiders in Jeruzalem zeggen niet: doe het een beetje rustig aan met die Evangelieverkondiging. Ze zeggen eenvoudig: stop daarmee!

Laten wij elkaar meenemen naar 2 Timotheüs 4. Daar staat: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten. Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels”[5].
Dat ziet er zwart-wit uit. Grijstinten zien wij niet.

In de tweede algemene brief van de apostel Johannes is genoteerd: “Ieder die overtreedt en niet blijft in de leer van ​Christus, die heeft God niet; wie in de leer van ​Christus​ blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon”[6].
Het is wel of niet. Het is alles of niets.

De hierboven geciteerde teksten zijn niet willekeurig gekozen. We vinden ze als Schriftbewijs in de Nederlandse Geloofsbelijdenis bij het begrip ‘valse kerk’.

We kunnen eigenlijk niet om de conclusie heen dat kwesties van ware en valse kerk zwart-wit zijn. Het is ja of nee. Het is nooit ‘misschien’. Of ‘een beetje’. Of ‘min of meer’.

Is het nu zo dat we bij de eerste de beste onschriftuurlijke beslissing de kerk moeten verlaten?
Nee, dat niet.
De vraag is: kan er in de kerk nog van gedachten gewisseld worden op basis van het Woord van God? Als dat niet meer het geval is, wordt het tijd om weg te wezen.

Zonder twijfel is dr. Hendriks een man die door zijn Heer met grote gaven gesierd is.
Maar de stellingen die hij in het Reformatorisch Dagblad inneemt zijn op z’n minst opmerkelijk.
En met de kwalificaties ‘dwalende kerk’ en ‘zieke kerk’ kan een rechtgeaard Gereformeerd mens meestentijds niet zoveel aanvangen.
Het is goed om elkaar op dit punt scherp te houden.

Noten:
[1] De citaten over de kerk komen uit: Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[2] “Verlaat de GKV niet te vlug”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 15 juli 2019, p. 2 en 3.
[3] Johannes 16:2.
[4] Handelingen 4:18.
[5] 2 Timotheüs 4:3 en 4.
[6] 2 Johannes, vers 9.

2 november 2018

Niets gebeurt bij toeval

Wij maken ons tegenwoordig nogal druk over de schepping. We vernietigen onszelf, zo roept men uit.
De Franse filosoof Bernard Stiegler zegt: “Het evenwicht dat altijd heerste op aarde, gaat verloren. De mens is een roofdier geworden, dat ook zichzelf kan vernietigen. De mens is een probleem voor de mens geworden: hij vernietigt de voorwaarden voor zijn eigen bestaan”.

Daar komt bij dat, zo zoetjes aan, sociale media ons toekomstbeeld gaan bepalen. Dat gebeurt bijna onmerkbaar. Maar toch.
Stiegler stelt: “Facebook en Google sturen onze verlangens, door te wijzen op de producten die we zouden willen kopen, door suggesties te doen voor virtuele vriendschappen. Ze voorkomen dat we onszelf in de toekomst projecteren, omdat die technologie dat al voor ons doet. Dat leidt tot een gevoel van vervreemding van jezelf, tot een nihilisme waarin niets meer van waarde is omdat ze door een algoritme voor ons berekenen wat ons verlangen zou zijn”[1][2].

Nu belijden we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen”[3].
Die belijdenis bepaalt, als het goed is, de koers in ons leven.
Want daar zeggen we in feite: we laten ons niet door de techniek overheersen; de hoofdregel dat wij, met alles wat de schepping ons biedt, God dienen.

God geeft ons de beschikking over enorm veel dingen.
Hij geeft geweldig veel mogelijkheden om het geschapene te gebruiken en te exploreren. Jesaja zegt in hoofdstuk 40: “Met wie zou u Mij willen vergelijken, of aan wie ben Ik gelijk? zegt de ​Heilige. Sla uw ogen op naar omhoog, en zie Wie deze dingen geschapen heeft; Hij is het Die hun ​leger​ voltallig tevoorschijn brengt, ze alle bij name roept door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht; er ontbreekt er niet één”[4].
De Here roept ons op… nee, niet om de technische mogelijkheden van 2018 te bewonderen. We mogen en moeten zeggen: wat heeft de Schepper van hemel en aarde deze wereld toch prachtig gemaakt! Om met Jeremia 32 te spreken: niets is voor Hem te wonderlijk[5].
Wij moeten bovendien beseffen dat de Schepper alles heeft gemaakt wat mensen nodig hebben om Hem te dienen. Alles is door Hem in de aanbieding gedaan; wij mogen het geschapene tot Zijn eer gebruiken.

Als het gaat over de schepping denken wij vaak aan dingen. Aan materiaal.
Maar wie daarbij zou blijven staan, zou God ernstig tekort doen. Dan zou de Gods macht worden verkleind. Zijn manier van doen zou worden versimpeld.
De apostel Paulus wijst daarop als hij aan de christenen in Colosse schrijft: “Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de ​Eerstgeborene​ van heel de schepping. Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn: tronen, heerschappijen, overheden of machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan tezamen door Hem”[6].
Het middenstuk van bovenstaand citaat maakt het duidelijk: de Heer van hemel en aarde regeert ook over verhoudingen tussen mensen.
Wij mogen en moeten dus ook tot Hem bidden als de verhoudingen beter moeten worden. Goede banden tussen mensen zijn evenzovele zegeningen van Hem.

De Schepper van hemel en aarde – onze goede God – zorgt voor het evenwicht dat nodig is om op deze aarde te leven.
Die balans wordt door natuurrampen en oorlogen ernstig verstoord.

Denkt u alleen maar aan de hongersnood in Jemen.
De NOS meldde op woensdag 24 oktober jongstleden: “In Jemen dreigt een hongersnood van ongekende omvang. (…) Op korte termijn zijn “14 miljoen mensen afhankelijk van voedselhulp om te overleven. Dat is de helft van de bevolking.
(…) De Verenigde Naties vreesden eerder dat hongersnood dreigt voor elf miljoen mensen in Jemen, maar het zijn er dus miljoenen meer. Zo’n acht miljoen Jemenieten krijgen nu hulp van de VN”.
En:
De dreigende hongersnood is ‘veel groter dan alles wat experts op dit gebied ooit in hun werkzame leven hebben gezien’. De afgelopen twintig jaar waren er twee hongersnoden van vergelijkbare omvang: in 2011 in Somalië en vorig jaar in Zuid-Sudan”[7].
Dat maken mensen van de schepping.
De aarde wordt kapotgemaakt omdat mensen de gaven van God, inclusief hun medemensen, gewoonweg de vernieling in jagen!
Dringt het tot u door wat er uiteindelijk gebeurt als mensen de geboden van God – de Heilige, de Schepper van Israël, onze Koning – totaal negeren?[8]

Dat is beangstigend!
Hebben de onheilsboodschappers die zeggen dat deze aarde tot de ondergang gedoemd is dan toch gelijk?
Nee. Hun ongeloof maakt hen blind voor de werkelijkheid die ook in onze tijd geldig is.
Die realiteit is deze: “Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking. (…) Zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig. (…). Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden. Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan dat ons niets bij toeval kan gebeuren, maar dat alles ons alleen overkomt door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader. Hij waakt over ons met een vaderlijke zorg…”[9].

We leven in een wereld waarin consumptie centraal staat.
Overal spreekt men over marketing: promotie, reclame en verkoop lijken het ritme van het bestaan aan te geven.
In die wereld moeten wij de boodschap van Openbaring 4 maar naspreken: “U bent het waard, Heere, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen”[10].
Dan verstilt het alarm over de schepping.
Dan wordt het weer rustig in ons hart.

Noten:
[1] De citaten van Stiegler zijn te vinden op https://www.filosofie.nl/nl/artikel/46588/de-mens-vernietigt-de-voorwaarden-voor-zijn-eigen-bestaan.html ; geraadpleegd op maandag 29 oktober 2018.
[2] Zie voor meer informatie over Bernard Stiegler https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernard_Stiegler ; geraadpleegd op maandag 29 oktober 2018.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 12.
[4] Jesaja 40:25 en 26.
[5] Jeremia 32:17: “Ach, Heere! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk”.
[6] Colossenzen 1:15, 16 en 17.
[7] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2256171-hongersnood-dreigt-voor-14-miljoen-inwoners-van-jemen.html ; geraadpleegd op maandag 29 oktober 2018.
[8] De formulering van deze zin gaat terug op Jesaja 43:15: “Ik ben de HEERE, uw ​Heilige, de Schepper van Israël, uw ​Koning”.
[9] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13.
[10] Openbaring 4:11.

30 oktober 2018

Christus is van alle eeuwigheid

Er zijn in Schrift en belijdenis teksten die, als het er op aankomt, ver boven ons bevattingsvermogen uitgaan.
Neem nu de volgende passage uit één van onze belijdenissen.
“Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen — want dan zou Hij een schepsel zijn — maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk. De Schrift noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (…). Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid”[1].

Zo zeggen wij dat in de kerk.
Zo hebben wij dat geleerd.
Maar het is niet te begrijpen.
Want Hij is van eeuwigheid. Van alle eeuwigheid zelfs!
Dat gaat ver, heel ver boven ons uit!

Maar als het niet te begrijpen is, waarom zeggen wij het dan toch?[2]
Antwoord: omdat het heel belangrijk is om een goed antwoord te hebben op de vraag: wie is Jezus?

De kerk zegt: Hij is God.
De Jehova’s getuigen zeggen: welnee.

Kerkmensen werpen dan tegen: maar Jezus wordt toch de Zoon van God genoemd? Bovendien: God de Vader is God; dan is de Zoon dat toch ook?

Hoho, zeggen de Jehova’s getuigen. Pas bij zijn geboorte is Hij tot Gods Zoon aangenomen. En eigenlijk kun je nog beter zeggen: pas na Zijn opstanding werd Hij Gods Zoon.

Kerkmensen komen vervolgens gedienstig aandragen met Johannes 1. U weet wel: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God”[3].
Maar daar doemt het volgende probleem reeds op. Want dat is volgens de Jehova’s getuigen verkeerd vertaald.

Met zulk een standpunt zeggen de Jehova’s getuigen heel het Evangelie, Gods blijde Boodschap voor de wereld, op losse schroeven.

In de brief aan de christenen in Efeze schrijft Paulus in hoofdstuk 3 over “God, Die alle dingen geschapen heeft door ​Jezus​ ​Christus, opdat nu door de ​gemeente​ aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden, volgens het eeuwige voornemen dat Hij gemaakt heeft in ​Christus​ ​Jezus, onze Heere”[4].
Jezus Christus is de Schepper van de wereld. Dat moet geproclameerd worden in de wereld. Zo komen de mensen erachter hoe groot en veelvuldig Gods wijsheid is. Op die manier wordt Gods plan, dat al van eeuwigheid bestaat, naar behoren uitgevoerd.

In Hebreeën 1 gaat het over “de Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft”[5]. Dus: Gods Zoon was reeds bij de schepping actief!
Even verderop in Hebreeën 1 staat: “U hebt ​gerechtigheid​ lief en haat ongerechtigheid. Daarom heeft Uw God U ​gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen”[6]. Daar wordt gedoeld op de zalving van Jezus Christus. De Hebreeënschrijver heeft het laatste deel van de zin overigens geleend van de zonen van Korach. Die zeggen het zo in Psalm 45[7].

Als je zegt: Jezus werd pas Zijn opstanding de Zoon van God, dan is Hij dus geen God geweest in Zijn lijden en sterven.
En dat terwijl God de Zoon naar de aarde kwam om voor onze zonden te betalen. Een dominee typeerde dat eens zo: “Alsof je als christen uit Nederland emigreert naar Noord- Korea en je blootstelt aan vervolging en marteling”[8].
Die opoffering is onvoorstelbaar. Dat is een zaak van geloof. Maar de Jehova’s getuigen wijzen dat af. Zij hebben er niets mee. Zij geloven er niets van. In feite is dat ongeloof. Niet meer en niet minder.

En dat terwijl het nodig was, dat Jezus in zijn lijden en sterven veel meer was dan een mens.
Denkt u maar aan de Heidelbergse Catechismus. Daarin wordt gevraagd: kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor onze zonden betalen?
En dan is het antwoord: “nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen”[9].
Iemand gebruikte eens het volgende voorbeeld.
“Als je Gods toorn met een olifant vergelijkt, dan zijn wij maar mieren. Stel je een mier voor die ene olifant weg moet duwen. Al zouden miljoenen mieren dat tegelijk proberen dan lukt dat nog niet. Daarvoor is iets nodig van andere orde. Al zouden alle mensen van de wereld die ooit geleefd hadden die toorn God proberen weg te duwen of ertegenin te zwemmen, onbegonnen werk. Daar zijn geen mensen voor nodig, daar is God voor nodig. Alleen God kan tegen die stroom van toorn inzwemmen, die last wegdragen”[10].

De Jehova’s getuigen knippen de kern uit het Evangelie!

Wie is Jezus?
Men maakt een karikatuur van Hem.
Bij de Jehova’s getuigen. Maar ook elders.

Jezus is een symbool, zeggen de mensen vandaag.
Neem nou de volgende zinnen. “Het lijden van Jezus is een symbool voor het lijden van de mensen en het lijden van de wereld. Jezus neemt door zijn eigen lijden het lijden van de mensen op zich”[11]. Die woorden zien er prachtig uit. Intussen wordt de betaling van de zonden een beetje weggemoffeld!
Tenslotte – laten we niet net doen alsof dit alles reuze innoverend is.
Een Gereformeerde dominee schreef meer dan veertig jaar geleden al: “Zo blijft gelovige bezinning wie Jezus nu werkelijk is vandaag zeer nodig. Want als Hij slechts dat is, wat de mensen vandaag in Hem zien en vinden, en niet Gods Zoon, zelf God, dan kan Hij onze Middelaar en Verlosser niet zijn”[12].

De passage uit de belijdenis die in het begin van dit artikel geciteerd werd bevat grote woorden.
Maar wie die moeilijke woorden stiekem laat verdwijnen knipt God op menselijke maat.
Wie die moeilijke woorden stiekem laat verdwijnen maakt van de Bijbel een boek dat geen Evangelie meer heten mag.

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 10.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer https://www.hervormdwaarder.nl/nederlandse+geloofsbelijdenis ; geraadpleegd op donderdag 25 oktober 2018.
[3] Johannes 1:1.
[4] Efeziërs 3:9 b, 10 en 11.
[5] Hebreeën 1:1 en 2.
[6] Hebreeën 1:9.
[7] Psalm 45:8.
[8] De formulering is van dominee D. Breure. Hij is van hervormde huize; hij behoort tot de Gereformeerde Bond.
[9] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, antwoord 14.
[10] Het voorbeeld werd gebruikt door dominee Breure.
[11] Geciteerd uit https://www.thepassion.nl/fileadmin/bestanden-2016/user_upload/2018-01/The_Passion_2018_Toolkit_PABO.pdf ; geraadpleegd op donderdag 25 oktober 2018.
[12] Ds. C.G. Bos, “Geloven en belijden I: Toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 1-19”. – Groningen: De Vuurbaak bv, 1977. – p. 53.

24 oktober 2018

Zonder twijfel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

De Bijbel is waar.

De stelling hierboven doet, zeker vandaag, nogal wat wenkbrauwen fronsen.
In Psalm 18 zingen we: “zijn woord is waar en zuiver t’ allen tijde”[1].
Maar, zeggen massa’s mensen, sommige dingen kunnen eenvoudigweg niet zó gebeurd zijn als ze in de Bijbel staan; de schepping van hemel en aarde bijvoorbeeld.
En, zeggen weer andere mensen, met sommige dingen kun je vandaag gewoon niet meer aankomen; alleen mannen in het ambt bijvoorbeeld.
Dat werkt gewoon niet meer zo.
Dat geloven we niet meer.

Het is, dunkt mij, ook vandaag voor de doorsnee-kerkmens niet overbodig om de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog eens aandachtig te lezen: “Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten”.
Ja, dat staat er echt[2].

“Zonder in enig opzicht te twijfelen” – ja, dat staat er ook.
Niettemin zijn er heel wat mensen die aan allerlei Bijbelse gegevens twijfelen. Veel van die mensen zeggen bovendien dat ze van harte geloven wat in Gods Woord staat. Je zou zeggen: klopt de belijdenis op dit punt wel?

Laat ik mogen wijzen op 1 Corinthiërs 14[3].
Paulus schrijft aan Gods kinderen in Corinthe: “Als iemand denkt dat hij een ​profeet​ is of een geestelijk mens, laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn. Maar als iemand onwetend wil zijn, laat hij onwetend zijn”[4].
Met andere woorden – als je alleen maar zegt dat Paulus een gewoon mens was die wijze lessen opschreef, dan loop je vast. Dan staat het christelijk geloof naast een hele rij andere religies. Dan ga je vragen: zou alles wel waar wezen?
Zeg maar gewoon: God geeft ons, binnen Zijn verbond, wetten en regels.
Paulus zegt simpelweg: wil iemand dat niet geloven? dat zij dan zo…

In 1 Thessalonicenzen 2 schrijft Paulus: “Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft”[5].
Gods Woord is aan het werk, zegt Paulus. Een gelovig mens weet dat zijn geloof, om zo te zeggen, van binnenuit gevoed wordt.
Door de Heilige Geest namelijk. De Heilige Geest getuigt in ons hart. Een getuige is, zoals bekend, iemand die erbij is geweest. Dat is in lijn met wat in 2 Petrus 1 staat: “de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken”[6].

Ons geloof is, zegt Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, ontwijfelbaar.
Op dit punt herhaal ik wat ik al eens eerder schreef: “Het is belangrijk om te bedenken dat die term valt in verband met de samenvatting van het christelijk geloof, zoals we die in de Apostolische Geloofsbelijdenis beschikbaar hebben. In die Apostolische Geloofsbelijdenis staat een hele reeks feiten.
Wie zegt dat hij twijfelt, twijfelt eigenlijk aan de feiten die in de Apostolische Geloofsbelijdenis opgesomd zijn”[7].

Nu vraag ik ook graag aandacht voor woorden die de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant F.J. Bijzet enkele jaren geleden schreef. Dat artikel ging over geloven. De predikant pleitte indertijd voor de nodige nuchterheid.
Hij schreef onder meer: “…de kerk heeft vanaf de vroegste eeuwen gesproken over haar algemeen en ontwijfelbaar geloof. Geloven is immers gewoon: voor waar aannemen wat een ander zegt. Omdat je geen reden hebt die te wantrouwen.
Ik vraag iemand de weg, registreer nauwkeurig wat zij zegt en rijd vervolgens die route. Omdat ik haar geloofde. Ik heb een afspraak met iemand in een restaurant. Ik probeer er op de afgesproken tijd te zijn en ben niet verbaasd daar ook de ander aan te treffen. We geloofden elkaar op onze woorden.
Zo vraagt de Bijbel ook geloof: aannemen dat het waar is wat daarin gezegd wordt. En daaraan dan geen persoonlijke invulling gaan geven die weinig meer te maken heeft met wat werkelijk gezegd is. Maar het gewoon houden bij hoe het schriftelijk vastgelegd is. Niet zeggen dat de Bijbel voor allerlei uitleg vatbaar is, maar zorgvuldig proberen vast te stellen wat er nu werkelijk gezegd en bedoeld is.
Gelooft u dat Willem van Oranje in Delft vermoord is? Waarom? U was er niet bij. Nee, maar er bestaan historische documenten die deze moord beschrijven. Meer dan één. Waarom geloven we dan wat in de Bijbel staat, niet net zo? Daar zijn ook historische documenten van. Een Bijbel vol”[8].

Echte gelovigen zijn door God geroepen. Hij zei: je hoort bij Mij, ik heb je als Mijn kind aangenomen.
Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de christenen in Thessalonica: “Maar wij moeten God altijd voor u danken, broeders, die geliefd bent door de Heere, dat God u van het begin verkoren heeft tot zaligheid, in ​heiliging​ door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u geroepen door ons ​Evangelie​ om de heerlijkheid van onze Heere ​Jezus​ ​Christus​ te verkrijgen. Sta dan vast, broeders, en houd u aan de overleveringen waarin u onderwezen bent door ons woord of door onze brief”[9].
Houd het gegeven onderwijs vast!
Die laatste aansporing mag heden ten dage best enig accent krijgen. Het is in onze tijd moeilijk geworden om als een kind te geloven – ‘het is waar, want God heeft het gezegd’.
In de kerk worden we daar in getraind.
Laten wij, zeker in deze tijd, blijven beseffen dat Psalm 12 nog altijd in ons kerkboek staat:
“Gods mond alleen spreekt woorden die niet falen,
zuivere woorden, onvervalst en klaar,
als zilver dat de smeltkroes zeven malen
gelouterd heeft. Al wat God spreekt is waar”[10].

Noten:
[1] Dit is de tweede regel van Psalm 18:9; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 5.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Ds. C.G. Bos, “Geloven en belijden I: Toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 1-19”. – Groningen: De Vuurbaak bv, 1977. – p. 30.
[4] 1 Corinthiërs 14:37 en 38.
[5] 1 Thessalonicenzen 2:13.
[6] 2 Petrus 1:21.
[7] Geciteerd uit mijn artikel ‘Twijfel nooit aan God, hier gepubliceerd op dinsdag 3 oktober 2017. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/10/03/twijfel-nooit-aan-god/ .
[8] Ds. F.J. Bijzet, “Neem de ooggetuigen serieus”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 29 januari 2014, p. 9.
[9] 2 Thessalonicenzen 2:13, 14 en 15.
[10] Psalm 12:4; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

28 september 2018

Meer dan therapie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Er zijn mensen, heel veel mensen die hun leven lang strijden tegen hun zonde.
Zij weten dat zij een zwak punt hebben.
Zij weten, bijvoorbeeld, dat zij verkeerde gedachten in de seksuele sfeer koesteren.
Zij weten dat zij zulke gedachten moeten terugdringen.
Toch zijn die gedachten er – bij sommigen elke dag.
En het echoot in hun hoofd: ‘ik wil het niet!… ik wil het niet!’.
Maar het gebeurt toch.
Sommigen worden er zo nu en dan wanhopig van.
Misschien, heel misschien luchten zulke mensen hun hart bij een intieme vriend. Een enkeling vraagt: zou er een therapie voor wezen….???

Strijden tegen zwakheid –
vechten tegen de zonde –
dat is eigenlijk helemaal geen nieuws.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis, die in 1561 gepubliceerd werd, heeft het er al over: “Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heer Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem”[1].

We zeggen het wel eens tegen elkaar: het leven is een strijd. Meestal is dat half-grappig bedoeld.
Maar in de praktijk blijkt het maar al te waar: we strijden tegen de zonde. Iedere dag gaan we weer tegen Gods wetten in. Iedere dag moeten wij weer concluderen: het had beter gekund. We hadden attenter kunnen zijn. Minder egocentrisch. Meer vervuld van ’s Heren dienst.

Die strijd is al heel oud. Sterker nog: dat gevecht speelt al sinds de zondeval.
De apostel Paulus had er ook problemen mee.
Hij schreef er over in Romeinen 7:
“Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik”[2].
En in Galaten 5:
“Want het vlees begeert tegen de Geest in, en de Geest tegen het vlees in; en die staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u zou willen”[3].

Hoe houden wij het vol in dit leven?
Hoe houden wij het lichtpunt in het leven in zicht?
Hoe blijven wij wanhoop de baas?

Paulus schrijft in Romeinen 7: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God, door ​Jezus​ ​Christus, onze Heere”[4].
En Johannes schrijft in zijn eerste algemene brief, in hoofdstuk 1:
“Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van ​Jezus​ ​Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle ​zonde. Als wij zeggen dat wij geen ​zonde​ hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze ​zonden​ belijden: Hij is getrouw en ​rechtvaardig​ om ons de ​zonden​ te ​vergeven​ en ons te ​reinigen​ van alle ongerechtigheid”[5].

Hoe houden wij het vol in dit leven?
Antwoord: we mogen schuilen bij de Here Jezus Christus, onze Heiland. Wij mogen tegen Hem zeggen: het is vandaag weer niet goed gelukt. Wij mogen vragen: wilt u ons onze zonden vergeven?
Er is toekomst voor mensen die dat in alle ernst aan God vragen.
Er is toekomst voor mensen die, vanwege het verlossingswerk van Jezus Christus, met Psalm 19 gaan zingen:
“…Heer, wie kent de maat
van zijn verborgen kwaad,
wie kan zichzelf doorgronden?
Verlos en heilig mij,
o HERE, spreek mij vrij
van mijn verborgen zonden”[6].

Is er een therapie om om te gaan met de zonde?
Het woord ‘therapie’ komt van therapeia, een oud-Grieks woord. De betekenis daarvan luidt: geven van zorg en aandacht aan een ander door te pogen naast of met die ander te staan als hij of zij in de wereld is en zijn leven leeft[7].
De God van hemel en aarde gaat echter nog verder. Veel verder. Jezus is – om met Johannes 1 te spreken – het “Lam van God, Dat de ​zonde​ van de wereld wegneemt”[8].

Dat doet Hij vandaag.
En morgen.
En overmorgen.
Volgend jaar.
En over honderd jaar doet Hij het nog, als Christus nog niet teruggekomen is.

Dat Evangelie predikt de kerk.
Jaar in, jaar uit.
Eeuw in, eeuw uit.

Misschien zegt iemand: maar mijn zonde is er morgen nog. En misschien is die er over tien jaar nog wel.
Maar dan kan ons antwoord zijn: alle jaren door, zolang de aarde bestaan zal, is er datzelfde blijde en rustgevende Evangelie!
Gods kinderen mogen vertrouwen op die vergeving.
Gods kinderen mogen vertrouwen op Gods beloften over een heerlijke toekomst die nooit ophoudt.
Want de God van hemel en aarde doet wat Hij zegt!

Daarom mogen wij met Psalm 32 instemmen:
“…wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt,
omringt Hij met zijn goedertierenheid.
Verheugt u in de HERE, alle vromen,
u mag tot God met grote vreugde komen.
Rechtvaardigen, weest in de HEER verblijd
en zingt Hem lof in alle eeuwigheid!”[9].

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[2] Romeinen 7:15.
[3] Galaten 5:17.
[4] Romeinen 7:24 en 25.
[5] 1 Johannes 1:7, 8 en 9.
[6] Dit is het laatste deel van Psalm 19:5; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[7] Zie http://www.idee-pmc.nl/psychotherapie/therapie_over.html ; geraadpleegd op donderdag 20 september 2018.
[8] Johannes 1:29.
[9] Psalm 32:5; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.